Procedure : 2017/2043(BUD)
Stadium plenaire behandeling
Documentencyclus : A8-0249/2017

Ingediende teksten :

A8-0249/2017

Debatten :

PV 04/07/2017 - 16
CRE 04/07/2017 - 16

Stemmingen :

PV 05/07/2017 - 8.10
Stemverklaringen

Aangenomen teksten :

P8_TA(2017)0302

VERSLAG     
PDF 894kWORD 115k
30.6.2017
PE 605.968v02-00 A8-0249/2017

over het mandaat voor de trialoog over de ontwerpbegroting 2018

(2017/2043(BUD))

Begrotingscommissie

Rapporteur: Siegfried Mureşan

ONTWERPRESOLUTIE VAN HET EUROPEES PARLEMENT
 BIJLAGE: GEZAMENLIJKE VERKLARING OVER DE DATA VOOR DE BEGROTINGSPROCEDURE EN REGELS VOOR DE WERKING VAN HET BEMIDDELINGSCOMITÉ IN 2018
 ADVIES van de Commissie werkgelegenheid en sociale zaken
 ADVIES van de Commissie interne markt en consumentenbescherming
 ADVIES van de Commissie landbouw en plattelandsontwikkeling
 ADVIES van de Commissie cultuur en onderwijs
 ADVIES van de Commissie rechten van de vrouw en gendergelijkheid
 BIJLAGE: BRIEF VAN DE COMMISSIE BUITENLANDSE ZAKEN
 BIJLAGE: BRIEF VAN DE COMMISSIE INTERNATIONALE HANDEL
 BIJLAGE: BRIEF VAN DE COMMISSIE BEGROTINGSCONTROLE
 BIJLAGE: BRIEF VAN DE COMMISSIE MILIEUBEHEER, VOLKSGEZONDHEID EN VOEDSELVEILIGHEID
 BIJLAGE. BRIEF VAN DE COMMISSIE INDUSTRIE, ONDERZOEK EN ENERGIE
 BIJLAGE. BRIEF VAN DE COMMISSIE VISSERIJ
 BIJLAGE. BRIEF VAN DE COMMISSIE BURGERLIJKE VRIJHEDEN, JUSTITIE EN BINNENLANDSE ZAKEN
 BIJLAGE: BRIEF VAN DE COMMISSIE CONSTITUTIONELE ZAKEN
 INFORMATIE OVER DE GOEDKEURINGIN DE TEN PRINCIPALE BEVOEGDE COMMISSIE
 HOOFDELIJKE EINDSTEMMING IN DE TEN PRINCIPALE BEVOEGDE COMMISSIE

ONTWERPRESOLUTIE VAN HET EUROPEES PARLEMENT

over het mandaat voor de trialoog over de ontwerpbegroting 2018

(2017/2043(BUD))

Het Europees Parlement,

–  gezien artikel 314 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien artikel 106 bis van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie,

–  gezien het ontwerp van algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2018, goedgekeurd door de Commissie op 30 mei 2017 (COM(2017)0000),

–  gezien Verordening (EU, Euratom) nr. 966/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 25 oktober 2012 tot vaststelling van de financiële regels van toepassing op de algemene begroting van de Unie en tot intrekking van Verordening (EG, Euratom) nr. 1605/2002(1),

–  gezien Verordening (EU, Euratom) nr. 1311/2013 van de Raad van 2 december 2013 tot bepaling van het meerjarig financieel kader voor de jaren 2014-2020(2),

–  gezien het Interinstitutioneel Akkoord van 2 december 2013 tussen het Europees Parlement, de Raad en de Commissie betreffende de begrotingsdiscipline, de samenwerking in begrotingszaken en een goed financieel beheer(3),

–  gezien zijn resolutie van 15 maart 2017 over de algemene richtsnoeren voor de voorbereiding van de begroting 2018, afdeling III – Commissie(4),

–  gezien de conclusies van de Raad van 21 februari 2017 betreffende de begrotingsrichtsnoeren voor 2018 (06522/2017),

–  gezien artikel 86 bis van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Begrotingscommissie en de adviezen van de overige betrokken commissies (A8‑0249/2017),

Ontwerpbegroting 2018: resultaten behalen op het vlak van groei, banen en veiligheid

1.  brengt in herinnering dat het Parlement in zijn resolutie van 15 maart 2017 heeft bevestigd dat duurzame groei, fatsoenlijke, hoogwaardige en stabiele banen, sociaaleconomische cohesie, veiligheid, migratie en de klimaatverandering de voornaamste onderwerpen en prioriteiten zijn voor de EU-begroting 2018;

2.  is van mening dat het voorstel van de Commissie in het algemeen een goed uitgangspunt is voor de onderhandelingen die dit jaar worden gevoerd, aangezien de EU-begroting voor 2018 de EU in staat moet stellen voor duurzame groei en banen te blijven zorgen en tegelijk de veiligheid van haar inwoners te garanderen en de migratieproblemen aan te pakken; betreurt dat het voorstel van de Commissie niet volledig aansluit bij het verzoek van het Parlement om te voorzien in maatregelen om de klimaatverandering tegen te gaan;

3.  is ingenomen met het besluit van de Commissie om de resultaten van de tussentijdse herziening van het meerjarig financieel kader (MFK) 2014‑2020 in de ontwerpbegroting op te nemen nog voordat deze officieel door de Raad is goedgekeurd, en zo een duidelijk signaal te geven omtrent het belang van deze herziening van het MFK en de noodzaak van meer flexibiliteit in de EU-begroting, waarmee de Unie efficiënt zou kunnen reageren op nieuwe noodgevallen en haar politieke prioriteiten doeltreffend zou kunnen financieren;

4.  herhaalt zijn vaste overtuiging dat het stimuleren van investeringen in onderzoek, innovatie, infrastructuur, onderwijs en kmo's essentieel is om duurzame groei en nieuwe, stabiele en hoogwaardige werkgelegenheid te creëren in de EU; verheugt zich in dit verband over de voorgestelde versterkingen van Horizon 2020, de financieringsfaciliteit voor Europese verbindingen (CEF: Connecting Europe Facility) en Erasmus+, aangezien deze programma's rechtstreeks zullen bijdragen tot het verwezenlijken van de gestelde doelen; is echter van mening dat verdere versterkingen noodzakelijk zullen zijn, met name gezien de bezuinigingen op de financiering van deze beleidslijnen, die ten goede komen aan de EFSI-financiering;

5.  herinnert aan de sleutelrol die kmo's spelen op het gebied van nieuwe werkgelegenheid en het verkleinen van de investeringskloof, en benadrukt dat de passende financiering van kmo's een van de belangrijkste prioriteiten van de EU-begroting moet blijven vormen; betreurt in dit opzicht dat de voorgestelde toewijzing van middelen aan COSME 2,9 % lager is dan in de begroting 2017 en is voornemens het programma verder te versterken in de begroting 2018; wijst op de noodzaak van verdere ondersteuning van kmo's, en roept op tot de volledige naleving van de financiële verplichtingen van het programma in het kader van het resterende deel van de huidige MFK-periode; is ingenomen met de inspanningen van de Commissie om de financiering van kmo's te stroomlijnen binnen Horizon 2020;

6.  looft de rol van het Europees Fonds voor strategische investeringen (EFSI) bij het dichten van de investeringskloof in de EU en tussen de EU-regio's onderling, en bij het helpen bij de uitvoering van strategische investeringen met een hoge economische, milieugerelateerde en maatschappelijke toegevoegde waarde; is daarom voorstander van de verlenging van het EFSI tot 2020; wijst op het hoge tempo waarin gebruik is gemaakt van middelen in het kader van het venster kmo's van het EFSI en is verheugd over de voorgenomen schaalvergroting; betreurt het ontbreken van een holistische benadering van kmo-financiering op basis waarvan een duidelijk overzicht van alle beschikbare middelen zou kunnen worden verkregen; onderstreept zijn standpunt in de lopende wetgevingsonderhandelingen, volgens welke de middelen voor de bestaande EU-programma's niet opnieuw mogen worden verlaagd om deze verlenging te financieren; is van mening dat het EFSI, met een garantiefonds dat grotendeels wordt gefinancierd vanuit de EU-begroting, niet mag worden ingezet ter ondersteuning van entiteiten die zijn opgericht of een rechtspersoonlijkheid hebben in rechtsgebieden die zijn opgenomen in de EU-lijst van niet-coöperatieve rechtsgebieden of waar de Europese of internationale belastingnormen inzake transparantie en uitwisseling van informatie niet worden nageleefd;

7.  neemt kennis van en is ingenomen met de EU-initiatieven op het vlak van defensieonderzoek en ontwikkeling en verwerving van technologie, die zullen bijdragen tot schaalvoordelen in de sector en tot meer coördinatie tussen de lidstaten, en, mits op de juiste manier ontwikkeld, tot rationelere defensie-uitgaven en besparingen op nationaal niveau; benadrukt voorts dat het concurrentie- en innovatievermogen van de Europese defensie-industrie moet worden vergroot; verwijst naar zijn eerdere standpunt dat nieuwe initiatieven op dit gebied met bijkomende middelen moeten worden gefinancierd en niet ten koste mogen gaan van bestaande programma's, waaronder de CEF;

8.  constateert dat de Commissie niet is ingegaan op het verzoek van het Parlement om een beoordeling uit te voeren van en aangepaste voorstellen te doen voor een "Interrailpas voor Europa op de achttiende verjaardag"; is van mening dat dergelijke voorstellen het Europese bewustzijn en de Europese identiteit kunnen versterken; benadrukt evenwel dat nieuwe projecten moeten worden gefinancierd met nieuwe financiële middelen, zonder dat dit gevolgen heeft voor bestaande programma's, en dat nieuwe projecten zo sociaal inclusief mogelijk moeten zijn; dringt bij de Commissie nogmaals aan op gepaste voorstellen hieromtrent;

9.  is verheugd dat in de ontwerpbegroting 2018 bijkomende middelen worden toegekend aan het jongerenwerkgelegenheidsinitiatief (YEI), waarmee gehoor wordt gegeven aan eerdere oproepen van het Parlement om dit programma voort te zetten; neemt tegelijk kennis van het voorstel voor het ontwerp van gewijzigde begroting nr. 3/2017, waarin aan het YEI 500 miljoen EUR aan vastleggingen wordt toegekend, zoals overeengekomen door het Parlement en de Raad tijdens het begrotingsoverleg 2017; is ervan overtuigd dat de voorgestelde bedragen verre van voldoende zijn om de doelstellingen van het YEI te verwezenlijken en is van mening dat het YEI, om de jongerenwerkloosheid doeltreffend aan te pakken, zal moeten blijven bijdragen tot de prioritaire doelstelling van de Unie inzake groei en werkgelegenheid; benadrukt dat de jongerenwerkloosheid in de Unie doeltreffend moet worden aangepakt en beklemtoont dat het YEI verder kan worden verbeterd en efficiënter kan worden gemaakt, onder meer door ervoor te zorgen dat het initiatief daadwerkelijke Europese toegevoegde waarde oplevert ten aanzien van het werkgelegenheidsbeleid voor jongeren in de lidstaten en niet wordt ingezet ter vervanging van voormalig nationaal beleid;

10.  brengt in herinnering dat het cohesiebeleid een belangrijke rol speelt bij de ontwikkeling en groei van de EU; benadrukt dat de cohesiebeleidsprogramma's in 2018 naar verwachting een inhaalslag zullen maken en op kruissnelheid zullen komen; benadrukt dat het Parlement vast voornemens is om voor gepaste kredieten te zorgen voor deze programma's die deel uitmaken van het kernbeleid van de EU; maakt zich evenwel zorgen over de onaanvaardbare vertraging bij de tenuitvoerlegging van operationele programma's op nationaal niveau; vraagt de lidstaten ervoor te zorgen dat de aanwijzing van autoriteiten voor beheer, controle en certificering wordt afgerond en dat de tenuitvoerlegging wordt versneld; erkent dat de langdurige onderhandelingen over de rechtsgronden ertoe hebben geleid dat de betrokken EU-instellingen mede verantwoordelijk zijn voor de lage uitvoeringsgraad; merkt op dat enkele lidstaten cohesiefondsen beschouwen als een instrument waarmee de solidariteit in alle beleidsmaatregelen van de Unie kan worden gewaarborgd;

11.  is met name bezorgd over een mogelijke nieuwe ophoping van onbetaalde rekeningen aan het eind van de huidige MFK-periode en wijst erop dat de achterstallige betalingen eind 2014 waren opgelopen tot een ongekend bedrag van 24,7 miljard EUR; is ingenomen met het feit dat de Commissie, ter gelegenheid van de tussentijdse herziening van het MFK, voor het eerst in een prognose tot 2020 heeft voorzien, maar benadrukt dat die elk jaar naar behoren moet worden bijgewerkt om de begrotingsautoriteit de mogelijkheid te geven de noodzakelijke maatregelen tijdig te treffen; waarschuwt voor de nadelige gevolgen die een nieuwe betalingscrisis zou hebben, met name voor begunstigden van de EU-begroting; is ervan overtuigd dat de geloofwaardigheid van de EU voor een deel afhangt van haar capaciteit om voor een niveau van betalingskredieten in de EU-begroting te zorgen dat hoog genoeg is om haar verbintenissen na te kunnen komen; wijst op de schadelijke gevolgen die late betalingen hebben voor de private sector, en met name voor kmo's die overeenkomsten hebben met overheidsinstellingen;

12.  benadrukt hoe belangrijk het is om uitvoering te geven aan de toezegging van de EU tot verwezenlijking van de doelstellingen van COP21, met name in het licht van het recente besluit van de Amerikaanse overheid om zich uit de overeenkomst terug te trekken; onderstreept in dit verband dat de kans groot is dat de doelstelling om ten minste 20 % van de EU-begroting in het kader van het MFK 2014-2020 te bestemmen voor klimaatgerelateerde maatregelen, niet zal worden gehaald; stelt bezorgd vast dat de begroting voor biodiversiteit met slechts 0,1 % is gestegen; wijst op het belang dat in de EU-begroting moet worden gehecht aan de bescherming van de biodiversiteit, en herhaalt zijn eerdere oproep tot een traceringssysteem waarin rekening wordt gehouden met alle aan biodiversiteit gerelateerde uitgaven en de doeltreffendheid hiervan; benadrukt bovendien dat door de EU gefinancierde projecten geen negatieve gevolgen mogen hebben voor de mitigatie van de klimaatverandering of voor de overgang naar een circulaire, koolstofarme economie;

13.  onderstreept dat de ongekende toevlucht tot bijzondere instrumenten bewijst dat de EU‑begroting oorspronkelijk niet berekend was op vraagstukken zoals de huidige migratie- en vluchtelingencrisis; meent dat het voorbarig is om over te schakelen op een post-crisisbenadering; is derhalve gekant tegen de voorgestelde verlagingen in rubriek 3 ten opzichte van de begroting 2017, die niet in overeenstemming zijn met de verbintenis van de EU om de migratie- en vluchtelingencrisis op doeltreffende wijze het hoofd te bieden; benadrukt echter dat een eerste reactie op een dringende en niet eerder voorgekomen situatie, gevolgd moet worden door een meer systematische en proactieve aanpak met effectieve gebruikmaking van de EU-begroting; herhaalt dat de beveiliging en veiligheid van burgers een prioriteit is van de EU;

14.  herhaalt dat het aanpakken van de onderliggende oorzaken van de migratie- en vluchtelingencrisis in combinatie met de stabilisering van de toestand in de buurlanden van de EU een langetermijnoplossing betreft en dat investeringen in de landen van oorsprong van migranten en vluchtelingen hiertoe essentieel zijn; is in dit opzicht ingenomen met het plan voor externe investeringen (EIP) en wenst dat de instellingen snel overeenstemming bereiken over het Europees Fonds voor duurzame ontwikkeling (EFDO) en het fonds op korte termijn ten uitvoer leggen; is dan ook verrast over de verlagingen in rubriek 4, die niet geheel kunnen worden gerechtvaardigd door begrotingsverhogingen uit het verleden of een lage uitvoeringsgraad; herhaalt dat het aanpakken van de onderliggende oorzaken van migratie onder meer, maar niet uitsluitend, betrekking heeft op kwesties als armoede, werkloosheid, onderwijs en economische kansen, alsook op instabiliteit, conflicten en de klimaatverandering;

15.  is ingenomen met de voorgestelde verhoging voor de oostelijke component van het instrument voor het Europees nabuurschapsbeleid, waarmee gehoor wordt gegeven aan eerdere verzoeken van het Parlement; is van mening dat de steun van de EU, met name in landen die associatieovereenkomsten hebben ondertekend, van cruciaal belang is om de economische integratie en convergentie met de EU te bevorderen, evenals de democratie, de rechtsstaat en de mensenrechten in de oostelijke buurlanden van de EU; benadrukt dat dergelijke steun van toepassing moet zijn zolang de betrokken landen aan de subsidiabiliteitscriteria voldoen, met name met betrekking tot de rechtsstaat, de bestrijding van corruptie en de versterking van de democratische instellingen;

16.  merkt op dat in de rubrieken 1, 3 en 4 van de ontwerpbegroting 2018 bijzonder weinig of zelfs geen enkele marge beschikbaar is onder de MFK-maxima; beschouwt dit als een gevolg van de belangrijke nieuwe initiatieven die sinds 2014 zijn genomen (het EFSI, migratiegerelateerde voorstellen, en recentelijk defensieonderzoek en het Europees Solidariteitskorps) en die zijn ingepast binnen de in 2013 overeengekomen MFK-maxima; brengt in herinnering dat het MFK, met name na de tussentijdse herziening ervan, voorziet in bepalingen – weliswaar beperkt – voor flexibiliteit, die zo veel mogelijk moeten worden benut om het ambitieniveau van succesvolle programma's te handhaven en nieuwe en onvoorziene uitdagingen het hoofd te bieden; geeft uiting aan het voornemen van het Parlement om deze flexibiliteitsbepalingen te blijven gebruiken tijdens de amenderingsprocedure; verzoekt nogmaals om de invoering van een systeem van nieuwe echte en eigen middelen in de EU-begroting;

17.  wijst in dit verband op de talrijke verwijzingen in de ontwerpbegroting naar de noodzaak van een nota van wijzigingen die het standpunt van het Parlement in de begrotingsprocedure deels kan vervangen; stelt vast dat de Commissie heeft aangekondigd dat eventuele nieuwe initiatieven op het vlak van veiligheid en migratie en een mogelijke uitbreiding van de Faciliteit voor vluchtelingen in Turkije (FRT) kunnen worden voorgesteld in de vorm van een nota van wijzigingen, en betreurt dat zij deze voorstellen niet meteen in de ontwerpbegroting heeft opgenomen; vraagt de Commissie met klem om tijdig details over deze verwachte voorstellen te verstrekken, zodat de begrotingsautoriteit ze naar behoren kan bestuderen; benadrukt dat deze eventuele voorstellen de in de context van deze begrotingsprocedure door het Parlement gedane verzoeken en amendementen niet buiten beschouwing mogen laten en zeker niet mogen vervangen;

18.  herhaalt zijn steun voor de tenuitvoerlegging van de "resultaatgerichte EU-begroting" van de Commissie en dringt aan op aanhoudende verbetering van de kwaliteit en aanlevering van prestatiegegevens teneinde nauwkeurige, duidelijke en begrijpelijke informatie te verkrijgen inzake de resultaten van de EU-programma's;

