VERSLAG over achterstandsregio's in de EU

    27.2.2018 - (2017/2208(INI))

    Commissie regionale ontwikkeling
    Rapporteur: Michela Giuffrida


    Procedure : 2017/2208(INI)
    Stadium plenaire behandeling
    Documentencyclus :  
    A8-0046/2018
    Ingediende teksten :
    A8-0046/2018
    Aangenomen teksten :

    ONTWERPRESOLUTIE VAN HET EUROPEES PARLEMENT

    over achterstandsregio's in de EU

    (2017/2208(INI))

    Het Europees Parlement,

    –  gezien de artikelen 174, 175 en 176 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU),

    –  gezien Verordening (EU) nr. 1303/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 houdende gemeenschappelijke bepalingen inzake het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling, het Europees Sociaal Fonds, het Cohesiefonds, het Europees Landbouwfonds voor plattelandsontwikkeling en het Europees Fonds voor maritieme zaken en visserij en algemene bepalingen inzake het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling, het Europees Sociaal Fonds, het Cohesiefonds en het Europees Fonds voor maritieme zaken en visserij, en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 103/2006 van de Raad[1],

      gezien Verordening (EU) nr. 1299/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 betreffende specifieke bepalingen voor steun uit het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling ter verwezenlijking van de doelstelling "Europese territoriale samenwerking"[2],

      gezien de mededeling van de Commissie van 14 december 2015 getiteld "Investeren in banen en groei – naar een optimale inzet van de Europese structuur- en investeringsfondsen" (COM(2015)0639),

      gezien zijn resolutie van 8 oktober 2013 over de gevolgen van de bezuinigingen op de begroting voor regionale en lokale overheden met betrekking tot de uitgaven in het kader van de EU-Structuurfondsen in de lidstaten[3],

      gezien zijn resolutie van 6 juli 2016 over de voorbereiding van de postelectorale herziening van het MFK 2014‑2020: bijdrage van het Parlement in afwachting van het Commissievoorstel[4],

      gezien zijn resolutie van 16 februari 2017 over investeren in banen en groei – naar een optimale inzet van de Europese structuur- en investeringsfondsen: een evaluatie van het verslag uit hoofde van artikel 16, lid 3, van de GB-verordening[5],

      gezien zijn resolutie van 13 juni 2017 over het vergroten van de betrokkenheid van de partners en de zichtbaarheid van de resultaten van de Europese structuur- en investeringsfondsen[6],

    –  gezien zijn resolutie van 13 juni 2017 over bouwstenen voor een cohesiebeleid van de EU na 2020[7],

      gezien zijn resolutie van 24 oktober 2017 over de discussienota over de toekomst van de EU-financiën[8],

    –  gezien het werkdocument van de diensten van de Commissie van 10 april 2017 getiteld "Competitiveness in low-income and low‑growth regions: the lagging regions report" (SWD(2017)0132),

    –  gezien de ex-antevoorwaarden voor strategieën voor slimme specialisatie,

    –  gezien het zevende verslag inzake economische, sociale en territoriale cohesie, gepubliceerd door de Commissie op 9 oktober 2017,

      gezien artikel 52 van zijn Reglement,

      gezien het verslag van de Commissie regionale ontwikkeling en de adviezen van de Commissie landbouw en plattelandsontwikkeling en de Commissie visserij (A8‑0046/2018),

    A.  overwegende dat de aanslepende economische en financiële crisis in de EU negatieve effecten heeft gehad op de economische groei, ook op regionaal niveau, hoewel het cohesiebeleid ongeveer een derde van de EU-begroting heeft bijgedragen aan het versterken van de groei en de werkgelegenheid en aan het verminderen van de ongelijkheden tussen de regio's in de EU; verzoekt de Commissie in dit verband en in het kader van het Europees semester te kijken naar regionale en nationale medefinanciering in het kader van de Europese structuur- en investeringsfondsen (ESI‑fondsen) en het effect daarvan op de nationale tekorten;

    B.  overwegende dat het cohesiebeleid, dat ten uitvoer wordt gelegd door middel van het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling (EFRO), het Europees Sociaal Fonds (ESF) en het Cohesiefonds, het belangrijkste investerings- en ontwikkelingsbeleid van de EU is, afgestemd is op de doelstellingen van de Europa 2020-strategie voor slimme, duurzame en inclusieve groei en gericht is op het terugdringen van de economische, sociale en territoriale ongelijkheden tussen de regio's, het bevorderen van convergentie en uiteindelijk het verbeteren van de levenskwaliteit van de Europese burgers;

    C.  overwegende dat het EFRO, het ESF en het Cohesiefonds de volgende hoofddoelen hebben voor de periode 2014-2020: investeren in groei en werkgelegenheid om de arbeidsmarkt, de regionale economieën en de Europese territoriale samenwerking te versterken, de grensoverschrijdende, transnationale en interregionale samenwerking binnen de Unie te verbeteren, en uiteindelijk de ongelijkheden tussen de afzonderlijke regio's in de EU te verminderen;

    D.  overwegende dat volgens het Commissieverslag over achterstandsregio's 47 regio's in acht lidstaten een achterstand hebben; overwegende dat het verslag kan leiden tot een beter begrip van de complexe uitdagingen waarmee achterstandsregio's worden geconfronteerd en daarom beschikbaar moet zijn voor het publiek in alle officiële talen van de EU;

    E.  overwegende dat het cohesiebeleid in alle achterstandsregio's een belangrijke rol speelt en in de meeste ervan goed is voor een zeer groot aandeel van de publieke investeringen;

    F.  overwegende dat achterstandsregio's een lagere productiviteit, werkgelegenheid en schoolbezoek hebben dan andere regio's in dezelfde lidstaat;

    G.  overwegende dat in het Commissieverslag een onderscheid wordt gemaakt tussen twee soorten achterstandsregio's: "regio's met een lage groei" – minder ontwikkelde en overgangsregio's die tussen 2000 en 2013 geen aansluiting vonden bij het EU‑gemiddelde in de lidstaten met een bbp per hoofd van de bevolking in koopkrachtpariteit van minder dan het EU-gemiddelde in 2013, die bijna alle minder ontwikkelde en overgangsregio's omvatten in Griekenland, Spanje, Italië en Portugal; en "regio's met een laag inkomen" – alle regio's met een bbp per hoofd van de bevolking in koopkrachtpariteit van minder dan 50 % van het EU-gemiddelde in 2013, die diverse minder ontwikkelde regio's omvatten in Bulgarije, Hongarije, Polen en Roemenië;

    H.  overwegende dat regio's met een lage groei lijden onder economische stagnering, met name als gevolg van een daling van de publieke en particuliere investeringen, in tegenstelling tot regio's met een laag inkomen, die over het algemeen hun ontwikkelingspotentieel behouden;

    I.  overwegende dat achterstandsregio's meer dan de andere regio's last hebben van het tekort aan publieke en particuliere investeringen, dat ook het gevolg is van de door het stabiliteitspact opgelegde vereisten inzake verlaging van de overheidsschuld;

    J.  overwegende dat achterstandsregio's vaak gekenmerkt worden door een gebrek aan structurele hervormingen, hetgeen het effect van de reeds beperkte publieke investeringen vermindert;

    K.  overwegende dat achterstandsregio's gebukt gaan onder ernstige nadelen op het gebied van openbaarvervoers-, economische en energie-infrastructuur, en dat zij efficiëntere en effectievere investeringen vereisen;

    L.  overwegende dat de Commissie van mening is dat er een nauwere verband moet zijn tussen het cohesiebeleid en de landspecifieke aanbevelingen in het kader van het Europees semester;

    M.  overwegende dat achterstandsregio's, en met name regio's met een laag inkomen, vaak geconfronteerd worden met het vertrek van jongeren en geschoolde arbeidskrachten, beide noodzakelijk voor de economische en sociale revitalisering van de betrokken gebieden, waardoor deze regio's minder aantrekkelijk worden wat werkgelegenheid en investeringen betreft;

    N.  overwegende dat de definitie van regio's met een laag inkomen en regio's met een lage groei moet worden verfijnd;

    O.  overwegende dat het belangrijk is de bekendheid van door de EU gefinancierde regionale en lokale programma's en de hiermee gerealiseerde resultaten onder eindgebruikers te vergroten, ongeacht het financieringsniveau in een bepaalde regio;

    P.  overwegende dat goed bestuur en efficiënte overheidsdiensten in achterstandsregio's nodig zijn, aangezien deze een aanzienlijke bijdrage leveren aan het scheppen van de voorwaarden voor economische groei; overwegende dat een vermindering van de overmatige regelgeving en controles, en van de lengte en complexiteit van de procedures, en een beter gebruik van ICT-instrumenten zouden bijdragen tot een verbetering van de doelmatigheid en goed bestuur in achterstandsregio's;

    Q.  overwegende dat volgens het zevende verslag inzake economische, sociale en territoriale cohesie de achterstandsregio's op het laagste niveau van de Europese Quality of Government Index staan, wat een geringer effect van overheidsinvesteringen met zich meebrengt;

    R.  overwegende dat betrouwbare, actuele en uitgesplitste cijfers en statistieken van groot belang zijn voor een weloverwogen, transparantere, onpartijdige en eerlijkere politieke besluitvorming;

    S.  overwegende dat hinderpalen voor de groei in achterstandsregio's uit de weg moeten worden geruimd en lacunes in de infrastructuur er moeten worden opgevuld;

