VERSLAG over de aanbeveling van de Raad inzake de benoeming van de vicepresident van de Europese Centrale Bank

6.3.2018 - (N8-0053/2018 – C8-0040/2018 – 2018/0804(NLE))

Commissie economische en monetaire zaken
Rapporteur: Roberto Gualtieri
PR_NLE_Members

Procedure : 2018/0804(NLE)
Stadium plenaire behandeling
Documentencyclus :  
A8-0056/2018
Ingediende teksten :
A8-0056/2018
Debatten :
Aangenomen teksten :

ONTWERPBESLUIT VAN HET EUROPEES PARLEMENT

over de aanbeveling van de Raad inzake de benoeming van de vicepresident van de Europese Centrale Bank

(N8-0053/2018 – C8-0040/2018 – 2018/0804(NLE))

(Raadpleging)

Het Europees Parlement,

–  gezien de aanbeveling van de Raad van 20 februari 2018 (N8-0053/2018)[1],

–  gezien artikel 283, lid 2, tweede alinea, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, op grond waarvan het Parlement door de Europese Raad is geraadpleegd (C8-0040/2018),

–  gezien artikel 122 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie economische en monetaire zaken (A8‑0056/2018),

A.  overwegende dat de Europese Raad bij schrijven van 22 februari 2018 het Europees Parlement heeft geraadpleegd over de benoeming van Luis de Guindos tot vicepresident van de Europese Centrale Bank voor een ambtstermijn van acht jaar, ingaande op 1 juni 2018;

B.  overwegende dat zijn Commissie economische en monetaire zaken de kwalificaties van de voorgedragen kandidaat heeft onderzocht, met name gelet op de in artikel 283, lid 2, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie vermelde voorwaarden en het uit artikel 130 van het Verdrag voortvloeiende gebod van totale onafhankelijkheid van de ECB; overwegende dat de commissie in het kader van dit onderzoek een curriculum vitae van de kandidaat heeft ontvangen, alsmede de antwoorden op de hem toegezonden schriftelijke vragenlijst;

C.  overwegende dat deze commissie de kandidaat vervolgens op 26 februari 2018 gedurende anderhalf uur heeft gehoord, waarbij hij een inleidende verklaring heeft afgelegd en daarna de door de leden van de commissie gestelde vragen heeft beantwoord;

D.  overwegende dat het Parlement zich zorgen maakt over het genderevenwicht, de selectieprocedure, de timing van de benoeming en de politieke onafhankelijkheid, en de Raad verzoekt met het Parlement de dialoog aan te gaan over hoe het proces van toekomstige benoemingen kan worden verbeterd;

1.  brengt positief advies uit over de aanbeveling van de Raad voor de benoeming van Luis de Guindos tot vicepresident van de Europese Centrale Bank;

2.  verzoekt zijn Voorzitter dit besluit te doen toekomen aan de Europese Raad, aan de Raad alsmede aan de regeringen van de lidstaten.

  • [1]  PB C 67 van 22.2.2018, blz. 1.

BIJLAGE 1: CURRICULUM VITAE VAN Luis de Guindos

Luis de Guindos Jurado

Minister van Economische Zaken, Industrie en Concurrentievermogen

Geboortedatum: 16 januari 1960

OPLEIDING

–  Bachelor of Science (BSc) in economie van de Colegio Universitario de Estudios Financieros (CUNEF) – cum laude afgestudeerd.

–  Técnico Comercial y Economista del Estado (staatseconoom, gradatie "A", staatsexamen, eerste op de ranglijst)

PROFESSIONELE CARRIÈRE

Publieke sector

–  Minister van Economische Zaken, Industrie en Concurrentievermogen (sinds november 2016), verantwoordelijk voor de gebieden economische en zakelijke ondersteuning; Internationale economische betrekkingen; Macro-economische analyses; de Spaanse schatkist; Internationale handel en investeringen; Onderzoek, ontwikkeling en innovatie; en industrie.

–  Minister van Economische Zaken en Concurrentievermogen (december 2011-november 2016)

–  Staatssecretaris van Economische zaken (2002-2004)

–  Secretaris van de Commissie voor Economische zaken van de overheid (2002-2004)

–  Secretaris-generaal voor het Economisch en Concurrentiebeleid (2000-2002)

–  Directeur-generaal voor het Economisch en Concurrentiebeleid (1996-2000)

Bijzondere benoemingen:

–  Lid van de Raad Economische en Financiële Zaken (Ecofin), de Eurogroep en vaste gast bij de G20

–  Gouverneur van de Raad van het Europees stabiliteitsmechanisme (ESM) (sinds 2012), het Internationaal Monetair Fonds, de Internationale Bank voor Herstel en Ontwikkeling (Wereldbank), de Europese Investeringsbank, de Europese Bank voor Wederopbouw en Ontwikkeling, de Inter-Amerikaanse Ontwikkelingsbank, de Afrikaanse Ontwikkelingsbank, de Centraal Amerikaanse Bank voor Economische Integratie, de Aziatische Ontwikkelingsbank (sinds 2011) en de Aziatische Investeringsbank voor infrastructuur (sinds 2017)

–  Lid van het Comité economische en financiële onderwerpen van de EU (2002-2004)

–  Vicevoorzitter van het Comité voor economische politiek van de EU (1996-2000)

–  Hoofd van de Spaanse delegatie bij de Raad Economische en Financiële Zaken (Ecofin) tijdens het Spaanse voorzitterschap van de EU (2002)

Particuliere sector

–  Directeur van de IE Business School en van het Centrum voor de financiële sector van PricewaterhouseCoopers (PwC) (maart 2010-december 2011)

–  PricewaterhouseCoopers, verantwoordelijk voor de financiële dienstverlening (december 2008-december 2009)

–  Nomura Securities, bestuursvoorzitter (CEO) (september 2008-december 2008)

–  Lehman Brothers, CEO Iberia (april 2006-september 2008)

–  AB Asesores, CEO (1988-1996)

–  Bestuurslid van Endesa, S.A., Endesa Chile, Unedisa, Logista en BMN.

BIJLAGE 2: ANTWOORDEN VAN Luis de Guindos OP DE VRAGENLIJST

A. Persoonlijke achtergrond en beroepservaring

1.  Licht de belangrijkste aspecten toe van uw professionele vaardigheden inzake monetaire, financiële en zakelijke aangelegenheden, en die van uw ervaring op Europees en internationaal gebied.

Ik heb een Bachelor of Science (BSc) in economie en bedrijfskunde van de Colegio Universitario de Estudios Financieros (CUNEF) en studeerde cum laude af. Ik was ook de eerste op de ranglijst bij het openbare examen als staatseconoom en vakdeskundige. Mijn academische achtergrond is toegespitst op monetaire, financiële, economische en zakelijke aangelegenheden.

Daarnaast heb ik verschillende taken vervuld als overheidsfunctionaris, waaronder staatssecretaris van Economische Zaken en secretaris-generaal voor het economische en mededingingsbeleid. In die functies heb ik de kans gehad deel te nemen aan het ontwerp van het economische beleid dat ertoe leidde dat Spanje tot de Monetaire Unie kon toetreden en aan alle vereisten voldeed.

Sinds 2011 ben ik minister van Economie, Industrie en Concurrentievermogen van Spanje. Als zodanig heb ik de leiding over de schatkist gehad en over de afdelingen Economie en Bedrijfsondersteuning, Internationale Economische Zaken, Macro-economische analyse, Internationale investeringen en handel, Onderzoek, Ontwikkeling en innovatie en Industrie.

Vanuit deze positie heb ik een grondige hervorming van de Spaanse financiële sector bevorderd, die de herkapitalisatie en herstructurering van het systeem omvatte, evenals andere maatregelen, om ervoor te zorgen dat elke bankafwikkeling in de toekomst wordt uitgevoerd zonder terug te vallen op geld van de belastingbetaler. Veel van deze maatregelen werden ingevoerd via het financiële bijstandsprogramma dat door het Europees stabiliteitsmechanisme (ESM) aan Spanje werd toegekend. Al deze activiteiten hebben het herstel van de juiste werking van het financiële systeem mogelijk gemaakt, wat de belangrijkste transportband van het monetaire beleid is.

Als minister van Economische zaken heb ik Spanje ook vertegenwoordigd in de Raad Economische en Financiële Zaken van de EU en de Eurogroep. Vanuit die fora heb ik bijgedragen aan de opbouw van de Economische en Monetaire Unie.

Ik ben ook permanent te gast geweest bij de G20 en gouverneur geweest van het Europees stabiliteitsmechanisme (ESM), het Internationaal Monetair Fonds, de Internationale Bank voor Herstel en Ontwikkeling (Wereldbank), de Europese Investeringsbank, de Europese Bank voor Wederopbouw en Ontwikkeling, de Inter-Amerikaanse Ontwikkelingsbank, de Afrikaanse Ontwikkelingsbank, de Centraal Amerikaanse Bank voor Economische Integratie, de Aziatische Ontwikkelingsbank en de Aziatische Investeringsbank voor infrastructuur.

Tot slot heb ik voor verschillende particuliere bedrijven met betrekking tot de financiële sector gewerkt (verantwoordelijk voor financiële dienstverlening voor PricewaterhouseCoopers, CEO Iberia bij Lehman Brothers en bij Nomura Securities, CEO bij AB Asesores) en voor de academische sector (directeur van de IE Business School en het Centrum voor de financiële sector van PwC).

Ik ben ook bestuurslid geweest van Endesa, SA; Endesa Chile, Unedisa, Logista en BMN.

2.  Hebt u zaken, financiële belangen of andere verplichtingen waardoor een conflict met uw toekomstige taken zou kunnen optreden, en zijn er verder enige relevante factoren van persoonlijke of andere aard die door het Parlement in aanmerking genomen moeten worden met betrekking tot uw kandidaatstelling?

Nee, ik heb geen zaken of verplichtingen die in strijd met mijn toekomstige taken zouden kunnen zijn. Ik heb alleen een persoonlijk pensioenplan en een aandeel in een beleggingsfonds met een open einde. Deze worden allebei beheerd door Mutuactivos, de investeringstak van een verzekeringsmaatschappij. Ik bezit, direct of indirect, geen andere financiële activa.

Ik bezit een huis in het zuiden van Spanje, 50 % van een appartement in Madrid en onroerend goed dat ik van mijn ouders heb geërfd.

Andere persoonlijke informatie die van belang kan zijn voor de positie binnen de ECB, is dat mijn dochter, die 30 jaar oud is, als Junior Risk Analyst voor een Spaanse retailbank werkt. En mijn zoon, die 26 jaar oud is, werkt op de investeringsafdeling van een verzekeringsmaatschappij.

3.  Welke doelstellingen zult u nastreven tijdens uw mandaat als directielid van de Europese Centrale Bank?

Ik zal me houden aan het mandaat dat het Verdrag van de Europese Unie aan de Europese Centrale Bank toeschrijft: het handhaven van prijsstabiliteit in de gehele eurozone en het ondersteunen van het algemene economische beleid binnen de Unie. Mijn bijdrage aan de ECB zal bij het nemen van beslissingen een alomvattende en holistische benadering inhouden, om zo rekening te houden met de effecten van alle op elkaar inwerkende economische beleidsmaatregelen.

Om deze doelen na te streven, zal ik de belangrijkste leidende beginselen van de ECB, onafhankelijkheid en transparantie, nauwlettend in acht nemen, omdat het zonder deze niet mogelijk is een effectief monetair beleid volledig ten uitvoer te brengen.

B. Monetair beleid van de ECB

4.  Hoe moet de ECB haar monetaire beleid in de huidige macro-economische omstandigheden uitvoeren?

Op de eerste plaats is het belangrijk te onthouden dat het mandaat van de ECB ervoor moet zorgen dat de inflatie in de eurozone op de middellange termijn onder, maar dichtbij de 2 % is.

Ondanks het aanhoudende herstel van de economische bedrijvigheid in de hele zone, moet dit zich nog vertalen in een aanhoudende opleving van de inflatievooruitzichten op middellange termijn, die gematigd blijven (de ECB verwacht een gemiddelde, totale inflatie van 1,4 % in 2018 en 1,5 % in 2019). De onderliggende inflatiedruk is nog steeds gematigd, omdat de slapte op de arbeidsmarkt aanzienlijk blijft. De verbeteringen die we op de arbeidsmarkten hebben waargenomen, hebben nog tijd nodig zich te vertalen naar een meer dynamische loongroei. Bovendien zijn de huidige inflatievooruitzichten tot op zekere hoogte nog steeds afhankelijk van de stimulans die door de buitengewone maatregelen van de ECB wordt geboden. Om deze redenen is een voortdurende herbeoordeling van de economische en monetaire omstandigheden van de eurozone en van de effecten van de tot dusver genomen maatregelen gerechtvaardigd. Verwacht wordt dat de ECB haar huidige standpunt in het monetaire beleid zal handhaven, totdat de onderliggende inflatiedruk oploopt en er voldoende tekenen van een aanhoudende aanpassing van de inflatie zijn. Daarom moet de ECB klaarstaan om haar standpunt, waar nodig, aan te passen om haar mandaat te vervullen.

De ECB dient eveneens te waken over eventuele bovenmatige opbouw van financiële risico's in de huidige situatie van zeer lage rentetarieven en soepele monetaire en financiële voorwaarden.

5.  Wat is uw opvatting over de heterogeniteit van monetaire condities en toegang tot krediet in de eurozone en de invloed hiervan op uniform monetair beleid van de ECB?

Elk monetair gebied dat voldoende groot is, is van nature gebonden aan enige mate van heterogeniteit in economische structuren in zijn landen of regio's. De eurozone is daarop geen uitzondering.

