Procedure : 2017/2221(IMM)
Stadium plenaire behandeling
Documentencyclus : A8-0011/2018

Ingediende teksten :

A8-0011/2018

Debatten :

Stemmingen :

PV 06/02/2018 - 5.1
CRE 06/02/2018 - 5.1

Aangenomen teksten :

P8_TA(2018)0020

VERSLAG     
PDF 272kWORD 55k
30.1.2018
PE 615.494v02-00 A8-0011/2018

over het verzoek om opheffing van de immuniteit van Steeve Briois

(2017/2221(IMM))

Commissie juridische zaken

Rapporteur: Evelyn Regner

ONTWERPBESLUIT VAN HET EUROPEES PARLEMENT
 TOELICHTING
 INFORMATIE OVER DE GOEDKEURING IN DE BEVOEGDE COMMISSIE

ONTWERPBESLUIT VAN HET EUROPEES PARLEMENT

over het verzoek om opheffing van de immuniteit van Steeve Briois

(2017/2221(IMM))

Het Europees Parlement,

–  gezien het verzoek om opheffing van de immuniteit van Steeve Briois, dat op 25 september 2017 werd ingediend door de Franse minister van Justitie op verzoek van de procureur-generaal bij het hof van beroep van Douai in verband met een klacht met burgerlijke partijstelling tegen de heer Briois wegens het strafbaar feit van publiekelijk geuite beledigingen jegens een particuliere persoon ("injures publiques envers un particulier"), en van de ontvangst waarvan op 2 oktober 2017 ter plenaire vergadering kennis werd gegeven,

–  gezien de aanvullende informatie over de zaak die de procureur-generaal van het regionale gerechtshof van Douai heeft verstrekt in een brief d.d. 12 december 2017,

–  na Steeve Briois overeenkomstig artikel 9, lid 6, van zijn Reglement te hebben gehoord,

–  gezien de artikelen 8 en 9 van Protocol nr. 7 betreffende de voorrechten en immuniteiten van de Europese Unie, en artikel 6, lid 2, van de Akte van 20 september 1976 betreffende de verkiezing van de leden van het Europees Parlement door middel van rechtstreekse algemene verkiezingen,

–  gezien de arresten van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 12 mei 1964, 10 juli 1986, 15 en 21 oktober 2008, 19 maart 2010, 6 september 2011 en 17 januari 2013(1),

–  gezien artikel 26 van de grondwet van de Franse Republiek, zoals gewijzigd bij constitutionele wet nr. 95-880 van 4 augustus 1995,

–  gezien artikel 5, lid 2, artikel 6, lid 1, en artikel 9 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie juridische zaken (A8-0011/2018),

A.  overwegende dat de procureur-generaal bij het hof van beroep van Douai een verzoek heeft ingediend tot opheffing van de parlementaire immuniteit van Steeve Briois, lid van het Europees Parlement, in verband met een bij het regionale gerechtshof van Douai aanhangig geding; overwegende dat dit verzoek bij het Parlement is ingediend door de Franse minister van Justitie;

B.  overwegende dat het verzoek om opheffing van de immuniteit van de heer Briois betrekking heeft op een geding dat is aangespannen in verband met het strafbaar feit van publiekelijk geuite beledigingen jegens een particuliere persoon (artikel 29, lid 2, artikel 33, lid 2, en artikel 23 van de wet van 29 juli 1881) in samenhang met vermeende lasterlijke commentaren die door een aantal internetgebruikers in reactie op een tekst die de heer Briois op 23 december 2015 op zijn Facebookpagina had gepubliceerd waren gepost, en die niet onmiddellijk door de heer Briois waren verwijderd; overwegende dat de procureur-generaal van het regionale gerechtshof van Douai op verzoek van de Commissie juridische zaken heeft verklaard dat de eerder genoemde commentaren op 21 november 2017 nog steeds op het internet stonden;