    T.  overwegende dat kmo's in achterstandsregio's tegen een veel hoger rentepercentage worden gefinancierd en van banken moeilijker een lening krijgen voor de medefinanciering van ESI-fondsprojecten;

    U.  overwegende dat in vier van de vijf achterstandsregio's ten minste 25 % van de bevolking in de stad of de omringende forenzenzone (functioneel stedelijk gebied) woont en dat in van de vijf achterstandsregio's meer dan 50 % van de bevolking in een functioneel stedelijk gebied woont;

    V.  overwegende dat traditionele activiteiten, zoals kleinschalige ambachtelijke visserij of landbouw, in de meeste kust- en plattelandsgebieden van achterstandsregio's de identiteit en levenswijze bepalen en economische, territoriale, sociale en culturele betekenis hebben; overwegende dat ontwikkelingsstrategieën nodig zijn voor het versterken van de capaciteit om talent te behouden en aan te trekken, nieuwe technologieën in te voeren en nieuwe investeringen te stimuleren;

    1.  is tevreden met het feit dat de Commissie een werkdocument heeft gepresenteerd met als titel "Competitiveness in low‑income and low‑growth regions: the lagging regions report"; merkt op dat in het verslag enkele positieve oplossingen worden voorgesteld om de economische groei, duurzame ontwikkeling en banencreatie in deze regio's te ondersteunen; benadrukt voorts dat de analyse van hun concurrentievermogen een belangrijke bijdrage levert aan de toekomstige discussie over het cohesiebeleid;

    2.  is ingenomen met de uitvoering van de proefprojecten voor achterstandsregio's in twee regio's in Roemenië en, met steun van de Wereldbank, twee regio's in Polen, met name de definitie van strategische prioriteiten en concrete, snel uitvoerbare acties; kijkt uit naar de publicatie van de resultaten van deze initiatieven;

    3.  onderstreept dat het cohesiebeleid een sleutelrol speelt in het garanderen en bevorderen van publieke en private investeringen in alle regio's van de EU, zowel rechtstreeks als door bij te dragen aan het scheppen van een positief investeringsklimaat; is van mening dat de EU als geheel, ter bevordering van een harmonische algemene ontwikkeling van de Unie in haar geheel, acties moet ondernemen om haar economische, sociale en territoriale cohesie te versterken en de ongelijkheden tussen het ontwikkelingsniveau van de diverse regio's en de onderontwikkeling van achterstandsregio's te verminderen;

    4.  verzoekt de Commissie achterstandsregio's op NUTS-III-niveau te definiëren, op basis van de algemene economische en sociale omstandigheden, en de financiering van deze gebieden beter af te stemmen op de programmeringscycli van de ESI-fondsen;

    5.  verzoekt de Commissie en de lidstaten voor de verschillende achterstandsregio's strategieën, programma's en maatregelen op maat uit te werken, rekening houdend met de trends en subregionale verschillen, aangezien de trajecten die regio's met een laag inkomen en regio's met een lage groei volgen en de uitdagingen waarmee zij worden geconfronteerd, sterk verschillen volgens hun specifieke kenmerken, en hierbij gebruik te maken van strategieën voor slimme specialisatie, om hun convergentie te bespoedigen en de beste oplossingen te garanderen voor banencreatie, economische groei en duurzame ontwikkeling; is van mening dat deze strategieën, programma's en maatregelen moeten worden gecoördineerd met de stedelijke agenda, omdat achterstandsregio's niet louter ruraal zijn;

    6.  onderstreept dat naast de beperkte ontwikkeling van en investering in kmo's ook de werkloosheid dramatisch hoog blijft, met name onder jongeren, en een van de meest ernstige en urgente problemen is in het merendeel van de achterstandsregio's; onderstreept de fundamentele rol van middelbaar en hoger onderwijs, van beroepsopleiding en opleiding op de werkplek en van kennisoverdracht voor de bestrijding van het alarmerende peil van de jeugdwerkloosheid en de grote aantallen jongeren die deze regio's verlaten; wijst op het belangrijke karakter van onderwijs en opleiding en van meer investeringen in verhouding tot de behoeften en de ontwikkeling van kmo's en familiebedrijven; is van mening dat de betrokkenheid van jongeren leidt tot betere prestaties, aangezien zij vaak innoverende oplossingen leveren;

    7.  merkt op dat de aanwezigheid van geschoolde en opgeleide arbeidskrachten die voldoen aan de behoeften van de regionale economie, een grote impact heeft op het concurrentievermogen, de productiviteit en de aantrekkelijkheid van de arbeidsmarkt, die dan kan bloeien in een omgeving van groei en openheid voor publieke en particuliere investeringen; is van mening dat in dit verband rekening moet worden gehouden met de huidige situatie van achterstandsregio's, met name het negatieve migratiecijfer en de nadelige gevolgen hiervan voor de werkgelegenheid; wijst op de rol die landbouw en visserij spelen in achterstandsregio's, doordat zij via de bevordering van familiebedrijven en werkgelegenheid en het faciliteren van sociale inclusie, voor voedsel zorgen en voedselzekerheid waarborgen;

    8.  merkt op dat diversificatie voor landbouwers en vissers, met name in achterstandsregio's, een noodzaak is geworden om te zorgen voor bijkomende bronnen van inkomsten en voor het bevorderen van economisch en ecologisch duurzame activiteiten; merkt evenwel op dat deze diversificatie in geen geval de plaats mag innemen van meer traditionele activiteiten, zoals duurzame visserij; spoort de lidstaten en de regionale en lokale autoriteiten aan steun te verlenen aan projecten op het vlak van de blauwe economie en soortgelijke projecten om de bevolking in achterstandsregio's te helpen ecologisch duurzame inkomstenbronnen te genereren;

    9.  hoopt dat bij de uitvoering van de EU 2020-strategie op het gebied van werkgelegenheid, onderwijs en opleiding, alsmede de komende ET-langetermijnstrategie en de doelstellingen hiervan, voort naar behoren rekening zal worden gehouden met de specifieke behoeften van de achterstandsregio's, en met name de aanhoudende leemten op het gebied van infrastructuur en de ontwikkeling van menselijk kapitaal, met bijzondere aandacht voor het aantal schoolverlaters en de negatieve gevolgen hiervan voor de werkgelegenheid; verzoekt de Commissie in dit verband een onderzoek in te stellen naar de gevolgen van een eventuele verhoging van het cofinancieringspercentage van het ESF voor de komende financieringsperiode;

    10.  acht het nodig het evenwicht te vinden tussen structurele interventies, sociaal beleid en het industriebeleid in de programmering en de tenuitvoerlegging van de ESI-fondsen, om economische groei, duurzame ontwikkeling en het banencreatie te bevorderen door subsidies te combineren met financieringsinstrumenten en door extra financiële steun aan te trekken, om de resterende tekortkomingen aan te pakken; benadrukt in dit verband dat financieringsinstrumenten met een laag risico te verkiezen kunnen zijn boven instrumenten met een hoger risico, als de economische vooruitzichten dit mogelijk maken;

    11.  merkt op dat het cohesiebeleid kan dienen als instrument voor het corrigeren van verschillen in concurrentievermogen en onevenwichten, alsmede macro-economische asymmetrieën tussen regio's, door de creatie te bevorderen van een aantrekkelijk en duurzaam klimaat voor bedrijven en burgers; onderstreept het feit dat in regio's met een lage groei toegang tot krediet, handhaving van contracten en bescherming van minderheidsinvesteringen de belangrijkste problemen zijn die zijn geïdentificeerd, terwijl in regio's met een laag inkomen de belangrijkste kwesties het oplossen van insolventie, elektriciteitsvoorziening en het afdwingen van contractuitvoering zijn;

    12.  merkt op dat achterstandsregio's onder aanzienlijke migratiedruk staan; is van mening dat de bijdrage van de ESI-fondsen aan het aanpakken van deze uitdaging alleen succesvol kan zijn, als het beginsel van solidariteit ook effectief wordt toegepast; is van mening dat vluchtelingen en migranten met internationale bescherming passende opleiding en onderwijs moeten krijgen met het oog op integratie in de arbeidsmarkt;

    13.  merkt op dat vele van de problemen van achterstandsregio's vergelijkbaar zijn met de problemen in ultraperifere regio's; is daarom tevreden met de strategie die de Commissie voorstelt in haar mededeling met als titel "Een nieuw en sterker strategisch partnerschap met de ultraperifere gebieden van de EU"[9];

    14.  is van mening dat criteria inzake economische en sociale ontwikkeling, bijvoorbeeld de regionale index voor sociale vooruitgang, alsmede milieu- en ander indicatoren, samen met het bbp, in de context van het cohesiebeleid in aanmerking kunnen worden genomen en kunnen worden gebruikt in toekomstige verslagen van de Commissie over achterstandsregio's, om ervoor te zorgen dat het potentieel van achterstandsregio's wordt benut;

    15.  wijst op de negatieve gevolgen, met name voor achterstandsregio's, van de economische en financiële crisis, die de marges van het begrotingsbeleid hebben verkleind, met als gevolg bezuinigingen op de overheidsinvesteringen; benadrukt anderzijds het feit dat schuldreductie belangrijk is om het begrotingstekort weg te werken en de overheidsinvesteringen aan te passen aan de groeivereisten;

