Procedure : 2016/2147(INI)
Stadium plenaire behandeling
Documentencyclus : A8-0209/2017

Ingediende teksten :

A8-0209/2017

Debatten :

PV 12/06/2017 - 14
CRE 12/06/2017 - 14

Stemmingen :

PV 13/06/2017 - 5.9
Stemverklaringen

Aangenomen teksten :

P8_TA(2017)0253

VERSLAG     
PDF 898kWORD 358k
6.6.2017
PE 600.940v02-00 A8-0209/2017

over de beoordeling van de tenuitvoerlegging van Horizon 2020 met het oog op de tussentijdse beoordeling en het voorstel voor het negende kaderprogramma

2016/2147(INI),

Commissie industrie, onderzoek en energie

Rapporteur voor advies: Soledad Cabezón Ruiz

AMENDEMENTEN
TOELICHTING – SAMENVATTING VAN DE FEITEN EN BEVINDINGEN
 ONTWERPRESOLUTIE VAN HET EUROPEES PARLEMENT
 ANNEX
 ADVIES van de Begrotingscommissie
 ADVIES van de Commissie regionale ontwikkeling
 ADVIES van de Commissie rechten van de vrouw en gendergelijkheid
 INFORMATIE OVER DE GOEDKEURINGIN DE TEN PRINCIPALE BEVOEGDE COMMISSIE
 HOOFDELIJKE EINDSTEMMING IN DE TEN PRINCIPALE BEVOEGDE COMMISSIE

TOELICHTING – SAMENVATTING VAN DE FEITEN EN BEVINDINGEN

1. Procedure en bronnen

1.1 Doel en timing van het verslag

Op 24 mei 2016 kreeg rapporteur de taak om een verslag voor te bereiden over de tenuitvoerlegging van kaderprogramma voor onderzoek binnen Horizon 2020 (H2020).

Het tijdstip waarop het EP dit verslag aanneemt, is afgestemd op het tijdschema van de Commissie, die in oktober 2017 een mededeling zal aannemen en in het voorjaar van 2018 een voorstel voor het KP9 zal doen. Zo wordt gewaarborgd dat het EP input geeft voor de tussentijdse beoordeling van H2020, en aanbevelingen doet voor het volgende KP voor onderzoek.

1.2 Bronnen en methoden

Het voorliggende verslag is uitgewerkt op basis van de analyses van de in 2015 opgerichte werkgroep H2020 van ITRE. Deze werkgroep heeft meer dan 18 vergaderingen gehouden met deskundigen, belanghebbenden en de Commissie, en heeft een werkdocument over H2020 opgesteld. Het EP houdt toezicht op de uitvoeringsbepalingen van H2020 en ontvangt van DG RTD informatie die ook bezorgd wordt aan de Groep onderzoek van de Raad. Ook antwoorden op schriftelijke vragen aan de Commissie zijn een bron van informatie geweest.

De Onderzoeksdienst heeft een Europees evaluatieonderzoek verricht en verschillende andere briefings gepubliceerd, en de beleidsondersteunende afdelingen binnen DG IPOL van het Parlement hebben verschillende studies laten uitvoeren.

Er werden twee studiebezoeken georganiseerd, naar Portugal en Spanje in november 2016 en naar Duitsland en Polen in februari 2017, en op 29 november vond een openbare hoorzitting plaats over "De toekomst van het onderzoeksbeleid van de EU: inventaris van de huidige situatie en vooruitzichten".

Rapporteur heeft vergaderingen met belanghebbenden georganiseerd en heeft verschillende standpuntnota's van hen gekregen. Ook officiële verslagen en mededelingen van de Commissie zijn waardevolle informatiebronnen geweest.

Paragrafen 2, 3 en 4 zijn in de bijlage opgenomen.

5. Standpunt van de rapporteur

H2020 is het grootste onderzoeksprogramma ter wereld. Het heeft als doelstelling het bieden van een antwoord op sociale en economische uitdagingen; van daaruit kan begonnen worden met de evaluatie, waarbij de goede punten van het programma erkend worden en onderzocht wordt op welke punten verbetering nodig is, opdat de ambitieuze doelstellingen op een duurzame en doeltreffende manier gehaald worden en de problemen bij de tenuitvoerlegging vanwege de complexiteit van het programma opgelost worden.

Horizon 2020 is ontstaan in het kader van de Europa 2020-doelstellingen, met name als antwoord op de economische crisis en de-industrialisering in Europa. Daarom is een belangrijke, prioritaire rol toegekend aan innovatie, het verbeteren van het concurrentievermogen, vergroten van de participatie van kmo's en excellentie. De structuur met drie pijlers, de vereenvoudiging, open wetenschap, de invoering van nieuwe doelstellingen, de zoektocht naar synergieën tussen Europese fondsen en de verbreding met als doel het verbeteren van O&O-cijfers in de regio's met de grootste achterstand, alsook het genderperspectief, zijn nieuwe of versterkte lijnen in vergelijking met het KP7. Bovendien werd de begroting met ongeveer 30 % opgetrokken.

De snelle en ingrijpende veranderingen in de Europese samenleving (nationalistisch populisme, xenofobie, internationaal terrorisme, ongelijkheid, migratiestromen, technologische vooruitgang, sociaal-medische uitdagingen, klimaatverandering en duurzaamheid van natuurlijke hulpbronnen) wijzen echter op een nieuw paradigma, waarop antwoorden nodig zijn die rekening houden met het standpunt van de samenleving en haar belangen en die verzekeren dat de EU haar kernwaarden en -beginselen behoudt.

In geen enkele andere regio ter wereld zijn een hoog niveau van economische en sociale ontwikkeling, rechten, vrijheden en welvaart zo onlosmakelijk met elkaar verbonden als in Europa. Dat levert een toegevoegde waarde op en Europa ontleent hieraan haar identiteit. Deze eigenschappen moeten in het nieuwe kader bewaard blijven, en O&O moet als een sleutelinstrument voor dit kader gezien worden. Wetenschap heeft daarbij de functie een kennismaatschappij te realiseren die ten dienste van de burgers staat en die hun belangen dient, met als doel een duurzame en inclusieve samenleving, waarin de wetenschappelijke gemeenschap en de industrie ingezet worden om het uiteindelijke doel van een wetenschap voor en door de samenleving te bereiken.

In dit opzicht omvat H2020 een reactie op de veranderende wereld; het toekomstige KP9 moet deze lijn aanhouden. Hiertoe zijn evenwel meer inspanningen voor O&O nodig van alle actoren in de EU.

De EU investeerde in 2015 2,03 % van het bbp in O&O (2,04% in 2014 en 1,74 % in 2005, met verschillen tussen de landen gaande van 0,48 % tot 3,26 %) en haalt dus in de verste verte niet de 3 % die in de Europa 2020-strategie als doelstelling is vastgelegd. Dat is enkel het geval in Finland (3,2 %), Zweden (3,2 %), Denemarken (3,1 %) en Oostenrijk (3 %), gevolgd door Duitsland (2,9 %). De achterstand op Zuid-Korea (4,3 %), Israël (4,1 %) en Japan (3,6 %) is groot.

Uit deze gegevens blijkt de concurrentie waarmee de EU geconfronteerd wordt en de ongelijkheden tussen de lidstaten inzake O&O-investeringen. Deze ongelijkheid moet weggewerkt worden om tegen 2020 de drempel van 3 % te halen; het streefcijfer moet zelfs hoger om het concurrentievermogen van de EU wereldwijd te kunnen vergroten, namelijk 4 % in de nabije toekomst.

Om de kloof tussen de regio's te dichten, is begroting nodig, en moet daarnaast ook gezorgd worden voor hoogopgeleide arbeidskrachten, technologische infrastructuur en samenwerkingen tussen universiteiten en het bedrijfsleven. De landen die het best presteren op het gebied van innovatie hebben een uitgebalanceerd nationaal stelsel voor O&O met academisch onderzoek van hoog niveau dat openstaat voor samenwerking en met goed opgeleid personeel, met een kader voor financiering van O&O en durfkapitaal waardoor bedrijven nieuwe technologieën kunnen ontwikkelen. Bovendien investeert de bedrijfswereld in deze landen in innovatie en zijn er talrijke samenwerkingen en netwerken inzake innovatie tussen bedrijven en de overheid.

Daarom is het cruciaal om de Europese onderzoeksruimte verder te ontwikkelen, de begrotingsinspanningen voor O&O in alle lidstaten tot 3 % van het bbp op te trekken, voor verbreding van de participatie te zorgen, synergieën tussen Europese fondsen en het KP te creëren (vereenvoudiging, compatibiliteit van normen, aanpassing van de RIS en naleving van het beginsel van additionaliteit van de fondsen), en technologische infrastructuur te ontwikkelen en te onderhouden. Kortom, uit de convergentie op het vlak van O&O zullen ontwikkeling en cohesie tussen de regio's ontstaan, waardoor het concurrentievermogen van Europa zal worden vergroot.

De financiering voor innovatie moet beschikbaar zijn voor alle fases, en niet alleen wanneer implementatie nabij is, en moet de interne markt voor innovatie bevorderen aan de hand van een passend regelgevingskader en beleidsmaatregelen waardoor het concurrentievermogen van bedrijven behouden blijft of verbeterd wordt.

De rol van jongeren en de financiering van disruptieve innovatie mogen niet onderschat worden. Niet alleen technologische innovatie moet gefinancierd worden, aangezien ook op sociaal gebied kennis wordt vergaard die toegepast kan worden op middellange of lange termijn, en die soms niet naar waarde wordt geschat door de buitensporige gerichtheid op de markt en op de korte termijn in de zoektocht naar resultaten, zonder rekening te houden met een meer globale visie.

Wetenschap op topniveau en fundamenteel onderzoek moeten evenwel centrale prioriteiten van het KP blijven om de uitdagingen van de toekomst aan te kunnen. Europa heeft een aantal topcentra die meetellen op wereldniveau, maar heeft meer van deze topcentra en topregio's nodig. Lonen mogen geen struikelblok vormen waardoor de mobiliteit van onderzoekers wordt verhinderd, en de kwaliteit van het effect van de projecten van een centrum mag bij de evaluatie de excellentie van het centrum zelf niet overschaduwen. Daarnaast moeten de openheid voor en participatie door nieuwe centra en organismen gestimuleerd worden.

O&O moet structureel aangepakt worden en mag niet afhankelijk zijn van de conjunctuur om een antwoord te kunnen bieden op de uitdagingen van de maatschappij. Onderwijs heeft een sleutelfunctie. De samenhang tussen O&O en onderwijs, vanaf de beginfase en gedurende het volledige onderwijstraject, is cruciaal. De participatie van de maatschappij aan onderzoek moet worden bevorderd en de resultaten en activiteiten moeten meer worden verspreid. Dat kan in het kader van wetenschapsonderwijs op school, waarbij O&O eerder op middellange termijn ingezet wordt om het KP dichter bij de samenleving te brengen en met name meer te doen aansluiten op het onderwijs, van jongs af aan tot aan de universiteit. De landen die op het gebied van wetenschap en innovatie het best presteren hebben flexibele onderwijsstelsels die de creativiteit, het kritisch denkvermogen en de actieve deelname van leerlingen bevorderen. Daarom moet overwegen worden om "onderwijs" te integreren in de Europese Onderzoeksruimte, zodat dit een Europese Onderwijs- en onderzoeksruimte wordt.

Deze heroriëntatie van de onderwijsstelsels, met als doel hoogopgeleide arbeidskrachten af te leveren, is cruciaal teneinde met nieuwe banen een antwoord te kunnen bieden op de vervanging van handenarbeid door technologie.

De universiteiten moeten hun rol als centrale kennisbron behouden, en er moeten voorwaarden gecreëerd worden om innovatie en universiteiten dichter bij elkaar te brengen. De relatie tussen de universiteit en de industrie moet versterkt worden om het innovatievermogen van bedrijven te verbeteren. In dit verband moet de rol van technologieparken als tussenschakel onderzocht worden.

Met betrekking tot publiek-private partnerschappen, die in H2020 worden gestimuleerd, moet gestreefd worden naar verbetering van innovatie in het industriële weefsel en naar de ontwikkeling van relevante onderzoeksgebieden. Er moet echter onderzocht worden hoe een onderscheid tussen grote bedrijven en kmo's gemaakt kan worden, en of zij eenzelfde behoefte aan middelen hebben, welke effecten zij hebben en of de voordelen een eerlijke sociale impact hebben. Het moet worden verduidelijkt of grote bedrijven overheidsfinanciering voor onderzoek nodig hebben, in aanvulling op concrete projecten waarvoor een uitgebreide infrastructuur, veel begrotingsmiddelen en een grote toegevoegde waarde voor de Europese samenleving vereist is, dan wel of een innovatief kader en vorderingen van de interne markt voor innovatie dankzij overheidsmaatregelen het meest doeltreffend is. Efficiënt gebruik van hulpmiddelen en effect van de resultaten is vereist. Om participatie van kmo's te verzekeren, moet rekening gehouden worden met hun overwicht in het industriële weefsel in Europa en met de behoefte aan uitbreiding van hun O&O-vermogen en aan groei. Anderzijds moet het rendement van overheidsinvesteringen gewaarborgd worden, bovenop de sociale voordelen dankzij de gecreëerde werkgelegenheid, door de invoering van criteria voor sociale verantwoordelijkheid en gelijkheid, zodat burgers toegang krijgen tot de realisaties die dankzij de bijdrage van de overheid konden ontstaan.

De open wetenschap, waar in H2020 voor wordt gepleit wegens het positieve effect ervan op kennis en op de economie, moet worden versterkt. Zo ook moeten alle betrokken partijen, publiek en particulier, kunnen deelnemen aan de ondersteuning en toegang krijgen, teneinde een noodzakelijk evenwicht te bereiken en feedback te verzekeren, waardoor alle potentiële kennis benut worden.

Wat de sociale uitdagingen betreft, zijn de sociale en geesteswetenschappen cruciaal om de nieuwe uitdagingen onderzoeken, zoals terrorisme, populisme, migratiestromen of ongelijkheden; ook in andere wetenschappelijke disciplines is horizontale erkenning hiervan vereist.

Anderzijds zijn voor de uitdagingen op sociaal-medisch vlak meer inspanningen en een algemene visie nodig. Duidelijke antwoorden op de demografische wijzigingen, het chronisch worden van ziektes, precisiegeneeskunde en toegang tot technologie zijn vereist om de socialezekerheidsstelsels haalbaar te houden. Volksgezondheid, preventie, milieuhygiëne, technologie, digitalisering en het verband tussen gezondheid en de maatschappij moeten geïntegreerd worden in een algemeen kader waardoor een doeltreffend, integraal en doelmatig antwoord geboden kan worden, in samenhang met hervormingen van de Europese socialezekerheidsstelsels.

Het verbeteren van de kennis over kanker en de bestrijding ervan is essentieel. Daartoe moeten de programma's op dit gebied worden versterkt, daarnaast is ook een krachtige en weloverwogen strategie nodig om antimicrobiële resistentie te bestrijden. Toereikende financiering, een behoorlijk kader en coördinatie van de Europese hulpmiddelen voor O&O zijn vereist.

Tot slot kampt ook de levensmiddelensector in Europa met uitdagingen op het gebied van toereikendheid, concurrentievermogen, en maatschappelijke en milieuduurzaamheid. De levensmiddelensector moet meer investeren in onderzoek en innovatie, en er moet worden voorzien in een passend kader voor de ontwikkeling en toepassing van innovaties door kmo's, die moeten concurreren met grote buitenlandse multinationals.

