Procedure : 2017/2039(INI)
Stadium plenaire behandeling
Documentencyclus : A8-0406/2017

Ingediende teksten :

A8-0406/2017

Debatten :

PV 17/01/2018 - 17
CRE 17/01/2018 - 17

Stemmingen :

PV 18/01/2018 - 6.6
Stemverklaringen

Aangenomen teksten :

P8_TA(2018)0018

VERSLAG     
PDF 480kWORD 107k
21.12.2017
PE 606.092v02-00 A8-0406/2017

over de uitvoering van het jongerenwerkgelegenheidsinitiatief in de lidstaten

(2017/2039(INI))

Commissie werkgelegenheid en sociale zaken

Rapporteur: Romana Tomc

AMENDEMENTEN
ONTWERPRESOLUTIE VAN HET EUROPEES PARLEMENT
 TOELICHTING
 ADVIES van de Begrotingscommissie
 ADVIES van de Commissie begrotingscontrole
 ADVIES van de Commissie cultuur en onderwijs
 ADVIES van de Commissie rechten van de vrouw en gendergelijkheid
 INFORMATIE OVER DE GOEDKEURING IN DE BEVOEGDE COMMISSIE
 HOOFDELIJKE EINDSTEMMING IN DE BEVOEGDE COMMISSIE

ONTWERPRESOLUTIE VAN HET EUROPEES PARLEMENT

over de uitvoering van het jongerenwerkgelegenheidsinitiatief in de lidstaten

(2017/2039(INI))

Het Europees Parlement,

–  gezien Verordening (EU) nr. 1304/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 betreffende het Europees Sociaal Fonds en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1081/2006 van de Raad(1),

–  gezien Verordening (EU) 2015/779 van het Europees Parlement en de Raad van 20 mei 2015 tot wijziging van Verordening (EU) nr. 1304/2013, inzake een aanvullend initieel voorfinancieringsbedrag dat wordt uitgekeerd aan door het Jongerenwerkgelegenheidsinitiatief gesteunde operationele programma's(2),

–  gezien de aanbeveling van de Raad van 22 april 2013 over de invoering van een jongerengarantie(3),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 4 oktober 2016 getiteld "Drie jaar jongerengarantie en jongerenwerkgelegenheidsinitiatief" (COM(2016)0646),

–  gezien speciaal verslag nr. 3/2015 van de Europese Rekenkamer van maart 2015 getiteld "De EU‑jongerengarantie: eerste stappen genomen, maar uitvoeringsrisico's in het verschiet",

–  gezien speciaal verslag nr. 5/2017 van de Europese Rekenkamer van maart 2017 getiteld: "Jeugdwerkloosheid – heeft het EU-beleid een verschil gemaakt? Een evaluatie van de jongerengarantie en het jongerenwerkgelegenheidsinitiatief",

–  gezien zijn resolutie van 24 oktober 2017 over de controle van de uitgaven en het toezicht op de kosteneffectiviteit van de EU‑garantieregelingen voor jongeren(4),

–  gezien de grondige analyse van zijn beleidsondersteunende afdeling Begrotingszaken van 3 februari 2016 getiteld "Assessment of Youth Employment Initiative",

–  gezien het voorstel van de Commissie van 10 juni 2016 voor een aanbeveling van de Raad tot invoering van een vaardighedengarantie (COM(2016)0382),

–  gezien zijn resolutie van 24 mei 2012 over het initiatief "Kansen voor jongeren"(5),

  gezien de aanbeveling van de Raad van 10 maart 2014 inzake een kwaliteitskader voor stages,

–  gezien het Europees Sociaal Handvest, het bijkomende protocol hierbij en de herziene versie ervan, die in werking is getreden op 1 juli 1999,

–  gezien de door de VN in 2015 aangenomen duurzameontwikkelingsdoelstellingen voor 2030 (SDG's), die wereldwijd, met inbegrip van de EU, van toepassing zijn, en met name SDG 8 betreffende de bevordering van "aanhoudende, inclusieve en duurzame economische groei, volledige en productieve werkgelegenheid en waardig werk voor iedereen",

–  gezien het verslag van Jean-Claude Juncker, in nauwe samenwerking met Donald Tusk, Jeroen Dijsselbloem, Mario Draghi en Martin Schulz, van 22 juni 2015 over de voltooiing van de economische en monetaire unie ("verslag van de vijf voorzitters"), de discussienota van de Commissie van 26 april 2017 over de sociale dimensie van Europa, de discussienota van de Commissie van 31 mei 2017 over de verdieping van de economische en monetaire unie, en het Witboek van de Commissie van 1 maart 2017 over de toekomst van Europa,

–  gezien de mededeling van de Commissie van 26 april 2017 getiteld "Establishing a European Pillar of Social Rights" (COM(2017)0250) en Aanbeveling (EU) 2017/761 van de Commissie van 26 april 2017 over de Europese pijler van sociale rechten(6),

–  gezien de werkzaamheden en de onderzoeken die zijn uitgevoerd door Cedefop, de Internationale Arbeidsorganisatie (IAO), de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling (OESO), het Europees Verbond van Vakverenigingen (EVV) en het Europees Vakbondsinstituut (ETUI), de Europese ondernemingsorganisatie (BusinessEurope), de Europese Unie van het Ambacht en van het Midden- en Kleinbedrijf (UEAPME), het Europees Centrum van overheidsbedrijven (CEEP), Eurocities en het Europees Jeugdforum,

–  gezien de toespraak van voorzitter Juncker van 13 september 2017 over de staat van de Unie, de routekaart naar een meer verenigde, sterkere en democratischere Unie (ontwerp-werkprogramma van de Commissie tot eind 2018) en de intentieverklaring van de Commissie aan voorzitter Antonio Tajani en aan de premier van Estland, Jüri Ratas, van 13 september 2017,

–  gezien artikel 52 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie werkgelegenheid en sociale zaken en de adviezen van de Begrotingscommissie, de Commissie begrotingscontrole, de Commissie cultuur en onderwijs en de Commissie rechten van de vrouw en gendergelijkheid (A8‑0406/2017),

A.  overwegende dat de jeugdwerkloosheid door de financiële en economische crisis en de naar aanleiding daarvan genomen bezuinigingsmaatregelen is gestegen van 15 % in 2008 tot een piek van 24 % begin 2013, maar dat dit gemiddelde enorme verschillen tussen lidstaten en regio's maskeert; overwegende dat de jeugdwerkloosheid in 2013 in Duitsland, Oostenrijk en Nederland rond de 10 % bleef, terwijl die in Italië, Spanje, Kroatië en Griekenland piekte op bijna 40 % of ruim daarboven;

B.  overwegende dat al is gebleken dat crisismaatregelen om de overheidsuitgaven in de crisislanden te beperken, rechtstreeks een negatieve impact op met name jongeren hebben als gevolg van besparingen op het gebied van onderwijs, het scheppen van banen en ondersteunende diensten;

C.  overwegende dat er beleidsmaatregelen zijn ontwikkeld die gevolgen hebben voor jongeren, zonder dat de betreffende jongeren en hun vertegenwoordigers daarbij betrokken werden;

D.  overwegende dat langdurige jeugdwerkloosheid ertoe kan leiden dat jongeren gemarginaliseerd en maatschappelijk uitgesloten worden, waardoor zij zich geïsoleerd voelen en een "brandmerkeffect" kan ontstaan, wat betekent dat er een grotere kans bestaat dat zij opnieuw werkloos raken, en geconfronteerd worden met lagere lonen en minder goede loopbaanvooruitzichten tijdens hun werkzame leven; overwegende dat een situatie waarin jongeren aan de kant worden geschoven een verlies aan publieke en private investeringen impliceert, hetgeen leidt tot een wijdverbreide jobonzekerheid en een achteruitgang van verworven vaardigheden, gezien het onbenutte en teruglopende menselijk kapitaal dat dit met zich meebrengt;

E.  overwegende dat in 2012 een op de drie Europese werknemers over- of ondergekwalificeerd was voor zijn of haar baan(7), en overwegende dat jongere werknemers over het algemeen vaker formeel overgekwalificeerd zijn, terwijl zij ook vaker dan oudere werknemers werkzaam zijn in banen die minder goed aansluiten bij hun vaardigheden;

F.  overwegende dat jonge werknemers een hoger risico lopen om in een onzekere baan terecht te komen; overwegende dat de kans om in een beroep met meervoudige nadelen terecht te komen voor werknemers jonger dan 25 jaar dubbel zo hoog is als voor werknemers van 50 jaar of ouder(8);

G.  overwegende dat een succesvolle overgang van school naar werk of van inactiviteit naar werk en het hebben van een eerste echte baan jongeren mondig maakt en motiveert, waarmee zij worden geholpen om hun persoonlijke en professionele vaardigheden te ontwikkelen zodat zij onafhankelijke burgers met zelfvertrouwen worden en hun loopbaan een goede start krijgt;

H.  overwegende dat de jeugdwerkloosheid in de EU-28, na het bereiken van een piek van 24 % in 2013, gestaag is afgenomen tot minder dan 17 % in 2017; overwegende dat het jeugdwerkloosheidspercentage hoog blijft, dat er slechts enkele lidstaten zijn (Oostenrijk, Tsjechië, Nederland, Malta, Hongarije en Duitsland) waarin het jeugdwerkloosheidspercentage minder dan 11 % bedraagt, en dat er grote verschillen zijn tussen de lidstaten;

I.  overwegende dat uit een uitsplitsing naar geslacht van deeltijd- en voltijdbanen in Europa naar voren komt dat de genderkloof tussen 2007 en 2017 onveranderd is gebleven, aangezien mannen in de leeftijdsgroep van 15 tot 24 jaar nog steeds 60 % van de voltijdbanen bekleden, terwijl zij in dezelfde leeftijdsgroep rond 40 % van de deeltijdwerkers blijven uitmaken;

J.  overwegende dat, als statistisch gegeven, de jeugdwerkloosheid helaas over het algemeen tweemaal zo hoog is als de totale gemiddelde werkloosheid, zowel tijdens perioden van economische groei als tijdens recessies;

Jongerenwerkgelegenheidsinitiatief en jongerengarantie

K.  overwegende dat de Raad op 22 april 2013 middels een aanbeveling van de Raad een jongerengarantie heeft ingevoerd, waarmee de lidstaten zich ertoe verbinden jongeren binnen vier maanden nadat zij werkloos zijn geworden of het formele onderwijs hebben verlaten een deugdelijk aanbod voor een baan, voortgezette scholing, een plaats in het leerlingstelsel of een stage aan te bieden;

L.  overwegende dat veel lidstaten, aangezien zij weinig succes hebben geboekt met de regelingen en mogelijkheden die tot nu toe beschikbaar waren in de strijd tegen jeugdwerkloosheid, meer aandacht moeten besteden aan de effectieve toepassing van de financiële middelen en instrumenten die beschikbaar zijn in het kader van het Europees Sociaal Fonds (ESF);

M.  overwegende dat de Raad in februari 2013 besloot tot het lanceren van het jongerenwerkgelegenheidsinitiatief, dat werd gelanceerd als het voornaamste begrotingsinstrument van de EU – gekoppeld aan het ESF– om regio's in lidstaten met een hoge jeugdwerkloosheid te helpen, in het bijzonder door de invoering van jongerengarantieregelingen;

N.  overwegende dat de jongerengarantie een EU-brede verbintenis inhoudt, terwijl het jongerenwerkgelegenheidsinitiatief gericht is op de lidstaten en regio's met een jeugdwerkloosheid van meer dan 25 %, waarvoor in totaal twintig lidstaten ofwel geheel, ofwel gedeeltelijk in aanmerking komen;

O.  overwegende dat met het oog op het snel beschikbaar maken van middelen de begroting van het jongerenwerkgelegenheidsinitiatief voor 2014 en 2015 vervroegd werd vastgelegd teneinde met de door het initiatief gefinancierde maatregelen een zo groot mogelijk effect te creëren; overwegende dat de vervroegde vastlegging op zichzelf tekortschoot als maatregel door vertragingen bij de tenuitvoerlegging op nationaal en regionaal niveau; overwegende dat het voorfinancieringspercentage in 2015 onder voorwaarden werd opgetrokken van 1 % tot 30 %, en dat de meeste beschikbare lidstaten deze maatregel met succes hebben toegepast;

P.  overwegende dat een belangrijke ambitie in het kader van het jongerenwerkgelegenheidsinitiatief erin bestaat jongeren te bereiken die geen werk hebben en geen onderwijs of opleiding volgen (NEET's), en die het hoogste risico op uitsluiting lopen, waarbij rekening wordt gehouden met het feit dat de aanduiding NEET's verschillende subgroepen van jongeren omvat die uiteenlopende behoeften hebben;

Q.  overwegende dat de jongerengarantie is ontworpen om NEET's duurzaam te laten integreren in de arbeidsmarkt door een geïndividualiseerde benadering aan te bieden die moet leiden tot een deugdelijk aanbod voor een baan en een grotere inzetbaarheid van jongeren, en, in een bredere context, om jongeren te ondersteunen bij de overgang van school naar werk en om discrepanties tussen gevraagde en aangeboden vaardigheden op de arbeidsmarkt te helpen aanpakken; overwegende dat gepaste bereikstrategieën van de lidstaten noodzakelijk zijn in dit verband;

R.  overwegende dat de IAO de kosten van de uitvoering van de jongerengarantie in de EU‑28 in 2015 schatte op 45 miljard EUR; overwegende dat het jongerenwerkgelegenheidsinitiatief voor de programmeringsperiode 2014-2020 over een bescheiden begroting van 6,4 miljard EUR kon beschikken, ter aanvulling van nationale financiering en niet ter vervanging daarvan;

S.  overwegende dat de Commissie in het kader van de herziening van het meerjarig financieel kader (MFK) voor 2017-2020 heeft voorgesteld de begroting voor het jeugdwerkloosheidsinitiatief te verhogen met 1 miljard EUR, aangevuld met een bedrag van 1 miljard EUR aan ESF-vastleggingen; overwegende dat het Parlement en de Raad een akkoord hebben bereikt over de verhoging van dat bedrag tot 1,2 miljard EUR; overwegende dat het Parlement op 5 september 2017 zijn goedkeuring heeft gehecht aan het ontwerp van gewijzigde begroting nr. 3/2017, dat voorziet in een aanvullende toewijzing van 500 miljoen EUR aan het jongerenwerkgelegenheidsinitiatief in 2017, gefinancierd uit de overkoepelende marge voor vastleggingen, en dat het betreurt dat de begrotingsprocedure 2017 is vertraagd als gevolg van het blokkeren en de late goedkeuring door de Raad van de tussentijdse herziening van het MFK;

T.  overwegende dat de Europese Rekenkamer in haar eerste speciaal verslag over de jongerengarantie haar zorgen uitsprak over de toereikendheid van de financiering (zowel op EU- als op nationaal niveau) van het initiatief, over de definitie van een "deugdelijk aanbod", over het gebrek aan een strategie met duidelijke mijlpalen en doelstellingen en over het toezicht op en de rapportage van de resultaten; overwegende dat de Rekenkamer ook bezorgdheid heeft geuit over de te beperkte toepassing van de partnerschapsbenadering, die werd opgenomen in de aanbeveling van de Raad van 22 april 2013, bij de ontwikkeling van de jongerengarantie;

U.  overwegende dat er behoefte is aan daadwerkelijk doeltreffende mechanismen om de problemen bij de uitvoering van jongerengarantieregelingen te bespreken en op te lossen, alsook aan een sterk engagement van de lidstaten om de jongerengarantie volledig uit te voeren door het verbeteren van vaardigheden en de invoering van gepaste, flexibele evaluatiestructuren, met bijzondere aandacht voor de lokale omstandigheden;

V.  overwegende dat de Europese Rekenkamer in haar speciaal verslag over de jongerengarantie een aantal gemeenschappelijke criteria heeft genoemd op grond waarvan kan worden bepaald wanneer er sprake is van een "deugdelijke aanbieding", waarbij zij heeft geconstateerd dat Slowakije een wettelijke bindende definitie kent die vereisten omvat met betrekking tot de minimale duur van de baan, duurzaamheid van de baan na beëindiging van de steun door het jongerenwerkgelegenheidsinitiatief en de inaanmerkingneming van de gezondheidstoestand van de begunstigde;

W.  overwegende dat de Europese Rekenkamer in haar onlangs gepubliceerde tweede speciaal verslag over de jongerengarantie en het jongerenwerkgelegenheidsinitiatief, waarvan de bevindingen zijn gebaseerd op een steekproef van zeven lidstaten, zich bezorgd toont over hoe moeilijk het is om toegang te krijgen tot de volledige gegevens en over de beperkte vooruitgang die is geboekt bij de uitvoering van de jongerengarantie, met resultaten die achterblijven bij de aanvankelijke verwachtingen; overwegende dat het jongerenwerkgelegenheidsinitiatief en de jongerengarantie nog steeds behoren tot de meest innovatieve en ambitieuze beleidsreacties op de jeugdwerkloosheid ten gevolge van de economische crisis, en zij dus de komende jaren nog financieel en politiek ondersteund moeten worden door Europese, nationale en regionale instellingen;