Subrubriek 1a – Concurrentievermogen voor groei en banen

19.  merkt op dat het voorstel van de Commissie voor 2018 in vergelijking met 2017 overeenkomt met een verhoging van de vastleggingskredieten onder rubriek 1a met 2,5 %, naar 21 841,3 miljoen EUR; is verheugd dat een groot deel van deze verhoging betrekking heeft op Horizon 2020, de CEF en Erasmus+, waarvoor de vastleggingskredieten namelijk met respectievelijk 7,3 %, 8,7 % en 9,5 % worden verhoogd, maar stelt vast dat de bedragen in kwestie toch nog enigszins lager liggen dan de financiële programmering van Horizon 2020, de CEF en Erasmus+; wijst in het bijzonder op de zeer lage succespercentages waar het aanvragen voor Horizon 2020 betreft;

20.  toont zich evenwel verbaasd over de verlaging van de vastleggings- en betalingskredieten voor COSME met respectievelijk 2,9 % en 31,3 %, hoewel steun aan kmo's als één van de topprioriteiten van de EU wordt beschouwd;

21.  herhaalt, voor wat de verlenging van het EFSI betreft, dat het Parlement gekant is tegen verdere besparingen op de CEF, en is van mening dat de aan de EU-garantie toegewezen aanvullende 1,1 miljard EUR uitsluitend afkomstig mag zijn uit niet-toegewezen marges (voor een bedrag van 650 miljoen EUR) en verwachte positieve netto-inkomsten (voor een bedrag van 450 miljoen EUR); wijst erop dat de enveloppe voor de CEF (onderdeel ICT) ook de middelen voor het nieuwe initiatief Wifi4EU omvat; wijst erop dat de CEF-begroting een hoge mate van structurele overintekening kent als gevolg van onvoldoende kredieten, met name ten aanzien van het onderdeel infrastructuur;

22.  neemt kennis van het voorstel van de Commissie voor de oprichting van een Europees Solidariteitskorps (ESK); stelt evenwel bezorgd vast dat in het op 30 mei 2017 goedgekeurde wetgevingsvoorstel ondanks de waarschuwingen van het Parlement wordt overwogen om drie vierde van de begroting van het ESK te financieren met middelen uit bestaande programma's, voornamelijk Erasmus+ (197,7 miljoen EUR); vreest dat dit negatieve gevolgen zal hebben voor de EU-programma's in kwestie en is voornemens Erasmus+ verder te versterken in de begroting voor 2018; herhaalt dat eventuele nieuwe politieke toezeggingen gefinancierd moeten worden uit nieuwe kredieten en niet door middel van de herschikking van bestaande programma's;

23.  is ingenomen met de voorgestelde uitbreiding van de voorbereidende actie inzake defensieonderzoek en met het door de Commissie gepresenteerde wetgevingsvoorstel voor een ontwikkelingsprogramma voor de defensie-industrie;

Subrubriek 1b – Economische, sociale en territoriale samenhang

24.  stelt vast dat de totale vastleggingskredieten voor subrubriek 1b 55 407,9 miljoen EUR bedragen (als het ontwerp van gewijzigde begroting nr. 3 wordt meegerekend), wat neerkomt op een verhoging van 2,4 % in vergelijking met de begroting voor 2017;

25.  stelt vast dat het voorgestelde bedrag van 46 763,5 miljoen EUR aan betalingskredieten 25,7 % hoger is dan in 2017, wat vooral te wijten is aan de daling die in 2017 heeft plaatsgevonden als gevolg van de vertraging bij het daadwerkelijke lanceren van de nieuwe operationele programma's; wijst erop dat onjuiste ramingen van de lidstaten in 2016 tot een aanzienlijke onderbenutting van de betalingskredieten in subrubriek 1b hebben geleid, in een grootteorde van ruim 11 miljard EUR, en stelt vast dat de voorgestelde niveaus voor 2018 sinds de vorige ramingen al met 1,6 miljard EUR naar beneden zijn bijgesteld;

26.  benadrukt dat de tenuitvoerlegging van de programma's 2014-2020 op kruissnelheid moet komen en is er stellig van overtuigd dat een "abnormale" ophoping van onbetaalde rekeningen in de toekomst moet worden voorkomen; doet in dit verband een beroep op de Commissie en de lidstaten om zo snel mogelijk een oplossing te vinden voor hangende kwesties die verband houden met de vertraagde aanwijzing van nationale autoriteiten voor beheer en certificering, alsook voor andere knelpunten inzake de indiening van betalingsaanvragen; hoopt ten zeerste dat zowel de nationale autoriteiten als de Commissie hun ramingen voor de betalingsbehoeften in de begroting 2018 hebben verbeterd en dat het voorgestelde niveau van de betalingskredieten volledig ten uitvoer zal worden gelegd; erkent dat de huidige lage uitvoeringsgraad mede te wijten is aan de lange duur van de door de EU-instellingen gevoerde onderhandelingen over de rechtsgronden;

27.  verheugt zich over het voorstel van de Commissie om het YEI te blijven financieren en neemt kennis van de voorgestelde beschikbaarstelling van 233,3 miljoen EUR uit de overkoepelende marge voor vastleggingen; verzoekt de Commissie en de lidstaten gevolg te geven aan de aanwijzingen in het recente verslag van de Europese Rekenkamer; herinnert eraan dat elke verhoging in de specifieke toewijzing voor het YEI aan het overeenstemmende bedrag uit het Europees Sociaal Fonds (ESF) moet worden gekoppeld; is voornemens alle mogelijkheden te onderzoeken om in de begroting voor 2018 meer middelen toe te kennen aan dit programma;

28.  benadrukt het belang van het Fonds voor Europese hulp aan de meest behoeftigen (FEAD) voor de bestrijding van armoede en sociale uitsluiting en dringt erop aan dat er in de begroting 2018 voldoende middelen worden uitgetrokken om adequaat te kunnen voldoen aan de behoeften van de doelgroepen en aan de doelstellingen van het Fonds;

Rubriek 2 – Duurzame groei: natuurlijke hulpbronnen

29.  neemt kennis van de voorgestelde 59 553,5 miljoen EUR aan vastleggingen (+1,7 % in vergelijking met 2017) en 56 359,8 miljoen EUR aan betalingen (+2,6 %) voor rubriek 2, met als resultaat een marge van 713,5 miljoen EUR onder het maximum voor vastleggingen; stelt vast dat de kredietverhoging ter financiering van de behoeften van het Europees Landbouwgarantiefonds (ELGF) voor 2018 (+2,1 %) vooral het gevolg is van een aanzienlijk lager bedrag aan bestemmingsontvangsten dat naar verwachting in 2018 beschikbaar zal zijn;

30.  merkt op dat de Commissie een marge van 713,5 miljoen EUR heeft voorzien onder de maxima voor rubriek 2; wijst erop dat deze marge gezien de toegenomen volatiliteit van de landbouwmarkten misschien zal moeten worden aangesproken, zoals is gebeurd ten tijde van de crisis in de zuivelsector; vraagt de Commissie zich ervan te vergewissen dat de onder de maxima voorziene marge volstaat om eventuele crisissen het hoofd te bieden;

31.  neemt kennis van de verlenging van buitengewone steunmaatregelen voor bepaalde soorten fruit waarvoor de marktsituatie moeilijk blijft; betreurt echter dat de Commissie geen maatregelen ter ondersteuning van de veeteeltsector heeft voorgesteld, in het bijzonder in de zuivelsector, in verband met het Russische verbod op de invoer van producten uit de EU en verwacht in dit opzicht derhalve een koerswijziging; verwacht dan ook dat als de marge in rubriek 2 wordt aangesproken een deel hiervan wordt toegewezen aan melkveehouders in de landen die het meest te lijden hebben onder het Russische embargo; kijkt uit naar de nota van wijzigingen van de Commissie, die in oktober 2017 wordt verwacht en moet gebaseerd zijn op geactualiseerde informatie over financiering uit het ELGF ter identificatie van de werkelijke behoeften in de landbouwsector, rekening houdend met de gevolgen van het Russische embargo en andere vormen van marktvolatiliteit;

32.  is ingenomen met de verhoging van de vastleggingen voor het Europees Fonds voor maritieme zaken en visserij (EFMZV) (+2,4 %) van het LIFE+-programma (+5,9 %), overeenkomstig de financiële programmering, maar betreurt dat de aanzienlijk verlaagde betalingskredieten erop lijken te wijzen dat beide programma's in de periode 2014-2020 nog altijd maar traag op gang komen;

Rubriek 3 – Veiligheid en burgerschap

33.  neemt kennis van het voorgestelde bedrag van 3,4731 miljard EUR aan vastleggingskredieten voor rubriek 3; benadrukt de noodzaak van gemeenschappelijke, veelomvattende en duurzame oplossingen voor de migratie- en vluchtelingensituatie en de daarmee samenhangende uitdagingen;

34.  is dan ook ingenomen met het voorstel van de Commissie om een aanvullend bedrag van 800 miljoen EUR uit te trekken om veiligheidskwesties aan te pakken, met name naar aanleiding van de reeks terroristische aanslagen in de EU;

35.  is van mening dat het belang en de dringendheid van deze kwesties niet in verhouding is met de aanzienlijke voor rubriek 3 voorgestelde verlagingen van de vastleggings- en betalingskredieten ten opzichte van de begroting 2017 (respectievelijk -18,9 % en -21,7 %), in het bijzonder wat betreft het Fonds voor asiel, migratie en integratie (AMIF), het Fonds voor interne veiligheid (ISF) en het programma Justitie; vraagt dat er voor deze fondsen adequate begrotingsmiddelen worden uitgetrokken; is van mening dat deze verlagingen niet kunnen worden gerechtvaardigd door de vertragingen bij de tenuitvoerlegging van de overeengekomen maatregelen en de vaststelling van de nieuwe wetgevingsvoorstellen; vraagt de Commissie daarom ervoor te zorgen dat er voldoende begrotingsmiddelen worden uitgetrokken en dat eventuele extra behoeften snel in aanmerking worden genomen;

36.  is er voorts van overtuigd dat de samenwerking tussen de lidstaten in veiligheidsgerelateerde kwesties middels meer steun uit de EU-begroting nog kan worden verbeterd; vraagt zich af hoe deze doelstelling kan worden bereikt als de middelen voor de betreffende begrotingslijnen van het ISF aanzienlijk lager zijn dan in 2017; benadrukt dat de nodige middelen moeten worden vrijgemaakt voor de invoering van de voorgestelde nieuwe informatie- en grenssystemen, zoals het Europese Systeem voor reisinformatie en ‑autorisatie (Etias) en het inreis- en uitreissysteem;

37.  meent dat 2018 een spiljaar wordt voor de totstandkoming van de Europese migratieagenda, waarvan verscheidene essentiële onderdelen momenteel worden uitgewerkt; benadrukt dat de begrotingsimpact van een aantal op tafel liggende wetgevingsvoorstellen, zoals de hervorming van het gemeenschappelijk asielstelsel van Dublin, het nieuwe inreis- en uitreissysteem en het Etias-systeem, alsook de mogelijke vertraagde goedkeuring van deze voorstellen, zorgvuldig moeten worden onderzocht; benadrukt hoe belangrijk het is adequate financiering uit te trekken om de ambitie van de Unie in dit verband waar te maken en snel een doeltreffend Europees asiel- en migratiebeleid in te voeren, met volledige inachtneming van het internationaal recht en op basis van solidariteit tussen de lidstaten;

38.  wijst erop dat in het voorstel van de Commissie voor het derde opeenvolgende jaar in geen enkele marge is voorzien onder het maximum voor rubriek 3, hetgeen aantoont dat de omvang van de kleinste MFK-rubriek niet meer aan de realiteit beantwoordt, zoals het Parlement bij de tussentijdse herziening van het MFK aanvoerde; verheugt zich in deze context over het voorstel van de Commissie om een bedrag van 817 miljoen EUR aan vastleggingskredieten beschikbaar te stellen uit het flexibiliteitsinstrument, wat alleen mogelijk is dankzij de aanvullende flexibiliteit waarin met de herziene MFK-verordening wordt voorzien; wijst erop dat het uitgavenniveau nog altijd ontoereikend is en betreurt dat de Commissie een eventueel nieuw voorstel heeft uitgesteld tot een toekomstige nota van wijzigingen;

39.  herinnert eraan dat het Parlement cultuur- en mediaprogramma's altijd sterk heeft gesteund; is ingenomen met de voorgestelde verhogingen in vergelijking met de begroting 2017 voor het programma Creatief Europa, inclusief het Europees Jaar van het Cultureel Erfgoed onder "Multimedia-acties"; dringt voorts aan op voldoende financiering voor het programma "Europa voor de burger"; verzoekt de Commissie initiatieven in het kader van de begrotingslijn "multimedia-acties" aan een beoordeling te onderwerpen om ervoor te zorgen dat de begroting daadwerkelijk een kwalitatief hoogwaardige en onafhankelijke berichtgeving over de EU ten goede komt; spreekt nogmaals zijn steun uit voor een duurzame meerjarige financieringsregeling voor Euranet+; waardeert tevens de verhoging van de vastleggingskredieten voor het programma Levensmiddelen en diervoeders en het Consumentenprogramma ten opzichte van de begroting 2017; benadrukt tot slot het belang van een solide Gezondheidsprogramma en een passend budget ten behoeve van Europese samenwerking op gezondheidsgebied, met inbegrip van aspecten als nieuwe innovaties in de gezondheidszorg, ongelijkheid op gezondheidsniveau, het hoge aantal chronisch zieken, antimicrobiële resistentie, grensoverschrijdende gezondheidszorg en toegang tot gezondheidszorg;

Rubriek 4 – Europa als wereldspeler

40.  betreurt de algemene verlaging van de financiering voor rubriek 4 ten bedrage van 9,6 miljard EUR aan vastleggingskredieten (-5,6 % in vergelijking met de begroting 2017); stelt vast dat de verlagingen in de belangrijkste instrumenten in rubriek 4 grotendeels verband houden met in de begroting 2017 goedgekeurde verhogingen voor de FRT en het nieuwe partnerschapskader in het kader van de Europese migratieagenda;

41.  is van mening dat de omvang van de besparingen voor het instrument voor ontwikkelingssamenwerking (DCI) en het Europees nabuurschapsinstrument (ENI), in het bijzonder de zuidelijke component daarvan, niet gerechtvaardigd is in het licht van het op langere termijn noodzakelijke EU-optreden inzake migratie, dat verder gaat dan de migratieakkoorden uit hoofde van het partnerschapskader en de inspanningen van de EU op het vlak van internationale ontwikkeling; vraagt in dit verband dat er meer financiële middelen worden uitgetrokken voor het vredesproces en financiële bijstand aan Palestina en de UNRWA; herinnert eraan hoe belangrijk het is voldoende middelen uit te trekken voor de zuidelijke buurlanden van de EU, aangezien stabiliteit in het Midden-Oosten van cruciaal belang is voor het aanpakken van de onderliggende oorzaken van migratie;

42.  is niettemin ingenomen met de voorgestelde verhogingen voor de oostelijke component van het ENI, die zullen bijdragen tot de ondersteuning van democratische hervormingen en economische integratie met de EU, met name in de landen die associatieovereenkomsten met de EU hebben gesloten;

43.  neemt nota van de verhoogde steun voor politieke hervormingen in Turkije (IPA II), in het bijzonder in de context van de achteruitgang op het vlak van de rechtsstaat, de vrijheid van meningsuiting en de grondrechten in het land; vraagt dat de Commissie de pretoetredingssteun op te schorten indien de toetredingsonderhandelingen worden opgeschort, en dat die middelen in dat geval worden gebruikt om het maatschappelijk middenveld in Turkije rechtstreeks te steunen en meer te investeren in uitwisselingsprogramma's voor studenten, academici en journalisten, zoals Erasmus+; verwacht dat er voldoende financiële middelen worden vrijgemaakt voor IPA-begunstigden in de Westelijke Balkan, waar dringend financiële ondersteuning voor hervormingen nodig is;

44.  is, gezien het belang van hoger onderwijs voor de hervormingsprocessen in partnerlanden, van mening dat mobiliteit van studenten en academische samenwerking tussen de EU en haar buurlanden aanhoudend gesteund moet worden; betreurt derhalve de verlaging van de kredieten voor technische en financiële bijstand in het kader van de drie externe financiële instrumenten (IPA, ENI en DCI) ter bevordering van de internationale dimensie van het hoger onderwijs bij de uitvoering van het programma Erasmus+;

45.  neemt kennis van het voorstel van de Commissie om te voorzien in een marge van 232 miljoen EUR onder het maximum; is ervan overtuigd dat de uitdagingen waarmee de EU in haar buitenlands optreden wordt geconfronteerd, langdurige financiering noodzakelijk maken, op een niveau dat de huidige omvang van rubriek 4 overschrijdt; brengt in herinnering dat de marge voor onvoorziene uitgaven in de begroting 2017 is gebruikt om financiering boven het maximum mogelijk te maken; blijft erbij dat nieuwe initiatieven met nieuwe kredieten moeten worden gefinancierd en dat alle mogelijkheden voor flexibiliteit binnen de in het kader van de MFK-herziening vastgelegde grenzen ten volle moeten worden gebruikt;

46.  vraagt de Commissie, die herhaaldelijk verwijst naar een mogelijke verlenging van de faciliteit voor vluchtelingen in Turkije, een echt voorstel voor de verlenging ervan voor te leggen indien zij van plan is dit te doen; herhaalt dat het Parlement, de Raad en de Commissie zich ertoe hebben verbonden ervoor te zorgen dat de oprichting van de FRT en van de trustfondsen op transparante en duidelijke wijze gebeurt en in overeenstemming is met het beginsel van eenheid van de begroting van de Unie, met inachtneming van de prerogatieven van de begrotingsautoriteit, met inbegrip van parlementaire controle; roept de lidstaten nogmaals met klem op hun verbintenissen ten aanzien van de financiering van de FRT en de trustfondsen tijdig na te komen;

47.  sluit zich onvoorwaardelijk aan bij de toezeggingen die de EU tijdens de conferentie over Syrië in Brussel heeft gedaan, die een bevestiging vormen van haar eerdere toezeggingen in Londen; stemt in met de versterking van het ENI en van de humanitaire hulpverlening met telkens 120 miljoen EUR om deze toezeggingen te kunnen nakomen;

Rubriek 5 – Administratie

48.  stelt vast dat de uitgaven van rubriek 5 ten opzichte van de begroting 2017 met 3,1 % zijn verhoogd, tot 9,6824 miljard EUR (+ 287,9 miljoen EUR); stelt vast dat ruim een derde van deze nominale stijging het gevolg is van aanvullende kredieten voor pensioenen (+108,5 miljoen EUR); stelt vast dat de aanvullende kredieten grotendeels overeenstemmen met een verwachte toename van het aantal gepensioneerden (+4,2 %); neemt er nota van dat het aantal gepensioneerden de komende jaren naar verwachting verder zal stijgen; neemt kennis van de rigoureuze benadering van de administratieve uitgaven en de nominale bevriezing van alle niet-salarisgerelateerde uitgaven;

49.  stelt vast dat de feitelijke marge, na verrekening van 570 miljoen EUR voor het gebruik in 2017 van de marge voor onvoorziene uitgaven voor rubriek 3, 93,6 miljoen EUR onder het maximum bedraagt; onderstreept dat het aandeel van rubriek 5 in de EU‑begroting als gevolg van de pensioenlast licht is gestegen, tot 6 % (in vastleggingskredieten);