Met betrekking tot de gelijkheid tussen mannen en vrouwen zijn meer inspanningen nodig. Met uitzondering van het percentage vrouwen in adviesgroepen, wordt nergens het minimumpercentage van 40 % gehaald. Ook de deelname van vrouwen aan deskundigenpanels, aan grote projecten of aan de coördinatie daarvan is laag. Het deelnamepercentage van vrouwen verspreid over de verschillende maatschappelijke uitdagingen of in de industriële pijler strookt niet met het feit dat zij steeds meer vertegenwoordigd zijn in technologische loopbanen. Kortom, er is een horizontale gendermainstreaming nodig, met name bij de ontwikkeling van projecten, bij de samenstelling van onderzoeks- en beoordelingsgroepen en de uitsplitsing van gegevens bij de evaluatie van resultaten. De gelijkheid tussen mannen en vrouwen moet immers gezien worden als een noodzakelijke voorwaarde voor een meer coherente en rijkere samenleving dankzij een toegenomen integratie van kennis en van andere standpunten en behoeften.

Wat betreft internationale samenwerking wijzen de cijfers op een achteruitgang in vergelijking met het KP7, die hersteld moet worden. De wetenschappelijke diplomatie kan een sleutelrol vervullen bij het aanpakken van een aantal recente sociale uitdagingen. Initiatieven zoals Prima moeten erkend worden, omdat zij ernaar streven een antwoord te vinden op belangrijke uitdagingen, zoals voedselzekerheid of de toereikendheid van watervoorraden, en aldus indirect kunnen bijdragen aan immigratie, waardoor de samenwerking tussen landen en regio's zal verbeteren en bijgevolg ook de ontwikkeling.

Uit de tussentijdse evaluatie van H2020 kunnen conclusies en aanbevelingen voor het komende KP9 worden gedistilleerd. Er moet in ieder geval rekening gehouden worden met de continuïteit, voorspelbaarheid en stabiliteit van de wetenschappelijke gemeenschap en van de lopende projecten. In aanvulling op de aanpassingen die nodig zijn om de nieuwe uitdagingen het hoofd te bieden, moeten de structuur en de basis van H2020 worden versterkt, en moet bij de tenuitvoerlegging worden gestreefd naar meer transparantie, duidelijkheid, vereenvoudiging, minder fragmentering, een verbeterde evaluatie en feedback voor en door de onderzoekers, alsook monitoring achteraf en meting van het rendement van de overheidsmiddelen.

Het KP9 moet over een voldoende groot en gegarandeerd budget kunnen beschikken. Besparingen in de loop van de tenuitvoerlegging moeten worden vermeden. Het KP9 moet als een ambitieus O&O-programma gefinancierd worden, daarom moet een begroting van 100 miljard EUR als uitgangspunt gewaarborgd zijn.

Kortom, kennis kan en moet bijdragen aan de maatschappelijke welvaart en aan het concurrentievermogen van Europa in de wereld. In dit opzicht moet H2020 gezien worden als een succes en is versterking van het KP9 vereist.


ONTWERPRESOLUTIE VAN HET EUROPEES PARLEMENT

over de beoordeling van de tenuitvoerlegging van Horizon 2020 met het oog op de tussentijdse beoordeling en het voorstel voor het negende kaderprogramma

2016/2147(INI),

Het Europees Parlement,

–  gezien Verordening (EU) nr. 1291/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 11 december 2013 tot vaststelling van Horizon 2020 – het kaderprogramma voor onderzoek en innovatie (2014-2020)(1),

–  gezien Verordening (Euratom) nr. 1314/2013 van de Raad van 16 december 2013 tot vaststelling van een programma voor onderzoek en opleiding van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie (2014-2018) ter aanvulling van het "Horizon 2020"-kaderprogramma voor onderzoek en innovatie(2),

–  gezien Verordening (EU) nr. 1290/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 11 december 2013 tot vaststelling van de regels voor de deelname aan acties en de verspreiding van resultaten in het kader van Horizon 2020 – het kaderprogramma voor onderzoek en innovatie (2014-2020)(3),

–  gezien Besluit 2013/743/EU van de Raad van 3 december 2013 tot vaststelling van het specifieke programma tot uitvoering van "Horizon 2020" - het kaderprogramma voor onderzoek en innovatie (2014-2020),

–  gezien Verordening (EU) nr. 1292/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 11 december 2013 tot wijziging van Verordening (EG) nr. 294/2008 tot oprichting van het Europees Instituut voor innovatie en technologie(4),

–  gezien Besluit nr. 1312/2013/EU van het Europees Parlement en de Raad van 11 december 2013 betreffende de strategische innovatieagenda van het Europees Instituut voor innovatie en technologie (EIT): de bijdrage van het EIT aan een meer innoverend Europa(5),

–  gezien Verordening (EU) 557/2014, 558/2014, 559/2014, 560/2014 en 561/2014 van de Raad van 6 mei 2014(6) en Verordening (EU) 642/2014(7) van de Raad en 721/2014(8) van de Raad van 16 juni 2014 tot vaststelling van de gemeenschappelijke ondernemingen die in het kader van Horizon 2020 gefinancierd worden,

–  gezien Besluit (EU) 553/2014, 554/2014, 555/2014 en 556/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 15 mei 2014 tot vaststelling van de P2P's krachtens artikel 185 die in het kader van Horizon 2020 gefinancierd worden(9),

–  gezien de discussienota voor de groep op hoog niveau over het maximaliseren van de impact van onderzoeks- en innovatieprogramma's van de EU, van 3 februari 2017(10),

–  gezien de monitoringverslagen van de Commissie met betrekking tot Horizon 2020 voor de jaren 2014 en 2015,

–  gezien het verslag van de Commissie aan de Raad en het Europees Parlement getiteld "De Europese Onderzoeksruimte: tijd voor realisatie en voor monitoring van de voortgang" (COM(2017)0035),

–  gezien de mededeling van de Commissie aan het Europees Parlement, de Europese Raad, de Raad, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio's inzake het actieplan voor Europese defensie (COM(2016)0950),

–  gezien het verslag van de Commissie aan het Europees Parlement, de Raad, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio's getiteld "Uitvoering van de strategie voor internationale samenwerking op het gebied van onderzoek en innovatie" (COM(2016) 0657),

–  gezien de mededeling van de Commissie aan het Europees Parlement, de Raad, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio's getiteld "Europees cloudinitiatief – Bouwen aan een concurrentiële data- en kenniseconomie in Europa" (COM(2016)0178) en het begeleidend werkdocument van de diensten van de Commissie (SWD(2016)0106),

–  gezien de mededeling van de Commissie aan het Europees Parlement, de Raad, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio's betreffende het antwoord op het verslag van de deskundigengroep op hoog niveau over de ex-postevaluatie van het zevende kaderprogramma (COM(2016)0005),

–  gezien het verslag van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad getiteld "Jaarverslag over de activiteiten van de Europese Unie op het gebied van onderzoek en technologische ontwikkeling in 2014" (COM(2015)0401),

–  gezien de verslagen van de Commissie 2014 en 2015 getiteld "Integration of Social Sciences and the Humanities in Horizon 2020: participants, budgets and disciplines",

–  gezien het werkdocument van de diensten van de Commissie getiteld "Betere EU-regelingen voor innovatie-investeringen" (SWD(2015)0298),

–  gezien de mededeling van de Commissie aan de Raad en het Europees Parlement getiteld "De Europese Onderzoeksruimte: voortgangsverslag 2014" (COM(2014)0575),

–   gezien de mededeling van de Commissie aan het Europees Parlement, de Raad, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio's getiteld "Onderzoek en innovatie: de bronnen van toekomstige groei" (COM(2014)0339),

–  gezien het werkdocument van de diensten van de Commissie getiteld "Tweede situatierapport betreffende onderwijs en opleiding op het gebied van kernenergie in Europa" (SWD(2014)0299),

–  gezien het werkdocument van de diensten van de Commissie getiteld "FET-vlaggenschipinitiatieven: Een nieuw partnerschapsconcept om grote wetenschappelijke uitdagingen aan te pakken en innovatie in Europa te stimuleren" (SWD(2014)0283),

–  gezien het verslag van de Commissie aan het Europees Parlement, de Raad, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio's getiteld "Tweede tussentijdse evaluatie van de Gemeenschappelijke Ondernemingen voor de uitvoering van de gezamenlijke technologie-initiatieven Clean Sky, brandstofcellen en waterstof en initiatief inzake innovatieve geneesmiddelen" (COM(2014)0252),

–  gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité getiteld "Rol en effecten van GTI's en PPP's in de uitvoering van Horizon 2020 voor een duurzame industriële reconversie" (CCMI/142),

  gezien zijn resolutie van 16 februari 2017 over het Europees cloudinitiatief(11),

–  gezien zijn resolutie van 14 maart 2017 over EU-middelen voor gendergelijkheid(12),

–  gezien zijn resolutie van 6 juli 2016 over synergieën voor innovatie: de Europese structuur- en investeringsfondsen, Horizon 2020 en andere Europese innovatiefondsen en EU-programma's(13),

–  gezien zijn resolutie van 13 september 2016 over cohesiebeleid en onderzoeks- en innovatiestrategieën voor slimme specialisatie (RIS3)(14),

–  gezien artikel 52 van zijn Reglement evenals artikel 1, lid 1, onder e), van Bijlage 3 bij het besluit van de Conferentie van voorzitters van 12 december 2002 inzake de procedure voor het verlenen van toestemming voor de opstelling van initiatiefverslagen,

–  gezien het verslag van de Commissie industrie, onderzoek en energie en de adviezen van de Begrotingscommissie, de Commissie regionale ontwikkeling en de Commissie rechten van de vrouw en gendergelijkheid (A8-0209/2017),

A.  overwegende dat Horizon 2020 het grootste centraal beheerde O&I-programma van de EU en 's werelds grootste met overheidsgeld gefinancierde O&I-programma is;

B.  overwegende dat het Parlement bij de onderhandelingen over Horizon 2020 en over het huidige meerjarig financieel kader (MFK) om 100 miljard EUR heeft gevraagd, en niet om de 77 miljard EUR die oorspronkelijk werd overeengekomen; overwegende dat het budget erg beperkt lijkt als Horizon 2020 het excellentiepotentieel grondig moet onderzoeken en op gepaste wijze moet reageren op de maatschappelijke uitdagingen waar Europa en de wereld momenteel mee worden geconfronteerd;

C.  overwegende dat het verslag van de groep op hoog niveau over het maximaliseren van de impact van onderzoeks- en innovatieprogramma's van de EU en de voor het derde kwartaal van 2017 geplande tussentijdse evaluatie het fundament zullen vormen voor de structuur en de inhoud van het KP9, waarover een voorstel gepubliceerd zal worden in de eerste helft van 2018;

D.  overwegende dat de economische crisis en de financiële crisis bepalende factoren waren voor het ontwerp van Horizon 2020; overwegende dat het volgende kaderprogramma (KP) waarschijnlijk zal worden beïnvloed door nieuwe uitdagingen, nieuwe politieke en economische paradigmata, alsook zich voortzettende globale trends;

E.  overwegende dat het KP gebaseerd moet zijn op Europese waarden, wetenschappelijke onafhankelijkheid, neutraliteit, diversiteit, hoge Europese ethische normen, sociale cohesie en gelijke toegang voor burgers tot de oplossingen en antwoorden waarin het voorziet;

F.  overwegende dat investeringen in O&O van essentieel belang zijn voor de Europese economische en sociale ontwikkeling, en voor het mondiale concurrentievermogen; overwegende dat het belang van uitstekende wetenschap voor het stimuleren van innovatie en concurrentievoordelen op de lange termijn moeten worden weerspiegeld in de financiering van het KP9;

Structuur, filosofie en tenuitvoerlegging van Horizon 2020

1.  is van oordeel dat het - meer dan drie jaar na de lancering van Horizon 2020 - tijd is dat het Parlement zijn standpunt voor de tussentijdse evaluatie ervan en zijn visie over het toekomstige KP9 ontwikkelt;

2.  wijst erop dat Horizon 2020 tot doel heeft bij te dragen aan het opbouwen van een samenleving en een economie gebaseerd op kennis en innovatie, en de wetenschappelijke en technologische basis, en uiteindelijk de concurrentiepositie van Europa, te versterken door bijkomende nationale publieke en private financiering voor O&O aan te trekken, en door te helpen om tegen 2020 de doelstelling van 3 % van het bbp voor O&O te halen; betreurt dat de EU in 2015 slechts 2,03 % van het bbp in O&O geïnvesteerd heeft, met verschillen tussen de landen van 0,46 % tot 3,26 %(15), terwijl grote mondiale concurrenten het beter doen dan de EU op het gebied van uitgaven voor O&O;

3.  herinnert eraan dat de Europese Onderzoeksruimte (EOR) rechtstreekse concurrentie ondervindt van 's werelds best presterende onderzoeksregio's en dat de versterking van de EOR dan ook een collectieve taak van Europa is; moedigt de desbetreffende lidstaten zich ervoor in te zetten de doelstelling van 3 % van het bbp van de EU voor O&O te halen; merkt op dat een algemene toename tot 3 % meer dan 100 miljard EUR extra per jaar zou opleveren voor onderzoek en innovatie in Europa;

4.  benadrukt dat uit de evaluatie van het KP7 en uit het toezicht op Horizon 2020 blijkt dat het KP van de EU voor onderzoek en innovatie een succes is en een duidelijke toegevoegde waarde voor de EU heeft(16); onderkent dat het KP en de toekomstige programma's nog verder kunnen worden verbeterd;

5.  is van oordeel dat de multidisciplinaire setting, de aanpak gebaseerd op samenwerking en de vereisten qua deskundigheid en effect de redenen zijn voor dit succes;

6.  begrijpt dat het KP de participatie van de industrie zal stimuleren met als doel de uitgaven voor O&O door de industrie te verhogen(17); merkt op dat de participatie door de industrie, met inbegrip van kmo's, aanzienlijk hoger is dan bij het KP7; wijst er overigens op dat - over de hele linie - de industrie haar participatie in de uitgaven voor O&O minder heeft verhoogd dan overeengekomen in de conclusies van de Raad van Barcelona(18); vraagt de Commissie te beoordelen wat de Europese toegevoegde waarde en de relevantie voor het publiek is van de financiering voor door de industrie gestuurde instrumenten, zoals de gemeenschappelijke technologie-initiatieven (GTI's)(19), alsook in kaart te brengen wat de coherentie, openheid en transparantie van alle gemeenschappelijke initiatieven is(20);

7.  merkt op dat het programmabudget, het programmabeheer en de tenuitvoerlegging ervan verspreid zijn over 20 verschillende EU-organen; vraagt zich af of dit niet leidt tot buitensporige coördinatie-inspanningen, administratieve complexiteit en dubbel werk; roept de Commissie op hier naar stroomlijning en vereenvoudiging te streven;

8.  merkt op dat pijlers 2 en 3 vooral gericht zijn op hogere niveaus van technologische paraatheid (TRL's), wat zou kunnen verhinderen dat in de toekomst baanbrekende innovaties geabsorbeerd worden van momenteel geplande onderzoeksprojecten met lagere TRL's; dringt aan op een zorgvuldig evenwicht van TRL's, teneinde de volledige waardeketen te bevorderen; is van oordeel dat TRL's niet-technologische vormen van innovatie uit fundamenteel of toegepast onderzoek, vooral op het vlak van sociale en geesteswetenschappen, zouden kunnen uitsluiten;

9.  roept de Commissie op om te streven naar een evenwichtige verdeling tussen kleine, middelgrote en grote projecten; neemt er nota van dat het gemiddelde budget voor projecten onder Horizon 2020 is gestegen en dat grotere projecten meer voorbereiding en een beter projectbeheer vereisen dan kleinere, hetgeen gunstig is voor deelnemers met meer ervaring met KP's, afschrikwekkend werkt voor nieuwkomers en resulteert in een concentratie van de financiering in de handen van een beperkt aantal instellingen;