    16.  is van mening dat het cohesiebeleid een positief effect heeft op het creëren van groei en werkgelegenheid; benadrukt het feit dat het overeengekomen standpunt inzake het stabiliteits- en groeipact met betrekking tot flexibiliteit in verband met conjunctuuromstandigheden, structurele hervormingen en overheidsinvesteringen die gericht zijn op de tenuitvoerlegging van grote structurele hervormingen en soortgelijke projecten, moet worden toegepast, om de Europa 2020-doelstellingen te realiseren; erkent dat het nodig is de context en reikwijdte van de toepassing van structurele hervormingen in het kader van het cohesiebeleid te verduidelijken; merkt evenwel op dat deze structurele hervormingen in de lidstaten en regio's met een steunprogramma kunnen bijdragen tot een beter resultaat voor investeringen in het kader van het cohesiebeleid;

    17.  pleit voor een krachtiger optreden ter vergroting van de convergentie tussen alle regio's, inclusief actie om hun weerbaarheid te garanderen in geval van plotse schokken;

    18.  merkt op dat de toegang tot krediet moeilijker is in achterstandsregio's, met name in regio's met een laag inkomen, door de hogere intrestvoeten en in zekere mate de geringe neiging van het kredietsysteem om risico's te nemen; onderstreept dat het belangrijk is om de toegang tot krediet te vergemakkelijken, teneinde kmo's te helpen, nieuwe zakelijke modellen te bevorderen en de groei in achterstandsregio's te bevorderen;

    19.  benadrukt het feit dat de EU-middelen belangrijk zijn voor het verbeteren van de economische veerkracht en de cohesie van deze regio's, alsmede het concurrentievermogen, de investeringen en de mogelijkheden voor samenwerking; erkent daarom dat de input van plaatselijke actiegroepen bij het ontwikkelen van lokale strategieën; stelt voor dat de Commissie de mogelijkheid onderzoekt om de toewijzing voor te stellen van een groter aandeel van de steun aan door de gemeenschap geleide lokale ontwikkeling (community-led local development, CLLD), om zowel de uitdagingen aan te pakken als de capaciteiten op te bouwen; herinnert eraan dat achterstandsregio's vaak moeilijkheden ondervinden om toegang te verkrijgen tot financiering en vaak te maken krijgen met bureaucratische en administratieve vertragingen die de met EU-middelen gefinancierde activiteiten hinderen;

    20.  is van mening dat gezocht kan worden naar positieve stimulansen voor de regio's binnen het bestaande kader van de macro-economische voorwaarden die worden opgelegd door het Europees semester;

    21.  houdt rekening met het feit dat gezond economisch bestuur belangrijk is voor een efficiënte totaalprestatie van de ESI-fondsen, met als uiteindelijke doel tekortkomingen te corrigeren en vertragingen te voorkomen; is het er in dit verband mee eens dat de bestaansreden zelf van de koppeling tussen het cohesiebeleid en het Europees semester moet worden geanalyseerd en vervolgens geëvalueerd;

    22.  is van mening dat solidariteit, een grotere institutionele capaciteit, eerbiediging van het beginsel van goed bestuur en een betere connectiviteit en digitalisering in deze regio's een aanzienlijke invloed hebben op hun economische groei en in grote mate leiden tot een efficiënter en doeltreffender gebruik van de bestaande middelen; vestigt om die reden de aandacht op de kwestie van het ondersteunen en verbeteren van de kwaliteit van het bestuur en de instellingen in de getroffen regio's; verzoekt de Commissie en de lidstaten voorbeelden te verspreiden van goede praktijken op het gebied van efficiëntere overheidsdiensten, omdat doeltreffend bestuur voor achterstandsregio's de belangrijkste aanbeveling moet zijn;

    23.  onderstreept in verband hiermee dat het partnerschapsprincipe belangrijk is, alsmede multilevel governance, die moet worden versterkt zonder afbreuk te doen aan het subsidiariteitsbeginsel; is van oordeel dat betrokkenheid van alle bestuurlijke niveaus en belanghebbenden bij het uitwerken en uitvoeren van strategieën en concrete programma's en maatregelen voor deze regio's van het allergrootste belang is voor het scheppen van daadwerkelijke Europese meerwaarde voor de burger;

    24.  wijst er andermaal op dat innovatie, digitalisering en verbetering van de lokale voorzieningen (gezondheidszorg, sociale diensten, postdiensten) en infrastructuur belangrijk zijn voor het creëren van een positieve omgeving en een goede basis voor het stimuleren van de groei en het versterken van de cohesie in achterstandsregio's; is van mening dat de beschikbaarstelling van supersnelle internetverbindingen een conditio sine qua non is voor de levensvatbaarheid van landelijke en berggebieden; wijst op het potentieel van sectoroverschrijdende projecten die economische, sociale en territoriale ontwikkeling bevorderen door gebruik te maken van de synergie tussen Europese fondsen;

    25.  suggereert de landspecifieke aanbevelingen in het kader van het Europees semester een meerjarig karakter te geven, met controle en evaluatie halverwege de looptijd, en stelt voor deze aanbevelingen te zien als positieve prikkels voor het opstarten van structurele hervormingen en niet als instrumenten waarmee de toegang tot investeringen in het kader van het cohesiebeleid kan worden verhinderd, teneinde bij te dragen tot de gemeenschappelijke doelstellingen van de Unie;

    26.  is van oordeel dat de in Verordening nr. 1303/2013 bedoelde maatregelen die de doeltreffendheid van de ESI-fondsen koppelen aan gezond economisch bestuur, zorgvuldig moeten worden onderzocht, onder meer door alle belanghebbenden hierbij te betrekken; is voorts van oordeel dat de grondidee achter de ESI-fondsen moet worden herbekeken, met het oog op de volgende programmeringsperiode en rekening houdend met de uitvoering ervan in de periode 2014-2020; is van mening dat de Commissie aanpassingen moet overwegen van de manier waarop het Europees semester en het cohesiebeleid aan elkaar zijn gekoppeld; stelt in verband hiermee een systeem voor van positieve prikkels, waarvoor ruimte kan worden gecreëerd in het nieuwe meerjarig financieel kader (MFK), bij wijze van enveloppe die kan worden gebruikt wanneer de lidstaten voldoen aan de landspecifieke aanbevelingen en andere eisen in het kader van het Europees semester;

    27.  acht het bijzonder nodig productieve lokale bedrijfsactiviteiten te ondersteunen die specifiek zijn voor achterstandsregio's, inclusief duurzaam toerisme, circulaire economie, lokale energietransitie, landbouw, industrieproducten en innovatie met focus op kmo's; is van mening dat synergieën die ontstaan uit de doeltreffende combinatie van financiering door regionale en nationale instanties met financiering via EU‑instrumenten, door middel van geïntegreerde territoriale investeringen, moeten helpen economische kansen te creëren, met name voor jongeren;

    28.  onderstreept het feit dat het belangrijk is alle kansen te benutten die de EU biedt voor duurzame ontwikkeling en groei in deze regio's; is van mening dat de lidstaten bijzondere aandacht moeten besteden aan achterstandsregio's bij de voorbereiding van operationele en grensoverschrijdende samenwerkingsprogramma's; herinnert er daarom aan dat het belangrijk is gebruik te maken van middelen in het kader van direct beheer en het EFSI, naast en in coördinatie met de kansen die worden geboden door het cohesiebeleid;

    29.  benadrukt dat het belangrijk is te beschikken over betrouwbare, bijgewerkte en uitgesplitste statistieken; vraagt daarom dat de Commissie en Eurostat statistieken verstrekken met de grootst mogelijke details en geografische uitsplitsing, zodat zij kunnen worden gebruikt voor het ontwerpen van geschikte cohesiemaatregelen, inclusief in achterstandsregio's; is in verband hiermee tevreden met de informatie in het verslag van de Commissie;

    30.  verzoekt de Commissie herziening te overwegen van het bestaande verband tussen het cohesiebeleid en de macro-economische governance en herinnert eraan dat de legitimiteit van het cohesiebeleid rechtstreeks voortvloeit uit de Verdragen, dat het cohesiebeleid een van de meest zichtbare Europese beleidsgebieden is en de belangrijkste uiting van Europese solidariteit en meerwaarde in alle Europese regio's; is van oordeel dat de link tussen het cohesiebeleid en de economischegovernanceprocessen in het kader van het Europees semester evenwichtig en wederzijds moeten zijn en gericht moeten zijn op een systeem van positieve prikkels; pleit voor verdere erkenning van de territoriale dimensie, die het Europees semester ten goede kan komen; acht het daarom nodig een evenwichtige aanpak te volgen met betrekking tot economische governance en de doelstellingen van economische, sociale en territoriale cohesie als vastgesteld in de Verdragen en met betrekking tot duurzame groei, werkgelegenheid en milieubescherming;

    31.  herhaalt dat alle politieke actoren de rol moeten erkennen die het cohesiebeleid speelt als belangrijkste instrument van het Europese economische beleid dat publieke en particuliere investeringen bevordert waarbij rekening wordt gehouden met de specifieke territoriale, sociale en economische kenmerken van de regio's;

    32.  verzoekt de lidstaten, zoals voorgesteld in het Commissieverslag, om nationale en regionale ontwikkelingsstrategieën en ‑programma's vast te stellen ter ondersteuning van achterstandsregio's en ter verbetering van hun bestuurlijke capaciteiten, governance en andere essentiële groeifactoren; verzoekt de Commissie in verband hiermee technische, professionele en praktische bijstand ter verlenen aan de lidstaten, regio's en gemeenten om gebruik te maken van beste praktijken en de digitalisering van overheidsdiensten te ondersteunen;

