Procedure : 2015/2087(INL)
Stadium plenaire behandeling
Documentencyclus : A8-0206/2017

Ingediende teksten :

A8-0206/2017

Debatten :

Stemmingen :

PV 04/07/2017 - 6.7
CRE 04/07/2017 - 6.7

Aangenomen teksten :

P8_TA(2017)0281

VERSLAG     
PDF 322kWORD 67k
1.6.2017
PE 599.836v02-00 A8-0206/2017

met aanbevelingen aan de Commissie inzake verjaringstermijnen bij verkeersongevallen

(2015/2087(INL))

Commissie juridische zaken

Rapporteur: Pavel Svoboda

(Initiatief – artikel 46 van het Reglement)

ONTWERPRESOLUTIE VAN HET EUROPEES PARLEMENT
 BIJLAGE BIJ DE ONTWERPRESOLUTIE:AANBEVELINGEN VOOR EEN RICHTLIJN VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD INZAKE GEMEENSCHAPPELIJKE VERJARINGSTERMIJNEN VOOR VERKEERSONGEVALLEN MET EEN GRENSOVERSCHRIJDEND KARAKTER
 INFORMATIE OVER DE GOEDKEURINGIN DE TEN PRINCIPALE BEVOEGDE COMMISSIE
 HOOFDELIJKE EINDSTEMMING IN DE TEN PRINCIPALE BEVOEGDE COMMISSIE

ONTWERPRESOLUTIE VAN HET EUROPEES PARLEMENT

met aanbevelingen aan de Commissie inzake verjaringstermijnen bij verkeersongevallen

Het Europees Parlement,

–  gezien artikel 225 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gelet op artikel 67, lid 4, en artikel 81, lid 2, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie,

–  gezien artikel 6 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) en de relevante jurisprudentie van het EVRM,

–  gezien de jurisprudentie van het Hof van Justitie van de Europese Unie betreffende de beginselen van nationale procedurele autonomie en effectieve rechterlijke bescherming(1),

–  gezien Verordening (EG) nr. 864/2007 van het Europees Parlement en de Raad van 11 juli 2007 betreffende het recht dat van toepassing is op niet-contractuele verbintenissen (Rome II)(2) (Rome II-verordening),

–  gezien het Verdrag van Den Haag van 4 mei 1971 inzake de wet welke van toepassing is op verkeersongevallen (Verdrag van Den Haag van 1971 inzake verkeersongevallen),

–  gezien Richtlijn 2009/103/EG van het Europees Parlement en de Raad van 16 september 2009 betreffende de verzekering tegen de wettelijke aansprakelijkheid waartoe de deelneming aan het verkeer van motorrijtuigen aanleiding kan geven en de controle op de verzekering tegen deze aansprakelijkheid(3) (richtlijn motorrijtuigenverzekering),

–  gezien het Europees Verdrag inzake de berekening van termijnen(4),

–  gezien het onderzoek naar de beoordeling van de Europese toegevoegde waarde, uitgevoerd door de afdeling Europese toegevoegde waarde van de onderzoeksdiensten van het Europees Parlement (EPRS) getiteld "Common minimum standards of civil procedure"(5),

–  gezien de studie van het directoraat-generaal Intern beleid getiteld "Cross-border traffic accidents in the EU – the potential impact of driverless cars"(6),

–  gezien de studie van de Commissie getiteld "Compensation of victims of cross-border road traffic accidents in the EU: Comparison of national practices, analysis of problems and evaluation of options for improving the position of cross-border victims"(7),

–  gezien het verslag van de Commissie van 2010 over een actieplan ter uitvoering van het programma van Stockholm(8),

–  gezien zijn resolutie van 1 februari 2007 met aanbevelingen aan de Commissie betreffende verjaringstermijnen voor grensoverschrijdende geschillen met betrekking tot letsel en dodelijke ongevallen(9),

–  gezien zijn resolutie van 22 oktober 2003 over het voorstel voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad houdende wijziging van de Richtlijnen 72/166/EEG, 84/5/EEG, 88/357/EEG en 90/232/EEG van de Raad en Richtlijn 2000/26/EG van het Europees Parlement en de Raad betreffende de verzekering tegen de wettelijke aansprakelijkheid waartoe deelneming aan het verkeer van motorrijtuigen aanleiding kan geven(10),

–  gezien de artikelen 46 en 52 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie juridische zaken (A8-0206/2017),

A.  overwegende dat in de Unie de regels inzake verjaring bij vorderingen betreffende schadevergoeding van lidstaat tot lidstaat sterk verschillen, waardoor er niet twee lidstaten zijn die precies dezelfde basisregels hanteren voor verjaring; overwegende dat de relevante verjaringstermijnen worden bepaald aan de hand van diverse factoren, bijvoorbeeld of er ook sprake is van een strafrechtelijk onderzoek en of de claim als vordering uit onrechtmatige daad of als contractuele vordering beschouwd wordt;

B.  overwegende dat nationale verjaringstermijnen dus extreem complex zijn en het vaak moeilijk te begrijpen is wat de toepasselijke algemene verjaringstermijn is, wanneer en hoe termijnen ingaan en hoe deze worden opgeschort, onderbroken of verlengd;

C.  overwegende dat onbekendheid met buitenlandse verjaringsregels ertoe kan leiden dat het recht om een verder geldige vordering in te dienen, verloren gaat, of dat er voor de slachtoffers hindernissen in de vorm van bijkomende kosten en vertraging ontstaan bij de toegang tot de rechter;

D.  overwegende dat er op dit moment slechts weinig statistieken beschikbaar zijn over de afwijzing van vorderingen inzake schadevergoeding bij verkeersongevallen met een grensoverschrijdend karakter op grond van het feit dat de verjaringstermijn is verstreken;