Proefprojecten – voorbereidende acties

50.  onderstreept hoe essentieel proefprojecten en voorbereidende acties zijn om politieke prioriteiten te formuleren en nieuwe initiatieven in te voeren die kunnen uitmonden in permanente EU-acties en ‑programma's; is van plan een evenwichtig pakket van proefprojecten en voorbereidende acties vast te stellen; merkt op dat de marge voor sommige rubrieken in het huidige voorstel vrij beperkt of zelfs onbestaand is, en is van plan mogelijkheden te onderzoeken om ruimte te maken voor eventuele proefprojecten en voorbereidende acties zonder de middelen voor andere politieke prioriteiten te verlagen; is van mening dat de Commissie bij de uitvoering van de proefprojecten en voorbereidende acties de leden van het Parlement stap die eraan ten grondslag liggen, stap voor stap op de hoogte moet houden, zodat recht wordt gedaan aan de geest van hun voorstellen;

Agentschappen

51.  neemt kennis van de algemene verhoging in de ontwerpbegroting 2018 voor gedecentraliseerde agentschappen met 3,1 % (bestemmingsontvangsten buiten beschouwing gelaten) en de toevoeging van 146 posten, maar wijst op de grote verschillen tussen "agentschappen op kruissnelheid" (-11,2 %) en "agentschappen met nieuwe taken" (+10,5 %); gaat ervan uit dat deze cijfers een getrouwe weergave vormen van het feit dat de meeste agentschappen hun personeelsbestand sedert 2013 met 5 % of zelfs meer hebben verkleind (sommige agentschappen zullen deze doelstelling van 5 % pas in 2018 bereiken), en dat aanwervingen in diezelfde periode voorbehouden waren voor agentschappen die met migratie en veiligheid te maken hebben (+183 posten), agentschappen voor financieel toezicht (+28 posten) en een aantal agentschappen met nieuwe bevoegdheden (ERA, EASA, GSA) (+18 posten); hernieuwt zijn oproep, zoals al verwoord in het kwijtingsverslag voor 2015, om ervoor te zorgen dat er voldoende middelen beschikbaar zijn, en zo nodig aanvullende middelen ter beschikking te stellen, voor een goede werking van de agentschappen en van het permanent secretariaat van het netwerk van EU-agentschappen (tegenwoordig Shared Support Office genoemd);

52.  herhaalt zijn overtuiging dat de EU-agentschappen die werkzaam zijn op het vlak van justitie en binnenlandse zaken met spoed over de nodige operationele middelen en werknemers moeten beschikken om de taken en verantwoordelijkheden die zij er de voorbije jaren hebben bij gekregen, te kunnen uitvoeren; verheugt zich in dit verband over de personeelstoename die wordt voorgesteld voor het Europees Grens- en kustwachtagentschap (Frontex) en het Europees Ondersteuningsbureau voor asielzaken (EASO), en beschouwt deze toename als het minimum om te waarborgen dat deze agentschappen hun werkzaamheden naar behoren kunnen verrichten; onderstreept dat de voorgestelde begroting en het voorgestelde personeelsbestand voor Europol onvoldoende zijn voor het uitvoeren van de toegewezen taken nu de Commissie en de lidstaten in de afgelopen jaren hebben besloten de samenwerking tussen de lidstaten te intensiveren, met name op het gebied van de bestrijding van terrorisme, georganiseerde misdaad, cybercriminaliteit en mensensmokkel en de bescherming van niet-begeleide kinderen; onderstreept de geconstateerde lacunes in het bestaande systeem voor informatie-uitwisseling en verzoekt de Commissie eu‑LISA van passende menselijke en financiële middelen te voorzien voor het uitvoeren van de recentelijk aan dit agentschap toegewezen aanvullende taken en verantwoordelijkheden; wijst erop dat het EASO een belangrijke rol speelt door de lidstaten te ondersteunen bij het beheer van asielaanvragen, zeker wanneer het erom gaat een toegenomen aantal asielzoekers het hoofd te bieden; betreurt de verlaging van de operationele middelen (-23,6 % ten opzichte van 2017) en het personeelsbestand (-4 %) voor Eurojust, dat momenteel te maken heeft met een hogere werkdruk;

53.  stelt met bezorgdheid vast dat vooral de EU-agentschappen op het gebied van werkgelegenheid en opleidingen (Cedefop, ETF, EU-OSHA, Eurofound) op het gebied van milieumaatregelen (ECDC, ECHA, EFSA, EMA) te maken hebben met personeelsinkrimping (met respectievelijk -5 posten en -12 posten); is van mening dat dit in strijd is met het algehele EU-beleid, dat gericht is op het creëren van fatsoenlijke, hoogwaardige en stabiele banen en het tegengaan van klimaatverandering; is verheugd over de verhoging van het personeelsbestand en de begroting voor ACER en GSA, maar benadrukt dat deze verhogingen niet voldoende zijn om de agentschappen hun taken adequaat te laten uitvoeren;

54.  neemt kennis van het feit dat de derde REACH-registratietermijn in 2018 valt, hetgeen gevolgen zal hebben voor een groot aantal bedrijven in Europa en het grootste aantal kmo's tot dusver, hetgeen op zijn beurt aanzienlijke gevolgen zal hebben voor de werkdruk van ECHA; verzoekt de Commissie derhalve af te zien van de geplande inkrimping met zes tijdelijke functionarissen in 2018 en deze inkrimping uit te stellen tot 2019, zodat ECHA in 2018 zijn hele werkprogramma naar behoren kan uitvoeren; constateert in dit opzicht dat ECHA sinds 2012 al een personeelsinkrimping van 10 % heeft doorgevoerd in het kader van REACH;

o

o o

55.  wijst erop dat gendermainstreaming een wettelijke verplichting is die rechtstreeks voortvloeit uit de Verdragen; roept op tot verplichte genderbewuste budgettering in de begrotingsprocedure en het aanwenden van begrotingsuitgaven als doeltreffend middel om de gelijkheid van vrouwen en mannen te bevorderen; beveelt aan om een begrotingsplan te ontwikkelen voor de toepassing van gendermainstreaming in de EU-instellingen, overeenkomstig het goedgekeurde proefproject, en in de toekomst een specifieke begrotingslijn in te voeren voor het coördineren van gendermainstreaming in alle instellingen;

56.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad en de Commissie.

(1)

PB L 298 van 26.10.2012, blz. 1.

(2)

PB L 347 van 20.12.2013, blz. 884.

(3)

PB C 373 van 20.12.2013, blz. 1.

(4)

Aangenomen teksten, P8_TA(2017)0085.


BIJLAGE: GEZAMENLIJKE VERKLARING OVER DE DATA VOOR DE BEGROTINGSPROCEDURE EN REGELS VOOR DE WERKING VAN HET BEMIDDELINGSCOMITÉ IN 2018

A.  Overeenkomstig deel A van de bijlage bij het Interinstitutioneel Akkoord tussen het Europees Parlement, de Raad en de Commissie betreffende de begrotingsdiscipline, de samenwerking in begrotingszaken en een goed financieel beheer komen het Europees Parlement, de Raad en de Commissie voor de begrotingsprocedure voor 2018 de volgende belangrijke data overeen:

1.  op 13 juli wordt in de ochtend, voorafgaand aan de vaststelling van het standpunt van de Raad, een trialoogvergadering belegd;

2.  de Commissie streeft ernaar de ontwerpraming 2018 tegen eind mei te presenteren;

3.  de Raad tracht voor week 37 (derde week van september) zijn standpunt vast te stellen en aan het Europees Parlement toe te zenden, opdat tijdig een akkoord met het Europees Parlement kan worden bereikt;

4.  de Begrotingscommissie van het Europees Parlement tracht uiterlijk aan het eind van week 41 (medio oktober) amendementen op het standpunt van de Raad aan te nemen;

5.  op 18 oktober wordt na de middag, voorafgaand aan de lezing door het Europees Parlement, een trialoogvergadering belegd;

6.  het Europees Parlement stelt in week 43 (plenaire vergadering van 23-26 oktober) zijn lezing vast;

7.  de bemiddelingsperiode begint op 31 oktober. Overeenkomstig artikel 314, punt 4, letter c), van het VWEU verstrijkt de voor bemiddeling voorziene periode op 20 november 2017;

8.  het bemiddelingscomité vergadert op 6 november, na de middag, in het Europees Parlement, op 17 november in de Raad en kan, indien nodig, ook nadien nog bijeenkomen; de bijeenkomsten van het bemiddelingscomité worden voorbereid tijdens één of meerdere trialogen. Een eerste trialoog staat gepland op 9 november, voor de middag. Aanvullende trialogen kunnen plaatsvinden tijdens de bemiddelingsperiode van 21 dagen, bijvoorbeeld op 13 en 14 november (in Straatsburg).

B.  De regels voor de werking van het bemiddelingscomité staan in deel E van de bijlage bij bovengenoemd Interinstitutioneel Akkoord.


ADVIES van de Commissie werkgelegenheid en sociale zaken (15.6.2017)

aan de Begrotingscommissie

inzake het mandaat voor de trialoog over de ontwerpbegroting 2018

(2017/2043(BUD))

Rapporteur voor advies: Deirdre Clune

SUGGESTIES

De Commissie werkgelegenheid en sociale zaken verzoekt de ten principale bevoegde Begrotingscommissie onderstaande suggesties in haar ontwerpresolutie op te nemen:

1.  herinnert eraan dat stevig herstel, duurzame groei en investeringen (in bedrijven, overheidsdiensten en menselijk kapitaal) cruciale factoren zijn voor kwalitatieve werkgelegenheid die leidt tot fatsoenlijke banen, meer welvaart, terugdringing van de ongelijkheid en versterking van de opwaartse sociale convergentie, en dat het noodzakelijk is de Europese structuur- en investeringsfondsen beter te richten op de bevordering van inclusieve groei; herinnert eraan dat de EU-begroting financieel moet bijdragen aan de verwezenlijking van de doelstellingen van de Europa 2020-strategie op sociaal en werkgelegenheidsgebied;

2.  benadrukt dat de begroting 2018 een belangrijke rol moet spelen om de bijdrage van de Unie aan duurzame en inclusieve groei en hoogwaardige werkgelegenheid te versterken, in het bijzonder door de jeugdwerkloosheid en langdurige werkloosheid, armoede, met inbegrip van armoede onder werkenden, de toenemende ongelijkheid en sociale uitsluiting te bestrijden; benadrukt in dit verband dat de begroting 2018 niet kan worden gezien buiten het meerjarig financieel kader 2014-2020 (MFK), dat uiterlijk eind dit jaar moet worden herzien; verzoekt de Raad de herziening van het MFK zo spoedig mogelijk af te ronden;

3.  benadrukt het belang van afdoende middelen voor en een goed begrotingsbeheer van de programma's gefinancierd uit hoofde van het MFK 2014-2020, die gericht zijn op de aanpak van werkloosheid, armoede en sociale uitsluiting, zoals het jongerenwerkgelegenheidsinitiatief (YEI), het Europees Fonds voor aanpassing aan de globalisering (EFG), de verschillende onderdelen van het programma voor werkgelegenheid en sociale innovatie (EaSI), met speciale aandacht voor het Eures-onderdeel, de drie autonome begrotingslijnen ter ondersteuning van de Europese sociale dialoog en werknemersorganisaties, en het Fonds voor Europese hulp aan de meest behoeftigen (FEAD); onderstreept daarom dat de middelen van 2018 voor deze programma's ten minste moeten worden gehandhaafd op het niveau van de voorgaande EU-begroting; merkt op dat de betalingskredieten in de begroting van dit jaar beperkt waren omdat de middelen uit de structuurfondsen niet zo vlug werden opgenomen als verwacht, en benadrukt dat in de begroting 2018 voldoende betalingskredieten moeten worden opgenomen;

4.  dringt erop aan dat financiële steun uit EU-middelen prioriteit blijft verlenen aan programma's die het scheppen en het behoud van banen bevorderen, en zo veel mogelijk werknemers bereikt voor wie steun wordt aangevraagd, met name voor al diegenen die het verst van de arbeidsmarkt af staan; pleit ervoor dat er voldoende middelen uit de respectieve begrotingsonderdelen worden toegekend voor de uitvoering van de maatregelen die zijn vastgesteld in de aanbeveling van de Raad betreffende de integratie van langdurig werklozen op de arbeidsmarkt;

5.  benadrukt met name dat een baan een positieve impact heeft op het herstelproces van personen met lichamelijke of geestelijke gezondheidsproblemen, en dat de financiering zich moet toespitsen op empirisch onderbouwde modellen zoals opleiding op de werkvloer;

6.  is van mening dat de parameters van programma's zoals het Europees Fonds voor aanpassing aan de globalisering onevenredig streng zijn voor kleinere lidstaten; stelt voor dat de criteria om voor steun in aanmerking te komen in dit opzicht flexibel zouden zijn omdat kleinere regio's hoe dan ook meer kunnen worden getroffen door ontslagen en sluitingen dan andere regio's;

7.  dringt erop aan dat afdoende vastleggingskredieten en met name betalingskredieten op de begroting 2018 worden opgenomen voor het Europees Sociaal Fonds (ESF), aangezien voor het ESF een periode begint van intensieve tenuitvoerlegging en de betalingsverzoeken van de lidstaten zullen toenemen;

8.  dringt er bij de lidstaten op aan de erkenning van alle verantwoordelijke beheersautoriteiten te voltooien om een doeltreffende werking van het ESF te waarborgen;

9.  benadrukt het feit dat, zoals vermeld door de OESO, beter opgeleide mensen bijdragen tot de totstandbrenging van meer democratische samenlevingen en duurzamere economieën, minder afhankelijk zijn van overheidssteun en minder kwetsbaar zijn voor economische recessies; wijst er daarom op dat de EU-begroting investeringen moet bevorderen in kwaliteitsvol onderwijs, beroepsopleiding en innovatie, niet alleen omdat dit essentieel is om werkloosheid, armoede en sociale uitsluiting te bestrijden, maar ook om ervoor te zorgen dat de EU concurrentieel is op de wereldmarkten;

10.  herinnert eraan dat de jeugdwerkloosheid in de Unie(1) nog steeds onaanvaardbaar hoog is en dat de situatie van werkloze jongeren, met name van jongeren die geen werk hebben en evenmin onderwijs of een opleiding volgen, bijzonder zorgwekkend is; benadrukt dat het voor de aanpak van dit probleem van het grootste belang is te zorgen voor de correcte en tijdige financiering van de jongerengarantie in het kader van het jongerenwerkgelegenheidsinitiatief en het ESF;

11.  benadrukt in dit verband dat het belangrijk is het jongerenwerkgelegenheidsinitiatief tot het einde van het huidige MFK voort te zetten, en acht het van essentieel belang dat het jongerenwerkgelegenheidsinitiatief adequaat gefinancierd blijft; wijst er evenwel op dat de financiering ervan ontoereikend blijft; is ingenomen met de overeenstemming die in de context van de onderhandelingen over de begroting 2017 is bereikt over een bedrag van 500 miljoen EUR aan nieuwe financiering voor 2017, en benadrukt dat de Raad de overeengekomen verhoging vóór het eind van het jaar moet goedkeuren; wijst erop dat voor de periode 2018-2020 voor een financiering van ten minste 700 miljoen EUR moet worden gezorgd, zoals overeengekomen in het kader van de tussentijdse herziening van het MFK; dringt tevens aan op voldoende betalingskredieten om te zorgen voor een correcte uitvoering;

12.  wijst met bezorgdheid op de verklaring van de Rekenkamer dat het niet mogelijk is de situatie van alle jongeren die geen werk hebben en evenmin onderwijs of een opleiding volgen, aan te pakken met de middelen uit enkel de EU-begroting(2);

13.  benadrukt dat er langetermijnoplossingen nodig zijn, met name wat betreft de kwaliteit en de toegankelijkheid van het hoger onderwijs en het waarborgen van toegang tot hoogwaardige werkgelegenheid die tot fatsoenlijke banen voor jongeren leidt; benadrukt in dit verband dat er meer financiële en administratieve inspanningen moeten worden gedaan om de toegang tot Erasmus+ te verbeteren teneinde mobiliteitsobstakels weg te nemen voor aanvragers uit huishoudens met een lager inkomen die zwaarder zijn getroffen door de economische crisis en de bezuinigingen;

14.  benadrukt dat er middelen moeten worden uitgetrokken voor de bestrijding van armoede, met name kinderarmoede, en ter ondersteuning van maatregelen op het gebied van basisbehoeften van kinderen, zoals voedselvoorziening, huisvesting, onderwijs en gezondheidszorg;

15.  benadrukt het belang van het Fonds voor Europese hulp aan de meest behoeftigen (FEAD) voor de bestrijding van armoede en sociale uitsluiting en dringt erop aan dat er in de begroting 2018 voldoende middelen worden uitgetrokken om adequaat te kunnen voldoen aan de behoeften van de doelgroepen en aan de doelstellingen van het Fonds;

16.  is van mening dat uit de EU-begroting ook steun moet worden verleend aan maatregelen op het gebied van beroepsopleiding en beroepskwalificaties, met bijzondere nadruk op sectorspecifieke tekorten aan vakmensen, met name door het initiatief "Bijscholingstrajecten" (Upskilling Pathways - gericht op laaggeschoolde volwassenen) dat onlangs door de Raad is aangenomen, alsook aan de bevordering van de mobiliteit van leerlingen, zoals reeds het geval is voor studenten in het kader van het Erasmus-programma;

17.  roept op tot aanhoudende inspanningen om begrotingssteun te leveren voor passende opleidingen en omscholing in sectoren waar een tekort aan werknemers heerst en in belangrijke sectoren met een hoog banenscheppend potentieel;

18.  wijst erop dat micro-, kleine en middelgrote ondernemingen, met inbegrip van sociale ondernemingen, de ruggengraat vormen van de Europese economie en goed zijn voor 99 % van alle ondernemingen in de EU; merkt op dat de toegang tot financiering een van de voornaamste obstakels is om dergelijke ondernemingen op te richten en draaiende te houden; moedigt de toepassing van het "denk eerst klein"-beginsel aan; benadrukt dat de begroting 2018 maatregelen moet financieren ter bevordering van ondernemerschap, waaronder sociaal ondernemerschap en innovatieve sociale ondernemingen, financiële participatie van werknemers en zelfstandigen; benadrukt in dit verband dat de begroting 2018 met name de toegang moet vergemakkelijken tot microkredieten die beschikbaar zijn via de pijler microfinanciering en sociaal ondernemerschap van het EaSI-programma; benadrukt dat het bedrag aan subsidies dat beschikbaar is voor kmo's en sociale ondernemingen moet worden gewaarborgd om hun concurrentievermogen en hun potentieel om banen te scheppen te handhaven;

19.  benadrukt dat de Europese begroting steun moet bieden aan de bevordering van de voltooiing van de interne markt, het concurrentievermogen en de sociale convergentie, de ontwikkeling van een beleid voor maatschappelijk verantwoord ondernemen en het toezicht op de naleving van wettelijke sociale normen door bedrijven om het scheppen van banen en groei te waarborgen;

20.  roept de delegatie van het Parlement op nadruk te leggen op het belang van volledige tenuitvoerlegging van de begrotingslijnen voor werkgelegenheid en sociale zaken;

21.  wijst erop dat wijzigingen ter vermindering van de begrotingsprogrammering voor deze lijnen moeten worden verworpen en dat een juist evenwicht moet worden gevonden tussen vastleggings- en betalingskredieten om het potentieel van deze beleidsmaatregelen volledig te kunnen benutten;

22.  herinnert aan de belangrijke bijdrage die alle agentschappen op het gebied van werkgelegenheid en sociale zaken (het Europees Centrum voor de ontwikkeling van de beroepsopleiding (Cedefop), de Europese Stichting voor opleiding (ETF), de Europese Stichting tot verbetering van de levens- en arbeidsomstandigheden (Eurofound) en het Europees Agentschap voor veiligheid en gezondheid op het werk (EU-OSHA)) leveren bij de behandeling van EMPL-gerelateerde thema's, en met name aan hun potentieel om een brede waaier aan problemen aan te pakken, zoals het scheppen van hoogwaardige werkgelegenheid die leidt tot fatsoenlijke banen, nieuwe vormen van werkgelegenheid, ondersteuning van beroepsopleiding en maatregelen inzake beroepskwalificaties of veiligheid en gezondheid op het werk; benadrukt in dit verband dat de taken van deze agentschappen voortdurend toenemen en dat ze daarom de nodige financiële en personele hulpbronnen moeten krijgen om hun mandaat te vervullen en hun taken uit te voeren; spreekt zijn krachtige steun uit voor een aanpak waarbij de individuele behoeften van gedecentraliseerde agentschappen per geval worden beoordeeld;

23.  benadrukt dat de begroting voor 2018 moet worden ingezet om een hoog preventie- en beschermingsniveau voor werknemers te garanderen en het hoofd te bieden aan de nieuwe uitdagingen op het gebied van lichamelijke en geestelijke gezondheid en veiligheid op het werk die zich blijven voordoen; benadrukt in dit verband dat voldoende financiële middelen voor EU-OSHA en voor het onderdeel lichamelijke en geestelijke gezondheid en veiligheid op het werk in de Progress-pijler van het EaSI-programma moeten worden gewaarborgd;

24.  benadrukt de noodzaak van aanvullende financiering voor Eurofound om de aanzienlijke stijging van de Ierse landencoëfficiënt van de afgelopen jaren in evenwicht te brengen, waardoor het steeds moeilijker wordt het door de Stichting verrichte onderzoek op peil te houden; benadrukt de noodzaak van aanvullende financiering, met name om de activiteiten betreffende pan-Europese enquêtes te waarborgen en bijkomende activiteiten mogelijk te maken in verband met "zwartwerk" en de "integratie van vluchtelingen en migranten op de arbeidsmarkt";

25.  herhaalt dat proefprojecten en voorbereidende acties zeer waardevolle instrumenten zijn om nieuwe activiteiten en beleidsmaatregelen op het gebied van werkgelegenheid en sociale inclusie te initiëren; benadrukt dat meerdere ideeën van de Commissie werkgelegenheid en sociale zaken in het verleden met succes als proefproject of voorbereidende actie (PP/VA) zijn uitgevoerd; verzoekt de Commissie door te gaan met deze "think outside the box"-aanpak bij de selectie van de proefprojecten/voorbereidende acties met een Europese meerwaarde; denkt daarom dat die commissie in 2018 van die instrumenten gebruik zal blijven maken; moedigt aan dat de beschikbare marges in elke rubriek volledig worden gebruikt; verzoekt de Commissie het Parlement stelselmatig en uitgebreid te informeren over de verschillende uitvoeringsfasen van de proefprojecten en voorbereidende acties; verzoekt de Commissie bij de uitvoering van de PP's en VA's de inhoud ervan te eerbiedigen zoals die is overeengekomen en goedgekeurd door het Parlement en de Raad.

