Procedure : 2017/2088(INI)
Stadium plenaire behandeling
Documentencyclus : A8-0157/2018

Ingediende teksten :

A8-0157/2018

Debatten :

PV 28/05/2018 - 26
CRE 28/05/2018 - 26

Stemmingen :

PV 29/05/2018 - 7.8
Stemverklaringen

Aangenomen teksten :

P8_TA(2018)0211

VERSLAG     
PDF 476kWORD 86k
2.5.2018
PE 613.625v02-00 A8-0157/2018

over de invoering van GLB-instrumenten voor jonge landbouwers in de EU na de hervorming van 2013

(2017/2088(INI))

Commissie landbouw en plattelandsontwikkeling

Rapporteur: Nicola Caputo

TOELICHTING – SAMENVATTING VAN DE FEITEN EN BEVINDINGEN
 ONTWERPRESOLUTIE VAN HET EUROPEES PARLEMENT
 ADVIES van de Commissie milieubeheer, volksgezondheid en voedselveiligheid
 INFORMATIE OVER DE GOEDKEURING IN DE BEVOEGDE COMMISSIE
 HOOFDELIJKE EINDSTEMMING IN DE BEVOEGDE COMMISSIE

TOELICHTING – SAMENVATTING VAN DE FEITEN EN BEVINDINGEN

Inleiding

Dit verslag bevat informatie over de stand van zaken met betrekking tot de uitvoering van het huidige gemeenschappelijk landbouwbeleid (GLB) voor jonge landbouwers. Het verslag bevat verschillende beleidsaanbevelingen die erop gericht zijn de bestaande steunregelingen te verbeteren en jonge landbouwers te helpen de belemmeringen te overwinnen wanneer ze in de landbouw aan de slag willen gaan.

Belangrijkste bevindingen(1)

1. Het creëren van kansen voor jonge landbouwers en nieuwkomers

1.1 Voortzetting van de steun voor jonge landbouwers

In het algemeen is men van mening dat de huidige steunregelingen nieuwe generaties landbouwers de kans geven toegang tot de sector te krijgen. In het kader van het nieuwe GLB na 2020 raadt de rapporteur aan dat de steun voor de GLB-instrumenten voor jonge landbouwers moet worden voortgezet en dat de maximale financiering moet worden verhoogd tot meer dan 2 %. Een aantal bij de casestudy betrokken landen heeft aangegeven dat er ten aanzien van de subsidieregelingen sprake is van overtekening, oftewel dat er onvoldoende financiële middelen beschikbaar waren om middelen toe te kennen aan alle positief beoordeelde aanvragen.

2. Vergroting van de landbouwmobiliteit

De toegang tot landbouwgrond vormt de grootste drempel voor nieuwe landbouwers in Europa. Dit gegeven blijkt uit verschillende studies(2). De toegang tot grond is beperkt als gevolg van het feit dat in veel regio's weinig grond te koop of te huur wordt aangeboden, alsook als gevolg van de concurrentie met andere landbouwers, investeerders en personen die de grond voor woondoeleinden gebruiken. Het probleem met betrekking tot de toegang tot grond wordt verergerd door het huidige systeem van rechtstreekse betalingen dat de verkoop en verhuur van landbouwgrond ontmoedigt en grondspeculatie in de hand werkt.

2.1. Herziening van het systeem van rechtstreekse betalingen

Het huidige systeem van rechtstreekse betalingen is gebaseerd op een minimaal actief gebruik van de grond en kent subsidies grotendeels op basis van grondbezit toe. Bestaande landbouwers worden hierdoor aangespoord vast te houden aan hun grond teneinde hun subsidie te behouden, maar niet om zich op het optimale gebruik van de grond te richten. Daarnaast gebruiken oudere landbouwers de rechtstreekse betalingen ook als een vorm van pensioen. De rapporteur beveelt aan de mate van actief gebruik van de grond voor het ontvangen van betalingen te verhogen en de subsidies te koppelen aan het behalen van specifieke resultaten (zoals de productie van specifieke milieuproducten of goederen die een maatschappelijke doelstelling dienen). De rapporteur zet vraagtekens bij de omstandigheid dat subsidierechten onafhankelijk van de grond waarop ze oorspronkelijk van toepassing waren, kunnen worden gekocht en verkocht. Deze praktijk leidt ertoe dat investeerders in plaats van landbouwers subsidierechten opeenhopen, als gevolg waarvan de waarde van de grond kunstmatig wordt opgedreven. De EU moet de lidstaten meer vrijheid geven hun grondmarkten te reguleren om de aankoop van land voor investeringsdoeleinden (in plaats van productiedoeleinden) aan banden te leggen. Hierbij moet worden opgemerkt dat de Europese Commissie momenteel een beoordeling uitvoert van de toegang tot landbouwgrond door buitenlandse partijen.

2.2. Herziening van de regeling ten behoeve van de uittreding van landbouwers en andere stimulansen voor uittreding

De resultaten van de studie(3) lijken erop te wijzen dat in veel lidstaten generatievernieuwing en de toegang tot landbouwgrond voor jonge landbouwers worden belemmerd als gevolg van late opvolging. Het huidige GLB voorziet niet in stimulansen voor oudere landbouwers om hun bedrijf over te dragen aan de jongere generatie. Ondanks de gemengde ervaringen met de vervroegde uittredingsregeling wordt aanbevolen maatregelen te heroverwegen waarmee oudere eigenaars worden aangespoord om hun bedrijf aan jongere landbouwers over te dragen. Bij deze maatregelen kan worden gedacht aan pensioengerelateerde regelgeving (bijvoorbeeld door te verhinderen dat mensen recht hebben op zowel staatspensioen als landbouwsubsidies) en de toegang tot pensioenregelingen voor uittredende landbouwers.

2.3. Herziening van de voorwaarde voor gewaarborgde toegang tot landbouwgrond op lange termijn

De toekenning van subsidie kan de toegang tot grond en andere kapitaalbronnen vergemakkelijken. Het feit dat grondeigenaren veelal niet bereid zijn voor langere tijd grond te verhuren, vormt in sommige regio's een groot probleem. Om een zo groot mogelijk aantal nieuwkomers de kans te geven een bedrijf op te starten, moet er grotere flexibiliteit ten aanzien van subsidies worden toegepast, met name waar het de toegang tot landbouwgrond betreft.

3. Het aanpakken van verdere belemmeringen voor nieuwkomers

Uit de studie(4) kwamen ook de volgende belangrijke belemmeringen voor nieuwkomers naar voren: de toegang tot kapitaal, de geringe winstgevendheid en het lage ontwikkelingsniveau met betrekking tot opleidingen en vaardigheden. Deze bevindingen komen overeen met de resultaten van de studie door de focusgroep EIP-AGRI met de titel "New Entrants into Farming"(5).

3.1. Betere toegang tot particulier kapitaal

Jonge landbouwers die bestaande landbouwbedrijven overnemen of nieuwkomers die een eigen bedrijf willen opzetten, kunnen profiteren van de in het kader van de tweede pijler verstrekte financiële steun. Aanvullende financiële middelen moeten door particuliere geldschieters worden verstrekt. De gebrekkige toegang tot deze aanvullende middelen vormt een van de belangrijkste belemmeringen voor het opstarten van een landbouwbedrijf. Er wordt dan ook aanbevolen de toegang tot financiering gemakkelijker te maken. Dit kan worden verwezenlijkt door nieuwkomers leningen met rentesubsidie te verstrekken. Het Europees Landbouwfonds voor plattelandsontwikkeling (Elfpo) biedt mogelijkheden voor de ontwikkeling van gerichte financieringsinstrumenten op nationaal niveau. Zo heeft Italië onlangs een financieringsinstrument ingericht dat de toegang tot de financiering van en investeringen in kleine en middelgrote ondernemingen vereenvoudigt op het vlak van de productie, verwerking en distributie van landbouwproducten (in acht regio's). Voor jonge landbouwers en nieuwkomers zouden vergelijkbare steunregelingen in het leven kunnen worden geroepen. Ook het bieden van inkomensstabiliseringssteun of verzekeringen voor leningen aan nieuwkomers (ter ondervanging van het wisselend rendement bijvoorbeeld) zou de risico's doen afnemen die samengaan met de schommelingen van grondstoffenprijzen en de opstapeling van grote schulden. De omnibusverordening die in januari 2018 in werking treedt, voorziet in mogelijkheden om verzekeringen geld te laten uitkeren in het geval van vorst, droogte en overstromingen en om inkomensstabiliseringsinstrumenten in te zetten waarmee marktrisico's kunnen worden ondervangen.

3.2. Vergroting van de ondernemersvaardigheden van nieuwkomers en jonge landbouwers

De huidige maatregelen bieden ruimte aan de financiering van adviesdiensten ten behoeve van jonge landbouwers. Als deze diensten voorhanden zijn, wordt er enthousiast gebruik van gemaakt, met de ontwikkeling van nieuwe vaardigheden en het formuleren van uitvoerbare bedrijfsplannen tot gevolg. Het merendeel van de rechtstreekse steun aan nieuwkomers wordt momenteel echter verstrekt in het kader van subsidieregelingen die afhankelijk zijn van de locatie van het landbouwbedrijf, de grootte van de beoogde onderneming, het scheppen van nieuwe banen, et cetera. Nieuwkomers en jonge landbouwers moeten de beschikking krijgen over aanvullende opleidingsmogelijkheden, met name op het gebied van bedrijfsbeheer en financiële vaardigheden. De rapporteur beveelt aan de steunregelingen te herzien teneinde de mogelijkheden tot het verstrekken van adviesdiensten en opleidingen te vergroten. De rapporteur beveelt tevens aan dat deze opleidingsmogelijkheden voorafgaand aan de toegang tot officiële steunregelingen voor nieuwkomers ter beschikking moeten worden gesteld (oftewel zowel aan potentiële als daadwerkelijke nieuwkomers die bezig zijn met het opstellen van een bedrijfsplan). Zodoende kunnen nieuwkomers zich goed voorbereiden op het opstarten van een landbouwbedrijf en een realistisch beeld krijgen van de verantwoordelijkheden die daarbij komen kijken. Opleidingen op het gebied van bedrijfsontwikkeling moeten onder meer gericht zijn op kwesties met betrekking tot winstgevendheid, zodat daadwerkelijke en potentiële nieuwkomers in staat zijn passende marktmogelijkheden te herkennen. Naar verwachting zal de toegang voor jongeren tot opleidingen op het gebied van bedrijfsontwikkeling de algemene economische ontwikkeling van het platteland ten goede komen. Jonge landbouwers en nieuwkomers die een landbouwbedrijf willen opzetten hebben meer informatie nodig over de administratieve en technische aspecten van de landbouw, evenals toegang tot onderling uitgewisselde voorbeelden van optimale werkmethoden. Uit de studie(6) is gebleken dat landbouwers veel waarde hechten aan adviesdiensten die zijn toegespitst op de situatie van het landbouwbedrijf in kwestie. Dergelijke diensten moeten een combinatie bieden van de technische aspecten van de landbouw en de administratieve en financiële aspecten in verband met de bestaande beleidsmaatregelen.