    33.  dringt erop aan dat het cohesiebeleid een prioriteit blijft voor de Unie en bijgevolg geschraagd wordt door een ambitieuze financiering, ondanks de druk op de EU‑begroting, dat de synergieën met andere EU‑middelen worden verhoogd en dat aanvullende financiële steun via financieringsinstrumenten in het meerjarige programmeringskader voor de periode na 2020 worden aangetrokken; benadrukt dat waarden als Europese solidariteit, die het cohesiebeleid belichaamt, niet mogen worden ondermijnd;

    34.  herinnert aan de verantwoordelijkheid van het Parlement bij het ontwerpen en goedkeuren van het passende wetgevingskader voor het toekomstige cohesiebeleid; wijst erop dat de fundamentele rol en het fundamentele doel van het cohesiebeleid overeenkomstig artikel 174 van het VWEU behouden moeten blijven, niet alleen om convergentie te realiseren, maar ook om te voorkomen dat gebieden achterop raken; wijst erop dat de regels moeten worden gestroomlijnd en dat een goed evenwicht moet worden gegarandeerd tussen vereenvoudiging van het beleid en adequate controles, terwijl buitensporige administratieve lasten moeten worden verminderd; is van mening dat de Commissie en de lidstaten een uitbreiding moeten overwegen van de bepalingen van artikel 7 van de EFRO-verordening (Verordening (EU) nr. 1301/2013), door in achterstandsregio's de verbindingen te financieren tussen steden en omliggende gebieden;

    35.  vraagt de Commissie de ontwikkeling van innovatiesystemen, bijvoorbeeld innovatiestrategieën voor slimme specialisatie, beter te ondersteunen en de interactie tussen bedrijven, universiteiten en onderzoekscentra in achterstandsregio's te versterken; onderstreept voorts het feit dat goed verbonden gebieden essentieel zijn voor de activiteiten van onderzoekspartnerschappen, inclusief initiatieven in het kader van het Europees innovatiepartnerschap, zodat innoverende praktijken de duurzame ontwikkeling van de landbouw en aanverwante sectoren in achterstandsregio's verder kunnen verbeteren;

    36.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie, het Comité van de Regio's, het Europees Economisch en Sociaal Comité, en de regeringen en nationale en regionale parlementen van de lidstaten.

    MOTIVERING

    De commissaris regionaal beleid, Corina Creţu, heeft in juni 2015 een initiatief gelanceerd om te onderzoeken welke factoren de groei en de investeringen in de regio's met een laag inkomen en een lage groei (de zogenoemde achterstandsregio's) beperken.!

    Het onderhavige verslag heeft als doel om mogelijke oplossingen vast te stellen om de groei in deze regio's te ondersteunen en de inkomsten van deze regio's te vergroten.

    Het betreft 47 regio's in 8 lidstaten. Daaronder bevinden zich:

    •  regio's met een lage groei: regio's met een bbp dat in de buurt van het Europees gemiddelde ligt, maar dat niet groeit. Het gaat hierbij om regio's in Italië, Spanje, Griekenland en Portugal;

    •  regio's met een laag inkomen: regio's met een bbp dat nog zeer laag is, maar die een zeer positieve groeitrend vertonen. In deze regio's, die bij aanvang veel ernstiger achtergesteld waren dan de andere regio's, worden met het cohesiebeleid uitstekende resultaten behaald (het gaat om regio's in Bulgarije, Hongarije, Polen en Roemenië).

    Achtergrond

    Het macro-economisch kader heeft een aanzienlijke impact op de regionale groei. Door de macro-economische onevenwichtigheden die door de crisis zijn veroorzaakt, dreigen de inspanningen die in twee decennia zijn geleverd via het cohesiebeleid in rook op te gaan, met name in regio's met een lage groei waar de zorgwekkend hoge publieke en particuliere schuldenlast de ontwikkeling in de weg staat.

    De achterstandsregio's hebben een lagere productiviteit, een lager schoolbezoek en een lagere werkgelegenheid. De starheid van de arbeidsmarkt en het weinig dynamische ondernemingsklimaat hebben negatieve effecten op hun economieën.

    Onvoldoende ontwikkelde regionale innovatiesystemen, een gebrek aan kwalificaties en instellingen van matige kwaliteit vormen een bedreiging voor het groeipotentieel van deze regio's.

    In regio's met een laag inkomen krimpt de bevolking voortdurend, met name als gevolg van migratie – vooral van jongeren en geschoolde arbeidskrachten – naar regio's met een aantrekkelijkere arbeidsmarkt.

    De publieke en particuliere investeringen zijn voornamelijk gedaald in de regio's met een lage groei.

    De Commissie identificeert mogelijke oplossingen, waaronder betere betrekkingen tussen bedrijven onderling en tussen bedrijven en instellingen voor vervolgonderwijs, investeringen in infrastructuur en onderwijs, betere verbindingen tussen steden en de omliggende gebieden, meer investeringen in overheidsinstellingen om het openbaar bestuur doeltreffender en efficiënter te maken, en een nauwere aansluiting tussen het Europees semester en het cohesiebeleid door investeringsterreinen te identificeren.

    Het verslag

    De rapporteur is van mening dat het verslag van de Commissie aanleiding geeft tot reflectie en verdieping. De Commissie steunt de ineffectiviteit van starre arbeidsmarkten waar collectieve onderhandelingen de boventoon voeren.

    Het echte probleem dat moet worden opgelost, is volgens de rapporteur de definitie van het verband tussen het cohesiebeleid en het Europese economische beleid.

    In dit verband gaat het verslag in op de volgende drie punten.

    Overheidsschuld en economische groei

    De Commissie bevestigt dat de overheidsschuld een belemmering vormt voor groei en derhalve voor de goede werking van het cohesiebeleid. In haar verslag legt zij een direct verband tussen het cohesiebeleid en de overheidsschuld, waarbij die laatste volgens haar in feite het vermogen van de structuurfondsen om te zorgen voor ontwikkeling en groei, verzwakt.

    De bij het stabiliteitspact vastgestelde plicht om de overheidsschuld terug te betalen, beperkt volgens de rapporteur de ruimte voor overheidsinvesteringen, en de achterstandsregio's, die sterker afhankelijk zijn van deze middelen, hebben daar meer last van dan de andere regio's. De rapporteur merkt op dat de investeringen van het cohesiebeleid meer worden belemmerd door de budgettaire beperkingen dan door de overheidsschuld. Daarom is het, om ervoor te zorgen dat het cohesiebeleid groei en werkgelegenheid kan creëren, belangrijk om de medefinanciering los te koppelen van de door het stabiliteitspact opgelegde budgettaire beperkingen.

    Verband tussen cohesiebeleid en macro-economische conditionaliteit

    Volgens de rapporteur moet het mechanisme van macro-economische conditionaliteit worden hervormd om te voorkomen dat juist de investeringen in de regio's met de grootste structurele problemen in gevaar komen. Eventuele voorwaarden moeten in het geval van het cohesiebeleid, net als in het geval van andere beleidslijnen van de Unie, in de eerste plaats gericht zijn op eerbiediging van de fundamentele waarden en saamhorigheid, in plaats van op het nakomen van macro-economische parameters.

    Men moet de macro-economische conditionaliteit volgens de rapporteur in overweging blijven nemen als parameter voor de activering van cohesiemaatregelen. Dit moet echter op een positieve en constructieve manier gebeuren om hervormingen te stimuleren.

    Cohesiebeleid en Europees semester

    De rapporteur merkt op dat de Commissie hoopt op een nauwere afstemming tussen het cohesiebeleid en de landspecifieke aanbevelingen in het kader van het Europees semester, maar niet zegt op welke manier. De aanbevelingen zouden geen belemmering moeten vormen, maar een stimulans en een steun voor de regio's. Aangezien er vooral voor de regio's met een lage groei structurele hervormingen in gang moeten worden gezet, moeten de aanbevelingen een meerjarig karakter hebben.