X.  overwegende dat de kosteneffectiviteit van het jongerenwerkgelegenheidsinitiatief en het uiteindelijke doel van de jongerengarantie om jongeren duurzaam aan werk te helpen alleen kunnen worden verwezenlijkt als er naar behoren toezicht wordt gehouden op de activiteiten, op basis van betrouwbare en vergelijkbare gegevens, als de programma's resultaatgericht zijn, en als aanpassingen gebeuren wanneer maatregelen ondoeltreffend of te duur blijken te zijn;

Y.  overwegende dat meer inspanningen door de lidstaten vereist zijn voor een beleid dat speciaal gericht is op en steun biedt aan de jongeren die het verst van de arbeidsmarkt staan of daarvan volledig zijn uitgesloten, zoals jongeren met een handicap;

Z.  overwegende dat het jongerenwerkgelegenheidsinitiatief en de jongerengarantie een centrale rol zouden moeten spelen bij de verwezenlijking van de kernbeginselen van de Europese pijler van sociale rechten;

AA.  overwegende dat de voorzitter van de Commissie, Jean-Claude Juncker, in zijn toespraak van 2017 over de staat van de Unie geen gewag heeft gemaakt van de nog steeds alarmerend hoge jeugdwerkloosheid in Europa; overwegende dat de ondersteunende rol van de jongerengarantie bij het scheppen van banen is erkend in de intentieverklaring bij de toespraak over de staat van de Unie van 2017; overwegende dat de bestrijding van werkloosheid en in het bijzonder jeugdwerkloosheid een prioriteit moet blijven bij het optreden van de Unie;

AB.  overwegende dat er vertraging is geconstateerd bij betalingen aan jongeren in het kader van door het jongerenwerkgelegenheidsinitiatief gefinancierde maatregelen, wat vaak het gevolg is van te late voorbereiding door de beheersinstanties of ontoereikende administratieve capaciteiten bij nationale of regionale instanties;

AC.  overwegende dat maatregelen in het kader van het jongerenwerkgelegenheidsinitiatief en de jongerengarantie, zoals stages of traineeships, de overgang naar de arbeidsmarkt dienen te vergemakkelijken en niet in de plaats mogen komen van reguliere arbeidscontracten;

AD.  overwegende dat onregelmatige arbeidsregelingen en het verzuim zich als werkloos te registreren de statistische gegevens over jonge vrouwen in plattelandsgebieden onnauwkeurig maken en ongelijkheden ten aanzien van hun pensioenen creëren; overwegende dat deze praktijk een negatieve invloed heeft op de gehele samenleving en met name op het welzijn van vrouwen, andere sociale verzekeringen, kansen met betrekking tot verandering van loopbaan en toekomstige arbeidsmogelijkheden;

AE.  overwegende dat 16 miljoen NEET's onder een jongerengarantieregeling vallen en dat het jongerenwerkgelegenheidsinitiatief rechtstreekse steun heeft verleend aan meer dan 1,6 miljoen jongeren in de EU;

AF.  overwegende dat de lidstaten in het kader van het jongerenwerkgelegenheidsinitiatief meer dan 132 maatregelen ten aanzien van jongeren op de arbeidsmarkt hebben goedgekeurd;

AG.  overwegende dat 75 % van de totale begroting voor het jongerenwerkgelegenheidsinitiatief is vastgelegd en dat 19 % reeds door de lidstaten is geïnvesteerd, waardoor het uitvoeringspercentage van de begroting voor het jongerenwerkgelegenheidsinitiatief het hoogste van de Europese structuur- en investeringsfondsen (ESI-fondsen) is;

AH.  overwegende dat uit diverse verslagen over het jongerenwerkgelegenheidsinitiatief blijkt dat ondanks zorgen over de toereikendheid van de financiering en de ramingen van de in totaal noodzakelijke investeringen, de beschikbare middelen met succes worden afgestemd op de regionale vraag, doordat ze gericht worden ingezet voor specifieke regio's en doelgroepen;

AI.  overwegende dat de Commissie sinds de introductie van de Europese werkgelegenheidsstrategie in 1997 een reeks maatregelen heeft ondersteund om de arbeids- en onderwijsmogelijkheden van jongeren te verbeteren(9); overwegende dat de inspanningen van de EU zich sinds de crisis met name hebben gericht op de jongerengarantie en het jongerenwerkgelegenheidsinitiatief;

AJ.  overwegende dat de jongerengarantie wordt gefinancierd uit het Europees Sociaal Fonds (ESF), de nationale begrotingen en het jongerenwerkgelegenheidsinitiatief, en dat het jongerenwerkgelegenheidsinitiatief het directe aanbod van banen, leerling- en stageplaatsen of vervolgonderwijs voor de doelgroep van het jongerenwerkgelegenheidsinitiatief in de in aanmerking komende regio's kan financieren; overwegende ten slotte dat maatregelen in het kader van het jongerenwerkgelegenheidsinitiatief geen vooraf bepaalde duur hebben, terwijl in het kader van de jongerengarantie binnen vier maanden een aanbod moet worden gedaan;

AK.  overwegende dat de jongerengarantie ertoe heeft geleid dat in de lidstaten structurele hervormingen zijn doorgevoerd, met name om het onderwijs- en opleidingsaanbod beter te laten aansluiten op de behoeften van de arbeidsmarkt, om op die manier de doelstellingen van de jongerengarantie te verwezenlijken;

AL.  overwegende dat externe factoren, zoals de specifieke economische situatie of het productiemodel van de betreffende regio, van invloed zijn op de verwezenlijking van de in het kader van de jongerengarantie gestelde doelen;

Inleiding

1.  meent dat de jongerengarantie een eerste stap moet zijn in de richting van een op rechten gebaseerde benadering van de behoeften van jongeren op het gebied van werkgelegenheid; herinnert eraan dat werkgevers de plicht hebben om mee te werken aan het bieden van toegankelijke beroepsopleidingsprogramma's, startersbanen en hoogwaardige stages aan jongeren;

2.  benadrukt dat het kwalitatieve aspect van fatsoenlijk werk voor jongeren in geen geval in de verdrukking mag komen; onderstreept dat de fundamentele arbeidsnormen en andere normen met betrekking tot de kwaliteit van werk, zoals werktijden, minimumloon, sociale zekerheid en gezondheid en veiligheid op het werk, centrale uitgangspunten moeten blijven van alle geleverde inspanningen;

3.  wijst op de aanzienlijke verschillen tussen de economische prestaties op het gebied van economische en werkgelegenheidsgroei in de EU‑28, hetgeen een krachtig beleidsantwoord vereist; erkent dat bepaalde lidstaten achterblijven bij de uitvoering van de nodige structurele hervormingen; merkt op dat banen worden gecreëerd door middel van deugdelijk economisch beleid en arbeidsmarkt- en investeringsbeleid, wat uiteindelijk verantwoordelijkheden van de lidstaten zijn; maakt zich zorgen over de langetermijneffecten op de economische ontwikkeling van regio's die te maken hebben met een braindrain van hoogopgeleiden;

4.  herinnert eraan dat in de uitvoeringsvoorschriften van het jongerenwerkgelegenheidsinitiatief wordt bepaald dat de lidstaten moeten kiezen uit verschillende manieren om het programma uit te voeren (als exclusief programma, als prioritaire pijlers binnen een bestaand operatief programma of als onderdeel van verschillende prioritaire pijlers); wijst erop dat er, gezien de verschillende manieren waarop het programma kan worden uitgevoerd en op basis van de verkregen resultaten, goede werkwijzen moeten worden uitgewisseld met het oog op hun opneming in toekomstige etappes van het programma;

5.  neemt met bezorgdheid kennis van speciaal verslag nr. 5/2017 van de Rekenkamer, waarin wordt gesteld dat het risico bestaat dat Europese middelen de nationale financiering gewoonweg vervangen, zonder meerwaarde op te leveren; herinnert eraan dat het jongerenwerkgelegenheidsinitiatief, in lijn met het additionaliteitsbeginsel, tot doel heeft een aanvulling te vormen op de nationale financiering, en niet in de plaats te komen van het beleid en de middelen van de lidstaten zelf om jeugdwerkloosheid te bestrijden; benadrukt dat de begroting van het jongerenwerkgelegenheidsinitiatief ontoereikend is om de ambitie waar te maken om alle jongeren binnen vier maanden nadat zij werkloos zijn geworden of het formele onderwijs hebben verlaten een deugdelijk aanbod voor een baan, voortgezet onderwijs, plaats in het leerlingstelsel of stageplaats te doen, en dat dit ook nooit de bedoeling is geweest;

6.  benadrukt dat het jongerenwerkgelegenheidsinitiatief met name als een motor moet fungeren voor beleidshervormingen en betere coördinatie op de gebieden van werkgelegenheid en onderwijs, met name in lidstaten met een hoge jeugdwerkloosheid, om ervoor te zorgen dat die lidstaten geïntegreerde, alomvattende en langetermijnbenaderingen voor het aanpakken van jeugdwerkloosheid invoeren die de inzetbaarheid van jongeren vergroten, die jongeren betere kansen bieden en die leiden tot duurzame werkgelegenheid, in plaats van een reeks gefragmenteerde (bestaande) beleidsmaatregelen; is van oordeel dat het jongerenwerkgelegenheidsinitiatief en de jongerengarantie krachtige instrumenten zijn in de strijd tegen de sociale uitsluiting van de meest kansarme jongeren; is van mening dat het belangrijk is te werken aan het realiseren van de doelstellingen van de Europa 2020-strategie op het gebied van werkgelegenheid, schooluitval en sociale uitsluiting;

7.  herinnert eraan dat er, naar aanleiding van de aanbevelingen van de Raad over de oprichting van de jongerengarantie, zes aandachtsgebieden zijn vastgesteld waarop de regelingen van de jongerengarantie moeten worden gebaseerd: ontwikkeling van op partnerschap gebaseerde benaderingen, vroegtijdige interventie en activering, ondersteunende maatregelen met het oog op integratie in de arbeidsmarkt, gebruik van EU-fondsen, beoordeling en voortdurende verbetering van de regeling, en snelle uitvoering ervan(10); wijst erop dat, volgens de evaluatieverslagen, heel weinig lidstaten gegevens en volledige evaluaties hebben verschaft over deze aspecten;

8.  benadrukt dat er meer geïnvesteerd moet worden in zowel de binnenlandse mobiliteit alsook in de grensoverschrijdende mobiliteit om het werkloosheidspercentage onder jongeren te verlagen en discrepanties tussen gevraagde en aangeboden vaardigheden aan te pakken; vraagt om vraag en aanbod van werk en vaardigheden beter op elkaar af te stemmen door de mobiliteit tussen (grensoverschrijdende) regio's te faciliteren; erkent dat de lidstaten bijzondere aandacht moeten besteden aan een betere aansluiting tussen de onderwijssystemen en de arbeidsmarkt in grensoverschrijdende regio's, bijvoorbeeld door onderwijs in de buurtalen te stimuleren;

9.  herinnert eraan dat de hoge jeugdwerkloosheid onder meer wordt veroorzaakt door: de gevolgen van de mondiale economische crisis voor de arbeidsmarkt, voortijdig schoolverlaten zonder toereikende kwalificaties, het gebrek aan passende capaciteiten en aan werkervaring, de tendens van onzekere, kortdurende arbeidsvormen die worden gevolgd door perioden van werkloosheid, beperkte opleidingsmogelijkheden en ontoereikende of ongeschikte actieve arbeidsmarktprogramma's;

10.  vindt dat het toezicht op de jongerengarantie op geloofwaardige gegevens moet stoelen; acht de toezichtsgegevens en ‑resultaten die momenteel beschikbaar zijn onvoldoende voor een algemene beoordeling van de uitvoering en resultaten van het jongerenwerkgelegenheidsinitiatief als het voornaamste financieringsvehikel van de EU voor jongerengarantieregelingen, wat in het bijzonder te wijten is aan de initiële vertraging bij het opstarten van operationele programma's door de lidstaten en het feit dat die programma's zich nog in een relatief vroege fase bevinden; hamert erop dat het aanpakken van jeugdwerkloosheid een prioriteit moet blijven bij het optreden van de Unie; is evenwel bezorgd over de bevindingen in het laatste verslag van de Rekenkamer over het effect van het jongerenwerkgelegenheidsinitiatief en de jongerengarantie als EU-beleidsmaatregelen om de jeugdwerkloosheid aan te pakken, rekening houdend met de beperkte territoriale en temporele reikwijdte ervan;

11.  is van mening dat een strategie voor de heropleving van de werkgelegenheid voor jongeren, wil deze daadwerkelijk effectief zijn, moet voorzien in rondetafeldiscussies met belanghebbende partijen, met inachtneming van de territoriale context waarin de strategie moet worden toegepast, en moet voorzien in gerichte opleidingen die beantwoorden aan wat de bedrijfswereld nodig heeft maar ook rekening houden met de ambities en vaardigheden van jongeren; benadrukt dat deze strategie moet zorgen voor kwalitatief hoogstaande opleidingen en volledige transparantie bij de toewijzing van middelen aan opleidingsinstanties, onder meer door een strikt toezicht op de besteding van deze middelen;

12.  betreurt dat de lidstaten hebben besloten zich alleen tot het niet-bindende instrument te verbinden waarin de aanbeveling van de Raad voorziet; wijst erop dat het doel van de jongerengarantie in tal van lidstaten bij lange na niet is bereikt;

De meest achtergestelde jongeren bereiken

13.  wijst op het risico dat jongeren met een handicap noch onder het jongerenwerkgelegenheidsinitiatief noch onder de jongerengarantie vallen; roept de Commissie en de lidstaten op hun operationele programma's aan te passen om ervoor te zorgen dat de maatregelen in het kader van het jongerenwerkgelegenheidsinitiatief en de jongerengarantie daadwerkelijk toegankelijk zijn voor alle personen met een handicap teneinde gelijke toegang voor gehandicapte jongeren te bieden, en in specifieke behoeften te voorzien;

14.  benadrukt dat het bereiken van NEET's krachtige en aanhoudende inspanningen door nationale autoriteiten alsmede sectoroverstijgende samenwerking vereist, aangezien de NEET's een heterogene groep vormen met uiteenlopende behoeften en vaardigheden; benadrukt dat nauwkeurigere en bredere gegevens over de gehele NEET-populatie nodig zijn opdat zij kunnen worden geregistreerd en doeltreffender kunnen worden bereikt, aangezien doelgroepen aan de hand van meer uitgesplitste gegevens beter kunnen worden afgebakend en initiatieven met betrekking tot werkgelegenheid beter kunnen worden afgestemd op de ontvangers;

15.  stelt dat jeugdwerkloosheid niet louter een gevolg is van de kloof tussen de vraag naar en het aanbod van vaardigheden, maar ook te maken heeft met onder meer een gebrek aan nieuwe banen ten gevolge van de de‑industrialisering in Europa, outsourcing en speculatie, alsook een verslechtering van deze situatie door de crisis en bezuinigingen; is van mening dat onderwijs en opleiding alleen het probleem van de jeugdwerkloosheid in Europa niet zullen kunnen oplossen;

16.  is van mening dat de jongerengarantie en het jongerenwerkgelegenheidsinitiatief niet ter vervanging mogen dienen van de toepassing van macro-economische instrumenten en van ander beleid ter bevordering van de jeugdwerkgelegenheid; wijst erop dat het bij de beoordeling van de uitvoering en de invloed van de garantie belangrijk is rekening te houden met de verschillende begrotings- en macro-economische omstandigheden in de lidstaten; is van mening dat het belangrijk is een structurele hervorming van het jongerenwerkgelegenheidsinitiatief voor de lange termijn uit te stippelen indien de duur van het programma verlengd wordt; betoogt dat er duidelijk behoefte bestaat aan een betere coördinatie tussen de verschillende lidstaten;

17.  spreekt zijn steun uit voor de ontwikkeling van centrale loketten om ervoor te zorgen dat alle diensten en vormen van begeleiding voor jongeren gemakkelijk en kosteloos toegankelijk en beschikbaar zijn op één plek;

18.  maakt zich zorgen over eerste waarnemingen waaruit blijkt dat er verbeteringen nodig zijn op het gebied van de registratie en het bereiken van alle NEET's, in het bijzonder diegenen die moeilijk re-integreerbaar blijken; roept de lidstaten op om passende en op maat gesneden strategieën in te voeren om alle NEET's te bereiken en om een geïntegreerde aanpak te hanteren om meer geïndividualiseerde ondersteuning en diensten beschikbaar te maken voor jongeren die met meerdere belemmeringen kampen; dringt er bij de lidstaten op aan om bijzondere aandacht te besteden aan de behoeften van kwetsbare NEET's en om vooringenomenheid en negatieve houdingen ten opzichte van hen uit te bannen;