De ECB bepaalt haar beleid zodanig dat het geschikt is voor de gehele eurozone. Economische heterogeniteit bemoeilijkt het uitvoeren van monetair beleid. Hoe intenser de structurele en de conjuncturele convergentie, hoe waarschijnlijker het is dat het monetaire beleid voor elke lidstaat geschikt is. Soms is het beleid van de ECB te ruim voor sommige lidstaten en te strak voor andere. Dit was tijdens de aanloop naar de crisis het geval. Scherpe renteverlagingen in sommige landen, na de lancering van de euro, leidden tot niet-duurzame uitbreidingen in verband met toenemende onevenwichtigheden die de crisis later hebben verergerd. Tegen die achtergrond werd divergentie in groei en inflatie aangewakkerd door een monetair beleid dat niet overal geschikt voor was.

Heterogeniteit van monetaire condities hangt van veel factoren af, waarbij de belangrijkste nog steeds de verschillende conjuncturele positie is, vanwege de verschillende invloed van de financiële crisis op elke economie en het verschillende tempo van herstel. Daarnaast hebben ook specifieke structurele factoren invloed.

Tijdens de crisis was een bijkomend probleem het samenspel tussen (a) verschillen tussen landen in termen van begrotingspositie en de gezondheid van nationale bankensectoren en (b) de afwezigheid van een echte fiscale en bankenunie. Dit alles leidde tot een zekere mate van financiële fragmentatie tussen rechtsgebieden die inderdaad de overdracht van het gemeenschappelijke monetaire beleid verzwakte. In dit opzicht hebben enkele buitengewone maatregelen van de ECB in de context van de crisis (zoals het programma voor de effectenmarkten, de rechtstreekse monetaire transacties en de transactieprogramma's voor de herfinanciering op lange termijn) doorslaggevend bijgedragen tot het ongedaan maken van een deel van deze versnippering, die aanzienlijk is afgenomen, zoals weerspiegeld in bijvoorbeeld de geconstateerde convergentie in financieringskosten van banken en andere financiële voorwaarden. Met gevolg dat het monetaire beleid heeft bijgedragen aan het verminderen van de heterogeniteit, waardoor alle economieën de recessie en deflatoire druk achter zich laten. De voortgang naar een bankenunie heeft ook geholpen bij het verkleinen van de band tussen banken en landen.

Op de langere termijn zijn verdere inspanningen vereist om de eurozone dichter bij een optimaal valutagebied te brengen, namelijk het bespoedigen van structurele hervormingen en de opbouw van begrotingsruimte om het vermogen van elke economie te vergroten om zich aan te passen aan asymmetrische schokken en aan de zich ontwikkelende monetaire omstandigheden. Verdere integratie, met name in de financiële sector, zal bijdragen tot het verminderen van de heterogeniteit. In die omstandigheden zullen de economieën meer synchroon lopen en tegelijkertijd beter voorbereid zijn op het omgaan met ongunstige schokken, waardoor de totale last voor het monetaire beleid wordt verminderd.

6.  Wat vindt u van de toename van de omvang van de balans van de ESCB als gevolg van het programma voor de aankoop van activa (Asset Purchase Programme – APP)?

In de context van de financiële en economische crisis heeft de ECB haar belangrijkste nominale rentetarieven teruggebracht tot niveaus dichtbij hun effectieve ondergrens, maar dat was niet voldoende om de inflatie dicht bij haar doel te brengen. Als gevolg hiervan moesten andere, minder conventionele monetairbeleidsmaatregelen worden getroffen.

Een daarvan was het programma voor de aankoop van activa (Asset Purchase Programme – APP), dat werd ontworpen om de balans van het Eurosysteem te vergroten, om de desinflatoire verwachtingen onder de toch al lage rentetarieven tegen te gaan. Het APP was bevorderlijk bij het stabiliseren van de financiële situatie in de eurozone. Het verbeterde via twee kanalen de financiële voorwaarden die relevant zijn voor de reële economie. Ten eerste hebben deze aankopen de prijzen verhoogd en dus het rendement van de gekochte activa verlaagd. Dit heeft ertoe geleid dat beleggers, waaronder banken, naar hoger rendement zochten door bijvoorbeeld meer aan de reële economie te lenen. Ten tweede, voor zover deze aankopen duidden op het streven van de ECB naar een accommoderend monetair beleid, leidde dit ook tot verwachtingen van de voortzetting van de lagere beleidsrentetarieven. Dit vormde een verdere neerwaartse druk op de lange rente die de belangrijkste factor is bij de investeringsbeslissingen van huishoudens en bedrijven.

Een grote balans van het Eurosysteem is gewoon het logische gevolg van dit programma. De balans van de ECB is in het afgelopen decennium ongeveer verviervoudigd.

Aangezien de inflatie zich aanpast aan niveaus die consistent zijn met haar mandaat voor prijsstabiliteit, zal de ECB moeten afwegen hoe groot haar balans in de toekomst moet zijn, hoe snel deze moet convergeren naar de gewenste omvang en optimale samenstelling.

7.  Wat beschouwt u als de juiste tijdshorizon voor het einde van het APP?

Zoals reeds vermeld, werd het APP als reactie op buitengewone omstandigheden geïntroduceerd, maar omdat deze nu gaan afnemen, zou de ECB voornemens moeten zijn geleidelijk terug te keren naar een meer conventioneel beleid. Het is echter moeilijk een​specifiek tijdspad voor het einde van dit programma in te stellen.

De Raad van bestuur van de ECB heeft in zijn mededeling duidelijk gemaakt dat de aankopen van nettoactiva tot het eind van september dit jaar, of indien nodig langer, zullen doorgaan in het huidige tempo van 30 miljard EUR per maand. Het pad van aankopen na die periode is iets wat de ECB te zijner tijd zal moeten beslissen op basis van de heersende vooruitzichten voor inflatie op dat moment en op basis van de beoordeling van de Raad van bestuur inzake het juiste niveau van monetaire stimuli die daarna nodig zijn. Er moet echter worden opgemerkt dat, zodra de nettoaankopen zijn beëindigd, van de ECB wordt verwacht zo lang als nodig is in de aflossingen van vervallende activa te blijven herinvesteren. Verder vooruitkijkend, zou het normalisatieproces van het monetaire beleid moeten worden geleid door de beoordeling van het monetaire beleid die nodig is om aan het prijsstabiliteitsmandaat van de ECB te voldoen.

8.  Hoe garandeert u transparantie met betrekking tot het uitvoeren van het APP?

Transparantie is sinds het begin van het programma voor de aankoop van activa (APP) een grote zorg van de ECB geweest. Externe communicatie is een belangrijke ondersteuning voor een voortdurende soepele uitvoering van de aankopen van activa. Ondanks de gecompliceerde, gedecentraliseerde uitvoering dienen inspanningen om de transparantie te waarborgen een prioriteit te zijn. Transparantie is in feite een wenselijke kwaliteit van het beleid van elke overheid. Naar mijn mening is de ECB zeer transparant geweest met betrekking tot de uitvoering van het APP. De parameters van het programma zijn duidelijk uiteengezet, bijvoorbeeld de eis om de aankopen volgens de kapitaalverdeelsleutel over het rechtsgebied toe te wijzen. Bovendien verstrekt de ECB tijdige en gedetailleerde informatie over verschillende aspecten van het programma (d.w.z. een wekelijkse geconsolideerde financiële balans, een maandelijkse rekening van haar posities in elk van de vier programma's van het APP, maandelijkse en cumulatieve aankopen van de in aanmerking komende activa per land in het overheidsprogramma voor aankopen van activa (Public Sector Purchase Programme – PSPP) etc.).

In het algemeen is dit transparantieniveau op zijn minst vergelijkbaar met dat van andere grote centrale banken, als het gaat om hun grootschalige programma's voor de aankoop van activa. Bovendien treft het huidige regime het juiste evenwicht, zorgt het voor transparantie en maakt het verenigbaar met de vereiste flexibiliteit, nodig bij de uitvoering van dit programma om de effectiviteit daarvan te maximaliseren en marktarbitrage te ontmoedigen. Aankopen hoeven bijvoorbeeld niet op een bepaald moment de kapitaalverdeelsleutels te volgen, maar de totale aandelenportefeuille wordt inderdaad op kapitaalverdeelsleutels gebaseerd.

In ieder geval is externe communicatie over het beleid een essentieel onderdeel van het ontwerp van het instrument. Om deze reden dient elk aspect, over wat er moet worden gepubliceerd en met welke frequentie, te worden besproken en te worden overeengekomen binnen de Raad van bestuur.

9.  Wat zijn de vereiste voorwaarden voor het beheer van een rentestijging zonder verstorende effecten op landen en markten?

Allereerst moet worden benadrukt dat de ECB voor het uitvoeren van haar mandaat volledig onafhankelijk is met betrekking tot het ontwerp en de uitvoering van haar beleid en instrumenten. Zoals al eerder door sommige leden van de Raad van bestuur van de ECB werd benadrukt, zal wanneer het eenmaal start, het normalisatieproces van het monetaire beleid – waaronder de stijging van de rentetarieven – moeten voldoen aan twee uitgangspunten. Allereerst moet het voorspelbaar en transparant zijn om een vlotte communicatie met marktdeelnemers te waarborgen. Ten tweede moet het geleidelijk verlopen en in verhouding staan​tot de heersende inflatievooruitzichten.

Overheden verschillen in principe niet van andere marktdeelnemers. Het is hun plicht zich voor te bereiden en zich aan te passen aan mogelijke veranderingen in het monetaire beleid; het is niet de plicht van de ECB om beleid te maken om het gemakkelijker te maken overheidsschuld af te lossen. Uitgevende instellingen van overheden hebben hun emissiebehoefte verminderd en sinds enkele jaren de gemiddelde levensduur van uitgiften verhoogd, waardoor de veerkracht van hun rentelast in dit scenario zal worden verbeterd. Regeringen moeten ook profiteren van de goede economische tijden om opnieuw begrotingsbuffers op te bouwen en hun economieën voor te bereiden om toekomstige schokken beter te kunnen weerstaan, zoals een stijging van rentetarieven. Uiteindelijk zullen de rentetarieven niet voor altijd zo laag blijven.

Forward guidance (prognoses), zoals die momenteel wordt toegepast in de eurozone, de VS, het VK en Japan, legt een lange weg af om markten voor te bereiden op een stijging van de rentetarieven. De termijnmarkt is vrij liquide, waardoor marktpartijen hun verwachtingen redelijk precies kunnen uitdrukken. Elke stijging zou idealiter geleidelijk moeten verlopen en door de markt voorspeld moeten worden.

Samengevat, de manier waarop beslissingen momenteel worden uitgevoerd en gecommuniceerd, bereidt de markt goed voor op een normalisatie van het monetaire beleid.

10.  Hoe kan volgens u de ECB bijdragen aan economische groei en volledige werkgelegenheid, terwijl zij tegelijk volledig voldoet aan haar primaire doelstelling om de prijsstabiliteit te handhaven? Wat zijn volgens u aanvullende monetaire beleidsmaatregelen die de positieve effecten van het monetaire beleid op de reële economie kunnen verbeteren?

Het is belangrijk te onthouden dat het bereiken van prijsstabiliteit het expliciete mandaat van de ECB is. Het waarborgen van een relatief laag en stabiel inflatieniveau is de beste bijdrage die de monetaire autoriteit kan leveren aan de economische groei. Om een stabiele inflatie te bereiken, is het tegelijkertijd van essentieel belang dat de economische groei niet veel afwijkt van de potentiële koers. Maar nogmaals, dit zou centrale bankiers alleen moeten betreffen als een middel om prijsstabiliteit te bereiken.

Er is overvloedig bewijs dat er op de lange termijn geen compromis bestaat tussen inflatie en groei. Zoals gezegd, prijsstabiliteit is een voorwaarde voor aanhoudende groei. Echter, een dergelijk compromis kan zich op de korte termijn voordoen, met name tijdens recessies. Tegen deze achtergrond richt de ECB zich op prijsstabiliteit en door dit te doen en door gebruik te maken van de beschikbare flexibiliteit – het introduceren van een hele reeks onconventionele beleidsmaatregelen om de recente crisis aan te pakken – heeft de ECB geholpen te voorkomen dat de economie in een deflatie terecht zou komen. Het pakket aan maatregelen dat de ECB sinds 2012 heeft toegepast, lijkt voldoende te zijn geweest om zowel prijsstabiliteit als economisch herstel te ondersteunen. Concreet bewijsmateriaal in dit opzicht was de compressie van de verspreiding van de staatsschulden en de convergentie van de rentetarieven die door kredietinstellingen aan kleine en middelgrote ondernemingen in rekening werden gebracht. Niettemin zou deze convergentie niet mogelijk zijn geweest zonder de verbeteringen in het financiële toezicht, de versterking van de liquiditeits- en kapitaalposities van banken en de structurele hervormingen die de afgelopen jaren in veel landen van de eurozone zijn doorgevoerd. Bovendien is financiële stabiliteit ook een voorwaarde voor een aanhoudende groei. Voor zover het effectieve toezicht van de ECB verdere financiële instabiliteit heeft voorkomen, heeft het ook groei en werkgelegenheid ondersteund. Op deze manier heeft de ECB ook een grote bijdrage aan haar secundaire doelstellingen geleverd.

De beleidsmaatregelen van de ECB die op dit moment van kracht zijn, lijken juist te zijn vanuit het oogpunt van de huidige inflatievooruitzichten en de gewenste koers van het monetaire beleid. Met betrekking tot toekomstige maatregelen zullen deze moeten worden genomen op basis van de heersende inflatievooruitzichten en de algemene economische en financiële omstandigheden van de eurozone.

11.  Wat vindt u van de risico's verbonden aan het aankoopprogramma bedrijfssector (Corporate Sector Purchase Programme – CSPP)? Ziet u binnen de interne markt eventuele verstorende effecten op de mededinging? Hoe denkt u dat mogelijke verstorende effecten van de CSPP kunnen worden geminimaliseerd? Vindt u dat het de doelen van Parijs en de duurzame-ontwikkelingsdoelstelling (Sustainable Development Goal – SDG) moet integreren?

