Procedure : 2016/2070(IMM)
Stadium plenaire behandeling
Documentencyclus : A8-0219/2017

Ingediende teksten :

A8-0219/2017

Debatten :

Stemmingen :

PV 14/06/2017 - 8.2

Aangenomen teksten :

P8_TA(2017)0257

VERSLAG     
PDF 266kWORD 49k
12.6.2017
PE 592.371v04-00 A8-0219/2017

over het verzoek om opheffing van de immuniteit van Rolandas Paksas

(2016/2070(IMM))

Commissie juridische zaken

Rapporteur: Angel Dzhambazki

ONTWERPBESLUIT VAN HET EUROPEES PARLEMENT
 TOELICHTING
 INFORMATIE OVER DE GOEDKEURINGIN DE TEN PRINCIPALE BEVOEGDE COMMISSIE

ONTWERPBESLUIT VAN HET EUROPEES PARLEMENT

betreffende het verzoek om opheffing van de immuniteit van Rolandas Paksas

(2016/2070(IMM))

Het Europees Parlement,

–  gezien het verzoek om opheffing van de immuniteit van Rolandas Paksas, dat op 31 maart 2016 door de procureur-generaal van de Republiek Litouwen werd ingediend en van de ontvangst waarvan op 13 april 2016 ter plenaire vergadering kennis werd gegeven,

–  na Rolandas Paksas te hebben gehoord, overeenkomstig artikel 9, lid 6, van zijn Reglement,

–  na een gedachtewisseling met de procureur-generaal van Litouwen en de hoofdaanklager van het departement Onderzoek georganiseerde misdaad en corruptie van het Bureau van de procureur-generaal,

–  gezien de artikelen 8 en 9 van protocol nr. 7 betreffende de voorrechten en immuniteiten van de Europese Unie, en artikel 6, lid 2, van de Akte van 20 september 1976 betreffende de verkiezing van de leden van het Europees Parlement door middel van rechtstreekse algemene verkiezingen,

–  gezien de arresten van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 12 mei 1964, 10 juli 1986, 15 en 21 oktober 2008, 19 maart 2010, 6 september 2011 en 17 januari 2013(1),

–  gezien artikel 62 van de grondwet van Litouwen,

–  gezien artikel 4 van de wet betreffende de status en de arbeidsvoorwaarden van de Litouwse leden van het Europees Parlement,

–  gezien artikel 22 van het reglement van orde van de Seimas,

–  gezien artikel 5, lid 2, artikel 6, lid 1, en artikel 9 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie juridische zaken (A8-0219/2017),

A.  overwegende dat de procureur-generaal van de Republiek Litouwen heeft verzocht om opheffing van de immuniteit van Rolandas Paksas, lid van het Europees Parlement, in verband met een strafrechtelijk onderzoek;

B.  overwegende dat de procureur-generaal dit verzoek heeft ingediend omdat Rolandas Paksas ervan verdacht wordt op 31 augustus 2015 smeergeld te hebben aangenomen en in ruil daarvoor overheidsinstanties en ambtenaren te beïnvloeden bij de uitoefening van hun bevoegdheden, hetgeen krachtens het Litouwse wetboek van strafrecht een strafbaar feit is;

C.  overwegende dat de leden van het Europees Parlement overeenkomstig artikel 9 van protocol nr. 7 op hun eigen grondgebied de immuniteiten genieten die aan de leden van de volksvertegenwoordiging in hun staat zijn verleend;

D.  overwegende dat de leden van de Seimas, overeenkomstig artikel 62 van de grondwet van de Republiek Litouwen niet strafrechtelijk aansprakelijk kunnen worden gesteld, niet in hechtenis kunnen worden genomen en niet anderszins van hun vrijheid kunnen worden beroofd zonder toestemming van de Seimas;

E.  overwegende dat de leden van het Europees Parlement overeenkomstig artikel 4 van de wet betreffende de status en de arbeidsvoorwaarden van de Litouwse leden van het Europees Parlement, op het grondgebied van de Republiek Litouwen dezelfde persoonlijke immuniteit genieten als de leden van de Seimas van de Republiek Litouwen, tenzij in EU-wetgeving anders is bepaald;

F.  overwegende dat in artikel 22 van het reglement van orde van de Seimas is bepaald dat zonder de instemming van de Seimas tegen leden van de Seimas geen strafvervolging kan worden ingesteld en dat leden van de Seimas zonder de instemming van de Seimas niet kunnen worden aangehouden of onderworpen aan andere beperkingen van hun persoonlijke vrijheid, behalve in gevallen waarin zij op heterdaad worden betrapt, en dat de procureur-generaal de Seimas daarvan onverwijld op de hoogte moet stellen;