19.  benadrukt dat het noodzakelijk is maatregelen af te stemmen op de lokale behoeften om hun effect te vergroten; roept de lidstaten op om bijzondere maatregelen met betrekking tot jongerenwerkgelegenheid in te voeren in landelijke gebieden;

20.  verzoekt de lidstaten om snel te zorgen voor een betere voorlichting over de bestaande steunprogramma's voor jongeren, met name voor de groepen die het verst van de arbeidsmarkt staan, aan de hand van bewustmakingscampagnes via zowel traditionele als moderne mediakanalen zoals sociale netwerken;

Waarborging van de kwaliteit van aanbiedingen in het kader van het jongerenwerkgelegenheidsinitiatief

21.  neemt kennis van de oproep om de term "deugdelijk aanbod" te definiëren; benadrukt de noodzaak om een alomvattende en algemeen aanvaarde definitie uit te werken, waarbij rekening gehouden kan worden met de werkzaamheden die het Comité voor de werkgelegenheid in samenwerking met de Commissie, de IAO en de relevante belanghebbenden heeft verricht; wijst erop dat een kwalitatief hoogstaand aanbod een veelzijdige maatregel is die door de ontwikkeling van vaardigheden tot een duurzame en passende integratie van de deelnemers op de arbeidsmarkt leidt, en benadrukt dat dit aanbod moet aansluiten op het kwalificatieniveau en profiel van de deelnemers en rekening moet houden met de behoeften van de arbeidsmarkt; dringt er bij de lidstaten op aan te verzekeren dat de relevante sociale bescherming, regelgeving over arbeidsomstandigheden en compensatieniveaus voor de deelnemers gelden; vestigt de aandacht op de kwaliteitsnormen die zijn vermeld in de richtsnoeren van de Commissie inzake de evaluatie van het jongerenwerkgelegenheidsinitiatief ("Guidance on the evaluation of the Youth Employment Initiative") van 2015, waarin de kenmerken van aanbiedingen voor een baan, de afstemming ervan op de behoeften van de deelnemer, de resultaten van de aanbiedingen in termen van integratie op de arbeidsmarkt en het percentage niet aangenomen aanbiedingen en snel weer opgezegde banen worden genoemd als indicatoren voor de evaluatie van de kwaliteit van het werk;

22.  herinnert eraan dat de IAO "fatsoenlijk werk" heeft gedefinieerd als "werk dat productief is en een billijk inkomen oplevert, veiligheid op de werkplek en sociale bescherming biedt, betere vooruitzichten op persoonlijke ontwikkeling en sociale integratie biedt, mensen de vrijheid geeft om voor hun belangen op te komen, zich te organiseren en deel te nemen aan de besluitvorming die van invloed is op hun leven, en waarbij alle vrouwen en mannen gelijke kansen krijgen en gelijk worden behandeld", en dat in het geval van werkende jongeren nog steeds niet aan deze minimumnorm wordt voldaan;

23.  is van mening dat jongeren ook bij de controle van de kwaliteit van het aanbod betrokken moeten worden;

24.  benadrukt dat met een "aanbod van een kwalitatief goed contract" met betrekking tot een stageplaats wordt bedoeld dat ten minste de volgende garanties worden geëerbiedigd: een stageperiode moet zijn gebaseerd op een schriftelijk contract, dat transparante informatie bevat over de rechten en plichten van de contractsluitende partijen, dat concrete doelstellingen vaststelt en een kwalitatief goed leerplan formuleert; er moet een mentor of toezichthouder worden aangewezen die de resultaten van de stagiair aan het eind van de stageperiode evalueert; de duur van de stage moet worden gespecificeerd, er moet een maximale duur worden vastgesteld voor stages bij dezelfde werkgever, de dekking die wordt geboden binnen het socialezekerheidsstelsel moet worden verduidelijkt en de beloning moet in het contract worden gespecificeerd;

25.  moedigt de lidstaten aan om hun operationele programma's in het kader van het jongerenwerkgelegenheidsinitiatief in samenwerking met de sociale partners en jongerenorganisaties voortdurend bij te werken en te herzien, teneinde hun maatregelen beter af te stemmen op de daadwerkelijke behoeften van de jongeren en de arbeidsmarkt;

26.  onderstreept dat vaststellen of de begroting voor het jongerenwerkgelegenheidsinitiatief goed wordt besteed, en of het uiteindelijke doel van het jongerenwerkgelegenheidsinitiatief om werkloze jongeren duurzaam aan werk te helpen wordt bereikt, alleen mogelijk is als er nauwlettend en transparant toezicht op de activiteiten wordt gehouden op basis van betrouwbare en vergelijkbare gegevens, en als lidstaten die geen vooruitgang hebben geboekt voor een meer ambitieuze aanpak kiezen; roept de lidstaten op om het toezicht, de verslaglegging en de kwaliteit van de gegevens dringend te verbeteren, en te garanderen dat er betrouwbare en vergelijkbare gegevens over de lopende tenuitvoerlegging van het jongerenwerkgelegenheidsinitiatief worden verzameld en tijdig beschikbaar worden gesteld, frequenter dan vereist is uit hoofde van hun jaarlijkse verslagleggingsplicht, zoals bepaald in artikel 19, lid 2 van de ESF‑verordening; verzoekt de Commissie haar richtsnoeren over gegevensverzameling in overeenstemming met de aanbeveling van de Europese Rekenkamer te herzien om het risico op te rooskleurig voorgestelde resultaten tot een minimum te beperken;

27.  neemt nota van de voorstellen voor programma's en de verschillende programmatypes die door de lidstaten in het kader van het jongerenwerkgelegenheidsinitiatief ontwikkeld zijn; is van mening dat de nationale regelgeving in verschillende lidstaten vaag is met betrekking tot de doelstellingen en benadering, onduidelijk is geformuleerd en geen brede portefeuille van mogelijkheden biedt om de werkgelegenheid te bevorderen; is van mening dat de grote speelruimte en het gebrek aan duidelijke toezichtsmechanismen in sommige gevallen heeft geleid tot de substitutie van bestaande werkplekken door aanbiedingen in het kader van het jongerenwerkgelegenheidsinitiatief;

28.  is bezorgd over berichten over oneigenlijk gebruik van in het kader van het jongerenwerkgelegenheidsinitiatief gefinancierde maatregelen, waaronder trage betaling aan jongeren of misbruik van stages, bijvoorbeeld het buitensporig gebruik ervan; drukt de bereidwilligheid uit om deze praktijken uit te bannen; is van mening dat herhaald gebruik van de jongerengarantie niet mag ingaan tegen het idee van marktactivering en tegen het doel van een meer permanente integratie in de arbeidsmarkt;

29.  verzoekt de Commissie en de lidstaten om beste praktijken vast te stellen, uit te wisselen en te verspreiden om van elkaars beleid te leren en bij te dragen tot het formuleren en ten uitvoer leggen van op empirisch bewijs gebaseerd beleid; benadrukt dat veranderingen op de arbeidsmarkt en de digitalisering van de economie een nieuwe benadering van het jeugdwerkgelegenheidsbeleid noodzakelijk maken; merkt op dat het jongerenwerkgelegenheidsinitiatief meer gebruik moet maken van effectieve instrumenten om jeugdwerkloosheid te verminderen, en geen inefficiënte werkgelegenheidsbeleidsmaatregelen mag recycleren;

30.  herhaalt dat partnerschapsbenaderingen volgens de aanbeveling van de Raad van cruciaal belang zijn voor de uitvoering van de regelingen voor een jongerengarantie en voor het bereiken van NEET's; verzoekt de lidstaten om naar een aanpak met partnerschappen streven door de belanghebbende partijen actief te identificeren en te betrekken en door het jongerengarantieprogramma beter te promoten bij bedrijven, met name kmo's en kleinere familiebedrijven; benadrukt dat bewijs van de lidstaten die reeds vóór de invoering van het programma jongerengarantieachtige benaderingen volgden, laat zien dat een succesvolle aanpak op basis van samenwerking met belanghebbende partijen van essentieel belang is voor het welslagen van de uitvoering;

31.  benadrukt de belangrijke rol van jongerenorganisaties als tussenschakel tussen jongeren en de openbare diensten voor arbeidsvoorziening; moedigt de lidstaten in deze context aan om nauw samen te werken met jongerenorganisaties op nationaal, regionaal en lokaal niveau bij de communicatie over en de planning, tenuitvoerlegging en beoordeling van het jongerenwerkgelegenheidsinitiatief;

32.  benadrukt het belang van bekwame en gemoderniseerde openbare diensten voor arbeidsvoorziening voor het aanbieden van op NEET's afgestemde diensten; roept de lidstaten op om bij de tenuitvoerlegging van het jongerenwerkgelegenheidsinitiatief hun openbare diensten voor arbeidsvoorziening beter te coördineren op EU-niveau binnen het Netwerk van openbare diensten voor arbeidsvoorziening; moedigt de ontwikkeling van verdere synergieën tussen openbare en particuliere diensten voor arbeidsvoorziening, bedrijven en onderwijsstelsels aan; moedigt een wijdverspreid gebruik van e-overheid aan om de administratieve rompslomp te verminderen;

33.  verzoekt de Commissie een landenspecifieke raming te maken van de jaarlijkse kosten die in de afzonderlijke lidstaten nodig zijn om de jongerengarantie doeltreffend ten uitvoer te leggen, en daarbij rekening te houden met de raming door de IAO;

34.  onderstreept dat het aanbod van stageplaatsen in het kader van de jongerengarantie moet worden bevorderd, aangezien stageplaatsen slechts 4,1 % uitmaken van de tot nu toe aanvaarde aanbiedingen;

Slotopmerkingen

35.  benadrukt de noodzaak van een strategie om het jongerenwerkgelegenheidsinitiatief om te vormen van een crisisinstrument tot een stabieler EU-financieringsinstrument voor het aanpakken van jeugdwerkloosheid in de periode na 2020, dat een snelle en ongecompliceerde mobilisering van middelen verzekert, en waarmee met een cofinancieringsvereiste wordt vastgesteld om de hoofdverantwoordelijkheid van de lidstaten te onderstrepen; merkt op dat bij de verlenging van het jongerenwerkgelegenheidsinitiatief rekening gehouden moet worden met de opmerkingen van de Rekenkamer; benadrukt dat de algemene doelstelling van het programma de duurzame integratie van jongeren in de arbeidsmarkt is; benadrukt de noodzaak van duidelijke, meetbare doelstellingen; benadrukt dat deze elementen besproken moeten worden in het kader van het volgende MFK om continuïteit, kosteneffectiviteit en toegevoegde waarde te verzekeren;

36.  herhaalt zijn steun voor het jongerenwerkgelegenheidsinitiatief; benadrukt dat verdere inspanningen en een aanhoudend politiek en financieel engagement ter bestrijding van jeugdwerkloosheid absoluut noodzakelijk zijn; herinnert er in het bijzonder aan dat moet worden gewaarborgd dat voor het jongerenwerkgelegenheidsinitiatief ten minste 700 miljoen EUR wordt uitgetrokken voor de periode 2018-2020, zoals overeengekomen bij de tussentijdse herziening van het MFK; verzoekt tevens om de toewijzing van voldoende betalingskredieten om voor een behoorlijke en tijdige tenuitvoerlegging van het jongerenwerkgelegenheidsinitiatief te zorgen;

37.  beklemtoont dat de kwaliteit van aanbiedingen in het kader van het jongerenwerkgelegenheidsinitiatief en de jongerengarantie moet worden verhoogd en roept op tot een discussie over de in aanmerking komende leeftijdscategorie;

38.  is van mening dat, om ervoor te zorgen dat dit kwaliteitskader voor jeugdwerkgelegenheid operationeel wordt, vorderingen moeten worden gemaakt met de goedkeuring van een aanbeveling met een juridische grondslag in artikelen 292 en 153 van het Verdrag betreffende de Werking van de Europese Unie (VWEU), en dat een reeks maatregelen moet worden genomen op het gebied van voorlichting, bijvoorbeeld het opzetten van een toegankelijke, geactualiseerde website met relevante informatie over de regulering van stages in elke lidstaat;

39.   erkent dat het jongerenwerkgelegenheidsinitiatief een financieringsinstrument is dat bedoeld is ter aanvulling van initiatieven van de lidstaten voor het aanpakken van het hoge jeugdwerkloosheidspercentage en dat grotere inspanningen van de lidstaten dringend noodzakelijk zijn om onderwijsstelsels beter te laten aansluiten op arbeidsmarkten, zodat meer jongeren op een duurzame manier kunnen integreren in de arbeidsmarkt; verwelkomt de ingevoerde maatregelen en beleidslijnen om de discrepantie tussen aangeboden en gevraagde vaardigheden aan te pakken; erkent dat de benutting van vaardigheden een uitdaging blijft in heel Europa en is van oordeel dat het dus noodzakelijk is om te verzekeren dat de gevraagde en aangeboden vaardigheden beter op elkaar afgestemd zijn;

40.  is van mening dat het jongerenwerkgelegenheidsinitiatief en de jongerengarantie van essentieel belang zijn voor de doeltreffende tenuitvoerlegging van de kernbeginselen van de Europese pijler van sociale rechten, met name aanbeveling 1 inzake onderwijs, opleiding en een leven lang leren; aanbeveling 4 inzake actieve ondersteuning bij het vinden van werk; aanbeveling 5 inzake veilige en flexibele werkgelegenheid; aanbeveling 6 inzake loon; aanbeveling 8 inzake sociale dialoog en betrokkenheid van werknemers; aanbeveling 10 inzake een gezonde, veilige en goed aangepaste werkomgeving en gegevensbescherming; aanbeveling 12 inzake sociale bescherming; aanbeveling 13 inzake werkloosheidsuitkeringen; en aanbeveling 14 inzake minimuminkomen;

41.  verzoekt de Commissie en de lidstaten zich, samen met de IAO, extra in te spannen om informatie op maat te verschaffen en de nationale capaciteit te vergroten om jongerengarantieregelingen te ontwikkelen en evalueren op basis van de volgende aspecten: garantie dat het initiatief volledig en op duurzame wijze ten uitvoer wordt gelegd, verbetering van de benadering van de NEET's die nog niet geregistreerd staan en jongeren met lage kwalificaties, het vergroten van de capaciteiten en het verbeteren van de kwaliteit van de aanbiedingen;

42.  merkt op, in afwachting van de uiteindelijke cijfers van de Commissie op basis van de gegevens van de lidstaten, dat naar schatting 203 000 personen aan het eind van 2015 het jongerenwerkgelegenheidsinitiatief hadden afgerond, een aantal dat overeenkomt met 4 % van alle deelnemers; toont zijn bezorgdheid over het hoge aantal deelnemers dat het jongerenwerkgelegenheidsinitiatief in sommige lidstaten niet afrondt; is van mening dat het belangrijk is de stimuleringsmaatregelen te intensiveren om te voorkomen dat jongeren het jongerenwerkgelegenheidsinitiatief zien als een programma dat weinig nut heeft;

43.  herinnert eraan dat het jongerenwerkgelegenheidsinitiatief financiële steun moet bieden voor maatregelen ter bevordering van de integratie van jonge NEET's op de arbeidsmarkt, zoals (betaalde) stages en plaatsen in het leerlingstelsel, maar niet mag verworden tot substituut van bezoldigd werk in eigenlijke zin;

44.  stelt voor om een Europese "hotline ter bestrijding van schending van jongerenrechten" op te richten, zodat jongeren eventuele negatieve ervaringen bij hun deelname aan maatregelen in het kader van het jongerenwerkgelegenheidsinitiatief en de jongerengarantie rechtstreeks kunnen melden aan de Commissie, zodat informatie kan worden verzameld en mogelijk misbruik bij de uitvoering van door de EU gefinancierd beleid kan worden onderzocht;

45.  is verheugd over het feit dat in de intentieverklaring bij de toespraak van voorzitter Juncker over de staat van de Unie 2017 gewag wordt gemaakt van een voorstel voor de oprichting van een Europese arbeidsautoriteit om de samenwerking tussen arbeidsmarktautoriteiten op alle niveaus te versterken en grensoverschrijdende situaties beter aan te pakken, alsook verdere initiatieven om eerlijke arbeidsmobiliteit te bevorderen;

46.  erkent dat het jongerenwerkgelegenheidsinitiatief voor een afname van de jongerenwerkloosheid en een evenwicht tussen mannen en vrouwen heeft gezorgd, aangezien het initiatief ongeveer 48 % mannen en 52 % vrouwen heeft bereikt;