E.  overwegende dat op het gebied van verkeersongevallen met een grensoverschrijdend karakter de enige reeds op EU-niveau geharmoniseerde grond de grond is die in artikel 18 van de richtlijn motorrijtuigenverzekering wordt genoemd en die slachtoffers in staat stelt in hun eigen woonland schadevergoeding te eisen via een schadeclaim bij een betrokken verzekeringsmaatschappij of schadevergoedingsinstantie in verband met de wettelijke aansprakelijkheid waartoe deelneming aan het verkeer van motorrijtuigen aanleiding kan geven(11);

F.  overwegende dat verjaringstermijnen een belangrijk en integraal onderdeel vormen van de wettelijke-aansprakelijkheidsregels van de lidstaten die bij verkeersongevallen gelden, en wel in die zin dat tegenover een korte verjaringstermijn strenge aansprakelijkheidsregels of de toekenning van royale schadevergoedingen kunnen staan;

G.  overwegende dat regels inzake verjaring van vorderingen van essentieel belang zijn om rechtszekerheid en de definitieve regeling van geschillen te waarborgen; overwegende evenwel dat tegenover het recht van de verweerder op rechtszekerheid en definitieve regeling van geschillen het grondrecht van de eiser op een doeltreffende voorziening in rechte staat, en dat onnodige korte verjaringstermijnen een doeltreffende toegang tot de rechter in de EU in de weg zouden kunnen staan;

H.  overwegende dat, gezien de huidige verschillen wat betreft verjaringsregels en het soort problemen dat rechtstreeks verband houdt met de uiteenlopende nationale bepalingen betreffende transnationale gevallen van letsel en schade aan eigendom, een zekere mate van harmonisering de enige manier is om een adequaat niveau van zekerheid, voorspelbaarheid en eenvoud te waarborgen bij de toepassing van de regels van de lidstaten bij verkeersongevallen met een grensoverschrijdend karakter;

I.  overwegende dat een dergelijke wetgevingsinitiatief voor een billijk evenwicht tussen de partijen zou moeten zorgen wat betreft kwesties aangaande verjaringsregels, en de berekening van en opschorting van termijnen zou moeten vergemakkelijken; overwegende dat daarom naar een gerichte benadering wordt gestreefd die rekening houdt met de toegenomen omvang van het grensoverschrijdende verkeer binnen de Unie, zonder het volledige rechtssysteem van de lidstaten op de schop te nemen;

* * *

1.  erkent dat de situatie van slachtoffers van verkeersongevallen de afgelopen decennia sterk is verbeterd, ook op het niveau van de internationale privaatrechtelijke rechtspraak, in die zin dat buitenlandse slachtoffers gebruik kunnen maken van de procedures in de lidstaat waar zij woonachtig zijn voor alle rechtstreekse vorderingen jegens de aansprakelijkheidsverzekeraar van het voertuig of de schadevergoedingsinstantie;

2.  stelt evenwel vast dat het voortbestaan in de Unie van twee parallelle regelingen voor de wet die van toepassing is bij verkeersongevallen naar gelang het land waar de vordering wordt ingediend, namelijk het Verdrag van Den Haag van 1971 inzake verkeersongevallen dan wel de Rome II-verordening, in combinatie met de keuzemogelijkheden volgens Verordening (EU) nr. 1215/2012 van het Europees Parlement en de Raad(12), tot rechtsonzekerheid en onoverzichtelijkheid leidt en de gelegenheid biedt tot forum shopping;

3.  herhaalt dat er voor onderzoek en onderhandelingen bij grensoverschrijdende geschillen vaak veel meer tijd nodig is dan bij binnenlandse vorderingen; benadrukt in dit verband dat deze situatie nog complexer kan worden als er nieuwe technologieën in het spel komen, zoals in het geval van zelfrijdende auto's;

4.  herinnert in dit verband aan het feit dat het onderwerp verjaringstermijnen moet worden gezien als onderdeel van de maatregelen op het gebied van justitiële samenwerking in civielrechtelijke zaken in de zin van artikel 67, lid 4, en artikel 81 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU);

5.  stelt vast dat de aanwezigheid van gemeenschappelijke minimumregels inzake verjaringstermijnen in grensoverschrijdende geschillen essentieel zijn om ervoor te zorgen dat er doeltreffende rechtsmiddelen beschikbaar zijn ter bescherming van de slachtoffers van verkeersongevallen met een grensoverschrijdend karakter en dat de rechtszekerheid gewaarborgd is;

6.  benadrukt dat buitensporig korte verjaringstermijnen in nationale rechtssystemen een hinderpaal vormen bij de toegang tot de rechter in de lidstaten die mogelijk in strijd is met het recht op een eerlijk proces dat is verankerd in artikel 47 van het Handvest en in artikel 6 van het EVRM;

7.  wijst erop dat de grote verschillen tussen de regels van de lidstaten wat betreft de verjaringstermijnen voor ongevallen met een grensoverschrijdend karakter bijkomende hindernissen opwerpen voor slachtoffers die een schadeclaim indienen wegens letsel en schade aan eigendom welke zij hebben opgelopen in een andere dan hun eigen lidstaat;

8.  verzoekt de Commissie te waarborgen dat er op het e-justitieportaal algemene informatie over de in de lidstaten geldende verjaringstermijnen voor vorderingen inzake schadevergoeding bij verkeersongevallen met een grensoverschrijdend karakter beschikbaar komt die voortdurend wordt bijgewerkt;

9.  verzoekt de Commissie tevens een studie uit te voeren naar de bescherming in de lidstaten van minderjarigen en personen met een handicap wat betreft de verjaringstermijnen en naar de noodzaak om op Unieniveau minimumregels vast te stellen om te waarborgen dat deze personen hun recht op schadevergoeding naar aanleiding van hun betrokkenheid bij een verkeersongeval met grensoverschrijdend karakter niet verliezen en dat zij verzekerd zijn van doeltreffende toegang tot de rechter in de Unie;

10.  verzoekt de Commissie op basis van artikel 81, lid 2, VWEU een voorstel voor een wetgevingshandeling voor te leggen over verjaringstermijnen met betrekking tot letsel en schade aan eigendom bij verkeersongevallen met een grensoverschrijdend karakter, aan de hand van de aanbevelingen in de bijlage bij deze resolutie;

11.  is van oordeel dat het verlangde voorstel geen financiële gevolgen heeft;

12.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie en bijgaande aanbevelingen te doen toekomen aan de Commissie en de Raad, alsmede aan de parlementen en regeringen van de lidstaten.