Begroting

10.  benadrukt dat het huidige alarmerend lage succespercentage van minder dan 14 %(21) een neerwaartse trend is in vergelijking met het KP7; onderstreept dat het overaanbod aan projecten het onmogelijk maakt een groot aantal kwalitatief zeer hoogwaardige projecten te financieren, en betreurt het dat de bezuinigingen die het gevolg zijn van het Europees Fonds voor strategische investeringen (EFSI) dit probleem verder hebben vergroot; vraagt de Commissie het budget van Horizon 2020 niet verder te verlagen;

11.  benadrukt de begrotingsdruk waarmee het kaderprogramma voor onderzoek en innovatie van de Unie wordt geconfronteerd; betreurt het negatieve effect dat de betalingscrisis in de EU-begroting had op de tenuitvoerlegging van het programma tijdens de eerste jaren van het huidige MFK; wijst onder meer op de kunstmatige vertraging die voor oproepen in 2014 oploopt tot 1 miljard EUR en de aanzienlijke daling van het niveau van voorfinanciering voor de nieuwe programma's; benadrukt in dit verband dat in overeenstemming met artikel 15 van de MFK-verordening in 2014-2015 een "frontloading"-operatie van financiële middelen voor Horizon 2020 werd uitgevoerd; benadrukt dat deze "frontloading"-operatie volledig werd geabsorbeerd door het programma, waaruit de sterke prestatie ervan en de capaciteit om nog meer te absorberen blijken; wijst erop dat deze "frontloading"-operatie niet tot een wijziging van het totaalpakket aan financiële middelen voor deze programma's heeft geleid, maar wel tot minder kredieten gedurende de tweede helft van het MFK; vraagt de twee armen van de begrotingsautoriteit en de Commissie te zorgen voor een gepast niveau van betalingskredieten in de komende jaren en elke inspanning te leveren om een nieuwe betalingscrisis tegen de laatste jaren van het huidige MFK te voorkomen;

12.  beklemtoont dat Horizon 2020 hoofdzakelijk met subsidies moet werken en gericht moet zij op het financieren van met name fundamenteel en collaboratief onderzoek; onderstreept dat onderzoek een risicovolle investering voor investeerders kan zijn en dat de financiering van onderzoek via subsidies een noodzaak is; onderstreept in dit verband dat het veel overheidsinstanties hoe dan ook wettelijk niet toegestaan is leningen aan te gaan; betreurt dat in sommige gevallen steeds meer de voorkeur gegeven wordt aan het gebruik van leningen in plaats van subsidies; erkent dat financieringsinstrumenten beschikbaar zouden moeten zijn voor activiteiten met hoge TRL's die zich dichtbij de implementatiefase bevinden, als onderdeel van InnovFin-financieringsinstrumenten, en buiten het KP om (bijvoorbeeld EIB- en EIF-regelingen);

13.  benadrukt het feit dat verschillende lidstaten hun beloften met betrekking tot nationale investeringen in O&O niet nakomen; beklemtoont dat de doelstelling van 3 % van het bbp moet worden gehaald, en hoopt dat deze doelstelling in de nabije toekomst kan worden opgetrokken tot het niveau van de grootste mondiale concurrenten van de EU; roept de Commissie en de lidstaten derhalve op tot het ontwikkelen en ten uitvoer leggen van nationale strategieën die bijdragen aan het halen van die doelstelling, en dringt erop aan een deel van de middelen van de Structuurfondsen te gebruiken voor O&O-activiteiten en -programma's, met name investeringen in capaciteitsopbouw, infrastructuur en salarissen, alsook ondersteuning te geven aan activiteiten voor het voorbereiden van KP-voorstellen en projectbeheer;

Evaluatie

14.  bevestigt dat "excellentie" het belangrijkste criterium voor alle drie de pijlers van het KP moet blijven, maar verwijst ook naar de bestaande criteria "effect" en "kwaliteit en doeltreffendheid van de uitvoering", hetgeen van nut kan zijn bij het bepalen van de meerwaarde van een project voor de EU; vraagt de Commissie dan ook te onderzoeken hoe onder de criteria "effect" en "kwaliteit en doeltreffendheid van de uitvoering" rekening zou kunnen worden gehouden met het gebrek aan betrokkenheid van de ondervertegenwoordigde EU-regio's, de opname van ondervertegenwoordigde wetenschappelijke disciplines, zoals sociale en geesteswetenschappen, en het gebruik van onderzoeksinfrastructuur die met middelen van de Europese Structuur- en Investeringsfondsen (ESIF) is gefinancierd, hetgeen belangrijk lijkt voor de succesvolle tenuitvoerlegging van de EOR en voor het tot stand brengen van synergieën tussen KP's en de ESIF;

15.  dringt erop aan de evaluaties te verbeteren en transparanter te maken, en verzoekt om kwaliteitsborging door de beoordelaars; benadrukt dat deelnemers gedurende het hele beoordelingsproces betere feedback moeten krijgen, en vindt dat rekening moet worden gehouden met de vaak gehoorde klacht van niet-succesvolle aanvragers dat de samenvattende beoordelingsverslagen diepgang missen en niet duidelijk zijn over wat anders moet om succesvol te kunnen zijn; vraagt de Commissie dan ook tegelijkertijd met de oproep voor het indienen van voorstellen gedetailleerde beoordelingscriteria te publiceren, deelnemers gedetailleerdere en informatievere samenvattende beoordelingsverslagen te doen toekomen, en de oproepen voor het indienen van voorstellen zo te organiseren dat een overaanbod van projecten wordt vermeden, hetgeen slecht is voor de motivatie van onderzoekers en de reputatie van het programma;

16.  vraagt de Commissie een bredere definitie van "effect" te ontwikkelen, die rekening houdt met zowel economische, als sociale aspecten; benadrukt dat de beoordeling van het effect van fundamentele onderzoeksprojecten flexibel moet blijven; vraagt de Commissie om bij blijken van belangstelling het evenwicht tussen bottom-up en top-down te behouden en te onderzoeken welke beoordelingsprocedure (één of twee fasen) nuttiger is om overinschrijving te vermijden en tot kwaliteitsonderzoek te komen;

17.  roept de Commissie op te evalueren in hoeverre een grotere thematische doelgerichtheid zinvol is in het licht van duurzaamheid;

18.  verzoekt de Commissie om het deelnemersportaal gebruikersvriendelijker te maken en om het netwerk van nationale contactpunten uit te breiden en te voorzien van meer middelen om ervoor te zorgen dat, met name de micro-ondernemingen en de kleine ondernemingen, over een efficiënte bijstandsdienst beschikken bij de indiening en beoordeling van projectvoorstellen;

19.  is van mening dat de Europese Onderzoeksraad zich moet bezighouden met meer samenwerkingsprojecten in heel Europa, en daarbij in het bijzonder regio's en instellingen met weinig capaciteiten te betrekken om het beleid en de knowhow inzake O&I in de hele EU te verspreiden;

Horizontale kwesties

20.  stelt vast dat de belanghebbenden erg verheugd zijn over de Horizon 2020-structuur in het algemeen en de aanpak op basis van maatschappelijke uitdagingen in het bijzonder; roept de Commissie op om de aanpak op basis van maatschappelijke uitdagingen te blijven versterken en benadrukt het belang van onderzoek in samenwerkingsverband tussen universiteiten, onderzoeksinstellingen, bedrijven, met name kmo's, en overige actoren; vraagt de Commissie te overwegen de geschiktheid en de individuele begrotingen van de maatschappelijke uitdagingen te beoordelen op basis van de huidige economische, sociale en politieke context gedurende de tenuitvoerlegging van het KP, waaronder in nauwe samenwerking met het Europees Parlement;

21.  erkent de inspanning van de Commissie om de administratie te stroomlijnen en de tijd tussen de bekendmaking van een oproep en de toewijzing van een subsidie te verkorten; roept de Commissie op haar inspanningen om administratieve rompslomp weg te werken en de zaken te vereenvoudigen, voort te zetten; is verheugd over het voorstel van de Commissie om de betaling van vaste bedragen in te voeren om administratie en controle te vereenvoudigen;

22.  dringt er bij de Commissie op aan te evalueren of de voor Horizon 2020 nieuw ingevoerde, vereenvoudigde financieringsregeling zoals gepland tot een hogere deelname van de industrie heeft geleid; is van oordeel dat de doelmatigheid van de financieringsregeling in deze context moet worden onderzocht;

23.  vraagt de Commissie te onderzoeken in hoeverre het gebruik van nationale dan wel eigen afwikkelingssystemen in plaats van de in de regels voor deelneming vastgelegde systemen tot een duidelijk vereenvoudigde onderzoeksprocedure kan leiden en derhalve tot een vermindering van het foutenpercentage bij de afwikkeling van Europese steunprojecten; pleit in dit verband voor een hechtere samenwerking met de Europese Rekenkamer en voor een mogelijke "one stop audit";

24.  merkt op dat synergieën tussen fondsen cruciaal zijn om investeringen doeltreffender te maken; benadrukt dat RIS3 een belangrijk instrument is om synergieën op gang te brengen door nationale en regionale kaders voor investeringen in O&O&I op te zetten en daarom moet worden bevorderd en versterkt; betreurt dat er aanzienlijke belemmeringen zijn voor de volledige operationalisering van synergieën(22); dringt derhalve aan op een nauwere onderlinge afstemming van de regels en procedures voor O&O&I-projecten onder ESIF en het KP, en is van oordeel dat een doeltreffend gebruik van het 'Seal of Excellence' alleen mogelijk is indien aan de bovenvermelde voorwaarden wordt voldaan; roept de Commissie op een deel van het ESIF te oormerken voor RIS3-synergieën met Horizon 2020; roept de Commissie op om de staatssteunregels te herzien en te voorzien in de mogelijkheid van structuurfondsprojecten voor O&O in het reglement van het KP, terwijl tegelijkertijd moet worden gewaarborgd dat ze transparant zijn; vraagt de Commissie en de lidstaten toe te zien op de correcte toepassing van het additionaliteitsbeginsel, hetgeen in de praktijk inhoudt dat de bijdragen van Europese fondsen geen vervanging mogen zijn van de nationale, of overeenstemmende uitgaven van een lidstaat in de regio's waar dit beginsel wordt toegepast;

25.  merkt op dat de succesvolle tenuitvoerlegging van de EOR de volle inzet vereist van het O&O&I-potentieel van alle lidstaten; erkent het bestaan van een problematische participatiekloof in Horizon 2020, die zowel op EU- als op nationaal niveau, waaronder middels ESIF, moet worden aangepakt; vraagt de Commissie en de lidstaten de bestaande instrumenten aan te passen of nieuwe maatregelen te treffen om deze kloof te dichten door bijvoorbeeld de ontwikkeling van instrumenten voor networking voor onderzoekers; verwelkomt het beleid "Topkwaliteit verspreiden en deelname verbreden"; verzoekt de Commissie te beoordelen of de drie verbredingsinstrumenten hun specifieke doelstellingen hebben gehaald, en een passende begroting en een evenwichtig geheel van instrumenten te verstrekken dat beantwoordt aan de bestaande ongelijkheden op het gebied van onderzoek en innovatie binnen de EU; roept de Commissie en de lidstaten op om duidelijke regels op te stellen om de 'Seal of Excellence'-regeling volledig uit te voeren, en te bekijken waar financieringssynergieën tot stand kunnen worden gebracht; vraagt de Commissie te zorgen voor mechanismen die het mogelijk maken in het KP projecten voor onderzoeksinfrastructuur op te nemen die met ESIF-middelen worden gefinancierd; vindt dat de gebruikte indicatoren een definitie moeten omvatten van ondervertegenwoordigde landen en regio's, en dat de lijst van desbetreffende landen regio's tijdens de implementatie van het KP regelmatig tegen het licht moet worden gehouden;

26.  merkt op dat volgens de jaarverslagen van de Commissie over de tenuitvoerlegging van Horizon 2020 in 2014 en 2015 de EU-15 samen 88,6 % van de financiering kregen, terwijl de totale EU-financiering voor de EU-13 slechts 4,5 % bedroeg, wat zelfs minder is dan de financiering voor geassocieerde landen (6,4 %);

27.  is verheugd over de inspanningen om te zorgen voor betere banden tussen de EOR en de Europese ruimte voor hoger onderwijs, wat het gemakkelijker maakt om de volgende generatie onderzoekers op te leiden; erkent het belang van het in een zo vroeg mogelijk stadium integreren van STEM, onderzoeks- en ondernemerschapsvaardigheden in de opleidingsstelsels van de lidstaten, teneinde jonge mensen aan te moedigen deze vaardigheden te verwerven, aangezien O&O vanuit structureel oogpunt benaderd moet worden, eerder dan als een cyclisch of in tijd begrensd gegeven; roept de lidstaten en de Commissie op om te zorgen voor stabielere en meer aantrekkelijke banen voor jonge onderzoekers;

28.  onderstreept het belang van nauwere samenwerking tussen producenten en universitaire en wetenschappelijke instellingen om binnen universiteiten en wetenschappelijke centra de creatie van structuren te bevorderen om de band met het productiesysteem te versterken;

29.  benadrukt dat wereldwijde samenwerking een belangrijk middel is om Europees onderzoek te versterken; bevestigt dat de internationale deelname gedaald is van 5 % in het KP7 naar 2,8 % in Horizon 2020; wijst erop dat het KP er mee voor moet zorgen dat Europa een belangrijke mondiale speler blijft, en herinnert aan het belang van wetenschappelijke diplomatie; roept de Commissie op de voorwaarden voor internationale samenwerking in het KP tegen het licht te houden, en concrete, onmiddellijke maatregelen en een strategische visie en structuur op de lange termijn ter ondersteuning van deze doelstelling te ontwikkelen; verwelkomt in dit verband initiatieven zoals BONUS en PRIMA;

30.  onderstreept het belang om de internationale samenwerking binnen het KP9 te versterken en de wetenschappelijke diplomatie te verspreiden;

31.  herinnert eraan dat de integratie van de sociale en geesteswetenschappen refereert aan onderzoek op het domein van sociale en geesteswetenschappen in het kader van interdisciplinaire projecten, en niet betekent dat dit onderzoek achteraf toegevoegd wordt aan overigens technologische projecten, en wijst erop dat voor de meest dringende problemen van de EU methodologisch onderzoek vereist is dat conceptueel aansluit op de sociale en geesteswetenschappen; merkt op dat de sociale en geesteswetenschappen ondervertegenwoordigd zijn in het huidige kaderprogramma; roept de Commissie op om de mogelijkheden voor onderzoekers op het gebied van sociale en geesteswetenschappen om deel te nemen aan het interdisciplinaire KP te vergroten en voldoende financiële middelen voor projecten met betrekking tot sociale en geesteswetenschappen ter beschikking te stellen;

32.  beklemtoont het evenwicht tussen onderzoek en innovatie in Horizon 2020 en pleit ervoor dat hetzelfde gebeurt in het volgende KP; verwelkomt de oprichting van een Europese Innovatieraad(23), maar benadrukt dat dit niet opnieuw mag leiden tot de scheiding van onderzoek en innovatie, of tot verdere fragmentering van de financiering; onderstreept dat Horizon 2020 onvoldoende gericht is op het overbruggen van de "vallei des doods", die de grootste barrière is voor het omzetten van prototypes in massaproductie;

33.  roept de Commissie op om de doelstellingen, de instrumenten en de werking van de Europese Innovatieraad te verklaren, en benadrukt dat het belangrijk is de resultaten van de test met de Europese Innovatieraad te evalueren; roept de Commissie op te streven naar een evenwichtige mix van instrumenten voor de portefeuille van de Europese Innovatieraad; benadrukt dat de Europese Innovatieraad in geen geval de tweede pijler moet vervangen en dat pijler 2 niet moet uitgroeien tot een instrument voor individuele steun, maar dat de nadruk moet blijven liggen op onderzoek in samenwerkingsverband; benadrukt de behoefte aan behoud en versterking van het kmo-instrument en het sneltraject voor innovatie; vraagt de Commissie mechanismen te ontwikkelen die ertoe leiden dat kmo's beter in grotere interdisciplinaire KP9-projecten worden geïntegreerd, teneinde hun volledige potentieel te benutten; vraagt de Commissie KIG's binnen de bestaande EIT-structuur te houden, en benadrukt het belang van transparantie en vergaande betrokkenheid van de belanghebbende partijen, alsmede te bekijken hoe binnen de Europese Innovatieraad tot interactie tussen het EIT en KIG's zou kunnen worden gekomen; vraagt de Commissie een kader te ontwikkelen voor investeringen met particulier durfkapitaal samen met de Europese Innovatieraad, ter stimulering van dergelijke durfkapitaalinvesteringen in Europa;