C.  overwegende dat overeenkomstig artikel 8 van Protocol nr. 7 tegen de leden van het Europees Parlement geen opsporing kan plaatsvinden, en dat zij evenmin kunnen worden aangehouden of vervolgd op grond van de mening of de stem die zij in de uitoefening van hun ambt hebben uitgebracht;

D.  overwegende dat de leden van het Europees Parlement overeenkomstig artikel 9 van Protocol nr. 7 op hun eigen grondgebied de immuniteiten genieten welke aan de leden van de volksvertegenwoordiging in hun land zijn verleend;

E.  overwegende dat artikel 26 van de grondwet van de Franse Republiek onder meer bepaalt dat een lid van het parlement niet kan worden aangehouden ter zake van een misdrijf noch aan andere vrijheid benemende of vrijheid beperkende maatregelen mag worden onderworpen zonder de toestemming van het parlement;

F.  overwegende dat de artikelen 8 en 9 van Protocol nr. 7 betreffende de voorrechten en immuniteiten van de Europese Unie elkaar uitsluiten(2);

G.  overwegende dat de beschuldigingen tegen Steeve Briois en het daarop volgende verzoek om opheffing van zijn immuniteit geen verband houden met een mening of een stem die hij in de uitoefening van zijn ambt als lid van het Europees Parlement heeft uitgebracht, maar wel met het feit dat hij zou hebben nagelaten een aantal door derden geposte commentaren die door de geviseerde persoon als beledigend werden ervaren, van zijn officiële Facebookpagina te verwijderen;

H.  overwegende dat de krachtens artikel 8 van Protocol nr. 7 verleende immuniteit derhalve niet toepasselijk is en de zaak in kwestie volledig onder artikel 9 van hetzelfde protocol valt;

I.  overwegende dat het Parlement beschikt over een ruime discretionaire bevoegdheid met betrekking tot de richting die het wil geven aan een besluit op een verzoek om verdediging van de immuniteit in het kader van artikel 9 van het protocol(3);

J.  overwegende dat er geen duidelijk bewijs is van fumus persecutionis, dat wil zeggen een voldoende ernstig en nauwkeurig vermoeden dat de procedure is ingeleid om de politieke activiteiten van het lid van het Parlement te beschadigen;

1.  besluit de immuniteit van Steeve Briois op te heffen;

2.  verzoekt zijn Voorzitter dit besluit en het verslag van zijn bevoegde commissie onmiddellijk te doen toekomen aan de minister van Justitie van de Franse Republiek en aan Steeve Briois.

(1)

Arrest van het Hof van Justitie van 12 mei 1964, Wagner/Fohrmann en Krier, 101/63, ECLI:EU:C:1964:28; arrest van het Hof van Justitie van 10 juli 1986, Wybot/Faure e.a., 149/85, ECLI:EU:C:1986:310; arrest van het Gerecht van 15 oktober 2008, Mote/Parlement, T-345/05, ECLI:EU:T:2008:440; arrest van het Hof van Justitie van 21 oktober 2008, Marra/De Gregorio en Clemente, C-200/07 en C-201/07, ECLI:EU:C:2008:579; arrest van het Gerecht van 19 maart 2010, Gollnisch/Parlement, T-42/06, ECLI:EU:T:2010:102; arrest van het Hof van Justitie van 6 september 2011, Patriciello, C-163/10, ECLI:EU:C:2011:543; arrest van het Gerecht van 17 januari 2013, Gollnisch/Parlement, T-346/11 en T-347/11, ECLI:EU:T:2013:23.

(2)

Gevoegde zaken C-200/07 en C-201/07, Marra, reeds aangehaald, punt 45.

(3)

Gevoegde zaken T-346/11 en T-347/11, Gollnisch, reeds aangehaald, punt 101.


TOELICHTING

I. Achtergrond

Tijdens de plenaire vergadering van 2 oktober 2017 deelde de Voorzitter mede dat hij op 25 september 2017 een brief had ontvangen van de Franse minister van Justitie met het verzoek de immuniteit van Steeve Briois op te heffen.