(1)

Zie onder meer: arrest van of 18 september 2003, Peter Pflücke tegen Bundesanstalt für Arbeit, C-125/01, ECLI:EU:C:2003:477, arrest van 25 juli 1991, Theresa Emmott tegen Minister for Social Welfare and Attorney General, C-208/90, ECLI:EU:C:1991:333 en arrest van 13 juli 2006, Vincenzo Manfredi e.a tegen Lloyd Adriatico Assicurazioni SpA e.a., gevoegde zaken C-295/04 t/m C-298/04, ECLI:EU:C:2006:461.

(2)

PB L 199 van 31.7.2007, blz. 40.

(3)

PB L 263 van 7.10.2009, blz. 11.

(4)

CETS 076.

(5)

PE 581.386, juli 2016.

(6)

PE 571.362, juni 2016.

(7)

Ook online te raadplegen via: http://ec.europa.eu/civiljustice/news/docs/study_compensation_road_victims_en.pdf (30 november 2008).

(8)

COM(2010) 171.

(9)

PB C 250 E van 25.10.2007, blz. 99.

(10)

Aangenomen teksten, P5_TA(2003)0446.

(11)

Zie ook: arrest van 13 december 2007, FBTO Schadeverzekeringen NV tegen Jack Odenbreit, C-463/06, ECLI:EU:C:2007:792.

(12)

Verordening (EU) nr. 1215/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2012 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (PB L 351, 20.12.2012, blz. 1).


BIJLAGE BIJ DE ONTWERPRESOLUTIE:AANBEVELINGEN VOOR EEN RICHTLIJN VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD INZAKE GEMEENSCHAPPELIJKE VERJARINGSTERMIJNEN VOOR VERKEERSONGEVALLEN MET EEN GRENSOVERSCHRIJDEND KARAKTER

A.  BEGINSELEN EN DOELSTELLINGEN VAN HET VERLANGDE VOORSTEL

1.  In de Europese Unie blijft wetshandhaving voor de rechtbank in grote mate een kwestie van nationale procedurele regels en praktijken. Nationale rechtbanken zijn ook EU-rechtbanken. Het is dan ook de taak van deze rechtbanken om in de lopende procedures te zorgen voor billijkheid, rechtvaardigheid en efficiëntie alsmede een doeltreffende toepassing van het Unierecht, waarbij wordt gewaarborgd dat de rechten van de Europese burgers in de hele Europese Unie worden beschermd.

2.  De Unie heeft zich ten doel gesteld een ruimte van vrijheid, veiligheid en recht te ontwikkelen. Volgens de conclusies van het voorzitterschap van de Europese Raad van Tampere van 15 en 16 oktober 1999, en met name punt 38 daarvan, dienen er nieuwe procesrechtregels voor grensoverschrijdende zaken te komen, in het bijzonder betreffende de elementen die een soepele justitiële samenwerking en de toegang tot de rechter bevorderen, bijvoorbeeld voorlopige maatregelen, bewijsvergaring, betalingsbevelen en termijnen.

3.  Gemeenschappelijke minimumregels inzake verjaringstermijnen die van toepassing zijn bij transnationale geschillen betreffende letsel en schade aan eigendom als gevolg van verkeersongevallen worden noodzakelijk geacht om de hindernissen terug te dringen voor slachtoffers die gebruik willen maken van hun rechten in een andere dan hun eigen lidstaat.

4.  Zulke gemeenschappelijke minimumregels inzake verjaringstermijnen zouden grotere zekerheid en voorspelbaarheid meebrengen en het risico verminderen dat slachtoffers van verkeersongevallen met een grensoverschrijdend karakter een te geringe schadevergoeding krijgen.

5.  Als zodanig is de voorgestelde richtlijn bedoeld om een speciale verjaringsregeling voor grensoverschrijdende gevallen in te voeren die voor doeltreffende toegang tot de rechter zorgt en een correcte werking van de interne markt faciliteert door hinderpalen voor het vrije verkeer van burgers op het hele grondgebied van de lidstaten weg te nemen.

6.  De voorgestelde richtlijn heeft niet tot doel nationale wettelijke-aansprakelijkheidsregelingen in hun geheel te vervangen maar om, met inachtneming van de nationale bijzonderheden, gemeenschappelijk minimumregels inzake verjaringstermijnen voor vorderingen met een grensoverschrijdend karakter vast te stellen die vallen onder het toepassingsgebied van Richtlijn 2009/103/EG betreffende de verzekering tegen de wettelijke aansprakelijkheid waartoe de deelneming aan het verkeer van motorrijtuigen aanleiding kan geven, en de controle op de verzekering tegen deze aansprakelijkheid.

7.  Het huidige voorstel is in overeenstemming met het subsidiariteits- en het evenredigheidsbeginsel, aangezien de lidstaten niet alleen kunnen handelen bij de opstelling van minimumregels inzake verjaringstermijnen en het voorstel niet verder gaat dan strikt noodzakelijk is om daadwerkelijke toegang tot de rechter en rechtszekerheid in de EU te waarborgen.