    ADVIES van de Commissie landbouw en plattelandsontwikkeling (25.1.2018)

    aan de Commissie regionale ontwikkeling

    inzake achterstandsregio's in de EU
    (2017/2208(INI))

    Rapporteur voor advies: Viorica Dăncilă

    SUGGESTIES

    De Commissie landbouw en plattelandsontwikkeling verzoekt de bevoegde Commissie regionale ontwikkeling onderstaande suggesties in haar ontwerpresolutie op te nemen:

    A.  overwegende dat moet worden gezorgd voor de continuïteit van het type investeringen dat nu wordt gedaan in het kader van de tweede pijler van het gemeenschappelijk landbouwbeleid (GLB), aangezien dit een essentieel financieringsinstrument is om de economische groei te stimuleren, het concurrentievermogen, de innovatie en de werkgelegenheid in plattelands- en berggebieden van kansarmere regio's te bevorderen en duurzame plattelandsontwikkeling te waarborgen; overwegende dat de tweede pijler ook de financiële prikkels biedt die voor investeringen in plattelandsgebieden nodig zijn om in specifieke territoriale behoeften te voorzien; overwegende dat deze financiële prikkels op hun beurt bijdragen aan het bereiken van de horizontale doelstellingen milieubescherming en tempering van en aanpassing aan de klimaatverandering; overwegende dat de eerste pijler prikkels en ondersteuning biedt voor landbouw- en agro-ecologische praktijken, die beide het milieu ten goede komen en mensen, bijvoorbeeld jonge landbouwers, aanmoedigen om landbouw te bedrijven;

    B.  overwegende dat de landbouw zowel in regio's met een laag inkomen als in die met geringe groei voor een aanzienlijk hoger percentage van de werkgelegenheid zorgt dan het gemiddelde van de EU-28; overwegende dat dit cijfer in regio's met een laag inkomen vijf keer hoger en in regio's met een lage groei 2,6 keer hoger is;

    C.  overwegende dat het verslag over de achterstandsregio's hoofdzakelijk betrekking heeft op de periode 2000-2013, met een bijwerking van de gegevens tot eind 2014 of 2015, en de landbouwsector erin niet wordt onderzocht;

    D.  overwegende dat geringe politieke prioriteit en investeringen, onvoldoende fysieke en digitale infrastructuur, slechte verbindingen, een gebrek aan e-diensten, een vaak ontoereikende institutionele capaciteit of het ontbreken van lokale overheidsdiensten, lacunes op het gebied van vaardigheden en de toenemende schuldenlast in plattelands- en landbouwgemeenschappen allemaal grote belemmeringen vormen voor de succesvolle ontwikkeling van levensvatbare en zelfvoorzienende bedrijven en gemeenschappen op het platteland, waardoor veel jongeren zich gedwongen zien het platteland te verlaten en naar elders te vertrekken, het gebrek aan gekwalificeerde arbeidskrachten nog verder toeneemt en de toekomstvooruitzichten van de regio in gevaar worden gebracht;

    E.  overwegende dat in sommige EU-regio's met een laag inkomen het probleem van landroof en concentratie van grondeigendom een grote belemmering vormt om deze regio's bij hun ontwikkeling en groei te helpen;

    F.  overwegende dat het verbeteren van de toestand in plattelandsgebieden een van de grootste en meest complexe problemen in de EU is, waarvoor een slimme aanpak misschien een oplossing kan bieden;

    G.  overwegende dat gendervraagstukken doorgaans meer aan bod komen in "zachte" dan in "harde" beleidsterreinen, zoals regionaal beleid, die meer financiële steun krijgen;

    1.  is van mening dat de landbouw, de agrovoedingssector en plattelandsondernemerschap deel uitmaken van de oplossing om duurzame groei te stimuleren, landelijke gebieden nieuw leven in te blazen, familiebedrijven te promoten en nieuwe banen te scheppen, en zo ruime sociale inclusie zonder onderscheid vergemakkelijken en uitstekende instrumenten zijn om armoede en ongelijkheid te bestrijden en het inkomensniveau in achterstandsregio's te verhogen, en tevens het landschap duurzaam in stand helpen houden, ecosysteemdiensten bevorderen en de ontvolking en de teloorgang van openbare diensten op het platteland tegengaan; wijst op de strategische rol die de landbouw in achterstandsregio's speelt, aangezien deze sector levensmiddelen voor die regio's produceert en hun voedselzekerheid waarborgt;

    2.  vindt dat bijzondere aandacht moet worden besteed aan de ontvolking van het platteland door jongeren, omdat zij absoluut noodzakelijk zijn voor het economisch en sociaal herstel van de betrokken plaatselijke gemeenschappen;

    3.  merkt op dat plattelandsgebieden niet alleen gebieden zijn waar landbouwers werken en voedsel wordt geproduceerd, maar ook waar miljoenen Europeanen wonen in gemeenschappen met almaar minder mogelijkheden;

    4.  verzoekt de lidstaten en de Commissie te investeren in onderwijs om hooggekwalificeerde arbeidskrachten naar achterstandsregio's in plattelandsgebieden te lokken en ze er te houden;

    5.  wijst op de rol van middelen voor plattelandsontwikkeling bij het verbeteren van de economische veerkracht en territoriale samenhang van deze regio's, alsook hun concurrentievermogen, via op maat gesneden projecten die berusten op een bottom-upbenadering, investeringen, kansen voor samenwerking en infrastructuurontwikkeling; erkent dan ook de inbreng van lokale actiegroepen bij het ontwikkelen van lokale strategieën, het ondersteunen van netwerken tussen belanghebbenden en het beoordelen en goedkeuren van individuele Leader-projecten, en vraagt derhalve dat een groter deel van de steun naar door de gemeenschap aangestuurde plaatselijke ontwikkeling gaat om hen zo te helpen uitdagingen aan te pakken en hun capaciteiten te versterken; wijst erop dat kennisoverdracht en betere toegang tot landbouwkundige innovaties voor achterstandsregio's belangrijk zijn; wijst erop dat de landbouwprestaties verbeteren als jonge mensen erbij worden betrokken omdat zij voor innovatieve oplossingen kiezen en geavanceerde technologieën in de landbouw introduceren;

    6.  beklemtoont dat toereikende EU-middelen voor regionale ontwikkeling na 2020 behouden moeten blijven om in de behoeften van deze gebieden te voorzien, en dat daarbij met name rekening moet worden gehouden met het groeipotentieel van de landbouwsector, zonder uit het oog te verliezen dat alle EU-regio's verdere financiering nodig hebben, omdat globalisering, klimaatverandering en industriële overgang niet alleen voor minder ontwikkelde regio's gevolgen hebben, zoals aangemerkt in het zevende cohesieverslag van de Commissie, maar ook een grote impact hebben op bijvoorbeeld dunbevolkte gebieden; erkent dat de betalingsregelingen van de eerste pijler belangrijk zijn, met name voor achterstandsregio's, en vraagt daarom dat ze zo dicht mogelijk bij de niveaus van het huidige GLB worden gehouden;

    7.  beklemtoont dat de financiering voor plattelandsontwikkeling en het GLB niet in het gedrang mag komen, ondanks druk op de EU-begroting; wijst erop dat de brexit gevolgen zal hebben voor alle lidstaten en een negatieve impact kan hebben op plattelandsgebieden; roept op om deze gebieden in kaart te brengen en te ondersteunen;

    8.  beklemtoont dat de fondsen voor plattelandsontwikkeling flexibeler moeten worden beheerd en wijst erop dat de budgettaire beperkingen niet van toepassing mogen zijn op landbouwsteun;

    9.  wijst erop dat er alomvattende en goed getimede ontwikkelingsstrategieën nodig zijn, niet alleen om sommige basisproblemen van achterstandsregio's in plattelandsgebieden aan te pakken, maar ook om hen beter in staat te stellen nieuwe technologieën te gebruiken, talentvolle mensen aan te trekken en te behouden, en nieuwe investeringen te genereren en aan te moedigen;

    10.  is van mening dat het verhogen van de productiviteit en de werkgelegenheid in de landbouwsector een van de grootste uitdagingen voor de achterstandsregio's is;

    11.  benadrukt dat het grote maar slinkende aandeel van de landbouw in de totale werkgelegenheid in achterstandsregio's belangrijke synergie-effecten kan hebben, waarmee een solide basis kan worden geboden voor de ontwikkeling van traditionele kwaliteitsproducten, zoals producten met een geografische aanduiding, producten uit berggebieden of plaatselijke specialiteiten, en de bevordering van maatregelen ten behoeve van de voedselzekerheid en milieuduurzaamheid; wijst eveneens op het potentieel voor de ontwikkeling van activiteiten op het gebied van toerisme, met name plattelandstoerisme en agrotoerisme; vestigt de aandacht op de oproep van het Parlement in 2015 om de EU-brede bescherming van geografische aanduidingen tot niet-landbouwproducten uit te breiden; is van mening dat die uitbreiding alle plattelandsgebieden in de EU ten goede zou komen omdat ze waarde toevoegt aan traditionele producten en banen creëert in plattelandsgebieden; spoort de Commissie aan een wetgevingsvoorstel in te dienen om de bescherming van geografische aanduidingen tot niet-landbouwproducten uit te breiden;

    12.  wijst erop dat plaatselijke initiatieven rond de verwerking, de verkoop, de distributie en de consumptie van plaatselijke producten en de plaatselijke handel moeten worden gesteund;

    13.  wijst andermaal op het belang van innovatie, op gepaste schaal doorgevoerde digitalisering en verbetering van de lokale voorzieningen (gezondheidszorg, sociale diensten, postdiensten) en infrastructuur, waardoor een positieve omgeving en een goede basis worden gecreëerd voor het stimuleren van de groei en het versterken van de cohesie in achterstandsregio's; beklemtoont dat goede infrastructuur, met name internetverbindingen met hoge snelheid, wat een absolute voorwaarde is voor de leefbaarheid van plattelandsgebieden, plattelandsvlucht kan helpen tegengaan en kan bijdragen aan het aantrekken van goed opgeleide arbeidskrachten, die immers nodig zijn om in deze gebieden voor groei te zorgen; stipt aan dat onderwijs en opleiding van het allergrootste belang zijn in de ontwikkelingsmix en dat deze door onderlinge verbondenheid online verder kunnen worden verbeterd; is verheugd over de discussienota van de Commissie over de toekomst van de landbouw, waarin wordt overwogen om de investeringen meer te concentreren op de circulaire economie en de bio-economie, aangezien die een aanzienlijk potentieel voor werkgelegenheid en de uitwerking van het initiatief "slimme dorpen" bieden via ondersteuning van plaatselijke gemeenschappen met het oog op digitalisering en de ontwikkeling van een infrastructuur voor diensten;