INFORMATIE OVER DE GOEDKEURINGIN DE MEDEADVISERENDE COMMISSIE

Datum goedkeuring

12.6.2017

 

 

 

Uitslag eindstemming

+:

–:

0:

40

5

0

Bij de eindstemming aanwezige leden

Guillaume Balas, Brando Benifei, Mara Bizzotto, Vilija Blinkevičiūtė, David Casa, Martina Dlabajová, Arne Gericke, Marian Harkin, Czesław Hoc, Agnes Jongerius, Jan Keller, Ádám Kósa, Agnieszka Kozłowska-Rajewicz, Kostadinka Kuneva, Jérôme Lavrilleux, Thomas Mann, Dominique Martin, Emilian Pavel, João Pimenta Lopes, Georgi Pirinski, Marek Plura, Terry Reintke, Sofia Ribeiro, Robert Rochefort, Anne Sander, Sven Schulze, Jutta Steinruck, Romana Tomc, Yana Toom, Renate Weber, Tatjana Ždanoka

Bij de eindstemming aanwezige vaste plaatsvervangers

Maria Arena, Heinz K. Becker, Deirdre Clune, Tania González Peñas, Dieter-Lebrecht Koch, Marju Lauristin, Edouard Martin, Joachim Schuster, Csaba Sógor, Michaela Šojdrová, Helga Stevens, Ivo Vajgl, Flavio Zanonato

Bij de eindstemming aanwezige plaatsvervangers (art. 200, lid 2)

Isabella De Monte

HOOFDELIJKE EINDSTEMMING IN DE MEDEADVISERENDE COMMISSIE

40

+

ALDE

EPP

Verts/ALE

GUE/NGL

S&D

Martina Dlabajová, Marian Harkin, Robert Rochefort, Yana Toom, Ivo Vajgl, Renate Weber

Heinz K. Becker, David Casa, Deirdre Clune, Dieter-Lebrecht Koch, Agnieszka Kozłowska-Rajewicz, Ádám Kósa, Jérôme Lavrilleux, Thomas Mann, Marek Plura, Sofia Ribeiro, Anne Sander, Sven Schulze, Michaela Šojdrová, Csaba Sógor, Romana Tomc

Terry Reintke, Tatjana Ždanoka

Tania González Peñas, Kostadinka Kuneva, João Pimenta Lopes

Maria Arena, Guillaume Balas, Brando Benifei, Vilija Blinkevičiūtė, Isabella De Monte, Agnes Jongerius, Jan Keller, Marju Lauristin, Edouard Martin, Emilian Pavel, Georgi Pirinski, Joachim Schuster, Jutta Steinruck, Flavio Zanonato

5

-

ECR

ENF

Arne Gericke, Czesław Hoc, Helga Stevens

Mara Bizzotto, Dominique Martin

0

0

 

 

Verklaring van de gebruikte tekens:

+  :  voor

-  :  tegen

0  :  onthouding

(1)

In maart 2017 bedroeg de jeugdwerkloosheid 17,2 % in de EU-28 en 19,4 % in de eurozone, tegen respectievelijk 19,1 % en 21,3 % in maart 2016 – Eurostat, 2 mei 2017: http://ec.europa.eu/eurostat/documents/2995521/8002525/3-02052017-AP-EN.pdf/94b69232-83a9-4011-8c85-1d4311215619

(2)

Speciaal verslag nr. 5/2017: Jeugdwerkloosheid – heeft het EU-beleid een verschil gemaakt?, blz. 8.


ADVIES van de Commissie interne markt en consumentenbescherming (9.6.2017)

aan de Begrotingscommissie

inzake het mandaat voor de trialoog over de ontwerpbegroting 2018

(2017/2043(BUD))

Rapporteur voor advies: Daniel Dalton

SUGGESTIES

De Commissie interne markt en consumentenbescherming verzoekt de ten principale bevoegde Begrotingscommissie onderstaande suggesties in haar ontwerpresolutie op te nemen:

1.  herinnert eraan dat de gemeenschappelijke markt een van de hoofddoelstellingen van de economische samenwerking is en van cruciaal belang is voor de economische groei in de EU;

2.  verzoekt de Commissie de begrotingsmiddelen toe te wijzen die nodig zijn voor de tenuitvoerlegging van de digitale eengemaakte markt en van alle daarin voorgestelde maatregelen;

3.  benadrukt dat een goed functionerende interne markt, die sterk geïntegreerd en geharmoniseerd is en een eerlijk klimaat schept voor consumenten en kmo's, een hoeksteen vormt voor meer concurrentievermogen van de EU, en dringt aan op de toewijzing van voldoende begrotingsmiddelen om de overgang naar het digitale tijdperk en de mondialiserings- en herindustrialiseringsprocessen van de Europese industrie en kmo's te ondersteunen;

4.  is van mening dat het consumentenbeleid een horizontale prioriteit is waaraan passende begrotingsmiddelen moeten worden toegewezen; verzoekt de Commissie en de lidstaten alles in het werk te stellen om de voorlichting, bewustmaking en empowerment inzake consumentenbeleid, productveiligheid en markttoezicht te vergroten, met name in de digitale eengemaakte markt, en de consumentenbelangen in de verschillende beleidsgebieden van de EU te ondersteunen;

5.  benadrukt het grote groeipotentieel van het vrij verkeer van diensten, dat nog altijd onderontwikkeld is in de interne markt, en dringt aan op initiatieven om de grensoverschrijdende handel in diensten te stimuleren, die in een aantal dienstensectoren achterop blijft als gevolg van onzekerheid, administratieve complexiteit en te weinig goed gestructureerde samenwerkingsmechanismen tussen de lidstaten; is van mening dat nieuwe initiatieven met name deze belemmeringen moeten aanpakken;

6.  herinnert eraan dat het douanebeleid van de EU moet worden ondersteund en benadrukt dat de vereenvoudiging van douaneprocedures en effectieve handhaving van douanestelsels cruciaal zijn om fraude en internationale criminaliteit te bestrijden en de mededinging te bevorderen; benadrukt dat er passende begrotingsmiddelen vereist zijn om te zorgen voor een snelle tenuitvoerlegging van het douanewetboek van de Unie (UCC) en om te waarborgen dat de lidstaten alle interoperabele IT-systemen invoeren waarin het douanewetboek voorziet;

7.  benadrukt de cruciale rol van kmo's en micro-ondernemingen in de economie van de EU en benadrukt dat ze behoefte hebben aan: efficiënte financiering voor innovatie, schaalvergroting, internationalisering en toegang tot markten van derde landen om hun internationale concurrentievermogen te vergroten; meer steun bij de vaststelling van circulaire bedrijfsmodellen; en bijstand om hen te begeleiden bij de digitale transformatie van de economie en hen te helpen de mogelijkheden die hierdoor worden geboden beter te benutten; benadrukt dat passende begrotingsmiddelen moeten worden toegewezen aan COSME en het Enterprise Europe Network;

8.  wijst op het belang van normen voor een concurrentiële EU-markt; benadrukt dat het belangrijk is consumenten en belanghebbenden bij het normalisatieproces te betrekken; herinnert eraan dat er passende financiële steun vereist is voor de activiteiten van de Europese normalisatieorganisaties (ENO's);

9.  dringt aan op een versterking van de instrumenten van de interne markt die consumenten en bedrijven bewuster maken van de regels van de interne markt, hen in staat stellen hun rechten te doen gelden en een betere samenwerking tussen de relevante nationale instanties mogelijk maken, en benadrukt met name dat het belangrijk is de toewijzing van begrotingsmiddelen aan Solvit en FinNet voort te zetten, alsook in passende financiering te voorzien voor het netwerk van Europese consumentencentra en zo zijn taak te ondersteunen, namelijk de Europese burgers voorlichten over hun rechten als consument;

10.  moedigt de Commissie aan de financiering in het kader van Horizon 2020 en het EFSI te verhogen om te zorgen voor een betere werking van de interne markt, en Europese ondernemingen te ondersteunen die prioriteit verlenen aan integratie, het scheppen van banen, onderzoek en innovatie;

11.  benadrukt dat het internemarktbeleid een prioriteit moet zijn bij de bevordering van een betere besteding van de begrotingsmiddelen en dat in andere gebieden soortgelijke besparingen moeten worden gevonden om aan de bestedingsverplichtingen te voldoen.

INFORMATIE OVER DE GOEDKEURINGIN DE MEDEADVISERENDE COMMISSIE

Datum goedkeuring

8.6.2017

 

 

 

Uitslag eindstemming

+:

–:

0:

30

2

0

Bij de eindstemming aanwezige leden

Dita Charanzová, Carlos Coelho, Anna Maria Corazza Bildt, Daniel Dalton, Nicola Danti, Evelyne Gebhardt, Sergio Gutiérrez Prieto, Robert Jarosław Iwaszkiewicz, Liisa Jaakonsaari, Antonio López-Istúriz White, Morten Løkkegaard, Jiří Pospíšil, Virginie Rozière, Christel Schaldemose, Olga Sehnalová, Igor Šoltes, Ivan Štefanec, Catherine Stihler, Róża Gräfin von Thun und Hohenstein, Mylène Troszczynski, Anneleen Van Bossuyt

Bij de eindstemming aanwezige vaste plaatsvervangers

Lucy Anderson, Pascal Arimont, Lidia Joanna Geringer de Oedenberg, Kaja Kallas, Julia Reda, Marc Tarabella, Lambert van Nistelrooij, Sabine Verheyen

Bij de eindstemming aanwezige plaatsvervangers (art. 200, lid 2)

Georges Bach, Peter Jahr, Markus Pieper

HOOFDELIJKE EINDSTEMMINGIN DE MEDEADVISERENDE COMMISSIE

30

+

ALDE

Dita Charanzová, Kaja Kallas, Morten Løkkegaard

ECR

Daniel Dalton, Anneleen Van Bossuyt

PPE

Pascal Arimont, Georges Bach, Carlos Coelho, Anna Maria Corazza Bildt, Peter Jahr, Antonio López-Istúriz White, Markus Pieper, Jiří Pospíšil, Ivan Štefanec, Róża Gräfin von Thun und Hohenstein, Sabine Verheyen, Lambert van Nistelrooij

S&D

Lucy Anderson, Nicola Danti, Evelyne Gebhardt, Lidia Joanna Geringer de Oedenberg, Sergio Gutiérrez Prieto, Liisa Jaakonsaari, Virginie Rozière, Christel Schaldemose, Olga Sehnalová, Catherine Stihler, Marc Tarabella

Verts/ALE

Julia Reda, Igor Šoltes

2

-

EFDD

Robert Jarosław Iwaszkiewicz

ENF

Mylène Troszczynski

0

0

 

 

Verklaring van de gebruikte tekens:

+  :  voor

-  :  tegen

0  :  onthouding


ADVIES van de Commissie landbouw en plattelandsontwikkeling (1.6.2017)

aan de Begrotingscommissie

inzake het mandaat voor de trialoog over de ontwerpbegroting 2018

(2017/2043(BUD))

Rapporteur voor advies: Tibor Szanyi

SUGGESTIES

De Commissie landbouw en plattelandsontwikkeling verzoekt de ten principale bevoegde Begrotingscommissie onderstaande suggesties in haar ontwerpresolutie op te nemen:

1.  benadrukt het belang van landbouw en plattelandsontwikkeling voor de verwezenlijking van belangrijke doelstellingen en prioriteiten van de EU, zoals voedselzekerheid, werkgelegenheid, duurzaam beheer van natuurlijke hulpbronnen, innovatie en territoriaal evenwicht, en wijst erop dat een belangrijk deel van de totale EU-begroting voor landbouw en plattelandsontwikkeling bestemd is omdat zij op hetzelfde beleidsterrein liggen; erkent de rol van gedeeld beheer bij de tenuitvoerlegging van het gemeenschappelijk landbouwbeleid; herinnert eraan dat de landbouwuitgaven in relatieve termen gedaald zijn, terwijl de landbouw er tegelijkertijd nieuwe taken bij heeft gekregen op het gebied van beperking van klimaatverandering en levering van collectieve goederen, en thans 38 % van de EU-begroting uitmaken; pleit er derhalve voor dat de landbouwbegroting minstens op het huidige niveau wordt gehandhaafd, zodat de sector belangrijke doelstellingen kan blijven verwezenlijken, vooral ook gezien het feit dat de landbouwsector dikwijls wordt getroffen door crises die een budgettaire reactie vergen; wijst erop dat inkomensstabiliteit een prioriteit moet blijven;

2.  dringt er bij de lidstaten op aan de programmeerhulpmiddelen die in de huidige financiële periode beschikbaar zijn voor landbouw en plattelandsontwikkeling volledig te benutten; verzoekt de Commissie met klem de vlotte uitvoering van deze programma's verder te waarborgen;

3.  benadrukt dat de Commissie een betrouwbare schatting moet maken van de behoeften van de landbouw onder rubriek 2; verlangt dat, ongeacht andere politieke prioriteiten, alle beschikbare marges onder rubriek 2 worden gereserveerd voor de landbouwsector en dat deze marges in het volgende meerjarig financieel kader (MFK) beschermd en gehandhaafd worden; pleit voor de consequente toepassing van het basisbeginsel dat alle landbouwinkomsten binnen de landbouwbegroting blijven;

4.  benadrukt de belangrijke rol van de crisisreserves; wijst erop dat deze een cruciale bijdrage leveren aan het beperken van verliezen als gevolg van de crises die deze sector treffen, en dringt er daarom op aan dat alle middelen die via het mechanisme voor financiële discipline in de begroting 2017 aan de crisisreserve voor de landbouwsector zijn toegewezen en niet benut worden, volledig beschikbaar worden gesteld als rechtstreekse betalingen in de begroting 2018, overeenkomstig artikel 26, lid 5, van Verordening (EU) nr. 1306/2013;

5.  merkt op dat de Europese landbouw de afgelopen jaren steeds vaker geconfronteerd werd met crises; verzoekt de Commissie dan ook het bestaande systeem van crisisreserve te herzien en een nieuw instrument in te voeren waarmee snel politiek ingrijpen in crisissituaties mogelijk wordt en dat voor de financiering niet afhankelijk is van een jaarlijks mechanisme voor financiële discipline;

6.  wijst erop dat de punten in het "omnibuspakket" de uitvoeringsmogelijkheden uitbreiden en naar behoren tot uitdrukking moeten komen in de begroting 2018; benadrukt dat bij de uitvoering van de begroting gebruik moet worden gemaakt van de verbeterde mogelijkheden die deze vereenvoudiging biedt; dringt erop aan voldoende middelen beschikbaar te stellen voor de tenuitvoerlegging van alle elementen van de GLB-vereenvoudiging; benadrukt dat de GLB-vereenvoudiging tevens moet zorgen voor een verdere verlaging van de foutenpercentages bij het gebruik van de middelen, en dat de positieve veranderingen ook vereenvoudigingen voor de eindgebruiker moeten inhouden; staat achter alle stappen die zijn gezet in de richting van de op prestaties gebaseerde benadering;

7.  dringt er bij de Commissie en de lidstaten op aan de schommelingen van de landbouwprijzen, die negatieve gevolgen hebben voor het inkomen van landbouwers, steeds in het oog te houden en waar nodig snel en doeltreffend in te grijpen en de landbouwers in staat te stellen dergelijke prijsschommelingen rechtstreeks te bestrijden;

8.  is van mening dat de clausule van artikel 9 van Verordening (EU) nr. 1307/2013 inzake actieve landbouwers ervoor zorgt dat reputatieschade in verband met EU-fondsen vermeden wordt; verzoekt de Commissie om eenvormige toepassing van de criteria van de actieve-landbouwerclausule met het oog op een eenvoudigere, maar tevens betrouwbaardere identificatie van deze landbouwers; benadrukt dat het belangrijk is dat actieve landbouwers aan deze criteria voldoen met het oog op de toewijzing van EU‑middelen;

9.  benadrukt dat de verdere vereenvoudiging van het GLB gepaard moet gaan met de toewijzing van voldoende begrotingsmiddelen om het volledige potentieel ervan te benutten en belangrijke doelstellingen en prioriteiten te verwezenlijken;

10.  dringt erop aan de op jonge landbouwers gerichte initiatieven, die innovatie en generatievernieuwing in de hand werken, in stand te houden;

11.  wijst op de aanhoudende onbalans in de levensmiddelenketen, waarin de positie van de primaire producenten aanzienlijk zwakker is dan die van andere actoren; verzoekt de Commissie derhalve met klem de rol van de landbouwers in de levensmiddelenketen te versterken door de oprichting en versterking van producentenorganisaties en coöperaties aan te moedigen, samenwerking tussen producenten en de kleinhandel, korte toeleveringsketens en lokale kwaliteitsmerken te stimuleren als maatregelen om oneerlijke handelspraktijken aan te pakken, en actie te ondernemen ter verbetering van de prijstransparantie en de prijsmarges in de levensmiddelenketen; benadrukt het standpunt van het Parlement met betrekking tot oneerlijke handelspraktijken en zijn herhaalde verzoeken om EU-wetgeving ter zake; benadrukt dat verduidelijking van de regels inzake producentenorganisaties essentieel is voor een succesvol functioneren en voor een goede benutting van de beschikbare middelen;