Naar mijn mening is het CSPP vrij succesvol geweest in het verbeteren van de toegang tot financiering door bedrijven, niet alleen rechtstreeks voor de grote bedrijven, waarvan de obligaties doorgaans in aanmerking komen voor aankopen in het kader van de CSPP, maar ook indirect voor alle bedrijven en andere marktsegmenten, met name de kleine en middelgrote ondernemingen (kmo's) die geen toegang hebben tot obligatiemarkten. Gunstige omstandigheden op de obligatiemarkt hebben positieve overloopeffecten voor kmo's, bijvoorbeeld door grote ondernemingen ertoe aan te zetten meer te vertrouwen op financiering via obligaties en zo meer ruimte te laten in de balans van banken om leningen aan kmo's te verstrekken. Het CSPP heeft daarom de effectiviteit van de overdracht van het monetaire beleid via het banksysteem verhoogd door de op de markt gebaseerde financieringskosten van niet-financiële ondernemingen rechtstreeks te verlagen.

Dit gezegd hebbende, zal de ECB waakzaam moeten blijven ten aanzien van een mogelijke toename van onevenwichtigheden en risico's in bepaalde segmenten van de zakelijke schuldmarkt als gevolg van zeer soepele financiële voorwaarden.

Om mogelijke verstorende gevolgen van de CSPP voor de mededinging binnen de interne markt te voorkomen, past de ECB enkele beperkende maatregelen toe op de liquiditeit van de primaire en secundaire markt. Haar deelname aan aankopen op de primaire markt zorgt voor een evenwicht tussen de doelstelling van het programma en de noodzaak te zorgen voor een adequate marktwerking. Evenzo beschouwt de ECB bij het kopen op de secundaire markt de schaarste aan specifieke schuldinstrumenten en algemene marktomstandigheden om de prijzen en liquiditeit niet te verstoren. Bovendien weerspiegelen de aankopen proportioneel alle in aanmerking komende openstaande emissies, waarbij de marktkapitalisatie een afweging biedt voor elk van de verschillende rechtsgebieden van uitgifte.

Wat betreft de doelstellingen van Parijs en duurzame ontwikkeling (SDG), moeten we beginnen te erkennen dat duurzame ontwikkeling en milieubescherming doelstellingen van de EU zijn die in de primaire wetgeving zijn vastgelegd. Derhalve is steun van het Eurosysteem gerechtvaardigd, op voorwaarde dat het op middellange termijn volledig voldoet aan de primaire doelstelling van prijsstabiliteit van de ECB. Op dit gebied is het belangrijk rekening te houden met de lopende werkzaamheden rond duurzame financiering in verschillende Europese en internationale fora. Zo heeft de EU-deskundigengroep op hoog niveau inzake duurzame financiën onlangs een verslag gepubliceerd dat in februari 2017 aan de Raad Ecofin is voorgelegd, met daarin aanbevelingen die de ontwikkeling van een taxonomie en een etiketteringssysteem voor groene obligaties en groene risicoposities inhouden, en in het komende actieplan zal met dit verslag door de Commissie rekening worden gehouden. De G20 ontwikkelt eveneens initiatieven via de Green Finance Study Group (studiegroep voor groene financiën), net als de Raad voor financiële stabiliteit (Financial Stability Board – FSB) via de taskforce voor de openbaarmaking van klimaatgerelateerde financiële informatie (Task Force on Climate-related Financial Disclosures – TCFD), om de openbaarmaking van klimaatgerelateerde risico's te versterken en om een beter inzicht te krijgen of deze risico's beter kunnen worden geïntegreerd in raamwerken voor regelgeving en risicobeheer. Deze initiatieven moeten verder worden ontwikkeld en de steun van de ECB zal daarbij belangrijk zijn. In afwachting van verdere ontwikkelingen kunnen deze initiatieven de ECB middelen verschaffen om bij het doen van aankopen rekening te houden met milieukwesties (bijvoorbeeld rekening houden met de genoemde taxonomie). Niettemin moet de ECB, voordat zij groene factoren in haar monetaire beleidskader opneemt, zorgvuldig alle risico's in termen van financiële stabiliteit aanpakken, die kunnen voortvloeien uit de overweging van criteria die verder gaan dan kredietrisico's en die vanuit prudentieel oogpunt misschien niet zijn gerechtvaardigd.

12.  Hoe beoordeelt u het momenteel toenemende aandeel in het aankoopprogramma bedrijfssector (CSPP) op de primaire markt en tegelijkertijd het huidig dalende aandeel in het overheidsprogramma voor aankopen van activa op de secundaire markt (PSPP)?

Allereerst zijn dit twee programma's die onder verschillende voorwaarden worden uitgevoerd. Hoewel de aankopen via het aankoopprogramma bedrijfssector (Corporate Sector Purchase Programme – CSPP) op zowel de primaire als de secundaire markten worden gedaan, worden PSPP-aankopen alleen op de secundaire markt uitgevoerd, omdat op grond van artikel 123 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie de ECB geen staatsobligaties op primaire markten mag kopen.

Het relatief grote aandeel van de CSPP in de primaire markt is een logisch gevolg van het ontwerp van het programma, omdat de CSPP nieuwe emissies stimuleert. Met het oog op een soepele werking van de markt is het programma ook bedoeld ervoor te zorgen dat het Eurosysteem een relatief klein deel van nieuwe uitgiften verwerft (in het bijzonder niet meer dan 30 % per uitgifte).

Met betrekking tot het PSPP is zijn dalende aandeel in de secundaire marktactiviteit een gevolg van de recente verlaging van de maandelijkse doelstelling voor de netto APP-aankopen, van 60 naar 30 miljard EUR. Het grootste deel van deze reductie heeft zich geconcentreerd op het PSPP-deel van het APP en weerspiegelt de recente evolutie van het relatieve aanbod van overheidsobligaties ten opzichte van andere in aanmerking komende activa.

13.  Wat vindt u van de uitvoering van de noodliquiditeitssteun (Emerging Liquidity Assistance – ELA)? Wat kan er worden verbeterd in het besluitvormingsproces over het verlenen van ELA?

Financiële stabiliteit is een noodzakelijke voorwaarde voor een adequate overdracht van het monetaire beleid. Nationale centrale banken (NCB's) kunnen besluiten noodliquiditeitssteun (ELA) te verstrekken aan solvabele financiële instellingen die tijdelijke liquiditeitsproblemen hebben, buiten de normale transacties van het monetaire beleid van het Eurosysteem.

ELA wordt geleverd onder de verantwoordelijkheid van NCB's, voor hun eigen rekening en risico, en altijd aan solvabele instellingen. NCB's kunnen beslissen aan welke specifieke instelling zij ELA toekennen, welk onderpand zal worden aangevraagd en welke andere risicobeheersingsmaatregelen moeten worden genomen.

De discretionaire bevoegdheid van de NCB's wordt echter door de Raad van bestuur van de ECB beperkt, die ELA-transacties kan verbieden, beperken of bedingen indien hij constateert dat deze de doelstellingen en taken van het Europees Stelsel van centrale banken (ESCB) verstoren. Het toezicht door de Raad van bestuur neemt toe met de gevraagde omvang van de ELA. Het kader voor ELA biedt ook de flexibiliteit om te reageren op specifieke dringende zaken of om mogelijke systeemimplicaties te vermijden: de Raad van bestuur kan besluiten geen bezwaar te maken tegen het aanbieden van ELA aan specifieke banken tot een bepaalde drempelwaarde en binnen een vooraf vastgestelde periode.

ELA-voorzieningen hebben bijgedragen aan het voeren van het monetaire beleid van het Eurosysteem, vooral tijdens de crisis. Dit droeg bij aan de financiële stabiliteit en neutraliseerde de negatieve effecten rond vertrouwen, en ondersteunde derhalve de overdracht van het monetaire beleid binnen het mandaat van de ECB.

De regels zijn in dit opzicht duidelijk. Een kredietinstelling kan toegang hebben tot ELA als zij solvabel is en over voldoende beschikbare middelen beschikt om te garanderen dat het verstrekte geld wordt terugbetaald, zodat de centrale bank, en uiteindelijk de burgers, geen verlies lijden.

Het besluitvormingsproces is transparant. De "ELA-overeenkomst" (overeenkomst inzake noodliquiditeitssteun) werd vorig jaar door de ECB bekendgemaakt. Het bevat alle details van het proces: van de definitie van solvabiliteit van de bank tot de verdeling van de verantwoordelijkheden tussen de nationale centrale bank die de lening verstrekt en de Europese Centrale Bank die er geen bezwaar tegen maakt.

14.  Moeten we ons zorgen maken over de huidige niveaus van TARGET-onevenwichtigheden?

Vandaag de dag vertellen de TARGET2-onevenwichtigheden een heel ander verhaal dan die van 2011 en 2012. Destijds was de continuïteit van de EMU twijfelachtig – ten onrechte, zo bleek. In dat verband werd gevreesd dat landen met tekorten op de lopende rekening zouden devalueren en landen met overschotten op de lopende rekening kregen een aantal herwaarderingskansen toegewezen, dus de rationele reactie van de markt was een kapitaalvlucht, weg uit de zogenaamde periferie, naar Duitsland.

De toename van de TARGET2-saldi sinds eind 2014 verschilt van de vorige periode met stijgende saldi. De uitvoering van het APP vervormt de signalen vanuit de TARGET-onevenwichtigheden en dit kan tot verkeerde interpretaties leiden. Het is bekend dat sommige van deze TARGET-onevenwichtigheden een mechanische oorsprong hebben, gerelateerd aan hoe APP-aankopen worden uitgevoerd. Achter de toename van de crediteurenpositie van de Bundesbank zit enerzijds de status van Frankfurt als een financieel centrum en anderzijds de status van de Bundesbank als TARGET2-tegenpartij voor de meeste internationale banken. Kortom, ik denk dat de huidige TARGET-onevenwichtigheden niet iets zijn waarover we ons zorgen hoeven te maken. Vooruitlopend op dit perspectief is het feit dat de activaprijzen geen enkel probleem weergeven, zoals wel het geval was tijdens de staatsschuldencrisis van 2011‑2012.

In elk geval is het belangrijk dat de ECB nauwlettend blijft toezien op TARGET2-saldi en op een breed scala aan indicatoren die informatie over de niveaus van marktdruk verschaffen, zoals vandaag het geval is.

15.  Welke risico's loopt de monetaire stabiliteit, gerelateerd aan de ontwikkeling van virtuele valuta's, zoals bitcoin? Welke rol dient de ECB bij het aanpakken van virtuele valuta volgens u te spelen?

Laat me beginnen met het verklaren van wat voor de hand ligt: Bitcoin en ander cryptografisch geld kunnen tegenwoordig nauwelijks worden gezien als vervangers van door de centrale bank uitgegeven geld. Zij worden geplaagd door verschillende problemen die meestal zijn gerelateerd aan de vroege stadia van de implementatie van de DLT-technologie (Distributed Ledger Technology, zoals Blockchain). DLT is nog steeds relatief inefficiënt, de transactiesnelheid is beperkt en de constante verfijningen in de technologische configuraties hebben tot nu toe tot bijna negenhonderd verschillende valuta's geleid. Bovendien zijn bitcoin en andere belangrijke zogenaamde altmunten in slechts een paar handen geconcentreerd en dit – samen met de schaarse liquiditeit – zorgt voor een extreem volatiele omgeving die vatbaar is voor perioden met speculatieve bubbels en uitbarstingen. Vandaar dat cryptovaluta's vandaag niet in staat zijn om op een duurzame wijze de essentiële functies van geld (betaalmiddelen, rekeneenheid en opslag van waarde) uit te voeren.

De particulier uitgegeven digitale valuta's kunnen op termijn wel voor uitdagingen voor de centrale banken zorgen. In principe zouden voor een centrale bank de uitdagingen van een digitale valuta in wezen dezelfde zijn als die van een concurrerende vreemde valuta. Voor de wereldeconomie zorgt de concurrentie tussen valuta ervoor dat vraag en aanbod een evenwichtsprijs bepalen, de wisselkoers, die het relatieve nut van de valuta weergeeft.

In grote lijnen zou, als de verspreiding van een of meer particulier uitgegeven digitale valuta's zou groeien tot betekenisvolle niveaus, het monetaire beleid op dezelfde manier worden beïnvloed als bij iedere andere valuta. De Centrale Bank (en toezichthouders en toezichthoudende instanties) zouden dan de wisselkoersen, de betalingssystemen van dergelijke valuta's, de financiële markten van activa in de nieuwe valuta's en de verbindingen tussen markten en marktdeelnemers en het traditionele financiële stelsel moeten controleren. Dit toezicht zou noodzakelijk zijn om de doeltreffendheid van monetaire impulsen en de integriteit van betalingssystemen en financiële markten te waarborgen, de financiële stabiliteit te bewaren en het systeem tegen schokken te behoeden. Bovendien moeten nieuwe digitale valutamarkten en betalingen worden onderworpen aan alle regelgeving rond witwassen (Anti-Money Laundering Directive/Counter Terrorist Financing – AML/CTF) en de bescherming van beleggers.

Tot nu toe vormen cryptoactiva geen ernstig risico voor de financiële stabiliteit, zoals door de FSB werd benadrukt, gezien hun beperkte omvang en hun onderlinge verbondenheid. In de toekomst kunnen cryptoactiva de financiële stabiliteit beïnvloeden als zij hun volume vergroten en onderling met de financiële sector zijn verbonden.

Uiteindelijk zouden de centrale banken de DLT-technologie die bitcoin ondersteunt, kunnen gebruiken om een soevereine digitale valuta uit te geven. Digitaal basisgeld (Digital Base Money) kan centrale banken helpen de controle over de monetaire mechanismen te behouden, maar kan belangrijke gevolgen hebben voor fragmentarisch bankieren dat verder moet worden bestudeerd.