    14.  vestigt de aandacht op het model van sociale landbouw en de mogelijkheden die het biedt om mensen in plattelandsgebieden met elkaar in contact te brengen en vooral om de landbouw dichter bij de burger te brengen; is van oordeel dat dit model een belangrijk instrument is dat plaatselijke gemeenschappen een hele reeks therapeutische ondersteuningsdiensten biedt en tegelijk de afstand tussen landbouwers en de bredere gemeenschap verkleint;

    15.  merkt op dat de volledige verwezenlijking van innovatieve projecten, zoals het initiatief "slimme dorpen", in grote mate afhangt van ruimere connectiviteit en onderwijs; dringt erop aan dat verdere stappen worden ondernomen om de ontvolking van plattelandsgebieden tegen te gaan, familiale landbouw te stimuleren en beter milieubeheer, sociale inclusie, armoedebestrijding en banencreatie met een slimme benadering te ondersteunen;

    16.  wijst erop dat steun om het traditionele rolpatroon te doorbreken, zodat vrouwen meer kunnen profiteren van de voordelen van regionale uitbreiding, een intrinsieke waarde heeft en ook het concurrentievermogen van handel en industrie kan vergroten, met name in de achterstandsregio's;

    17.  is verheugd dat de Commissie in het kader van de volgende hervorming van het GLB prioriteit toekent aan de overdracht van landbouwbedrijven aan de jongere generatie; is van mening dat deze nadruk zal bijdragen aan de leefbaarheid van de plattelandsgebieden in de EU;

    18.  merkt op dat diversificatie voor veel landbouwers, met name in achterstandsregio's, absoluut noodzakelijk is geworden om bijkomende bronnen van inkomsten te hebben;

    19.  onderstreept dat goed verbonden gebieden die prioriteit geven aan plattelandsgebieden en deze verbeteren, een essentiële rol spelen bij activiteiten van onderzoekspartnerschappen, met inbegrip van initiatieven in het kader van het Europees innovatiepartnerschap, zodat innoverende praktijken de duurzame ontwikkeling van de landbouw en aanverwante sectoren en de groei op het platteland in achterstandsregio's verder kunnen verbeteren; is van mening dat vanuit dit oogpunt samenwerkingsverbanden tussen EU-regio's moeten worden aangemoedigd op NUTS 2‑niveau, wat het meest relevante niveau lijkt te zijn;

    20.  wijst op het nut van de territoriale aanpak, die voor elke regio voldoende infrastructuur en sociaal kapitaal waarborgt; wijst erop dat er in plattelandsgebieden diensten zoals professionele begeleiding, financieel advies en advies inzake landbouwbeheerpraktijken moeten worden verleend om de druk te verlichten die aan een landbouwbestaan verbonden is; wijst er nogmaals op dat het voor de instandhouding van deze gebieden absoluut noodzakelijk is om overheidsdiensten zoals onderwijs, beroepsopleiding, gezondheidszorg, openbare sociale diensten, openbaar vervoer en openbare postdiensten te vrijwaren; verzoekt de lidstaten de mogelijkheid te overwegen om gemeenschappen in achterstandsregio's te helpen met de juiste instrumenten om gesloten productiekringlopen te creëren en waarde toevoegende processen in de regio te helpen houden en zo dynamische plattelandseconomieën tot stand te brengen en plattelandsvlucht tegen te gaan;

    21.  verzoekt de Commissie de medefinanciering van de Europese structuur- en investeringsfondsen uit te sluiten van de beperkingen van het stabiliteits- en groeipact.

    INFORMATIE OVER DE GOEDKEURING IN DE ADVISERENDE COMMISSIE

    Datum goedkeuring

    23.1.2018

     

     

     

    Uitslag eindstemming

    +:

    –:

    0:

    37

    1

    2

    Bij de eindstemming aanwezige leden

    John Stuart Agnew, Clara Eugenia Aguilera García, Eric Andrieu, Richard Ashworth, José Bové, Daniel Buda, Nicola Caputo, Paolo De Castro, Jean-Paul Denanot, Albert Deß, Jørn Dohrmann, Herbert Dorfmann, Norbert Erdős, Luke Ming Flanagan, Martin Häusling, Esther Herranz García, Peter Jahr, Ivan Jakovčić, Jarosław Kalinowski, Zbigniew Kuźmiuk, Philippe Loiseau, Mairead McGuinness, Ulrike Müller, James Nicholson, Maria Noichl, Marijana Petir, Laurenţiu Rebega, Bronis Ropė, Ricardo Serrão Santos, Czesław Adam Siekierski, Tibor Szanyi, Marc Tarabella, Marco Zullo

    Bij de eindstemming aanwezige vaste plaatsvervangers

    Franc Bogovič, Stefan Eck, Jens Gieseke, Maria Heubuch, Karin Kadenbach, Momchil Nekov, Sofia Ribeiro, Annie Schreijer-Pierik, Hannu Takkula, Tom Vandenkendelaere, Thomas Waitz

    Bij de eindstemming aanwezige plaatsvervangers (art. 200, lid 2)

    Stanisław Ożóg

    HOOFDELIJKE EINDSTEMMING IN DE ADVISERENDE COMMISSIE

    37

    +

    PPE

    Franc Bogovič, Daniel Buda, Albert Deß, Herbert Dorfmann, Norbert Erdős, Jens Gieseke, Esther Herranz García, Mairead McGuinness, Marijana Petir, Sofia Ribeiro, Annie Schreijer-Pierik, Czesław Adam Siekierski, Tom Vandenkendelaere

    S&D

    Clara Eugenia Aguilera García, Eric Andrieu, Nicola Caputo, Paolo De Castro, Jean-Paul Denanot, Karin Kadenbach, Maria Noichl, Ricardo Serrão Santos, Tibor Szanyi, Marc Tarabella

    ECR

    Richard Ashworth, Jørn Dohrmann, Zbigniew Kuźmiuk, James Nicholson, Stanisław Ożóg

    ALDE

    Ivan Jakovčić, Ulrike Müller, Hannu Takkula

    GUE/NGL

    Stefan Eck, Luke Ming Flanagan

    Verts/ALE

    José Bové, Martin Häusling, Bronis Ropė

    EFDD

    Marco Zullo

    1

    -

    EFDD

    John Stuart Agnew

    2

    0

    ENF

    Philippe Loiseau, Laurenţiu Rebega

    Verklaring van de gebruikte tekens:

    +  :  voor

    -  :  tegen

    0  :  onthouding

    ADVIES van de Commissie visserij (31.1.2018)

    aan de Commissie regionale ontwikkeling

    inzake achterstandsregio's in de EU
    (2017/2208(INI))

    Rapporteur voor advies: Nicola Caputo

    SUGGESTIES

    De Commissie visserij verzoekt de bevoegde Commissie regionale ontwikkeling onderstaande suggesties in haar ontwerpresolutie op te nemen:

      gezien zijn resolutie van 12 april 2016 over innovatie en diversificatie van de ambachtelijke kustvisserij in de regio's die afhankelijk zijn van de visserij[1],

      gezien zijn resolutie van 4 juli 2017 over de rol van visserijgerelateerd toerisme in de diversificatie van de visserij[2],

      gezien zijn resolutie van 6 juli 2017 over de bevordering van cohesie en ontwikkeling in de ultraperifere gebieden van de EU: uitvoering van artikel 349 VWEU[3],

      gezien Verordening (EU) nr. 1380/2013 inzake het nieuwe gemeenschappelijk visserijbeleid[4],

      gezien Verordening (EU) nr. 1379/2013 houdende een gemeenschappelijke marktordening voor visserijproducten en aquacultuurproducten[5],

      gezien Verordening (EU) nr. 508/2014 inzake het nieuwe Europees Fonds voor maritieme zaken en visserij (EFMZV)[6],

    A.  overwegende dat de visserij, met name de kleinschalige ambachtelijke visserij, een traditionele activiteit is die met haar specifieke karakter de identiteit en de manier van leven bepaalt in de meeste kustgebieden van "regio's met een lage groei" (zoals gebieden in de Italiaanse Mezzogiorno, en in Griekenland, Kroatië, Spanje en Portugal) en "regio's met een laag inkomen" (zoals gebieden in Bulgarije en Roemenië), zoals bedoeld in het betreffende verslag van de Commissie;

    B.  overwegende dat 12 % van de wereldbevolking voor zijn levensonderhoud afhankelijk is van de visserij en de aquacultuur en dat de handel in visserijproducten dus zeer aanzienlijke sociaal-economische gevolgen kan hebben, aangezien ongeveer 40 % van de productie internationaal wordt verhandeld, met een jaarlijkse exportwaarde van meer dan 115 miljard EUR;

    C.  overwegende dat de kleinschalige en ambachtelijke visserij, de kust- en de schelpdiervisserij van economisch, territoriaal, sociaal en cultureel belang zijn in grote kustgebieden van de EU, met inbegrip van de eilanden en de ultraperifere gebieden, en dat deze sector om die reden moet worden beschermd en ondersteund ten opzichte van de industriële en grootschalige visserij en de industriële aquacultuur;

    D.  overwegende dat bij de ambachtelijke visserij vistuig en vangsttechnieken worden gebruikt die minder gevolgen hebben voor de status van bedreigde bestanden;