47.  wenst dat Richtlijn 2000/78/EG tot instelling van een algemeen kader voor gelijke behandeling in arbeid en beroep en Richtlijn 2010/41/EU betreffende de toepassing van het beginsel van gelijke behandeling van zelfstandig werkzame mannen en vrouwen volledig ten uitvoer worden gelegd binnen het jongerenwerkgelegenheidsinitiatief;

48.  acht het noodzakelijk dat de Commissie en de lidstaten met positieve maatregelen komen om te waarborgen dat jonge vrouwen en meisjes werk van goede kwaliteit krijgen aangeboden en niet in kwetsbare, onderbetaalde en tijdelijke banen met geen of weinig rechten terechtkomen of blijven hangen;

49.  verzoekt de lidstaten naar geslacht uitgesplitste statistische gegevens te verzamelen zodat de Commissie een effectbeoordeling van het jongerenwerkgelegenheidsinitiatief en van het evenwicht tussen mannen en vrouwen kan lanceren en er een grondige beoordeling en analyse van de uitvoering van het initiatief mogelijk wordt gemaakt;

50.  roept de lidstaten op om manieren te vinden om de terugkeer van jonge vrouwen naar de arbeidsmarkt, naar school of naar een opleiding te ondersteunen door toe te zien op de gelijkheid van mannen en vrouwen in de toegang tot arbeid, carrièrekansen, het combineren van werk en privéleven, het aanbieden van kinderopvang en zorgvoorzieningen voor volwassenen en het bevorderen van gelijke betaling voor werk van gelijke waarde;

51.  dringt er bij de lidstaten op aan meer inspanningen te leveren voor de verbetering van maatregelen in onderwijsinstellingen om bij te dragen aan de blijvende bescherming van risicojongeren;

52.  stelt bezorgd vast dat in de recentste beoordelingsverslagen(11) werd benadrukt dat het jongerenwerkgelegenheidsinitiatief in de eerste uitvoeringsfase primair gericht bleek op hoogopgeleide NEET's, eerder dan op laagopgeleide jongeren, niet‑actieve jongeren en jongeren die niet bij de openbare diensten voor arbeidsvoorziening zijn ingeschreven;

53.  roept de lidstaten op deze wezenlijke tekortkoming bij de tenuitvoerlegging van het jongerenwerkgelegenheidsinitiatief aan te pakken door onder meer specifieke follow-upmaatregelen te ontwikkelen met het oog op de uitvoering van meer empirisch onderbouwd, doeltreffend en duurzaam jeugdbeleid;

54.  roept de lidstaten op ervoor te zorgen dat hun wetgeving het voor alle jongeren binnen de vastgestelde leeftijdsgroep mogelijk maakt om zich in te schrijven en daadwerkelijk aan het jongerenwerkgelegenheidsinitiatief deel te nemen(12);

55.  vestigt de aandacht op het gebrek aan regelgeving voor het stageaanbod op de vrije markt in verband met transparante aanwerving, duur en erkenning, en wijst erop dat maar enkele lidstaten minimumkwaliteitscriteria hebben vastgesteld, onder meer voor de controle op de jongerengarantie en het jongerenwerkgelegenheidsinitiatief;

56.  erkent dat investeringen met middelen uit de EU-begroting via het jongerenwerkgelegenheidsinitiatief effect hebben gesorteerd en vaart hebben gezet achter de uitbreiding van de arbeidsmarkt voor jongeren; is van mening dat het jongerenwerkgelegenheidsinitiatief een duidelijke Europese meerwaarde vertegenwoordigt, aangezien veel werkgelegenheidsinitiatieven voor jongeren niet mogelijk zouden zijn geweest zonder het engagement van de EU;

57.  wijst erop dat in het MFK 2014-2020 oorspronkelijk was voorzien in 6,4 miljard EUR voor het jongerenwerkgelegenheidsinitiatief, waarvan 3,2 miljard EUR van een specifieke begrotingslijn afkomstig was en nog eens hetzelfde bedrag van het ESF;

58.  benadrukt dat er bij de tussentijdse herziening van het MFK politieke steun was voor het voorstel om voor de periode 2017-2020 een aanvullend bedrag van 1,2 miljard EUR aan het jongerenwerkgelegenheidsinitiatief toe te kennen, dat met nog eens hetzelfde bedrag uit het ESF moet worden aangevuld; wijst er evenwel op dat het uiteindelijke bedrag voor het programma zal worden vastgelegd in de volgende jaarlijkse begrotingsprocedures;

59.  vindt het verheugend dat op aandringen van het Europees Parlement de bemiddeling over de EU-begroting voor 2018 ertoe heeft geleid dat het aanvankelijk voorgestelde specifieke bedrag voor het jongerenwerkgelegenheidsinitiatief zal worden verhoogd met 116,7 miljoen EUR aan nieuwe kredieten, zodat het totale bedrag voor 2018 uitkomt op 350 miljoen EUR; neemt kennis van een eenzijdige toezegging van de Commissie dat zij in een gewijzigde begroting een verhoging van de financiering voor het jongerenwerkgelegenheidsinitiatief zal voorstellen als het absorptievermogen van het initiatief een verhoging mogelijk maakt;

60.  is van mening dat de totale begroting voor het jongerenwerkgelegenheidsinitiatief ontoereikend is voor de feitelijke vraag en de middelen die nodig zijn om ervoor te zorgen dat het programma zijn doelstellingen haalt; herinnert eraan dat er gemiddeld slechts 42 % van de NEET's is bereikt, en in sommige lidstaten zelfs minder dan 20 %; wenst daarom dat in het volgende MFK een aanzienlijk hoger bedrag voor het jongerenwerkgelegenheidsinitiatief wordt uitgetrokken en dat de lidstaten in hun nationale begroting ruimte creëren voor werkgelegenheidsregelingen voor jongeren;

61.  verzoekt de Commissie te zorgen voor consistentie bij de investeringen ten behoeve van werkgelegenheid voor jongeren, door synergie tussen de beschikbare middelen aan te moedigen en homogene regels op te stellen die in een holistische gids worden opgenomen, om te komen tot een grotere impact, synergieën, doeltreffend optreden en vereenvoudiging op het terrein; herinnert eraan dat verlichting van de administratieve lasten voor de beheersautoriteiten een prioriteit is; benadrukt het belang van landenspecifieke verslagen over de financiering van jongerengarantieregelingen waarin ook wordt gekeken naar de synergie tussen nationale begrotingen en de EU-begroting, alsmede de behoefte aan een betere coördinatie en een nauwere samenwerking tussen de centrale belanghebbenden;

62.  verzoekt de Commissie de planning van de investeringen in banen voor jongeren na 2020 te verbeteren, door onverkort de benadering toe te passen die wordt gebruikt bij de programmering van de ESI-fondsen, waarbij financiering afhankelijk is van een uitgebreide voorafgaande planning en ex-antebeoordeling die gevolgd worden door het sluiten van partnerschapsovereenkomsten; is van mening dat een dergelijke aanpak de impact van de EU-begroting vergroot; wijst op de succesvolle tenuitvoerlegging van het jongerenwerkgelegenheidsinitiatief in lidstaten met specifieke operationele programma's en met ruime bijdragen uit de nationale en regionale begrotingen;

63.  verzoekt de Commissie bovendien het huidige evaluatiemechanisme om te vormen door de nadruk te leggen op eenvormige resultaten en doelmatigheidscontroles in het kader van jaarlijkse en eindverslagen teneinde de impact van de EU-begroting beter te kunnen monitoren; verzoekt om een EU-brede toepassing van indicatoren, zoals het aantal deelnemers aan het jongerenwerkgelegenheidsinitiatief dat dankzij door de EU gefinancierde maatregelen een plaats vindt op de primaire arbeidsmarkt;

64.  benadrukt echter dat hervormingen op het gebied van planning en rapportage niet tot vertraging in de uitvoering van de begroting mogen leiden en geen buitensporige administratieve lasten mogen meebrengen voor de beheersautoriteiten en vooral niet voor de eindbegunstigden;

65.  beseft dat de bestaande administratieve rompslomp het investeringsvermogen van de EU-begroting ondermijnt, vooral waar het gaat om instrumenten met kortere looptijden, zoals het jongerenwerkgelegenheidsinitiatief; verzoekt daarom om gestroomlijnde aanbestedingsprocedures waarbij de nadruk ligt op snellere voorbereiding van opdrachten en kortere beroepsprocedures; wijst op het positieve effect van het gebruik van "vereenvoudigde kostenopties" (Simplified Cost Options (SCOs)) bij de uitgaven in het kader van het jongerenwerkgelegenheidsinitiatief; verzoekt om EU‑brede invoering van die vereenvoudigde kostenopties in projecten in het kader van het jongerenwerkgelegenheidsinitiatief om de administratieve rompslomp fors terug te dringen en de begrotingsuitvoering te versnellen;

66.  benadrukt dat het jongerenwerkgelegenheidsinitiatief momenteel van alle ESI-fondsen het best presteert wat de financiële uitvoering betreft;

67.  is verheugd dat op grond van de maatregelen in het kader van het jongerenwerkgelegenheidsinitiatief steun is verleend aan meer dan 1,6 miljoen jongeren en dat de lidstaten in dit kader activiteiten hebben gesteund ter waarde van meer dan 4 miljard EUR;

68.  wijst erop dat gebrek aan informatie over de potentiële kosten van de invoering van een regeling in een lidstaat kan leiden tot ontoereikende financiële middelen voor de uitvoering van de regeling en de verwezenlijking van de doelstellingen ervan; vraagt de lidstaten een analyse vooraf te verrichten en een overzicht te maken van de kosten die gemoeid zijn met de tenuitvoerlegging van de jongerengarantie;

69.  verzoekt de Commissie en de lidstaten de nodige maatregelen te nemen om administratief minder belastende en actuelere monitoringsystemen op te zetten voor de resterende financiering in het kader van het jongerenwerkgelegenheidsinitiatief;

70.  pleit ervoor dat bij het jongerenwerkgelegenheidsinitiatief de focus wordt gelegd op de bereikte resultaten, door concrete indicatoren vast te stellen in verband met nieuwe diensten en steunmaatregelen op de arbeidsmarkt die met behulp van het programma in de lidstaten werden ingevoerd, en het aantal vaste contracten dat is aangeboden;

71.  is van mening dat in het kader van de beoordeling van de doeltreffendheid van de regeling alle aspecten geëvalueerd moeten worden, waaronder de kosten-batenverhouding; neemt nota van de eerdere ramingen van de IAO en Eurofound en vraagt de Commissie deze ramingen te bevestigen of te actualiseren;

72.  verzoekt de Commissie en de lidstaten realistische en haalbare doelstellingen vast te stellen, verschillen te beoordelen, de markt te analyseren alvorens regelingen ten uitvoer te leggen, de procedures voor toezicht en kennisgeving te verbeteren;

°

°  °

73.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad en de Commissie.

(1)

PB L 347 van 20.12.2013, blz. 470.

(2)

PB L 126 van 21.5.2015, blz. 1.

(3)

PB C 120 van 26.4.2013, blz. 1.

(4)

Aangenomen teksten, P8_TA(2017)0390.

(5)

PB C 264 E van 13.9.2013, blz. 69.

(6)

PB L 113 van 29.4.2017, blz. 56.

(7)

Verslag van de Commissie getiteld "Werkgelegenheid en sociale ontwikkelingen in Europa 2013".

(8)

Verslag van Eurofound van augustus 2014 getiteld "Occupational profiles in working conditions: Identification of groups with multiple disadvantages".

(9)

Andere maatregelen zijn onder meer het in september 2010 gelanceerde initiatief "Jeugd in beweging", het in december 2011 gelanceerde initiatief "Kansen voor jongeren" en het in januari 2012 gelanceerde initiatief voor jongerenactieteams.

(10)

PB C 120 van 26.4.2013, blz. 1.

(11)

Speciaal verslag nr. 5/2017 van de Rekenkamer over de uitvoering van de jongerengarantie en het jongerenwerkgelegenheidsinitiatief; Eindverslag van juni 2016 voor het directoraat-generaal Werkgelegenheid, Sociale Zaken en Inclusie van de Europese Commissie over de eerste resultaten van het jongerenwerkgelegenheidsinitiatief; Mededeling van de Commissie van 4 oktober 2016 getiteld "Drie jaar jongerengarantie en jongerenwerkgelegenheidsinitiatief" (COM(2016)0646); Diepgaande analyse van de EPRS van juni 2016 getiteld "Jongerenwerkgelegenheidsinitiatief: Europese uitvoeringsbeoordeling".

(12)

In het wetgevingskader van sommige landen worden bepaalde jongeren, met name die met een ernstige handicap, gedefinieerd als "arbeidsongeschikt". Zij kunnen zich niet inschrijven bij de openbare diensten voor arbeidsvoorziening en kunnen dan ook niet deelnemen aan het jongerenwerkgelegenheidsinitiatief.


TOELICHTING

Inleiding

De financiële en economische crisis die in 2008 begon heeft geleid tot een scherpe stijging van het aantal werklozen. Jongeren, die zich vaak in een situatie bevinden waarin ze op zoek zijn naar een eerste vaste baan, op basis van tijdelijke contracten werken, of als eerste hun baan verliezen als gevolg van "last in, first out"-ontslagbeginselen, werden daarbij het hardst getroffen. De jeugdwerkloosheid steeg van 15 % in 2008 tot een piek van 24 % begin 2013, maar dit gemiddelde maskeert enorme verschillen tussen lidstaten en regio's. In 2013 bleef de jeugdwerkloosheid in Duitsland, Oostenrijk en Nederland rond 10 %, terwijl die in Italië, Spanje, Kroatië en Griekenland piekte op circa 40 % of zelfs ruim daarboven. Bovendien had de crisis tot gevolg dat meer jongeren zich afwendden van de arbeidsmarkt, zodat het aantal jongeren dat geen werk heeft en geen onderwijs of opleiding volgt, de NEET's, in 2013 het niveau van 7,3 miljoen bereikte (13 % van alle jongeren in de leeftijdsgroep 15‑24 jaar).

In reactie op een voorstel van de Commissie en na herhaaldelijk door het Parlement onder druk te zijn gezet om met spoed actie te ondernemen, stelde de Raad, die zich geconfronteerd zag met deze situatie, op 22 april 2013 middels een aanbeveling van de Raad een jongerengarantie in, waarmee de lidstaten zich ertoe verbinden dat jongeren binnen vier maanden nadat zij werkloos zijn geworden of het formele onderwijs hebben verlaten, een deugdelijk aanbod krijgen voor een baan, voortgezette scholing, een plaats in een leerlingenstelsel of een stage. Tegelijkertijd besloot de Raad in februari 2013 tot het lanceren van het jongerenwerkgelegenheidsinitiatief als het voornaamste begrotingsinstrument van de EU – gekoppeld aan het Europees Sociaal Fonds (ESF) – om regio's in lidstaten die met een bijzonder hoge jeugdwerkloosheid te kampen hebben te helpen bij het aanpakken van de situatie, in het bijzonder door de invoering van jongerengarantieregelingen.

De begroting van het jongerenwerkgelegenheidsinitiatief voor de programmeringsperiode 2014-2020 werd vastgesteld op 6,4 miljard EUR, waarvan 3,2 miljard EUR afkomstig is uit een specifieke nieuwe begrotingslijn, aangevuld met 3,2 miljard EUR aan nationale toewijzingen in het kader van het ESF. Met het oogmerk om de jeugdwerkloosheid snel aan te pakken, werd de begroting van het jongerenwerkgelegenheidsinitiatief voor de periode 2014-2015 – in de vorm van vastleggingen – vervroegd vastgelegd.

In aanmerking voor financiering van het jongerenwerkgelegenheidsinitiatief komen regio's met een jeugdwerkloosheid van meer dan 25 % in de leeftijdsgroep 15-24 jaar en lidstaten met een jeugdwerkloosheid van meer dan 20 % die in 2012 een stijging van dat percentage met meer dan 30 % registreerden. Waar de jongerengarantie een EU-brede verbintenis inhoudt, is het jongerenwerkgelegenheidsinitiatief alleen gericht is op de lidstaten en regio's waar de jeugdwerkloosheid het hoogst is. In totaal gaat het om twintig lidstaten die hier ofwel geheel, ofwel gedeeltelijk voor in aanmerking komen. Het jongerenwerkgelegenheidsinitiatief richt zich op werkloze jongeren tot en met 24 jaar, terwijl het de lidstaten de mogelijkheid biedt (waarvan er tien gebruik hebben gemaakt) om de leeftijdsgrens op te schuiven tot wel 29 jaar.