34.  verwelkomt initiatieven die de private en publieke sector samenbrengen om onderzoek en innovatie te stimuleren; benadrukt dat er behoefte is aan versterkt EU-leiderschap om de prioriteiten met betrekking tot publiek onderzoek vast te stellen, alsook aan voldoende transparantie, traceerbaarheid en een behoorlijk publiek rendement op investeringen in het kader van Horizon 2020 in de zin van betaalbaarheid, beschikbaarheid en geschiktheid van de eindproducten, met name op gevoelige terreinen als gezondheid, vrijwaring van het openbaar belang en een eerlijke sociale impact; roept de Commissie op nader onderzoek te doen naar mechanismen voor duurzame exploitatie van alle projecten waaraan in het kader van het KP overheidsgeld is gespendeerd, uitgaande van een combinatie van een behoorlijke mate aan rendement op publiek geld en prikkels voor het bedrijfsleven om aan deze projecten deel te nemen;

35.  verneemt met instemming dat "open toegang" nu als algemeen beginsel in Horizon 2020 is opgenomen; benadrukt dat uit het grote aantal publicaties gekoppeld aan projecten van Horizon 2020 tot december 2016(24) blijkt dat nieuwe beleidsmaatregelen met het oog op het delen van gegevens en ideeën nodig zijn om de onderzoeksresultaten te maximaliseren en te verzekeren dat een maximum aan wetenschappelijke gegevens openbaar wordt gemaakt; vraagt de Commissie de flexibiliteitscriteria tegen het licht te houden omdat deze de verwezenlijking van deze doelstelling zouden kunnen belemmeren, en kennis en ontwikkeling te bevorderen;

36.  verwelkomt de financiering voor het proefproject over open onderzoeksgegevens als een eerste stap naar een openwetenschapscloud; erkent het belang en potentieel van e-infrastructuur en supercomputers, de noodzaak van het betrekken van belanghebbenden uit de publieke en de privésector en het maatschappelijk middenveld, en de rol van burgerwetenschap om te verzekeren dat de samenleving een actievere rol speelt bij het definiëren en aanpakken van problemen en het gezamenlijk bijdragen aan mogelijke oplossingen; roept de Commissie en de publieke en particuliere onderzoeksgemeenschap op om nieuwe modellen te onderzoeken die particuliere cloud- en netwerkmiddelen en publieke e-infrastructuur integreren, en om burgeragenda's voor wetenschap en innovatie te lanceren;

37.  is verheugd over het door de Commissie nieuw ingevoerde concept van innovatiehubs, die het Europese innovatielandschap verder ondersteunen omdat ze ondernemingen, met name kmo's, ondersteunen bij het verbeteren van hun bedrijfsmodellen en productieprocessen;

38.  moedigt de NCP's aan meer betrokken te zijn bij het bevorderen van projecten waaraan een 'Seal of Excellence' wordt toegekend, en te assisteren bij het zoeken naar overige nationale of internationale publieke of private financieringsbronnen voor voornoemde projecten door de samenwerking op dit gebied binnen het netwerk van NCP's te intensiveren;

KP9-aanbevelingen

39.  gelooft dat de EU de potentie heeft om een in de wereld toonaangevend centrum voor onderzoek en wetenschap te worden; is er verder van overtuigd dat het KP9 hiertoe een topprioriteit voor Europa moet worden, teneinde groei, werkgelegenheid en innovatie te bevorderen;

40.  verwelkomt het succes van Horizon 2020 en de hefboomfactor 1:11; roept de Commissie op de begroting van het KP9 te verhogen tot 120 miljard EUR; is van oordeel dat behalve een verhoging van de begroting ook een innovatief kader voor innovatie nodig is en roept derhalve de Commissie op innovatie en de verschillende vormen daarvan duidelijk te definiëren;

41.  merkt op dat de EU voor tal van significante en dynamische uitdagingen staat, en roept de Commissie op - samen met het Europees Parlement - in pijler 3 te zorgen voor een evenwichtige reeks instrumenten in antwoord op de dynamische aard van de opkomende problemen; wijst er met klem op dat er voldoende financiële middelen moeten worden uitgetrokken voor de specifieke uitdagingen in pijler 3, en dat de adequaatheid van die uitdagingen regelmatig opnieuw moet worden bekeken;

42.  roept de Commissie op binnen het KP9 een juist evenwicht aan te houden tussen fundamenteel onderzoek en innovatie; geeft aan onderzoek op basis van een samenwerkingsmodel moet worden versterkt; geeft aan dat het belangrijk is kmo's nauwer bij collaboratieve projecten en innovatie te betrekken;

43.  spoort de Commissie aan voor meer synergieën te zorgen tussen het KP9 en andere Europese fondsen voor onderzoek en innovatie, en voor die fondsen geharmoniseerde instrumenten en op elkaar afgestemde regels te ontwikkelen, zowel op Europees, als nationaal niveau, alsook in nauwe samenwerking met de lidstaten; vraagt de Commissie om ook in toekomstige KP's rekening te houden met de belangrijke rol van normalisatie in samenhang met innovatie;

44.  merkt op dat binnen het KP9 de problemen van overinschrijving en van lage succespercentages waar Horizon 2020 mogelijk mee wordt geconfronteerd, moeten worden ondervangen; stelt voor om herintroductie te overwegen van de evaluatieprocedure in twee fasen, met een gebundelde eerste fase en de specifieke tweede fase gericht op de geselecteerde inschrijvers; roept de Commissie op te zorgen voor voldoende uitgebreide essentiële veiligheidseisen over hoe het voorstel kan worden verbeterd;

45.  benadrukt eens te meer dat "Europese meerwaarde" een onomstreden kern van het kaderprogramma voor onderzoek moet blijven;

46.  roept de Commissie op om in het volgende MFK defensieonderzoek te scheiden van civiel onderzoek, door te voorzien in twee verschillende programma's met twee verschillende begrotingen, zonder dat de begrotingsambities van civiel onderzoek in het kader van het KP9 hieronder te lijden hebben; roept de Commissie derhalve op het Parlement aan te geven hoe in de toekomst financiering kan worden toegekend voor een programma voor defensieonderzoek overeenkomstig de Verdragen, met een gerichte begroting met nieuwe middelen en specifieke regels; beklemtoont dat het belangrijk is hierbij voor parlementair toezicht te zorgen;

47.  is van oordeel dat het programma inzake toekomstige en opkomende technologieën een enorme potentie heeft voor de toekomst en een goed middel vormt voor het verspreiden van innovatieve ideeën en kennis op nationaal en regionaal niveau;

48.  onderstreept de noodzaak dat in het kader van de Overeenkomst van Parijs en de EU-doelstellingen voor klimaat prioriteit moet worden gegeven aan onderzoek naar klimaatverandering en een infrastructuur voor het verzamelen van klimaatgegevens, met name omdat de VS overweegt fors te bezuinigen op de begroting voor Amerikaanse instellingen voor milieuonderzoek; wijst er tevens op dat moet worden gezorgd dat 100 % van de middelen voor de uitdagingen op energiegebied wordt toegewezen aan hernieuwbare energie, technologieën voor energie-efficiëntie bij eindgebruikers, slimme netwerken en opslag, vindt dat er gezorgd moet worden voor voldoende financiering voor onderzoek op gebieden zoals 'low-input'-landbouw, gezond voedsel en diversiteit, de duurzaamheidsdimensie van vervoer, watermanagement en biodiversiteit;

49.  benadrukt dat het KP9 voor O&I moet bijdragen aan maatschappelijke vooruitgang en versterking van het concurrentievermogen van de EU, het creëren van banen en groei, en het ontwikkelen van nieuwe kennis en innovaties, wil de EU de cruciale uitdagingen waar zij voor staat het hoofd kunnen bieden en tot een duurzaame EOR kunnen komen; verwelkomt in dit opzicht de huidige pijlerstructuur van het KP en roept de Commissie op deze structuur aan te houden ten behoeve van de continuïteit en voorspelbaarheid; verzoekt de Commissie daarom om te blijven werken aan de coherentie, vereenvoudiging, transparantie en duidelijkheid van het programma, aan de verbetering van de evaluatieprocedure, de vermindering van de fragmentering en de verdubbeling, en de vermijding van onnodige administratieve belasting;

50.  erkent dat administratieve taken en onderzoek ernstig ten koste van elkaar kunnen gaan; benadrukt daarom het belang om de rapportageverplichtingen tot een minimum te beperken, zodat administratieve rompslomp die de innovatie in de weg staat, wordt vermeden, gezorgd wordt voor effectief gebruik van de KP9-financiering en tegelijk de onafhankelijkheid van het onderzoek wordt beschermd; moedigt de Commissie daarom aan haar inspanningen ten behoeve van vereenvoudiging op te schroeven;

51.  stelt vast dat de Commissie steeds vaker van resultaatgeoriënteerde ondersteuning spreekt; verzoekt de Commissie om het concept van "resultaat" preciezer te definiëren;

52.  roept de Commissie en de lidstaten op om de synergieën tussen het KP en overige fondsen te vergroten, en het probleem van tekortkomingen inzake onderzoek in convergentieregio's in sommige lidstaten aan te pakken, met inachtneming van het beginsel van additionaliteit; betreurt het dat de toekenning van middelen uit de Structuur- en investeringsfonds kan leiden tot een vermindering van de nationale uitgaven voor O&O in de betreffende regio's, en benadrukt dat de middelen een aanvulling moeten zijn op nationale overheidsuitgaven; roept de Commissie en de lidstaten ook op om ervoor te zorgen dat overheidsinvesteringen in O&O aangemerkt worden als investeringen en niet als een kostenpost;

53.  constateert dat effectieve investeringen in onderzoek en innovatie uit hoofde van de Structuurfondsen slechts kunnen plaatsvinden wanneer in de lidstaten hiervoor passende kadervoorwaarden bestaan; pleit daarom voor een sterkere koppeling tussen landspecifieke aanbevelingen op het gebied van structurele hervormingen en investeringen in O&I;

54.  benadrukt de behoefte aan nieuwe topcentra en topregio's alsook het belang van de verdere ontwikkeling van de EOR; beklemtoont dat voor meer synergie-effecten moet worden gezorgd tussen het KP, EFSI en ESIF om deze doelstelling te halen; dringt aan op maatregelen voor het elimineren van obstakels, zoals lage lonen, in oostelijke en zuidelijke landen, om een brain drain te voorkomen; vindt dat prioriteit moet worden toegekend aan excellente projecten, en niet aan projecten van excellente instituten;

55.  is van mening dat er sterkere stimulansen moeten worden ingebouwd om ESI-middelen in te zetten voor investeringen in O&I indien zulks wordt genoemd in de landenspecifieke aanbevelingen of als er zwakke plekken worden geconstateerd; concludeert dat de ESI-middelen voor investeringen in O&I goed zijn voor 65 miljard EUR in de periode 2014-2020; stelt daarom voor om de vaste prestatiereserve van de ESI-fondsen in de lidstaten te gebruiken om een substantieel deel van de ontvangsten uit de structuurfondsen investeren in O&I te investeren;

56.  verwelkomt het principe en de potentie van het Seal of Excellence als kwaliteitskeurmerk voor synergie tussen ESI-fondsen en Horizon 2020, maar constateert dat dit in de praktijk onvoldoende wordt toegepast, door het gebrek aan financiering in de lidstaten; is van mening dat projecten die zijn ingediend voor financiering in het kader van Horizon 2020 en die strenge selectie- en toekenningscriteria met positief gevolg zijn gepasseerd, maar niet konden worden gefinancierd door budgettaire beperkingen, gefinancierd moeten worden met middelen uit de ESI-fondsen, als deze middelen voor dit doel beschikbaar zijn; wijst erop dat een soortgelijk mechanisme ook moet worden gedefinieerd voor gezamenlijke onderzoeksprojecten;

57.  roept de Commissie op om in het KP9 het niveau van ondersteuning voor jonge onderzoekers te verhogen, onder meer in de vorm van pan-Europese netwerkinstrumenten voor jonge onderzoekers en een nieuw financieringsschema in te voeren voor jonge onderzoekers met minder dan drie jaar ervaring na het behalen van hun PhD;

58.  merkt op dat de Marie Skłodowska-Curie-acties een bij onderzoekers goed bekend financieringsbron zijn, die de mobiliteit van onderzoekers en de ontwikkeling van jonge onderzoekers bevorderen; is van mening dat het, met het oog op continuïteit, wenselijk is dat de Marie Skłodowska-Curie-acties ook nog onder het KP9 worden gefinancierd;

59.  vraagt de Commissie en de lidstaten door te gaan met het stimuleren van private investeringen in O&O&I, welke moeten dienen als aanvulling op en niet ter vervanging van de dienovereenkomstige publieke investeringen; herinnert eraan dat twee derde van de doelstelling van 3 % van het bbp voor O&O van de industrie moet komen(25); waardeert de inspanningen die het bedrijfsleven zich tot nu toe heeft getroost en vraagt de privésector, gezien de over het algemeen beperkte middelen voor overheidsinvesteringen in O&O, meer middelen beschikbaar te maken voor O&O en zich meer in te zetten voor open toegang en wetenschap op basis van open gegevens; vraagt de Commissie de mate van participatie van grote bedrijven (middels leningen, subsidies of met eigen middelen) te bepalen, afhankelijk van de Europese meerwaarde van een project en het potentieel ervan om voor kmo's een stuwende kracht te zijn, met inachtneming van de specifieke kenmerken en behoeften van elke sector; roept de Commissie op de bijdragen in natura bij te houden, teneinde ervoor te zorgen dat investeringen 'echt' en nieuw zijn;

60.  roept de Commissie op de transparantie en helderheid van de regels voor publiek-private samenwerking binnen KP9-projecten te vergroten naar aanleiding van de resultaten en aanbevelingen op basis van de evaluatie; vraagt de Commissie de bestaande instrumenten voor publiek-private partnerschappen te verifiëren en te beoordelen;

61.  wijst erop dat ongeacht de instrumenten voor kmo's, de deelname van de industrie verder moet worden bevorderd omdat de industrie op tal van vlakken over de nodige expertise beschikt en tevens een belangrijke financiële bijdrage levert;

62.  betreurt de gemengde resultaten van de gendergelijkheidsfocus in Horizon 2020, aangezien de enige gehaalde doelstelling het percentage vrouwen in adviesgroepen is, terwijl het percentage vrouwen in projectbeoordelingspanels en in de functie van projectcoördinator niet beantwoordt aan de streefdoelen en de genderdimensie niet geïntegreerd is in de onderzoeks- en innovatieonderwerpen; beklemtoont de noodzaak van verbetering van de participatie en gendermainstreaming in het KP9, en van het halen van de doelstellingen in de Horizon 2020-verordening, vraagt de Commissie een studie te verrichten naar de barrières of moeilijkheden die bepalend kunnen zijn voor de ondervertegenwoordiging van vrouwen in het programma; moedigt de lidstaten aan om - in aansluiting op de doelstellingen van de EOR - een genderevenwichtig juridisch en politiek kader te creëren en stimulansen voor veranderingen te bieden; is verheugd over de richtsnoeren van de Commissie betreffende genderevenwicht in horizon 2020(26); herinnert eraan dat in de richtsnoeren staat dat genderevenwicht een criterium is voor het toekennen van prioriteit aan projecten boven de drempel met dezelfde score;

63.  merkt op dat in het volgende het KP rekening zal moeten worden gehouden met het vertrek van het VK uit de EU en de gevolgen daarvan; merkt op dat O&O baat heeft bij duidelijke en stabiele langetermijnkaders en dat het VK een koploper is inzake wetenschap; spreekt de hoop uit dat de netwerken en de samenwerking tussen het VK en de EU op het gebied van onderzoek kunnen voortbestaan en dat, mits aan bepaalde voorwaarden wordt voldaan, op korte termijn een stabiele en bevredigende oplossing kan worden gevonden zodat de EU de vruchten kan blijven plukken van de wetenschappelijke resultaten die in het kader van Horizon 2020 en het KP9 zijn bereikt;

o

o  o

64.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad en de Commissie.