Overeenkomstig artikel 9, lid 1, van het Reglement heeft de Voorzitter dit verzoek verwezen naar de Commissie juridische zaken.

Op 18 maart 2016 diende een oppositielid van de gemeenteraad van Hénin-Beaumont bij de hoogste onderzoeksrechter van Douai een klacht met burgerlijkepartijstelling in tegen Steeve Briois, burgemeester van deze gemeente, wegens publiekelijk geuite beledigingen jegens een particuliere persoon, een strafbaar feit overeenkomstig artikel 29, lid 2, artikel 33, lid 2, en artikel 23 van de wet van 29 juli 1881.

Ter ondersteuning van zijn klacht legde het gemeenteraadslid uit dat hij op 2 december 2015 bij het administratieve gerechtshof van Lille een verzoek had ingediend om nietigverklaring van een besluit van de gemeenteraad van Hénin-Beaumont om een kerststal op te zetten in de hal van het stadhuis, dit wegens overschrijding van bevoegdheid (ultra vires). Tegelijkertijd had hij op dezelfde gronden gevraagd een beschikking in kort geding met schorsende werking uit te vaardigen. Zijn verzoek werd afgewezen.

Op 23 december 2015 postte de heer Briois op zijn persoonlijke, publiek toegankelijke Facebookaccount een tekst waarin hij onder meer vermeldde dat het verzoek van de oppositie om de kerststal te laten verwijderen door de rechtbank verworpen was.

In antwoord op deze tekst werden op de Facebookpagina van Steeve Briois een aantal commentaren gepost die het geviseerde gemeenteraadslid beledigend achtte. Daarop diende het gemeenteraadslid een klacht in bij de hoogste onderzoeksrechter van Douai, met name omdat de heer Briois zou hebben nagelaten deze commentaren van zijn Facebookpagina te verwijderen.

De verzoekende autoriteiten zijn van mening dat de opheffing van de immuniteit van de heer Briois noodzakelijk is, zodat hij kan worden opgeroepen, indien nodig onder dwang, om voor de onderzoeksrechter te verschijnen voor een initiële ondervraging, waarna de onderzoeksrechter hem de status van bijgestane getuige kan verlenen dan wel een tenlastelegging tegen betrokkene kan opstellen. In het laatste geval zou de zaak van de heer Briois worden doorverwezen naar het strafrechtelijk hof.

In antwoord op een verzoek van de Commissie juridische zaken om verdere informatie over de zaak overeenkomstig artikel 9, lid 5, van het Reglement, deelde de openbare aanklager van het regionaal gerechtshof van Douai in een brief van 12 december 2017 mee dat de vermeend beledigende commentaren nog steeds op het internet stonden toen de bevoegde autoriteiten op 21 november 2017 hun laatste verificatie verrichtten.

De heer Briois werd op 7 december 2017 door de Commissie juridische zaken gehoord overeenkomstig artikel 9, lid 6.

II.  Het recht en de procedures inzake de immuniteit van leden van het Europees Parlement

De artikelen 8 en 9 van Protocol nr. 7 betreffende de voorrechten en immuniteiten van de Europese Unie luiden:

Artikel 8

Tegen de leden van het Europees Parlement kan geen opsporing plaatsvinden, noch kunnen zij worden aangehouden of vervolgd op grond van de mening of de stem, die zij in de uitoefening van hun ambt hebben uitgebracht.

Artikel 9

Tijdens de zittingsduur van het Europees Parlement genieten de leden:

(a) op hun eigen grondgebied, de immuniteiten welke aan de leden van de volksvertegenwoordiging in hun land zijn verleend,

(b) op het grondgebied van elke andere lidstaat, vrijstelling van aanhouding en gerechtelijke vervolging in welke vorm ook.

De immuniteit beschermt hen eveneens, wanneer zij zich naar de plaats van de bijeenkomst van het Europees Parlement begeven of daarvan terugkeren.