G.  overwegende dat volgens artikel 5, lid 2, parlementaire immuniteit geen persoonlijk voorrecht van de leden is, doch een garantie voor de onafhankelijkheid van het Parlement als geheel en van zijn leden;

H.  overwegende dat de parlementaire immuniteit tot doel heeft het Parlement en zijn leden te beschermen tegen gerechtelijke procedures in verband met activiteiten die in de uitoefening van parlementaire taken zijn verricht en die niet van die taken kunnen worden gescheiden;

I.  overwegende dat, indien een dergelijke gerechtelijke procedure geen betrekking heeft op de uitoefening door een lid van zijn ambt, de immuniteit dient te worden opgeheven, tenzij blijkt dat de strafvervolging is ingesteld om schade toe te brengen aan de politieke activiteiten van een lid en dus aan de onafhankelijkheid van het Parlement (fumus persecutionis);

J.  overwegende dat uit de uitvoerige en gedetailleerde informatie die in onderhavig geval is verstrekt, blijkt dat er geen redenen zijn om aan te nemen dat met de gerechtelijke procedure tegen Rolandas Paksas wordt beoogd zijn politieke activiteiten als lid van het Europees Parlement schade toe te brengen;

K.  overwegende dat het niet aan het Europees Parlement is om zich uit te spreken over de vraag of het lid al dan niet schuldig is, over de wenselijkheid het betrokken lid wegens de handelingen die hem worden verweten strafrechtelijk te vervolgen, of over de merites van het nationale rechtsstelsel of het gerechtelijk apparaat;

1.  besluit de immuniteit van Rolandas Paksas op te heffen;

2.  verzoekt zijn Voorzitter dit besluit en het verslag van zijn bevoegde commissie onmiddellijk te doen toekomen aan de bevoegde autoriteit van Litouwen en aan Rolandas Paksas.

(1)

Arrest van het Hof van Justitie van 12 mei 1964, Wagner/Fohrmann en Krier, 101/63, ECLI:EU:C:1964:28; arrest van het Hof van Justitie van 10 juli 1986, Wybot/Faure e.a., 149/85, ECLI:EU:C:1986:310; arrest van het Gerecht van 15 oktober 2008, Mote/Parlement, T-345/05, ECLI:EU:T:2008:440; arrest van het Hof van Justitie van 21 oktober 2008, Marra/De Gregorio en Clemente, C-200/07 en C-201/07, ECLI:EU:C:2008:579; arrest van het Gerecht van 19 maart 2010, Gollnisch/Parlement, T-42/06, ECLI:EU:T:2010:102; arrest van het Hof van Justitie van 6 september 2011, Patriciello, C163/10, ECLI: EU:C:2011:543; arrest van het Gerecht van 17 januari 2013, Gollnisch/Parlement, T-346/11 en T-347/11, ECLI:EU:T:2013:23


TOELICHTING

I.  FEITEN

Tijdens de vergadering van 13 april 2016 deelde de Voorzitter overeenkomstig artikel 9, lid 1, van het Reglement mee dat hij van de procureur-generaal van Litouwen een brief had ontvangen, houdende een verzoek om opheffing van de immuniteit van Rolandas Paksas, EP-lid, om de Litouwse autoriteiten in staat te stellen tegen dit lid een strafrechtelijke procedure in te leiden die kan leiden tot een beperking van zijn vrijheid.

De speciale onderzoeksdienst van de Republiek Litouwen is onder leiding van het Bureau van de procureur-generaal op 17 februari 2016 een vooronderzoek gestart naar ongeoorloofde beïnvloeding en machtsmisbruik, strafbare feiten overeenkomstig artikel 226, leden 3 en 4, en artikel 228, lid 1, van het Litouwse wetboek van strafrecht. De woordelijke verslagen van gesprekken met Rolandas Paksas en getuigen, schriftelijke opmerkingen met betrekking tot deze zaak en geluidsopnames leveren naar de mening van de procureur-generaal voldoende bewijs dat Rolandas Paksas 15 000 EUR heeft aangenomen en in ruil daarvoor heeft beloofd misbruik te maken van zijn maatschappelijke status, connecties en zijn waarschijnlijke invloed op overheidsinstanties en ambtenarenoverheidsinstanties om instanties en ambtenaren te beïnvloeden.

Omdat Rolandas Paksas als lid van het Europees Parlement krachtens het Litouwse recht immuniteit geniet, is hij in deze zaak op grond van een besluit van de procureur-generaal van 22 februari 2016 als getuige gehoord, waarbij hij voor eventuele valse verklaringen niet strafrechtelijk aansprakelijk was. Voordat Rolandas Paksas werd gehoord werd hij geïnformeerd over zijn rechten. Hij liet zich vergezellen door een advocaat en werd in de gelegenheid gesteld bewijs aan te leveren.