(1)

PB L 347 van 20.12.2013, blz. 104.

(2)

PB L 347 van 20.12.2013, blz. 948.

(3)

PB L 347 van 20.12.2013, blz. 81.

(4)

PB L 347 van 20.12.2013, blz. 174.

(5)

PB L 347 van 20.12.2013, blz. 892.

(6)

PB L 169 van 7.6.2014, blz. 54-178.

(7)

PB L 177 van 17.6.2014, blz. 9.

(8)

PB L 192 van 1.7.2014, blz. 1.

(9)

PB L 169 van 7.6.2014, blz. 1-53.

(10)

http://ec.europa.eu/research/evaluations/pdf/hlg_issue_papers.pdf.

(11)

Aangenomen teksten, P8_TA(2017)0052.

(12)

Aangenomen teksten, P8_TA(2017)0075.

(13)

Aangenomen teksten, P8_TA(2016)0311.

(14)

Aangenomen teksten, P8_TA(2016)0320.

(15)

Studie van de studiedienst van het Europees Parlement van februari 2017 getiteld "Horizon 2020, het Kaderprogramma van de EU voor Onderzoek en Innovatie. Europese uitvoeringsbeoordeling".

(16)

Met meer dan 130 000 ontvangen voorstellen, 9 000 toegekende subsidies, 50 000 deelnames en 15,9 miljard EUR EU-financiering.

(17)

Twee derde van de 3 % van het bbp voor O&O moet van de industrie komen. Zie Eurostat, private uitgaven voor O&O: http://ec.europa.eu/eurostat/tgm/table.do?tab=table&init=1&language=en&pcode=tsc00031&plugin=1

(18)

http://ec.europa.eu/invest-in-research/pdf/download_en/barcelona_european_council.pdf

(19)

In totaal zijn de 7 GTI's goed voor meer dan 7 miljard EUR van de Horizon 2020-fondsen, ongeveer 10 % van het volledige Horizon 2020-budget en meer dan 13 % van de daadwerkelijk beschikbare financiering voor Horizon 2020-aanbestedingen (ongeveer 8 miljard EUR per jaar over zeven jaar).

(20)

Zie de conclusies van de Raad van 29 mei 2015.

(21)

Studie van de studiedienst van het Europees Parlement van februari 2017 getiteld "Horizon 2020, het Kaderprogramma van de EU voor Onderzoek en Innovatie - Europese uitvoeringsbeoordeling.

(22)

grote onderzoeksinfrastructuur past in het toepassingsgebied en de doelstellingen van het EFRO, maar de EFRO-fondsen die nationaal toegekend worden kunnen niet gebruikt worden voor cofinanciering; kosten voor het bouwen van nieuwe onderzoeksinfrastuctruur komen in aanmerking voor het EFRO, maar werkings- en personeelskosten niet;

(23)

Mededeling van de Commissie getiteld "De toekomstige leiders van Europa: het starters- en opschalingsinitiatief" (COM(2016)0733).

(24)

OpenAIRE-verslag: In Horizon 2020 zijn 2 017 projecten op een totaal van 10 684 projecten (d.w.z. 19%) afgerond, en zijn 8 667 projecten nog lopende. OpenAIRE heeft 6 133 publicaties in verband met 1 375 projecten van Horizon 2020 in kaart gebracht.

(25)

Zie de conclusies van de Raad van 29 mei 2015.

(26)

Zie de richtsnoeren van de Commissie betreffende genderevenwicht in het programma Horizon 2020. http://eige.europa.eu/sites/default/files/h2020-hi-guide-gender_en.pdf


ANNEX

2. Origin, structure and purpose of the Horizon 2020 Framework Programme

2.1. Main issues to understand about the research framework programmes

European research policy has a legal base in the Treaty of Lisbon(1) which also introduced a legal basis for the creation of a European Research Area(2). So far, the European Commission has not taken legislative action in this domain and European research policy implementation has until now relied on soft law approaches. With the Research Framework Programmes, the EU started to become a player in research funding, with the main initial focus being on financing collaborative projects involving several Member States. Broadly speaking, only about 5% of the overall available European GBAORD(3) is funded by the FP. Around 80% of the GBAORD is confined to Member States, and 15% is implemented by longstanding European intergovernmental organisations such as ESA, CERN, etc.(4)

Still, the GDP allocated to R&D is still comparatively low in the EU-28 in relation to Japan or the US. Moreover, most of the EU Member States, especially those in which the Excessive Deficit Procedure was launched, have cut their spending on R&D&I due to the economic crisis. The EU’s share of world gross expenditure on research and innovation fell by 5% in the years from 2000 to 2013.

The first framework programme was established in 1983 for a four-year period. During the subsequent 30 years, successive FPs have provided financial support for the implementation of European research and innovation policies.

With the introduction of the European Research Area (ERA), the Open Method of Coordination and many other soft law approaches, the Union has started to coordinate national research policies (and eventually also national research programmes) since 2000. The FPs have always of course had a structuring effect on the national research systems, with the main idea of EU funding being to incentivise and leverage more national research funding. It was only with the introduction of ‘ERA instruments’ as of FP 6 (ERA-NETs, Article 185 initiatives), however, that this structuring influence became more evident and moved from the project level (at researcher and/or research unit level) to the Member State/funding bodies – or programme – level(5).

The introduction of the ERA was accompanied by the launch of the Lisbon process and the definition of the Barcelona goal for national research funding to reach 3% of GDP in 2010. This goal was renewed by another call for research funding to reach 3% by 2020 – the so called Europe 2020 Strategy (A strategy for smart, sustainable and inclusive growth) which was launched in March 2010. Today, the attainment of the 3% target is monitored by the Commission in the context of the European Semester(6) which is anchored upon extensive Member State reporting to the Commission. According to figures from 2015, the EU only invested 2.03%, with the individual figures for different countries ranging from 0.46% to 3.26%.(7)

In terms of topics funded, the purpose of the FPs has changed gradually from initially being an industry-focused programme to slowly opening up to basic research activities in universities. With the exception of the introduction of the European Research Council (ERC) funding for basic and frontier research only, the common feature of the FPs over the years was that they were always mission-oriented programmes serving commonly defined goals. The process in place for their adoption is through the co-decision procedure (now called the ordinary legislative procedure).

Finally, with the launch of the seven flagship initiatives in the context of the Europe 2020 Strategy in March 2010, the European Innovation Union(8) was introduced and with it the prerogative for innovation and competitiveness in Europe also moved into the research policy domain. H2020 is now one of the main tools with which the Innovation Union is being implemented.

2.2. Horizon 2020 - Overview

There is extensive information on H2020, its structure, rules and functioning(9), that does not need to be repeated here in detail. The description of the H2020 programme is limited to an illustration of the most relevant issues for the recommendations by the European Parliament.

As such, H2020 differs enormously from previous FPs insofar as it made the move to more research-generated innovation compulsory and introduced a more interdisciplinary impact-oriented societal challenge approach in contrast to the previous more mono-disciplined and sectoral approach taken until FP7. The approach of formulating mission-oriented programmes with predefined research results and prescribed research methods was abandoned in favour of a more openly defined societal challenge-oriented approach, in which the results are left open-ended and evolve over time. This approach also favours the early involvement of societal actors and opens the programme up to newcomers. Issues of transversal importance, such as the SME instrument or measures to improve synergies between H2020 and the structural funds, were also introduced.

H2020 is the world’s biggest Research and Innovation programme with nearly €80 billion of funding available over 7 years (2014 to 2020), and places the emphasis on excellent science, industrial leadership and tackling societal challenges. Its goals are to ensure that Europe produces world-class science, to foster innovation, and to make it easier for the public and private sectors to work together in delivering research and innovation.

Horizon 2020 is built around three main objectives:

1) Support for ‘Excellent Science’ – including grants for individual researchers from the European Research Council and Marie Skłodowska-Curie fellowships (formerly known as Marie Curie fellowships);

2) Support for ‘Industrial Leadership3 – including grants for small and medium-sized enterprises and indirect finance for companies through the European Investment Bank and other financial intermediaries;

3) Support for research to tackle ‘societal challenges’. During negotiations between the European Parliament and the Council it was decided to support research aimed at meeting seven broad challenges:

1.  Health, demographic change and wellbeing

2.  Food security, sustainable agriculture and forestry, marine, maritime and inland water research, and the bio-economy

3.  Secure, clean and efficient energy

4.  Smart, green and integrated transport

5.  Climate action, the environment, resource efficiency and raw materials

6.  Inclusive, innovative and reflective societies

7.  Secure and innovative societies

It also has two specific objectives:

4) Spreading excellence and widening participation

5) Science with and for society

and two separate institutions:

6) European Institute of Innovation and Technology (EIT)

7) The non-nuclear direct actions of the Joint Research Centre.

A number of priorities will be addressed across and within all three pillars of Horizon 2020. These include gender equality and the gender dimension in research; social and economic sciences and humanities; international cooperation; and fostering the functioning and achievement of the European Research Area and Innovation Union, as well as contributing to other Europe 2020 flagships (e.g. the Digital Agenda). At least 60% of the overall Horizon 2020 budget should be related to sustainable development, and climate-related expenditure should exceed 35% of the budget.

The management and implementation of the programme is complex. The overall budget for H2020 is managed by 9 different Commission Directorates-General and the JRC. Overall, 22 bodies implement different parts of the Horizon 2020 budget:

•  five Commission DGs

•  four executive agencies

•  four public‐public partnerships (P2Ps)

•  seven public‐private partnerships (PPPs)

•  the European Institute of Innovation and Technology (EIT)

•  the European Investment Bank (EIB).

The following graph tries to capture the complexity of the management and implementation of H2020

 

The specific programme is implemented by multiannual work programmes. Implementing powers are conferred on the Commission to adopt work programmes for the implementation of the specific programme. Several programme committees (each pillar has a number of committees and there is a main overall ‘strategic configuration’ committee) were set up to assist the Commission in preparing the work programmes. The preparation of work programmes also involves the consultation of stakeholders. For this purpose 19 Horizon 2020 Advisory Groups have been set up as consultative bodies to represent the broad constituency of stakeholders ranging from industry and research to representatives of civil society. Additional open and targeted consultation activities aim to obtain further views and contributions, including from the Enterprise Policy Group, the contractual Public-Private Partnerships (cPPPs), European Innovation Partnerships and European Technology Platforms.

3. The transition from FP 7 to Horizon 2020 and main improvements brought by Horizon 2020

The FP7 Final Evaluation Report by the High Level Expert Group(10) confirms that the move from FP7 to an adapted structure under H2020 was beneficial for the European research community and the logical next step at the time of the launch of H2020. The total budget of H2020 has been increased to about 77 billion euro which is nearly 50% more than the FP7budget. H2020 integrated elements from FP7 and existing, previously separate, funding programmes (CIP and EIT), which also accounts for the increase in the budget. However, in 2015, the planned budget for H2020 was cut by 2.2 billion euro to support the European Fund for Strategic Investments (EFSI). These cuts did not affect the ERC, Marie Skłodowska‐Curie Actions and the ‘Spreading excellence and widening participation’ programme, but fell on ‘Excellent Science’ (cut by 209 million euro), ‘Industrial Leadership’ (cut by 549 million euro) and ‘Societal Challenges’ (reduced by 1 billion euro).

The main improvements brought by H2020 as compared to its predecessor programmes can be summarised as follows(11):

•  High share of newcomers(12) in H2020 grant participation

The share of newcomers in 2014 and 2015 amounts to 49.0% of all participants on average for the entire H2020. The different programme parts display large differences in the share of new participants. The lowest share of newcomers is found in the Excellent Science Pillar, with the ERC having 1.4% of newcomer participations from calls in the first two years of Horizon 2020. The highest share of newcomers was recorded in the SME Instrument, where almost 79.6% of the participations came from organisations that had not taken part in FP7. The average for the Societal Challenge actions was 27.9% and within Industrial Leadership it was around 27.1%.

The share of newcomer participation per Member State differs between the EU-13 and EU-15. On average the EU-13 has a higher share (30.6%) of newcomer participation than EU-15 (24.7%). Malta and Romania had the highest shares of newcomer participation at 42.9% and 40.0% respectively, while Greece and United Kingdom had the lowest at 16.3% and 15.6%.

•  Much shorter time-to-grant

Compared to FP7, the first two years of implementation of Horizon 2020 have shown a significant reduction in the time that elapsed between the closure of a call and the signature of the Grant Agreement (the so-called time-to-grant – TTG). Under Horizon 2020, the Commission has committed itself to signing grant agreements within a period of eight months (245 days) for actions other than ERC actions. The average for both 2014 and 2015 is 90.7%. This constitutes a significant 33.4% improvement on the average TTG for the whole of FP7 (303 days).

•  Proven simplification

Compared to FP7, the design of Horizon 2020 brought a number of important simplifications:

  A radically simplified funding model.

  Under the MSCA, the use of simplified forms of grants.

  Streamlined ex-ante checks.

  Reduced requirements for work-time recording.

  Reduced audit burden.

  Faster granting processes.

  Fully paperless proposal and grant management.

4. Main areas of concern with the current H2020 implementation

The European Parliament has also identified areas of concern based on consultations with representatives of the research community in Europe:

•  Oversubscription - Lower success rate in H2020 as compared to FP7

The average success rates are substantially lower in H2020 than in FP7 (average of 19% from 2007 to 2013(13)) and different potential reasons for this are currently being discussed. These include research budget cuts in Member States, a less prescriptive approach in drafting the call texts in the work programmes allowing for more newcomers, and broader application of the two‐stage proposal schemes.

Furthermore, the increased attractiveness of the programme also explains the growing interest in Horizon 2020. In total, over 8 500 more proposals where submitted in 2015 than in 2014. This is reflected in lower success rates in 2015 than 2014 throughout Horizon 2020: in terms of numbers of proposals, from 13.2% to 10.7%, and in terms of funding, from 14.2% to 10.9%.

One worrying finding is the fact that an ever larger number of high quality proposals scoring above the threshold in the project proposal evaluation cannot be funded. A mere 22.7% of the proposals which scored above the threshold were retained for funding in 2015. This constitutes a significant decrease of 8.8 percentage points compared to 2014. In total for Horizon 2020, about one in four high quality proposals submitted was selected for funding. In numbers, 25 116 high quality proposals in the first two years of Horizon 2020 were not funded(14). This means that 77.3% of successful proposals could not be funded. The Commission calculates that H2020 would have needed an additional EUR 41.6 billion in the first two years to fund all proposals deemed excellent by independent evaluators. The extrapolated figure for the years to come until the end of the programme amounts to an additional EUR 145.6 billion if H2020 is to exploit European excellence potential to the maximum.

Table: Overall Success Rates(15)

 

•  Participation by third countries dropped by half

Horizon 2020 should contribute to maintaining the status of Europe as a key global player, in direct competition with the world’s top performing research regions. To achieve this, the programme should have a strategic vision and structure to support Europe in this. It should fulfil a strategic role when it comes to European co-ordination/prioritisation. In a nutshell, Horizon 2020 should be open, but in a strategic way.