    E.  overwegende dat de ambachtelijke visserij grote betekenis heeft voor de toekomst van de minder ontwikkelde kust- en eilandgemeenschappen in de Unie; overwegende dat de belangstelling van jongeren voor een baan in de sector moet worden gestimuleerd en dat hun een goede opleiding moet worden geboden – ook in de ambachtelijke visserij en de kustvisserij – om een bijdrage te leveren aan de ontwikkeling van de van de visserij afhankelijke gebieden en om de ontvolking van deze gebieden tegen te gaan;

    F.  overwegende dat de maximale duurzame opbrengst alleen in het kader van een regionale benadering kan worden bereikt, rekening houdend met wetenschappelijke criteria en sociaal-economische overwegingen;

    G.  overwegende dat de EU de grootste markt voor visserijproducten ter wereld is en dat juist om die reden de behoefte aan rendabele en tegelijkertijd evenwichtige en duurzame visserij toeneemt;

    H.  overwegende dat de visserij achteruit blijft gaan en zo verder bijdraagt aan de ernstige economische achteruitgang van veel kust- en eilandgebieden, waaronder die in achterstandsregio's, wat leidt tot ontvolking, aangezien inwoners verhuizen naar gebieden met betere kansen op het vlak van werkgelegenheid en onderwijs;

    I.  overwegende dat de in het kader van het gemeenschappelijk visserijbeleid getroffen maatregelen voor deze regio's vanuit sociaal en economisch oogpunt duurzaam moeten zijn om ervoor te zorgen dat de ambachtelijke visserij rendabel blijft; overwegende dat de door de kustvisserij beviste soorten een zeer grote sociaal-economische waarde hebben, hoewel zij slechts een klein deel van de commerciële visserij uitmaken;

    J.  overwegende dat in artikel 17 van Verordening (EU) nr. 1380/2013 is bepaald dat de lidstaten "Bij de toewijzing van de hun ter beschikking staande vangstmogelijkheden ... [gebruikmaken] van transparante en objectieve criteria" en dat "De criteria [...] onder meer betrekking [kunnen] hebben op ... de bijdrage aan de lokale economie"; overwegende dat de EU in dit verband bijzondere aandacht moet hebben voor de visserijvloten van minder ontwikkelde regio's;

    K.  overwegende dat vrouwen een essentiële rol spelen in de ambachtelijke visserij, met name met betrekking tot de visverwerking, en de schelpdiervisserij;

    L.  overwegende dat het cohesiebeleid van de EU erop gericht is de verschillen tussen de regio's en de lidstaten te verkleinen door de economische, sociale en territoriale cohesie te stimuleren, en dat de visserij en de rechtstreeks of zijdelings daarmee verbonden sectoren een belangrijke rol spelen bij de ontwikkeling van kustregio's;

    M.  overwegende dat de talrijke – zowel directe als indirecte – arbeidsplaatsen die in de visserijsector en de kweek van schaaldieren en de aquacultuur, alsmede bij de toeleveranciers en bij het op de markt brengen en verwerken van de visserijproducten worden gecreëerd, deze sectoren een uitstekende sociaal-economische positie verschaffen;

    N.  overwegende dat sommige van kustvisserij afhankelijke gebieden in de achterstandsregio's zich in de nabijheid van economisch ontwikkelde regio's en toeristische bestemmingen bevinden, maar toch niet in staat zijn om toereikende economische groei te genereren;

    O.  overwegende dat de druk om gebruik te maken van de opbrengsten van de zee in dergelijke regio's groter wordt, waarbij de visserijsector vaak gemarginaliseerd wordt ten behoeve van toerisme, terwijl beide sectoren naast elkaar kunnen bestaan en elkaar zelfs kunnen aanvullen;

    P.  overwegende dat in artikel 349 VWEU wordt erkend dat de ultraperifere gebieden zich in een bijzondere economische en sociale situatie bevinden die structureel wordt bemoeilijkt door verschillende factoren (de grote afstand, het insulaire karakter, de kleine oppervlakte, een moeilijk reliëf en klimaat en de economische afhankelijkheid van enkele producten, enz.) die vanwege hun blijvende en cumulatieve karakter de ontwikkeling van deze gebieden ernstig schaden;

    Q.  overwegende dat een groot percentage van de plaatselijke bevolking in de minst ontwikkelde regio's, met name in de ultraperifere gebieden, afhankelijk is van de activiteit van de kleinschalige en plaatselijke kustvisserij, en dat er een tekort is aan jongeren in deze sector, omdat het werk onaantrekkelijk is, laaggeschoold en meestal slecht betaald;

    R.  overwegende dat één manier om ervoor te zorgen dat de visserijproducten van ultraperifere gebieden op de belangrijkste afzetmarkten kunnen concurreren, erin bestaat te garanderen dat de prijs van de vis uit die gebieden niet stijgt ten gevolge van de vervoerskosten;

    S.  overwegende dat de recreatieve visserij en het toerisme in verband met deze activiteit een grote economische impact hebben en economische diversificatie tot stand kunnen brengen in deze regio's;

    T.  overwegende dat de EU-strategie inzake de blauwe economie de duurzame economische ontwikkeling in kustgebieden stimuleert en ondersteunt;

    U.  overwegende dat de toeristische sector aan zee en in kustgebieden aan 3,2 miljoen mensen werk biedt en dat deze sector in de EU in totaal 183 miljard EUR bruto toegevoegde waarde oplevert;

    1.  benadrukt het belang van de visserij, en met name de kleinschalige visserij, en duurzaam maritiem en kusttoerisme voor de ontwikkeling van een alomvattende sociale en milieuvriendelijke maritieme economie; acht het aangewezen het toeristische aanbod te diversifiëren door economisch en ecologisch duurzame activiteiten te stimuleren, zodat toeristen het hele jaar door toegang hebben tot het maritieme erfgoed, onderwatertoerisme, gastronomisch toerisme en watersport, waardoor seizoensschommelingen worden gecompenseerd; acht het aangewezen dat het mkb, dat innovatieve oplossingen ontwikkelt voor het toerisme aan zee en in kustgebieden, via financieringsinstrumenten zoals Horizon 2020 financieel sterker wordt ondersteund;

    2.  merkt op dat diversificatie bijna overal noodzakelijk is geworden voor veel ambachtelijke vissers, maar voornamelijk voor vissers in de achterstandsregio's, aangezien hun inkomen uit visserijactiviteiten vaak ontoereikend is en zij aanvullende inkomstenbronnen moeten vinden, met inbegrip van nieuwe vormen van sectorgerelateerd toerisme, zoals visserijtoerisme; spoort de Commissie en de lidstaten aan zich te scharen achter het gebruik van verschillende EU-fondsen, naast het EFMZV, om het visserijtoerisme en de visverwerking in deze gebieden te ontwikkelen en zodoende de inkomstenbronnen te diversifiëren; onderstreept echter dat die diversificatie geenszins de visserijactiviteit in strikte zin in gevaar mag brengen en dat de werkzaamheden van kleinschalige vissers ook tijdens biologische rustperioden erkend en financieel ondersteund moeten worden;

    3.  dringt er bij de lidstaten en de Commissie op aan te investeren in opleiding en technologische ontwikkeling van de hele visserijsector om zo hooggekwalificeerd personeel in achterstandsregio's aan te trekken en ervoor te zorgen dat dit er blijft; wijst erop dat investeringen in menselijk kapitaal en verhoging van het opleidingsniveau in de visserijsector onontbeerlijke voorwaarden zijn voor een duurzame en concurrerende groei; benadrukt dat het ESF een belangrijke rol kan spelen bij de verhoging van het opleidings- en scholingsniveau, onder andere in de ambachtelijke en kustvisserij; benadrukt het belang van de oprichting en het werk van plaatselijke actiegroepen voor de visserij (FLAG's), die steun verlenen aan de visserijsector;

    4.  verzoekt de lidstaten en de regionale en lokale overheden innoverende en duurzame infrastructuur aan te bieden, waaronder bijvoorbeeld snelle internetverbindingen en hoogwaardige informatietechnologieën, om vissers in achterstandsregio's te helpen hun traditionele visserijactiviteiten te diversifiëren, door hun visserijactiviteit te verbeteren en hun visserijactiviteit verenigbaarder te maken met andere sectoren van economische activiteit, met name complementaire sectoren; wijst op het potentieel van sectoroverschrijdende projecten die de economische, sociale en territoriale ontwikkeling van de minst ontwikkelde kustregio's bevorderen, door gebruik te maken van synergieën tussen Europese fondsen en met name het EFRO, het EFMZV en het ESF; benadrukt het belang van de blauwe economie, die kan bijdragen tot de economische groei in kust- en eilandgebieden met een ontwikkelingsachterstand;

    5.  acht het aangewezen de oprichting en de werkzaamheden van producenten- en brancheorganisaties te ondersteunen om het concurrentievermogen en de marktpositie van de sector te verbeteren;