B.  TEKST VAN HET VERLANGDE VOORSTEL

Richtlijn van het Europees Parlement en de Raad inzake gemeenschappelijke verjaringstermijnen bij verkeersongevallen met een grensoverschrijdend karakter

HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 67, lid 4, en artikel 81, lid 2,

Gezien het verzoek van het Europees Parlement aan de Commissie,

Gezien het voorstel van de Europese Commissie,

Na toezending van het ontwerp van wetgevingshandeling aan de nationale parlementen,

Gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité,

Handelend volgens de gewone wetgevingsprocedure,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)  De Unie heeft zich ten doel gesteld een ruimte van vrijheid, veiligheid en recht te handhaven en te ontwikkelen, waarin het vrije verkeer van personen gewaarborgd is. Met het oog op de geleidelijke totstandbrenging van die ruimte dient de Unie maatregelen te nemen op het gebied van de justitiële samenwerking in burgerlijke zaken met grensoverschrijdende gevolgen, in het bijzonder wanneer dat nodig is voor de goede werking van de interne markt.

(2)  Krachtens artikel 81, lid 2, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie moeten dergelijke maatregelen onder meer maatregelen omvatten ter waarborging van daadwerkelijke toegang tot de rechter en van het wegnemen van de hindernissen voor de goede werking van burgerrechtelijke procedures, indien nodig door bevordering van de verenigbaarheid van de in de lidstaten geldende bepalingen inzake burgerlijke rechtspleging.

(3)  Volgens het verslag van de Commissie van 2010 over een actieplan voor de tenuitvoerlegging van het programma van Stockholm moeten burgers die naar een andere lidstaat rijden en helaas bij een ongeval betrokken raken, rechtszekerheid hebben over de verjaringstermijnen van verzekeringsclaims. Hiertoe werd aangekondigd dat er in 2011 een nieuwe verordening inzake verjaringstermijnen betreffende verkeersongevallen met een grensoverschrijdend karakter zou worden vastgesteld.(1)

(4)  Verjaringstermijnen hebben niet alleen een aanzienlijke impact op het recht van benadeelde partijen op toegang tot de rechter, maar ook op hun materiële rechten, daar er geen sprake van een doeltreffend recht kan zijn zonder goede en adequate bescherming ervan. Deze richtlijn heeft tot doel de toepassing te bevorderen van gemeenschappelijke verjaringstermijnen bij verkeersongevallen met een grensoverschrijdend karakter om daadwerkelijke toegang tot de rechter in de Unie te verzekeren. Het algemeen erkende recht op toegang tot de rechter is ook neergelegd in artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (het Handvest).

(5)  De eis van rechtszekerheid en de noodzaak om recht te doen in individuele gevallen zijn wezenlijke onderdelen van een ruimte van rechtvaardigheid. Gemeenschappelijke verjaringstermijnen die de rechtszekerheid vergroten en bijdragen aan een daadwerkelijk handhavingsregime zijn dan ook nodig om de toepassing van dit beginsel te waarborgen.

(6)  De bepalingen van deze richtlijn zouden van toepassing moeten zijn op vorderingen die onder het toepassingsgebied van Richtlijn 2009/103/EG van het Europees Parlement en de Raad(2) vallen en een grensoverschrijdend karakter hebben.

(7)  Niets mag lidstaten ervan weerhouden de bepalingen van deze richtlijn waar passend ook toe te passen op louter binnenlandse verkeersongevallen.

(8)  Alle lidstaten zijn verdragsluitende partij bij het Verdrag van 4 november 1950 tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). De in deze richtlijn bedoelde zaken dienen te worden behandeld met inachtneming van dat Verdrag, in het bijzonder het recht op een eerlijk proces en op een doeltreffende voorziening in rechte.

(9)  Het beginsel van het lex loci damni vormt de algemene regel die is neergelegd in Verordening (EG) nr. 864/2007 van het Europees Parlement en de Raad(3) met betrekking tot het recht dat van toepassing is op gevallen van letsel of schade aan eigendom, en dat dus moet worden bepaald op basis van de vraag waar de schade zich heeft voorgedaan, ongeacht het land of de landen waar de onrechtstreekse gevolgen zich kunnen voordoen. Krachtens letter h) van artikel 15 van deze verordening regelt het recht dat op niet-contractuele verbintenissen van toepassing is met name de wijze van tenietgaan van de verbintenis, alsmede de verjaring en het verval, waaronder begrepen de aanvang, de stuiting, en de schorsing van de verjarings- of vervaltermijn.

(10)  Wat verkeersongevallen betreft kan het voor een buitenlands slachtoffer bijzonder moeilijk zijn op korte termijn basisinformatie over het ongeval te verkrijgen van de rechterlijke macht van het bezochte land, zoals de identiteit van de verweerder en eventuele aansprakelijkheid. Ook kan het enige tijd duren voordat is uitgezocht welke schaderegelaar of verzekeraar zich met de zaak moet bezighouden, er bewijsmateriaal omtrent het ongeval is verzameld en eventueel noodzakelijke documenten zijn vertaald.

(11)  Bij verkeersongevallen met een grensoverschrijdend karakter is het niet ongebruikelijk dat termijnen voor de eiser al bijna verlopen zijn voordat de onderhandelingen met de verweerder kunnen beginnen. Dit gebeurt met name als de totale termijn bijzonder kort is of als er onduidelijkheid heerst omtrent de manier waarop de verjaringstermijn kan worden opgeschort of onderbroken. Het verzamelen van informatie over een ongeval dat in een voor de eiser vreemd land heeft plaatsgevonden, kan veel tijd in beslag nemen. Daarom dient de algemene termijn die in de richtlijn is vastgesteld, te worden opgeschort zodra er bij de verzekeraar of de schadevergoedingsinstantie een vordering wordt ingediend, om de eiser in staat te stellen over de afwikkeling van de vordering te onderhandelen.