However, the share of third country participation in FP7 was higher (i.e. 4.0% for all projects and 4.3% for collaborative projects). In H2020, third country participation in internationally open collaborative projects increased from 2.1% in 2014 to 2.8% in 2015, and for all projects from 1.7% in 2014 to 2.0% in 2015.

This has to do with the fact that the Commission has taken a radically new approach to international collaboration in H2020 as compared to FP7, changing the funding regime for third countries and abandoning the former INCO. The latter was replaced by strategic programming and roadmaps including flagship initiatives for collaboration with targeted non-EU countries. Much emphasis was also placed on multilateral funding through Member States. However, and especially when addressing the societal challenges as defined in H2020, a global approach requiring the involvement of all actors worldwide is imperative.

•  Insufficient definition of impact in H2020 projects

There are some concerns about the fact that the underlying definition of impact for H2020 projects poses problems for both project evaluators and researchers carrying out the project. In the long run, a fuzzy definition of impact will also disappoint research funders who will not be satisfied with the research outcomes. Collectively and especially when addressing societal challenges, the Commission and national governments will need to improve tracking outcomes and impact as well as broaden the definition of what constitutes impact. Different types of research produce different types of impact and evaluation processes need to reflect this. This discussion is connected with the need to better determine the place of innovation and the corresponding TRLs in research programme and project formulation. An overhaul of the H2020 indicators measured by DG RTD is needed.

It is to be noted that the legal base of H2020 states that it should support all stages of the research and innovation chain, so a concentration only on higher TRL levels is not a legal obligation but a political choice. The currently required high TRLs in Pillar 3 make it hard for vast sectors of the research landscape, such as universities, to compete. Focusing only on higher TRLs, while important to boost European industrial competitiveness, may limit the future absorption of disruptive innovations that are still in the pipeline of research projects with lower TRLs.

Generally, TRLs are based on a narrow perception of innovation as a linear model. TRLs thus do not capture the full complexity and bandwidth of innovation and exclude non-technological forms of innovation generated by fundamental or applied research, particularly from SSH research.

To a considerable extent, whole areas of research are being excluded from Horizon 2020 simply because the value they bring to society is not reflected well in the current impact and innovation definitions.

•  Lost focus on the European Research Area

It seems that current policymakers both in Member States and the Commission have lost interest in ERA. ERA progress reports have been launched since 2013 and one would as a consequence assume that a better database for ERA monitoring would also lead to common targets or corrective measures which would make the realisation of ERA successful. This is still not the case.

There are some concerns about this Commission’s reluctance to continue with the European Research Area project which is even anchored in the Treaty of Lisbon. H2020 should not come on top of what Member States are doing nationally and operate in isolation from them, but should be intrinsically linked, coordinated and aligned with Member States’ activities (as also laid down in the TFEU). H2020 should act as a pull factor for ERA to work better and should demonstrate clear EU added value. The overall poor progress made by Member States in reaching the 3% goal for GDP allocation to R&D by 2020 is intrinsically linked to this lost focus on ERA. In this respect joint programming, in which Council began to play a bigger role, is essential for ERA because it incentivises countries to prioritise nationally and enhances capacity building by collaborating across borders. Council should play a stronger role in defining common grand societal challenges that are then reflected in the Joint Programming Initiatives and in Horizon 2020.

The introduction of the 3 O’s(16) by Commissioner Moedas, after having declared that ERA was completed, reduced the potential of European research policy to marginal operational details within the much wider scope of ERA.

Taking ERA seriously would also improve the discussion on cohesion versus excellence within Europe. ERA is about capacity building, about national and regional coordination across borders, fostering mutual learning, avoiding redundancies and acting in a more strategic and efficient manner. Transnational cooperation has always been a good test bed to gather experience in order – at a later stage – to compete better when participating in H2020.

•  Addressing the innovation valley of death

The innovation process is characterised by the existence of a hard step between the development of an innovative product and its commercialisation. This gap is known as the innovation ‘valley of death’. SMEs are specifically vulnerable to this issue. They therefore need support to overcome this gap. A potential European Innovation Council (EIC), as proposed by Commissioner Moedas, should try to analyse the gaps and take action where needed.

A lot has been done already with the introduction of the Fast Track to Innovation and the SME Instrument which focuses on very high TRLs. However these had very low success rates (7%). One possibility, rather than investing even more, could be to decomplexify the EU funding landscape. There might be enough out there, but information on it is lacking.

This should not be the sole task of H2020 and other programmes should play a bigger role. H2020 cannot be overburdened to solve everything.

•  Widening participation

Despite the Sharing Excellence and Widening Participation instruments launched in the Horizon 2020 programme with its total budget of 816 million euro, there has been no significant increase in the share of low-performing European countries and regions in the framework programme.

Europe needs cohesion in terms of excellence and competitiveness and Horizon 2020, together with efforts by each Member State, are instruments to achieve that goal.

(1)

See Title XIX, Research and technological development and space, Articles 179 to 190 TFEU.

(2)

Article 182(5) TFEU.

(3)

GBAORD: Government budget appropriations or outlays for research and development.

(4)

Numbers have not significantly changed since 2009.

(5)

Arnold, Erik et alia: ‘Understanding the Long Term Impact of the Framework Programme’ Final report, December 2011.

(6)

The European Semester provides a framework for the coordination of economic policies between the countries of the European Union. It allows the EU Member States to discuss their economic and budget plans and to monitor progress at specific times throughout the year. Having assessed the EU governments’ plans (which detail the specific policies each country will implement to boost jobs and growth and prevent/correct imbalances, and their concrete plans to comply with the EU’s country-specific recommendations and general fiscal rules), the Commission presents each country with a set of country-specific recommendations, along with an overarching Communication.

(7)

‘Horizon 2020, the EU framework programme for research and innovation. European Implementation Assessment’. European Parliament Research Service.

(8)

http://ec.europa.eu/research/innovation-union/index_en.cfm?pg=key.

(9)

e.g. EPRS Briefings, H2020 Participant Portal, National Contact Point websites, etc.

(10)

Commitment and Coherence: Ex‐Post‐Evaluation of the 7th EU Framework Programme (2007-2013), November 2015: https://ec.europa.eu/research/evaluations/pdf/fp7_final_evaluation_expert_group_report.pdf#view=fit&pagemode=none

(11)

Horizon 2020 Monitoring Report 2015:

http://ec.europa.eu/research/evaluations/pdf/archive/h2020_monitoring_reports/second_h2020_annual_monitoring_report.pdf

(12)

Newcomers are defined as not having participated in FP7.

(13)

Seventh FP7 Monitoring Report 2013, see page 10: http://ec.europa.eu/research/evaluations/pdf/archive/fp7_monitoring_reports/7th_fp7_monitoring_report.pdf

(14)

Horizon 2020 Monitoring Report 2015: http://ec.europa.eu/research/evaluations/pdf/archive/h2020_monitoring_reports/second_h2020_annual_monitoring_report.pdf

(15)

Same source as for footnote 15.

(16)

Open Science, Open Innovation, Open to the World. Speech by Carlos Moedas, Commissioner for Research, Science and Innovation at the conference ‘A new start for Europe: Opening up to an ERA of Innovation’ in Brussels, 22 June 2015.


ADVIES van de Begrotingscommissie (26.4.2017)

aan de Commissie industrie, onderzoek en energie

inzake beoordeling van de tenuitvoerlegging van Horizon 2020 met het oog op de tussentijdse beoordeling en het voorstel voor het negende kaderprogramma

(2016/2147(INI))

Rapporteur voor advies: Nils Torvalds

SUGGESTIES

De Begrotingscommissie verzoekt de ten principale bevoegde Commissie industrie, onderzoek en energie onderstaande suggesties in haar ontwerpresolutie op te nemen:

A.  overwegende dat in het kader van de Europa 2020-strategie ernaar wordt gestreefd 3 % van het bbp van de EU aan onderzoeks- en ontwikkelingsactiviteiten te besteden;

B.  overwegende dat het mogelijk maken van wetenschappelijke excellentie de belangrijkste pijler van Horizon 2020, het kaderprogramma voor onderzoek en innovatie, blijft;

C.  overwegende dat elke aan onderzoek en innovatie bestede euro naar schatting circa 11 EUR aan directe en indirecte economische effecten oplevert, in de vorm van innovaties en nieuwe technologieën en producten(1);

D.  overwegende dat EU-investeringen in grensverleggend onderzoek en innovatie van essentieel belang zijn, aangezien onderzoeks- en innovatieactiviteiten aanzienlijke toegevoegde waarde opleveren, het concurrentievermogen van de hele EU verhogen en het pad effenen voor economische groei en het scheppen van banen;

1.  wijst op de succesvolle tenuitvoerlegging van Horizon 2020, zoals blijkt uit het stijgende aantal ingediende voorstellen, waarvan een groot deel van hoge kwaliteit is, de vereenvoudiging van de interne procedures en de vermindering van de subsidietoekenningstermijn; benadrukt dat de vereenvoudiging van de procedures, de optimalisering van de interne procedures en de vermindering van de subsidietoekenningstermijn alsook goede begrotingspraktijken voor deelnemers en agentschappen onder Horizon 2020 aanzienlijk zijn verbeterd; vraagt dat in het negende kaderprogramma verdere verbeteringen in deze zin worden uitgevoerd om te zorgen voor een eenvoudige, duidelijke structuur die toegankelijk is voor alle deelnemers; vraagt dat het zeer succesvolle, op subsidies en financieringsinstrumenten gebaseerde financieringsstelsel wordt voortgezet om het concurrentievermogen van Europese onderzoeksinstellingen en -bedrijven in stand te houden in een steeds fellere globale omgeving;

2.  is ingenomen met de nadruk die in het programma wordt gelegd op kmo's, met hun grotere deelname en met de uitstekende absorptie van de begroting voor kmo's in het programma; is niettemin van mening dat het door de Commissie gestelde doel van 8,65 miljard EUR voor deelname van kmo's onvoldoende is; verzoekt om kwantitatief en kwalitatief ambitieuzere doelstellingen; vraagt de Commissie nieuwe methodes voor de coördinatie van acties van Cosme, de nieuwe Europese Innovatieraad en Horizon 2020 te zoeken en voor te stellen teneinde de resterende belemmeringen voor de deelname van kmo's te verwijderen en het programma beter te promoten bij kmo's;

3.  herinnert eraan dat om op basis van ideeën en onderzoek competitieve producten en diensten te creëren, het essentieel is te investeren in de vooruitgang en modernisering van wetenschap, technologie en ondernemingsklimaat, partnerschappen tussen openbare instellingen en de particuliere sector te ontwikkelen en de academische wereld te betrekken bij ontwikkelingsprocessen om de resultaten van wetenschappelijk onderzoek af te stemmen op de maatschappelijke behoeften;

4.  benadrukt dat financiering van de EU nationale inspanningen niet kan vervangen en roept de lidstaten op de tendens om te besparen op middelen voor onderzoek en innovatie te keren; is van mening dat dit heeft geleid tot een groter aantal aanvragen en heeft bijgedragen tot het lagere succespercentage van de voorstellen;

5.  stelt met grote bezorgdheid vast dat het succespercentage van Horizon 2020, waarbij slechts ongeveer een op de vier hoogwaardige voorstellen financiering heeft ontvangen, aanzienlijk is gedaald ten opzichte van de voorganger (KP7) in de vorige periode; herinnert eraan dat als alle 25 000 hoogwaardige voorstellen gefinancierd hadden moeten worden, 41,6 miljard EUR extra nodig was geweest in de eerste twee jaren van Horizon 2020(2); betreurt het dat de EU deze kansen om op kennis gebaseerde, duurzame en inclusieve groei te leveren, zoals bepaald in de Europa 2020-strategie, misloopt;

6.  merkt op dat de ESI-fondsen en Horizon 2020 doeltreffender gepland moeten worden zodat ze elkaar zo goed mogelijk kunnen aanvullen;

7.  benadrukt de begrotingsdruk waarmee het kaderprogramma voor onderzoek en innovatie van de Unie wordt geconfronteerd; betreurt het negatieve effect dat de betalingscrisis in de EU-begroting had op de tenuitvoerlegging van het programma tijdens de eerste jaren van het huidige MFK; wijst onder meer op de kunstmatige vertraging die voor oproepen in 2014 oploopt tot 1 miljard EUR en de aanzienlijke daling van het niveau van voorfinanciering voor de nieuwe programma's; benadrukt in dit verband dat in overeenstemming met artikel 15 van de MFK-verordening in 2014-2015 een "frontloading"-operatie van financiële middelen voor Horizon 2020 werd uitgevoerd; benadrukt dat deze "frontloading"-operatie volledig werd geabsorbeerd door het programma, waaruit de sterke prestatie ervan en de capaciteit om nog meer te absorberen blijken; wijst erop dat deze "frontloading"-operatie niet tot een wijziging van het totaalpakket aan financiële middelen voor deze programma's heeft geleid, maar wel tot minder kredieten gedurende de tweede helft van het MFK; vraagt de twee armen van de begrotingsautoriteit en de Commissie te zorgen voor een gepast niveau van betalingskredieten in de komende jaren en elke inspanning te leveren om een nieuwe betalingscrisis tegen de laatste jaren van het huidige MFK te voorkomen;

8.  dringt er bij de Commissie op aan ervoor te zorgen dat de doelstellingen voor het aandeel van de financiële bijdrage van de EU met betrekking tot klimaat en duurzaamheid in Horizon 2020 worden bereikt;

9.  betreurt het dat bij Horizon 2020 2,2 miljard EUR wordt bespaard om aan het Europees Fonds voor strategische investeringen te verstrekken; benadrukt het engagement van het Parlement om de negatieve gevolgen van dergelijke besparingen in de jaarlijkse begrotingsprocedure te verzachten; herinnert aan zijn standpunt dat nieuwe programma's door vers geld in de begroting moeten worden gefinancierd; vraagt dat bij het volgende MFK wordt overwogen de middelen van het KP9 te verhogen met de naar het EFSI overgehevelde fondsen om deze kwesties ten dele aan te pakken;

10.  merkt op dat in Horizon 2020 en het volgende KP rekening zal moeten worden gehouden met het vertrek van het VK uit de EU, dat het VK een derde land zal worden en dat er voorwaarden zullen zijn verbonden aan een verdere deelname van het Verenigd Koninkrijk; wenst dat er spoedig oplossingen zullen kunnen worden gevonden gezien de leiderspositie van het VK op het vlak van onderzoek en innovatie en de belangrijke rol van het VK voor wetenschappelijke samenwerking in de EU;

11.  vestigt de aandacht op het enorme onbenutte potentieel van onderzoek en innovatie en op het feit dat wetenschappelijk talent moet worden behouden; benadrukt dat financiering voor fundamenteel onderzoek op het vlak van excellent wetenschappelijk en industrieel leiderschap moet worden versterkt; betreurt het dat bestaande programma's, zoals het programma "Toekomstige en opkomende technologieën", de Marie Skłodowska-Curie-acties en innovatie en kmo's, overvraagd zijn; vraagt dat in universiteiten starterscentra worden opgericht om startende ondernemingen en zelfstandig ondernemerschap te ontwikkelen; moedigt de Unie aan in de toekomst te blijven werken aan zeer ambitieuze financieringsprogramma's; dringt er bij de lidstaten op aan de financiële middelen voor alle overvraagde programma's te verhogen;

12.  is verheugd over de invoering van de Europese Innovatieraad en vraagt de Commissie met een analyse te komen van de manier waarop de Europese Innovatieraad de bestaande onderzoeksprogramma's veeleer aanvult dan er afbreuk aan doet;

13.  benadrukt dat het ambitieuze doel van Horizon 2020 om van de EU een economische wereldleider en een op onderzoek en innovatie gebaseerde maatschappij te maken, moet worden weerspiegeld in de EU-begroting.