12.  is ingenomen met de belangstelling van producenten, producentenorganisaties en unies van producentenorganisaties voor het afzetbevorderingsbeleid zoals vastgesteld in Verordening (EU) nr. 1144/2014; merkt evenwel op dat belanghebbenden ongerustheid hebben geuit over de toegankelijkheid van de programma's, met name voor kmo's in de sector; verzoekt de Commissie het afzetbevorderingsbeleid grondig te evalueren en te overwegen de begroting hiervoor te verhogen;

13.  benadrukt de ervaring van lokale actiegroepen (LAG) met de organisatie van programma's voor plattelandsontwikkeling; verzoekt de Commissie en de lidstaten met klem te zorgen voor een vlotte uitvoering van de gemeenschapsgerichte benaderingen en wenst dat er hiervoor meer middelen worden uitgetrokken;

14.  dringt erop aan passende middelen uit te trekken voor controles in de levensmiddelenketen, waarbij bijzondere aandacht wordt besteed aan handelsbetrekkingen en gelijke nutriëntengehalten in levensmiddelen overal in de EU;

15.  is van mening dat door "slimme" oplossingen geboden mogelijkheden nader geanalyseerd en beter benut en gepromoot moeten worden; benadrukt dat deze "slimme" oplossingen moeten blijven stroken met de milieu-, klimaat- en biodiversiteitsbeleidsdoelstellingen, moeten zorgen voor nauwe samenwerking met belanghebbenden uit alle lidstaten, en initiatieven moeten stimuleren en ondersteunen die zijn toegesneden op de behoeften van kleine landbouwbedrijven zonder schaalvoordelen zodat zij kunnen profiteren van nieuwe technologieën; merkt op dat geïntegreerde "slimme" oplossingen – zoals slimme dorpen, precisielandbouw, digitalisering, deel- en kringloopeconomie alsook maatschappelijke initiatieven – een bijdrage kunnen leveren aan de landbouw en aan het algemene welzijn in plattelandsgebieden; wijst erop dat aandacht moet worden besteed aan dorpen om ervoor te zorgen dat plattelandsgebieden economisch levensvatbare, aantrekkelijke en ecologisch duurzame plaatsen zijn om te wonen; is ingenomen met de bestaande en toekomstige projecten die gericht zijn op "slimme" oplossingen; dringt er bij de Commissie op aan een financiering te plannen voor "slimme" benaderingen in het licht van de GLB-hervorming en de Cork 2.0-verklaring; dringt erop aan dat middelen die gereserveerd zijn voor onderzoek en innovatie in de agrovoedingssector volledig beschikbaar blijven;

16.  is van mening dat er financiële steun nodig is om slimme en innovatieve oplossingen in de landbouwsector te bevorderen, gezien hun bewezen milieuvoordelen en grotere landbouwkundige efficiëntie;

17.  is ingenomen met de oprichting van de nieuwe marktobservatoria voor gewassen en suiker; erkent de inspanningen van de Commissie om de hervorming voort te zetten teneinde de sector groenten en fruit verder te bevorderen; is van mening dat producentengroeperingen en een eventueel observatorium voor deze sector, samen met de observatoria voor melk en vlees, goed zouden kunnen zijn voor het tijdig verstrekken van accurate informatie; merkt op dat marktobservatoria de landbouwmarkten transparanter zouden kunnen maken doordat ze een duidelijker beeld geven van bedrijfstakken;

18.  benadrukt dat proefprojecten de afgelopen jaren belangrijk zijn geweest voor de landbouw en de plattelandsontwikkeling; vraagt dat de steun wordt voortgezet, vooral voor lopende projecten die uiterst succesvol zijn gebleken, dat er passende aandacht wordt besteed aan de verspreiding van beste praktijken en opgedane ervaring en dat succesvolle benaderingen worden geïntegreerd; verzoekt de Commissie de doeltreffendheid en voordelen van deze proefprojecten en voorbereidende acties aan een beoordeling achteraf te onderwerpen;

19.  erkent het belang van financiële middelen voor het beperken van de gevolgen van prijsschommelingen; merkt ook op dat een sectorspecifiek inkomensstabiliseringsinstrument op basis van een onderling fonds een geschikte benadering is; benadrukt voorts dat de aandacht gericht moet blijven op bepaalde specifieke subsectoren en initiatieven van de landbouw, zoals de bijenhouderij, het schoolmelkprogramma en het schoolfruitprogramma;

20.  verzoekt om toewijzing van voldoende middelen voor onderzoek en veterinaire en fytosanitaire maatregelen van de Unie; benadrukt dat de huidige toewijzing van 20 miljoen euro voor veterinaire en fytosanitaire maatregelen wellicht niet volstaat om een groeiend aantal epidemieën, zoals de vogelgriep, de Afrikaanse varkenspest, de nodulaire dermatose, nieuwe uitbraken van Xylella fastidiosa en invasies van de Vespa Velutina en de Tecia solanivora, te kunnen dekken; wijst erop dat andere instrumenten voor risicobeheer eveneens moeten worden gehandhaafd in geval van milieuongevallen, marktgerelateerde risico's of inkomstenschommelingen; verzoekt om de huidige afzetnormen bij te werken om onnodige financiële verliezen voor producenten te voorkomen;

21.  wijst op de noodzaak middelen beschikbaar te stellen om de economische verliezen van de landbouwers vanwege marktcrises en sanitaire of fytosanitaire crises, zoals Xylella fastidiosa, te compenseren, en wijst nogmaals op de noodzaak hiervoor de beschikbare marges in rubriek 2 te gebruiken, in combinatie met rubriek 3; is van oordeel dat compensatie voor uitroeiingsmaatregelen ook het herstel van landbouwecosystemen moet omvatten, met inbegrip van gezonde, levende bodems, alsmede de verwezenlijking van robuuste biologische diversiteit, in het bijzonder door het waarborgen van genetische diversiteit van het plantgoed en idealiter van de resistentie ervan tegen of tolerantie voor de ziekte of plaag in kwestie, zodat de landbouwecosystemen minder kwetsbaar worden voor toekomstige aanvallen;

22.  is van mening dat rekening moet worden gehouden met de gevolgen van de brexit en het voortdurende Russische embargo op de landbouwmarkt;

23.  wijst erop dat de brexit een aanzienlijke financiële impact kan hebben op het toekomstige MFK; wijst er voorts op dat het GLB, een gemeenschappelijk Europees beleid dat voornamelijk uit de EU-begroting wordt gefinancierd, mogelijk grotere financiële gevolgen ondervindt dan ander beleid, gezien het feit dat slechts in zeer beperkte mate staatssteun mag worden verleend; dringt er derhalve op aan dat de GLB-begroting wordt herzien en dat de mogelijkheid wordt overwogen om ze te verhogen teneinde rekening te houden met marktfalen en marktcrises.

INFORMATIE OVER DE GOEDKEURINGIN DE MEDEADVISERENDE COMMISSIE

Datum goedkeuring

30.5.2017

 

 

 

Uitslag eindstemming

+:

–:

0:

31

0

3

Bij de eindstemming aanwezige leden

John Stuart Agnew, Clara Eugenia Aguilera García, Eric Andrieu, Daniel Buda, Matt Carthy, Viorica Dăncilă, Michel Dantin, Paolo De Castro, Albert Deß, Herbert Dorfmann, Norbert Erdős, Edouard Ferrand, Luke Ming Flanagan, Beata Gosiewska, Martin Häusling, Esther Herranz García, Jan Huitema, Peter Jahr, Ivan Jakovčić, Jarosław Kalinowski, Elisabeth Köstinger, Zbigniew Kuźmiuk, Philippe Loiseau, Ulrike Müller, Maria Noichl, Marijana Petir, Bronis Ropė, Maria Lidia Senra Rodríguez, Ricardo Serrão Santos, Tibor Szanyi, Marc Tarabella, Marco Zullo

Bij de eindstemming aanwezige vaste plaatsvervangers

Bas Belder, Franc Bogovič, Hannu Takkula

HOOFDELIJKE EINDSTEMMINGIN DE MEDEADVISERENDE COMMISSIE

31

+

ALDE

Ulrike Müller, Hannu Takkula

ECR

Bas Belder, Beata Gosiewska, Zbigniew Kuźmiuk

EFDD

Marco Zullo

ENF

Edouard Ferrand, Philippe Loiseau

GUE/NGL

Matt Carthy, Luke Ming Flanagan

PPE

Franc Bogovič, Daniel Buda, Michel Dantin, Albert Deß, Herbert Dorfmann, Norbert Erdős, Esther Herranz García, Peter Jahr, Jarosław Kalinowski, Elisabeth Köstinger, Marijana Petir

S&D

Clara Eugenia Aguilera García, Eric Andrieu, Paolo De Castro, Viorica Dăncilă, Maria Noichl, Ricardo Serrão Santos, Tibor Szanyi, Marc Tarabella

Verts/ALE

Martin Häusling, Bronis Ropė

0

-

3

0

ALDE

Jan Huitema

EFDD

John Stuart Agnew

GUE/NGL

Maria Lidia Senra Rodríguez

Verklaring van de gebruikte tekens:

+  :  voor

-  :  tegen

0  :  onthouding


ADVIES van de Commissie cultuur en onderwijs (31.5.2017)

aan de Begrotingscommissie

inzake het mandaat voor de trialoog over de ontwerpbegroting 2018

(2017/2043(BUD))

Rapporteur voor advies: Morten Løkkegaard

SUGGESTIES

De Commissie cultuur en onderwijs verzoekt de ten principale bevoegde Begrotingscommissie onderstaande suggesties in haar ontwerpresolutie op te nemen:

1.  betreurt het feit dat de verhoging van 200 miljoen EUR voor Erasmus+ in het kader van de herziening van het MFK voor 2017-2020 door de Raad is verminderd tot 100 miljoen EUR, waarvan 50 miljoen EUR reeds in 2017 is toegewezen; herinnert eraan dat deze middelen moeten worden gebruikt binnen het beleidskader waaraan zij zijn toegewezen, gezien het feit dat Erasmus+ de belangrijkste strategische investering blijft in de jongeren van Europa;

2.  wijst erop dat de voorgestelde financiering voor het nieuwe solidariteitskorps voor een groot deel opgebracht moet worden door Erasmus+ (ongeveer 58 miljoen EUR in 2017), Europa voor de burger (ongeveer 3,5 miljoen EUR per jaar) en het programma voor werkgelegenheid en sociale innovatie (14,2 miljoen EUR per jaar); merkt voorts op dat het onderscheid tussen de onderdelen vrijwilligerswerk en beroepservaring niet duidelijk is, zodat er een risico bestaat dat de effectiviteit van de bestaande Europese vrijwilligersdienst in het gedrang komt; dringt erop aan dat voor nieuwe initiatieven een nieuwe rechtsgrondslag vereist is en een duidelijk beleid moet worden geformuleerd, en dat dergelijke initiatieven gecoördineerd moeten worden met andere programma's; benadrukt dat de toekomstige tenuitvoerlegging van het solidariteitskorps niet ten koste mag gaan van de financiering voor prioritaire onderwijs- en cultuurprogramma's; benadrukt voorts het feit dat in het initiatief geen duidelijk onderscheid wordt gemaakt tussen vrijwilligerswerk en betaald werk, om te voorkomen dat potentiële kwaliteitsbanen vervangen worden door onbetaald vrijwilligerswerk;

3.  wijst er in het licht van de nieuwe maatschappelijke uitdagingen voor Europa op dat de Europese aanpak van gemeenschappelijke Europese uitdagingen moet worden versterkt door grootschalige innovatieprojecten te ondersteunen die Europese netwerken van maatschappelijke organisaties uitvoeren op het gebied van onderwijs, opleiding en jongeren; wijst erop dat dit kan worden gedaan door een deel van de totale Erasmus+-financiering van KA2 ("Samenwerking voor innovatie en uitwisseling van goede praktijken") toe te wijzen aan gecentraliseerde acties;

4.  wijst op de noodzaak van versterking van de operationele steun aan Europese netwerken uit hoofde van KA3 ("Steun voor beleidshervorming"), om de mogelijkheden die Erasmus+ biedt, maximaal te kunnen promoten en onder de aandacht te brengen;

5.  merkt op dat breedtesport een rol speelt voor het verspreiden van Europese kernwaarden als maatschappelijke betrokkenheid, democratie, participatie, mensenrechten, vrijwilligerswerk en gelijkheid; vraagt meer synergie tussen de terreinen cultuur en sport en de externe programma's van de EU; vraagt met name dat deze programma's initiatieven en begrotingslijnen omvatten voor culturele en sportactiviteiten, inclusief breedtesport en de rol hiervan in het kader van de externe betrekkingen; vraagt dat het sporthoofdstuk van het Erasmus+-programma en de financiering van speciale jaarlijkse evenementen worden behouden;

6.  is tevreden met de initiatieven die de Commissie heeft genomen door in het kader van Erasmus+ en Creatief Europa een speciale oproep tot het indienen van projecten met betrekking tot vluchtelingen te creëren; verzoekt de Commissie deze oproepen tot het indienen van voorstellen te evalueren en te blijven publiceren met een verhoogde financieringscapaciteit, om meer behoeften te dekken en een toekomstgericht beleid mogelijk te maken voor de volgende MFK-periode;

7.  benadrukt dat zowel het subprogramma Cultuur van Creatief Europa en het programma Europa voor de burger lage succespercentages voor hun projecten blijven vertonen (respectievelijk 11 % en 16 % in 2016), wat leidt tot frustratie onder de deelnemers en de werking van de programma's belemmert; roept op tot het toewijzen van meer middelen aan deze programma's in 2018, om een doeltreffende uitvoering te waarborgen; is ingenomen met de inspanningen die de EU-instellingen de afgelopen jaren hebben geleverd om de achterstand met de betalingen aan te pakken; wijst erop dat vertragingen bij het sluiten van contracten tussen de bevoegde instanties en de begunstigden, alsmede late betalingen, de volledige tenuitvoerlegging van de programma's door de Commissie belemmeren;

8.  roept op tot het verwezenlijken van meer synergieën tussen cultuur- en onderwijsprogramma's en het EFSI en de ESI-fondsen, met name het ESF; verzoekt de EIB te overwegen een groter deel van de EFSI-middelen toe te wijzen aan culturele en creatieve sectoren, omdat deze in vergelijking met andere sectoren meer en op een betere manier informatie kunnen verspreiden over financieringsmogelijkheden in het kader van het EFSI; dringt er bij de Commissie op aan de interactie te verbeteren tussen de Garantiefaciliteit voor de culturele en creatieve sector en het EFSI, om voor culturele en creatieve activiteiten aangepaste leningen te verstrekken en de culturele en creatieve sector te ondersteunen, en zodoende de groei te bevorderen; is tevreden met het voorstel inzake een EFSI 2.0 om de rol van het Europees investeringsadviescentrum te versterken en merkt op dat dit aanzienlijk potentieel heeft als informatiebron voor het potentiële poolen van EU-middelen en de oprichting van investeringsplatforms, die kunnen leiden tot een evenwichtigere sectorale en geografische dekking;

9.  verwelkomt de overeenkomst die is bereikt over het Europees jaar van het cultureel erfgoed 2018 (EYCH) met een bedrag van 7 miljoen EUR in 2018, waarvan 4 miljoen EUR aan vers geld; wijst er nogmaals op dat de financiering voor het EYCH geen negatieve gevolgen mag hebben voor Creatief Europa, overeenkomstig de verklaringen van de Raad en de Commissie, noch voor Europa voor de burger;

10.  herinnert aan het uitstekende werk dat is verricht door Euranet+ en aan het belangrijke karakter van de onafhankelijke verslaggeving over aangelegenheden in verband met de EU die dit pan-Europese radionetwerk biedt en de bewezen prestaties van het netwerk met betrekking tot het beter informeren van de EU-burgers; is tevreden met de positieve inspanningen voor een voorlopige oplossing met betrekking tot de voortzetting ervan; moedigt de Commissie ertoe aan het voortbestaan te garanderen van dit netwerk na 2018, door een regeling in te stellen inzake een concernfinanciering voor de daaropvolgende jaren, met een neerslag hiervan in de eigen begrotingslijn en opname in het toepassingsgebied van het volgende MFK;

11.  wijst op het potentieel van proefprojecten en voorbereidende acties voor het uittesten van maatregelen op EU-beleidsterreinen en het invoeren van nieuwe, innoverende initiatieven die kunnen uitmonden in EU-maatregelen op lange termijn; wijst op het succes van het project Een nieuw verhaal voor Europa, dat zich nu in zijn laatste jaar als voorbereidende actie bevindt; benadrukt dat dit initiatief zijn waarde heeft bewezen, door te zorgen voor debat en een vernieuwende manier van denken onder jongeren over de uitdagingen waar de EU voor staat; roept met het oog op deze uitdagingen op tot voortzetting van dit initiatief via het onderdeel Jeugd van Erasmus+;

12.  herinnert eraan dat de jongerengarantie en het jongerenwerkgelegenheidsinitiatief essentiële instrumenten zijn om het hardnekkige probleem aan te pakken van de hoge jongerenwerkloosheid, vraagt dat zij verder worden verbeterd en dat de begroting ervan aanzienlijk wordt opgetrokken; neemt kennis van de conclusies in het verslag van de Rekenkamer over de jongerengarantie; wijst erop dat meer investeringen, groeibevorderende structurele hervormingen en coördinatie van de maatregelen op het gebied van sociaal beleid nodig zijn om duurzame, kwalitatief hoogstaande transities van jongeren naar de arbeidsmarkt te ondersteunen;

13.  is tevreden met de permanente ontwikkeling van de LUX-prijs in de richting van een model op basis van de participatie van alle EU-burgers, alsmede met het eerste werkingsjaar van het Huis van de Europese geschiedenis en het succes van het Parlamentarium, dat de verwachtingen heeft overtroffen; vraagt een financiering in het kader van een meerjarenregeling, voor al deze excellente instrumenten om te communiceren met de EU-burgers;

14.  herinnert aan het besluit van het Parlement in het kader van de begrotingsprocedure van het EP voor 2017 om een dienst op te richten voor vertolking in Internationale Gebarentaal voor alle plenaire debatten, en dringt er bij het bestuur op aan dit besluit zonder verdere vertraging ten uitvoer te leggen;

15.  benadrukt het feit dat om de door onderfinanciering veroorzaakte chronisch lage slaagcijfers van sommige EU-programma's aan te pakken en te zorgen voor een contracyclische functie van de EU-begroting, voor het MFK voor de periode na 2020 een systeem van echte en consistente eigen middelen moet worden ingevoerd.