Het reguleren van digitale valuta's is wereldwijd de verantwoordelijkheid van financiële toezichthouders. Los van deze overwegingen voor de lange termijn met betrekking tot het monetair beleid, moet de ECB de ontwikkelingen volgen rond cryptovaluta's en de koppeling tussen het traditionele financiële stelsel en die markten. Er is geen noodzaak voor de ECB in te grijpen zolang de marktvolumes relatief klein blijven en financiële instellingen wegblijven van deze risicovolle activa, maar zij moet wel alert zijn met betrekking tot de potentiële invloed op de financiële stabiliteit en alle belanghebbenden waarschuwen voor de risico's.

16.  Hoe beoordeelt u de interacties tussen betalingssystemen en monetair beleid? Wat zou de rol van de ECB als centrale bank van uitgifte moeten zijn bij het toezicht op centrale tegenpartijen (CTP's)?

Betalingssystemen zijn essentieel voor de uitvoering van monetair beleid. De centrale bank is afhankelijk van een veilig en efficiënt betalingssysteem dat een voorwaarde is voor een soepele overdracht van monetair beleid en voor het behoud van financiële stabiliteit. Daarom is een van de basistaken van het Eurosysteem het bevorderen van de soepele werking van betalingssystemen (artikel 127.2 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie), en het toezicht van de ECB is gericht op het waarborgen van het overdrachtskanaal voor monetair beleid. Als geldmiddelen niet soepel tussen marktdeelnemers stromen, kan een wanordelijk gedrag van rentetarieven ontstaan en dit kan uiteindelijk de totstandkoming daarvan beïnvloeden. In dit opzicht verslechtert het monetaire beleid wanneer het betalingssysteem niet voldoende functioneert. Bovendien heeft de opzet van het TARGET-betalingssysteem door het Eurosysteem gezorgd voor een EU-breed betalingssysteem dat voor de afwikkeling van transacties van de centrale bank wordt gebruikt. TARGET is een essentieel instrument geworden voor de tenuitvoerlegging van het monetaire beleid voor het Eurosysteem en heeft bijgedragen aan de totstandbrenging van één enkele geldmarkt binnen de eurozone.

Met betrekking tot de rol van de ECB als centrale bank van uitgifte betreffende het toezicht op de CTP's, wordt verwacht dat de lopende evaluatie van de verordening Europese marktinfrastructuur (EMIR) zal ingaan op de noodzaak voor de ECB over voldoende bevoegdheden te beschikken, waarmee wordt gezorgd voor een adequate bewaking van potentiële risico's die voortvloeien uit CTP's voor de uitvoering van monetair beleid en de werking van betalingssystemen. Het voorstel houdt onder meer de versterking in van de rol in die de centrale banken van de EU in het regelgevingskader spelen. Deze versterking is allereerst noodzakelijk vanwege de aanhoudende groei van centrale verrekening en financiële risicoconcentratie in CTP's, waardoor de potentiële verstorende effecten toenemen die CTP's op de uitvoering van het monetaire beleid kunnen hebben. Ten tweede impliceert het vertrek van het VK uit de EU dat in de toekomst een zeer groot deel van de verrekeningsactiviteiten in euro's van buiten de EU kan worden uitgevoerd.

17.  Wat zijn door de brexit de risico's voor financiële stabiliteit?

De impact van de brexit hangt af van de kenmerken van de toekomstige relatie tussen het VK en de EU. Omdat we geen duidelijkheid hebben over de uiteindelijke uitkomst van de onderhandelingen, moeten we ons voorbereiden op alle mogelijke situaties, inclusief een worstcasescenario. Een overgangsregeling die in overeenstemming is met de richtlijnen van de Europese Raad van december kan deze overgang uiteraard versoepelen. Er is echter nog steeds onzekerheid over dit hele proces.

Vanuit het oogpunt van de Europese markt van financiële diensten zijn er verschillende gevolgen als het volume van de handel in Londen zou worden versnipperd en op een of meerdere Europese of internationale markten zou worden uitgevoerd:

Fragmentatie brengt tijdelijke structurele kosten voor de kapitaalmarkt in de EU met zich mee, als gevolg van het verlies van schaal- en netwerkvoordelen, verminderde liquiditeit en diepte van markten. Echter, op de langere termijn zouden dergelijke kosten afnemen, naarmate markten die de "City" vervangen, zich verdiepen.

De sterke grensoverschrijdende koppelingen tussen het VK en de EU inzake het verlenen van financiële diensten, brengen mee dat een extreme wanordelijke brexit aanzienlijke financiële stabiliteitsrisico's kan opleveren. Een aandachtspunt is dat van OTC-derivaten (over-the-counter – buiten beurs) en verzekeringscontracten. Met name wat CTP's betreft, levert de overgang onzekerheid op, omdat niet kan worden aangenomen dat de leden van de nieuwe verrekeningskamers hun vraag en aanbod zonder onderbreking in evenwicht kunnen houden. De transactieaantallen en de nieuwe transacties op de euromarkten moeten worden uitgevoerd of gemigreerd naar CTP's die door de EU zijn geautoriseerd of erkend, ter vervanging van de voorafgaande. Dit is een complex proces dat tijd kost. Meer in het algemeen zijn er ook zorgen over de overgang naar nieuwe regels en wettelijke regelingen.

Echter, verschillende maatregelen kunnen deze onzekerheid rond de overgang verzachten: vroege aankondigingen over het toekomstige raamwerk, voorlopige machtigingen, grootvaderclausules en/of tijd voor de vernieuwing van alle contracten zijn allemaal stappen die kunnen bijdragen aan een ordelijke overgang.

Veel hangt af van de strategische beslissingen van de banken die het meest op deze markten opereren. Het is van essentieel belang dat de betrokken entiteiten zich op tijd voorbereiden op het omgaan met fricties tijdens de transitie en zich aan mogelijke toekomstige scenario's aanpassen.

Zowel de ECB als de NCB's moeten zich klaarmaken voor de overgang en de verplaatsing van financiële entiteiten uit het VK. Duidelijke criteria voor de behandeling van deze entiteiten zijn gerechtvaardigd (d.w.z. bekrachtiging van de interne modellen die zij in het VK gebruikten) en toezicht moeten ervoor zorgen dat deze verhuisde entiteiten niet slechts lege hulzen zijn die al hun activiteiten en middelen in het VK behouden.

Als we goede voorbereidingen voor de overgang treffen, hoeven we geen significante gevolgen voor de lange termijn te verwachten voor de financiële stabiliteit en de economie van de eurozone.

18.  Hoe kan het kader voor het economisch bestuur en met name de uitvoering ervan worden verbeterd?

In een monetaire unie geven lidstaten belangrijke stabilisatie-instrumenten op. Dit moet worden gecompenseerd door andere mechanismen te versterken om schokken te voorkomen en te kunnen absorberen.

•  Op de eerste plaats verdelen financiële markten in een monetaire unie hun risico's opnieuw en vergroten zij de risicodeling in de private sector. De voltooiing van de unie voor banken en kapitaalmarkten heeft tot doel geïntegreerde financiële markten te creëren die zorgen voor een efficiënte toewijzing van middelen in de hele EMU. Deze moeten met voorrang worden afgerond.

•  Op de tweede plaats is het van essentieel belang de veerkracht van individuele economieën te vergroten en te voorkomen dat verschillen in concurrentievermogen tussen leden van de EMU tot onhoudbare onevenwichtigheden leiden. Dit vraagt om een sterk en goed functionerend raamwerk voor economisch bestuur, dat zorgt voor financiële stabiliteit. Structurele hervormingen zijn belangrijk om de convergentie binnen de EU te waarborgen, maar zij zijn nog belangrijker voor landen die een munteenheid delen en voor de goede werking van de Economische en Monetaire Unie.

•  Het is nodig dat lidstaten zich ervan bewust zijn dat het deel uitmaken van een monetaire unie een sterkere coördinatie van het economische beleid vereist, dat in overeenstemming is met het dieper liggende integratieniveau.

De crisis heeft aangetoond dat door de ECB gerealiseerde prijsstabiliteit samen met door het stabiliteits- en groeipact (SGP) gecoördineerde overheidsfinanciën ontoereikend waren om de financiële stabiliteit in de eurozone te waarborgen. De opbouw van onevenwichtigheden kan de financiële stabiliteit in gevaar brengen en de transmissiemechanismen van het monetaire beleid verzwakken. Daarom werden er substantiële hervormingen doorgevoerd in het economische bestuur van de eurozone: naast de versterking van het stabiliteits- en groeipact (SGP) en een grotere coördinatie van begrotingen, werd een kader voor het toezicht op en de correctie van macro-economische onevenwichtigheden ingevoerd. De procedure voor macro-economische onevenwichtigheden (MIP) is bedoeld om de opbouw van onevenwichtigheden te controleren en, indien nodig, corrigerende maatregelen te nemen. Bovendien verplicht het Europees Semester de lidstaten de nodige maatregelen te nemen om hun belangrijkste uitdagingen aan te gaan, en streeft het naar coördinatie van de uitvoering van structurele hervormingen.

Dit waren allemaal noodzakelijke en nuttige hervormingen inzake het economisch bestuur, maar er moet nog meer worden gedaan.

•  In het begrotingsbeleid pleit men meer en meer voor een vereenvoudiging van de begrotingsregels om te zorgen voor meer eigen verantwoordelijkheid en voor een transparante en consistente invoering van de afgesproken regels. Wat belangrijk is, is dat het stabiliteits- en groeipact ervoor zorgt dat lidstaten in goede tijden begrotingsbuffers opbouwen. Daarom dienen de overeengekomen begrotingsregels resoluut te worden afgedwongen, omdat de lidstaten anders kwetsbaar zullen blijven voor de volgende crisis, gelet op de hedendaags beperkte beschikbare begrotingsruimte.

•  Bovendien is er ruimte om de MIP te verbeteren, zodat het een echt vroegtijdig waarschuwingsmiddel wordt voor onevenwichtigheden die corrigerende maatregelen teweegbrengen.

•  De uitvoering van structurele hervormingen dient ook te worden verbeterd. De lidstaten moeten de volledige verantwoordelijkheid nemen voor de hervormingen die nodig zijn om hun onevenwichtigheden aan te pakken en dienen hun individuele verantwoordelijkheden te nemen.

•  De lidstaten moeten hun beloften nakomen, terwijl het Europees Semester hen moet voorzien van een kader voor een passende coördinatie en opeenvolging van structurele hervormingen om een mogelijke overloop te internaliseren. In dit verband kan de veerkracht van de monetaire unie worden versterkt door te zorgen voor consistentie tussen individuele en aan de eurozone gerelateerde aanbevelingen.

Structurele hervormingen zijn van essentieel belang om de veerkracht van de monetaire unie te vergroten en op de lange termijn een hoog niveau van aanhoudende groei en werkgelegenheid te kunnen handhaven. Zij ontsluiten potentiële groei en creëren door knelpunten voor investeringen aan te pakken, een omgeving die investeringen bevordert. Bovendien vormen structurele hervormingen in een monetaire unie het belangrijkste middel voor het verminderen van risico's en helpen zij het noodzakelijke, politieke vertrouwen op te bouwen om verdere vooruitgang te boeken bij andere hervormingen die nodig zijn voor de versterking van de EMU.

Al deze maatregelen dragen ertoe bij dat de individuele economieën en de eurozone als geheel, beter bestand tegen negatieve schokken zullen zijn. Echter, zelfs de meest flexibele en efficiënte markten hebben niet het vermogen zeer grote schokken volledig te absorberen. De eurozone heeft een passend vangnet nodig en dit is precies wat de huidige discussie over de versterking van het ESM beoogt te bereiken (zie vraag met betrekking tot het ESM).

Met een perspectief op langere termijn zou de eurozone kunnen profiteren van een betere coördinatie van het begrotingsbeleid en van het vermogen een passende beleidsmix in de eurozone ten uitvoer te brengen. In dit opzicht zou een stabilisatie-instrument voor de begroting nuttig kunnen zijn om grote schokken op te vangen zonder voor de stabilisatie te veel op de ECB te hoeven te vertrouwen. Het ontwerp zou moeten inspelen op zorgen omtrent morele risico's, door de toegang tot deze capaciteit afhankelijk te stellen van het nakomen van structurele hervormingsverplichtingen. Het naleven van begrotingsregels kan een juiste prikkel zijn voor een gezond economisch beleid.

Tijdens de Eurotop van december 2017 hebben de staatshoofden en regeringsleiders besloten prioriteit te geven aan discussies over de bankenunie en de toekomst van het ESM, met het oog op het nemen van de eerste reeks besluiten in juni. Tegelijkertijd is de verwachting dat besprekingen over andere kwesties met een perspectief op langere termijn worden voortgezet. Nu de economische vooruitzichten zijn verbeterd, is het tijd na te denken over het economische beleid van de EMU om te zorgen voor veerkracht in de aanloop naar komende crises.

19.  Wat vindt u van de voortdurende discussie over de aanhoudend hoge niveaus van overheidsschulden in de eurozone?

De crisis heeft geleid tot een aanzienlijke verslechtering van de overheidsfinanciën in de EU en in de eurozone, omdat overheden de toename van tekorten hebben toegestaan om de economie te ondersteunen, maar ook omdat impliciete verplichtingen van de bankensector van een aantal lidstaten op de balans van de overheidssector tot uitdrukking zijn gekomen. In enkele landen hebben beleggers hun bezorgdheid geuit over de houdbaarheid van de overheidsschuld en als gevolg daarvan zijn de financiële markten in de eurozone volgens nationale lijnen gefragmenteerd.

Er zijn maatregelen genomen om dit opnieuw te voorkomen – waaronder de oprichting van de bankenunie (zoals hierboven besproken) en ingrijpende hervormingen voor de verbetering van de begrotingsdiscipline – en om de coördinatie van het economisch beleid te verbeteren. Het resultaat van deze inspanningen is dat de EU een van de regio's is waarin ondanks een kwetsbaar herstel de meeste begrotingsconsolidatie is bereikt en de lidstaten met succes de procedure bij buitensporige tekorten (BTP) hebben afgesloten. In de volgende jaren zullen alle lidstaten naar verwachting onder de preventieve arm van het stabiliteits- en groeipact staan. Door de consolidatie-inspanningen heeft de verhouding tussen staatsschuld en bbp in de eurozone duidelijk een neerwaartse trend ingezet.