Het doel van dit uitvoeringsverslag is om de uitvoering van het jongerenwerkgelegenheidsinitiatief te beoordelen in zijn functie als het voornaamste financieringsinstrument van de EU voor het verwezenlijken van de doelstellingen van de jongerengarantie, om beleidsaanbevelingen te doen voor een betere werking van het jongerenwerkgelegenheidsinitiatief in de toekomst en om de in de eerste drie jaar sinds de lancering van het initiatief opgedane ervaringen en verzamelde gegevens te inventariseren.

Bij het opstellen van het voorliggende verslag heeft de rapporteur haar conclusies met name gebaseerd op de mededeling van de Commissie van 4 oktober 2016 getiteld "Drie jaar jongerengarantie en jongerenwerkgelegenheidsinitiatief"(1), de relevante speciale verslagen van de Rekenkamer, in opdracht van de beleidsondersteunende afdelingen van het Parlement uitgevoerde studies, een interne uitvoeringsbeoordeling door de Onderzoeksdienst van het Europees Parlement, en verslagen van het Comité voor de werkgelegenheid van de Raad. Tijdens het opstellen van dit verslag heeft de rapporteur diverse belanghebbende partijen ontmoet, waaronder jongerenvertegenwoordigers, sociale partners, academische deskundigen en nationale autoriteiten die betrokken zijn bij het jongerenwerkgelegenheidsinitiatief en de jongerengarantie, en heeft ze dienstreizen ondernomen, waaronder een onderzoeksmissie naar Slovenië en Kroatië.

Bevindingen

Gezien de scherpe stijging van de jeugdwerkloosheid is een belangrijke ambitie van het jongerenwerkgelegenheidsinitiatief om snel middelen ter beschikking te stellen aan de zwaarst getroffen regio's. Om vaart te kunnen maken werd besloten om uitgaven van projecten in het kader van het jongerenwerkgelegenheidsinitiatief met ingang van 1 september 2013 subsidiabel te maken en werd de begroting van het jongerenwerkgelegenheidsinitiatief voor 2014 en 2015 vervroegd vastgelegd. Na signalen te hebben gekregen dat het tempo van de feitelijke uitvoering achterbleef bij de verwachtingen, stelde de Commissie in februari 2015 voor om het voorfinancieringspercentage fors te verhogen, van 1-1,5 % tot 30 %, om op die manier 1 miljard EUR vrij te maken voor onmiddellijke financiering. Op basis van de nu beschikbare gegevens kan worden vastgesteld dat de ambitie om snel middelen ter beschikking te stellen in slechts vijf lidstaten is gerealiseerd (Griekenland, Italië, Frankrijk, Portugal en Spanje). Het formuleren en ten uitvoer leggen van beleid, het betrekken van de relevante belanghebbende partijen bij een partnerschapsaanpak en andere inleidende stappen hebben mogelijk meer tijd gekost dan verwacht, en veel lidstaten waren laat met het aanwijzen van de autoriteiten die uitgaven moesten declareren.

De belangrijkste ambitie van het jongerenwerkgelegenheidsinitiatief en de jongerengarantie is om NEET's te bereiken, ook als die niet actief naar een baan zoeken. Uit de tot dusver beschikbare beoordelingen komt naar voren dat de lidstaten moeilijkheden ondervinden bij het identificeren en bereiken van hun NEET-populatie (met name het inactieve deel daarvan), met als gevolg dat ze zich zouden kunnen gaan richten op werkloze jongeren die zichtbaarder zijn en gemakkelijker te integreren zijn in de arbeidsmarkt. In het meest recente verslag van de Rekenkamer, dat is gebaseerd op een audit in zeven lidstaten (vijf voor het jongerenwerkgelegenheidsinitiatief), toont de Rekenkamer zich diep bezorgd over de door haar waargenomen strategieën om de doelgroep van het jongerenwerkgelegenheidsinitiatief vast te stellen ("oppervlakkig en algemeen").

Op basis van het overkoepelende doel om NEET's duurzaam te integreren in de arbeidsmarkt wordt in het kader van de jongerengarantie gekozen voor geïndividualiseerde benadering die moet leiden tot een deugdelijk aanbod en tot een betere inzetbaarheid van jongeren, en in een bredere context om discrepanties tussen gevraagde en aangeboden vaardigheden op de (regionale) arbeidsmarkt te helpen aanpakken. Al deze voorwaarden zijn van essentieel belang om financiering uit hoofde van het jongerenwerkgelegenheidsinitiatief doeltreffend en doelmatig te laten zijn. De Commissie heeft meegedeeld dat alle beheersautoriteiten melding hebben gemaakt van de praktijk dat voor elke begunstigde van het jongerenwerkgelegenheidsinitiatief een gepersonaliseerd actieplan wordt ontworpen. De Rekenkamer constateert evenwel dat slechts één lidstaat de bestaande discrepanties tussen gevraagde en aangeboden vaardigheden systematisch aanpakt, terwijl alle (onderzochte) lidstaten een bepaalde vorm van profilering van NEET's toepassen – soms met behulp van bestaande systemen, soms na de invoering van nieuwe systemen. Diverse lidstaten hebben een definitie van wat "een deugdelijk aanbod" is, vastgesteld. In een eerder verslag van de Rekenkamer werd de Commissie aanbevolen om, samen met het Comité voor de werkgelegenheid van de Raad, normen voor een deugdelijk aanbod te ontwikkelen. Dit impliceert op zich dat de kwaliteit van door het jongerenwerkgelegenheidsinitiatief gefinancierde aanbiedingen in het kader van de jongerengarantie momenteel niet kan worden vastgesteld.

De Internationale Arbeidsorganisatie (IAO) schatte de kosten van de uitvoering van de jongerengarantie voor de hele EU28 voor 2015 op circa 45 miljard EUR per jaar. Opgemerkt dient te worden dat de doelstelling van het jongerenwerkgelegenheidsinitiatief, waaraan een begroting van 6,4 miljard EUR is toegewezen voor de programmeringsperiode 2014-2020, de aanvulling van nationale financiering is, niet de vervanging daarvan. Desalniettemin signaleert de Rekenkamer op basis van uitvoeringsgegevens het risico dat financiering uit het jongerenwerkgelegenheidsinitiatief in de plaats komt van nationale financiering, waarbij de Rekenkamer er bijvoorbeeld op wijst dat in haar steekproef een meerderheid van de maatregelen die financiering uit het jongerenwerkgelegenheidsinitiatief ontvangen reeds vóór de invoering van de jongerengarantie en het jongerenwerkgelegenheidsinitiatief bestond. Voorts merkt de Rekenkamer op dat het bestaan van operationele programma's die de toewijzing van de beschikbare middelen slechts gedeeltelijk onderbouwen het nog moeilijker maakt om na te gaan welke toegevoegde waarde de in het kader van het jongerenwerkgelegenheidsinitiatief toegekende middelen hebben gehad.

De vraag of de EU-financiering uit hoofde van het jongerenwerkgelegenheidsinitiatief goed wordt besteed en of jongeren die losstaan van de arbeidsmarkt inderdaad aan duurzaam werk worden geholpen, kan alleen worden beantwoord als er nauwlettend toezicht wordt gehouden op de activiteiten en de verzameling van betrouwbare gegevens wordt gewaarborgd. De uitgaven van middelen uit het jongerenwerkgelegenheidsinitiatief, gekoppeld als deze zijn aan het ESF, zijn onderworpen aan gedetailleerde vereisten met betrekking tot het toezicht houden op de acties en rapportage door de lidstaten, waaronder de vereiste om korte- en langetermijnindicatoren voor de resultaten op te stellen. De Commissie heeft aanvullende praktische richtsnoeren uitgevaardigd om een consistente en effectieve rapportage te waarborgen. De Rekenkamer, die zich op een steekproef baseert, uit zijn zorgen over de (tijdige) beschikbaarheid en de kwaliteit van gegevens, die onontbeerlijk om de betrouwbaarheid van rapportages behoorlijk te kunnen beoordelen.

Opvattingen van de rapporteur

Het jongerenwerkgelegenheidsinitiatief is opgezet om werkloze jongeren te helpen door financiële steun te verlenen aan regio's die worstelen met uitzonderlijk hoge jeugdwerkloosheids- en inactiviteitscijfers. Hierdoor is het probleem van de jeugdwerkloosheid een gedeelde EU-beleidsprioriteit geworden, wat het in de toekomst ook moet blijven.

De omvang van de jeugdwerkloosheid loopt enorm uiteen tussen de lidstaten. Daarom vormt jeugdwerkloosheid nog steeds een grote uitdaging voor de EU. De rapporteur is van mening dat het van het grootste belang is dat er aanhoudende inspanningen worden verricht.

Ondanks het feit dat het aanpakken van de jeugdwerkloosheid een dringende prioriteit is en dat hieraan aanzienlijke nationale en EU-middelen worden besteed, moet worden benadrukt dat de eerste uitvoeringsbeoordelingen zijn gebaseerd op een tot nu toe nog beperkte hoeveelheid informatie.

Gelet op de ongelijke tenuitvoerlegging van het jongerenwerkgelegenheidsinitiatief in de lidstaten, blijkt het toezicht- en beoordelingsproces een grote uitdaging te zijn. Er is sprake van een gebrek aan transparantie met betrekking tot de bewezen resultaten en uitkomsten van het jongerenwerkgelegenheidsinitiatief. De rapporteur betreurt het ontbreken van samenhang in het toezicht, dat tot een gebrek aan zichtbare resultaten leidt.

Wat de kosteneffectiviteit van het jongerenwerkgelegenheidsinitiatief betreft, is het succes ervan moeilijk te meten. Daarom wordt voorgesteld dat binnen het toezicht- en rapportagesysteem de transparantie met betrekking tot de wijze waarop het geld wordt besteed moet worden benadrukt en verbeterd. In het bijzonder vraagt de rapporteur de lidstaten om follow-upgegevens te verstrekken waarmee de duurzaamheid van de resultaten op lange termijn kan worden beoordeeld. Verder stelt de rapporteur voor dat er rapportagevereisten op een zodanige wijze ten uitvoer worden gelegd dat elke lidstaat vergelijkbare, gedetailleerde en onderbouwde verslagen kan aanleveren.

Niettemin is de rapporteur van mening dat het jongerenwerkgelegenheidsinitiatief vruchten begint af te werpen met betrekking tot de bestrijding van jeugdwerkloosheid door als katalysator voor beleidsveranderingen te fungeren. En dat moet zo blijven. Ook konden overheden door middel van het jongerenwerkgelegenheidsinitiatief ertoe worden aangezet innovatiever te zijn en zich in toenemende mate te concentreren op het waarborgen van geïndividualiseerde benaderingen op het gebied van maatregelen ter bestrijding van de jeugdwerkloosheid. De rapporteur meent dat er nog veel ruimte is om het volledige potentieel van het initiatief te realiseren.

De rapporteur stelt voor dat de focus van het initiatief moet komen te liggen op langdurige jeugdwerkloosheid, aangezien langdurige jeugdwerkloosheid ertoe kan leiden dat jongeren in een isolement raken en niet meer het gevoel hebben dat ze erbij horen. De rapporteur is bezorgd over het feit dat jeugdwerkloosheid zeer substantiële verliezen aan publieke en private investeringen veroorzaakt, wegens het niet-benut potentieel aan menselijk kapitaal van werkloze jongeren.

De beschikbare informatie over de dekking van het jongerenwerkgelegenheidsinitiatief laat zien dat slechts een klein percentage van de totale NEET-populatie wordt bereikt. De rapporteur suggereert dat de lidstaten zich meer moeten inzetten voor het zoeken naar manieren om inactieve en administratief uitgesloten NEET's op te sporen en passende communicatiestrategieën op te zetten. Het jongerenwerkgelegenheidsinitiatief moet toegankelijker worden voor alle jongeren, in het bijzonder voor laagopgeleide en langdurig werkloze jongeren. De rapporteur vraagt om grotere inspanningen om deze jongeren die het verst van de arbeidsmarkt af staan te bereiken, bijvoorbeeld jongeren met een handicap. In dit verband benadrukt de rapporteur het belang van de uitwisseling van beste praktijken tussen de lidstaten. Door grensoverschrijdende en cultuuroverstijgende uitwisselingen van ervaringen kunnen lidstaten van elkaar leren, waardoor de doeltreffendheid van het activeren van kwetsbare groepen in de arbeidsmarkt kan worden beïnvloed en verbeterd. Alle maatregelen die in het kader van het jongerenwerkgelegenheidsinitiatief worden genomen moeten in overeenstemming zijn met nationale socialezekerheidsstelsels.

De eerste beschikbare uitvoeringsgegevens weerspiegelen de omstandigheid dat de kwaliteit van de baanaanbiedingen in het kader van het jongerenwerkgelegenheidsinitiatief/de jongerengarantie vaak betwistbaar is. Ook veranderen arbeidsmarkten voortdurend, met als gevolg dat er een gebrek aan stabiele, permanente banen is. Voor wat een deugdelijk aanbod vormt, moeten minimumnormen worden vastgesteld. Zoals de Rekenkamer aanbeveelt, moeten aanbiedingen die als deugdelijk worden aangemerkt altijd aansluiten op het profiel van de deelnemer en de vraag op de arbeidsmarkt. Alleen dan kan duurzame integratie in de arbeidsmarkt worden verwezenlijkt.

De rapporteur stelt voor om de trend van een dalende jeugdwerkloosheid vast te houden, de ter beschikking gestelde financiering doelgerichter moet worden. Daarom suggereert de rapporteur dat moet worden onderzocht of een verschuiving van de meting van het aantal werkloze jongeren, van de huidige NUTS2-regio's naar kleinere NUTS3-regio's, een preciezere en zinvollere verdeling van de financiering zou kunnen opleveren.

Bovendien stelt de rapporteur dat meerlagigheid van het grootste belang is voor de financiering, wat betekent dat het probleem holistisch dient te worden benaderd door lokale, regionale en nationale financieringskanalen. Het ene niveau moet de andere niveaus niet uitsluiten, omdat decentralisatie van cruciaal belang is om meer jongeren rechtstreeks te bereiken en te beïnvloeden. Een dergelijke structuur moet financiering toegankelijker maken.

Het jongerenwerkgelegenheidsinitiatief moet zich blijven toeleggen op het helpen van alle jongeren in in aanmerking komende regio's bij het verwerven van de eerste werkervaring, aangezien het vinden van een eerste baan vaak de moeilijkste opgave is. Het jongerenwerkgelegenheidsinitiatief moet actief blijven zorgen voor transities naar vast werk.

De rapporteur merkt op dat het jongerenwerkgelegenheidsinitiatief een van de instrumenten is die zijn ontworpen om te worden gebruikt wanneer EU-economieën niet goed presteren, en dit type instrument moet derhalve worden gezien als een hulpmiddel om een extra impuls te geven aan het scheppen van banen. Het jongerenwerkgelegenheidsinitiatief mag in geen geval in de plaats treden van nationale financiering en reeds bestaande nationale maatregelen, en mag ook het feit dat alleen deugdelijk economisch beleid de werkgelegenheid kan laten groeien, niet ondermijnen. Het jongerenwerkgelegenheidsinitiatief moet nauw verbonden blijven aan basale economische beginselen en de geest van arbeidsmarktactivering en moet daarom tegemoetkomen aan de behoeften van de arbeidsmarkt.

De rapporteur zou graag zien dat de verwachtingen omtrent nationale en EU-financiering op het gebied van jeugdwerkloosheid realistischer worden en dat de doelstellingen en streefcijfers haalbaar zijn. De rapporteur is van mening dat de lopende maatregelen en de uitvoeringsperiode moeten worden verlengd tot na 2020, en beveelt dit ook aan.

(1)

COM(2016)0646.