(12)  Met deze richtlijn moeten minimumvoorschriften worden vastgesteld. De lidstaten kunnen voorzien in een hoger beschermingsniveau. Een dergelijk hoger beschermingsniveau mag geen belemmering vormen voor de daadwerkelijke toegang tot de rechter die deze minimumvoorschriften beogen te bevorderen. Het beschermingsniveau waarin het Handvest voorziet, zoals geïnterpreteerd door het Hof, en de voorrang, eenheid en doeltreffendheid van het EU-recht mogen hierbij niet in het gedrang komen.

(13)  Deze richtlijn dient Verordening (EG) nr. 864/2007 en Verordening (EU) nr. 1215/2012 van het Europees Parlement en de Raad(4) onverlet te laten.

(14)  Deze richtlijn heeft tot doel de grondrechten te bevorderen en houdt rekening met de beginselen en waarden die met name door het Handvest worden erkend, en is er tegelijk op gericht de Uniedoelstelling van behoud en ontwikkeling van een ruimte van vrijheid, veiligheid en recht te bereiken.

(15)  Daar de doelstellingen van deze richtlijn, namelijk het tot stand brengen van gemeenschappelijke minimumnormen voor verjaringstermijnen bij verkeersongevallen met een grensoverschrijdend karakter, niet voldoende door de lidstaten kunnen worden verwezenlijkt, maar vanwege de omvang of de gevolgen van het optreden beter door de Unie kunnen worden verwezenlijkt, kan de Unie, overeenkomstig het in artikel 5 van het Verdrag betreffende de Europese Unie neergelegde subsidiariteitsbeginsel, maatregelen nemen. Overeenkomstig het in hetzelfde artikel neergelegde evenredigheidsbeginsel gaat deze richtlijn niet verder dan wat nodig is om deze doelstellingen te verwezenlijken.

(16)  Overeenkomstig de artikelen 1 en 2 van Protocol nr. 21 betreffende de positie van het Verenigd Koninkrijk en Ierland, gehecht aan het Verdrag betreffende de Europese Unie en het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, [hebben het Verenigd Koninkrijk en Ierland laten weten dat zij wensen deel te nemen aan de aanneming en toepassing van deze richtlijn]/[nemen het Verenigd Koninkrijk en Ierland, onverminderd artikel 4 van dat protocol, niet deel aan de aanneming van deze richtlijn; deze is dan ook niet bindend voor noch van toepassing in deze landen].

(17)  Overeenkomstig de artikelen 1 en 2 van Protocol nr. 22 betreffende de positie van Denemarken, gehecht aan het Verdrag betreffende de Europese Unie en het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, neemt Denemarken niet deel aan de aanneming van deze richtlijn; deze is dan ook niet bindend voor noch van toepassing in Denemarken,

HEBBEN DE VOLGENDE RICHTLIJN VASTGESTELD:

HOOFDSTUK I:

ONDERWERP, TOEPASSINGSGEBIED EN DEFINITIES

Artikel 1

Onderwerp

Doel van deze richtlijn is het vaststellen van minimumnormen betreffende de totale duur, het begin, de opschorting en de berekening van verjaringstermijnen voor vorderingen inzake schadevergoeding voor letsel en schade aan eigendom, verhaalbaar krachtens Richtlijn 2009/103/EG, in het geval van verkeersongevallen met een grensoverschrijdend karakter.

Artikel 2

Toepassingsgebied

Deze richtlijn is van toepassing op vorderingen inzake schadevergoeding voor verlies of letsel als gevolg van een door een voertuig veroorzaakt ongeval jegens:

a.  de verzekeringsmaatschappij die de verantwoordelijke persoon verzekert tegen wettelijke aansprakelijkheid overeenkomstig artikel 18 van Richtlijn 2009/103/EG; of

b.  de schadevergoedingsinstantie zoals bedoeld in de artikelen 24 en 25 van Richtlijn 2009/103/EG.

Artikel 3

Verkeersongeval met een grensoverschrijdend karakter

1.  In deze richtlijn wordt onder verkeersongeval met een grensoverschrijdend karakter verstaan een verkeersongeval dat wordt veroorzaakt door voertuigen die verzekerd en normaliter gevestigd zijn in een lidstaat en dat plaatsvindt in een andere lidstaat dan die van de gewone verblijfplaats van het slachtoffer of in een derde land waarvan het nationaal bureau van verzekeraars, zoals gedefinieerd in artikel 6 van Richtlijn 2009/103/EG, is aangesloten bij het groenekaartsysteem.

2.  In deze richtlijn wordt onder "lidstaat" verstaan: iedere lidstaat behalve [het Verenigd Koninkrijk, Ierland en] Denemarken.

HOOFDSTUK II:

  MINIMUMNORMEN VOOR VERJARINGSTERMIJNEN

Artikel 4

Verjaringstermijn

1.  De lidstaten zorgen ervoor dat een verjaringstermijn van ten minste vier jaar van toepassing is bij maatregelen in verband met schadevergoeding voor letsel en schade aan eigendom als gevolg van een verkeersongeval met een grensoverschrijdend karakter zoals bepaald in artikel 2. De verjaringstermijn gaat in op de dag waarop de eiser zich bewust wordt, of aannemelijke redenen had om zich bewust te worden, van de omvang van het letsel, het verlies of de schade, de oorzaak daarvan en de identiteit van de aansprakelijke persoon en de verzekeringsmaatschappij die deze persoon verzekert tegen wettelijke aansprakelijkheid of de schaderegelaar of schadevergoedingsinstantie die verantwoordelijk is voor het toekennen van schadevergoeding en jegens wie de vordering moet worden ingesteld.

