VERSLAG over het voorstel voor een besluit van de Raad waarbij Oostenrijk en Roemenië worden gemachtigd om, in het belang van de Europese Unie, de toetreding van Panama, Uruguay, Colombia en El Salvador tot het Verdrag van 's-Gravenhage van 1980 betreffende de burgerrechtelijke aspecten van internationale ontvoering van kinderen te aanvaarden
23.11.2017 - (COM(2017)0369 – C8‑0231/2017 – 2017/0153(NLE)) - *
Commissie juridische zaken
Rapporteur: Angel Dzhambazki
PR_NLE-CN_Agreement_app
ONTWERPWETGEVINGSRESOLUTIE VAN HET EUROPEES PARLEMENT
over het voorstel voor een besluit van de Raad waarbij Oostenrijk en Roemenië worden gemachtigd om, in het belang van de Europese Unie, de toetreding van Panama, Uruguay, Colombia en El Salvador tot het Verdrag van 's-Gravenhage van 1980 betreffende de burgerrechtelijke aspecten van internationale ontvoering van kinderen te aanvaarden
(COM(2017)0369 – C8‑0231/2017 – 2017/0153(NLE))
(Raadpleging)
Het Europees Parlement,
– gezien het voorstel voor een besluit van de Raad (COM(2017)0369),
– gezien artikel 38, vierde alinea, van het Verdrag van 's-Gravenhage van 1980 betreffende de burgerrechtelijke aspecten van internationale ontvoering van kinderen,
– gezien artikel 81, lid 3, en artikel 218, lid 6, tweede alinea, onder b), van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, op grond waarvan het door de Raad wordt geraadpleegd (C8‑0231/2017),
– gezien het advies van het Hof van Justitie[1] over de exclusieve externe bevoegdheid van de Europese Unie voor een verklaring van aanvaarding van toetreding tot het Verdrag van ’s-Gravenhage van 1980 betreffende de burgerrechtelijke aspecten van internationale ontvoering van kinderen,
– gezien artikel 78 quater en artikel 108, lid 8, van zijn Reglement,
– gezien het verslag van de Commissie juridische zaken (A8-0362/2017),
1. hecht zijn goedkeuring aan de machtiging aan Oostenrijk en Roemenië om, in het belang van de Europese Unie, de toetreding van Panama, Uruguay, Colombia en El Salvador tot het Verdrag van 's-Gravenhage van 1980 betreffende de burgerrechtelijke aspecten van internationale ontvoering van kinderen te aanvaarden;
2. verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad, de Commissie en de regeringen en parlementen van de lidstaten alsook aan het Permanent Bureau van de Haagse Conferentie voor Internationaal Privaatrecht.
- [1] Advies van het Hof van Justitie van 14 oktober 2014, 1/13, ECLI:EU:C:2014:2303.
TOELICHTING
Het Verdrag van 's-Gravenhage van 25 oktober 1980 inzake de burgerrechtelijke aspecten van internationale ontvoering van kinderen is een instrument van het grootste belang. Het is door alle EU-lidstaten geratificeerd.
Dit verdrag voorziet in een regeling waarbij de verdragsluitende staten samenwerken om een oplossing te vinden in geval van internationale ontvoering van minderjarigen.
Zeer vaak doen deze problemen zich voor tussen echtelieden die uit elkaar gaan. Het kan voor de echtgenoot die uit een andere staat afkomstig is, verleidelijk zijn om het gebrek aan interstatelijke samenwerking uit te buiten om het gezagsrecht over de kinderen te verkrijgen. In de pers wordt vaak bericht over gevallen van internationale ontvoering van kinderen bij een scheiding van tafel en bed of echtscheiding.
Het grootste probleem in zulke gevallen wordt gevormd door partijdigheid van de rechtspraak in elke staat. Maar al te vaak gebeurt het dan dat de rechters in elk van beide betrokken staten zich bevoegd verklaren, waarna zij ieder het gezagsrecht over het kind toewijzen aan de ouder van de eigen nationaliteit.
Het verdrag moet op internationaal niveau een oplossing in deze situatie brengen, door de rechter en het recht van het land van de woonplaats van het kind aan te wijzen als zijnde bevoegd respectievelijk van toepassing. Het verdrag voorziet tevens in een procedure die de onmiddellijke terugkeer van het ontvoerde kind moet garanderen.
De EU heeft in deze materie nu exclusieve externe bevoegdheid, zoals het Hof van Justitie in zijn advies 1/13 heeft bepaald. De lidstaten kunnen dus niet meer op eigen gezag optreden. Het probleem is dat het verdrag geen bepalingen bevat die zelfstandig optreden van internationale organisaties mogelijk maken.
Panama heeft op 2 februari 1994 het instrument voor toetreding tot het verdrag van 1980 neergelegd. Het verdrag is op 1 mei 1994 in werking getreden in Panama. Het verdrag van 1980 is reeds in werking tussen Panama en 26 lidstaten van de EU. Alleen Oostenrijk en Roemenië hebben de toetreding van Panama tot het verdrag nog niet aanvaard.
Uruguay heeft op 18 november 1999 het instrument voor toetreding tot het verdrag van 1980 neergelegd. Het verdrag is op 1 februari 2000 in werking getreden in Uruguay. Het verdrag van 1980 is reeds in werking tussen Uruguay en 25 lidstaten van de EU. Alleen Oostenrijk, Denemarken en Roemenië hebben de toetreding van Uruguay tot het verdrag nog niet aanvaard.