Deze positieve, geaggregeerde trend verbergt echter belangrijke verschillen tussen de lidstaten. In dit opzicht is het van het grootste belang de huidige, positieve economische ontwikkeling te gebruiken voor het opbouwen van begrotingsbuffers. Dit is vooral het geval voor lidstaten met een hoge schuldenlast, die een passend consolidatietraject moeten aanhouden, overeenkomstig met hun conjuncturele situatie. Het begrotingsbeleid moet inderdaad in goede tijden voldoende begrotingsruimte creëren om nadelige schokken tegen te kunnen gaan wanneer deze zich voordoen. Anders blijft de eurozone kwetsbaar voor toekomstige teruggang. Dit betekent dat lidstaten hun verantwoordelijkheden in het kader van het stabiliteits- en groeipact moeten nakomen.

Dit betekent niet dat er op middellange termijn geen ruimte bestaat om het begrotingskader in de eurozone te verbeteren. Er zijn steeds meer geluiden voor de vereenvoudiging van de begrotingsregels en om aanbevelingen voor het begrotingsbeleid te baseren op waarneembare indicatoren die onder controle van de overheid staan en die een gezamenlijk begrip van de conjunctuur weergeven. Dit zou de betrokkenheid bij begrotingsregels vergroten en de consistente handhaving ervan vergemakkelijken.

Tot slot mogen we niet vergeten dat groei nog steeds essentieel is voor de duurzaamheid van de overheidsfinanciën. In dit verband zullen structurele hervormingen, die potentiële groei ontsluiten en het concurrentievermogen van de economieën in de eurozone vergroten, bijdragen aan het beheer van de huidige schuldenlast die na de crisis is opgebouwd, door duurzame groei en werkgelegenheid voor de lange termijn tot stand te brengen.

20.  Hoe beoordeelt u de recente ontwikkeling van de wisselkoers tussen de US-dollar en de euro?

Hoewel de wisselkoers op zich geen deel uitmaakt van het mandaat van de EBC (dat gericht is op het stabiliseren van de prijsinflatie van consumenten), is het absoluut een van de financiële tarieven die de ECB nauwlettend volgt bij haar beoordeling van de macro-economische vooruitzichten, die op hun beurt weer belangrijke gegevens voor monetaire-beleidsbeslissingen zijn.

De recente waardering van de euro (18 % tijdens het afgelopen jaar) is niet ongebruikelijk volgens historische normen: er zijn sinds het ontstaan van de eenheidsmunt verschillende perioden van vergelijkbare of zelfs scherpere winsten geweest. De waardering van de euro hangt samen met een herbeoordeling door marktdeelnemers van de vooruitzichten van het monetaire beleid, in het licht van de positieve macro-economische ontwikkelingen in de eurozone, net als de verwachte afbouw van activa-aankopen door de ECB. Deze recente waardering van de nominale effectieve wisselkoers van de eurozone weerspiegelt in grote mate positieve ontwikkelingen, zoals een verbetering van de economische vooruitzichten en een groeiend marktvertrouwen tegen de achtergrond van een overschot op de lopende rekening, en daarom wordt deze beweging toegekend aan de basis die zich blijft verbeteren. Het is duidelijk dat deze waardering naar verwachting een beperkend effect op de export en de inflatie zal hebben. Als deze stijgende trend echter aanhoudt of te scherp wordt, kan deze een beperkend effect op de groei en inflatie hebben, waardoor het voor de ECB moeilijker wordt haar inflatiedoelstelling te bereiken. In elk geval dient de ECB waakzaam te blijven ten aanzien van de ontwikkeling van de wisselkoersen en voortdurend te beoordelen welke uitdagingen zij kunnen opleveren voor de prijsstabiliteit.

21.  Hoe beoordeelt u de resultaten van de G20? Wat vindt u van het huidige niveau van coördinatie tussen de belangrijkste centrale banken?

De G20 heeft bewezen een belangrijke factor te zijn in het verbeteren van de internationale economische samenwerking en in het bevorderen van een open en geïntegreerde wereldeconomie. Er zijn twee gebieden waarop de G20 bijzonder effectief is geweest. Enerzijds heeft de G20 de veerkracht van het wereldwijde financiële stelsel versterkt door de Raad voor financiële stabiliteit (Financial Stability Board – FSB) de opdracht te geven een alomvattend hervormingspakket te ontwikkelen, met name om morele risico's van mondiale, systeemrelevante instellingen aan te pakken. Aan de andere kant, en met medewerking van de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling (OESO), heeft de G20 een belangrijke rol gespeeld bij de bestrijding van belastingontduiking en het witwassen van geld door maatregelen te treffen die gericht zijn op de aanpak van de uitholling van de belastinggrondslag en winstverschuiving, en die de automatische uitwisseling van fiscale informatie bevorderen. Op dit moment staat de G20 voor nieuwe uitdagingen, zoals het aanpakken van financiële innovatie in zowel het financiële stelsel (financiële technologie – fintech) als belastingen, wat aantoont dat de G20 nog steeds zeer relevant is in termen van wereldwijde coördinatie.

Centrale banken kunnen een bijdrage leveren aan de wisselkoersstabiliteit door hun monetaire beleid van tevoren zorgvuldig te communiceren, zoals de afgelopen jaren is verbeterd door forward guidance. In die zin is het zeer positief dat de communiqués van het Internationaal Monetair en Financieel Comité (IMFC), G7 en G20 de nadelige gevolgen weerspiegelen die buitensporige volatiliteit en wanordelijke schommelingen in de wisselkoersen kunnen hebben voor de economische en financiële stabiliteit en voor de verbintenis van de autoriteiten van landen om zich te onthouden van concurrerende devaluaties en van aanvallen op wisselkoersen voor concurrentiedoeleinden. De ECB moet voortdurend met de centrale banken van andere valuta's in contact blijven. Er is echter beperkte ruimte om wereldwijd deel te nemen aan een verdergaande coördinatie van het monetaire beleid, omdat centrale banken binnenlandse mandaten hebben. Dit gezegd hebbende, denk ik dat we de afgelopen jaren getuige zijn geweest van een redelijk bevredigende mate van samenwerking tussen de grote centrale banken in vergevorderde economieën, zoals dat bijvoorbeeld tot uiting komt in hun soepele communicatie over wisselkoersen, hun pro-mondiale stabiliteitsstandpunt en hun aanbod van liquiditeit in vreemde valuta. Ik denk dat deze coördinatie welkom is en in de toekomst verder moet worden versterkt.

C. Financiële stabiliteit en toezicht

22.  Hoe kunnen we de erfenis van de crisis van hoge uitstaande bedragen aan niet-renderende leningen alsmede risico's in de stroom van niet-renderende leningen aanpakken?

Hoewel geconcentreerd bij specifieke banken, zijn niet-renderende leningen (non-performing loans – NPL's) waarschijnlijk de grootste uitdaging waarmee het financiële systeem van de eurozone momenteel wordt geconfronteerd, omdat zij het vertrouwen in Europese banken aantasten. NPL's wegen niet alleen mee op de balansen van banken omdat ze hun potentiële winstgevendheid belemmeren, maar ook omdat ze hun vermogen beperken om leningen te verstrekken. Volgens de Europese Bankautoriteit (EBA) zijn de NPL's sinds 2014 afgenomen, maar zowel de ratio als het uitstaande bedrag blijven hoog (circa 800 miljard EUR).

De drie meest relevante zaken waarmee rekening moet worden gehouden bij het afhandelen van NPL's, zijn transparantie, juiste waardering en adequate maatregelen. In die zin gaan de onlangs door de ECB en de Commissie voorgestelde maatregelen in de goede richting.

Er is behoefte aan een stapsgewijze aanpak, een combinatie van voortdurende druk van toezichthouders (bijvoorbeeld het GTM), het vergroten van voorzieningen en het verkopen van niet-renderende activa, samen met verbeteringen in de regelgeving in sommige landen, zodat het terugnemen van zekerheden gemakkelijker en de verkoop van niet-renderende leningen en afgeschermde activa effectiever is. Bij de snelheid van het proces moet mogelijk ook gedacht worden aan de kapitaalniveaus van de banken en aan hun vermogen om geld op de markten aan te trekken.

De aanpak van NPL's vereist een holistische aanpak, zoals uiteengezet in de conclusies van de Raad Economische en Financiële Zaken (Ecofin) van juli 2017 over een actieplan om NPL's in Europa aan te pakken. Dit omvat een breed scala aan maatregelen, van bedrijfseconomische vangnetten tot insolventiekaders of de ontwikkeling van secundaire markten.

23.  Hoe beoordeelt u het hoge niveau van niveau 2- en niveau 3-activa in veel bankbalansen? Wordt er met deze activa op de juiste wijze rekening gehouden door het huidige toezichtkader?

De sleutel voor adequaat beheer en toezicht van een bank zit in het hebben van goede informatie over de werkelijke waarde van zijn activa. Hoe hoger in dit opzicht het gebrek aan nauwkeurigheid, hoe gecompliceerder en minder betrouwbaar elk oordeel over de solvabiliteit is.

Activa van niveau 2 en niveau 3 die geen reguliere marktprijzen hebben en waarvan de waarde moet worden geschat op basis van andere benchmarks of complexe mathematische modellen, dagen aldus het werk uit van accountants, toezichthouders en bankmanagers.

Dat is precies de reden waarom het door de FSB vastgestelde kader om te bepalen welke banken als systeemrelevante banken worden beschouwd (Global Systemically Important Banks – G-SIB's), rekening houdt met het volume van dit soort activa als een van de belangrijkste elementen om de mate van complexiteit van een bank te specificeren. Op basis van deze classificatie worden G-SIB's aan strengere solvabiliteits- en afwikkelingsvereisten onderworpen.

In elk geval lijkt er een twijfelachtige tendens te zijn om deze activa automatisch te stigmatiseren en hen als "probleemactiva" te beschouwen, zoals NPL's, voorgenomen leningen of afgeschermde activa.

Niettemin moeten deze activa door toezichthouders op de juiste manier worden behandeld. Allereerst moeten we er zeker van zijn dat activa van niveau 2 en niveau 3 correct op de balansen van banken worden geïdentificeerd en geclassificeerd. Ten tweede moet de juiste waardering van beide soorten activa door toezichthouders worden bewaakt. Dit is vooral voor grote en complexe banken het geval. Net als bij de aanpak van NPL's moeten banktoezichthouders ervoor zorgen dat banken de activa correct waarderen of anders zo snel mogelijk de onderwaardering in de winst-en-verliesrekening weergeven.

24.  Wat is uw standpunt over de regulering van het schaduwbankstelsel?

Niet-bancaire financiering voorziet in een alternatief voor bankfinanciering en helpt de reële economie te ondersteunen. Een schaduwbankstelsel is een bron voor de diversificatie van de kredietverlening, maar kan ook een bron van systeemrisico worden, direct of indirect door zijn verwevenheid met banken. Dan is het belangrijk deze risico's aan te pakken en de juiste beleidsmaatregelen te identificeren om deze risico's te vermijden en de transparantie van de schaduwbankentiteiten te garanderen. Hoe transparanter deze risico's zijn, hoe nauwkeuriger hun beprijzing zal zijn.

In die zin is er veel vooruitgang geboekt. Sinds het begin in 2009 werkt de FSB aan de transformatie van het schaduwbankieren naar veerkrachtige, op de markt gebaseerde financiering. Daarnaast heeft de Europese Commissie in 2013 een mededeling gepubliceerd met een aantal prioriteiten, zoals transparantie van het schaduwbankwezen en een kader voor geldmarktfondsen (money market funds – MMF's). Geldmarktfondsen (MMF's) verstrekken financiering op korte termijn aan financiële instellingen, ondernemingen en overheden. Op 20 juli 2017 trad de Verordening (EU) 2017/1131 van het Europees Parlement en van de Raad van 14 juni 2017 inzake geldmarktfondsen in werking met een aantal maatregelen die zijn gericht op het verminderen van de kwetsbaarheid voor runs van deze fondsen.

Hoe dan ook, gelet op de relevantie van schaduwbankieren voor de macrofinanciële stabiliteit, moet het nauwlettend worden gevolgd.

25.  Denkt u dat, gelet op de zaken Banco Popular, Banca Populare di Vicenza en Veneto Banca, het afwikkelingskader efficiënt werkt?

Recente zaken hebben aangetoond dat het Europees afwikkelingskader, dat in 2014 werd opgericht door de goedkeuring van de richtlijn herstel en afwikkeling van banken (Bank Recovery and Resolution Directive – BRRD) en de verordening inzake het gemeenschappelijk afwikkelingsmechanisme (GAM), bewezen heeft efficiënt te werken.

Een mooi voorbeeld hiervan is de recente afwikkeling van Banco Popular, afgelopen juni. Op 6 juni 2017 slaagde de Gemeenschappelijke Afwikkelingsraad (GAR) erin – na de vaststelling door de ECB dat de op vijf na grootste bank in Spanje failliet ging of waarschijnlijk failliet zou gaan – een afwikkelingsregeling door te voeren (goedgekeurd door de Europese Commissie en uitgevoerd door het FROB, de Spaanse uitvoerende afwikkelingsautoriteit) en voerde de verkoop van de groep uit aan een levensvatbare koper. Daarbij is het zijn mandaat nagekomen om de financiële stabiliteit te beschermen, kritieke functies te waarborgen en het gebruik van belastinggeld te vermijden. Op de ochtend van 7 juni openden de kantoren van Banco Popular hun deuren voor de normale gang van zaken zonder dat een cent van het openbare geld werd uitgegeven en zonder gevolgen voor de financiële markten en het grote publiek, ondanks het gebruik door de afwikkelingsautoriteit van zijn bijzondere bevoegdheden om aandelen, AT1- en T2-instrumenten af te waarderen en te converteren.