2.  De lidstaten waarborgen dat wanneer de wet die ten grondslag ligt aan de vordering voorziet in een langere verjaringstermijn dan vier jaar, die verjaringstermijn van toepassing is.

3.  De lidstaten waarborgen dat zij de Commissie voorzien van actuele informatie over nationale regels inzake verjaring bij door verkeersongevallen veroorzaakte schade.

Artikel 5

Opschorting van termijnen

1.  De lidstaten waarborgen dat de in artikel 4 van onderhavige richtlijn genoemde verjaringstermijn wordt opgeschort gedurende de periode tussen het instellen van de vordering door de eiser bij:

a)  de verzekeringsmaatschappij van de persoon die het ongeval heeft veroorzaakt, of zijn schaderegelaar zoals bedoeld in artikel 21 en 22 van Richtlijn 2009/103/EG, of

b)  de schadevergoedingsinstantie zoals bedoeld in de artikelen 24 en 25 van Richtlijn 2009/103/EG,

en de afwijzing van de vordering door de verweerder.

2.  Indien de resterende duur van de verjaringstermijn na afloop van de opschorting minder dan zes maanden bedraagt, zorgen de lidstaten ervoor dat de eiser een minimumtermijn van nog eens zes maanden wordt toegekend om een procedure aanhangig te maken.

Artikel 6

Automatische verlenging van termijnen

De lidstaten waarborgen dat indien een termijn op een zaterdag, zondag of een officiële feestdag eindigt, deze wordt verlengd tot het einde van de eerste daaropvolgende werkdag.

Artikel 7

Berekening van termijnen

De lidstaten waarborgen dat alle termijnen die bij deze richtlijn worden voorgeschreven, als volgt berekend:

a) de berekening gaat in op de dag volgende op die waarop de betrokken gebeurtenis zich heeft voorgedaan;

b) indien een termijn wordt uitgedrukt als een jaar of een aantal jaren, eindigt deze in het desbetreffende daaropvolgende jaar in de maand met dezelfde naam en op de dag met dezelfde datum als de maand waarin en de dag waarop genoemde gebeurtenis heeft plaatsgevonden. Indien de desbetreffende daaropvolgende maand geen dag heeft met dezelfde datum, eindigt de termijn op de laatste dag van die maand;

c) termijnen wordt niet opgeschort tijdens recessen van rechtbanken.

Artikel 8

Afwikkeling van vorderingen

De lidstaten waarborgen dat wanneer slachtoffers gebruik maken van de in artikel 22 van Richtlijn 2009/103/E genoemde procedure voor de afwikkeling van vorderingen naar aanleiding van een ongeval dat is veroorzaakt door een verzekerd voertuig, dit niet het effect heeft dat slachtoffers ervan worden weerhouden een gerechtelijke of arbitrageprocedure met betrekking tot deze vorderingen op te starten doordat de verjaringstermijn krachtens onderhavige richtlijn tijdens de procedure voor de afwikkeling van hun vordering eindigt.

HOOFDSTUK III:

OVERIGE BEPALINGEN

Artikel 9

Algemene informatie over verjaringstermijnen

De Commissie maakt door de lidstaten overeenkomstig artikel 4, lid 3, meegedeelde algemene informatie over de nationale verjaringsregels voor vorderingen inzake schadevergoeding voor schade veroorzaakt door verkeersongevallen openbaar en gemakkelijk toegankelijk via passende kanalen en in alle talen van de Unie.

Artikel 10

Verhouding tot nationaal recht

Deze richtlijn belet de lidstaten niet om de in de richtlijn vastgestelde rechten uit te breiden om een hoger beschermingsniveau te bieden.

Artikel 11

Verhouding tot andere bepalingen van het Unierecht

Deze richtlijn laat Verordening (EG) nr. 864/2007 en Verordening (EU) nr. 1215/2012 onverlet.

HOOFDSTUK IV:

SLOTBEPALINGEN

Artikel 12

Omzetting

1.  De lidstaten doen de nodige wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen in werking treden om uiterlijk [een jaar na de datum van inwerkingtreding van deze richtlijn] aan deze richtlijn te voldoen. Zij stellen de Commissie daarvan onverwijld in kennis.

2.  Wanneer de lidstaten die bepalingen aannemen, wordt in de bepalingen zelf of bij de officiële bekendmaking daarvan naar deze richtlijn verwezen. De regels voor die verwijzing worden vastgesteld door de lidstaten.

3.  De lidstaten delen de Commissie de tekst van de bepalingen van intern recht mee die zij op het onder deze richtlijn vallende gebied vaststellen.

Artikel 13

Evaluatie

De Commissie dient, ten laatste op 31 december 2025 en vervolgens om de vijf jaar, bij het Europees Parlement, de Raad en het Europees Economisch en Sociaal Comité een verslag in over de toepassing van deze richtlijn op basis van zowel kwalitatieve als kwantitatieve gegevens. In deze context dient de Commissie in het bijzonder het effect ervan op de toegang tot de rechter, op de rechtszekerheid en op het vrije verkeer van personen te beoordelen. Indien nodig worden bij het verslag wetgevingsvoorstellen gevoegd om deze richtlijn te herzien en te versterken.

Artikel 14

Inwerkingtreding

Deze richtlijn treedt in werking op de twintigste dag volgende op die van haar bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Artikel 15

Adressaten

Deze richtlijn is overeenkomstig de Verdragen gericht tot de lidstaten.