    6.  onderstreept het belang van het Europees Fonds voor Maritieme Zaken en Visserij (EFMZV), waarin voor het eerst zowel de financiering van het geïntegreerd maritiem beleid als de financiering van het visserijbeleid gezamenlijk zijn ondergebracht, alsook dat van de EIB voor het ondersteunen van de duurzame en milieuvriendelijke ontwikkeling van visserij, aquacultuur en de visverwerkende industrie, het ondersteunen van de economische diversificatie in de visserijgemeenschappen die van deze sectoren afhankelijk zijn, met name wat betreft de ambachtelijke kustvisserij, het bevorderen van de beroepsopleiding van vrouwen en jongeren en het aantrekken van nieuwe ondernemers in deze sector; verzoekt de lidstaten het gebruik van het EFMZV te versnellen, en dan met name de componenten ervan die bestemd zijn voor de beroepsopleiding en vaardigheden van de plaatselijke bevolking en de ontwikkeling van activiteiten die een aanvulling vormen op de traditionele visserij; acht het van cruciaal belang dat de financiële ondersteuning van het vervoer van de vis van de ultraperifere regio's naar de internationale markt wordt gehandhaafd, en bij voorkeur wordt verhoogd, om te zorgen voor eerlijke concurrentie met producten van andere locaties; wijst erop dat het EFMZV moet worden voorzien van voldoende financiële middelen voor de periode na 2020 om de ontwikkeling van kustgebieden in regio's die afhankelijk zijn van de visserij te blijven steunen;

    7.  benadrukt dat vissers, en met name kleinschalige vissers, in veel achterstandsregio's moeilijkheden ondervinden bij de toegang tot financiering als gevolg van de schuldenlast en de druk op de overheidsfinanciën in deze gebieden, alsook van de bureaucratische en administratieve vertragingen die uit de werking van het EFMZV voortvloeien; dringt er derhalve bij de Commissie op aan om samen te werken met nationale, regionale en lokale autoriteiten om toereikende financieringsinstrumenten te ontwikkelen die zijn afgestemd op de behoeften van vissers en hun ondernemingen; spoort de Commissie en de lidstaten aan om een eenvoudigere en snellere procedure in te voeren voor het inzetten van het EFMZV in de achterstandsregio's; verzoekt de Commissie om, naar analogie met de maatregelen die in het kader van de Posei-regeling voor de landbouw in de ultraperifere gebieden zijn getroffen, de mogelijkheid te bestuderen om een instrument ter ondersteuning van de visserij in de ultraperifere gebieden te creëren, voor een optimale benutting van het potentieel van de visserij in deze gebieden;

    8.  vraagt dat artikel 349 VWEU onverkort wordt toegepast in het beleid, de regelgeving, de fondsen en de programma's van de EU met betrekking tot visserij, en met name in het EFMZV, om een oplossing te bieden voor de specifieke problemen waarmee de ultraperifere gebieden te kampen hebben;

    9.  spoort de Commissie en de lidstaten aan zich te scharen achter het gebruik van verschillende EU-fondsen, naast het EFMZV, om het visserijtoerisme en de visverwerking in de betrokken gebieden te ontwikkelen en zodoende hun inkomstenbronnen te diversifiëren;

    10.  verzoekt de Commissie – om de visserijsector in de ultraperifere gebieden te helpen overleven en in overeenstemming met de beginselen van een gedifferentieerde behandeling voor kleine eilanden en gebieden die vermeld worden in duurzameontwikkelingsdoelstelling (SDG) 14 – op basis van artikel 349 VWEU ondersteunende maatregelen te treffen zodat (op EU- of nationaal niveau) financiering kan worden verstrekt voor de ambachtelijke en traditionele vissersschepen van de ultraperifere gebieden die al hun vangsten in havens in de ultraperifere gebieden aanlanden en bijdragen tot de plaatselijke duurzame ontwikkeling, teneinde de menselijke veiligheid te vergroten, de Europese normen inzake hygiëne na te leven, illegale, ongemelde en ongereglementeerde visserij te bestrijden en een grotere milieu-efficiëntie te bereiken;

    11.  steunt de lidstaten bij de totstandbrenging van een preferentiële fiscale regeling voor de betrokken gebieden, om investeringen te stimuleren en armoede te bestrijden;

    12.  benadrukt het belang van de ontwikkeling en bevordering van duurzame aquacultuur voor het milieu en voor de gezondheid van de visbestanden en de consumenten; onderstreept bovendien niet alleen het potentieel hiervan als economische activiteit die goedbetaalde, stabiele banen oplevert (er zijn al 80 000 banen in deze sector in de EU), maar ook het belang ervan voor de beperking van de overbevissing van de Europese visbestanden en de vermindering van de mate waarin de EU afhankelijk is van de invoer van vis en zeevruchten uit derde landen; spoort de lidstaten en de lokale autoriteiten aan steun te verlenen aan projecten op het vlak van de blauwe economie om de bevolking in achterstandsgebieden te helpen ecologisch duurzame inkomstenbronnen te genereren; verzoekt de Commissie en de lidstaten meer inspanningen te leveren om de administratieve rompslomp waarmee de visserij- en aquacultuursector te kampen heeft aan te pakken.

    INFORMATIE OVER DE GOEDKEURING IN DE ADVISERENDE COMMISSIE

    Datum goedkeuring

    24.1.2018

     

     

     

    Uitslag eindstemming

    +:

    –:

    0:

    22

    2

    0

    Bij de eindstemming aanwezige leden

    Clara Eugenia Aguilera García, Renata Briano, Alain Cadec, Richard Corbett, Linnéa Engström, João Ferreira, Sylvie Goddyn, Mike Hookem, Ian Hudghton, Carlos Iturgaiz, Werner Kuhn, António Marinho e Pinto, Norica Nicolai, Ulrike Rodust, Remo Sernagiotto, Ricardo Serrão Santos, Isabelle Thomas, Ruža Tomašić, Peter van Dalen, Jarosław Wałęsa

    Bij de eindstemming aanwezige vaste plaatsvervangers

    Izaskun Bilbao Barandica, Ole Christensen, Norbert Erdős, Seán Kelly, Verónica Lope Fontagné

    Bij de eindstemming aanwezige plaatsvervangers (art. 200, lid 2)

    Tim Aker, João Pimenta Lopes

    HOOFDELIJKE EINDSTEMMING IN DE ADVISERENDE COMMISSIE

    22

    +

    ALDE

    António Marinho e Pinto, Norica Nicolai

    ECR

    Peter van Dalen, Remo Sernagiotto, Ruža Tomašić

    ENF

    Sylvie Goddyn

    GUE/NGL

    João Ferreira, João Pimenta Lopes

    PPE

    Alain Cadec, Norbert Erdős, Carlos Iturgaiz, Seán Kelly, Werner Kuhn, Verónica Lope Fontagné, Jarosław Wałęsa

    S&D

    Clara Eugenia Aguilera García, Richard Corbett, Ulrike Rodust, Ricardo Serrão Santos, Isabelle Thomas

    Verts/ALE

    Linnéa Engström, Ian Hudghton

    2

    -

    EFDD

    Tim Aker, Mike Hookem

    0

    0

     

     

    Verklaring van de gebruikte tekens:

    +  :  voor

    -  :  tegen

    0  :  onthouding

    INFORMATIE OVER DE GOEDKEURING IN DE BEVOEGDE COMMISSIE

    Datum goedkeuring

    20.2.2018

     

     

     

    Uitslag eindstemming

    +:

    –:

    0:

    31

    3

    3

    Bij de eindstemming aanwezige leden

    Mercedes Bresso, Steeve Briois, Andrea Cozzolino, Raymond Finch, John Flack, Iratxe García Pérez, Michela Giuffrida, Krzysztof Hetman, Ivan Jakovčić, Constanze Krehl, Sławomir Kłosowski, Louis-Joseph Manscour, Martina Michels, Iskra Mihaylova, Andrey Novakov, Paul Nuttall, Mirosław Piotrowski, Stanislav Polčák, Liliana Rodrigues, Fernando Ruas, Monika Smolková, Ruža Tomašić, Ramón Luis Valcárcel Siso, Ángela Vallina, Lambert van Nistelrooij, Kerstin Westphal, Joachim Zeller

    Bij de eindstemming aanwezige vaste plaatsvervangers

    Daniel Buda, Andor Deli, Ivana Maletić, Urmas Paet, Georgi Pirinski, Bronis Ropė, Milan Zver

    Bij de eindstemming aanwezige plaatsvervangers (art. 200, lid 2)

    Eleonora Evi, Anna Hedh, Bogdan Brunon Wenta

    HOOFDELIJKE EINDSTEMMING IN DE BEVOEGDE COMMISSIE

    31

    +

    ALDE

    Ivan Jakovčić, Iskra Mihaylova, Urmas Paet

    ECR

    John Flack, Sławomir Kłosowski, Mirosław Piotrowski, Ruža Tomašić

    PPE

    Daniel Buda, Andor Deli, Krzysztof Hetman, Ivana Maletić, Lambert van Nistelrooij, Andrey Novakov, Stanislav Polčák, Fernando Ruas, Ramón Luis Valcárcel Siso, Bogdan Brunon Wenta, Joachim Zeller, Milan Zver

    S&D

    Mercedes Bresso, Andrea Cozzolino, Iratxe García Pérez, Michela Giuffrida, Anna Hedh, Constanze Krehl, Louis-Joseph Manscour, Georgi Pirinski, Liliana Rodrigues, Monika Smolková, Kerstin Westphal

    Verts/ALE

    Bronis Ropė

    3

    -

    EFDD

    Raymond Finch, Paul Nuttall

    ENF

    Steeve Briois

    3

    0

    EFDD

    Eleonora Evi

    GUE/NGL

    Martina Michels, Ángela Vallina

    Verklaring van de gebruikte tekens:

    +  :  voor

    -  :  tegen

    0  :  onthouding

    Laatst bijgewerkt op: 8 maart 2018
    Juridische mededeling - Privacybeleid