INFORMATIE OVER DE GOEDKEURINGIN DE MEDEADVISERENDE COMMISSIE

Datum goedkeuring

24.4.2017

 

 

 

Uitslag eindstemming

+:

–:

0:

27

2

0

Bij de eindstemming aanwezige leden

Lefteris Christoforou, Gérard Deprez, José Manuel Fernandes, Eider Gardiazabal Rubial, Ingeborg Gräßle, Bernd Kölmel, Zbigniew Kuźmiuk, Clare Moody, Siegfried Mureşan, Jan Olbrycht, Paul Rübig, Petri Sarvamaa, Jordi Solé, Patricija Šulin, Monika Vana, Daniele Viotti, Tiemo Wölken

Bij de eindstemming aanwezige vaste plaatsvervangers

Nicola Caputo, Ivana Maletić, Pier Antonio Panzeri, Nils Torvalds, Marco Valli, Derek Vaughan, Rainer Wieland, Tomáš Zdechovský

Bij de eindstemming aanwezige plaatsvervangers (art. 200, lid 2)

Karin Kadenbach, Ramón Luis Valcárcel Siso

HOOFDELIJKE EINDSTEMMINGIN DE MEDEADVISERENDE COMMISSIE

27

+

ALDE

Gérard Deprez, Nils Torvalds

ECR

Zbigniew Kuźmiuk, Bernd Kölmel

EFDD

Marco Valli

PPE

Lefteris Christoforou, José Manuel Fernandes, Ingeborg Gräßle, Ivana Maletić, Siegfried Mureşan, Jan Olbrycht, Paul Rübig, Petri Sarvamaa, Ramón Luis Valcárcel Siso, Rainer Wieland, Tomáš Zdechovský, Patricija Šulin

S&D

Nicola Caputo, Eider Gardiazabal Rubial, Karin Kadenbach, Clare Moody, Pier Antonio Panzeri, Derek Vaughan, Daniele Viotti, Tiemo Wölken

VERTS/ALE

Jordi Solé, Monika Vana

2

-

ENF

Marco Zanni, Stanisław Żółtek

0

0

 

 

Verklaring van de gebruikte tekens:

+  :  voor

-  :  tegen

0  :  onthouding

(1)

Europese Commissie, 2015, Commitment and Coherence – evaluatie ex post van het zevende kaderprogramma van de EU, blz. 5.

(2)

Europese Commissie, 2016, Horizon 2020 Monitoring Report 2015, blz. 11.


ADVIES van de Commissie regionale ontwikkeling (30.3.2017)

aan de Commissie industrie, onderzoek en energie

inzake de boordeling van de tenuitvoerlegging van Horizon 2020 met het oog op de tussentijdse beoordeling en het voorstel voor het negende kaderprogramma

(2016/2147(INI))

Rapporteur voor advies: Matthijs Van Miltenburg

SUGGESTIES

De Commissie regionale ontwikkeling verzoekt de ten principale bevoegde Commissie industrie, onderzoek en energie onderstaande suggesties in haar ontwerpresolutie op te nemen:

1.  is van mening dat uitmuntendheid en concurrentievermogen van onderzoek de uitgangspunten van het EU-kaderprogramma voor onderzoek en innovatie moeten blijven, terwijl de ESI-fondsen zich zouden moeten richten op regionale groei en cohesie; spreekt zich daarom uit tegen eventuele criteria of quota in het nieuwe kaderprogramma die gericht zijn op geografische spreiding of cohesie; verzoekt de Commissie het ondersteuningsinstrument van Horizon 2020 getiteld "Topkwaliteit verspreiden en deelname verbreden" te evalueren en het, indien het succesvol blijkt, in het 9e kaderprogramma over te nemen teneinde een evenwichtige ontwikkeling van de onderzoeksactiviteiten in de hele EU tot stand te brengen;

2.  stelt vast dat er zowel verschillen als overeenkomsten zijn qua doelstellingen en focus van het kaderprogramma en van de ESI-fondsen; merkt op dat de invoering, in de verordening gemeenschappelijke bepalingen, van thematische doelstelling 1 inzake versterking van onderzoek, technologische ontwikkeling en innovatie ervoor heeft gezorgd dat de onderzoeksresultaten veel beter hun weg hebben gevonden; is van mening dat er verder gestreefd moet worden naar zoveel mogelijk synergie op het niveau van programma's en projecten; moedigt de Commissie ertoe aan de territoriale patronen van de uitgaven van Horizon 2020 en de ESI-fondsen verder te analyseren, om specifieke gebieden te identificeren waar de synergie op het gebied van de toewijzing van financiering met name moet worden verhoogd en om een databank van optimale methodes voor projecten op te zetten en mogelijkheden voor toekomstige synergie aan te geven;

3.  herinnert aan het proefproject "de trap naar topkwaliteit" (Stairway to Excellence - S2E) in het kader van de EU-begroting, dat regio's in 13 lidstaten ondersteuning blijft bieden bij het ontwikkelen en benutten van synergie tussen de ESI-fondsen, Horizon 2020 en andere EU-financieringsprogramma's;

4.  is van mening dat een onderzoeks- en innovatiestrategie voor slimme specialisatie (RIS3) een geschikt vehikel is om regionale innovatie-ecosystemen op te bouwen, te hervormen en te verbeteren; wijst erop dat er op basis van de prioriteiten die zijn geïdentificeerd in RIS3 interregionale samenwerking moet worden ontwikkeld, omdat dit het scheppen van waardeketens in de hele EU mogelijk zal maken; verzoekt de Commissie de verdere ontwikkeling van de kennis- en innovatiegemeenschappen van het Europees Instituut voor innovatie en technologie (EIT KIC's) met de RIS3-hubs te versterken; verzoekt de Commissie, de lidstaten en de regio's hun inspanningen te intensiveren om de kwaliteit van slimme specialisatiestrategieën en de effectieve tenuitvoerlegging van hun strategieën te verbeteren;

5.  is van mening dat de ESI-fondsen ingezet kunnen worden om infrastructuur voor onderzoek en innovatie (O&I) op te zetten en uit te breiden, en de lidstaten aldus in staat te stellen zich op het gebied van O&I te onderscheiden; wijst erop dat ESI-fondsen benut kunnen worden voor de overdracht van innovatie, het bevorderen van publieke en particuliere investeringen in O&I en het ontwikkelen van koppelingen en synergie tussen bedrijven, onderzoeks- en ontwikkelingscentra en de sector hoger onderwijs; spreekt de wens uit dat ESI-fondsen gebruikt worden voor het promoten van competentiecentra en innovatiehubs, met name die van Europees belang;

6.  is van mening dat effectieve investeringen in O&I uit de ESI-fondsen alleen kunnen plaatsvinden als lidstaten hun randvoorwaarden op orde hebben; herinnert eraan dat het belangrijk is dat aan de nodige ex-antevoorwaarden in het cohesiebeleid is voldaan, bijvoorbeeld wat slimme specialisatie betreft, om een significante impact van de ESI-fondsen op innovatie te garanderen; pleit daarom voor een krachtige en evenwichtige koppeling tussen landenspecifieke aanbevelingen op het gebied van structurele hervormingen betreffende O&I alsmede investeringen in deze sector;

7.  verzoekt de lidstaten de voorwaarden voor innovatie, onderzoek en ontwikkeling te verbeteren, met name door te streven naar een verhoging van gecombineerde publieke en private investeringen in onderzoek en ontwikkeling (O&O) tot 3 % van het bbp tegen 2020 en R&I-activiteiten in minder ontwikkelde regio's te stimuleren; merkt op dat er een duidelijk verband is tussen nationale investeringen in O&O en het aantal succesvolle projectaanvragen in het kader van de kaderprogramma's;

8.  is van mening dat er sterkere stimulansen moeten worden ingebouwd om ESI-middelen in te zetten voor investeringen in O&I indien zulks wordt genoemd in de landenspecifieke aanbevelingen of als er zwakke plekken worden geconstateerd; concludeert dat de ESI-middelen voor investeringen in O&I goed zijn voor 65 miljard EUR in de periode 2014-2020; stelt daarom voor om de vaste prestatiereserve van de ESI-fondsen in de lidstaten te gebruiken om een substantieel deel van de ontvangsten uit de structuurfondsen investeren in O&I te investeren;

9.  verwelkomt het principe en de potentie van het Seal of Excellence als kwaliteitskeurmerk voor synergie tussen ESI-fondsen en Horizon 2020, maar constateert dat dit in de praktijk onvoldoende wordt toegepast, door het gebrek aan financiering in de lidstaten; is van mening dat projecten die zijn ingediend voor financiering in het kader van Horizon 2020 en die strenge selectie- en toekenningscriteria met positief gevolg zijn gepasseerd, maar niet konden worden gefinancierd door budgettaire beperkingen, gefinancierd moeten worden met middelen uit de ESI-fondsen, als deze middelen voor dit doel beschikbaar zijn; wijst erop dat een soortgelijk mechanisme ook moet worden gedefinieerd voor gezamenlijke onderzoeksprojecten;

10.  betreurt het feit dat het budget voor het Horizon 2020-programma met 2,2 miljard EUR is ingekrompen om het EFSI-garantiefonds te kunnen financieren; is van mening dat de EU internationaal concurrerend moet blijven en haar O&I-potentieel niet mag verliezen; onderstreept dat er voor het 9e kaderprogramma en de ESI-fondsen voldoende middelen moeten worden uitgetrokken in het meerjarig financieel kader na 2020 om onderzoek in de EU op gepaste wijze te kunnen ondersteunen; stelt daarom voor de begroting voor het 9e kaderprogramma te verhogen tot een totaalbedrag van 100 miljard EUR, een groter specifiek budget voor het MKB-instrument inbegrepen, en dat dit bedrag gegarandeerd moet worden voor de hele duur van het programma;

11.  verzoekt de Commissie bij het ontwerpen van het 9e kaderprogramma en de toekomstige verordeningen voor de ESI-fondsen te zorgen voor betere een vereenvoudigde randvoorwaarden, zodat er meer synergie en complementariteit tussen sectoraal O&I-beleid, de structuurfondsen en O&I-fondsen en -programma's ontstaat; wijst erop dat het 9e kaderprogramma in de eerste plaats gericht zou moeten blijven op projecten op lage en middelhoge niveaus van technologische paraatheid (TLR's), terwijl projecten op hoge TLR's primair op het terrein van de ESI-fondsen zouden moeten blijven;

12.  merkt op dat de regels inzake overheidssteun van toepassing zijn op de ESI-fondsen maar niet op Horizon 2020, terwijl met beide soortgelijke projecten met soortgelijke doelstellingen kunnen worden gefinancierd; benadrukt het feit dat dit onnodige problemen veroorzaakt met betrekking tot de synergie tussen deze fondsen; onderstreept dat een aanpak op grond van gelijke behandeling met betrekking tot procedures, bijvoorbeeld wat betreft de regels inzake overheidssteun en de vraag welke uitgaven er in aanmerking komen, het leidend beginsel moet zijn; dringt er bij de Commissie op aan een evaluatie van de relevante regels inzake overheidssteun te overleggen, met name wat het Seal of Excellence betreft, en te definiëren welke projecten niet langer onder het toepassingsgebied van de regels inzake overheidssteun vallen.

INFORMATIE OVER DE GOEDKEURINGIN DE MEDEADVISERENDE COMMISSIE

Datum goedkeuring

21.3.2017

 

 

 

Uitslag eindstemming

+:

–:

0:

30

1

2

Bij de eindstemming aanwezige leden

Pascal Arimont, Franc Bogovič, Andrea Cozzolino, Rosa D’Amato, Krzysztof Hetman, Marc Joulaud, Constanze Krehl, Andrew Lewer, Louis-Joseph Manscour, Martina Michels, Iskra Mihaylova, Jens Nilsson, Andrey Novakov, Mirosław Piotrowski, Stanislav Polčák, Liliana Rodrigues, Fernando Ruas, Monika Smolková, Ruža Tomašić, Ramón Luis Valcárcel Siso, Matthijs van Miltenburg, Lambert van Nistelrooij, Derek Vaughan

Bij de eindstemming aanwezige vaste plaatsvervangers

Andor Deli, Josu Juaristi Abaunz, Ivana Maletić, Demetris Papadakis, Tomasz Piotr Poręba, Julia Reid, Davor Škrlec, Damiano Zoffoli, Milan Zver

Bij de eindstemming aanwezige plaatsvervangers (art. 200, lid 2)

Luigi Morgano

HOOFDELIJKE EINDSTEMMING IN DE MEDEADVISERENDE COMMISSIE

30

+

ALDE

Iskra Mihaylova, Matthijs van Miltenburg

ECR

Andrew Lewer, Mirosław Piotrowski, Tomasz Piotr Poręba, Ruža Tomašić

EFDD

Rosa D'Amato

PPE

Pascal Arimont, Franc Bogovič, Andor Deli, Krzysztof Hetman, Marc Joulaud, Ivana Maletić, Andrey Novakov, Stanislav Polčák, Fernando Ruas, Ramón Luis Valcárcel Siso, Milan Zver, Lambert van Nistelrooij

S&D

Andrea Cozzolino, Constanze Krehl, Louis-Joseph Manscour, Luigi Morgano, Jens Nilsson, Demetris Papadakis, Liliana Rodrigues, Monika Smolková, Derek Vaughan, Damiano Zoffoli

 

Davor Škrlec

1

-

EFDD Group

Julia Reid

2

0

GUE/NGL Group

Josu Juaristi Abaunz, Martina Michels

Verklaring van de gebruikte tekens:

+  :  voor

-  :  tegen

0  :  onthouding


ADVIES van de Commissie rechten van de vrouw en gendergelijkheid (3.5.2017)

aan de Commissie industrie, onderzoek en energie

inzake de beoordeling van de tenuitvoerlegging van Horizon 2020 met het oog op de tussentijdse beoordeling en het voorstel voor het negende kaderprogramma

(2016/2147(INI))

Rapporteur voor advies: Vilija Blinkevičiūtė

SUGGESTIES

De Commissie rechten van de vrouw en gendergelijkheid verzoekt de ten principale bevoegde Commissie industrie, onderzoek en energie onderstaande suggesties in haar ontwerpresolutie op te nemen:

–  gezien artikel 2 en artikel 3, lid 3, tweede alinea, van het Verdrag betreffende de Europese Unie (VEU) en artikel 8 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU),

–  gezien artikel 14, lid 1, en artikel 16 van Verordening (EU) nr. 1291/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 11 december 2013 tot vaststelling van Horizon 2020 – het kaderprogramma voor onderzoek en innovatie (2014-2020) en tot intrekking van Besluit nr. 1982/2006/EG(1),

A.  overwegende dat in het Horizon 2020-programma, overeenkomstig de vereisten van artikel 16 van de bijbehorende verordening, in alle onderdelen van het werkprogramma een rol is weggelegd voor gendergelijkheid en genderdimensie in onderzoeks- en innovatieprojecten als transversale kwesties;

B.  overwegende dat Horizon 2020 drie gendermainstreamingsdoeleinden omvat, namelijk: het stimuleren van gelijke kansen en genderevenwicht in projectteams, het waarborgen van het genderevenwicht in het besluitvormingsproces, en het integreren van een genderdimensie in onderzoeks- en innovatie-inhoud, die gericht moet zijn op kwaliteit;

C.  overwegende dat de EU zich ertoe heeft verplicht gendergelijkheid te bevorderen en voor gendermainstreaming te zorgen in al haar activiteiten; overwegende dat onderzoek en innovatie belangrijke drijvende krachten zijn achter de Europese economische groei en dat een grotere vertegenwoordiging van vrouwen in onderzoek bijdraagt tot de verspreiding van innovaties; overwegende dat wanneer het potentieel aan vrouwelijke vaardigheden, kennis en kwalificaties ten volle wordt benut, dit de groei en werkgelegenheid en het Europese concurrentievermogen een nieuwe impuls zal geven;