De procureur-generaal benadrukte bij de gedachtewisseling in de Commissie juridische zaken dat alle goedkeuringen voor geluidsopnames in verband met het onderzoek waren afgegeven door rechtbanken, die rekening hielden met de toereikendheid van de informatie. Bovendien werden deze maatregelen getroffen in overeenstemming met de rechtspraak van het Europees Hof voor de rechten van de mens (EHRM) en werden er in deze zaak door het Bureau van de procureur-generaal en de rechtbanken geen schendingen van rechten vastgesteld.

De procureur-generaal heeft bij het Europees Parlement een verzoek ingediend om opheffing van de immuniteit van Rolandas Paksas, om hem in staat van beschuldiging te kunnen stellen, hem als verdachte te kunnen horen, vrijheidsbenemende maatregelen overeenkomstig Litouws recht tegen hem te kunnen nemen en de procedure tegen hem te kunnen voortzetten, met als doel in deze zaak een rechterlijke beslissing te verkrijgen overeenkomstig nationaal recht.

Rolandas Paksas is van oordeel dat zijn parlementaire immuniteit niet moet worden opgeheven. Hij is van mening dat het vooronderzoek met betrekking tot de vermeende steekpenningen en het verzoek van de procureur-generaal bedoeld zijn om de politieke vervolging die al in 2004 tegen hem is ingesteld te rechtvaardigen en voort te zetten. Een uitspraak van het EHRM, een besluit van de VN-Commissie voor de rechten van de mens en drie klachten van de Raad van ministers met betrekking tot deze vervolging worden door Litouwen genegeerd.

Rolandas Paksas is voorts van mening dat het besluit om hem als getuige te horen in strijd is met het Litouwse wetboek van strafrecht en andere wettelijke bepalingen, en wel om de volgende redenen: hij stond thuis en tijdens autoritten onder surveillance; hij en zijn advocaat zijn in Vilnius gevolgd; de autoriteiten hebben de media betrokken bij de surveillance en er zijn dus operationele handelingen uitgevoerd door niet bevoegde personen; rechtshandhavingsinstanties en de geheime dienst worden in Litouwen ingezet voor politieke doelen van de staat, hetgeen in deze zaak blijkt uit het feit dat een van de belangrijkste andere verdachten in deze omkopingszaak een belangrijke aandeelhouder en de hoofdredacteur is van een Litouwse mediagroep die uitvoerig verslag heeft uitgebracht van de afzettingsprocedure tegen de Litouwse president.

Rolandas Paksas stelt zich op het standpunt dat de autoriteiten van de Europese Unie niet over de mogelijkheden en mechanismen beschikken om de mensenrechten, burgerlijke en politieke vrijheden, de rechtsstaat en de democratische beginselen in een land als Litouwen, dat deze waarden niet eerbiedigt, te waarborgen. Hij is van oordeel dat er nu een poging wordt gedaan om het Europees Parlement te betrekken bij zijn politieke vervolging, een proces dat al meer dan tien jaar loopt.

II.  HET RECHT

a)  Europees recht

Protocol nr. 7 betreffende de voorrechten en immuniteiten van de Europese Unie, gehecht aan het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie

"Artikel 9

Tijdens de zittingsduur van het Europees Parlement genieten de leden:

a) op hun eigen grondgebied, de immuniteiten welke aan de leden van de volksvertegenwoordiging in hun land zijn verleend,

b) op het grondgebied van elke andere lidstaat, vrijstelling van aanhouding en gerechtelijke vervolging in welke vorm ook.

De immuniteit beschermt hen eveneens, wanneer zij zich naar de plaats van de bijeenkomst van het Europees Parlement begeven of daarvan terugkeren.

Op deze immuniteit kan geen beroep worden gedaan in geval van ontdekking op heterdaad, terwijl zij evenmin kan verhinderen dat het Europees Parlement het recht uitoefent de immuniteit van een van zijn leden op te heffen."

Akte van 20 september 1976 betreffende de verkiezing van de leden van het Europees Parlement door middel van rechtstreekse algemene verkiezingen

"Artikel 6, lid 2

De leden van het Europees Parlement genieten de voorrechten en immuniteiten die op hen van toepassing zijn uit hoofde van het Protocol van 8 april 1965 betreffende de voorrechten en immuniteiten van de Europese Gemeenschappen.

b)  Litouws recht

Grondwet van de Republiek Litouwen

"Artikel 62

De persoon van een lid van de Seimas is onschendbaar.

Een lid van de Seimas mag zonder de instemming van de Seimas niet strafrechtelijk verantwoordelijk worden gesteld, niet worden aangehouden en evenmin op andere wijze in zijn vrijheid worden beknot.