3.3. Ondersteuning voor opvolgingsplannen

De casestudy's hebben een gebrek aan opvolgingsplanning aan het licht gebracht. Op dit moment zijn opleidingsregelingen gericht op nieuwkomers, en niet op familiebedrijven in hun totaliteit. Gezien de gemiddelde leeftijd van de landbouwers is opvolgingsplanning van belang voor de meeste landbouwbedrijven. Naar verwachting zal de beschikbaarheid van advies over bedrijfsplanning, en dan vooral over opvolgingsplannen, de snelheid van opvolging en de algehele economische levensvatbaarheid van agrarische familiebedrijven in Europa ten goede komen.

4. Administratie van de ten uitvoer gelegde maatregelen

Voor jonge landbouwers en nieuwkomers is het van belang de administratieve belemmeringen terug te dringen. Ondanks de positieve beoordelingen door belanghebbenden van de ten uitvoer gelegde maatregelen, moet het aantal administratieve procedures met betrekking tot de bestaande maatregelen voor jonge landbouwers worden gereduceerd. De algemene administratie van de rechtstreekse betalingen en de maatregelen in het kader van het plan voor plattelandsontwikkeling wordt als lastig ervaren, met name door nieuwkomers die niet bekend zijn met het betalingssysteem. Aanbevolen wordt de administratieve rompslomp voor nieuwkomers te beperken tot een vereenvoudigde administratieve procedure (vergelijkbaar met de regeling voor kleine landbouwers waarmee de betalingsregeling wordt vereenvoudigd en de toegang van landbouwbedrijven tot GLB-steun wordt verbeterd).

Tevens wordt aanbevolen landbouwers meer flexibiliteit te bieden om met hun bedrijfsplannen in te spelen op de veranderende marktomstandigheden. Overwogen moet worden de betalingstermijnen te wijzigen (zo zou er een betalingskalender kunnen worden gehanteerd op basis waarvan landbouwers subsidies overeenkomstig hun financiële planning ontvangen en niet achteraf).

5. Nieuwe vormen van steun

5.1. Het delen van praktische kennis

Overwogen moet worden een speciale steunmaatregel in het leven te roepen ter ondersteuning van innovatieve methoden waarmee nieuwkomers kunnen worden aangetrokken en hoe jonge landbouwers kunnen worden bijgestaan in het geval van opvolging. In deze context is het van belang te wijzen op een nieuw project in het kader van Horizon 2020 met als titel "NEWBIE – New Entrant netWork: Business models for Innovation, entrepreneurship and resilience in European agriculture (2018-2021)", op basis waarvan er een netwerk van nieuwkomers in heel Europa wordt opgezet ter bevordering van het uitwisselen van praktische ervaringen en mogelijkheden op het gebied van bedrijfsontwikkeling.

5.2 Speciale aandacht voor de schaal waarop en de vormen waarin landbouw plaatsvindt

Nieuwkomers komen voornamelijk in kleinschalige landbouwbedrijven in nichemarkten terecht. Dit is het gevolg van de problematische toegang tot landbouwgrond en het feit dat het lastig is voldoende kapitaal te vergaren om in schaalgedreven markten te kunnen concurreren.

Conclusies en aanbevelingen

De rapporteur is van mening dat de volgende belangrijke beleidsaanbevelingen moeten worden doorgevoerd:

– aanbevolen wordt dat de steun voor de GLB-instrumenten voor jonge landbouwers moet worden voortgezet en dat de maximale financiering moet worden verhoogd tot meer dan 2 %;

– de toegang tot landbouwgrond vormt de grootste belemmering voor jonge landbouwers en nieuwkomers. Om dit probleem te ondervangen moet het systeem van rechtstreekse betalingen worden herzien en moeten er prikkels worden ingebouwd voor oudere landbouwers om hun bedrijf aan jongere landbouwers over te dragen;

– aanbevolen wordt speciale aandacht te besteden aan het reduceren van extra belemmeringen waar jonge landbouwers mee kampen, zoals de toegang tot kapitaal en het gebrek aan ondernemersvaardigheden en opvolgingsplannen;

– tevens wordt aanbevolen de administratieve belemmeringen terug te dringen en landbouwers in de EU meer flexibiliteit te bieden om met hun bedrijfsplannen in te spelen op de veranderende marktomstandigheden;

– nieuwe vormen van steun moeten in overweging worden genomen, waarbij de nadruk ligt op innovatieve manieren om kennis uit te wisselen.

(1)

De bevindingen zijn gebaseerd op een door de Commissie landbouw aangevraagde studie getiteld "Young farmers – Policy implementation after the 2013 CAP reform": http://www.europarl.europa.eu/RegData/etudes/STUD/2017/602006/IPOL_STU(2017)6020

06_EN.pdf

(2)

- "New Entrants into Farming", focusgroep EIP-AGRI: https://ec.europa.eu/eip/agriculture/sites/agri-eip/files/eip-agri_fg_new_entrants_final_report_2016_en.pdf

- "Young farmers – Policy implementation after the 2013 CAP reform": http://www.europarl.europa.eu/RegData/etudes/STUD/2017/602006/IPOL_STU(2017)6020

06_EN.pdf

(3)

. "Young farmers – Policy implementation after the 2013 CAP reform": http://www.europarl.europa.eu/RegData/etudes/STUD/2017/602006/IPOL_STU(2017)6020

06_EN.pdf

(4)

. "Young farmers – Policy implementation after the 2013 CAP reform": http://www.europarl.europa.eu/RegData/etudes/STUD/2017/602006/IPOL_STU(2017)6020

06_EN.pdf

(5)

. "New Entrants into Farming", focusgroep EIP-AGRI: https://ec.europa.eu/eip/agriculture/sites/agri-eip/files/eip-agri_fg_new_entrants_final_report_2016_en.pdf

(6)

. "Young farmers – Policy implementation after the 2013 CAP reform": http://www.europarl.europa.eu/RegData/etudes/STUD/2017/602006/IPOL_STU(2017)6020

06_EN.pdf


ONTWERPRESOLUTIE VAN HET EUROPEES PARLEMENT

over de invoering van GLB-instrumenten voor jonge landbouwers in de EU na de hervorming van 2013

(2017/2088(INI))

Het Europees Parlement,

–  gezien Verordening (EU) nr. 1305/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 inzake steun voor plattelandsontwikkeling uit het Europees Landbouwfonds voor plattelandsontwikkeling (Elfpo) en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1698/2005 van de Raad(1),

–  gezien Verordening (EU) nr. 1307/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 tot vaststelling van voorschriften voor rechtstreekse betalingen aan landbouwers in het kader van de steunregelingen van het gemeenschappelijk landbouwbeleid en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 637/2008 van de Raad en Verordening (EG) nr. 73/2009 van de Raad(2),

–  gezien Verordening (EU) 2017/2393 van het Europees Parlement en de Raad van 13 december 2017 tot wijziging van Verordening (EU) nr. 1305/2013 inzake steun voor plattelandsontwikkeling uit het Europees Landbouwfonds voor plattelandsontwikkeling (Elfpo), Verordening (EU) nr. 1306/2013 inzake de financiering, het beheer en de monitoring van het gemeenschappelijk landbouwbeleid, Verordening (EU) nr. 1307/2013 tot vaststelling van voorschriften voor rechtstreekse betalingen aan landbouwers in het kader van de steunregelingen van het gemeenschappelijk landbouwbeleid, Verordening (EU) nr. 1308/2013 tot vaststelling van een gemeenschappelijke ordening van de markten voor landbouwproducten en Verordening (EU) nr. 652/2014 tot vaststelling van bepalingen betreffende het beheer van de uitgaven in verband met de voedselketen, diergezondheid en dierenwelzijn, alsmede in verband met plantgezondheid en teeltmateriaal(3),

–  gezien de in opdracht van zijn beleidsondersteunende afdeling B: Structuur- en Cohesiebeleid uitgevoerde en tijdens de bijeenkomst van de Commissie landbouw van 23 november 2017 gepresenteerde studie "Young farmers: Policy implementation after the 2013 CAP reform",

–  gezien zijn hoorzitting van 23 november 2017 over de uitvoering van beleid voor jonge landbouwers na de GLB-hervorming van 2013,

–  gezien Speciaal verslag nr. 10/2017 van de Europese Rekenkamer met de titel "EU‑steun voor jonge landbouwers moet doelgerichter worden toegewezen om doeltreffende generatievernieuwing te bevorderen",

–  gezien zijn resolutie van 27 april 2017 over de stand van zaken in verband met de concentratie van landbouwgrond in de EU: manieren om landbouwers betere toegang tot land te geven(4),

–  gezien de studie van de Europese raad van jonge landbouwers (CEJA) getiteld "Young farmers are key in the future CAP", die op 17 mei 2017 is gepubliceerd,

–  gezien het advies van het Europees Comité van de Regio's getiteld "Ondersteuning van jonge Europese landbouwers" (NAT-VI/012, 2017),

–  gezien artikel 52 van zijn Reglement en artikel 1, lid 1, onder e), van en bijlage 3 bij het besluit van de Conferentie van voorzitters van 12 december 2002 betreffende de procedure inzake het verlenen van toestemming voor het opstellen van initiatiefverslagen,