Gedaan te Brussel, [datum]

Voor het Europees Parlement Voor de Raad

De Voorzitter De Voorzitter

TOELICHTING

Al bijna tien jaar geleden keurde het Parlement een resolutie goed over "Verjaringstermijnen voor grensoverschrijdende geschillen met betrekking tot persoonlijk letsel en dodelijke ongevallen" (2006/2014 (INL)), en ondanks openbare raadplegingen en studies over dit onderwerp heeft de Commissie nog steeds geen specifiek wetgevingsvoorstel voorgelegd.

Regels inzake verjaring bepalen hoeveel tijd er beschikbaar is om een vordering inzake schadevergoeding aanhangig te maken bij een rechtbank of een ander bevoegd orgaan. Indien niet aan deze regels wordt voldaan, kan een vordering hierdoor komen te vervallen zelfs voordat concrete juridische aspecten aan de orde komen.

De regels inzake verjaring bij vorderingen inzake schadevergoeding verschillen sterk van lidstaat tot lidstaat. Terwijl de rechtssystemen op het vasteland van Europa verwijzen naar verjaringstermijnen, dat wil zeggen de periode na afloop waarvan een vordering komt te vervallen, kennen common-lawlanden uitsluitend "limitation periods", die aangeven na hoeveel tijd het recht om een vordering in te stellen vervalt, ook al is de vordering zelf niet vervallen. Daarnaast zijn er verschillen tussen de nationale verjaringswetten met betrekking tot het begin van de termijnen en de mogelijkheid om de termijn stop te zetten of te op te schorten.

Regels inzake verjaring van vorderingen zijn van essentieel belang om rechtszekerheid en de definitieve regeling van geschillen te waarborgen. Tegenover deze belangen moet het grondrecht op een doeltreffende voorziening in rechte staan, daar onnodige korte verjaringstermijnen een doeltreffende toegang tot de rechter in de EU in de weg zouden kunnen staan. In de EU-wetgeving zijn verjaringstermijnen niet geharmoniseerd, noch in het algemeen, noch met betrekking tot verkeersongevallen in het bijzonder.

Daarentegen is de bescherming van slachtoffers van verkeersongevallen die zich voordoen in een andere lidstaat dan het woonland van het slachtoffer sinds meer dan tien jaar op EU-niveau geregeld. De richtlijn motorrijtuigenverzekering zorgt ervoor dat buitenlandse slachtoffers via de rechtbank in hun lidstaat van vestiging rechtstreeks een vordering kunnen instellen jegens een verzekeraar of schadevergoedingsinstantie. Het achterliggende doel van de richtlijn motorrijtuigenverzekering is dan ook een vergelijkbare behandeling van slachtoffers te waarborgen, ongeacht waar in de Unie het ongeval heeft plaatsgevonden, en aldus het vrije verkeer van personen en voertuigen te ondersteunen, ter bevordering van de interne markt.

Bij ongevallen met een grensoverschrijdend karakter worden de termijnen voor het instellen van een vordering gebaseerd op de wet van de lidstaat waar het ongeval heeft plaatsgevonden, overeenkomstig de Rome II-verordening (artikelen 4, lid 1, en 15, onder h)). Bovendien zorgt artikel 28 van Rome II ervoor dat het Verdrag van Den Haag over de wet welke van toepassing is op verkeersongevallen van toepassing blijft op de landen die dit verdrag hebben ondertekend, waarmee de toepassing van maatregelen van Rome II over hetzelfde onderwerp wordt uitgesloten. Rome II en het Verdrag van Den Haag benaderen het vraagstuk van de toepasselijke wet op uiteenlopende wijze.

De nationale regels inzake verjaring kunnen uitermate complex zijn, en slachtoffers en hun juridisch adviseurs zullen vaak niet op de hoogte zijn van de regels van lidstaten waarin zij onderweg zijn. Ook zullen de meeste slachtoffers van ongevallen met een grensoverschrijdend karakter gebruik maken van de mogelijkheid om thuis een vordering in te stellen, hetgeen betekent dat de betrokken rechtbank wetten moet toepassen waarmee zij niet vertrouwd is. Dit betreft ook onbekende regels inzake verjaring. Een en ander kan, in combinatie met de verschillen tussen de diverse wettelijke bepalingen inzake verjaring, leiden tot onwenselijke gevolgen voor slachtoffers en onnodige hinderpalen die hun recht op schadevergoeding en tijdige procesvoering tegen redelijke kosten in de weg staan.

Volgens het arrest van het Hof van Justitie in zaak C-463/06, FBTO tegen Odenbreit en zaak C-133/11, Folien Fischer, hebben bovendien zowel de benadeelde partij als de persoon die vermoedelijk aansprakelijk is en zijn verzekeraar krachtens de Brussel I-regeling een aantal opties om vorderingen in te stellen wegens aansprakelijkheid of niet-aansprakelijkheid voor letsel dat bij een verkeersongeval is opgelopen. Dit biedt in combinatie met het uitsluitende effect van de lispendentieregels in Brussel I, mogelijkheden voor arbitrage betreffende de toepasselijke wet, waarbij de partij die het eerst naar de rechter stapt door zijn forumkeuze kan kiezen tussen de Rome II-verordening en het Verdrag van Den Haag inzake verkeersongevallen en, in gevallen waar de twee regelingen naar uiteenlopende wetten wijzen, kan opteren voor de gunstigere uitkomst wat verjaringsvraagstukken betreft.

Algemeen gezien is het moeilijker om vanuit het buitenland een vordering in te stellen. Het kan de nodige tijd vergen om vast te stellen bij welke schaderegelaar of verzekeraar een vordering moet worden ingesteld, om informatie over het ongeval te verzamelen en om eventueel noodzakelijke documenten te laten vertalen. Het gevolg hiervan is dat onbekendheid met de manier waarop de regels inzake verjaring werken, ervoor kan zorgen dat de eiser zijn recht op het instellen van een vordering volledig verliest. Dit is met name het geval als de totale termijn bijzonder kort is of als er onduidelijkheid heerst omtrent de manier waarop een termijn kan worden opgeschort of onderbroken.