D.  overwegende dat het aandeel vrouwen in adviesgroepen in de periode 2014-2015 51,9 % bedroeg(2); overwegende dat dit de enige indicator inzake de participatie van vrouwen was waar het streefcijfer werd gehaald, namelijk in dit geval 50 %; overwegende dat het aandeel vrouwelijke deskundigen dat is ingeschreven in de databanken van deskundigen 31,1 % bedroeg en het aandeel vrouwen dat heeft deelgenomen in de projectbeoordelingspanels 36,7 %(3); overwegende dat beide percentages lager liggen dan de desbetreffende streefpercentages van 40 %;

E.  overwegende dat de genderdimensie in onderzoeks- en innovatie-inhoud zichtbaar was in 36,2 % van de gesubsidieerde projecten(4); overwegende dat gedurende de periode 2014-2015 het aandeel vrouwelijke deelnemers aan Horizon 2020-projecten 35,8 % van de totale beroepsbevolking bedroeg, met inbegrip van niet-onderzoekers(5);

F.  overwegende dat Horizon 2020, zoals alle EU-programma's, ernaar streeft Europa 2020 te verwezenlijken, evenals andere internationale verplichtingen zoals de COP21 en de Agenda 2030 voor duurzame ontwikkeling, met inbegrip van duurzame-ontwikkelingsdoelstelling (SDG) 5 inzake gendergelijkheid; overwegende dat deze doelstellingen niet zullen worden verwezenlijkt zonder nieuwe innovatie, onderzoek en ontwikkeling; benadrukt evenwel dat het programma een aanvulling vormt op de eigen investeringen van de lidstaten in onderzoek en innovatie;

1.  merkt op dat er de laatste jaren positieve veranderingen hebben plaatsgevonden met betrekking tot de gelijkheid van vrouwen en mannen op het gebied van onderzoek, ontwikkeling en innovatie, maar vestigt de aandacht op de sterke verticale en horizontale segregatie die vrouwen in de academische wereld treft en op de aanwezigheid van culturele en institutionele barrières;

2.  is verheugd over het feit dat Horizon 2020 onderzoeksorganisaties steunt bij de tenuitvoerlegging van gendergelijkheidsplannen; is tevens verheugd over het gezamenlijke project van de Commissie en het Europees Instituut voor gendergelijkheid dat gericht is op de totstandbrenging van een online-instrument voor gendergelijkheidsplannen, op basis waarvan beste praktijken kunnen worden vastgesteld en met de relevante belanghebbenden kunnen worden gedeeld;

3.  wijst erop dat het belangrijk is zo hecht mogelijke banden met de wetenschappers uit het Verenigd Koninkrijk te behouden, om te vermijden dat kennis in het gebied van medisch onderzoek niet langer wordt doorgegeven of verloren gaat;

4.  is ingenomen met het feit dat genderevenwicht in het personeelsbestand volgens de evaluatiecriteria in Horizon 2020 een van de factoren is die bepalend zijn voor de rangorde, aangezien vrouwen slechts 35,8 % van de beroepsbevolking uitmaken; verzoekt de Commissie een vereiste inzake een minimumparticipatie van 40 % van het ondervertegenwoordigde geslacht te introduceren in het volgende kaderprogramma; is voorts verheugd over het feit dat kandidaten opleidingen inzake gender en genderstudies als subsidiabele kosten in hun voorstellen kunnen opnemen;

5.  is verheugd over de specifieke indicatoren die worden gebruikt ter controle van de tenuitvoerlegging van het gendergelijkheidsperspectief in Horizon 2020, maar betreurt dat bij slechts 36,2 % van de ondertekende subsidies in diezelfde periode rekening werd gehouden met de genderdimensie in het inhoudelijke aspect van onderzoek en innovatie(6); verzoekt de Commissie derhalve de uitvoering van een gendereffectbeoordeling op te nemen als een ex-antevoorwaarde voor alle subsidieaanvragen in het kader van het negende kaderprogramma;

6.  stelt vast dat er momenteel geen indicatoren zijn voor het beoordelen van het percentage projecten dat specifiek gericht is op gendergelijkheidskwesties en nauw met gendergelijkheid verbonden aangelegenheden, zoals: gezondheid (met name de gezondheid van moeders en pasgeborenen), armoedegerelateerde en verwaarloosde ziekten, die relatief meer vrouwen en kinderen treffen, voedsel en voeding, water en sanitaire voorzieningen en toegang tot hulpbronnen; stelt in dit verband vast dat er onvoldoende indicatoren zijn voor het meten van het percentage oproepen tot het indienen van voorstellen voor dergelijke projecten; verzoekt de Commissie indicatoren voor al deze kwesties op te nemen in de toekomstige jaarlijkse monitoringverslagen voor Horizon 2020 en in het nieuwe kaderprogramma;

7.  is verheugd over het genderevenwicht dat werd bereikt in de adviesgroepen voor Horizon 2020, die in 2014 en 2015 voor 52 % uit vrouwen bestonden; betreurt evenwel het feit dat het aandeel vrouwelijke deskundigen dat is ingeschreven in de databanken van deskundigen en het aandeel vrouwen dat heeft deelgenomen in de projectbeoordelingspanels lager lagen dan het streefpercentage van 40 % voor de participatie van het ondervertegenwoordigde geslacht; verzoekt de Commissie nieuwe maatregelen voor te stellen om deze situatie aan te pakken;

8.  is verheugd over het feit dat het zorgen voor gendergelijkheid, zowel in het onderzoeksproces als in de onderzoeksinhoud, een van de doelstellingen van het programma "Science with and for Society" is; is tevens ingenomen met de subsidies voor onderzoeksorganisaties voor de tenuitvoerlegging van gendergelijkheidsplannen en de bevordering van gendergelijkheid in Horizon 2020 en de Europese Onderzoeksruimte; betreurt echter dat er geen specifieke begrotingsonderdelen bestaan voor de in Horizon 2020 uiteengezette doelstellingen;

9.  is van mening dat een nadere evaluatie is vereist om de resultaten van Horizon 2020 te beoordelen, op basis van betrouwbare en vergelijkbare indicatoren zoals het percentage vrouwelijke deelnemers en vrouwelijke projectcoördinatoren in het programma, en om indien nodig aanpassingen van de specifieke maatregelen voor te stellen teneinde betere resultaten te halen;

10.  verzoekt de Commissie de begroting voor Horizon 2020 te verhogen teneinde het aantal deelnemende universiteiten en onderzoeksinstellingen een stimulans te geven, en verzoekt de lidstaten de toegang tot specifieke subsidies voor vrouwelijke onderzoekers en wetenschappers te bevorderen om gelijkheid in wetenschappelijke loopbanen te bevorderen en het concurrentievermogen in de EU te stimuleren;

11.  verzoekt de lidstaten gendermainstreaming verder te versterken in het kader van Horizon 2020 en het toekomstige negende kaderprogramma, en de dialoog tussen onderzoeksinstellingen, bedrijven en de betrokken sociale partners te ondersteunen en aan te zwengelen; verzoekt om de ontwikkeling van streefcijfers voor gendergelijkheid in strategieën, programma's en projecten in alle stadia van de onderzoekscyclus;

12.  verzoekt de Commissie en de lidstaten zich sterker in te spannen om de voortdurende structurele genderongelijkheid onder onderzoekers aan te pakken, met name in de arbeidsvoorwaarden, bijvoorbeeld loonkloven en discriminerende contractuele regelingen, en in de vertegenwoordiging van vrouwen in de bestuursraden van onderzoeksinstellingen en universiteiten(7);

13.  benadrukt dat vrouwelijk ondernemerschap moet worden bevorderd via het kmo-instrument, teneinde vrouwen aan te moedigen om ondernemerschap als een relevante loopbaankeuze te beschouwen, door toegang tot krediet te vergemakkelijken en administratieve rompslomp en andere belemmeringen voor beginnende vrouwelijke ondernemers weg te werken, met het oog op slimme, duurzame en inclusieve groei; benadrukt voorts het belang van steunprogramma's voor vrouwelijke ondernemers en vrouwen in de wetenschap en de academische wereld en dringt bij de EU aan op concretere steun voor deze programma's, onder meer via positieve actie zoals netwerk- en coachingprogramma's, en door gepaste omstandigheden te creëren en ervoor te zorgen dat vrouwen op elke leeftijd gelijke kansen als mannen hebben wat betreft opleiding, promotie, bijscholing en omscholing;

14.  verzoekt de Commissie en de lidstaten het aantal en de impact van bewustmakings- en voorlichtingscampagnes met betrekking tot Horizon 2020 vergroten, teneinde meer meisjes te doen kiezen voor STEM-vakken en de deelname van vrouwen aan onderzoeksprojecten te bevorderen; verzoekt de Commissie een evaluatie uit te voeren van de doelgerichtheid en het succes van voorlichtingscampagnes voor het vergroten van de deelname van vrouwen in onderzoeksprojecten;

15.  spoort de lidstaten aan maatregelen en actie te promoten ter bevordering van het leiderschapspotentieel van vrouwen en hun deelname aan besluitvorming, met gebruikmaking van specifieke instrumenten zoals coaching, netwerken en rolmodellen voor de loopbaanontwikkeling van vrouwen;

16.  verzoekt de Commissie een kwalitatieve aanpak te volgen in het tussentijdse evaluatieverslag met betrekking tot Horizon 2020 en van het tussentijdse evaluatieverslag gebruik te maken om specifieke indicatoren inzake genderparticipatie en inclusie te ontwikkelen die in de evaluatie achteraf van Horizon 2020 kunnen worden gebruikt;

17.  roept op tot het handhaven van een onafhankelijke financieringslijn voor genderspecifieke structurele veranderingsprojecten (zoals het programma 2014-2016 inzake gendergelijkheid in onderzoek en innovatie), evenals voor andere gendergelijkheidsthema's in onderzoek en innovatie;

18.  verzoekt om de opneming van een solide gendergelijkheidsstrategie en meetbare streefdoelen in het voorstel voor het negende kaderprogramma en om beter ontwikkelde en tastbare vereisten inzake de inclusie van gendergelijkheid in het voorstel voor de basisverordening voor het nieuwe kaderprogramma; acht het van belang gendergelijkheid te blijven steunen als een horizontale doelstelling en als een specifiek terrein dat in aanmerking komt voor financiering in elk van de afzonderlijke delen van het werkprogramma.

INFORMATIE OVER DE GOEDKEURINGIN DE MEDEADVISERENDE COMMISSIE

Datum goedkeuring

25.4.2017

 

 

 

Uitslag eindstemming

+:

–:

0:

22

0

6

Bij de eindstemming aanwezige leden

Maria Arena, Beatriz Becerra Basterrechea, Viorica Dăncilă, Arne Gericke, Anna Hedh, Mary Honeyball, Teresa Jiménez-Becerril Barrio, Elisabeth Köstinger, Agnieszka Kozłowska-Rajewicz, Kostadinka Kuneva, Angelika Mlinar, Maria Noichl, Marijana Petir, Terry Reintke, Liliana Rodrigues, Michaela Šojdrová, Ernest Urtasun, Elissavet Vozemberg-Vrionidi, Jadwiga Wiśniewska, Anna Záborská, Jana Žitňanská

Bij de eindstemming aanwezige vaste plaatsvervangers

Stefan Eck, Rosa Estaràs Ferragut, Mariya Gabriel, Ildikó Gáll-Pelcz, Kostadinka Kuneva, Marc Tarabella, Monika Vana

(1)

PB L 347 van 20.12.2013, blz. 104.

(2)

Horizon 2020 Monitoring Report 2015, http://ec.europa.eu/research/evaluations/pdf/archive/h2020_monitoring_reports/second_h2020_annual_monitoring_report.pdf

(3)

Ibid.

(4)

Horizon 2020 — EU-kaderprogramma voor onderzoek en innovatie, EPRS-studie, februari 2017.

(5)

Ibid.

(6)

Horizon 2020 Monitoring Report 2015, blz. 53-217. http://ec.europa.eu/research/evaluations/pdf/archive/h2020_monitoring_reports/second_h2020_annual_monitoring_report.pdf

(7)

She Figures 2015. https://ec.europa.eu/research/swafs/pdf/pub_gender_equality/she_figures_2015-final.pdf#view=fit&pagemode=none


INFORMATIE OVER DE GOEDKEURINGIN DE TEN PRINCIPALE BEVOEGDE COMMISSIE

Datum goedkeuring

30.5.2017

 

 

 

Uitslag eindstemming

+:

–:

0:

50

2

5

Bij de eindstemming aanwezige leden

Bendt Bendtsen, Xabier Benito Ziluaga, José Blanco López, Reinhard Bütikofer, Jerzy Buzek, Angelo Ciocca, Edward Czesak, Jakop Dalunde, Pilar del Castillo Vera, Christian Ehler, Ashley Fox, Adam Gierek, Theresa Griffin, Hans-Olaf Henkel, Kaja Kallas, Barbara Kappel, Krišjānis Kariņš, Seán Kelly, Jaromír Kohlíček, Peter Kouroumbashev, Zdzisław Krasnodębski, Miapetra Kumpula-Natri, Janusz Lewandowski, Paloma López Bermejo, Edouard Martin, Angelika Mlinar, Nadine Morano, Dan Nica, Angelika Niebler, Morten Helveg Petersen, Miroslav Poche, Michel Reimon, Herbert Reul, Paul Rübig, Massimiliano Salini, Algirdas Saudargas, Jean-Luc Schaffhauser, Neoklis Sylikiotis, Evžen Tošenovský, Claude Turmes, Vladimir Urutchev, Kathleen Van Brempt, Henna Virkkunen, Lieve Wierinck, Anna Záborská, Flavio Zanonato, Carlos Zorrinho

Bij de eindstemming aanwezige vaste plaatsvervangers

Soledad Cabezón Ruiz, Jude Kirton-Darling, Constanze Krehl, Barbara Kudrycka, Olle Ludvigsson, Florent Marcellesi, Marian-Jean Marinescu, Marisa Matias, Markus Pieper, Sofia Sakorafa, Anne Sander, Pavel Telička, Anneleen Van Bossuyt

Bij de eindstemming aanwezige plaatsvervangers (art. 200, lid 2)

Fabio Massimo Castaldo, Nicola Danti, Gabriele Preuß


HOOFDELIJKE EINDSTEMMING IN DE TEN PRINCIPALE BEVOEGDE COMMISSIE

50

+

ALDE

Kaja Kallas, Angelika Mlinar, Morten Helveg Petersen, Pavel Telicka, Lieve Wierinck

ECR

Edward Czesak, Ashley Fox, Hans-Olaf Henkel, Evžen Tošenovský, Anneleen Van Bossuyt

GUE

Xabier Benito Ziluaga, Jaromír Kohlícek, Marisa Matias, Sofia Sakorafa

PPE

Bendt Bendtsen, Jerzy Buzek, Christian Ehler, Krišjānis Kariņš, Seán Kelly, Barbara Kudrycka, Janusz Lewandowski, Marian-Jean Marinescu, Nadine Morano, Angelika Niebler, Markus Pieper, Herbert Reul, Paul Rübig, Massimiliano Salini, Anne Sander, Algirdas Saudargas, Vladimir Urutchev, Henna Virkkunen, Anna Záborská, Pilar del Castillo Vera

S&D

José Blanco López, Soledad Cabezón Ruiz, Nicola Danti, Adam Gierek, Theresa Griffin, Jude Kirton-Darling, Peter Kouroumbashev, Constanze Krehl, Miapetra Kumpula-Natri, Olle Ludvigsson, Edouard Martin, Dan Nica, Miroslav Poche, Gabriele Preuβ, Flavio Zanonato, Carlos Zorrinho

2

-

ENF

Angelo Ciocca, Jean-Luc Schaffhauser

5

0

Verts/ALE

Reinhard Bütikofer, Jakop Dalunde, Florent Marcellesi, Michel Reimon, Claude Turmes

Verklaring van de gebruikte tekens:

+  :  voor

-  :  tegen

0  :  onthouding

Juridische mededeling - Privacybeleid