–  gezien het verslag van de Commissie landbouw en plattelandsontwikkeling en het advies van de Commissie milieubeheer, volksgezondheid en voedselveiligheid (A8‑0157/2018),

A.  overwegende dat slechts 6 % van alle personen die in de EU een landbouwbedrijf leiden jonger is dan 35 jaar, terwijl meer dan de helft ouder is dan 55 jaar, en overwegende dat er grote ongelijkheden bestaan tussen de lidstaten;

B.  overwegende dat deze cijfers in de afgelopen tien jaar niet wezenlijk zijn veranderd: het percentage jonge landbouwers daalt en de vergrijzing van de landbouwbevolking vormt een groot probleem; overwegende dat de situatie op het gebied van generatievernieuwing in de landbouw sterk verschilt per lidstaat en er daarom een flexibele en gediversifieerde aanpak nodig is;

C.  overwegende dat de door het GLB ondersteunde landbouwontwikkeling al meer dan vijftig jaar overal voorrang geeft aan de uitbreiding en concentratie van landbouwbedrijven en aan een hoge kapitalisatie van productiemiddelen, waardoor bepaalde landbouwbedrijven moeilijk over te dragen zijn aan en/of nauwelijks toegankelijk zijn voor jongeren vanwege het aanzienlijke kapitaal dat nodig is voor hun overname;

D.  overwegende dat de vergrijzing van de landbouwbevolking in de veeteeltsector, en met name in de sector schapen- en geitenvlees, bijzonder nijpend is als gevolg van de beperkte economische rentabiliteit van deze sectoren;

E.  overwegende dat het aantal jonge landbouwers in de hele EU in de periode 2007-2013 is gedaald van 3,3 tot 2,3 miljoen en dat het areaal van door jonge landbouwers geëxploiteerde landbouwbedrijven in die periode is afgenomen van 57 tot 53 miljoen hectare;

F.  overwegende dat het in het licht van demografische veranderingen, zoals ontvolking en vergrijzing van de bevolking in plattelandsgebieden, van essentieel belang is perspectieven te bieden voor de landbouw als moderne en aantrekkelijke sector waarin jonge mensen graag willen gaan werken;

G.  overwegende dat er voor de toegang tot grond een ware concurrentiestrijd aan de gang is tussen jongeren die een landbouwbedrijf willen beginnen en reeds gevestigde landbouwers, en soms zelfs tussen jongeren en investeringsmaatschappijen die interesse zijn gaan tonen voor de landbouw;

H.  overwegende dat de toekomst van een heel model van landbouwontwikkeling dat is gebaseerd op familiebedrijven op de helling komt te staan;

I.  overwegende dat het gemeenschappelijk landbouwbeleid in dit opzicht een essentiële rol blijft spelen;

J.  overwegende dat het probleem van generatievernieuwing in de landbouw te maken heeft met moeilijkheden bij zowel de instroom van de nieuwe generatie als bij de uitstroom van de huidige generatie landbouwers en dat het gebrek aan jongeren die een baan in de landbouw ambiëren de economische en maatschappelijke duurzaamheid en groei van plattelandsgebieden en de voedselautonomie en voedselzekerheid van de EU in gevaar brengt; overwegende dat een bevredigende economische situatie de eerste voorwaarde is om werken in de landbouw aantrekkelijk te maken;

K.  overwegende dat bij de laatste hervorming van het GLB een reeks instrumenten is vastgesteld en ingevoerd die met elkaar kunnen worden gecombineerd en kunnen worden afgestemd op de nationale situatie van de lidstaten, met name verplichte betalingen voor jonge landbouwers in het kader van de eerste pijler (6,9 miljard EUR voor 180 000 jonge landbouwers) en in het kader van de tweede pijler, maatregelen zoals aanloopsteun, toegang tot financiering en krediet of de mogelijkheid om een thematisch subprogramma op te zetten voor jonge landbouwers (2,6 miljard EUR);

L.  overwegende dat niet alle lidstaten in de Unie een echt vestigingsbeleid voor de landbouw voeren en dat niet alle lidstaten alle instrumenten gebruiken waarover zij in het kader van het GLB beschikken om jonge landbouwers te steunen, met name de maatregel van de tweede pijler inzake "aanloopsteun ten bate van jonge landbouwers";

M.  overwegende dat jonge vrouwen die de verantwoordelijkheid voor het beheer van een landbouwbedrijf overnemen slechts een klein deel van de jonge landbouwers uitmaken, maar geen homogene groep zijn en dus verschillende behoeften hebben wanneer zij aan deze loopbaan beginnen;

N.  overwegende dat generatievernieuwing een van de voornaamste prioriteiten moet zijn van het toekomstige gemeenschappelijk landbouwbeleid, waarbinnen een gemeenschappelijk beleidskader voor aangepaste nationale strategieën wordt verschaft, en dat de bevordering van generatievernieuwing een absolute voorwaarde is om de landbouw in de EU op peil te houden en plattelandsgebieden aantrekkelijk en levendig te houden, met name door de diversiteit van landbouwbedrijven te bevorderen en duurzame landbouw in familiebedrijven te stimuleren;

O.  overwegende dat de toegang tot landbouwgrond is aangemerkt als een van de grootste belemmering voor jonge landbouwers en nieuwkomers: een probleem dat al jaren bestaat en waarvoor echte oplossingen moeten worden gevonden; overwegende dat de toegang tot grond voornamelijk wordt belemmerd door enerzijds het verlies van landbouwgrond als gevolg van bodemverdichting, verstedelijking, toerisme, infrastructuurprojecten, veranderingen in gebruik en toenemende verwoestijning als gevolg van klimaatverandering, en anderzijds door de concentratie van land; overwegende dat speculatieve prijsstijgingen in veel lidstaten ernstige en in toenemende mate alarmerende problemen vormen voor nieuwkomers en jonge landbouwers; overwegende dat de huidige steunregelingen weliswaar de toegang tot financiering of kapitaal vergemakkelijken, maar geen oplossing bieden voor het wezenlijke probleem om toegang tot grond te verkrijgen voor het opzetten van een nieuw landbouwbedrijf;

P.  overwegende dat nieuwkomers op de markt, zoals jonge landbouwers, zeer gevoelig zijn voor prijsvolatiliteit en dat zij ook moeilijkheden ondervinden om toegang te krijgen tot financiering door banken of andere kredietprogramma's omdat het hun ontbreekt aan financiële activa die als waarborg kunnen worden gebruikt;

Q.  overwegende dat de steun van de EU voor jonge landbouwers doelgerichter moet worden ingezet om te zorgen voor generatievernieuwing en om de concentratie en de daling van het aantal landbouwbedrijven tegen te gaan;

R.  overwegende dat er ondanks de steunmaatregelen van de EU nog steeds uitdagingen bestaan in verband met de vestiging van jonge landbouwers en de generatievernieuwing in de landbouwsector van de EU;

S.  overwegende dat er onder nieuwkomers meer vrouwen als hoofdlandbouwer worden aangemerkt dan in de landbouwsector in het algemeen;

T.  overwegende dat het demografische beeld in sommige regio's van de EU zeer onevenwichtig is, met weinig of geen jonge inwoners;

U.  overwegende dat jonge landbouwers en nieuwkomers belangrijke bronnen van innovatie en ondernemerschap in de landbouw zijn, die voordelen opleveren zoals de toepassing van nieuwe kennis of technieken, de ontwikkeling van nieuwe bedrijfsmodellen die toegespitst zijn op eindgebruikers, de ontwikkeling van duurzamere landbouwsystemen, de ontwikkeling van nieuwe organisatiemodellen (bijv. deelpacht, voorfinanciering, crowdsourcing), de versterking van de banden tussen de landbouw en de lokale gemeenschap en de aanpassing van traditionele kennis om bedrijfsinnovaties te ontwikkelen (bijv. ambachtelijke levensmiddelenproductie);

V.  overwegende dat grote delen van de berggebieden met bijzondere moeilijkheden te kampen hebben als gevolg van lagere investeringscijfers, specifieke omstandigheden en onbegaanbaarheid, waardoor jongeren worden ontmoedigd in deze regio's te blijven of er een bedrijf op te zetten;

W.  overwegende dat daardoor over een flexibelere aanpak voor de nationale en/of regionale autoriteiten moet worden nagedacht wanneer de regeling voor jonge landbouwers wordt toegepast in landen met dergelijke regio's;

X.  overwegende dat nieuwkomers over het algemeen kleinere landbouwbedrijven exploiteren en daarom moeite hebben om grondstoffen tegen concurrerende prijzen te verkrijgen en om de hoeveelheden te produceren die nodig zijn om schaalvoordelen te behalen;

Y.  overwegende dat 80 % van de GLB-subsidies wordt verdeeld over slechts 20 % van de landbouwbedrijven in de EU en dat de werkelijke verdeling van de subsidies zelfs nog ongelijker zou kunnen zijn, aangezien uit de beschikbare statistieken niets kan worden afgeleid over eigendom van en zeggenschap over landbouwbedrijven;

Z.  overwegende dat het door de Europese Raad van jonge landbouwers in 2015 gelanceerde "Young Farmers Manifesto" pleit voor: toegang tot landbouwgrond en kredieten via overheidssteun, regelgeving om oneerlijke handelspraktijken in de voedselvoorzieningsketen tegen te gaan, maatregelen om de inkomensonzekerheid van jonge landbouwers te beperken, en steun voor investeringen en toegang tot landbouwgrond met het oog op behoud en bescherming van de bodem en optimalisering van het grondgebruik voor voedselproductie door jonge landbouwers;

AA.  overwegende dat jonge landbouwers de sleutel zijn tot een duurzame, gediversifieerde en inclusieve landbouwsector, en dat de toekomst van de voedselproductie en de bescherming van het milieu en het platteland kunnen worden veiliggesteld door hun toegang tot deze sector te bevorderen;