Colombia heeft op 13 december 1995 het instrument voor toetreding tot het verdrag van 1980 neergelegd. Het verdrag is op 1 maart 1996 in werking getreden in Colombia. Het verdrag van 1980 is reeds in werking tussen Colombia en 25 lidstaten van de EU. Alleen Oostenrijk, Denemarken en Roemenië hebben de toetreding van Colombia tot het verdrag nog niet aanvaard.
El Salvador heeft op 5 februari 2001 het instrument voor toetreding tot het verdrag van 1980 neergelegd. Het verdrag is op 1 mei 2001 in werking getreden in El Salvador. Het verdrag van 1980 is reeds in werking tussen El Salvador en 25 lidstaten van de EU. Alleen Oostenrijk, Denemarken en Roemenië hebben de toetreding van El Salvador tot het verdrag nog niet aanvaard.
Omdat internationale kinderontvoering tot de exclusieve externe bevoegdheden van de Europese Unie behoort, moet voor de beslissing over de aanvaarding van de toetreding van Panama, Uruguay, Colombia en El Salvador op EU-niveau een besluit van de Raad worden vastgesteld. Oostenrijk en Roemenië zouden daarom in het belang van de Europese Unie een verklaring van aanvaarding van de toetreding van Panama, Uruguay, Colombia en El Salvador moeten neerleggen.
Als gevolg van de aanvaarding door Oostenrijk en Roemenië zou het verdrag van 1980 van toepassing worden tussen Uruguay, Colombia, El Salvador en alle EU-lidstaten, met uitzondering van Denemarken. Wat Panama betreft, zal het verdrag van 1980 van toepassing worden met alle lidstaten van de EU.
De toetreding van Panama, Uruguay, Colombia en El Salvador tot dit verdrag kan met instemming worden begroet. De rapporteur stelt het Parlement dan ook voor het voorstel ongewijzigd te aanvaarden, om te kunnen waarborgen dat de bescherming van de kinderen waar het hier om gaat, zich over het gehele gebied van de Unie uitstrekt.
PROCEDURE VAN DE BEVOEGDE COMMISSIE
|
Titel |
Besluit van de Raad waarbij Oostenrijk en Roemenië worden gemachtigd om, in het belang van de Europese Unie, de toetreding van Panama, Uruguay, Colombia en El Salvador tot het Verdrag van 's-Gravenhage van 1980 betreffende de burgerrechtelijke aspecten van internationale ontvoering van kinderen te aanvaarden |
||||
|
Referenties |
COM(2017)0369 – C8-0231/2017 – 2017/0153(NLE) |
||||
|
Datum raadpleging / verzoek om goedkeuring |
25.7.2017 |
|
|
|
|
|
Bevoegde Commissie Datum bekendmaking |
JURI 11.9.2017 |
|
|
|
|
|
Adviserende commissies Datum bekendmaking |
LIBE 11.9.2017 |
|
|
|
|
|
Geen advies Datum besluit |
LIBE 7.9.2017 |
|
|
|
|
|
Rapporteurs Datum benoeming |
Angel Dzhambazki 12.7.2017 |
|
|
|
|
|
Datum goedkeuring |
21.11.2017 |
|
|
|
|
|
Uitslag eindstemming |
+: –: 0: |
24 0 0 |
|||
|
Bij de eindstemming aanwezige leden |
Max Andersson, Joëlle Bergeron, Marie-Christine Boutonnet, Jean-Marie Cavada, Mady Delvaux, Rosa Estaràs Ferragut, Enrico Gasbarra, Lidia Joanna Geringer de Oedenberg, Sylvia-Yvonne Kaufmann, Gilles Lebreton, António Marinho e Pinto, Jiří Maštálka, Emil Radev, Julia Reda, Evelyn Regner, Pavel Svoboda, József Szájer, Axel Voss, Francis Zammit Dimech, Tadeusz Zwiefka |
||||
|
Bij de eindstemming aanwezige vaste plaatsvervangers |
Isabella Adinolfi, Daniel Buda, Angelika Niebler, Tiemo Wölken |
||||
|
Bij de eindstemming aanwezige plaatsvervangers (art. 200, lid 2) |
John Flack, Emma McClarkin |
||||
|
Datum indiening |
23.11.2017 |
||||
HOOFDELIJKE EINDSTEMMINGIN DE BEVOEGDE COMMISSIE
|
24 |
+ |
|
|
ALDE ECR EFDD ENF GUE/NGL PPE S&D VERTS/ALE |
Jean-Marie Cavada, Antonio Marinho e Pinto John Flack, Emma McClarkin Isabella Adinolfi, Joëlle Bergeron Marie-Christine Boutonnet, Gilles Lebreton Jiří Maštálka Daniel Buda, Rosa Estaràs Ferragut, Emil Radev, József Szájer, Axel Voss, Francis Zammit Dimech, Tadeusz Zwiefka Mady Delvaux, Enrico Gasbarra, Lidia Joanna Geringer de Oedenberg, Sylvia-Yvonne Kaufmann, Evelyn Regner, Tiemo Wölken Max Andersson, Julia Reda |
|
|
0 |
- |
|
|
|
|
|
|
0 |
0 |
|
|
|
|
|
Verklaring van de gebruikte tekens:
+ : voor
- : tegen
0 : onthouding