ADVIES van de Begrotingscommissie (24.11.2017)

aan de Commissie werkgelegenheid en sociale zaken

inzake de uitvoering van het jongerenwerkgelegenheidsinitiatief in de lidstaten

(2017/2039(INI))

Rapporteur voor advies: Andrey Novakov

SUGGESTIES

De Begrotingscommissie verzoekt de bevoegde Commissie werkgelegenheid en sociale zaken onderstaande suggesties in haar ontwerpresolutie op te nemen:

A.  overwegende dat 16 miljoen jongeren die geen baan hebben en evenmin onderwijs of een opleiding volgen (NEET's) onder een jongerengarantieregeling vallen en dat het jongerenwerkgelegenheidsinitiatief (YEI) rechtstreekse steun heeft verleend aan meer dan 1,6 miljoen jongeren in de EU; overwegende dat in de EU-28 nog steeds 16,6 % van de jongeren werkloos is en in de eurozone 18,7 %, wat onaanvaardbaar hoog is;

B.  overwegende dat de jongerenwerkloosheid in de EU gedaald is van 23,7 % in 2014 naar 17 % in het tweede kwartaal van 2017, d.w.z. dat er 1,8 miljoen minder jongeren werkloos zijn en meer dan een miljoen minder NEET's;

C.  overwegende dat het jongerenwerkgelegenheidsinitiatief ertoe heeft geleid dat de lidstaten meer dan 132 maatregelen ten aanzien van jongeren op de arbeidsmarkt hebben goedgekeurd;

D.  overwegende dat 75 % van de totale begroting voor het jongerenwerkgelegenheidsinitiatief is vastgelegd en dat 19 % reeds door de lidstaten is geïnvesteerd, waardoor het uitvoeringspercentage van de begroting voor het jongerenwerkgelegenheidsinitiatief het hoogste van de Europese structuur- en investeringsfondsen (ESI-fondsen) is;

E.  overwegende dat uit diverse verslagen over het jongerenwerkgelegenheidsinitiatief blijkt dat ondanks zorgen over de toereikendheid van de financiering en de ramingen van de in totaal noodzakelijke investeringen, de beschikbare middelen met succes worden afgestemd op de regionale vraag doordat ze gericht worden ingezet voor specifieke regio's en doelgroepen;

1.  erkent dat investeringen met middelen uit de EU-begroting via het jongerenwerkgelegenheidsinitiatief effect hebben gesorteerd en vaart hebben gezet achter de uitbreiding van de arbeidsmarkt voor jongeren; is van mening dat het jongerenwerkgelegenheidsinitiatief een duidelijke Europese meerwaarde vertegenwoordigt, aangezien veel werkgelegenheidsinitiatieven voor jongeren niet mogelijk zouden zijn geweest zonder het engagement van de EU;

2.  stelt vast dat in het meerjarig financieel kader (MFK) 2014-2020 oorspronkelijk was voorzien in 6,4 miljard EUR voor het jongerenwerkgelegenheidsinitiatief, waarvan 3,2 miljard EUR van een specifieke begrotingslijn afkomstig was en nog eens hetzelfde bedrag van het Europees Sociaal Fonds (ESF); herinnert eraan dat vanwege de dringende noodzaak om de jongerenwerkloosheid aan te pakken besloten is om het hele bedrag al in 2014-2015 vooruit te financieren;

3.  overwegende dat er bij de tussentijdse herziening van het MFK politieke steun was voor het voorstel om voor de periode 2017-2020 een aanvullend bedrag van 1,2 miljard EUR aan het jongerenwerkgelegenheidsinitiatief toe te kennen, dat met nog eens hetzelfde bedrag uit het ESF moet worden aangevuld; wijst er evenwel op dat het uiteindelijke bedrag voor het programma zal worden vastgelegd in de volgende jaarlijkse begrotingsprocedures;

4.  vindt het verheugend dat op aandringen van het Europees Parlement de bemiddeling over de EU-begroting voor 2018 ertoe heeft geleid dat het aanvankelijk voorgestelde specifieke bedrag voor het jongerenwerkgelegenheidsinitiatief zal worden verhoogd met 116,7 miljoen EUR aan nieuwe kredieten, zodat het totale bedrag voor 2018 uitkomt op 350 miljoen EUR; neemt kennis van een eenzijdige toezegging van de Commissie dat zij in een gewijzigde begroting een verhoging van de YEI-financiering zal voorstellen als het absorptievermogen van het jongerenwerkgelegenheidsinitiatief een verhoging mogelijk maakt;

5.  is van mening dat de totale begroting voor het jongerenwerkgelegenheidsinitiatief ontoereikend is voor de feitelijke vraag en de middelen die nodig zijn om ervoor te zorgen dat het programma zijn doelstellingen haalt; herinnert eraan dat er gemiddeld slechts 42 % van de NEET's is bereikt, en in sommige lidstaten zelfs minder dan 20 %; wenst daarom dat in het volgende MFK een aanzienlijk hoger bedrag voor het jongerenwerkgelegenheidsinitiatief wordt uitgetrokken en dat de lidstaten in hun nationale begroting ruimte creëren voor werkgelegenheidsregelingen voor jongeren; beschouwd het YEI-initiatief als aanvulling op nationale regelingen en is van mening dat het aangevuld moet worden met groeibevorderende maatregelen en specifieke activiteiten in de lidstaten;

6.  is van mening dat de structuurfondsen, om een Europees kwaliteitskader en doeltreffend leerlingstelsel te ontwikkelen als middel om de jongerenwerkloosheid beter te bestrijden, doelgerichter zouden kunnen worden ingezet voor de financiering van centra voor beroepsonderwijs en -opleiding en voor elk relevant initiatief om het leerlingwezen te ondersteunen; meent dat deze ondersteuning, afhankelijk van het regionale ontwikkelingsniveau, nadrukkelijker tot uiting moet komen in de investeringsprioriteiten van het Europees Sociaal Fonds (voor de bezoldiging van het werk van leerlingen en de socialezekerheidsdekking) en het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling voor wat betreft de infrastructuur en uitrusting voor de opleidingscentra;

7.  verzoekt de Commissie te zorgen voor consistentie bij de investeringen ten behoeve van werkgelegenheid voor jongeren, door synergie tussen de beschikbare middelen aan te moedigen en homogene regels op te stellen die in een holistische gids worden opgenomen, om te komen tot een grotere impact, synergieën, doeltreffend optreden en vereenvoudiging op het terrein; herinnert eraan dat verlichting van de administratieve lasten voor de beheersautoriteiten een prioriteit is; wijst op het belang van landenspecifieke verslagen over de financiering van jongerengarantieregelingen waarin ook wordt gekeken naar de synergie tussen nationale begrotingen en de EU-begroting, alsmede op de behoefte aan een betere coördinatie en een nauwere samenwerking tussen de centrale belanghebbenden;

8.  verzoekt de Commissie de planning van de investeringen in banen voor jongeren na 2020 te verbeteren, door onverkort de benadering toe te passen die wordt gebruikt bij de programmering van de ESI-fondsen, waarbij financiering afhankelijk is van een uitgebreide voorafgaande planning en ex-antebeoordeling die gevolgd worden door partnerschapsovereenkomsten; is van mening dat een dergelijke aanpak de impact van de EU-begroting vergroot; wijst op de succesvolle tenuitvoerlegging van het jongerenwerkgelegenheidsinitiatief in lidstaten met specifieke operationele programma's en met ruime bijdragen uit de nationale en regionale begrotingen;

9.  is van mening dat bij de financiering van banen voor jongeren moet worden gezorgd voor een juist evenwicht tussen financieringsinstrumenten en niet-terugvorderbare bijdragen;

10.  verzoekt de Commissie bovendien het huidige evaluatiemechanisme om te vormen door de nadruk te leggen op eenvormige criteria voor het meten van resultaten en op doelmatigheidscontroles in het kader van jaarlijkse en eindverslagen, teneinde de impact van de EU-begroting verbeteringsgericht in kaart te brengen; verzoekt om een EU‑brede toepassing van indicatoren, zoals het aantal deelnemers aan het jongerenwerkgelegenheidsinitiatief dat dankzij door de EU gefinancierde maatregelen een plaats vindt op de primaire arbeidsmarkt;

11.  benadrukt echter dat hervormingen op het gebied van planning en rapportage niet tot vertraging in de uitvoering van de begroting mogen leiden en geen buitensporige administratieve lasten mogen meebrengen voor de beheersautoriteiten en vooral niet voor de eindbegunstigden;

12.  beseft dat de bestaande administratieve rompslomp het investeringsvermogen van de EU-begroting ondermijnt, vooral waar het gaat om instrumenten met kortere looptijden, zoals het jongerenwerkgelegenheidsinitiatief; verzoekt daarom om gestroomlijnde aanbestedingsprocedures waarbij de nadruk ligt op snellere voorbereiding van opdrachten en kortere beroepsprocedures; wijst op het positieve effect van het gebruik van "vereenvoudigde kostenopties" (Simplified Cost Options (SCOs)) bij de uitgaven in het kader van het jongerenwerkgelegenheidsinitiatief; verzoekt om EU-brede invoering van die vereenvoudigde kostenopties in projecten in het kader van het jongerenwerkgelegenheidsinitiatief om de administratieve rompslomp fors terug te dringen en de begrotingsuitvoering te versnellen.

INFORMATIE OVER DE GOEDKEURING IN DE ADVISERENDE COMMISSIE

Datum goedkeuring

22.11.2017

 

 

 

Uitslag eindstemming

+:

–:

0:

29

5

0

Bij de eindstemming aanwezige leden

Nedzhmi Ali, Richard Ashworth, Reimer Böge, Lefteris Christoforou, Gérard Deprez, Manuel dos Santos, José Manuel Fernandes, Jens Geier, Esteban González Pons, Ingeborg Gräßle, Iris Hoffmann, Monika Hohlmeier, John Howarth, Bernd Kölmel, Zbigniew Kuźmiuk, Vladimír Maňka, Siegfried Mureşan, Liadh Ní Riada, Jan Olbrycht, Urmas Paet, Răzvan Popa, Paul Rübig, Jordi Solé, Patricija Šulin, Eleftherios Synadinos, Indrek Tarand, Inese Vaidere, Daniele Viotti, Tiemo Wölken, Marco Zanni

Bij de eindstemming aanwezige vaste plaatsvervangers

Jean-Paul Denanot, Andrey Novakov

Bij de eindstemming aanwezige plaatsvervangers (art. 200, lid 2)

Jonathan Bullock, Javi López

HOOFDELIJKE EINDSTEMMING IN DE ADVISERENDE COMMISSIE

29

+

ALDE

Gérard Deprez, Nedzhmi Ali, Urmas Paet

ECR

Zbigniew Kuźmiuk

GUE/NGL

Liadh Ní Riada

PPE

Andrey Novakov, Esteban González Pons, Inese Vaidere, Ingeborg Gräßle, Jan Olbrycht, José Manuel Fernandes, Lefteris Christoforou, Monika Hohlmeier, Patricija Šulin, Paul Rübig, Reimer Böge, Siegfried Mureşan

S&D

Daniele Viotti, Iris Hoffmann, Javi López, Jean-Paul Denanot, Jens Geier, John Howarth, Manuel dos Santos, Răzvan Popa, Tiemo Wölken, Vladimír Maňka

VERTS/ALE

Indrek Tarand, Jordi Solé

5

-

ECR

Bernd Kölmel, Richard Ashworth

EFDD

Jonathan Bullock

ENF

Marco Zanni

NI

Eleftherios Synadinos

0

0

 

 

Verklaring van de gebruikte tekens:

+  :  voor

-  :  tegen

0  :  onthouding


ADVIES van de Commissie begrotingscontrole (28.11.2017)

aan de Commissie werkgelegenheid en sociale zaken

inzake de uitvoering van het jongerenwerkgelegenheidsinitiatief (YEI) in de lidstaten

(2017/2039(INI))

Rapporteur voor advies: Derek Vaughan

SUGGESTIES

De Commissie begrotingscontrole verzoekt de bevoegde Commissie werkgelegenheid en sociale zaken onderstaande suggesties in haar ontwerpresolutie op te nemen:

A.  overwegende dat de Commissie sinds de introductie van de Europese werkgelegenheidsstrategie in 1997 een reeks maatregelen heeft ondersteund om de arbeids- en onderwijsmogelijkheden van jongeren te verbeteren(1); overwegende dat de inspanningen van de EU zich sinds de crisis met name richten op de jongerengarantie (YG) en het jongerenwerkgelegenheidsinitiatief (YEI);

B.  overwegende dat het YEI een initiatief is ter ondersteuning van jongeren die geen werk hebben en geen onderwijs of opleiding volgen (NEET's), jongeren die langdurig werkloos zijn en jongeren die niet als werkzoekende staan ingeschreven en die wonen in regio's waar het jeugdwerkloosheidspercentage in 2012 hoger lag dan 25 %;

C.  overwegende dat de YG en het YEI verschillende maatregelen omvatten, waarbij de YG bedoeld is om structurele onderwijshervormingen te stimuleren, terwijl het YEI een financieringsinstrument is en dient als kortetermijnmaatregel om de jeugdwerkloosheid te bestrijden; overwegende dat de YG wordt gefinancierd uit het Europees Sociaal Fonds (ESF), de nationale begrotingen en het YEI en dat het YEI het directe aanbod van banen, leerling- en stageplaatsen of vervolgonderwijs voor de doelgroep van het YEI in de in aanmerking komende regio's kan financieren; overwegende dat de YG van toepassing is in alle 28 lidstaten, maar dat slechts 20 lidstaten in aanmerking komen voor steun uit het YEI; overwegende ten slotte dat maatregelen in het kader van het YEI geen vooraf bepaalde duur hebben, terwijl in het kader van de YG binnen vier maanden een aanbod moet worden gedaan; stelt vast dat het in geen enkel land mogelijk is geweest te garanderen dat alle jongeren die geen werk hebben en geen onderwijs of opleiding volgen, de kans krijgen om binnen de periode van vier maanden een aanbod aan te nemen, voornamelijk door een tekort aan begrotingsmiddelen;

D.  overwegende dat de YG ertoe heeft geleid dat in de lidstaten structurele hervormingen zijn doorgevoerd om het onderwijs- en opleidingsaanbod beter te laten aansluiten op de behoeften van de arbeidsmarkt, om op die manier de doelstellingen van de YG te verwezenlijken;

E.  overwegende dat in 2015 is besloten om het bedrag van de voorfinanciering van het YEI met 1 miljard euro te verhogen, waarmee de voorfinanciering voor lidstaten die daarvoor in aanmerking komen werd verhoogd van 1 à 1,5 % tot 30 %, een en ander om de uitvoering van maatregelen in het kader van het YEI te bevorderen;

F.  overwegende dat externe factoren, zoals de specifieke economische situatie of het productiemodel van de betreffende regio, van invloed zijn op de verwezenlijking van de in het kader van de YG gestelde doelen;

G.  overwegende dat de tenuitvoerlegging van de YG tot nu toe nog geen uniforme resultaten heeft opgeleverd, en dat het soms moeilijk is om te bepalen en te beoordelen wat het effect ervan precies is geweest;

1.  herinnert eraan dat de jeugdwerkloosheid, en met name het percentage jongeren dat geen werk heeft en geen onderwijs of opleiding volgt, in een aantal lidstaten onaanvaardbaar hoog blijft; is derhalve verheugd over de verlenging van het YEI tot 2020; is van mening dat er in het volgende meerjarig financieel kader (MFK) rekening moet worden gehouden met jeugdwerkloosheid om te zorgen voor continuïteit en een kosten-batenanalyse van de regeling;

2.  benadrukt dat de belangrijkste doelstellingen van het YEI erin bestaan werkgelegenheid voor jongeren te scheppen en de lidstaten te steunen bij het ontwikkelen van goede systemen om de behoeften van jongeren in kaart te brengen en het opzetten van ondersteunende structuren om aan die behoeften tegemoet te komen; benadrukt daarom dat bij de evaluatie van de YG en het YEI in de toekomst de doeltreffendheid moet worden gemeten aan de hand van hetgeen er bereikt is of verbeterd is als het gaat om de systemen van de lidstaten voor de ondersteuning van jongeren bij de overgang van school naar werk; is van oordeel dat voor een goede werking van de YG lokale openbare diensten voor arbeidsvoorziening ook doeltreffend moeten functioneren;

3.  is ingenomen met het feit dat het YEI in 2014 en 2015 werd voorgefinancierd en dat de initiële voorfinanciering is verhoogd om te zorgen voor een snelle mobilisatie van middelen; benadrukt dat het YEI momenteel van alle Europese structuur- en investeringsfondsen (ESI-fondsen) het best presteert wat de financiële uitvoering betreft;

4.  is verheugd dat op grond van de YEI-maatregelen steun is verleend aan meer dan 1,4 miljoen jongeren en dat de lidstaten in dit kader activiteiten hebben gesteund ter waarde van meer dan 4 miljard EUR;

5.  stelt vast dat de tenuitvoerlegging van het YEI in de lidstaten vertraging heeft opgelopen om procedurele redenen en door de late vaststelling van het huidige MFK en het wetgevingskader en de daaruit resulterende late benoeming van de bevoegde autoriteiten; beschouwt dit als een tekortkoming van de rechtsgrond van het YEI, die moet worden verholpen door een snelle tenuitvoerlegging van de voorfinanciering;

6.  merkt op dat de lidstaten die nog geen definitie van "hoogwaardig aanbod" hebben vastgesteld, dat zouden moeten doen; dringt er bij de lidstaten en de Commissie op aan gebruik te maken van de bestaande netwerken om gezamenlijk overeengekomen criteria voor dit concept te ontwikkelen, rekening houdend met verschillende bestaande bronnen en in overleg met de relevante belanghebbenden(2), op basis van kenmerken zoals een aanbod dat aansluit op het kwalificatieniveau en profiel van de deelnemer en de behoeften van de arbeidsmarkt, met mogelijkheden voor werk waarmee de deelnemer in zijn levensonderhoud kan voorzien, met sociale bescherming alsmede vooruitzichten op verdere ontwikkeling, leidend tot duurzame en passende integratie van de deelnemer in de arbeidsmarkt;