AB.  overwegende dat extreme prijsschommelingen van landbouwproducten een ernstige belemmering vormen voor degenen die landbouwactiviteiten willen gaan ontplooien, waardoor deze personen vaak genoodzaakt zijn om zich te richten op gespecialiseerde producten waarmee ze veiligere winstmarges kunnen behalen;

AC.  overwegende dat in de EU-wetgeving de begrippen "jonge landbouwers" en "landbouwers die met hun landbouwactiviteit beginnen" worden erkend;

AD.  overwegende dat het proces van concentratie van landbouwgrond steeds verder voortschrijdt; overwegende dat tussen 2005 en 2015 het aantal landbouwbedrijven met circa 3,8 miljoen is afgenomen en de gemiddelde omvang met 36 % is toegenomen;

AE.  overwegende dat in de Cork 2.0-verklaring van 6 september 2016 bezorgdheid wordt geuit over de uittocht, met name van jongeren, uit het platteland en erop wordt gewezen dat ervoor moet worden gezorgd dat plattelandsgebieden en -gemeenschappen (platteland, bedrijven, dorpen en kleine steden) aantrekkelijke plekken blijven om te wonen en te werken door de toegang tot diensten zoals scholen, ziekenhuizen, kraamzorg, breedbandnetwerken en vrijetijdsvoorzieningen alsmede faciliteiten voor burgers op het platteland te verbeteren om ondernemerschap te bevorderen in zowel traditionele rurale als nieuwe economische sectoren;

AF.  overwegende dat er voor een generatievernieuwing in de eerste plaats sprake moet zijn van echte bereidwilligheid bij verkozen politici (op EU- en nationaal niveau) en de verantwoordelijken in de sector, en met name de oudere generaties; overwegende dat deze bereidwilligheid een ambitieus en coherent algemeen beleid veronderstelt – wat vandaag de dag niet echt het geval is – dat gepaard gaat met zowel GLB-instrumenten als diverse nationale beleidsinstrumenten op uiteenlopende gebieden als grondgebruik, financiering, exploitatievormen, beleidsmaatregelen voor de structuur van landbouwbedrijven, belastingheffing, erfrecht, pensioenstelsels, opleiding enz.;

AG.  overwegende dat jonge landbouwers in de EU vandaag de dag concurreren in een snel veranderende agrarische sector; overwegende dat innovatie, onderzoek en precisielandbouw de mogelijkheid van hogere landbouwopbrengsten met zich meebrengen en tegelijkertijd zorgen voor een beter beheer van de hulpbronnen;

AH.  overwegende dat het aantal ingediende aanvragen voor de in de tweede pijler van het GLB opgenomen steunmaatregel inzake de vestiging van jonge landbouwers in sommige lidstaten het totale aantal verwachte nieuwe landbouwbedrijven voor de programmeringsperiode 2014-2020 heeft overschreden;

AI.  overwegende dat jonge landbouwers, die net als alle andere landbouwers in de EU hun producten produceren en op de Europese interne markt plaatsen, niet in alle lidstaten dezelfde zakelijke of leenvoorwaarden genieten;

AJ.  overwegende dat er initiatieven zijn ontplooid, zoals het "EU-actieplan voor slimme dorpen";

AK.  overwegende dat plattelandsgebieden bewoond moeten blijven, zowel door jongeren in de beroepsleeftijd als door ouderen;

Aanbevelingen

Begroting en toegang tot financiering

1.  steunt het behoud van een sterk gemeenschappelijk landbouwbeleid met het oog op de komende hervorming, aangezien dit de belangrijkste stimulans zou zijn voor jonge mensen die landbouwactiviteiten willen gaan ontplooien;

2.  pleit voor de tenuitvoerlegging van de recente beslissingen die in het kader van de omnibusverordening zijn genomen en wenst dat de steun in het kader van de regeling voor jonge landbouwers wordt voortgezet door de maximale financiering op nationaal niveau te verhogen tot meer dan 2 % voor de verplichte betalingen uit hoofde van de eerste pijler en door de steunbedragen uit hoofde van de tweede pijler te verhogen teneinde generatievernieuwing in de hand te werken; benadrukt dat in elk toekomstig GLB de versterking van een steunmaatregel voor startende jonge landbouwers (subsidies voor jonge landbouwers) in overweging moet worden genomen;

3.  is verheugd over het feit dat de lidstaten in het kader van de omnibusverordening de mogelijkheid krijgen om de financiële toewijzing voor jonge landbouwers uit hoofde van de eerste pijler te verhogen tot 50 % van de bestaande drempels (voorheen 25 %); beveelt, ter bevordering van de generatievernieuwing, aan de periode waarin het bedrijf voor deze steun in aanmerking kan komen te verhogen; is ook ingenomen met het besluit dat de onder de eerste pijler opgenomen limiet ten aanzien van de toegang tot steun door middel van de omnibusverordening wordt herzien en wordt verhoogd van vijf naar tien jaar vanaf de datum van oprichting van het bedrijf;

4.  is verheugd over het feit dat jonge landbouwers, zoals bepaald in de omnibusverordening, in aanmerking komen voor vestigingssteun in het kader van plattelandsontwikkeling, ook wanneer zij een bedrijf opzetten samen met andere landbouwers die ofwel ouder zijn dan veertig jaar, met het oog op een betere generatiewisseling, ofwel jong zijn, waardoor de steun wordt geïntensiveerd;

5.  merkt op dat de GLB-instrumenten voor jonge landbouwers moeten worden toegespitst op de specifieke behoeften van jonge landbouwers, met inbegrip van hun economische en sociale behoeften;

6.  beveelt aan om de steunmiddelen af te stemmen op de leeftijd van de jonge landbouwers zelf en op hun opleidingsniveau;

7.  is verheugd over het in maart 2015 door de Commissie en de Europese Investeringsbank (EIB) voorgestelde garantie-instrument voor de landbouw, dat het voor jonge landbouwers gemakkelijker moet maken om toegang tot krediet te krijgen; doet de aanbeveling dat de toegang tot financiering wordt verbeterd door nieuwkomers, ook vanuit particuliere financiële instellingen, leningen met rentesubsidie te verstrekken, in het bijzonder door de inzet van financieringsinstrumenten voor de toekenning van rentevrije leningen voor investeringen van jonge landbouwers; pleit voor een betere samenwerking met het EIB en het Europees Investeringsfonds (EIF) om financieringsinstrumenten in het leven te kunnen roepen ten behoeve van jonge landbouwers in alle lidstaten;

8.  acht het noodzakelijk om nieuwe vormen van participatieve financiering in de landbouw en de bestaande overbruggingsfinanciering voor grond in de EU te bevorderen, die vervolgens kunnen worden gecombineerd met deze nieuwe financieringsinstrumenten;

9.  beveelt aan de door banken en financiële instellingen uitgevoerde kredietwaardigheidsbeoordelingen van landbouwbedrijven te verbeteren, onder meer door optimaal gebruik te maken van de financieringsinstrumenten van het GLB;

10.  beveelt aan de door de Europese structuur- en investeringsfondsen ("ESI-fondsen") geboden mogelijkheden toegankelijker te maken, die erin bestaan om, in aanvulling op de steun in het kader van het GLB, op synergetische wijze financieringsinstrumenten op te zetten en ten uitvoer te leggen in de vorm van leningen, garanties of equityfondsen waarmee jonge landbouwers toegang hebben tot financiering; merkt op dat een solide landbouwbedrijfsplan meestal een cruciale factor is om financiering te ontvangen en is van mening dat de normen voor behoedzame kredietverstrekking moeten worden toegepast; benadrukt dat er bemiddeling nodig is voor landbouwers en beveelt dan ook aan dat steunregelingen vergezeld moeten gaan van gekwalificeerde en onafhankelijke financiële adviesdiensten;

11.  benadrukt dat de regeling voor jonge landbouwers beter onder de aandacht moet worden gebracht door de lidstaten en roept op tot nauwere samenwerking tussen de nationale, regionale en lokale autoriteiten om de informatie over de steuninstrumenten voor jonge landbouwers te verspreiden;

12.  roept de Commissie op steunmaatregelen voor investeringen in slimme landbouw voor te stellen teneinde de toegang van jonge landbouwers tot technologische ontwikkelingen te verhogen;

Administratie en vereenvoudiging van de ten uitvoer gelegde maatregelen

13.  is verheugd over het feit dat de hervorming van het gemeenschappelijk landbouwbeleid (GLB) 2014-2020 nieuwe maatregelen heeft geïntroduceerd om jonge landbouwers te helpen landbouwbedrijven op te zetten; uit zijn bezorgdheid over het feit dat er vanwege de administratieve rompslomp vaak geen gebruik van deze maatregelen wordt gemaakt; constateert dat de algemene administratie van de rechtstreekse betalingen en de maatregelen in het kader van het plan voor plattelandsontwikkeling als zeer complex en lastig wordt ervaren, met name door nieuwkomers die niet bekend zijn met het betalingssysteem; beveelt aan meer inspanningen te leveren om de procedures te vereenvoudigen en de tijd die nodig is voor de goedkeuring van betalingen terug te dringen;

14.  is ingenomen met de wijzigingen die in de omnibusverordening zijn aangebracht ter ondersteuning van jongeren waarmee hun toegang tot financieringsinstrumenten wordt verbeterd en wordt voorzien in een verhoging van de bedrijfstoeslag uit hoofde van de eerste pijler;

15.  roept op tot systematische adviesverlening, met name voor jongeren die niet van het platteland afkomstig zijn;

16.  feliciteert de Commissie met haar voornemen om de maatregelen voor generatievernieuwing in het kader van de komende hervorming van het GLB te verdiepen, maar is van mening dat deze nieuwe initiatieven vergezeld moeten gaan van een toereikende EU-begroting, omdat zij anders niet het gewenste stimulerende effect zullen hebben;

17.  betreurt het gebrek aan coördinatie tussen de betalingen voor jonge landbouwers en de maatregelen inzake startpremies die door verschillende instanties worden beheerd;

18.  dringt er bij de Commissie op aan een meer holistische aanpak te ontwikkelen die meer synergie mogelijk maakt tussen steun uit hoofde van de eerste pijler en steun uit hoofde van de tweede pijler, en benadrukt dat de laatstgenoemde steun door alle lidstaten ten uitvoer moet worden gelegd;