Vaker nog werpt de toepassing van buitenlandse regels inzake verjaring bijkomende hindernissen op voor de eiser die toegang tot de rechter probeert te krijgen. De juridisch adviseur besteedt vaak extra tijd aan het vraagstuk van de verjaringstermijnen, terwijl dit bij zuiver binnenlandse zaken niet het geval zou zijn. Er zijn bijkomende kosten als er een deskundige moet worden ingeschakeld in het land waar het ongeval heeft plaatsgevonden om advies over het verjaringsvraagstuk te verstrekken.

De rapporteur is dan ook overtuigd dat het complexe karakter van de situatie en de problemen waarmee eisers geconfronteerd worden, de harmonisering van de regels inzake verjaring rechtvaardigen. Bescherming van de toegang tot de rechter, en daarmee ondersteuning van het vrije verkeer van personen in de Unie, vormt een toereikende reden om regels met betrekking tot verkeersongevallen met een grensoverschrijdend karakter te harmoniseren. Minimumnormen betreffende de belangrijkste aspecten van de wetgeving inzake verjaring dienen dan ook te worden vastgesteld overeenkomstig de beginselen van subsidiariteit en evenredigheid.

De rapporteur stelt dan ook dat minimumnormen betreffende de totale termijn voor het instellen van een vordering, de aanvang van de termijn en de opschorting van de termijn, alsmede betreffende informatieverplichtingen de meeste problemen waarmee buitenlandse slachtoffers op dit moment worden geconfronteerd, zouden oplossen, juridische kosten zouden helpen besparen en vertraging zouden helpen voorkomen. Zulke geharmoniseerde regels zouden van toepassing moeten zijn op vorderingen die onder het toepassingsgebied van de richtlijn motorrijtuigen vallen, namelijk vorderingen jegens verzekeraars en schadevergoedingsinstanties, en waarbij het om grensoverschrijdende gevallen gaat. Een dergelijke wetgevingsmaatregel zou gebaseerd moeten zijn op artikel 81, lid 2, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU).

Dit verslag bevat een voorstel voor een richtlijn dat moet worden beschouwd als een eerste stap bij het faciliteren van een meer natuurlijke en spontane convergentie van de regels van de lidstaten in de loop der tijd, als onderdeel van een voortdurend en geleidelijk proces, en dat de doeltreffende toepassing van de door de Uniewetgeving toegekende rechten ondersteunt, met name wat de toegang tot de rechter betreft.

Voor een gedetailleerde achtergrond bij het wetgevingsvoorstel wordt de lezer verwezen naar de bijlage bij de bovenstaande resolutie.

(1)

COM(2010) 171.

(2)

Richtlijn 2009/103/EG van het Europees Parlement en de Raad van 16 september 2009 betreffende de verzekering tegen de wettelijke aansprakelijkheid waartoe de deelneming aan het verkeer van motorrijtuigen aanleiding kan geven en de controle op de verzekering tegen deze aansprakelijkheid (PB L 263 van 7.10.2009, blz. 11).

(3)

Verordening (EG) nr. 864/2007 van het Europees Parlement en de Raad van 11 juli 2007 inzake het recht dat van toepassing is op niet-contractuele verbintenissen (Rome II), PB L 199 van 31.7.2007, blz. 40.

(4)

Verordening (EU) nr. 1215/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2012 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (PB L 351, 20.12.2012, blz. 1).


INFORMATIE OVER DE GOEDKEURINGIN DE TEN PRINCIPALE BEVOEGDE COMMISSIE

Datum goedkeuring

30.5.2017

 

 

 

Uitslag eindstemming

+:

–:

0:

18

0

4

Bij de eindstemming aanwezige leden

Max Andersson, Joëlle Bergeron, Marie-Christine Boutonnet, Jean-Marie Cavada, Kostas Chrysogonos, Mady Delvaux, Rosa Estaràs Ferragut, Lidia Joanna Geringer de Oedenberg, Sylvia-Yvonne Kaufmann, Gilles Lebreton, António Marinho e Pinto, Pavel Svoboda, József Szájer, Axel Voss, Tadeusz Zwiefka

Bij de eindstemming aanwezige vaste plaatsvervangers

Pascal Durand, Angel Dzhambazki, Evelyne Gebhardt, Virginie Rozière, Kosma Złotowski

Bij de eindstemming aanwezige plaatsvervangers (art. 200, lid 2)

Jarosław Wałęsa, Josef Weidenholzer


HOOFDELIJKE EINDSTEMMING IN DE TEN PRINCIPALE BEVOEGDE COMMISSIE

18

+

EPP

S&D

ALDE

GUE/NGL

Verts/ALE

EFDD

Rosa Estaràs Ferragut, Pavel Svoboda, József Szájer, Axel Voss, Jarosław Wałęsa, Tadeusz Zwiefka

Mady Delvaux, Evelyne Gebhardt, Lidia Joanna Geringer de Oedenberg, Sylvia-Yvonne Kaufmann, Virginie Rozière, Josef Weidenholzer

Jean-Marie Cavada, António Marinho e Pinto

Kostas Chrysogonos

Max Andersson, Pascal Durand

Joëlle Bergeron

0

-

 

 

4

0

ECR

ENF

Angel Dzhambazki, Kosma Złotowski

Marie-Christine Boutonnet, Gilles Lebreton

Verklaring van de gebruikte tekens:

+  :  voor

-  :  tegen

0  :  onthouding

Juridische mededeling - Privacybeleid