7.  merkt op dat de scheve verhouding tussen de beschikbare vaardigheden en de behoeften van de arbeidsmarkt in veel lidstaten een probleem blijft; verzoekt de Commissie, in het kader van het Comité voor de werkgelegenheid van de Europese Unie (EMCO), de uitwisseling van best practices tussen de lidstaten en de relevante belanghebbenden te bevorderen om dit probleem aan te pakken, en zich te richten op initiatieven waardoor jonge mensen gemakkelijker aan de slag kunnen gaan;

8.  vraagt dat er in de openbare diensten voor arbeidsvoorziening in de lidstaten specifieke deskundigheid en capaciteit worden ontwikkeld om mensen te ondersteunen die binnen vier maanden nadat zij werkloos zijn geworden of het formele onderwijs hebben verlaten, geen baan kunnen vinden;

9.  wijst erop dat gebrek aan informatie over de potentiële kosten van de invoering van een regeling in een lidstaat kan leiden tot ontoereikende financiële middelen voor de uitvoering van de regeling en de verwezenlijking van de doelstellingen ervan; benadrukt daarom dat er een systeem van indicatoren en maatregelen moet worden opgezet om de doeltreffendheid van zowel de openbare diensten voor arbeidsvoorziening als de YG te evalueren en monitoren, omdat er weliswaar van begin af aan in een dergelijk systeem is voorzien, maar er nog altijd veel tekortkomingen zijn; vraagt de lidstaten een analyse vooraf te verrichten en een overzicht te maken van de kosten die gemoeid zijn met tenuitvoerlegging van de YG;

10.  is bezorgd over het feit dat er maar weinig gegevens beschikbaar zijn over de begunstigden, de effecten en de resultaten van het YEI en dat die gegevens vaak onsamenhangend zijn; verzoekt de Commissie en de lidstaten de nodige maatregelen te nemen om administratief minder belastende en actuelere monitoringsystemen op te zetten voor de resterende financiering in het kader van het YEI;

11.  pleit ervoor dat bij het YEI-programma de focus wordt gelegd op de bereikte resultaten, door concrete indicatoren vast te stellen in de vorm van nieuwe diensten en steunmaatregelen op de arbeidsmarkt in de lidstaten, met behulp van het programma, en het aantal vaste contracten dat is aangeboden;

12.  is van mening dat in het kader van de beoordeling van de doeltreffendheid van de regeling alle aspecten geëvalueerd moeten worden, waaronder de kosten-batenverhouding; neemt nota van de eerdere ramingen van de Internationale Arbeidsorganisatie en Eurofound en vraagt de Commissie deze ramingen te bevestigen of te actualiseren;

13.  merkt op dat de meeste hervormingen op het niveau van de lidstaten nog niet volledig zijn doorgevoerd en dat er aanzienlijke inspanningen en financiële middelen op Europees en nationaal niveau nodig zijn om de YG-doelstellingen te verwezenlijken;

14.  vraagt dat de financiering voor de periode na 2020 wordt gewaarborgd in het volgende MFK;

15.  verzoekt de Commissie en de lidstaten realistische en haalbare doelstellingen vast te stellen, verschillen te beoordelen, de markt te analyseren alvorens regelingen ten uitvoer te leggen, de procedures voor toezicht en kennisgeving te verbeteren en de kwaliteit van statistische gegevens te verbeteren zodat de resultaten goed kunnen worden gemeten.

INFORMATIE OVER DE GOEDKEURING IN DE ADVISERENDE COMMISSIE

Datum goedkeuring

28.11.2017

 

 

 

Uitslag eindstemming

+:

–:

0:

12

1

0

Bij de eindstemming aanwezige leden

Zigmantas Balčytis, Martina Dlabajová, Ingeborg Gräßle, Jean-François Jalkh, Georgi Pirinski, Petri Sarvamaa, Claudia Schmidt, Bart Staes, Marco Valli, Derek Vaughan

Bij de eindstemming aanwezige vaste plaatsvervangers

Caterina Chinnici, Julia Pitera, Miroslav Poche

HOOFDELIJKE EINDSTEMMING IN DE ADVISERENDE COMMISSIE

12

+

EPP

S&D

ALDE

VERTS/ALE

EFDD

Ingeborg Gräßle, Julia Pitera, Petri Sarvamaa, Claudia Schmidt

Zigmantas Balčytis, Caterina Chinnici, Georgi Pirinski, Miroslav Poche, Derek Vaughan

Martina Dlabajová

Bart Staes

Marco Valli

1

-

EFDD

Jean-François Jalkh

0

0

 

 

Verklaring van de gebruikte tekens:

+  :  voor

-  :  tegen

0  :  onthouding

(1)

Andere maatregelen zijn onder meer het in september 2010 gelanceerde initiatief "Jeugd in beweging", het in december 2011 gelanceerde initiatief "Kansen voor jongeren" en de in januari 2012 gestarte "jongerenactieteams".

(2)

Zoals het Europees kwaliteitskader voor stages en de gezamenlijke verklaring van de Europese sociale partners "Towards a Shared Vision of Apprenticeships" en de rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie over onzekere vormen van arbeid.


ADVIES van de Commissie cultuur en onderwijs (23.11.2017)

aan de Commissie werkgelegenheid en sociale zaken

inzake de uitvoering van het jongerenwerkgelegenheidsinitiatief in de lidstaten

(2017/2039(INI))

Rapporteur voor advies: Momchil Nekov

SUGGESTIES

De Commissie cultuur en onderwijs verzoekt de bevoegde Commissie werkgelegenheid en sociale zaken onderstaande suggesties in haar ontwerpresolutie op te nemen:

1.  benadrukt de cruciale rol van het jongerenwerkgelegenheidsinitiatief ter bevordering van de uitvoering van de jongerengarantie en daarmee ook bij de aanpak op het niveau van de Unie van de jeugdwerkloosheid, die ongeveer tweemaal zo hoog is als de totale gemiddelde werkloosheid; juicht in dit verband toe dat het aantal werkloze jongeren, ondanks de trage start van het jongerenwerkgelegenheidsinitiatief, tegen oktober 2016 aanzienlijk is gedaald;

2.  herinnert eraan dat het jongerenwerkgelegenheidsinitiatief als belangrijkste doelstelling heeft alle jongeren die geen werk hebben noch onderwijs of een opleiding volgen (NEET's) te bereiken, en verzoekt de lidstaten daarom met klem meer inspanningen te leveren om de maatregelen binnen de onderwijsstelsels te verbeteren waardoor risicojongeren bescherming kunnen blijven genieten, alsook na te gaan wie tot die groep behoort en specifieke en doeltreffende maatregelen op al deze jongeren te richten, met name op de meest kansarmen onder hen zoals jongeren met een handicap, en rekening te houden met hun specifieke behoeften; roept de lidstaten op gepersonaliseerde ondersteuning te bieden om alle NEET's te bereiken met het oog op hun inschrijving; onderstreept bovendien dat de specifieke behoeften en belemmeringen van elke doelgroep moeten worden vastgesteld om op maat gesneden maatregelen te kunnen nemen;

3.  onderstreept in dit verband het belang van jongerenorganisaties om de meest kwetsbare jongeren te bereiken en het vermogen van die organisaties om als tussenschakel te fungeren tussen jongeren en de openbare diensten voor arbeidsvoorziening;

4.  herhaalt dat er uitgebreide communicatiestrategieën moeten worden opgezet, zoals bewustmakingscampagnes via zowel traditionele als moderne media zoals sociale netwerken;

5.  stelt bezorgd vast dat uit de recentste beoordelingsverslagen(1) blijkt dat het jongerenwerkgelegenheidsinitiatief in de eerste uitvoeringsfase primair gericht bleek op hoogopgeleide NEET's, eerder dan op laagopgeleide jongeren, niet-actieve jongeren en jongeren die niet bij de openbare diensten voor arbeidsvoorziening zijn ingeschreven; merkt op dat volgens de Europese Rekenkamer het aantal werkloze NEET's is afgenomen, terwijl het aantal niet-actieve NEET's stabiel is gebleven; wijst er daarom nogmaals op dat met lokale belanghebbenden zoals jongerenorganisaties, ngo's en de sociale partners samengewerkt moet worden om specifieke en doeltreffende maatregelen te ontwikkelen die beter zijn afgestemd op niet-actieve NEET's en hen beter bereikbaar maken;

6.  beklemtoont in dit verband het belang van synergieën met het Europees Sociaal Fonds (ESF) om opleidingscursussen van hoog niveau aan te bieden voor wie reeds een academische graad bezit, zodat het jongerenwerkgelegenheidsinitiatief effectief uitgevoerd kan worden in alle lidstaten;

7.  wijst met nadruk op de moeilijkheid om de resultaten van het jongerenwerkgelegenheidsinitiatief goed te kunnen beoordelen vanwege het gebrek aan goed werkende controle- en verslagleggingssystemen, en roept de lidstaten daarom op deze wezenlijke tekortkoming aan te pakken door onder meer specifieke follow-upmaatregelen te ontwikkelen met het oog op de uitvoering van meer empirisch onderbouwd, doeltreffend en duurzaam jeugdbeleid; spoort de lidstaten in dit verband aan op nationaal, regionaal en lokaal niveau nauw samen te werken met jongerenorganisaties en aan de basis actieve ngo's;

8.  roept de Commissie op om goede praktijken voor controle en verslaglegging vast te stellen en te verspreiden op basis van het overzicht dat zij heeft van bestaande systemen in de lidstaten;

9.  verzoekt de lidstaten een overzicht te maken van de kosten die gemoeid zijn met de uitvoering van de jongerengarantie, om voor adequate financiering te zorgen en de doelstellingen van de regeling beter te verwezenlijken;

10.  roept de lidstaten op doeltreffende en gemakkelijk toegankelijke "centrale loketten" te creëren om jongeren op één plaats hoogwaardige diensten en begeleiding aan te bieden; herhaalt dat alle maatregelen en instrumenten voor iedereen toegankelijk moeten worden gemaakt, via alle mogelijke communicatiemiddelen;

11.  roept de lidstaten op ervoor te zorgen dat hun wetgeving het voor alle jongeren binnen de vastgestelde leeftijdsgroep mogelijk maakt om zich in te schrijven en daadwerkelijk aan het jongerenwerkgelegenheidsinitiatief deel te nemen(2);

12.  wijst erop hoe belangrijk het is dat de kwaliteit van het aanbod wordt verbeterd; beklemtoont bovendien dat aandacht moet worden besteed aan de kwaliteit op het gebied van mentorschap en begeleiding, de kwaliteit en de toereikendheid van de eigenlijke individuele opleiding, stage of baan, en aan de kwaliteit van het resultaat ten opzichte van de vastgestelde doelstellingen; onderstreept in dit verband dat de toepassing van de reeds bestaande kwaliteitskaders, zoals het Europees kwaliteitskader, in het jongerenwerkgelegenheidsinitiatief moet worden gewaarborgd; is van mening dat jongeren ook bij de controle van de kwaliteit van het aanbod betrokken moeten worden; wijst op de noodzaak om de geldende leeftijdsgrens op te trekken van 25 tot 29 jaar, aangezien vele afgestudeerden en nieuwkomers op de arbeidsmarkt tussen de 25 en 30 jaar oud zijn;

13.  beklemtoont dat het van essentieel belang is betere mechanismen in te voeren om te garanderen dat jongeren over een hoogwaardig aanbod beschikken; vestigt de aandacht op het gebrek aan regelgeving voor het stageaanbod op de vrije markt in verband met transparante aanwerving, duur en erkenning, en wijst erop dat maar enkele lidstaten minimumkwaliteitscriteria hebben vastgesteld, onder meer voor de controle op de jongerengarantie en het jongerenwerkgelegenheidsinitiatief;

14.  benadrukt dat het jongerenwerkgelegenheidsinitiatief na 2020 moet worden voortgezet en dat in het volgende MFK voor adequate en duurzame financiering moet worden gezorgd met het oog op duurzame resultaten, waarbij rekening wordt gehouden met de werkelijke behoeften en vereiste middelen om de doelstellingen van het initiatief te kunnen verwezenlijken;

15.  benadrukt dat in het volgende MFK ook voor adequate financiering voor het Europees Sociaal Fonds (ESF) moet worden gezorgd.

INFORMATIE OVER DE GOEDKEURING IN DE ADVISERENDE COMMISSIE

Datum goedkeuring

22.11.2017

 

 

 

Uitslag eindstemming

+:

–:

0:

26

0

1

Bij de eindstemming aanwezige leden

Isabella Adinolfi, Dominique Bilde, Andrea Bocskor, Nikolaos Chountis, Silvia Costa, Mircea Diaconu, Jill Evans, María Teresa Giménez Barbat, Giorgos Grammatikakis, Petra Kammerevert, Svetoslav Hristov Malinov, Curzio Maltese, Rupert Matthews, Morten Messerschmidt, Luigi Morgano, Momchil Nekov, John Procter, Michaela Šojdrová, Yana Toom, Julie Ward, Bogdan Brunon Wenta, Theodoros Zagorakis, Bogdan Andrzej Zdrojewski, Milan Zver, Krystyna Łybacka

Bij de eindstemming aanwezige vaste plaatsvervangers

Ian Hudghton, Monika Smolková

HOOFDELIJKE EINDSTEMMING IN DE ADVISERENDE COMMISSIE

26

+

ALDE

Mircea Diaconu, María Teresa Giménez Barbat, Yana Toom

ECR

Rupert Matthews, Morten Messerschmidt, John Procter

ENF

Dominique Bilde

GUE/NGL

Nikolaos Chountis, Curzio Maltese

PPE

Andrea Bocskor, Svetoslav Hristov Malinov, Michaela Šojdrová, Bogdan Brunon Wenta, Theodoros Zagorakis, Bogdan Andrzej Zdrojewski, Milan Zver

S&D

Silvia Costa, Giorgos Grammatikakis, Petra Kammerevert, Krystyna Łybacka, Luigi Morgano, Momchil Nekov, Monika Smolková, Julie Ward

Verts/ALE

Jill Evans, Ian Hudghton

-

-

1

0

EFDD

Isabella Adinolfi

Verklaring van de gebruikte tekens:

+  :  voor

-  :  tegen

0  :  onthouding

(1)

Europese Rekenkamer: Speciaal verslag nr. 5/2017 over de uitvoering van de jongerengarantie en het jongerenwerkgelegenheidsinitiatief; First results of the Youth Employment Initiative - Final Report (De eerste resultaten van het jongerenwerkgelegenheidsinitiatief - eindverslag), Europese Commissie; Jongerenwerkgelegenheidsinitiatief: Europese uitvoeringsbeoordeling, oktober 2016; diepgaande analyse van de EPRS, Jan Tymowski, juni 2017.

(2)

In het wetgevingskader van sommige landen worden bepaalde jongeren, met name die met een ernstige handicap, aangemerkt als "arbeidsongeschikt". Zij kunnen zich niet inschrijven bij de openbare diensten voor arbeidsvoorziening en kunnen dan ook niet deelnemen aan het jongerenwerkgelegenheidsinitiatief.