19.  constateert dat de meeste nieuwe landbouwbedrijven zich in een concurrerende omgeving met snel veranderende omstandigheden bevinden; beveelt aan landbouwers in de EU meer flexibiliteit te bieden om op veranderende marktomstandigheden in te spelen aan de hand van hun bedrijfsplannen; is van menig dat overwogen moet worden de betalingstermijnen te wijzigen;

20.  merkt op dat de lidstaten via beide pijlers van het GLB de mogelijkheid hebben andere instrumenten te hanteren en spoort de lidstaten met specifieke geografische uitdagingen, zoals bergachtige of in sommige gevallen minder ontwikkelde regio's, aan te overwegen een vermenigvuldigingsfactor (bijv. twee) in te voeren, waarbij rekening wordt gehouden met het aantal oogsten per jaar of de verschillende gewassen die daar kunnen worden geteeld, wanneer zij steun verlenen aan jonge landbouwers die zich in die regio's willen vestigen, teneinde activiteiten in deze regio's te stimuleren en te proberen het hoofd te bieden aan de demografische uitdagingen in die gebieden;

21.  wijst erop dat oneerlijke handelspraktijken in de voedselvoorzieningsketen waarmee de koper en/of de verwerkende partij of handelaar hun gunstige onderhandelingspositie ten aanzien van hun leveranciers kunnen benutten, een ernstige bedreiging vormen voor de stabiliteit van de bedrijven van landbouwers; roept de Commissie ertoe op om adequate regelgeving op EU-niveau vast te stellen;

22.  roept de lidstaten op de nodige regelgevende wijzigingen door te voeren zodat steun aan jongeren voor het toetreden tot de agrarische sector en de verbetering van landbouwbedrijven voor jongeren in alle nationale wetgeving wordt aangemerkt als een kapitaalsubsidie in plaats van een lopende subsidie;

23.  erkent dat landbouwers de touwtjes in handen moeten houden wat betreft het beheer van hun grond en dat een landbouwbedrijf vrij en flexibel moet zijn om goed te kunnen functioneren, zoals elke andere soort onderneming;

24.  benadrukt dat betalingen aan jonge landbouwers niet mogen worden uitgesteld, maar periodiek en op voorspelbare wijze moeten plaatsvinden om te voorkomen dat zij in de schulden raken en daardoor hun projecten niet kunnen uitvoeren;

25.  dringt aan op een resultaatgerichte aanpak die de ontwikkeling van nieuwe innovaties en een beter beheer van de middelen stimuleert en zo gemotiveerde jonge landbouwers meer daadkracht geeft;

26.  herinnert eraan dat een landbouwbedrijf alleen economisch levensvatbaar kan zijn als het kan uitbreiden om een kritische omvang te bereiken die in overeenstemming is met de economische realiteit van de markt;

27.  beklemtoont dat rekening moet worden gehouden met de verscheidenheid aan grondgebieden, met name de moeilijke regio's die op maat gemaakte ondersteuning nodig hebben;

Toegang tot landbouwgrond en tegengaan van landroof

28.  constateert dat de toegang tot landbouwgrond een van de grootste drempels voor jonge landbouwers en nieuwkomers in de landbouw in de EU vormt en beperkt is als gevolg van het feit dat in veel regio's weinig landbouwgrond te koop of te huur wordt aangeboden, alsook als gevolg van de concurrentie met andere landbouwers, investeerders en gebruikers die de grond voor woondoeleinden gebruiken, en moeilijkheden om financiering te krijgen; is van mening dat de omstandigheden die de toegang tot landbouwgrond beperken in elke lidstaat nader moeten worden onderzocht; is van mening dat het probleem met betrekking tot de toegang tot landbouwgrond wordt verergerd door het huidige systeem van rechtstreekse betalingen dat kan leiden tot hogere pachtkosten en aankoopprijzen, gebaseerd is op een minimaal actief gebruik van de grond en subsidies grotendeels op basis van grondbezit toekent; is van mening dat bepaalde landbouwers, in de hoedanigheid van eigenaar of pachter, worden gestimuleerd hun activiteiten voort te zetten om hun subsidie te blijven ontvangen door een beroep te doen op dienstverleners om hun grond te bewerken of door hun arealen zo min mogelijk te bewerken; beveelt aan de vereiste activiteit te verhogen, met inachtneming van nieuwe landbouwmodellen bij de toewijzing van betalingen die gericht zijn op steun voor het behalen van specifieke resultaten (zoals de netto werktijd die wordt besteed aan de landbouw, waarbij ook rekening wordt gehouden met innovaties, de productie van specifieke milieuproducten of goederen die een maatschappelijke doelstelling dienen), en een verbod in te stellen op de ongerechtvaardigde combinatie van subsidies met de uitbetaling van ouderdomspensioenen;

29.  herinnert eraan dat jonge landbouwers voor de beoefening van duurzame landbouw de mogelijkheid moeten hebben te investeren in landbouwgrond of deze grond te verwerven, nieuwe of tweedehands machines te kopen en hun landbouwtechnieken te optimaliseren;

30.  benadrukt dat eigenaars de vrijheid moeten hebben om te verkopen aan wie zij willen en verzoekt de Commissie de overdracht van grond en in het bijzonder opvolging te vergemakkelijken om de vestiging van jongeren te bevorderen;

31.  roept de Commissie en de lidstaten op maatregelen te nemen om grondspeculatie met landbouwgrond tegen te gaan, aangezien de toegang tot grond het grootste probleem is waarmee jonge en nieuwe landbouwers te kampen hebben;

32.  verzoekt de Commissie aanbevelingen op EU-niveau te doen ter bevordering van een actiever nationaal beleid inzake de toegang tot landbouwgrond op basis van beste praktijken;

33.  roept de lidstaten op om nieuwkomers en jonge landbouwers voorrang te geven bij de toegang tot landbouwgrond door, overeenkomstig de Interpretatieve mededeling van de Commissie over de verwerving van landbouwgrond en het recht van de Europese Unie(5), ten volle gebruik te maken van regelgevende instrumenten die in sommige lidstaten al met succes ten uitvoer zijn gelegd; is in dit verband van mening dat de lidstaten instrumenten kunnen ontwikkelen zoals grondbanken om de toegang tot grond te vergemakkelijken en de landbouwgrond die niet in gebruik is en dus voor jonge landbouwers beschikbaar is in kaart te brengen;

34.  onderschrijft het belang van een uitzondering voor jonge landbouwers op de huidige limiet van 10 % voor de aankoop van grond, vastgesteld bij Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 480/2014 van de Commissie van 3 maart 2014 inzake structuurfondsen en in de richtsnoeren inzake staatssteun;

35.  roept op om steun meer te richten op geïsoleerde of dunbevolkte gebieden of gebieden die het meest te lijden hebben onder het gebrek aan generatievernieuwing;

36.  verzoekt de Commissie om de uitwisseling van beste praktijken inzake de toegang tot grond in de lidstaten te ondersteunen;

37.  verzoekt de Commissie een beoordeling uit te voeren van de directe en indirecte effecten van het opkopen van grond en landbouwgrond door niet‑EU-ingezetenen op de beschikbaarheid en prijs van landbouwgrond;

38.  stelt voor dat de lidstaten in het kader van hun nationale beleid adviesdiensten voor landbouwbedrijven en -beheer aanmoedigen om op landbouwmobiliteit en opvolgingsplanning gerichte diensten te ondersteunen en mogelijk te maken;

39.  verzoekt alle lidstaten een steunregeling voor de overdracht van landbouwbedrijven in te voeren om steun te verstrekken aan exploitanten van landbouwbedrijven die ouder zijn dan 55 jaar, geen opvolger hebben en die bij pensionering in een precaire situatie terecht kunnen komen, op voorwaarde dat zij hun bedrijf geheel of gedeeltelijk overdragen aan een of meer jongeren;

40.  dringt er bij de lidstaten op aan mechanismen in te voeren om te zorgen voor gedeeld eigenaarschap van landbouwbedrijven en daarbij bijzondere aandacht te besteden aan jonge vrouwen teneinde de eerbiediging van hun rechten te waarborgen;

41.  is van mening dat de definitie van "actieve landbouwer" niet mag leiden tot administratieve rompslomp die verder gaat dan de lasten die voortvloeien uit de meest recente hervorming, noch tot een beperkte toegang voor jongeren tot de landbouw als gevolg van buitensporige voorwaarden;

42.  constateert dat in veel lidstaten generatievernieuwing en de toegang tot landbouwgrond voor jonge landbouwers worden belemmerd als gevolg van late opvolging; is van mening dat het huidige GLB inmiddels in prikkels voorziet waarmee oudere landbouwers worden gestimuleerd hun landbouwbedrijven over te dragen aan de jongere generatie; beveelt aan maatregelen in overweging te nemen die oudere eigenaren aansporen hun bedrijf aan jonge landbouwers over te dragen, bijvoorbeeld in de vorm van de regeling ten behoeve van de uittreding van landbouwers en andere prikkels voor uittreding om de concentratie van grond door naburige exploitanten te vermijden; benadrukt het belang van juridische structuren zoals de "Groupement Agricoles d'Exploitation en Commun" (landbouwvereniging tot gezamenlijke exploitatie, GAEC) die jongeren kunnen helpen om samen een bedrijf op te richten en de overdracht tussen verschillende generaties kan vergemakkelijken;

43.  roept de Commissie en de lidstaten op het gebruik van de mogelijkheden in het kader van plattelandsontwikkeling te stimuleren om nieuwe acties ter bevordering van landbouwmobiliteit te ondersteunen, met inbegrip van grondbanken, initiatieven voor het matchen van landbouwgrond en andere initiatieven op lokaal niveau om de toegang tot grond voor nieuwkomers te bevorderen;

44.  is van mening dat jonge landbouwers in de hele Unie onder dezelfde voorwaarden en tegen dezelfde rente toegang tot leningen moeten hebben en dat hierin geen verschillen mogen bestaan; verzoekt in dit verband de Commissie, samen met de Europese Investeringsbank, passende steunmaatregelen en kredietfaciliteiten voor jonge landbouwers vast te stellen;