INFORMATIE OVER DE GOEDKEURINGIN DE MEDEADVISERENDE COMMISSIE

Datum goedkeuring

30.5.2017

 

 

 

Uitslag eindstemming

+:

–:

0:

20

2

4

Bij de eindstemming aanwezige leden

Andrea Bocskor, Nikolaos Chountis, Silvia Costa, María Teresa Giménez Barbat, Giorgos Grammatikakis, Petra Kammerevert, Svetoslav Hristov Malinov, Luigi Morgano, Momchil Nekov, John Procter, Michaela Šojdrová, Helga Trüpel, Sabine Verheyen, Bogdan Brunon Wenta, Theodoros Zagorakis, Bogdan Andrzej Zdrojewski, Milan Zver, Krystyna Łybacka

Bij de eindstemming aanwezige vaste plaatsvervangers

Santiago Fisas Ayxelà, Dietmar Köster, Zdzisław Krasnodębski, Morten Løkkegaard, Martina Michels, Remo Sernagiotto

Bij de eindstemming aanwezige plaatsvervangers (art. 200, lid 2)

Josep-Maria Terricabras, Kazimierz Michał Ujazdowski

HOOFDELIJKE EINDSTEMMINGIN DE MEDEADVISERENDE COMMISSIE

20

+

ALDE

PPE

 

S&D

 

Verts/ALE

María Teresa Giménez Barbat, Morten Løkkegaard

Andrea Bocskor, Santiago Fisas Ayxelà, Svetoslav Hristov Malinov, Sabine Verheyen, Bogdan Brunon Wenta, Theodoros Zagorakis, Bogdan Andrzej Zdrojewski, Milan Zver, Michaela Šojdrová

Silvia Costa, Giorgos Grammatikakis, Petra Kammerevert, Dietmar Köster, Luigi Morgano, Momchil Nekov, Krystyna Łybacka

 

Josep-Maria Terricabras, Helga Trüpel

2

-

ECR

John Procter, Remo Sernagiotto

4

0

ECR

GUE/NGL

Zdzisław Krasnodębski, Kazimierz Michał Ujazdowski

Nikolaos Chountis, Martina Michels

Verklaring van de gebruikte tekens:

+  :  voor

-  :  tegen

0  :  onthouding


ADVIES van de Commissie rechten van de vrouw en gendergelijkheid (9.6.2017)

aan de Begrotingscommissie

inzake het mandaat voor de trialoog over de ontwerpbegroting 2018

(2017/20143(BUD))

Rapporteur voor advies: Constance Le Grip

SUGGESTIES

De Commissie rechten van de vrouw en gendergelijkheid verzoekt de ten principale bevoegde Begrotingscommissie onderstaande suggesties in haar ontwerpresolutie op te nemen:

A.  overwegende dat overeenkomstig de artikelen 2 en 3, lid 3, van het Verdrag betreffende de Europese Unie (VEU) de gelijkheid tussen vrouwen en mannen een van de waarden is waarop de Unie berust en waarvoor zij zich inzet, en dat overeenkomstig artikel 8 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU) de Europese Unie bij elk optreden de gelijkheid van mannen en vrouwen bevordert; overwegende dat gendermainstreaming en genderbewuste budgettering belangrijke instrumenten zijn voor de doordeseming van het beleid, de maatregelen, het optreden en de ontwikkelingsprogramma's van de EU met dit beginsel om de actieve betrokkenheid van vrouwen op de arbeidsmarkt en in economische en sociale activiteiten te bevorderen en discriminatie te bestrijden;

B.  overwegende dat het essentieel is dat bij de tenuitvoerlegging van het programma "Rechten, gelijkheid en burgerschap" Daphne zo zichtbaar mogelijk blijft; overwegende dat de Commissie rekening moet houden met de noodzaak om toereikende financieringsniveaus te handhaven en te zorgen voor de continuïteit van acties en de voorspelbaarheid van de financiering op alle terreinen die vallen onder de specifieke doelstellingen; overwegende dat er meer middelen beschikbaar moeten worden gesteld voor de bestrijding van geweld jegens vrouwen, aangezien één op de drie vrouwen in de EU te maken heeft gehad met gendergerelateerd geweld;

C.  overwegende dat de toename van het concurrentievermogen van de Europese economie, infrastructuur, terdege gefinancierd onderzoek, steun voor de ontwikkeling van vaardigheden en de doorlopende inspanningen van de EU om de investeringen op te voeren essentieel zijn om duurzame groei en hoogwaardige werkgelegenheid te genereren; overwegende dat het potentieel van vrouwen en meisjes verder moet worden vergroot op het vlak van de gedigitaliseerde economie en in de sectoren wetenschap, technologie, techniek en wiskunde (STEM) en ICT om echte gendergelijkheid te verwezenlijken, genderstereotypen uit te bannen en bij te dragen aan economische groei en innovatie;

D.  overwegende dat gezondheid een voorwaarde is voor economische voorspoed en dat een doeltreffende besteding van middelen aan gezondheid de groei kan stimuleren; overwegende dat gecoördineerd beleid en initiatieven op EU-niveau ter bestrijding van ongelijkheden op het gebied van gezondheid en ter bevordering van gendergelijkheid ook maatregelen moeten omvatten voor het uitbannen van ongelijkheden bij de toegang tot seksuele en reproductieve gezondheidszorg;

E.  overwegende dat toegang tot openbare diensten essentieel is voor de economische onafhankelijkheid en empowerment van vrouwen en dat overheidsdiensten nog altijd een belangrijke werkgelegenheidssector vormen voor vrouwen;

1.  wijst erop dat gendermainstreaming een wettelijke verplichting is die rechtstreeks voortvloeit uit de Verdragen; roept op tot verplichte genderbewuste budgettering in de begrotingsprocedure en het aanwenden van begrotingsuitgaven als doeltreffend middel om de gelijkheid van vrouwen en mannen te bevorderen; beveelt aan om een begrotingsplan te ontwikkelen voor de toepassing van gendermainstreaming in de EU-instellingen, overeenkomstig het goedgekeurde proefproject, en in de toekomst een specifieke begrotingslijn in te voeren voor het coördineren van gendermainstreaming in alle EU-instellingen;

2.  roept de EU en haar lidstaten op om het effect van de beperkende regel teniet te doen door hun financiering voor seksuele en reproductieve gezondheid en rechten aanzienlijk te verhogen, met name financiering die expliciet bestemd is voor de waarborging van toegang tot geboortebeperking en veilige en legale abortus, gebruikmakend van zowel nationale als Europese ontwikkelingsfinanciering, teneinde de financieringskloof te dichten die is ontstaan als gevolg van de acties van de regering Trump om financiering van alle buitenlandse hulporganisaties die diensten op het gebied van seksuele en reproductieve gezondheid en rechten bieden, stop te zetten;

3.  pleit voor meer middelen om de economische rechten van vrouwen te verwezenlijken en genderongelijkheid terug te dringen, onder meer door gebruik te maken van de bestaande instrumenten op het niveau van de EU en de lidstaten zoals gendereffectbeoordelingen; pleit ervoor genderbewuste budgettering toe te passen op alle overheidsuitgaven om de gelijkheid tussen mannen en vrouwen te garanderen en alle ongelijkheden op te heffen;

4.  onderstreept dat uit hoofde van artikel 8 VWEU de bevordering van de gelijkheid van mannen en vrouwen een grondbeginsel van de Europese Unie is; herinnert eraan dat gendergelijkheid deel moet uitmaken van alle beleidsterreinen en aan de orde moet worden gesteld op alle niveaus van het begrotingsproces;

5.  herhaalt zijn oproep dat elke specifieke doelstelling van het programma "Rechten, gelijkheid en burgerschap", ook met het oog op de voorbereiding van het volgende MFK, over een eigen begrotingslijn moet beschikken om de transparantie van het gebruik van de middelen te vergroten en de benodigde financiering te garanderen voor elk van de specifieke doelstellingen en voor de zichtbaarheid ervan;

6.  verzoekt om de opname van genderbewuste budgettering in Europese en nationale strategieën voor een doeltreffendere bevordering van gendergelijkheid; benadrukt dat er meer middelen moeten worden toegewezen aan de bestrijding van alle vormen van geweld en discriminatie jegens vrouwen en meisjes;

7.  verzoekt de lidstaten gebruik te maken van de beschikbare middelen uit hoofde van het Europees Sociaal Fonds en het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling voor de bevordering van gendergelijkheid, met name op het gebied van werkgelegenheid, niet alleen door gendermainstreaming toe te passen, maar ook door maatregelen te nemen die rechtstreeks gericht zijn op kansarme vrouwen en daarbij naar behoren rekening te houden met de impact van de economische crisis, en door te investeren in hoogwaardige diensten en met name te zorgen voor voldoende hoogwaardige en betaalbare diensten op het gebied van kinderopvang, bejaardenzorg en zorg voor afhankelijke personen, en pleit voor echte transparantie van de begroting voor de fondsen (ESF, Progress, Dahpne) die bestemd zijn voor gendergelijkheidsbeleid;

8.  verzoekt de EU de rechten van de vrouw en gendergelijkheid te bevorderen met EU-ontwikkelingshulp, via onderwijs, gezondheidsdiensten (vooral op het gebied van seksuele en reproductieve gezondheidszorg en rechten), de empowerment van meisjes en politieke vertegenwoordiging van vrouwen;

9.  pleit ervoor dat financiering wordt toegewezen aan programma's waarmee ondernemerschap bij vrouwen wordt ondersteund, met inbegrip van door vrouwen opgerichte en geleide kmo's, als onderdeel van het programma Cosme, en dat toegang voor vrouwen tot leningen en financiering met eigen vermogen wordt gewaarborgd en aangemoedigd;

10.  benadrukt dat er meer vrouwen moeten worden aangetrokken in de sectoren STEM en ICT; onderstreept dat er programma's moeten worden gefinancierd waarmee hoogwaardig onderwijs en trainingen worden aangeboden aan vrouwen en meisjes en ze bewuster worden gemaakt van de mogelijkheden in de sectoren STEM en ICT, als onderdeel van Horizon 2020, Erasmus +, het Europees Sociaal Fonds en het Jongerenwerkgelegenheidsinitiatief;

11.  betreurt het dat er in het Europees Fonds voor strategische investeringen geen genderperspectief is opgenomen, en beklemtoont dat er slechts kans is op een geslaagd economisch herstelproces als er aandacht wordt besteed aan de invloed van crises op vrouwen;

12.  benadrukt de belangrijke rol van het Europees Instituut voor gendergelijkheid (EIGE) om een bijdrage te leveren aan en te zorgen voor een grotere bevordering van gendergelijkheid, met inbegrip van gendermainstreaming van al het EU-beleid, door het verzamelen van relevante gegevens en expertise op het vlak van gendergelijkheid tussen vrouwen en mannen, waaronder de bestrijding van geweld tegen vrouwen en meisjes; benadrukt dat het EIGE een afzonderlijke en gespecialiseerde entiteit moet blijven binnen het institutionele kader van de EU om zijn doelstellingen op doeltreffende wijze te kunnen vervullen; verzoekt om de verhoging van zijn begroting en personeelsformatie teneinde de Commissie beter bij te kunnen staan door relevante gegevens en technische bijstand te verlenen op belangrijke gebieden, zoals de bestrijding van gendergebaseerd geweld;

13.  verzoekt de Commissie de bevordering en verbetering van seksuele en reproductieve gezondheid en rechten op te nemen in haar volgende volksgezondheidsstrategie.

INFORMATIE OVER DE GOEDKEURINGIN DE MEDEADVISERENDE COMMISSIE

Datum goedkeuring

8.6.2017

 

 

 

Uitslag eindstemming

+:

–:

0:

14

2

0

Bij de eindstemming aanwezige leden

Daniela Aiuto, Beatriz Becerra Basterrechea, Malin Björk, Vilija Blinkevičiūtė, Antanas Guoga, Anna Hedh, Agnieszka Kozłowska-Rajewicz, Florent Marcellesi, Angelika Mlinar, Ernest Urtasun, Jana Žitňanská

Bij de eindstemming aanwezige vaste plaatsvervangers

Inés Ayala Sender, Branislav Škripek, Dubravka Šuica

Bij de eindstemming aanwezige plaatsvervangers (art. 200, lid 2)

Inmaculada Rodríguez-Piñero Fernández, Patricija Šulin

HOOFDELIJKE EINDSTEMMINGIN DE MEDEADVISERENDE COMMISSIE

14

+

ALDE

Beatriz Becerra Basterrechea, Angelika Mlinar

EFDD

Daniela Aiuto

GUE/NGL

Malin Björk

PPE

Antanas Guoga, Agnieszka Kozłowska-Rajewicz, Dubravka Šuica, Patricija Šulin

S&D

Inés Ayala Sender, Vilija Blinkevičiūtė, Anna Hedh, Inmaculada Rodríguez-Piñero Fernández

VERTS/ALE

Florent Marcellesi, Ernest Urtasun

2

-

ECR

Branislav Škripek, Jana Žitňanská

0

0

 

 

Verklaring van de gebruikte tekens:

+  :  voor

-  :  tegen

0  :  onthouding


BIJLAGE: BRIEF VAN DE COMMISSIE BUITENLANDSE ZAKEN

Brief d.d. 19 juni 2017 van David McAllister, voorzitter van de Commissie buitenlandse zaken, en Cristian Dan Preda, lid van de Commissie buitenlandse zaken, aan Jean Arthuis, voorzitter van de Begrotingscommissie

Vertaling

Betreft:  Bijdrage van de Commissie buitenlandse zaken aan het verslag over het mandaat voor de begrotingstrialoog

Geachte voorzitter,

wij willen u in kennis stellen van de prioriteiten van de Commissie buitenlandse zaken (AFET) voor de EU-begroting 2018 in het licht van het verslag van uw commissie over het mandaat voor de trialoog in juli.

In de eerste plaats vrezen wij dat de bedragen in de ontwerpbegroting onder hoofdstuk 4 van de uitgaven (Europa als wereldspeler), die een daling van meer dan een half miljard EUR te zien geven, zowel in vastleggings- als betalingskredieten, niet stroken met de dringende noodzaak van een intensiever optreden in de nabuurschapslanden van de EU en verder weg. Een versterkt extern optreden van de EU, met de daarvoor uitgetrokken passende middelen, blijft een essentiële voorwaarde voor een duurzaam en doeltreffend antwoord op de vele urgente uitdagingen waarmee de Unie te kampen heeft, waaronder bedreigingen voor de veiligheid en de migratie- en vluchtelingencrisis, die in de begroting 2017 als een prioriteit zijn aangemerkt.

Wij zijn ons bewust van de forse verhoging in 2017, die verder gaat dan het plafond van het meerjarig financieel kader (MFK) voor rubriek 4. Deze verhoging voor een jaar kan echter nauwelijks als toereikend worden beschouwd en de inspanningen moeten op hetzelfde peil blijven. In dit licht kunnen wij niet instemmen met het overblijven van een marge van meer dan 230 miljoen EUR in 2018. Hoewel onze commissie de noodzaak van flexibiliteit onderstreept bij het inzetten van middelen om de capaciteit van de EU inzake crisisrespons te vergroten, mag dit niet ten koste gaan van de bestaande prioritaire gebieden van de externefinancieringsinstrumenten en het beleid op de lange termijn. Derhalve moet de marge worden toegewezen en moet de nodige flexibiliteit worden gewaarborgd middels de beschikbare mechanismen van het herziene MFK.

Ons inziens moet de ondersteuning van de kandidaatlanden en potentiële kandidaatlanden bij de goedkeuring en tenuitvoerlegging van politieke, economische en sociale hervormingen met het oog op hun toetreding voor de EU een prioriteit blijven. De recente politieke ontwikkelingen op de westelijke Balkan zijn steeds zorgwekkender en vergen de urgente aandacht van Unie om te voorkomen dat de in de afgelopen decennia bereikte vooruitgang op losse schroeven komt te staan. Hoewel we zijn ingenomen met een prestatiegerichte benadering, stemmen we derhalve niet in met de voorgestelde korting van bijna 90 miljoen EUR op de steun voor politieke hervormingen in de landen van de westelijke Balkan uit hoofde van het instrument voor pretoetredingssteun (IPA), waardoor de beschikbare middelen tot bijna een derde slinken.

Ook het zorgen voor toereikende steun aan de landen van het oostelijk en zuidelijk nabuurschap blijft een essentiële politieke prioriteit voor de Commissie AFET. In dit verband steunen wij ten volle de toezegging die tijdens de conferentie in Brussel in april 2017 is gedaan om meer steun aan Syrië, Jordanië en Libanon te verlenen. Gezien het strategische belang van het nabuurschap achten wij het echter van cruciaal belang dat de geplande bijdrage van 250 miljoen EUR uit het Europees nabuurschapsinstrument (ENI) in 2018 volledig wordt gecompenseerd door een overeenkomstige verhoging en dat een algehele verlaging van de middelen voor het ENI aldus wordt voorkomen. Ook zijn wij van oordeel dat de EU haar sleutelrol bij het ondersteunen van het vredesproces in het Midden-Oosten, de Palestijnse Autoriteit en de UNRWA moet blijven vervullen.

In het licht van de dynamische ontwikkelingen van de veiligheid en de humanitaire situatie in de wereld is het van essentieel belang dat de mechanismen voor crisisrespons van de EU niet worden verzwakt, maar daarentegen worden versterkt. Bijgevolg is het van vitaal belang dat het instrument voor bijdrage aan stabiliteit en vrede (IcSP) na de onverstandige verlaging in 2017 tot zijn vorige niveaus terugkeert en verder wordt versterkt in het licht van de mogelijke nieuwe taken in 2018. De bedragen in de ontwerpbegroting zijn in dit opzicht geruststellend en wij beschouwen deze als een goede basis voor de begrotingsonderhandelingen.

In dit verband zijn de middelen uit de begroting van het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid (GBVB) voor civiele crisisbeheersingsmissies even belangrijk, omdat zij bijdragen tot de opbouw van vrede en veiligheid in de wereld. Wij willen dan ook vragen deze middelen te handhaven. Bovendien wil de Commissie AFET onderstrepen dat het Europees instrument voor democratie en mensenrechten (EIDHR) verder moet worden versterkt, ook van de steun hieruit voor verkiezingswaarnemingen.

In een tijd waarin cyberaanvallen en desinformatiecampagnes steeds meer worden ingezet om de democratische orde in de nabuurschapslanden van de EU en in de EU zelf te ondermijnen, zijn wij van mening dat het uitermate belangrijk is ervoor te zorgen dat aanzienlijke middelen worden gereserveerd om aan deze bedreigingen het hoofd te bieden.

Ten slotte betreuren wij ten aanzien van de administratieve begroting van de Europese Dienst voor extern optreden dat het voorstel van afgelopen jaar om de begrotingslijn voor speciale vertegenwoordigers van de EU uit de GBVB-begroting over te hevelen naar de EDEO, overeenkomstig de conclusies van de herziening van de EDEO van 2013, niet is goedgekeurd. Wij achten het gepast om deze kwestie weer aan de orde te stellen, aangezien een dergelijke stap zou bijdragen aan de verdere bestendiging van de diplomatieke activiteiten van de EU, en tevens besparingen zou opleveren waardoor de efficiëntie en doelmatigheid van het buitenlands beleid van de EU zou toenemen.

Wij zouden zeer erkentelijk zijn, indien tijdens de begrotingsonderhandelingen met de suggesties van onze commissie rekening wordt gehouden.

Hoogachtend,

David McAllister      Cristian Dan Preda

Kopie:  Siegfried Mureșan, rapporteur voor de EU-begroting 2018


BIJLAGE: BRIEF VAN DE COMMISSIE INTERNATIONALE HANDEL

Brief d.d. 23 juni 2017 van Reimer Böge, rapporteur van de Commissie internationale handel, aan Siegfried Mureşan, rapporteur voor het begrotingsjaar 2018, Begrotingscommissie

Vertaling

Betreft:  Mandaat voor de trialoog over de ontwerpbegroting 2018

Als rapporteur van de Commissie internationale handel (INTA) voor de begroting 2018 zou ik u willen meedelen welke de prioriteiten van INTA zijn voor de begroting 2018, zoals overeengekomen door de coördinatoren van INTA op 20 maart 2017.