Deze eerste ervaring met een afwikkeling in het kader van de bankenunie werd door andere zaken in Italië gevolgd, waarbij autoriteiten in heel Europa ook hebben gewerkt aan en nauw hebben samengewerkt bij de toepassing van EU-regelgeving.

Op 23 juni 2017 verklaarde de ECB dat de Banca Popolare di Vicenza en de Veneto Banca failliet gingen of waarschijnlijk failliet zouden gaan, en besloot de SRB dat een afwikkelingsactie in het algemeen belang van deze banken niet was gerechtvaardigd. Als gevolg hiervan werden deze banken ontbonden volgens een Italiaanse insolventieprocedure.

Ten slotte kunnen ook de meest recente zaken van de Letse Bank ABLV en haar dochteronderneming in Luxemburg worden genoemd. Zij zijn op 23 februari failliet of waarschijnlijk failliet verklaard en zullen volgens de nationale wetgeving worden geliquideerd.

Ondanks de enorme vooruitgang die is geboekt bij de oprichting van de bankenunie, kunnen er lessen uit deze zaken worden getrokken. Ten eerste kunnen de insolventiekaders verder worden geharmoniseerd, omdat zij het alternatief zijn voor afwikkeling, die daarentegen wordt uitgevoerd in het kader van een gemeenschappelijk EU-kader. Ten tweede is het ook nodig het afwikkelingskader te versterken om liquiditeitsgestuurde crisis aan te pakken, idealiter door middel van instrumenten en procedures die eenvoudig, snel en voldoende geloofwaardig moeten zijn. De ondersteuning van het proces voor afwikkelingsplanning moet ook worden voortgezet, niet in het minst door de bepaling en bewaking van het minimumvereiste voor eigen vermogen en in aanmerking komende passiva (MREL) voor alle entiteiten (waarbij altijd rekening wordt gehouden met de specifieke omstandigheden van elke groep), het ontwerp van afwikkelingsstrategieën of een grotere nadruk op het verzamelen van tijdige en bijgewerkte informatie. De lopende hervorming van de BRRD biedt een goede kans om bepaalde sleutelelementen in het huidige systeem op te nemen en uiteindelijk het Europese afwikkelingskader nog sterker en robuuster te maken.

25.  Wat vindt u van de mogelijke stappen in de richting van de voltooiing van de bankenunie met een Europees depositogarantiestelsel en een budgettair vangnet, inclusief de noodzakelijke invoering van de bestaande wetgeving van de bankenunie en de lopende werkzaamheden met betrekking tot risicodeling en risicovermindering?

Het voltooien van de bankenunie is, samen met de kapitaalmarktenunie (KMU), een prioriteit voor de Economische en Monetaire Unie (EMU). Bij het ontbreken van deling van begrotingsrisico's, wordt de financiële unie des te belangrijker om schokken op te vangen. Bovendien zal het realiseren van een gelijk speelveld voor banken in de bankenunie bijdragen tot financiële stabiliteit en een soepele overdracht van het monetaire beleid.

Zoals hierboven vermeld, zijn sinds de crisis reeds aanzienlijke hervormingen doorgevoerd met een grondige herziening van de regelgeving voor banken en met de opzet van het gemeenschappelijk toezichtsmechanisme (GTM) en het GAM. Als gevolg hiervan zijn banken vandaag beter gekapitaliseerd en zijn substantieel veerkrachtiger, met verbeterde solvabiliteits-, liquiditeits- en hefboomratio's.

In juni 2016 heeft de Raad van de EU overeenstemming bereikt over een routekaart voor de voltooiing van de bankenunie. Deze routekaart bestaat uit maatregelen om risico's in de bankensector te verminderen en te delen. Er wordt momenteel gewerkt aan een onderzoek naar de meest geschikte invoering voor deze maatregelen en hoe deze routekaart operationeel te maken, zoals is gevraagd door de Eurotop in 2017. De lidstaten moeten beslissen in welke mate de maatregelen voor risicovermindering en risicodeling parallel moeten lopen of in welke volgorde moeten worden ingevoerd.

Er is aanzienlijke vooruitgang geboekt met de maatregelen voor risicovermindering die in de routekaart worden voorgesteld met de wetgevingsvoorstellen van de Commissie van november 2016, waarvan twee onderdelen (crediteurenhiërarchie en de internationale standaard voor financiële verslaglegging (IFRS 9)) al zijn versneld. Onderhandelingen over de andere onderdelen van dit pakket gaan door. Niet-rendabele leningen (NPL's) blijven de grootste uitdaging in de EU-bankensector. We moeten omgegaan met de erfenissen van de crisis en de toekomstige opbouw van NPL's moet worden voorkomen.

De beoordeling door de Europese Commissie, gedeeld door andere instellingen, is dat de risico's in de bankensector aanzienlijk zijn verminderd en dat het tijd is vooruitgang te boeken bij het realiseren van de twee ontbrekende elementen van de bankenunie: het Europese depositoverzekeringsstelsel (European deposit insurance scheme – EDIS) en het algemene vangnet voor het gemeenschappelijke afwikkelingsfonds (GAF).

EDIS is de derde pijler van de bankenunie en als zodanig de grootste kloof in haar architectuur. Een volwaardig depositoverzekeringssysteem kan zorgen voor een gelijk speelveld in de bankenunie en een grotere financiële integratie bevorderen. Nu het toezicht op en de afwikkeling van banken zijn gecentraliseerd, zou het de verantwoordelijkheid en aansprakelijkheid in de bankenunie evenwichtig maken, als de depositohouders, ongeacht hun locatie, gelijke garantie zouden krijgen. In een poging consensus te bereiken, heeft de Commissie een pragmatische stap vooruit voorgesteld, met de geleidelijke invoering van EDIS. In dit herziene voorstel houdt de eerste fase van herverzekering geen risicodeling in, wat een snelle invoering kan vergemakkelijken.

Wat betreft het algemene vangnet voor het SRF is er al een politiek akkoord om deze uiterlijk aan het einde van de overgangsperiode in te voeren. De routekaart voorziet in de mogelijkheid deze vóór die tijd operationeel te maken, afhankelijk van de voortgang van de maatregelen voor de beperking van risico's. Er is brede overeenstemming dat het Europees stabiliteitsmechanisme (ESM) een geschikte aanbieder kan zijn. Snelle vooruitgang in het algemene vangnet is belangrijk voor de geloofwaardigheid van het GAM.

Er is nu een uitstekende kans een volwaardige bankenunie op te bouwen die een gelijk speelveld voor Europese banken waarborgt en hun veerkracht voor een toekomstige crisis vergroot. Maatregelen voor het verminderen van risico's zullen helpen bij de opbouw van de noodzakelijke consensus om vooruitgang te boeken met risicodeling. Tegelijkertijd dragen maatregelen die risico's delen ook bij tot hun vermindering. De lidstaten staan voor de uitdaging de meest geschikte volgorde vast te stellen. Aan het einde van het proces zal een volwaardige bankenunie helpen de financiële stabiliteit te behouden en als gevolg daarvan bijdragen aan een soepele overdracht van het monetaire beleid.

26.  Wat is er nog nodig om de EMU te verdiepen?

Toen de eurozone werd gecreëerd, was de aanname dat prijsstabiliteit, samen met een voorzichtig begrotingsbeleid, gecoördineerd door het stabiliteits- en groeipact, zou zorgen voor macro-economische stabiliteit in de monetaire unie. Er waren onvoldoende mechanismen om divergentie in het concurrentievermogen te voorkomen, wat heeft geleid tot de opbouw van onhoudbare onevenwichtigheden in de eurozone, die hoofdzakelijk met kortetermijnschulden werden gefinancierd.

Toen deze onevenwichtigheden werden afgewikkeld, ontbrak bij individuele leden van de eurozone de wisselkoers als een aanpassingsmechanisme. Starheid op de arbeids- en productmarkten leidde tot aanzienlijke kosten in termen van werkgelegenheid en productie. Bovendien hebben financiële fragmentatie in de eurozone en de vrees voor redenominatie het transmissiemechanisme van het gemeenschappelijke monetaire beleid verzwakt, zodat de financieringsvoorwaarden voor economische subjecten werden bepaald door het land waarin zij zich bevonden.

Hoewel de tijdens de crisis doorgevoerde hervormingen de veerkracht van de EMU aanzienlijk hebben verbeterd, moet er nog meer worden gedaan om de EMU adequaat op de volgende crisis voor te bereiden. Het verdiepen van de EMU omvat de hervorming van de architectuur om de veerkracht ervan te vergroten en om de nodige mechanismen te bieden om in eerste instantie schokken te voorkomen en deze vervolgens in tweede instantie aan te passen wanneer zich schokken voordoen.

Het voorkomen van een crisis omvat het verminderen van risico's in de monetaire unie. Ten eerste in de financiële sector, waar reeds aanzienlijke hervormingen zijn doorgevoerd. Ten tweede in de economieën van de lidstaten, waar het nodig is hun veerkracht te waarborgen via de juiste structurele hervormingen die afwijkingen in concurrentievermogen voorkomen. Structurele hervormingen is het belangrijkste mechanisme voor risicovermindering in de EMU. Naast de bevordering van echte convergentie zullen structurele hervormingen de potentiële groei ontsluiten en duurzame banen en economische groei ondersteunen.

Echter, zelfs als volledige convergentie wordt bereikt, zou de eurozone niet in staat zijn alle macro-economische schokken te voorkomen. Daarom hebben we ook instrumenten voor crisisbeheer nodig.

De financiële unie kan het delen van risico's voor de particuliere sector bevorderen. Voor de bevordering van financiële integratie zijn zowel de kapitaalmarkten als de bankenunie nodig. Een algemeen vangnet voor het GAF en een Europees depositoverzekeringsstelsel zijn nodig om te kunnen profiteren van een volwaardige bankenunie (zie vorige vraag).

Daar komt bij dat er steeds meer oproepen zijn om een macro-economisch stabiliserende bevoegdheid voor de eurozone op te zetten om ernstige schokken te helpen voorkomen die de nationale automatische stabilisatoren overweldigen. Voorstanders zien het als een aanvulling op nationale begrotingsstabilisatoren, in het geval van een ernstige, negatieve schok. Het kan ook worden gebruikt voor de uitvoering van een passende begrotingskoers en zo bijdragen tot een passende beleidsmix in de eurozone en het overdreven vertrouwen op het monetaire beleid voor stabilisatie verminderen. Indien deze stabilisatiebevoegdheid wordt ingevoerd, dient bij het ontwerp ervan rekening te worden gehouden met morele risico's en moet worden gezorgd voor gezond economisch beleid, inclusief duurzame overheidsfinanciën of het uitvoeren van structurele hervormingen die een grotere reële convergentie waarborgen en de veerkracht van individuele economieën vergroten.  

Tot slot kan versterking van het ESM, zoals hieronder beschreven, het vermogen van de EMU voor behoud van de financiële stabiliteit versterken.

Al deze hervormingen zullen leiden tot een nauwere integratie van de economieën van de eurozone, wat een overdracht van soevereiniteit zal vereisen. Deze overdrachten van soevereiniteit dienen vergezeld te gaan van de juiste democratische verantwoording, met daarbij een grotere rol voor de nationale en Europese parlementen.

27.  Hoe ziet u de uitdaging voor de ECB als het Europees stabiliteitsmechanisme (ESM) wordt omgezet in een Europees Monetair Fonds (EMF)?

Sinds de oprichting in 2012 heeft het Europees stabiliteitsmechanisme een cruciale rol gespeeld bij het beschermen van de financiële stabiliteit van de eurozone. Samen met zijn voorganger, de EFSF (opgericht in 2010), heeft het vijf lidstaten financiële bijstand verleend. Vijf jaar later hebben leiders een helder mandaat gegeven om de toekomst van de instelling te bespreken. We hebben de kans een volledig vangnet voor de eurozone te ontwikkelen. Europa heeft de nodige capaciteit en instrumenten nodig om zijn crises te beheersen en moet tegelijk open blijven staan voor de deelname aan het IMF.

Puur institutioneel gezien, behoort het ESM tot het EU-kader. Dit zou zijn democratische verantwoording moeten versterken. Echter, als dit een wijziging van de Verdragen vereist, kunnen onderhandelingen lang aanhouden. Tussentijds moeten we de kans aangrijpen de instelling te versterken, met de bedoeling haar te zijner tijd in de communautaire kaderregeling op te nemen. Het ESM moet als crisisbeheersingsinstelling voldoende worden uitgerust om zijn rol te kunnen vervullen.

Er lijkt een brede overeenstemming te bestaan dat het ESM een geschikte leverancier van het algemene vangnet voor het GAF zou kunnen zijn.

Naar verwachting zal het ESM ook in de toekomst een grotere rol in programma's voor financiële bijstand spelen, met name bij het ontwerpen en bewaken van programma's in samenwerking met de Commissie.

Wat betreft de interactie met de ECB, dienen we op de eerste plaats in gedachten te houden dat de ECB en het ESM verschillende mandaten hebben. Het belangrijkste doel van de ECB is het waarborgen van prijsstabiliteit in de eurozone, terwijl het ESM een begrotingsinstelling is, verantwoordelijk voor het behoud van de financiële stabiliteit in de eurozone door onder voorwaarden de landen van de eurozone financiële steun te verlenen. Deze mandaten vullen elkaar aan: hoewel prijsstabiliteit een noodzakelijke voorwaarde voor financiële stabiliteit is, helpt financiële stabiliteit tegelijk de soepele overdracht van het monetaire beleid. Een versterkt ESM, dat beter is toegerust voor het behoud van de financiële stabiliteit, moet daarom de ECB ondersteunen om haar mandaat te kunnen laten vervullen.