Op deze immuniteit kan geen beroep worden gedaan in geval van ontdekking op heterdaad, terwijl zij evenmin kan verhinderen dat het Europees Parlement het recht uitoefent de immuniteit van een van zijn leden op te heffen.

De artikelen 5, 6 en 9 van het Reglement van het Europees Parlement luiden:

Artikel 5: Voorrechten en immuniteiten

1. De leden genieten de voorrechten en immuniteiten bedoeld in Protocol nr. 7 betreffende de voorrechten en immuniteiten van de Europese Unie.

2. Bij de uitoefening van zijn bevoegdheden met betrekking tot voorrechten en immuniteiten zet het Parlement zich in voor de handhaving van zijn integriteit als democratische wetgevende vergadering en de waarborging van de onafhankelijkheid van zijn leden bij de uitvoering van hun taken. De parlementaire immuniteit is geen persoonlijk voorrecht van de leden, maar een garantie voor de onafhankelijkheid van het Parlement als geheel en van zijn leden. (...)

Artikel 6: Opheffing van de immuniteit

1. Een verzoek om opheffing van de immuniteit wordt beoordeeld overeenkomstig de artikelen 7, 8 en 9 van Protocol nr. 7 betreffende de voorrechten en immuniteiten van de Europese Unie en de beginselen in artikel 5, lid 2, van dit Reglement.

2. Wanneer een lid wordt verplicht als getuige of deskundige te verschijnen, is een verzoek om opheffing van de immuniteit niet noodzakelijk, mits

-  het lid niet wordt verplicht om op een zodanig tijdstip te verschijnen dat de uitvoering van zijn parlementaire taken wordt belemmerd of bemoeilijkt, of mits het lid een verklaring schriftelijk of in een andere vorm kan afleggen, zodat de uitvoering van zijn parlementaire taken niet wordt bemoeilijkt, en

-  het lid niet wordt verplicht verklaringen af te leggen over onderwerpen waarover hij bij de uitvoering van zijn parlementaire taken vertrouwelijke informatie heeft verkregen, die het meent niet openbaar te moeten maken.

Artikel 9: Immuniteitsprocedures

1. Elk tot de Voorzitter gericht verzoek door een daartoe bevoegde autoriteit van een lidstaat om de immuniteit van een lid op te heffen, of door een lid of een voormalig lid om de voorrechten en immuniteiten te verdedigen, wordt ter plenaire vergadering meegedeeld en verwezen naar de bevoegde commissie.

2. Met instemming van het betrokken lid of voormalig lid kan het verzoek worden gedaan door een ander lid, die het betrokken lid of voormalig lid in alle fasen van de procedure vertegenwoordigt.

Het lid dat het betrokken lid of voormalig lid vertegenwoordigt, wordt niet betrokken bij de door de commissie genomen besluiten.

3. De commissie behandelt de verzoeken om opheffing van de immuniteit of om verdediging van de voorrechten en immuniteiten onverwijld en met inachtneming van de relatieve complexiteit ervan.

4. De commissie stelt een met redenen omkleed ontwerpbesluit op waarin wordt aanbevolen het verzoek om opheffing van de immuniteit of om verdediging van de voorrechten en immuniteit in te willigen dan wel af te wijzen. Amendementen daarop zijn niet ontvankelijk. Bij verwerping van een ontwerpbesluit wordt het tegengestelde besluit geacht te zijn aangenomen.

5. De commissie kan de betrokken autoriteit om informatie of opheldering verzoeken die zij noodzakelijk acht om zich een oordeel te vormen over de vraag of de immuniteit moet worden opgeheven dan wel verdedigd.

6. Het betrokken lid krijgt de gelegenheid te worden gehoord en kan alle documenten of andere schriftelijke bewijsstukken overleggen die dat lid relevant acht.

Behalve bij de hoorzitting zelf is het betrokken lid niet aanwezig bij de debatten over het verzoek om opheffing of verdediging van zijn immuniteit.