45.  dringt aan op de bevordering van nieuwe samenwerkingsmodellen tussen verschillende generaties landbouwers op basis van maatschapconstructies, coöperaties voor het gemeenschappelijke gebruik van landbouwwerktuigen, leasingcontracten voor de lange termijn en andere langetermijnregelingen, onderlinge regelingen tussen landbouwbedrijven, en financiële steun voor nationale of regionale organisaties die diensten stimuleren en faciliteren om jonge en oudere landbouwers bijeen te brengen (bijvoorbeeld in de vorm van op landbouwmobiliteit gerichte diensten);

46.  merkt op dat een grotere en sterkere organisatie van landbouwers door middel van het opzetten van coöperaties en de vorming van producentenorganisaties in de sectoren die op EU-niveau door de verordening tot vaststelling van een gemeenschappelijke marktordening (GMO) zijn gereguleerd, kan bijdragen aan een hoger rendement van landbouwactiviteiten en aan de bescherming van het inkomen van landbouwers, met name van jonge landbouwers, door productiekeuzes te begeleiden en optimaal gebruik te maken van de kenmerken van plattelandsgebieden; voegt daaraan toe dat een structurele hervorming van de producentenorganisaties waarmee ze verantwoordelijker, sterker en efficiënter worden, en een grotere mate van vereniging in de eerste plaats een doeltreffende bijdrage kunnen leveren aan de bescherming en op termijn de verhoging van het rendement van de sector;

47.  wijst op de verschillen in de situatie van generatievernieuwing binnen families en van nieuwkomers; is van mening dat beroepsopleiding en cursussen moeten worden afgestemd op de behoeften van degenen die het familiebedrijf willen overnemen of van degenen die van plan zijn een nieuw bedrijf op te zetten;

48.  benadrukt dat jonge vrouwen moeten worden aangemoedigd om de verantwoordelijkheid voor het beheer in de landbouw op zich te nemen en dat zij voldoende steun moeten krijgen op het gebied van toegang tot landbouwgrond, krediet en uitgebreidere kennis van wet- en regelgeving;

49.  is van mening dat de keuze om de toegang tot landbouwgrond te reguleren en dienovereenkomstig prikkels of beperkingen in te voeren aan de lidstaten moet worden overgelaten, met name om het fenomeen van landroof in de EU tegen te gaan en jonge landbouwers aan te sporen een eigen bedrijf op te zetten;

50.  verzoekt de Commissie om in samenwerking met de lidstaten en belanghebbenden de onlangs aangenomen mededeling over het systeem van criteria voor de grondmarkten verder te ontwikkelen zodat de EU-wetgeving daadwerkelijk gelijke concurrentievoorwaarden voor alle potentiële kopers van grond handhaaft – met inbegrip van positieve discriminatie ten gunste van EU-landbouwers – en dat het voor de EU-lidstaten in het kader van de vier fundamentele vrijheden volkomen duidelijk wordt welke maatregelen voor de regulering van de grondmarkten zijn toegestaan, zodat landbouwers gemakkelijker grond kunnen verkrijgen voor land- en bosbouwdoeleinden; verzoekt de Commissie om de lopende inbreukprocedures die tot doel hebben te beoordelen of de wetgeving van de lidstaten inzake de verkoop van landbouwgrond verenigbaar is met de EU-wetgeving, op te schorten totdat de definitieve mededeling met bovengenoemde criteria is gepubliceerd;

51.  acht het noodzakelijk dat in het nationale beleid inzake grondgebruik, stadsplanning en ruimtelijke ordening (vervoerinfrastructuur enz.) rekening wordt gehouden met het fenomeen van verspilling en vervolgens braaklegging van grond om deze opnieuw in gebruik te nemen, zodat er meer grond beschikbaar komt voor jonge landbouwers die zich willen vestigen;

52.  is ingenomen met de Interpretatieve mededeling van de Commissie over de verwerving van landbouwgrond en het recht van de Europese Unie, maar wijst erop dat in de mededeling onvoldoende wordt aangegeven hoe de aankoop van aandelen door ondernemingsgroepen die vaak actief zijn over de grenzen, kan worden gereguleerd; verzoekt de Commissie de mededeling in dit verband bij te werken;

53.  onderstreept het belang van samenhang tussen lokale, nationale en EU-maatregelen voor jonge landbouwers; roept de lidstaten op om generatievernieuwing te bevorderen, bijvoorbeeld door middel van erfenis- en belastingwetgeving, regels inzake toegang tot grond, ruimtelijke ordening en opvolgingsstrategieën voor landbouwbedrijven;

54.  roept de lidstaten op vrouwen een eerlijke toegang tot grond te bieden om hen aan te moedigen zich in een plattelandsgebied te vestigen en een volwaardige en actieve rol te spelen in de landbouwsector;

55.  verzoekt de Commissie een studie te financieren over de huidige toestand van de grondconcentratie in de EU, waarin rekening wordt gehouden met het fenomeen van groepen ondernemingen met dochterondernemingen die grond of de zeggenschap daarover via aandelentransacties verwerven en waarin de risico's van grondconcentratie worden geanalyseerd, niet alleen wat betreft de toegang tot grond voor jonge landbouwers en nieuwkomers, maar ook wat betreft voedselvoorziening, werkgelegenheid, milieu, bodemkwaliteit en plattelandsontwikkeling in het algemeen;

56.  acht het van belang dat de EU wetgeving aanneemt over de kwaliteit van grond, die nog steeds achteruitgaat als gevolg van niet-adequate landbouwontwikkeling; wijst erop dat deze aantasting van de bodem niet alleen gevolgen heeft voor de markt en de prijs van grond, maar ook voor de productiecapaciteit van grond die wordt overgedragen aan toekomstige generaties landbouwers;

57.  stelt vast dat het huidige betalingssysteem van het GLB, en dan met name de ontkoppelde betalingen de overdracht van landbouwgrond niet bevordert en jonge landbouwers niet adequaat beschermt tegen schommelingen van de landbouwprijzen, waarvan zij duidelijk meer last hebben omdat ze pas begonnen zijn met hun bedrijf en praktische ervaring ontberen of misschien slechts in beperkte mate gebruik kunnen maken van financieringsinstrumenten;

Opleiding, innovatie en communicatie

58.  merkt op dat de in plattelandsgebieden aangeboden beroepsopleidingen met de actieve betrokkenheid van de nationale adviesdiensten gemoderniseerd moeten worden en dat daaraan meer waarde moet worden toegekend; is van mening dat de toegang tot het Europees Sociaal Fonds (ESF) vergemakkelijkt moet worden en dat er meer middelen moeten worden uitgetrokken voor beroepsopleidingen in plattelandsgebieden;

59.  onderstreept het meest recente EU-initiatief, het Europees Solidariteitskorps, dat jongeren de kans biedt om vrijwilligerswerk te verrichten of te werken aan projecten op het vlak van natuurlijke hulpbronnen en op verschillende terreinen zoals landbouw, bosbouw en visserij;

60.  beveelt aan deze jongeren aan te sporen zich bij coöperaties aan te sluiten, aangezien die belangrijk advies kunnen geven op het gebied van afzet, productie en andere aspecten die verband houden met hun landbouwbedrijf;

61.  benadrukt dat er behoefte is aan een herziening van de criteria voor de ondersteuning van de aansluiting van jongeren bij een maatschap waarover zij geen zeggenschap uitoefenen en dat in dat geval de ontvangen steun in verhouding moet staan tot het aandeel van de jongere in die maatschap;

62.  verzoekt de Commissie en de lidstaten potentiële en al actieve jonge landbouwers meer mogelijkheden voor opleiding en advies te bieden, onder meer met betrekking tot vaardigheden voor het opstarten van agrarische ondernemingen, landbouwvaardigheden, (nieuwe) technologische en ondernemersvaardigheden, zoals kennis op het gebied van marketing, netwerken, communicatie, innovatie, multifunctionaliteit en diversifiëring, en financiële expertise;

63.  verzoekt de Commissie en de lidstaten meer opleidingsmogelijkheden te bieden en meer mogelijkheden en stimulansen voor internationale mobiliteit; moedigt de invoering van een Erasmus-achtig programma in verband met beroepsopleiding aan om de vaardigheden en ervaring van jonge landbouwers te verbeteren, ook met betrekking tot nieuwe technologieën en nieuwe bedrijfsmodellen, en om te zorgen voor een doeltreffende en efficiënte overdracht van kennis;

64.  acht het belangrijk de uitbreiding te bevorderen van netwerken van onderzoekers, wetenschappers, managers en jonge Europese landbouwers die geïnteresseerd zijn in nieuwe modellen voor economische ontwikkeling waarmee innovatieve oplossingen kunnen worden gevonden voor de sociale en marktbehoeften die opkomen in de wereld van nieuwe landbouwondernemingen;

65.  roept de Commissie en de lidstaten op om jonge landbouwers en nieuwkomers informatie ter beschikking te stellen over innovatieve en niet-conventionele benaderingen die het meest geschikt zijn om een nieuw landbouwbedrijf op te zetten, zoals de ontwikkeling van nieuwe bedrijfsmodellen op basis van eindgebruikers, de ontwikkeling van duurzamere landbouwsystemen, de ontwikkeling van nieuwe organisatiemodellen (bijv. deelpacht, voorfinanciering, crowdsourcing), de versterking van de banden tussen de landbouw en de lokale gemeenschap en de aanpassing van traditionele kennis om bedrijfsinnovaties te ontwikkelen (bijv. ambachtelijke voedselproductie);

66.  roept, om het aantal faillissementen van bedrijven zoveel mogelijk te verminderen, op tot de invoering van een mechanisme om bedrijven te monitoren of te adviseren teneinde jongeren gedurende ten minste de eerste drie jaar van hun bedrijfsactiviteit voortdurend te ondersteunen bij het nemen van beslissingen;

67.  verzoekt de Commissie en de lidstaten initiatieven aan te moedigen, zoals het Franse "Demain je serai paysan" (Morgen word ik boer), die tot doel hebben een carrière als landbouwer onder jongeren te promoten en hun alle informatie te verstrekken die zij nodig hebben om zich te scholen en een bedrijf op te zetten;