Tot slot, het ligt niet in de verwachting dat het ESM een monetaire instelling wordt. Hoewel de overeenkomsten met de rol van het Internationaal Monetair Fonds te begrijpen zijn, kan het raadzaam zijn elke mogelijke verwarring in de toekomst te voorkomen door de naam als Europees Monetair Fonds te wijzigen. Er zijn genoeg alternatieve namen die de aard van deze instelling op juiste wijze beschrijven, maar het is aan de lidstaten hierover een definitieve beslissing te nemen.

28.  Wat vindt u van de noodzaak om een strikte scheiding tussen het monetaire beleid en het bankentoezicht te waarborgen en wat zijn volgens u de hervormingen die deze scheiding verbeteren en begunstigen? Wat vindt u van de huidige institutionele opzet van het Europees Comité voor systeemrisico's (ESRB) onder het dak van de ECB, aangaande concrete resultaten in macroprudentieel toezicht?

De huidige opzet lijkt goed te werken. De veronderstelling door de ECB van bevoegdheden op het gebied van het toezicht op kredietinstellingen is zodanig aangepakt dat deze volledig onafhankelijk is bij het uitvoeren van zijn monetairbeleidsfuncties. Toen de ECB in 2014 het prudentieel toezicht op kredietinstellingen werd verleend, werd vastgesteld dat de ECB, als de centrale bank van de eurozone, de juiste positie had om deze nieuwe taken uit te voeren, vanwege haar uitgebreide expertise in macro-economische en financiële stabiliteitskwesties. In veel lidstaten zijn centrale banken overigens al verantwoordelijk voor het bankentoezicht.

Om een strikte scheiding tussen beide bevoegdheden te waarborgen, werd een grondig juridisch kader aangenomen (GTM-verordening, besluit van de ECB over de scheiding tussen het monetaire beleid en de toezichtsfuncties, oprichting van het bemiddelingspanel, wijzigingen in de interne regels, regels over vertrouwelijkheid bij de uitwisseling van informatie en het beroepsgeheim), zodat elk van deze beleidsfuncties in overeenstemming met zijn specifieke doelstellingen werd uitgevoerd. Bovendien zorgt de interne organisatie van de ECB ervoor dat de personeelsleden, die betrokken zijn bij het uitvoeren van toezicht, organisatorisch worden gescheiden van de leden die bij de andere taken zijn betrokken en dat zij worden onderworpen aan afzonderlijke rapportagelijnen. Nieuwe procedures om een flexibel en onafhankelijk proces bij de goedkeuring van toezichtsbesluiten te garanderen, zijn ook voor de GTM-aangelegenheden (d.w.z. de niet-bezwaarprocedure) opgezet. Ten slotte, wat betreft de verantwoordingsplicht, dient de ECB aan het Europees Parlement en de Raad verslag uit te brengen over hoe zij voldoet aan de scheiding van beide functies. Op enkele gebieden, zoals de werking van de gedeelde diensten binnen de ECB of het besluitvormingsproces, kan er ruimte zijn voor verdere afstemming, maar in het algemeen werkt het systeem binnen het huidige wettelijke kader goed. In elk geval mag een effectieve scheiding tussen het monetaire beleid en toezichthoudende functies niet voorkomen dat we, waar mogelijk en wenselijk, de vruchten kunnen plukken van de te verwachten voordelen van de combinatie van deze twee beleidsfuncties in een en dezelfde instelling.

Wat het ESRB betreft, werkt het sinds zijn oprichting soepel. Een aanzienlijk deel van het succes komt door de steun van de ECB op alle niveaus. Macroprudentieel beleid is een kernpunt voor centrale banken en daarom dient de ECB door te gaan met haar leiderschap in het ESRB. Het ESRB is een in het algemeen goed functionerend orgaan dat geen grote beleidswijzigingen, maar wel gerichte afstemming van zijn structuur nodig heeft. Echter, de huidige structuur en samenstelling weerspiegelen het institutionele kader ten tijde van de oprichting ervan, dat sindsdien sterk is geëvolueerd. Een van de belangrijke ontwikkelingen was de invoering van het GTM en het GAM. De samenwerking tussen het ESRB en deze instellingen moet worden versterkt, gelet op de potentiële relevantie van hun taak voor het macroprudentieel beleid.

29.  Wat is uw mening over de structurele hervorming van de bankensector met betrekking tot instellingen die "te groot zijn of onderling verbonden zijn om failliet te gaan"?

De Raad voor financiële stabiliteit (Financial Stability Board – FSB) heeft in nauwe samenwerking met het Bazels Comité voor bankentoezicht (Basel Committee of Banking Supervisors – BCBS) reeds een aantal criteria ontwikkeld om de wereldwijde systeemrelevantie van banken vast te stellen. Volgens deze criteria zijn er nu dertig kredietinstellingen gegroepeerd in vijf segmenten (hoewel het vijfde segment momenteel leeg is), op basis van hun specifieke mate van wereldwijde systeemrelevantie, met toenemende totale verliesabsorptiecapaciteit (Total Loss-Absorbing Capacity – TLAC). Bovendien bevat de EU-richtlijn kapitaalvereisten (RKV) een reeks criteria om andere systeemrelevante instellingen te definiëren (d.w.z. banken waarvan het faillissement systemische gevolgen kan hebben voor de financiële stabiliteit en de reële economie van een of meerdere lidstaten), die ook onderhevig zijn aan een kapitaaltoeslag. Tenslotte is het de bedoeling om – in het kader van de richtlijn herstel en afwikkeling van banken (BRRD) – het minimumvereiste voor eigen vermogen en in aanmerking komende passiva (MREL) vast te stellen, waarbij ook rekening wordt gehouden met de omvang en complexiteit van de bank.

De TLAC- en MREL-vereisten zijn een aanzienlijke stap voorwaarts om met de "te groot om failliet te gaan"-problemen om te gaan. Het is gericht op het waarborgen van een effectieve en geloofwaardige toepassing van de tool voor de afhandeling van de betrokkenheid van de particuliere sector, waarbij het gebruik van belastinggeld wordt vermeden.

D. Functioneren van de ECB en democratische verantwoording en transparantie

30.  Waaruit zal bij de ECB uw persoonlijke aanpak van de sociale dialoog bestaan?

De laatste tijd zijn kwesties rond het personeel van de ECB en haar werkgelegenheidsbeleid beter zichtbaar. Naarmate de rol van de ECB groeit, worden in het kader van de sociale dialoog met de ECB bepaalde aspecten van human resource management steeds relevanter. Mijn mening is dat het zeer positief zou zijn om de samenwerking met personeelsvertegenwoordigers en vakbonden verder te versterken, om zo samen te werken aan de verbetering van bijvoorbeeld: het model voor financiële en personele middelen, het behoud van hoge kwaliteitsnormen en voordelen na uitdiensttreding. Op basis van principes als transparantie, samenwerking en wederzijds respect, kan de sociale dialoog voor iedereen concrete verbeteringen opleveren. Personeelsvertegenwoordigers moeten op tijd worden geïnformeerd en geraadpleegd over alle voor hen relevante kwesties. De ECB onderhoudt bovendien op ESCB/Euro-niveau een vruchtbare dialoog met personeelsvertegenwoordigers, hetgeen moet worden verduurzaamd in die gebieden waar besluiten van de besluitvormingsorganen van de ECB gevolgen kunnen hebben voor de arbeidsvoorwaarden in de centrale banken.

31.  Welke conclusies trekt u uit de vergelijking tussen het transparantiebeleid van de ECB en de andere belangrijke centrale banken (Federal Reserve, Bank of England enz.)?

Transparantie en goede communicatie zijn vandaag cruciaal voor het voeren van het monetaire beleid, om beleidsrelevante informatie naar de financiële markten en het publiek te brengen, zodat de koers van het monetaire beleid goed kan worden begrepen en erop kan worden geanticipeerd. Een beter begrip bij het publiek maakt het monetaire beleid geloofwaardiger en effectiever. Ten slotte, maar niet minder belangrijk, is transparantie een van de hoekstenen van goed bestuur.

Het transparantiebeleid van de Federal Reserve (Fed) en de Bank of England (BoE) aan de ene kant, dat van de ECB aan de andere kant, zijn noodzakelijkerwijs verschillend vanwege de verschillende aard van dergelijke instellingen, evenals de verschillende contexten, uitdagingen en determinanten, waarmee ze worden geconfronteerd. Een van die relevante aspecten is de complexiteit van het multinationale karakter van het Eurosysteem, vergeleken met andere monetaire beleidsautoriteiten. Dit betekent echter niet dat de transparantienormen van de ECB lager zijn dan die van de andere. Integendeel, de transparantienormen van de ECB zijn de laatste tijd snel en sterk toegenomen. De substantiële inspanningen van de ECB in de afgelopen jaren om haar transparantie te vergroten, moeten worden erkend. Het publiceren van de rekeningen van monetairbeleidsvergaderingen en de openbaarmaking van agenda's zijn slechts enkele voorbeelden. In die zin is de herhaalde en krachtige toezegging van de ECB om haar transparantiekader te herzien, aan te passen en bij te werken van het grootste belang en moet worden gesteund.

32.  Wat is uw mening over de verantwoordingsplicht van de ECB tegenover het Europees Parlement en de noodzakelijke stappen om dit te verbeteren, vooral in het kader van de driemaandelijkse monetaire dialogen met de commissie Economisch Beleid (ECON)? Welke maatregelen en toekomstige hervormingen kunnen volgens u de democratische verantwoording van de ECB tegenover het Europees Parlement versterken?

Verantwoording zorgt ervoor, dat de ECB in overeenstemming met haar mandaat handelt. Zij is het noodzakelijke tegengewicht voor onafhankelijkheid die voor de ECB van essentieel belang is om een dergelijk mandaat zonder enige inmenging te kunnen uitvoeren. De ECB kreeg haar mandaat rechtstreeks van de EU-burgers bij de ratificatie van de Verdragen en daarom is vanuit democratisch perspectief de ECB voor haar handelen verantwoording verschuldigd aan de EU-burgers en hun rechtstreeks gekozen vertegenwoordigers, hier aanwezig in het Europees Parlement.

De ECB heeft in de loop van de jaren een solide en omvangrijk verantwoordingskader ontwikkeld. De driemaandelijkse hoorzittingen van de president tijdens de commissie Economisch Beleid, de vele en diverse vragen die de leden van het Europees Parlement aan de ECB sturen met betrekking tot haar kernbeleid en -activiteiten, de hoorzittingen met de andere leden van de raad van bestuur over specifieke onderwerpen, de publicatie en presentatie van het jaarverslag van de ECB, net als de follow-up van de daaraan gerelateerde resolutie van het Europees Parlement, de frequente gedachtenuitwisselingen tussen de voorzitter van het Europees Parlement en de president van de ECB en de vele verantwoordingsvereisten in de verordening gemeenschappelijk toezicht (GTM) zijn slechts voorbeelden, die de diepgang en zinvolheid van de verantwoordingsrelatie van de ECB naar het Europees Parlement bewijzen.

In dit verband is de driemaandelijkse monetaire dialoog een essentieel instrument voor het geven van transparantie over monetaire beleidsbeslissingen van de ECB aan de EU-burgers en hun vertegenwoordigers, met name in tijden waarin besluiten, zoals forward guidance of de exitstrategie van onconventioneel monetair beleid, een nauwkeurige bestudering tegemoet mogen zien. Ik vind dat het hoge huidige interactieniveau bewijst dat dit een zeer nuttige oefening is, waarbij geen van de leden van het Europees Parlement zich onthoudt van het stellen van kritische vragen en ECB-vertegenwoordigers niet vermijden zoveel mogelijk inzicht en beweegredenen te geven. Bovendien bieden onderwerpen, die door de commissie Economisch Beleid zijn gekozen, en achtergrondanalyses over de onderwerpen, dankzij de briefings die vooraf door monetaire deskundigen zijn voorbereid, een richtpunt bij hoorzittingen die de leden van het Europees Parlement in staat stellen in veel bredere discussies met de ECB over economisch beleid in het algemeen van gedachten te wisselen.

Net als bij andere EU-beleidsmaatregelen biedt het Europees Parlement fundamentele teugels en tegenwichten die moeten worden verduurzaamd en gewaarborgd. In de toekomst dient het verantwoordingskader efficiënt te blijven en te worden aangepast aan de nieuwe behoeften en uitdagingen, door de interacties – waar nodig – uit te breiden. In het geval van de monetaire dialoog dienen die interacties erop gericht te zijn ervoor te zorgen dat de strategie van de ECB goed wordt begrepen, adequaat gericht wordt geleid en met succes en efficiënt wordt uitgevoerd. Dit kan worden aangevuld met speciale thematische deelsessies over specifieke onderwerpen, die dieper gaande analyses en discussies over zaken van bijzonder belang mogelijk maken. Kortom, de relatie tussen de ECB en het Europees Parlement, haar belangrijkste tegenstem op het gebied van verantwoording, moet dichtbij en solide blijven.

33.  Wat ziet u als de belangrijkste risico's en uitdagingen, waarmee de ECB in de huidige conjunctuur wordt geconfronteerd?

Ondanks de buitengewone niet-standaardmaatregelen die de afgelopen jaren zijn opgesteld, blijft de inflatie in de eurozone de komende jaren nog steeds achter bij de referentiewaarde van 2 %. Deze gang van zaken rechtvaardigt een voortdurende herbeoordeling van de economische en monetaire omstandigheden in de eurozone en van de effecten van de tot nu toe genomen maatregelen. In de tussentijd moet de ECB ook alert blijven inzake de eventuele onjuiste opbouw van financiële risico's in de huidige situatie van zeer lage rentetarieven en ruime monetaire en financiële voorwaarden.