De commissievoorzitter nodigt het betrokken lid uit om te worden gehoord op een nader aangegeven datum en tijdstip. Het betrokken lid kan afstand doen van zijn recht om te worden gehoord.

Verschijnt het betrokken lid niet op de hoorzitting conform de uitnodiging, dan wordt hij geacht afstand te hebben gedaan van zijn recht om te worden gehoord, tenzij hij onder opgave van redenen verzoekt te worden verschoond van verschijning op de hoorzitting op de voorgestelde datum en tijd. De commissievoorzitter beslist of een dergelijk verschoningsverzoek in het licht van de opgegeven redenen wordt ingewilligd. Het betrokken lid kan geen beroep instellen tegen deze beslissing.

Indien de commissievoorzitter het verschoningsverzoek inwilligt, dan nodigt hij het betrokken lid uit om te worden gehoord op een nieuwe datum en een nieuw tijdstip. Gaat het betrokken lid niet in op de tweede uitnodiging om te worden gehoord, dan wordt de procedure voortgezet zonder dat het lid wordt gehoord. Er kunnen dan geen nieuwe verzoeken om verschoning of om te worden gehoord meer worden aanvaard.

7. Indien het verzoek om opheffing of verdediging van de immuniteit op verscheidene punten van beschuldiging berust, kan elk van deze punten in een apart besluit worden behandeld. Het verslag van de commissie kan bij wijze van uitzondering het voorstel bevatten dat de opheffing of verdediging van de immuniteit uitsluitend betrekking heeft op de strafrechtelijke vervolging, zonder dat het lid, zolang geen definitieve beslissing is gewezen, kan worden aangehouden of gevangengenomen of tegen hem enige andere maatregel kan worden genomen die in de weg staat aan de uitoefening van zijn mandaat. (...)

Bovendien wordt in artikel 26 van de Franse Grondwet, zoals van toepassing krachtens artikel 9 van het protocol, het volgende bepaald:

Artikel 26

Geen lid van het parlement kan zonder toestemming van het bureau van de wetgevende kamer waarvan het deel uitmaakt, ter zake van een misdrijf of overtreding worden aangehouden of aan andere vrijheid benemende of vrijheid beperkende maatregelen worden onderworpen. Die toestemming is niet vereist in geval van betrapping op heterdaad of bij een veroordeling in kracht van gewijsde.

De detentie, de vrijheid benemende of vrijheid beperkende maatregelen of de strafvervolging van een lid van het parlement worden voor de duur van de zitting geschorst indien de wetgevende kamer waarvan hij deel uitmaakt, daarom verzoekt.

III.  Motivering van het voorgestelde besluit

Gelet op bovengenoemde feiten komt onderhavig geval in aanmerking voor toepassing van artikel 9 van Protocol nr. 7 betreffende de voorrechten en immuniteiten van de Europese Unie.

De beschuldigingen tegen Steeve Briois en het daarop volgende verzoek om opheffing van zijn immuniteit houden geen verband met een mening of een stem die hij in de uitoefening van zijn ambt als lid van het Europees Parlement heeft uitgebracht, maar met het feit dat hij zou hebben nagelaten een aantal door derden geposte commentaren die door de geviseerde persoon als beledigend werden ervaren, van zijn officiële Facebookpagina te verwijderen.

Het is glashelder dat artikel 8 enkel de vrijheid van meningsuiting van de leden vastlegt, niet die van derden ("[...]de leden van het Europees Parlement [kunnen niet]worden [...] vervolgd op grond van de mening [...] die zij in de uitoefening van hun ambt hebben uitgebracht). Uit dit artikel kan evenmin worden afgeleid dat het instaan voor verklaringen van derden deel uitmaakt van het ambt van de leden(1).

Indien absolute immuniteit krachtens artikel 8 van Protocol nr. 7 niet toepasselijk is, valt de zaak in kwestie volledig onder artikel 9 van hetzelfde protocol. Deze twee artikelen sluiten elkaar feitelijk uit(2).