68.  acht het van belang dat er een gunstig klimaat tot stand wordt gebracht voor de opvang van jongeren in agrarische beroepen door middel van collectieve en op solidariteit gebaseerde structuren, zoals groepen voor de gemeenschappelijke exploitatie van een landbouwbedrijf (maatschap van landbouwers), coöperaties voor het gemeenschappelijke gebruik van landbouwwerktuigen, coöperaties voor de verwerking en verkoop van landbouwproducten, groepen voor het delen van arbeidskrachten, bedrijfsvervangingsdiensten, groepen voor wederzijdse bijstand, groepen voor landbouwvoorlichting en innovatie, verenigingen van landbouwers en consumenten, netwerken tussen actoren in de landbouw en niet-agrarische actoren (Leader) enz.; benadrukt dat dankzij die organisatievormen ervaringen, advies en bepaalde kosten kunnen worden gedeeld, wat waardevol is voor de cashflow en de inkomsten van jongeren die vaak grote investeringen moeten doen bij het opstarten van hun bedrijf;

69.  merkt op dat het van belang is om op het gebied van aangeboden diensten en infrastructuur (bijvoorbeeld toegang tot snelle breedbandverbindingen, scholen en kinderdagverblijven, wegen, enz.) geen onderscheid te maken tussen jongeren in landelijke gebieden en jongeren in de steden; vindt het dan ook cruciaal dat jonge landbouwers op het platteland hun bedrijven verder kunnen ontwikkelen en hun gezin kunnen onderhouden;

70.  pleit ervoor dat ondernemende en initiatiefrijke vrouwen worden gestimuleerd, met name door bedrijfseigendom onder vrouwen en netwerken van vrouwelijke jonge landbouwers, nieuwkomers en ondernemers te bevorderen en er in de financiële sector die voor te zorgen dat vrouwelijke ondernemers op het platteland gemakkelijker toegang tot investeringen en kredieten hebben, zodat zij een onderneming kunnen opzetten die hun een stabiel inkomen oplevert;

71.  is van mening dat generatievernieuwing berust op de aantrekkelijkheid van het beroep van landbouwer, maar vooral op het vermogen van de landbouw om een fatsoenlijk inkomen te genereren voor degenen die ervan willen leven; benadrukt dat het GLB met het oog op een levensvatbare landbouw aan de hand van regelgevende maatregelen een minimum aan marktsturing mogelijk moet maken, met name wanneer de markten slecht functioneren en crises veroorzaken; wijst erop dat de huidige deregulering van de markten een negatief effect heeft op de ontwikkeling van de landbouw, jongeren afkeert van de landbouw en in het algemeen zwaardere gevolgen heeft voor jongeren die al gevestigd zijn en vaak hoge schulden hebben vanwege hun aanloopkosten;

Openbare diensten

72.  is van mening dat het ontwikkelen van moderne agro-ecologische landbouwpraktijken en nieuwe bedrijfsmodellen de landbouw tot een aantrekkelijkere optie voor jonge landbouwers zal maken; benadrukt dat jonge landbouwers moeten worden opgeleid en geschoold in de nieuwste technologieën om met name de huidige en toekomstige milieuproblemen aan te pakken; benadrukt dat het van belang is innovatieve en niet‑conventionele benaderingen, zoals agro-ecologie, nieuwe bedrijfsmodellen op basis van eindgebruikers, digitale landbouwtechnologieën en slimme oplossingen te ondersteunen en dringt er bij de Commissie op aan erop toe te zien dat een toekomstig GLB hierin voorziet;

73.  constateert dat jonge landbouwers een groot innovatie- en diversificatiepotentieel hebben, omdat zij veelal over meer vaardigheden en betere leidinggevende capaciteiten beschikken en meer geneigd zijn nieuwe markten te betreden, nieuwe productiemethoden te ontwikkelen en optimaal gebruik te maken van technologische ontwikkelingen en innovaties in de landbouwsector, die met name kunnen helpen om het hoofd te bieden aan de milieu-uitdagingen in de landbouw; acht het dan ook noodzakelijk om doorslaggevende steun te verlenen aan jongeren die innovatieve productietechnieken en -processen willen invoeren, zoals precisielandbouw en bodemconservering, die erop gericht zijn de rentabiliteit en ecologische duurzaamheid van de landbouwsector te verbeteren; verzoekt de Commissie om uitbreiding van het onderzoek naar het gebruik van technologieën en landbouwpraktijken die een duurzame landbouw met een lage impact op het milieu mogelijk maken; benadrukt dat het scheppen en behouden van nieuwe banen en de bevordering van innovatie en digitalisering op het gebied van beroepsopleiding in de landbouw van essentieel belang zijn voor de concurrentiekracht van de landbouw in de EU;

74.  benadrukt dat landbouwers toegang moeten hebben tot infrastructuur, betaalbare, kwalitatief hoogwaardige openbare faciliteiten en diensten, zoals gezondheidszorg, onderwijs, supersnelle breedbandnetwerken, begeleiding, opleiding, culturele diensten, postdiensten, openbaar vervoer en betere wegen; is van mening dat jongeren die op het platteland wonen van dezelfde levensomstandigheden en levensstandaard moeten kunnen genieten als jongeren die in stedelijke gebieden wonen teneinde de leegloop van het platteland en de geografische kloof niet verder te vergroten;

75.  verzoekt de Commissie en de lidstaten toe te zeggen alles in het werk te stellen om rechtstreekse afzetkanalen tot stand te brengen waarmee jonge landbouwers hun producten op duurzamere wijze en met een grotere winst op lokale markten kunnen verkopen;

76.  wijst erop dat een generatievernieuwing noodzakelijk is voor de verdere duurzame ontwikkeling van de kleinschalige landbouw en plattelandsgebieden;

77.  verzoekt de Commissie een "Agenda voor het platteland" te ontwikkelen, die gecoördineerde maatregelen moet omvatten in het kader van de verschillende EU-, nationale, regionale en lokale beleidsmaatregelen voor plattelandsontwikkeling;

78.  benadrukt dat het GLB slimme benaderingen nodig heeft, omdat deze nieuwe oplossingen het plattelandsleven en dorpen aantrekkelijk maken voor jongeren;

Maatregelen tegen de leegloop van het platteland

79.  acht het noodzakelijk jonge landbouwers toekomstperspectieven te bieden om de leegloop van het platteland tegen te houden, en verzoekt de Commissie en de lidstaten daarom nieuwe initiatieven te onderzoeken om ervoor te zorgen dat er op het platteland voldoende infrastructuur aanwezig is om nieuwe ondernemers en hun gezinnen te ondersteunen;

80.  beveelt in dit verband aan de harmonisatie te overwegen van maatregelen in het kader van de plattelandsontwikkelingsprogramma's en de eerste pijler van het GLB, maatregelen in het kader van het cohesiebeleid van de EU en maatregelen op nationaal, regionaal en lokaal niveau, teneinde de doeltreffendheid daarvan te verbeteren;

81.  wijst erop dat innovatie niet alleen betrekking heeft op landbouwtechnieken en nieuwe machines, maar ook op de ontwikkeling van nieuwe bedrijfsmodellen, waaronder instrumenten op het gebied van marketing, verkoop, opleiding, en gegevens- en informatieverzameling;

82.  verzoekt de Commissie in de komende GLB-hervorming rechtstreekse betalingen toe te kennen aan kleinschalige bedrijven en agro-ecologische landbouw, aangezien dit met name ten goede zal komen aan jonge landbouwers en nieuwkomers;

83.  wijst erop dat plattelandsgebieden ook moeten beschikken over diensten die de druk van de uitoefening van landbouwactiviteiten verlichten, zoals professionele begeleiding, financieel advies en advies over het beheer van landbouwbedrijven;

84.  benadrukt dat in plattelands- en afgelegen gebieden breedbandverbindingen moeten worden aangelegd; is ingenomen met de verschillende initiatieven op het gebied van "slimme dorpen", die uiteindelijk tot doel moeten hebben nieuwe werkgelegenheidskansen en banen te scheppen voor jongeren op het platteland, hetzij in de vorm van aanvullende activiteiten op landbouwbedrijven, hetzij in de vorm van niet‑agrarische activiteiten (sociale zorgvoorzieningen, mobiliteit, gezondheidszorg, toerisme, energie); is van mening dat de steeds hogere productiviteit in de landbouw en de dalende prijzen van landbouwproducten het steeds moeilijker zullen maken om voldoende inkomsten te genereren uit primaire landbouwactiviteiten, met name op kleine landbouwbedrijven;

85.  is van mening dat een succesvolle strategie voor generatievernieuwing en steun aan jonge landbouwers gebaseerd moet zijn op een holistische aanpak, waarmee de toegang van jonge landbouwers tot grond, financiering, adviesdiensten en opleidingen mogelijk wordt gemaakt, en dat daarbij rekening moet worden gehouden met generatievernieuwing ten voordele van jonge en oudere landbouwers; benadrukt dat de landbouw, die onmisbaar is voor de mensheid, daardoor een aantrekkelijke beroepssector moet worden voor jonge landbouwers en de samenleving als geheel;

86.  merkt op dat een sterke ondersteuning van jonge landbouwers en de ontwikkeling van nieuwe economische activiteiten in de landbouwsector van de EU van cruciaal belang zijn voor de toekomst van plattelandsgebieden en moeten worden bevorderd in het kader van het nieuwe GLB na 2020;

Het milieu en duurzaamheid

87.  verzoekt de Commissie toe te zien op een sterkere samenhang en harmonisatie van de milieumaatregelen; herinnert eraan dat jonge landbouwers duidelijke maatregelen nodig hebben die gemakkelijk kunnen worden uitgevoerd;

88.  is van mening dat, om ervoor te zorgen dat plattelandsgebieden bewoond blijven en te waarborgen dat de levensstandaard van de bevolking in deze gebieden vergelijkbaar is met die van stedelijke gebieden, de regelgevende en administratieve belemmeringen dringend moeten worden weggenomen, zodat exploitanten van landbouwbedrijven aanvullende agrarische en niet-agrarische activiteiten kunnen uitoefenen, met name op het gebied van sociale zorg, gezondheidszorg, toerisme, de mobiliteit van ouderen en energie, waardoor exploitanten van landbouwbedrijven en hun gezinnen een passend inkomen kunnen verdienen en het risico van ontvolking van het platteland wordt verminderd;