Vooruitkijkend blijven enkele belangrijke uitdagingen voor het monetaire beleid in de eurozone overeind. Met sommige zullen we relatief snel worden geconfronteerd, terwijl andere een meer langetermijnkarakter hebben. Op korte termijn, en voor zover de inflatie een voortdurende aanpassing richting haar doel vertoont, zal de ECB moeten beoordelen hoe zij haar monetair beleid zal normaliseren. Dit betreft zowel de aankopen van activa via de APP als de depositorente die momenteel op negatieve niveaus is. In de toekomst zullen aanpassingen van de nettoaankopen van activa moeten worden gekoppeld aan de vooruitgang die bij de convergentie van de inflatie richting haar doel wordt gemaakt. Zodra de nettoaankopen zijn beëindigd, kan normalisatie worden voortgezet door de rente op de depositofaciliteit en de andere beleidsrentes te verhogen.

Naast de uitdagingen van de huidige situatie met lage inflatie en de noodzaak om uiteindelijk de koers van het monetaire beleid te normaliseren, staat het monetaire beleid op langere termijn voor een vrij grote uitdaging, in verband met het feit dat de rentetarieven in de toekomst waarschijnlijk zeer laag zullen blijven. Het bewijs suggereert vooral dat de zogenoemde natuurlijke rentevoet de afgelopen jaren in gevorderde economieën is afgenomen en nu bijna nul of zelfs negatief kan zijn. Ongeacht de achterliggende redenen (demografisch, technologisch etc.), vormen dergelijke lage natuurlijke rentes aanzienlijke problemen voor het conventionele rentebeleid.

In deze omstandigheden lijkt het erop, dat enkele van de recente maatregelen, zoals programma's voor de aankoop van activa of forward guidance op kortetermijnrente, in de toolkit van de centrale banken zullen blijven, omdat ze nuttig zijn gebleken bij het verlagen van de langetermijnrente wanneer kortetermijnkoersen blijven steken op hun effectieve ondergrens. Echter, dit beleid heeft ook zijn beperkingen. Daarom kan een meer fundamentele reflectie over mogelijke aanpassingen in de monetairbeleidsstrategie noodzakelijk zijn. Hoewel elke verandering in de monetairbeleidsstrategie een verantwoordelijkheid van centrale banken is, is het toch de moeite waard in gedachten te houden dat het monetaire beleid meestal machteloos is in het verhogen van de natuurlijke reële rentetarieven. Deze laatste worden voor het grootste deel door echte factoren bepaald, zoals demografische gegevens en technologische vooruitgang. Als gevolg hiervan ligt de verantwoordelijkheid voor het verhogen van de natuurlijke tarieven op andere beleidsterreinen, zoals het begrotingsbeleid en, met name, structurele hervormingen. Hoewel het monetaire beleid de laatste jaren veel heeft bereikt, kunnen we slechts door de gezamenlijke inspanning van alle makers van economisch beleid een periode van hoge en stabiele economische groei in de eurozone garanderen.

34.  Wat vindt u, naar aanleiding van een recent rapport van de Ombudsman en de aanbevelingen van het Europees Parlement, vervat in het laatste rapport over de ECB, dat in februari 2018 is aangenomen, van:

1)  de noodzaak verklaringen van financiële belangen te openbaren aan de leden van de Raad van bestuur teneinde belangenconflicten te voorkomen,

2)  de noodzaak te zorgen voor een professionele onthouding van twee jaar voor vertrekkende leden van de Raad van bestuur van de ECB,

3)  de aanbeveling dat de leden van de Raad van bestuur in principe niet tegelijk lid mogen zijn van fora of andere organisaties, waarin ook bestuurders van door de ECB gecontroleerde banken zitting hebben;

De ECB is een instelling, belast met taken die het openbaar belang dienen en daarom is het van het allergrootste belang dat de hoogste ethische normen worden geëist voor al haar personeel, maar in het bijzonder voor de leden van haar besluitvormingsorganen, om elk potentieel belangenconflict te voorkomen en om het hoogst mogelijke niveau van integriteit, competentie, efficiëntie en transparantie te garanderen.

Met betrekking tot het verzoek om verklaringen m.b.t. financiële belangen openbaar te maken, ga ik akkoord met iedere maatregel die de transparantie en verantwoordingsplicht van openbare instellingen als de ECB verbetert, omdat dat een noodzakelijke voorwaarde is voor haar onafhankelijkheid. Als lid van de Spaanse regering word ik inderdaad reeds onderworpen aan een dergelijke vereiste en ben ik verplicht financiële of privébelangen openbaar te maken, zowel voordat ik het ministerschap aannam als na aftreden.

Wat betreft de periode van terughoudendheid ben ik om mogelijke belangenconflicten te voorkomen persoonlijk niet tegen een dergelijke afkoelingsperiode. De Spaanse wetgeving, die ik moet respecteren, reguleert in feite grondig de professionele en loononverenigbaarheid tijdens en na een periode van openbare dienstverlening als hoge ambtenaar (Ley 3/2015, de 30 de marzo, reguladora del ejercicio del alto cargo de la Administración General del Estado – wet 3/2015 van 30 maart, de regeling voor de uitoefening van het hoge ambt bij de overheid).

Met betrekking tot de laatste vraag moeten de leden van de Raad van bestuur van de ECB contact met de realiteit en met de reële economie houden om volledig op de hoogte te blijven van de meningen, twijfels en zorgen van de actoren in het systeem. Dat kan op verschillende manieren worden bereikt, hoewel deze niet allemaal geschikt zijn om mogelijke belangenconflicten te voorkomen.

35.  Hoe beoordeelt u de betrokkenheid van de ECB in het kader van financiële steunprogramma's? Hoe ziet u in de toekomst een mogelijke betrokkenheid van de ECB bij financiële steunprogramma's ontstaan?

De deelname van de ECB aan financiële steunprogramma's, zoals die nu is vastgelegd in de Twopack-verordening en het ESM-verdrag, is soms bestreden, maar ik denk dat het beargumenteerd kan worden dat dit op kritieke momenten nodig was. In ieder geval moet een dergelijke deelname worden begrepen in een context van tijdsdruk, marktdruk, onvolledige informatie, zeer weinig ervaring met grote aanpassingen binnen een monetaire unie en het ontbreken van een adequaat en nauwkeurig juridisch kader om crises aan te pakken.

In dit scenario was de betrokkenheid van de ECB, zoals voorzien in het toepasselijk afgeleid recht, hoofdzakelijk beperkt tot het verstrekken van advies en deskundigheid over een reeks kwesties die relevant zijn voor de goede werking van het monetaire beleid, de financiële stabiliteit en de ondersteuning van het algemene economische beleid van de Unie. De ECB (samen met de Europese Commissie en het IMF) leverde input aan de Eurogroep en aan de Raad van gouverneurs van de ESM, die het enige besluitvormende orgaan was.

Ondanks deze rol, en hoewel de volledige onafhankelijkheid van de ECB werd behouden, bestonden er enkele zorgen en twijfels over de mogelijke bemoeienis van de ECB in zaken van nationale soevereiniteit en/of over mogelijke belangenconflicten; dit is waarom ik van mening ben dat de toekomstige rol van de ECB inzake financiële steunprogramma's in feite een louter adviserende rol op het gebied van toezicht en programma-evaluatie zal blijven.

Vanaf nu zal het afwikkelen van toekomstige crises veel gunstiger verlopen, dankzij een meer robuust en allesomvattend crisisbeheersingskader – waaronder de BRRD – en de nog steeds onvoltooide bankenunie, die er zeker toe zal bijdragen de noodzaak om de ECB hierbij te betrekken tot een minimum te beperken.

36.  Wat kan de ECB concreet doen om in de toekomst vrouwelijke kandidaten voor ECB-topposities te krijgen en om de algehele genderdiversiteit binnen de ECB te verbeteren?

Genderdiversiteit is van het allergrootste belang en onze belangrijkste instellingen moeten een voorbeeld stellen voor de rest van de samenleving. Daarom is het belangrijk dat de ECB, net als andere private en publieke entiteiten, vrouwen naar haar hoogste posities promoveert. In die zin zal de ECB in de komende twee jaar vier nieuwe bestuursleden moeten kiezen. Alle leden die hun functie neerleggen zijn mannen, dus we hebben een uitstekende kans om plaats te maken voor een meer genderevenwichtig bestuur en om vooruitgang te boeken op het gebied van gendergelijkheid.

De ECB zorgt nu al voor genderdiversiteit door een diverse en inclusieve werkomgeving te ondersteunen en door specifieke doelen te stellen voor vrouwen in managementfuncties. Er moet echter meer vooruitgang worden geboekt, met name in managementposities, en het aanpakken van het glazen plafond blijft de komende jaren belangrijk.

37.  Hoe ziet u mogelijke verbeteringen voor de verantwoordingsplicht van de ECB ten opzichte van de Europese Rekenkamer (ERK) in termen van operationele efficiëntie?

Als gevolg van de onafhankelijkheid van de ECB is het mandaat van de ERK beperkt tot de beoordeling van de operationele efficiëntie van het bestuur van de ECB, zoals voorzien in artikel 287 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie. Dit blijft gericht op het bewaren van evenwicht tussen enerzijds het waarborgen van een goed financieel beheer van overheidsmiddelen en anderzijds adequate rapportage aan burgers en de isolering van de besluitvorming van de ECB tegen politieke druk op korte termijn, hetgeen voor de ECB een voorwaarde vooraf is om haar mandaat adequaat na te kunnen streven. In ieder geval is in het recente verleden de bereidheid van de ECB om samen te werken en te reageren op de aanbevelingen van de Europese Rekenkamer een positieve stap, net als haar toezegging om haar verantwoordingskader verder aan te passen aan toekomstige uitdagingen.

38.  Wat vindt u van het feit dat de Raad in het verleden ooit de mening van het Europees Parlement over de benoeming van een bestuurslid negeerde?

Volgens het Verdrag van de Europese Unie (artikel 283) worden de president, de vicepresident en de vier andere leden van de Raad van bestuur van de Europese Centrale Bank benoemd door de Europese Raad op aanbeveling van de Raad, na raadpleging van het Europees Parlement en de Raad van bestuur van de ECB. Dat wil zeggen dat de verantwoordelijkheid voor het selecteren van de leden van de Raad van bestuur exclusief bij de Raad ligt.

Wanneer de Raad een besluit neemt, dat niet overeenkomt is met het advies van het Europees Parlement, betekent dit niet dat hij deze mening heeft genegeerd. Het betekent dat de Raad na zijn analyse en evaluatie alsnog anders heeft beslist.

Met betrekking tot het specifieke geval, dat in de vraag wordt genoemd, heeft de mening van het Europees Parlement de geloofsbrieven van de kandidaat nooit ter discussie gesteld, maar er alleen op gewezen dat hij geen vrouw was.

39.  Hoe wilt u persoonlijk de genderbalans binnen de ECB verbeteren?

Zoals reeds gezegd bij vraag 36, is genderevenwicht voor mij een prioriteit, niet alleen om redenen van gelijkheid, maar ook als voorwaarde voor economische efficiëntie. Er is genoeg bewijs dat diversiteit en inclusiviteit een drijvende kracht zijn voor prestaties en dat evenwicht tussen mannen en vrouwen een manier is om die diversiteit te bevorderen. Daarom moeten we allemaal binnen onze mogelijkheden en verantwoordelijkheden werken om obstakels voor vrouwen te verwijderen, zodat zij kunnen groeien in de professionele wereld.

Als ik tot vicepresident word gekozen, zal ik dit principe blijven ondersteunen, net zoals ik dat in het verleden heb gedaan, omdat de afspraken waarvoor ik verantwoordelijk ben, laten zien: zes van de acht hoge posities bij het ministerie van Economische Zaken zijn in handen van vrouwen, waaronder de drie staatssecretarissen, de secretaris-generaal voor de Schatkist en de secretaris-generaal voor Industrie en midden- en kleinbedrijf.

PROCEDURE VAN DE BEVOEGDE COMMISSIE

Titel

Benoeming van de vicepresident van de Europese Centrale Bank

Document- en procedurenummers

N8-0053/2018 – C8-0040/2018 – 2018/0804(NLE)

Datum raadpleging / verzoek om goedkeuring

20.2.2018

 

 

 

Bevoegde commissie

       Datum bekendmaking

ECON

 

 

 

 

Rapporteurs

       Datum benoeming

Roberto Gualtieri

23.1.2018

 

 

 

Behandeling in de commissie

26.2.2018

 

 

 

Datum goedkeuring

27.2.2018

 

 

 

Uitslag eindstemming

+:

–:

0:

27

14

13

Bij de eindstemming aanwezige leden

Burkhard Balz, Hugues Bayet, Pervenche Berès, Udo Bullmann, David Coburn, Esther de Lange, Markus Ferber, Jonás Fernández, Neena Gill, Roberto Gualtieri, Brian Hayes, Gunnar Hökmark, Danuta Maria Hübner, Cătălin Sorin Ivan, Petr Ježek, Wolf Klinz, Georgios Kyrtsos, Philippe Lamberts, Werner Langen, Bernd Lucke, Olle Ludvigsson, Gabriel Mato, Costas Mavrides, Bernard Monot, Caroline Nagtegaal, Luděk Niedermayer, Stanisław Ożóg, Dimitrios Papadimoulis, Dariusz Rosati, Pirkko Ruohonen-Lerner, Anne Sander, Alfred Sant, Molly Scott Cato, Pedro Silva Pereira, Theodor Dumitru Stolojan, Kay Swinburne, Ramon Tremosa i Balcells, Ernest Urtasun, Marco Valli, Tom Vandenkendelaere, Jakob von Weizsäcker

Bij de eindstemming aanwezige vaste plaatsvervangers

Enrique Calvet Chambon, Jan Keller, Verónica Lope Fontagné, Paloma López Bermejo, Thomas Mann, Michel Reimon, Tibor Szanyi, Romana Tomc, Miguel Urbán Crespo, Roberts Zīle

Bij de eindstemming aanwezige plaatsvervangers (art. 200, lid 2)

Zbigniew Kuźmiuk, Edouard Martin, José Ignacio Salafranca Sánchez-Neyra

Datum indiening

6.3.2018

Laatst bijgewerkt op: 9 maart 2018
Juridische mededeling - Privacybeleid