ADVIES van de Commissie rechten van de vrouw en gendergelijkheid (9.11.2017)

aan de Commissie werkgelegenheid en sociale zaken

inzake de uitvoering van het jongerenwerkgelegenheidsinitiatief in de lidstaten

(2017/2039(INI))

Rapporteur voor advies: Vilija Blinkevičiūtė

SUGGESTIES

De Commissie rechten van de vrouw en gendergelijkheid verzoekt de bevoegde Commissie werkgelegenheid en sociale zaken onderstaande suggesties in haar ontwerpresolutie op te nemen:

A.  overwegende dat jonge mensen, en dan met name jonge vrouwen, het hardst zijn getroffen door de recente financiële en economische crisis, die niet alleen grote gevolgen heeft gehad voor de economische positie van jonge vrouwen en de jongerenwerkgelegenheid, maar ook voor het mentale en fysieke welzijn van jongeren alsmede, in het algemeen, voor hun werkomgeving, demografische situatie, leefomstandigheden en toegang tot onderwijs of opleiding;

B.  overwegende dat vrouwen in de hele EU nog steeds sterk ondervertegenwoordigd zijn op de arbeidsmarkt en in bestuursfuncties en dat de totale arbeidsparticipatie van vrouwen nog altijd bijna 12% lager ligt dan die van mannen;

C.  overwegende dat "de verkleining van de loon- en pensioenkloof tussen mannen en vrouwen en dus ook de bestrijding van armoede bij vrouwen" tot de prioriteiten behoort die de Commissie heeft vastgelegd in haar document getiteld "Strategisch engagement voor gendergelijkheid 2016-2019";

D.  overwegende dat 31,5% van de werkende vrouwen deeltijds werkt, tegenover 8,2% van de werkende mannen, en dat iets meer dan de helft van de vrouwen voltijds werkt, tegenover 71,2 % van de mannen, goed voor een verschil in voltijdse arbeidsparticipatie van 25,5%;

E.  overwegende dat genderevenwicht een indicator is die binnen de doelstellingen van het jongerenwerkgelegenheidsinitiatief onvoldoende aandacht krijgt;

F.  overwegende dat de Unie, overeenkomstig de artikelen 9 en 10 VWEU, bij de bepaling en de uitvoering van haar beleid en optreden dient toe te zien op een geïntegreerde en inclusieve arbeidsmarkt waarmee de ernstige gevolgen van de werkloosheid kunnen worden aangepakt en een hoog niveau van werkgelegenheid kan worden gewaarborgd; voorts overwegende dat de Unie dient te zorgen voor fatsoenlijke arbeidsomstandigheden, met inbegrip van passende lonen, in de gehele Unie, adequate sociale bescherming dient te waarborgen overeenkomstig de arbeidswetgeving, de collectieve overeenkomsten en het subsidiariteitsbeginsel, evenals een hoog niveau van onderwijs en opleiding, en iedere discriminatie op grond van geslacht, ras of etnische afkomst, godsdienst of overtuiging, handicap, leeftijd of seksuele gerichtheid dient te bestrijden;

G.  overwegende dat de situatie van jonge vrouwen en mannen die niet werken en geen onderwijs of opleiding volgen (NEET-jongeren) varieert, net als de redenen voor het feit dat zij tot deze categorie behoren;

H.  overwegende dat moeilijkheden bij het combineren van werk en gezinsleven vanwege onvoldoende steun voor zorg- en gezinstaken, evenals de vaderschapsverlofkloof en de scheve verhouding tussen mannen en vrouwen op de arbeidsmarkt, als gevolg daarvan nog altijd een negatieve impact hebben op de opleidingskansen van vrouwen, hun deelname aan de arbeidsmarkt, hun loopbaankeuzes en hun economische activiteit; overwegende, in dit verband, dat vrouwen in veel lidstaten de overgrote meerderheid vormen van de groep werknemers met onzekere, kleine of deeltijdbanen; overwegende dat alle bovengenoemde zaken in de toekomst hun weerslag zullen hebben op hun inkomsten uit salaris en pensioen;

I.  overwegende dat onregelmatige arbeidsregelingen en het verzuim zich als werkloos te registreren de statistische gegevens inzake jonge vrouwen in plattelandsgebieden onnauwkeurig maken en ongelijkheden ten aanzien van hun pensioenen creëren; overwegende dat deze praktijk een negatieve invloed heeft op de gehele samenleving en met name op het welzijn van vrouwen, andere sociale verzekeringen, kansen met betrekking tot verandering van loopbaan en toekomstige arbeidsmogelijkheden;

J.  overwegende dat het percentage NEET-jongeren afneemt, hoewel dit niet uitsluitend te danken is aan het jongerenwerkgelegenheidsinitiatief;

K.  overwegende dat NEET-jongeren een heterogene groep met uiteenlopende behoeften vormen en dat het daarom van het allergrootste belang wordt geacht maatregelen te nemen om vrouwen, jonge meisjes en het genderaspect zichtbaar te maken in alle onderdelen van een geactualiseerd jongerenwerkgelegenheidsinitiatief;

L.  overwegende dat er, volgens nationale evaluaties van het jongerenwerkgelegenheidsinitiatief, in sommige lidstaten moeilijkheden worden ondervonden bij het bereiken van kwetsbare jongeren; overwegende dat, volgens een enquête van beheersautoriteiten die eind 2015 werd uitgevoerd, de groepen die in de eerste fase van de tenuitvoerlegging het vaakst door het jongerenwerkgelegenheidsinitiatief werden bereikt jongeren in de leeftijdscategorie van 15‑24 jaar (77%), jonge mannen (51%), personen met ten minste een diploma hoger secundair onderwijs (75%) en werklozen (77%) waren, en niet zozeer de niet-actieve jongeren;

1.  is verheugd dat het aantal werkloze jongeren en NEET-jongeren in de EU sinds 2013 is afgenomen; benadrukt evenwel dat jongerenwerkloosheid in tal van lidstaten een groot probleem blijft;

2.  wijst op de noodzaak van een tweeledige strategische aanpak en methodologie op basis van gendermainstreaming, die horizontaal in alle initiatieven, beleidslijnen en maatregelen van de EU in het kader van het jongerenwerkgelegenheidsinitiatief ten uitvoer wordt gelegd, met bijzondere aandacht voor jonge vrouwen en meisjes;

3.  benadrukt dat het van het grootste belang is om minimumnormen vast te stellen en te waarborgen inzake de kwaliteit van het werk dat in het kader van het jongerenwerkgelegenheidsinitiatief wordt aangeboden, en wijst erop dat deze normen moeten worden gegarandeerd voor alle jongeren die de arbeidsmarkt (opnieuw) betreden, niet alleen betrekking moeten hebben op hun professionele of beroepsprofiel en de vraag van de arbeidsmarkt, en het volgende moeten omvatten: werk op basis van een contract, fatsoenlijke werk- en leefomstandigheden, fatsoenlijke salarissen, socialezekerheids- en pensioenrechten, toegang tot kinderopvang, verlofregelingen, vakantieregelingen, en vast werk;

4.  erkent dat het jongerenwerkgelegenheidsinitiatief voor een afname van de jongerenwerkloosheid en een evenwicht tussen mannen en vrouwen heeft gezorgd, aangezien het initiatief ongeveer 48% mannen en 52% vrouwen heeft bereikt;

5.  wenst dat Richtlijn 2000/78/EG tot instelling van een algemeen kader voor gelijke behandeling in arbeid en beroep en Richtlijn 2010/41/EU betreffende de toepassing van het beginsel van gelijke behandeling van zelfstandig werkzame mannen en vrouwen volledig ten uitvoer worden gelegd binnen het jongerenwerkgelegenheidsinitiatief;

6.  acht het noodzakelijk dat de Commissie en de lidstaten met positieve maatregelen komen om te waarborgen dat jonge vrouwen en meisjes werk van goede kwaliteit krijgen aangeboden en niet in kwetsbare, onderbetaalde en tijdelijke banen met geen of weinig rechten terechtkomen of blijven hangen;

7.  prijst de doelgerichte benadering van het jongerenwerkgelegenheidsinitiatief en de sterkere nadruk ervan op individuele steun, die in het algemeen tot het welslagen van het initiatief en in het bijzonder tot het bereiken van een evenwicht tussen mannen en vrouwen hebben geleid, met een grotere impact op de deelname van vrouwen aan de arbeidsmarkt tot gevolg; moedigt ertoe aan dat genderbewustzijn wordt bevorderd in begeleiding en een leven lang leren en dat er openbare diensten voor arbeidsvoorziening beschikbaar worden gesteld om de participatie van vrouwen op de arbeidsmarkt te ondersteunen, evenals hun terugkeer naar de arbeidsmarkt na loopbaanonderbrekingen;

8.  verzoekt de lidstaten naar geslacht uitgesplitste statistische gegevens te verzamelen zodat de Commissie een effectbeoordeling van het jongerenwerkgelegenheidsinitiatief en van het evenwicht tussen mannen en vrouwen kan lanceren en er een grondige beoordeling en analyse van de uitvoering van het initiatief mogelijk wordt gemaakt;

9.  wenst dat de lidstaten nieuwe, innovatieve en persoonlijker manieren ontwikkelen om niet-actieve NEET-jongeren te bereiken die geconfronteerd worden met obstakels zoals armoede, sociale uitsluiting, handicaps of meervoudige discriminatie en onderstreept tegelijkertijd ook het belang van niet-gouvernementele organisaties en andere relevante actoren in dit verband; verzoekt de lidstaten de communicatie aanmerkelijk te verbeteren – en wel op een zodanige manier dat ze gemakkelijk kan worden afgestemd op verschillende doelgroepen – en manieren te bedenken om jonge vrouwen te ondersteunen bij hun terugkeer op de arbeidsmarkt of in de schoolbanken door toe te zien op de gelijkheid van mannen en vrouwen bij de toegang tot arbeid, carrièrekansen, het combineren van werk en privéleven, het aanbieden van kinderopvang en zorgvoorzieningen voor volwassenen en het bevorderen van gelijke betaling voor werk van gelijke waarde;

10.  wijst er nogmaals op dat het van essentieel belang is om genderspecifieke stereotypen effectief weg te nemen teneinde de participatie van vrouwen in alle segmenten van de arbeidsmarkt te bevorderen; roept de Unie op om zich op te werpen als voorvechter van het wegnemen van genderspecifieke stereotypen, vooral op het gebied van onderwijs, werk en bijscholing;

11.  onderstreept dat de aandacht op de kwaliteit en duurzaamheid van de aangeboden plaatsen moet liggen; moedigt ertoe aan initiatieven te ontplooien die gericht zijn op het aanpakken van gendersegregatie in het onderwijs, bij opleidingen en op de arbeidsmarkt; wijst erop dat het belangrijk is de inclusie van meisjes en jonge vrouwen in alle economische sectoren, met inbegrip van STEM-sectoren (wetenschap, technologie, techniek en wiskunde) en ondernemerschap, te ondersteunen op basis van gericht beleid; roept de lidstaten op te voorzien in programma's, cursussen en onderwijs waarmee de digitale capaciteit en vaardigheden van jongeren, met name van vrouwen en jongeren die in afgelegen of plattelandsgebieden wonen, worden versterkt, om hen te helpen op de lange termijn duurzame economische zelfstandigheid te bereiken en actieve scheppers van werkgelegenheidskansen te worden;

12.  onderstreept dat programma's zoals de jongerengarantie en het jongerenwerkgelegenheidsinitiatief zijn ontstaan als een reactie op bijzonder ongunstige omstandigheden; merkt evenwel op dat dergelijke programma's niet als vervanging mogen worden beschouwd van structurele oplossingen waarmee de hoge werkloosheid onder jongeren in de lidstaten kan worden aangepakt;

13.  roept de lidstaten op het jongerenwerkgelegenheidsinitiatief te blijven uitvoeren, de tekortkomingen ervan te verhelpen en ervoor te zorgen dat de financiering van het initiatief tijdens het volgende meerjarig financieel kader (MFK) wordt voortgezet;

14.  beklemtoont dat de lidstaten genderquota moeten invoeren bij de tenuitvoerlegging van het jongerenwerkgelegenheidsinitiatief, aangezien deze positieve maatregel een van meest effectieve instrumenten is gebleken om ongelijkheden, discriminatie en genderongelijkheid tegen te gaan;

15.  verzoekt de lidstaten onderling beste praktijken uit te wisselen om van elkaar te leren en zodoende het jongerenwerkgelegenheidsinitiatief optimaal te benutten;

16.  roept de lidstaten en de Commissie op de toekomstige financiering van de jongerengarantie en het jongerenwerkgelegenheidsinitiatief grondig te evalueren en te overwegen in het licht van hun meerwaarde in termen van de duurzame verbetering van de werkgelegenheid voor jongeren op de lange termijn;

17.  wenst dat de lidstaten oplossingen bevorderen die op de specifieke regio's in kwestie zijn afgestemd en niet-productieve "pasklare" oplossingen vermijden;

18.  doet een dringend beroep op de Commissie om met een bijgewerkt voorstel te komen voor een verhoging van de begroting van het jongerenwerkgelegenheidsinitiatief en de instrumenten van de jongerengarantie, aangezien de lidstaten vanwege de aanhoudende Europese en economische crises en de daaruit voortvloeiende economische vertraging nog altijd te kampen hebben met hoge werkloosheidscijfers, overheidsschulden, lage groeicijfers en onvoldoende investeringen, alsook met bezuinigingen op de overheidsuitgaven;

19. vraagt de lidstaten om voorlichtingscampagnes op touw te zetten voor alle groepen belanghebbenden, in het bijzonder voor diegenen die in afgelegen of plattelandsgebieden wonen, van wie het minder waarschijnlijk is dat ze goed opgeleid en geïnformeerd zijn.

INFORMATIE OVER DE GOEDKEURING IN DE ADVISERENDE COMMISSIE

Datum goedkeuring

6.11.2017

 

 

 

Uitslag eindstemming

+:

–:

0:

19

0

3

Bij de eindstemming aanwezige leden

Maria Arena, Malin Björk, Vilija Blinkevičiūtė, Anna Maria Corazza Bildt, Arne Gericke, Mary Honeyball, Agnieszka Kozłowska-Rajewicz, Florent Marcellesi, Angelika Niebler, Marijana Petir, Terry Reintke, Michaela Šojdrová, Anna Záborská, Jana Žitňanská

Bij de eindstemming aanwezige vaste plaatsvervangers

Kostadinka Kuneva, Edouard Martin, Evelyn Regner, Jordi Solé, Marc Tarabella, Mylène Troszczynski, Julie Ward

Bij de eindstemming aanwezige plaatsvervangers (art. 200, lid 2)

Ulrike Müller, Gabriele Preuß

HOOFDELIJKE EINDSTEMMING IN DE ADVISERENDE COMMISSIE

19

+

ALDE

Ulrike Müller

GUE/NGL

Malin Björk, Kostadinka Kuneva

PPE

Anna Maria Corazza Bildt, Agnieszka Kozłowska-Rajewicz, Angelika Niebler, Marijana Petir, Michaela Šojdrová, Anna Záborská

S&D

Maria Arena, Vilija Blinkevičiūtė, Mary Honeyball, Edouard Martin, Gabriele Preuß, Marc Tarabella, Julie Ward

VERTS/ALE

Florent Marcellesi, Jordi Solé, Terry Reintke

0

-

 

 

3

0

ECR

Arne Gericke, Jana Žitňanská

ENF

Mylène Troszczynski

Verklaring van de gebruikte tekens:

+  :  voor

-  :  tegen

0  :  onthouding


INFORMATIE OVER DE GOEDKEURING IN DE BEVOEGDE COMMISSIE

Datum goedkeuring

4.12.2017

 

 

 

Uitslag eindstemming

+:

–:

0:

37

1

2

Bij de eindstemming aanwezige leden

Guillaume Balas, Tiziana Beghin, Brando Benifei, Enrique Calvet Chambon, Ole Christensen, Martina Dlabajová, Lampros Fountoulis, Arne Gericke, Marian Harkin, Agnes Jongerius, Rina Ronja Kari, Jan Keller, Kostadinka Kuneva, Jérôme Lavrilleux, Jeroen Lenaers, Verónica Lope Fontagné, Javi López, Dominique Martin, Elisabeth Morin-Chartier, Georgi Pirinski, Robert Rochefort, Claude Rolin, Jutta Steinruck, Romana Tomc, Yana Toom, Ulrike Trebesius, Marita Ulvskog

Bij de eindstemming aanwezige vaste plaatsvervangers

Georges Bach, Krzysztof Hetman, Paloma López Bermejo, Edouard Martin, Rory Palmer, Anne Sander, Sven Schulze, Claudiu Ciprian Tănăsescu, Tom Vandenkendelaere

Bij de eindstemming aanwezige plaatsvervangers (art. 200, lid 2)

Olle Ludvigsson, Norica Nicolai, Tibor Szanyi, Lola Sánchez Caldentey


HOOFDELIJKE EINDSTEMMING IN DE BEVOEGDE COMMISSIE

37

+

ALDE

Enrique Calvet Chambon, Martina Dlabajová, Marian Harkin, Norica Nicolai, Robert Rochefort, Yana Toom

EFDD

Tiziana Beghin

ENF

Dominique Martin

GUE/NGL

Rina Ronja Kari, Kostadinka Kuneva, Paloma López Bermejo, Lola Sánchez Caldentey

PPE

Georges Bach, Krzysztof Hetman, Jérôme Lavrilleux, Jeroen Lenaers, Verónica Lope Fontagné, Elisabeth Morin-Chartier, Claude Rolin, Anne Sander, Sven Schulze, Romana Tomc, Tom Vandenkendelaere

S&D

Guillaume Balas, Brando Benifei, Ole Christensen, Agnes Jongerius, Jan Keller, Javi López, Olle Ludvigsson, Edouard Martin, Rory Palmer, Georgi Pirinski, Jutta Steinruck, Tibor Szanyi, Claudiu Ciprian Tănăsescu, Marita Ulvskog

1

-

NI

Lampros Fountoulis

2

0

ECR

Arne Gericke, Ulrike Trebesius

Verklaring van de gebruikte tekens:

+  :  voor

-  :  tegen

0  :  onthouding

Juridische mededeling - Privacybeleid