Volgens artikel 9 van het protocol genieten de EP-leden op hun eigen grondgebied de immuniteiten welke aan de leden van de volksvertegenwoordiging in hun land zijn verleend. Deze bepaling moet in samenhang met artikel 26 van de Franse grondwet worden gelezen. De Franse leden van het Europees Parlement kunnen bijgevolg niet worden aangehouden voor een ernstig misdrijf of een andere zware overtreding en kunnen evenmin aan andere vrijheid benemende of vrijheid beperkende maatregelen worden onderworpen zonder de toestemming van het Europees Parlement.

Zoals het Gerecht heeft geoordeeld heeft artikel 9 van het protocol tot doel "de onafhankelijkheid van de leden van het Parlement te verzekeren door te verhinderen dat tijdens de zittingsduur van het Parlement druk, in de vorm van bedreiging met aanhouding of gerechtelijke vervolging, op hen kan worden uitgeoefend"(3). Het Gerecht heeft ook duidelijk gesteld dat het Parlement beschikt over een ruime discretionaire bevoegdheid met betrekking tot de richting die het wil geven aan een besluit naar aanleiding van een verzoek om verdediging van de immuniteit in het kader van artikel 9 van het protocol(4).

Bij zijn beslissing of de immuniteit van een lid al dan niet moet worden opgeheven, past het Europees Parlement zijn eigen vaste beginselen toe. Een van deze beginselen is dat de immuniteit in de regel wordt opgeheven wanneer de zaak valt onder artikel 9 van Protocol nr. 7, mits er geen sprake is van fumus persecutionis, d.w.z. een voldoende ernstig en precies vermoeden dat de zaak aanhangig is gemaakt met de bedoeling het lid politieke schade toe te brengen.

De Commissie juridische zaken heeft geen enkel duidelijk zichtbaar bewijs van fumus persecutionis gevonden in de zaak in kwestie.

IV.  Conclusies

Op grond van wat voorafgaat en overeenkomstig artikel 9 van het Reglement, en na afweging van de argumenten voor en tegen, beveelt de Commissie juridische zaken aan dat het Parlement de immuniteit van Steeve Briois opheft.

(1)

Zie de toelichting in doc A6-0421/2008 over het verzoek om opheffing van de immuniteit van Frank Vanhecke, waar de Commissie juridische zaken een soortgelijke zaak moest behandelen: "In de eerste plaats kan worden gesteld dat dit geval niet onder artikel 9 [nu 8] van het protocol valt in die zin dat het niet deel uitmaakt van het ambt van een lid van het Parlement om op te treden als verantwoordelijke uitgever van een nationale partijkrant. Bijgevolg kan worden gesteld dat dit geval onder artikel 10 [nu 9] valt".

(2)

Gevoegde zaken C-200/07 en C-201/07, Marra/De Gregorio en Clemente, reeds aangehaald, punt 45.

(3)

Arrest Mote, reeds aangehaald, punt 50, met verwijzing naar de beschikking van het Gerecht in de zaak Rothley e.a./Parlement, T-17/00 R, ECLI:EU:T:2000:119, punt 90.

(4)

Arrest Gollnisch, reeds aangehaald, punt 101.


INFORMATIE OVER DE GOEDKEURING IN DE BEVOEGDE COMMISSIE

Datum goedkeuring

24.1.2018

 

 

 

Uitslag eindstemming

+:

–:

0:

12

2

0

Bij de eindstemming aanwezige leden

Marie-Christine Boutonnet, Jean-Marie Cavada, Kostas Chrysogonos, Lidia Joanna Geringer de Oedenberg, Mary Honeyball, Sylvia-Yvonne Kaufmann, Gilles Lebreton, Emil Radev, Julia Reda, Pavel Svoboda, Tadeusz Zwiefka

Bij de eindstemming aanwezige vaste plaatsvervangers

Luis de Grandes Pascual, Jens Rohde, Tiemo Wölken

Laatst bijgewerkt op: 31 januari 2018Juridische mededeling - Privacybeleid