In de eerste plaats is INTA van mening dat de begroting van de Europese Unie met voldoende financiële middelen het feit moet ondersteunen dat de Commissie handel als een van de belangrijkste prioriteiten in haar werkprogramma vaststelt. Handel is niet alleen een krachtig instrument om groei en werkgelegenheid in Europa te creëren, maar ook een belangrijk instrument van het buitenlands beleid, dat Europese waarden in de rest van de wereld bevordert. Handel is ook een instrument om de geopolitieke situatie te stabiliseren in dichtbij gelegen landen, door het creëren van betere vooruitzichten voor de toekomst, nieuwe markten voor lokale producenten en een bron van directe buitenlandse investeringen.

Om het hoofd te bieden aan de uitdagingen die het gevolg zijn van het veranderende geopolitieke landschap, zal het gemeenschappelijk handelsbeleid in de toekomst naar verwachting nog belangrijker worden. Het handelsbeleid van de VS kan mogelijkheden creëren in diverse regio's. Bovendien blijft de EU-agenda inzake handelsbesprekingen zeer ambitieus: modernisering van de overeenkomsten met diverse Latijns-Amerikaanse landen en Turkije, lopende onderhandelingen met de Mercosur, Japan, Indonesië, een investeringsovereenkomst met China, de ACS-landen, de Overeenkomst inzake handel in diensten (TiSA), de WTO, enz. De huidige en komende onderhandelingen zullen veel middelen blijven vergen van de diensten van de Commissie, met name van DG Handel. De begroting voor de werkzaamheden op het gebied van handel moet dus voldoende worden verhoogd om ervoor te zorgen dat de EU in staat is om met succes te onderhandelen over haar ambitieuze handelsagenda.

Opgemerkt zij evenwel dat handelsovereenkomsten niet aflopen met de sluiting ervan. De EU zou hoe dan ook baat hebben bij de toewijzing van voldoende middelen voor tussentijdse evaluaties en evaluaties achteraf van de naleving door derde landen van hun verbintenissen ten aanzien van de EU en met betrekking tot andere beleidskwesties in verband met handelsovereenkomsten, bijvoorbeeld de tenuitvoerlegging van mensen- en arbeidsrechten. Deze evaluaties moeten een belangrijk onderdeel worden van de begrotingslijnen in verband met handelsactiviteiten, omdat zij de effectiviteit zullen tonen van het handelsbeleid als geheel.

De in het kader van de EU-strategie inzake hulp voor handel gedefinieerde handelsgerelateerde bijstand is nog een belangrijk instrument om de inspanningen te ondersteunen van partnerlanden om hun handel te ontwikkelen en uit te breiden als hefboommiddel voor groei en armoedevermindering.

De INTA-leden maken zich zorgen over het feit dat sommige burgers van de Unie mondialisering gelijkstellen met een dalende Europese output en banenverlies. Om deze burgers weer aan boord te krijgen, moet de Commissie meer investeren in de ontwikkeling van een efficiëntere communicatiestrategie, zoals de EU-strategie voor handel en investeringen "Handel voor iedereen", over het handelsbeleid van de Unie en over de voordelen van internationale handel.

In dit verband willen wij benadrukken dat ten volle gebruik moet worden gemaakt van alle beschikbare EU-middelen om de internationalisering te bevorderen van kmo's. Kmo's zijn goed voor het leeuwendeel van alle banen in de EU en deze inspanning zal helpen de werkloosheid terug te dringen en de sociale cohesie binnen de EU te bevorderen. De instrumenten in kwestie bestaan al, zodat een proces inzake een evaluatie en verbetering ervan welkom is.

Tot slot zij opgemerkt dat een van de grootste uitdagingen van de EU de controle blijft van onze grenzen. Daarom blijft INTA benadrukken dat aan het Europees nabuurschapsbeleid voldoende begrotingsmiddelen moeten worden toegewezen zodat passende handelsgerelateerde technische ondersteuning en bijstand ter beschikking kunnen worden gesteld van onze belangrijkste partners, met name die van het Oostelijk Partnerschap en de landen van na de Arabische Lente. Wat deze landen betreft, benadrukt INTA met name dat het belang van het programma voor macrofinanciële bijstand tot uiting moet komen in de begroting van de Unie, aangezien dit een buitengewoon nuttig instrument blijkt te zijn om partners in een precaire financiële situatie te steunen.

Hoogachtend,

Reimer Böge


BIJLAGE: BRIEF VAN DE COMMISSIE BEGROTINGSCONTROLE

Commissie begrotingscontrole

De voorzitter

IPOL-COM-CONT D(2017)22966

De heer Jean Arthuis

Voorzitter van de Begrotingscommissie

Europees Parlement

Brussel

Betreft:  Bijdrage van de Commissie begrotingscontrole met betrekking tot het mandaat voor de trialoog over de begroting 2018

Mijnheer de voorzitter,

De Commissie begrotingscontrole verzoekt de ten principale bevoegde Begrotingscommissie in haar mandaat voor de trialoog over de begroting rekening te houden met de volgende bekommernissen:

1.  De commissie merkt op dat tegen eind 2016 de abnormale betalingsachterstand volledig werd weggewerkt overeenkomstig het betalingsplan dat in 2015 was overeengekomen met het Parlement en de Raad, en dat voor het eerst sinds 2010 de kredieten meer dan toereikend waren om de bestaande behoeften te dekken.

2.  De commissie is evenwel zeer bezorgd over het feit dat de RAL eind 2016 aanzienlijk is gestegen tot 238 miljard EUR en dat de toename van meer dan 21 miljard EUR ten opzichte van 2015 twee keer zo hoog is als oorspronkelijk verwacht; zij wijst erop dat deze situatie grotendeels toe te schrijven is aan het zeer geringe aantal betalingsaanvragen die de lidstaten voor de periode 2014-2020 indienen.

3.  De commissie benadrukt dat deze situatie daadwerkelijk de doeltreffendheid van de Europese structuur- en investeringsfondsen kan ondermijnen aangezien in sommige lidstaten de niet-opgevraagde bijdrage, samen met de verplichte cofinanciering, meer dan 15 % van het totaal aan overheidsuitgaven bedraagt voor de laatste twee periodes van het financiële kader 2007-2013 en 2014-2020.

4.  De Commissie wijst er in dit verband op dat eind 2015 vijf lidstaten (de Tsjechische Republiek, Italië, Spanje, Polen en Roemenië) goed waren voor meer dan de helft van de ongebruikte vastleggingen van structuurfondsen die niet tot betalingen hebben geleid in de programmeringsperiode 2007-2013.

5.  De commissie betreurt ten zeerste dat hierdoor het risico bestaat dat de vertragingen bij de uitvoering van de begroting voor de programmeringsperiode 2014-2020 groter zullen zijn dan voor de periode 2007-2013 het geval was, en vreest dat het komende meerjarig financieel kader zou kunnen beginnen met een nooit geziene grote RAL.

6.  De commissie is ingenomen met het feit dat het in maart 2015 vastgestelde betalingsplan het beheer van de cashflow op de korte termijn heeft verbeterd, maar benadrukt dat er voor de aanpak van de vele uitstaande vastleggingen een visie op de langere termijn vereist is, evenals een grondige beoordeling van de onderliggende oorzaken, teneinde een doeltreffende strategie uit te werken om ervoor te zorgen dat deze situatie zich in de toekomst niet meer voordoet.

7.  De commissie benadrukt dat de toepassing van artikel 50 van het Verdrag betreffende de Europese Unie zou kunnen leiden tot problemen in de wijze waarop de begroting van de Unie wordt beheerd, met name met betrekking tot de betalingen, en wijst erop dat deze cruciale kwestie moet worden geregeld in elke overgangs- of definitieve overeenkomst met de uittredende lidstaat. De commissie verzoekt de Commissie een uittredingsrekening uit hoofde van artikel 50 voor te stellen, alsook een toelichting bij de methode om deze rekening te berekenen.

8.  De commissie verzoekt de Commissie maatregelen te treffen om de regels en tijdschema's betreffende de nog uitstaande verplichtingen strikt te doen naleven, onder meer:

•  afsluiting van de programma's van 2007-2013 en vrijmaking van de daarvoor vastgelegde middelen;

•  een correct gebruik van nettocorrecties op het gebied van cohesie;

•  beperking van de door fiduciairs aangehouden kasmiddelen;

•  het opstellen van betalingsplannen en prognoses op terreinen waar sprake is van aanzienlijke uitstaande verplichtingen; en

•  terugvordering van ongebruikte kasmiddelen in financiële instrumenten onder gedeeld beheer en van de resterende ongebruikte middelen onder indirect beheer van het vorig meerjarig financieel kader, waarvoor de subsidiabiliteitsperiode is verstreken.

9.  De commissie dringt erop aan dat de Commissie bij haar begrotings- en financieel beheer dringend rekening houdt met de capaciteitsproblemen en de specifieke sociaal-economische omstandigheden in de lidstaten die in moeilijkheden verkeren, en vraagt eens te meer dat de Commissie jaarlijks een kasstroomraming voor de lange termijn opstelt met een tijdhorizon van zeven tot tien jaar inzake begrotingsmaxima, betalingsbehoeften, capaciteitsproblemen en mogelijke vrijmaking van ongebruikte middelen om de betalingsbehoeften en de beschikbare middelen beter op elkaar af te stemmen.

Hoogachtend,

Ingeborg Gräβle   Joachim Zeller

voorzitter van CONT  rapporteur voor het verlenen van kwijting aan de Commissie


BIJLAGE: BRIEF VAN DE COMMISSIE MILIEUBEHEER, VOLKSGEZONDHEID EN VOEDSELVEILIGHEID

Commissie milieubeheer, volksgezondheid en voedselveiligheid

De voorzitter

D(2017)20505

De heer Siegfried Mureşan

Algemeen rapporteur voor de begroting 2018

Begrotingscommissie

ASP 07F158

Brussel

Mijnheer de voorzitter,

Overeenkomstig het besluit van de Commissie milieubeheer, volksgezondheid en voedselveiligheid (ENVI) van 8 juni 2017 wil ik u, in mijn hoedanigheid van voorzitter van ENVI en van vaste rapporteur voor de begroting, onze aanbevelingen bezorgen inzake het mandaat voor de trialoog over de ontwerpbegroting 2018.

In het algemeen wil ik eens te meer benadrukken dat ENVI er stellig van overtuigd is dat de integratie van het klimaat en hulpbronnenefficiëntie van horizontaal belang is voor alle beleidsterreinen van de EU om de doelstellingen van de Europa 2020-strategie te verwezenlijken. De EU-begroting moet de verwezenlijking van de doelstellingen van de Overeenkomst van Parijs ondersteunen, en enkel een passend niveau van financiële steun zal bijdragen tot een beperking van de klimaatverandering en tot de overgang naar een circulaire, koolstofarme economie. Bovendien mogen door Europa gefinancierde projecten geen nadelige gevolgen hebben voor die overgang. In dit verband zou ik uw aandacht willen vestigen op de zeer teleurstellende recente bevindingen van de Europese Rekenkamer waaruit blijkt dat er een ernstig risico bestaat dat de doelstelling om ten minste 20 % van de EU-begroting te besteden aan klimaatgerelateerde acties tussen 2014 en 2020 niet zal worden gehaald. Daarom wil ik benadrukken dat alles in het werk moet worden gesteld om dit doel te bereiken.

Verder wil ik namens ENVI aandringen op de toewijzing van adequate financiering in de begroting 2018 om de bescherming van de biodiversiteit in de hele EU op de lange termijn te waarborgen. Voorts moeten de methode voor het traceren van de uitgaven voor biodiversiteit en de integratie van de bescherming van biodiversiteit in de begroting ook worden verbeterd.

Bovendien moeten de lidstaten bij hun inspanningen om te herstellen van de economische crisis het milieu- en een klimaatvriendelijk beleid, en bijbehorende maatregelen en projecten, beschouwen als een kans om de volksgezondheid te verbeteren, nieuwe groene banen te scheppen en de economische groei van kmo's te bevorderen. Gezondheid is een waarde op zich en een voorwaarde om groei in de hele EU te stimuleren.

Milieu, klimaatverandering, volksgezondheid, civiele bescherming, consumentenbescherming en veiligheid van levensmiddelen en diervoeders zijn allemaal belangrijke punten van zorg voor de EU-burgers. Daarom wil ik benadrukken dat de maxima die zijn vastgelegd in het meerjarig financieel kader volledig moeten worden geëerbiedigd, en dat elke wijziging die leidt tot een vermindering van de begrotingsprogrammering voor de betrokken begrotingsonderdelen stellig moet worden afgewezen. Tevens wil ik wijzen op het belang van de programma's LIFE en Gezondheid voor groei, alsook van het Uniemechanisme voor civiele bescherming. Bovendien mogen kleinere programma's niet worden verwaarloosd ten gunste van programma's die meer publieke en politieke aandacht krijgen.

Daarnaast wil ik benadrukken dat we ten zeerste bezorgd zijn over de budgettaire restricties voor de gedecentraliseerde EU-agentschappen die onder de bevoegdheid van onze commissie vallen, gezien het feit dat hun taken en plichten voortdurend toenemen. Deze agentschappen moeten waar nodig meer financiële en personele middelen krijgen zodat ze hun mandaat kunnen vervullen en hun taken kunnen uitvoeren. Wij zijn ernstig bezorgd over het feit dat de meeste agentschappen, niettegenstaande hun toegenomen werklast, de afgelopen jaren aanzienlijke personeelsinkrimpingen hebben ondergaan. Daarom steunen wij ten volle een aanpak waarbij de individuele behoeften van gedecentraliseerde agentschappen per geval worden beoordeeld.

Tot slot vraagt ENVI te anticiperen op de mogelijke budgettaire gevolgen van de uittreding van het Verenigd Koninkrijk uit de EU voor de agentschappen die onder haar bevoegdheid vallen (in het bijzonder het Europees Geneesmiddelenbureau), en voor EU-fondsen en programma's op het gebied van milieu, volksgezondheid en voedselveiligheid.

Ik heb een brief met vergelijkbare strekking gestuurd aan de heer Jean Arthuis, voorzitter van de Begrotingscommissie.

Hoogachtend,

Adina-Ioana Vălean


BIJLAGE. BRIEF VAN DE COMMISSIE INDUSTRIE, ONDERZOEK EN ENERGIE

Commissie industrie, onderzoek en energie

De voorzitter

De heer Jean ARTHUIS

Voorzitter

Begrotingscommissie (BUDG)

Europees Parlement

D(2017)25513

AA/lw

Straatsburg,

Betreft:  Prioriteiten van ITRE inzake het mandaat voor de trialoog over de ontwerpbegroting 2018

Geachte voorzitter,

Als voorzitter van ITRE en rapporteur voor de begroting 2018 en in het licht van de komende begrotingstrialoog wil ik u hierbij inlichten over de prioriteiten van ITRE voor de begroting 2018.

In de eerste plaats wil ik de rapporteur voor de begroting 2018, de heer Siegfried Mureşan, danken voor de vruchtbare gedachtewisseling met leden van ITRE op 25 april 2017, alsook voor de nuttige procedurele informatie die we de afgelopen maanden van het BUDG-secretariaat hebben ontvangen.

Op 15 maart 2017 heeft het Europees Parlement zijn resolutie over de algemene richtsnoeren voor de voorbereiding van de begroting 2018 aangenomen (2016/2323(BUD)). Namens ITRE heb ik de algemene richtsnoeren voor de voorbereiding van de begroting 2018 onderzocht, en ik ben verheugd te kunnen vaststellen dat de belangrijkste prioriteiten van ITRE voor de begroting 2018, waarop werd gewezen tijdens de gedachtewisseling van 25 april 2017, al ruimschoots zijn geschetst.

ITRE is het er volledig mee eens dat de EU-begroting concrete antwoorden moet bieden op de uitdagingen waarmee de EU wordt geconfronteerd, en dat de EU-begroting een belangrijk onderdeel van de oplossing voor deze kwesties blijft. Dit geldt met name voor investeringen in onderzoek en innovatie, waar onvoldoende financiering voor Horizon 2020 heeft geleid tot een laag slaagpercentage voor aanvragen. Het is verontrustend dat een steeds groter aantal voorstellen van hoge kwaliteit met een score boven de drempelwaarde in de evaluatie van het projectvoorstel niet kan worden gefinancierd – slechts ongeveer een op vier hoogwaardige ingediende voorstellen wordt voor financiering geselecteerd. Aangezien de laagste financieringspercentages voor hoogwaardige voorstellen te vinden zijn bij "technologieën van de toekomst of in opkomst", het kmo-instrument en inclusieve, innovatieve en reflexieve samenlevingen, is ITRE ingenomen met de verhoging van de kredieten op de respectieve begrotingsonderdelen in de begroting 2018.

Voorts is ITRE ingenomen met de verhoging van de begroting voor het merendeel van de maatschappelijke uitdagingen in het kader van Horizon 2020.

De commissie neemt kennis van de voorgestelde verhoging voor de voorbereidende actie inzake samenwerking op het gebied van defensie en veiligheid, en wijst erop dat het genoemde onderzoeksonderdeel in het MFK na 2020 extra geld nodig heeft omdat het een nieuw politiek initiatief betreft met aanzienlijke gevolgen voor de begroting van de EU; dit initiatief mag immers niet worden verwezenlijkt ten koste van de bestaande middelen voor onderzoek.

ITRE benadrukt tevens het belang van financiering voor de laatste fasen van onderzoek, zodat wetenschappelijke innovaties in het laboratorium zich kunnen ontwikkelen tot commerciële toepassingen. Ook zijn wij verheugd over uw aandacht voor het succes van de jongere generatie; daarom verzoeken wij de Commissie dan ook te zorgen voor nieuwe, grotere steun voor jonge onderzoekers, met name door adequate financiering toe te wijzen aan beginnende onderzoekers.

Het COSME-programma heeft zijn nut bewezen en wij zijn ten zeerste ingenomen met de steun van uw commissie om de kredieten van COSME te verhogen, aangezien kmo's een belangrijk onderdeel van de Europese economie zijn en zorgen voor veel werkgelegenheid in de EU.

Wat het energiebeleid betreft, herinnert ITRE eraan dat meer prioriteit moet worden verleend aan gebieden in de begroting voor de voltooiing van de interne energiemarkt en de ontwikkeling van een koolstofarme economie, teneinde de doelstellingen van de energie-unie en de Europese klimaatdoelstellingen te verwezenlijken. Hiertoe moet worden voorzien in passende financiering voor projecten van gemeenschappelijk belang die gericht zijn op de diversificatie van energiebronnen en aanvoerroutes en op de connectiviteit van de gas- en elektriciteitsnetwerken, alsook in aanvullende middelen voor technische bijstand van het EFSI teneinde projecten voor slimme netwerken, energie-efficiëntie en hernieuwbare energie te erkennen en op te zetten.

Om die reden, en ook om de koppeling van onze energie-, vervoers- en digitale netwerken te bevorderen, erkent ITRE het belang van de CEF, en is zij bijgevolg ingenomen met de verhoging van de begroting voor 2018.

Gezien het vermelde belang van Horizon 2020 en de CEF, stelt ITRE niettemin voor het oorspronkelijke jaarlijkse profiel te herstellen van de begrotingsonderdelen voor deze programma's waarop is gekort om in het EFSI-garantiefonds te voorzien. Deze verhoging kan worden gefinancierd door gebruik te maken van alle financiële middelen die beschikbaar zijn uit hoofde van de huidige MFK-verordening. In dit verband wil ITRE herinneren aan de toezegging van het Parlement bij de onderhandelingen over het EFSI om de negatieve gevolgen voor deze twee programma's zoveel mogelijk te beperken, omdat reeds tijdens de onderhandelingen over het MFK 2014-2020 aanzienlijk werd gesnoeid in de kredieten van deze programma's ten opzichte van het voorstel van de Commissie.