Een lid van de Seimas mag niet worden vervolgd om het uitbrengen van zijn stem of zijn uitspraken in de Seimas. Hij kan echter wel wegens belediging of smaad volgens de daarvoor geldende procedure strafrechtelijk aansprakelijk worden gesteld."

Wet betreffende de status en de arbeidsvoorwaarden van de Litouwse leden van het Europees Parlement

"Artikel 4 - Immuniteit van een lid van het Europees Parlement

De leden van het Europees Parlement genieten op het grondgebied van de Republiek Litouwen dezelfde persoonlijke immuniteit als de leden van de Seimas van de Republiek Litouwen, tenzij in EU-wetgeving anders is bepaald."

Reglement van orde van de Seimas van de Republiek Litouwen

"Artikel 22 - Immuniteit van een lid van de Seimas

1. De persoon van een lid van de Seimas is onschendbaar.

2. Een lid van de Seimas mag niet worden vervolgd om het uitbrengen van zijn stem of zijn uitspraken in de Seimas, dat wil zeggen in de vergaderingen van de Seimas, en in de comités, commissies en fracties van de Seimas. Hij kan echter wel wegens belediging of smaad volgens de daarvoor geldende procedure strafrechtelijk aansprakelijk worden gesteld.

3. Tegen een lid van de Seimas kan geen strafvervolging worden ingesteld, hij kan zonder de instemming van de Seimas niet worden aangehouden en kan niet worden onderworpen aan andere beperkingen van zijn persoonlijke vrijheid, behalve in gevallen waarin hij op heterdaad wordt betrapt. In dergelijke gevallen dient de procureur-generaal de Seimas daarvan onverwijld op de hoogte te stellen."

III.  ALGEMENE OVERWEGINGEN EN MOTIVERING VAN HET VOORGESTELDE BESLUIT

Het is aan de autoriteiten van de lidstaat om zich uit te spreken over de vraag of een lid van het Europees Parlement, met betrekking tot wie er een verzoek om opheffing van de immuniteit is ingediend, al dan niet schuldig is en over de vraag of vervolging op nationaal niveau wenselijk is. Het Europees Parlement buigt zich niet over deze vragen, maar beoordeelt slechts of er belemmeringen zijn voor een dergelijke nationale procedure die voortvloeien uit de noodzaak om de onafhankelijkheid van het Europees Parlement te waarborgen.

Bovendien spreekt het Europees zich in het kader van immuniteitskwesties niet uit over de merites van het nationale rechtsstelsel of het nationale gerechtelijk apparaat van de lidstaten. Vermeende tekortkomingen in nationale gerechtelijke systemen kunnen niet fungeren als rechtvaardiging voor een besluit om de immuniteit van een lid niet op te heffen of te verdedigen.

Indien de betrokken vervolging geen betrekking heeft op een mening of een stem die een lid in uitoefening van zijn ambt heeft geuit resp. uitgebracht, dient de immuniteit te worden opgeheven, tenzij blijkt dat met de vervolging wordt beoogd schade toe te brengen aan de politieke activiteit van een lid en dus aan de onafhankelijkheid van het Parlement (fumus persecutionis).

In onderhavig geval verzoekt de procureur-generaal om opheffing van de immuniteit van Rolandas Paksas, om verdere procedurele maatregelen te kunnen nemen in het kader van een strafrechtelijke procedure overeenkomstig nationaal recht.

De Commissie juridische zaken heeft op basis van de door dhr. Paksas en de procureur-generaal van Litouwen verstrekte informatie niet kunnen vaststellen dat deze maatregelen strekken tot politieke vervolging van betrokkene.

IV.  CONCLUSIE

In het licht van bovenstaande en overeenkomstig artikel 9, lid 3, van het Reglement en na alle argumenten voor en tegen grondig te hebben bestudeerd, beveelt de Commissie juridische zaken het Europees Parlement aan de parlementaire immuniteit van Rolandas Paksas op te heffen.


INFORMATIE OVER DE GOEDKEURINGIN DE TEN PRINCIPALE BEVOEGDE COMMISSIE

Datum goedkeuring

12.6.2017

 

 

 

Uitslag eindstemming

+:

–:

0:

13

3

1

Bij de eindstemming aanwezige leden

Joëlle Bergeron, Jean-Marie Cavada, Laura Ferrara, Lidia Joanna Geringer de Oedenberg, Mary Honeyball, Sajjad Karim, Sylvia-Yvonne Kaufmann, Gilles Lebreton, António Marinho e Pinto, Emil Radev, Julia Reda, Evelyn Regner, Pavel Svoboda, Axel Voss

Bij de eindstemming aanwezige vaste plaatsvervangers

Antanas Guoga, Heidi Hautala, Virginie Rozière, Kosma Złotowski

Juridische mededeling - Privacybeleid