Wij zijn eveneens bezorgd over het feit dat de uitbreiding van het EFSI, dat ontegensprekelijk een zeer succesvol instrument is, en daarmee verband houdend de verhoging van 2 miljard EUR in de vorm van een garantie, Horizon 2020 en de CEF opnieuw kunnen verzwakken. Wij dringen er bijgevolg bij de rapporteur op aan deze programma's te verdedigen.

Met betrekking tot de gedecentraliseerde agentschappen van de Unie met omvangrijke uitvoerende taken om de beleidsdoelstellingen van de EU op het bevoegdheidsgebied van ITRE te verwezenlijken, zijn wij van mening dat de personeelsinkrimping met 5 % en ook de herschikkingspool in 2018 moeten worden beëindigd. ITRE is bezorgd dat de bedragen in de ontwerpbegroting 2018 van de Commissie niet toereikend zijn om de feitelijke financieringsbehoeften van het ACER-agentschap te dekken. Daarom benadrukken wij dat in voldoende financiering en personeel voor ACER moet worden voorzien vanwege de nieuwe taken die door de wetgever zijn toegewezen. Wat het GNSS-agentschap betreft, zijn de kredieten wel verhoogd, maar blijft het aantal bijkomende ambten voor het GNSS-agentschap ontoereikend om de nieuwe taken uit te voeren die door de wetgever zijn toegewezen.

In de begroting 2018 moet tevens bijzondere aandacht worden besteed aan de nieuwe wetgevingsinitiatieven, zoals WIFI4EU, waarvoor pas vorig jaar een begrotingsonderdeel in het leven is geroepen. In dit verband is ITRE ten zeerste ingenomen met het feit dat de verhogingen waarin de tussentijdse herziening van het MFK 2014-2020 voorziet, reeds zijn opgenomen in de ontwerpbegroting 2018, en dringt zij erop aan vast te houden aan de verbintenis om tussen 2017 en 2019 120 miljoen EUR te investeren in het WIFI4EU-initiatief.

ITRE neemt tevens kennis van de verhoging van de kredieten in de begroting 2018 voor de steunprogramma's voor de ontmanteling van kerncentrales. ITRE erkent de noodzaak van Europese financiële hulp bij de ontmanteling, maar betreurt de vertraging bij dit proces. Daarom pleiten wij voor een voorzichtige en weloverwogen verhoging van de respectieve begrotingsonderdelen.

Tot slot stelt ITRE met tevredenheid vast dat in de resolutie van het Parlement over de algemene richtsnoeren voor de begroting 2018 eerdere oproepen worden herhaald om in de EU-begroting passende betalingskredieten op te nemen. Het verzuim van de Unie om haar juridische en politieke verbintenissen inzake betalingskredieten na te komen kan haar betrouwbaarheid ernstige schade toebrengen, en wij waarderen oprecht uw niet aflatende inspanningen om dit probleem op te lossen.

Wij zouden het op prijs stellen als BUDG met de bovenstaande overwegingen rekening houdt bij de opstelling van haar verslag over het mandaat voor de trialoog, en wij kijken uit naar de voortzetting van de samenwerking tussen onze commissies gedurende de hele begrotingscyclus van 2018.

Hoogachtend,

(getekend)

Jerzy Buzek

cc: De heer Siegfried Mureşan, rapporteur voor de begroting 2018


BIJLAGE. BRIEF VAN DE COMMISSIE VISSERIJ

Brief d.d. 27 april 2017 van Alain Cadec, voorzitter van de Commissie visserij, aan Siegfried Mureşan, algemeen rapporteur voor de begroting 2018

Vertaling

Betreft:  Prioriteiten van de Commissie PECH voor de begroting van de Commissie voor 2018

Geachte collega,

De Commissie visserij heeft besloten om de Begrotingscommissie haar standpunten en prioriteiten voor de begroting van de Commissie voor 2018 mee te delen via een schriftelijke procedure en in de vorm van een tijdens haar laatste commissievergadering van 25 april 2017 goedgekeurde brief.

De Commissie visserij neemt kennis van het standpunt van de Raad, volgens welke bij de begroting 2018 en corrigerende begrotingsinstrumenten de toepasselijke plafonds overeenkomstig Verordening nr. 1311/2013 tot bepaling van het meerjarig financieel kader voor de jaren 2014-2020 (MFK-verordening) strikt in acht moeten worden genomen. De Raad benadrukt dat onder de plafonds toereikende marges voor onvoorziene gebeurtenissen moeten worden aangehouden.

De financiële middelen van het gemeenschappelijk visserijbeleid (GVB) zijn ondergebracht onder afdeling III en titel 11: "Maritieme zaken en visserij, het Europees Fonds voor maritieme zaken en visserij (EFMZV) en de verplichte bijdragen aan de regionale organisaties voor het beheer van de visserij en overeenkomsten."

De Commissie visserij is van mening dat de volgende prioriteiten moeten worden opgenomen in het mandaat voor de trialoog:

1. De Commissie visserij spreekt haar bezorgdheid uit over het standpunt van de Raad (volgens welke bij de begroting 2018 en corrigerende begrotingsinstrumenten de toepasselijke plafonds overeenkomstig de MFK-verordening voor de jaren 2014-2020 strikt in acht moeten worden genomen).

De middelen van het EFMZV moeten niet worden gebruikt om nieuwe initiatieven te financieren die ten koste gaan van bestaande EU-programma's en -maatregelen. Om ervoor te zorgen dat de doelstellingen van Horizon 2020, het EFMZV en het programma voor het concurrentievermogen van ondernemingen en kleine en middelgrote ondernemingen (COSME) kunnen worden verwezenlijkt, mag niet worden bezuinigd op EFSI-gerelateerde kredieten die op deze fondsen gericht zijn. De Raad heeft er opnieuw op gewezen dat onder de plafonds toereikende marges voor onvoorziene gebeurtenissen moeten worden aangehouden. Met het oog op eventuele nieuwe en onvoorziene gebeurtenissen in de nabije toekomst is dit echter niet realistisch.

Aangezien meer dan 60% van de in de EU toegeleverde visserijproducten afkomstig is uit internationale wateren en de exclusieve economische zones van derde landen, moeten in de begroting voor 2018 passende en betrouwbare begrotingsbepalingen worden opgenomen, met name in verband met de verwachte verlenging van de protocollen met Marokko, Kaapverdië, Ivoorkust, Sao Tomé en Principe en Madagaskar.

2. De Commissie visserij vestigt de aandacht op het besluit van het Verenigd Koninkrijk om de EU te verlaten, hetgeen gevolgen zal hebben voor het MFK 2014-2020. De Commissie visserij onderstreept dat in verband met de brexit bijzonder veel belang moet worden gehecht aan het proces dat tot de totstandkoming van het nieuwe financiële kader moet leiden. Er moet meer flexibiliteit worden ingebouwd in de begroting van de Unie. Dit is onontbeerlijk om de doelstellingen van de Unie te kunnen verwezenlijken.

Door het vertrek van het Verenigd Koninkrijk uit de EU zouden talrijke visbestanden niet langer toegankelijk zijn, hetgeen aanzienlijke gevolgen zou hebben voor de visserijsector en de samenstelling van de Europese vloot. De Commissie visserij wijst erop dat er kustgemeenschappen zijn waar 65% van de werkgelegenheid afhankelijk is van de visserijsector. De Commissie visserij dringt aan op passende en urgente financiële maatregelen om de economische en sociale samenhang van deze gebieden te waarborgen, daarbij rekening houdend met de brexit-onderhandelingen.

De Commissie visserij betwijfelt ten zeerste of de financiële middelen die momenteel beschikbaar zijn voor de visserijsector, volstaan om voldoende op deze situatie in te spelen.

Met vriendelijke groet,

Alain CADEC


BIJLAGE. BRIEF VAN DE COMMISSIE BURGERLIJKE VRIJHEDEN, JUSTITIE EN BINNENLANDSE ZAKEN

Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken

De voorzitter

IPOL-COM-LIBE D (2017)19959        D 308218      19.05.2017

De heer Jean Arthuis

Voorzitter van de Begrotingscommissie

ASP 09G205

Betreft:   Prioriteiten van LIBE voor de ontwerpbegroting 2018

Geachte voorzitter,

Graag wil ik uw aandacht vestigen op de prioriteiten van de LIBE-commissie met betrekking tot de onderhandelingen over de ontwerpbegroting 2018.

De Commissie LIBE is ingenomen met het recente akkoord over de tussentijdse herziening van het MFK en de grotere flexibiliteit bij de uitvoering van de begroting 2018 die daarvan het gevolg zou kunnen zijn, zoals aangegeven door de Europese Commissie in haar desbetreffende verklaring. Wij verwelkomen het beginselakkoord om rubriek 3 te verhogen met een bedrag van 2,55 miljard EUR boven het maximum in de periode 2018-2020. Wij willen er echter op wijzen dat dit bedrag werd vastgesteld op basis van alle bekende wetgevingsvoorstellen aan het einde van 2016, met inbegrip van de financiële gevolgen van de herziening van de Dublin-wetgeving (ongeveer 460 miljoen EUR per jaar), die nog niet is goedgekeurd (mei 2017), en dat sindsdien nieuwe voorstellen zijn gedaan door de Commissie.

Daarnaast kan zich een aantal nieuwe financiële behoeften voordoen in verband met nieuwe ontwikkelingen op het gebied van justitie en binnenlandse zaken, waarmee in dit totaalbedrag van 2,55 miljard EUR geen rekening is gehouden. Gecombineerd met eventuele onvoorziene gebeurtenissen gedurende de resterende periode van het MFK is het daarom mogelijk dat het bedrag van 2,55 miljard EUR ontoereikend zal zijn.

Er zij aan herinnerd dat alleen al voor 2017 middelen uit het flexibiliteitsinstrument en de marge voor onvoorziene uitgaven beschikbaar zijn gesteld voor een bedrag van 1,7 miljard EUR ter aanvulling van het plafond van rubriek 3, wat betekent dat een bedrag van 2,55 miljard EUR over de periode 2018-2020 aanzienlijke inspanningen ter vaststelling van prioriteiten zou kunnen vereisen. De prioriteiten van LIBE voor de onderhandelingen over de ontwerpbegroting 2018 vallen in drie brede beleidscategorieën: (1) asiel en migratie, (2) beheer van de buitengrenzen van de EU en (3) interne veiligheid van de Unie. Voor elk van deze drie beleidscategorieën vindt u hieronder de belangrijkste strategische uitgavenprioriteiten van LIBE voor 2018:

1) Op het gebied van asiel en migratie, is de eerste prioriteit van de LIBE-commissie de waarborging van voldoende financiering voor het instrument voor humanitaire noodhulp binnen de Unie, aangezien dit mechanisme van essentieel belang is om snel te reageren op humanitaire crises op het grondgebied van de EU. De tweede prioriteit is de financiering van maatregelen met betrekking tot de opvang en integratie van mensen die internationale bescherming wensen door middel van het AMIF. De derde prioriteit is het voorzien in voldoende middelen voor de omvorming van het Europees Ondersteuningsbureau voor asielzaken tot een volledig operationeel Europees asielagentschap.

2) Met betrekking tot de controle en het beheer van de buitengrenzen van de EU blijft de eerste prioriteit van LIBE de afdoende financiering van het Europees grens- en kustwachtagentschap, zodat dit agentschap zo snel mogelijk volledig operationeel kan worden. De tweede prioriteit betreft de financiering van het onderhoud en de ontwikkeling van bestaande en toekomstige informatiesystemen van de EU door middel van financiering van daarvoor bestemde acties in de begroting voor EU-LISA. De Commissie LIBE wenst in het bijzonder de personeelsformatie van EU-LISA te benadrukken, die zij ontoereikend acht gelet op de omvang van lopende en toekomstige projecten die vallen onder de verantwoordelijkheid van het agentschap. De Commissie LIBE beveelt derhalve aan om het personeel voor het Agentschap op afdoende wijze te verhogen.

3) Met betrekking tot het beheer van de interne veiligheid in de Unie, betreft de eerste prioriteit maatregelen om de politiële en justitiële samenwerking te versterken, als onderdeel van de Europese veiligheidsagenda, met als doel een betere bestrijding van terrorisme en grensoverschrijdende criminaliteit. Dit moet acties omvatten in de werkplannen van de betrokken agentschappen, de ontwikkeling van het huidige SIS II-systeem zoals voorgesteld door de Commissie, alsmede toekomstige ontwikkelingen op het gebied van wetshandhaving in verband met de informatiesystemen van de EU. De commissie LIBE vraagt daarom om een passende toewijzing van middelen aan Eurojust. De tweede prioriteit betreft het financieren van acties ter bestrijding van cybercriminaliteit in overeenstemming met de prioriteiten inzake gegevensbescherming en gegevensbeveiliging, alsmede de Europese veiligheidsagenda en de herziene Europese strategie voor cyberbeveiliging, die naar verwachting in de tweede helft van 2017 zal worden vastgesteld.

De Commissie LIBE herinnert eraan dat externe programma’s die buiten haar bevoegdheden vallen gevolgen hebben voor de financieringsbehoeften binnen de Unie. Daarom benadrukt de commissie LIBE het belang van efficiënte en doeltreffende programmering en monitoring van de fondsen die zijn toegewezen in het kader van de externe financieringsinstrumenten van de Unie.

Tot slot beveelt de Commissie LIBE aan dat het Parlement de Commissie verzoekt een wetgevingsvoorstel in te dienen om ervoor te zorgen dat de middelen die niet zijn gebruikt in het kader van het tijdelijk mechanisme voor herplaatsing ter ondersteuning van Italië en Griekenland, dat in september 2017 afloopt, worden herverdeeld onder rubriek 3.

Hoogachtend,

Claude MORAES


BIJLAGE: BRIEF VAN DE COMMISSIE CONSTITUTIONELE ZAKEN

Brief d.d. 1 juni 2017 van Danuta Maria Hübner, voorzitter van de Commissie constitutionele zaken, aan Jean Arthuis, voorzitter van de Begrotingscommissie

Vertaling

Betreft:  Prioriteiten van AFCO inzake het mandaat voor de trialoog over de begroting 2018

Geachte voorzitter,

De Commissie constitutionele zaken, waarvan ik voorzitter ben, is zich ervan bewust dat de begrotingsprocedure dit jaar iets later van start is gegaan dan gebruikelijk, namelijk met de presentatie van de raming van de Commissie voor 2018 op 30 mei 2017. Aangezien deze vertraging een zeer krap tijdschema oplegt voor de goedkeuring van uw verslag over het mandaat voor de trialoog over de begroting 2018, ben ik als rapporteur voor het AFCO-advies over de begroting 2018 gemandateerd om onze bijdrage aan de voorbereiding van dit ontwerpverslag te leveren in de vorm van een brief waarin de prioriteiten van AFCO voor de begroting voor het volgende jaar worden uiteengezet.

De Commissie constitutionele zaken zou dan ook uw aandacht willen vestigen op de volgende prioritaire gebieden die dit jaar tijdens de begrotingsonderhandelingen moeten worden aangepakt:

- communicatie met de burgers moet een van de topprioriteiten zijn voor de begroting van alle Europese instellingen in 2018, niet alleen omdat de Europese verkiezingen van 2019 in aantocht zijn, maar ook om te zorgen voor een breed publiek debat en betrokkenheid van de burger bij het debat over de toekomst van Europa als reactie op het witboek dat de Commissie eerder dit jaar heeft gepresenteerd. Hierbij kunnen de Europese publieke ruimten die in 18 lidstaten al bestaan, fungeren als waardevolle kanalen voor een dialoog met de burgers en kan 2018 als een goed jaar worden beschouwd om te proberen te activiteiten hiervan te verruimen;

- wat de begroting van het Parlement betreft, is AFCO tevreden met het feit dat de communicatiestrategie voor de verkiezingen van 2019 is herzien om rekening te houden met te lessen die zijn getrokken uit de verkiezingscampagne van 2014. Het is uiterst belangrijk een daling van de opkomstcijfers te voorkomen en daarom moeten communicatie en dialoog met de burgers via alle mogelijke kanalen de kern vormen van de communicatiestrategie van het Parlement. De burgers moeten zich betrokken, vertegenwoordigd en aangesproken voelen. Daarom moet de communicatiestrategie van het Parlement ook zo veel mogelijk aansluiten bij de op 11 november 2015 in dit Huis goedgekeurde voorstellen voor een hervorming van het Europese kiesrecht;

- wat de gebruikelijke begrotingsprioriteiten van AFCO betreft, ben ik tevreden met de verhoging zowel van de vastleggingskredieten als van de betalingskredieten voor het programma "Europa voor de burger" en met de verhoging van de vastleggingskredieten voor het programma "Rechten, gelijkheid en burgerschap". Ik maak me evenwel zorgen over de lichte daling die is vast te stellen van de vastleggingskredieten voor het Europees burgerinitiatief. Aangezien deze instrumenten van essentieel belang zijn om de processen van participatieve democratie in de EU te intensiveren en om het vertrouwen en het inzicht van de burgers in het Europees beleid en de Europese politiek te vergroten, zou AFCO graag zien dat deze programma's, evenals de onderliggende communicatiestrategieën, passende financiering krijgen om de doelstellingen ervan te verwezenlijken;

Ik ben ervan overtuigd dat de Begrotingscommissie onze suggesties in aanmerking zal nemen bij het opstellen van het mandaat voor de trialoog over de begroting 2018.

Hoogachtend,

Prof. Danuta Hübner

CC:  Siegfried Mureşan, BUDG-rapporteur voor de begroting 2018 - Afdeling III Commissie

  Richard Ashworth, BUDG-rapporteur voor de begroting 2018 - Overige afdelingen


INFORMATIE OVER DE GOEDKEURINGIN DE TEN PRINCIPALE BEVOEGDE COMMISSIE

Datum goedkeuring

29.6.2017

 

 

 

Uitslag eindstemming

+:

–:

0:

22

3

2

Bij de eindstemming aanwezige leden

Nedzhmi Ali, Jonathan Arnott, Jean Arthuis, Richard Ashworth, Reimer Böge, Lefteris Christoforou, Gérard Deprez, Manuel dos Santos, José Manuel Fernandes, Eider Gardiazabal Rubial, Esteban González Pons, Clare Moody, Siegfried Mureşan, Jan Olbrycht, Younous Omarjee, Paul Rübig, Patricija Šulin, Indrek Tarand, Isabelle Thomas, Inese Vaidere, Tiemo Wölken

Bij de eindstemming aanwezige vaste plaatsvervangers

Xabier Benito Ziluaga, Nicola Caputo, Anneli Jäätteenmäki, Ivana Maletić, Stanisław Ożóg, Tomáš Zdechovský


HOOFDELIJKE EINDSTEMMING IN DE TEN PRINCIPALE BEVOEGDE COMMISSIE

22

+

ALDE

Nedzhmi Ali, Jean Arthuis, Gérard Deprez, Anneli Jäätteenmäki

PPE

Reimer Böge, Lefteris Christoforou, José Manuel Fernandes, Esteban González Pons, Ivana Maletić, Siegfried Mureşan, Jan Olbrycht, Paul Rübig, Inese Vaidere, Tomáš Zdechovský, Patricija Šulin

S&D

Nicola Caputo, Eider Gardiazabal Rubial, Clare Moody, Isabelle Thomas, Tiemo Wölken, Manuel dos Santos

Verts/ALE

Indrek Tarand

3

-

EFDD

Jonathan Arnott

GUE/NGL

Xabier Benito Ziluaga, Younous Omarjee

2

0

ECR

Richard Ashworth, Stanisław Ożóg

Verklaring van de gebruikte tekens:

+  :  voor

-  :  tegen

0  :  onthouding

Juridische mededeling - Privacybeleid