89.  roept op tot een nieuwe dialoog met de samenleving over de toekomst van de agrovoedingssector om een realistisch beeld te krijgen van het werk in de landbouw en om de kennis over de beroepsgroep "landbouwer" en de productie van levensmiddelen te verbeteren;

Andere

90.  verzoekt de Commissie en de lidstaten maatregelen te nemen om het inkomen van landbouwers te beschermen tegen diverse klimaat-, gezondheids- en economische risico's en zo de weerbaarheid van landbouwbedrijven te versterken, met name door nieuwe risicobeheersinstrumenten te introduceren en door reeds bestaande instrumenten te versterken;

91.  wijst in dit verband op de speciale eigenschappen van de ultraperifere gebieden van de EU waarvan de unieke milieu-, klimatologische en gezondheidssituatie heel anders is dan op het Europese continent, en pleit er dan ook voor dat er, zoals geregeld is in artikel 349 VWEU, beter rekening wordt gehouden met deze regio's en met hun specifieke behoeften en troeven bij de ontwikkeling en tenuitvoerlegging van de GLB‑instrumenten voor jonge landbouwers, ook wat de toegang tot financiering betreft;

92.  benadrukt dat kleine en familiebedrijven die onder zware omstandigheden werken en aanvullende bronnen van inkomsten zoeken nog meer moeten worden ondersteund, bijvoorbeeld door het financieren van adviesdiensten of innovatieve bedrijfsmodellen;

93.  acht het raadzaam dat bij generatievernieuwing ook intergenerationele vernieuwing ten behoeve van jonge en oudere landbouwers in aanmerking wordt genomen; wijst erop dat landbouwers een opvolgingsplan moeten opstellen en dat er overgangsbetalingen nodig zijn om deze opvolging mogelijk te maken;

º

º  º

94.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie, de Europese Rekenkamer en de regeringen en parlementen van de lidstaten.

(1)

PB L 347 van 20.12.2013, blz. 487.

(2)

PB L 347 van 20.12.2013, blz. 608.

(3)

PB L 350 van 29.12.2017, blz. 15.

(4)

Aangenomen teksten, P8_TA(2017)0197.

(5)

PB C 350 van 18.10.2017, blz. 5.


ADVIES van de Commissie milieubeheer, volksgezondheid en voedselveiligheid (22.3.2018)

aan de Commissie landbouw en plattelandsontwikkeling

inzake de invoering van GLB-instrumenten voor jonge landbouwers in de EU na de hervorming van 2013

(2017/2088(INI))

Rapporteur voor advies: Mairead McGuinness

SUGGESTIES

De Commissie milieubeheer, volksgezondheid en voedselveiligheid verzoekt de bevoegde Commissie landbouw en plattelandsontwikkeling onderstaande aanbevelingen in de bijlage bij haar ontwerpresolutie op te nemen:

–  gezien de resolutie van het Parlement van 27 april 2017 over de stand van zaken in verband met de concentratie van landbouwgrond in de EU: manieren om landbouwers betere toegang tot land te geven,

A.  overwegende dat er van de starters een hoger percentage vrouwen in de primaire landbouw werkt dan in de landbouwsector in het algemeen;

1.  is van mening dat het, met name gezien de vergrijzing van de Europese landbouwbevolking, cruciaal is voor de landbouwsector van de EU om een nieuwe generatie jonge landbouwers aan te sporen om duurzame praktijken te hanteren, in mondiale termen te denken en hun bewustzijn over milieukwesties te vergroten om het pad te effenen voor een koolstofarme en hulpbronnenefficiënte samenleving, en de vele uitdagingen die in het verschiet liggen aan te pakken, zoals klimaatverandering, het behoud van natuurlijke hulpbronnen (water en lucht), het verbeteren van de bodemkwaliteit, een toename van de biodiversiteit en de bevordering van duurzame landbouwproductie in de hele productieketen door productietechnieken te ontwikkelen die de veiligheid en de kwaliteit van de producten verbeteren, met de nadruk op gezonde en voedzame voeding;

2.  is van mening dat de ontwikkeling van moderne en milieuvriendelijke landbouwpraktijken en de stimulering van korte afzetkanalen die de positie van producenten in de waardeketen versterken en de voedselkwaliteit bevorderen, de landbouw aantrekkelijker zullen maken voor jonge landbouwers;

3.  verzoekt de Commissie toe te zien op een sterkere samenhang en harmonisatie van de milieumaatregelen; herinnert eraan dat jonge landbouwers duidelijke maatregelen nodig hebben die gemakkelijk kunnen worden uitgevoerd;

4.  beklemtoont dat rekening moet worden gehouden met de verscheidenheid aan grondgebieden, met name met de moeilijke regio's die op maat gemaakte ondersteuning nodig hebben;

5.  verzoekt de Commissie om uitbreiding van het onderzoek naar het gebruik van landbouwtechnologieën en -praktijken die een duurzame landbouw met een lage impact op het milieu mogelijk maken;

6.  herinnert eraan dat jonge landbouwers voor de beoefening van duurzame landbouw de mogelijkheid moeten hebben te investeren in landbouwgrond of deze grond te verwerven, nieuwe of tweedehands machines te kopen en hun landbouwtechnieken te optimaliseren;

7.  benadrukt dat de huidige instrumenten van het gemeenschappelijk landbouwbeleid (GLB) voor jonge en startende landbouwers moeten worden uitgebreid en vereenvoudigd om te kunnen voldoen aan de werkelijke behoeften van jonge landbouwers, en wel door de introductie van nieuwe instrumenten zoals beleggingsfondsen of het winstverhogende effect van verzekeringen, die kunnen worden ingezet om het inkomen van landbouwers te beschermen tegen de schommelingen van marktprijzen; merkt op dat deze instrumenten toegespitst moeten worden op de specifieke behoeften van jonge en startende landbouwers, met speciale aandacht voor de toegang tot land, en op hun economische en sociale behoeften, en dat er werk gemaakt moet worden van projecten met de grootste meerwaarde voor landbouwers, waarbij het milieu beschermd wordt en er een duidelijk onderscheid wordt gemaakt tussen startende en jonge landbouwers; voegt daaraan toe dat jonge landbouwers diversifiëring moeten kunnen aanbrengen in hun landbouwbedrijf; onderstreept dat de administratieve procedures voor jonge landbouwers efficiënt en eenvoudig moeten zijn om de administratieve rompslomp voor aanvragers en overheidsinstanties tot een minimum te beperken; is van mening dat het cruciaal is om milieu- en klimaatvriendelijke innovatieve oplossingen en technologieën toe te passen om het concurrentievermogen van de landbouw te versterken en voedselzekerheid op de lange termijn te bewerkstelligen;

8.  is van mening dat het aantal jaren waarin een landbouwbedrijf ondersteuning kan krijgen moet worden verhoogd van vijf naar ten minste zeven jaar om de generatiewisseling te bevorderen;

9.  verzoekt de Commissie en de lidstaten om onderzoek naar en de invoering van innovatieve milieupraktijken en de ontwikkeling van hernieuwbare energie in landbouwbedrijven te ondersteunen en te financieren, alsmede om de uitwisseling van optimale werkmethoden tussen landbouwers aan te moedigen;

10.  benadrukt dat generatievernieuwing essentieel is voor het behoud van vitale plattelandsgebieden en familiebedrijven in heel Europa met een gunstige invloed op banen, duurzame bedrijfsactiviteiten en innovatie, waarbij tegelijkertijd wordt gezorgd voor de continuïteit van de agrarische productie, het behoud van het lokale natuur- en cultuurlandschap en de instandhouding van lokale gemeenschappen;

11.  is van mening dat er bij generatievernieuwing rekening moet worden gehouden met de leeftijd van jonge landbouwers en dat er moet worden aangedrongen op een eerdere overdracht van het eigendom van landbouwbedrijven;

12.  merkt op dat hiervoor een langetermijnperspectief moet worden gehanteerd, vooral met betrekking tot de toegang tot infrastructuur en diensten, zoals gezondheidszorg, maatschappelijke dienstverlening, onderwijs, vervoer, snelle breedbandnetwerken, toegang tot krediet op duurzame voorwaarden, gepaste belastingvoordelen die gericht zijn op de verwerving of huur van grond, minder bureaucratische rompslomp, oprichting – of uitbreiding als ze al bestaan – van instanties voor het leveren van gerichte diensten aan jonge landbouwers, die in overeenstemming zijn met hun behoeften en met de nieuwe digitale technologieën; is dan ook van mening dat ervoor moet worden gezorgd dat jonge landbouwers op het platteland hun bedrijven verder kunnen ontwikkelen en hun gezin kunnen onderhouden;

13.  merkt op dat een grotere en sterkere organisatie van landbouwers door middel van het opzetten van coöperaties en de vorming van producentenorganisaties in de sectoren die op Europees niveau door de verordening tot vaststelling van een gemeenschappelijke marktordening (GMO) zijn gereguleerd, kan bijdragen aan een hoger rendement van landbouwactiviteiten en aan de bescherming van het inkomen van landbouwers, met name van jonge landbouwers, door productiekeuzes te begeleiden en optimaal gebruik te maken van de kenmerken van plattelandsgebieden; is van mening dat een structurele hervorming van de producentenorganisaties waarmee ze verantwoordelijker, sterker en efficiënter worden, en een grotere mate van vereniging in de eerste plaats doeltreffend kunnen bijdragen aan de bescherming van de sector en op termijn aan een hoger rendement ervan;

14.  wijst erop dat jonge landbouwers en starters binnen de landbouw van groot belang zijn voor het genereren van innovatie en ondernemerschap, en dat zij voordelen met zich meebrengen zoals de inzet van nieuwe kennis, de ontwikkeling van nieuwe bedrijfsmodellen die gebaseerd zijn op eindgebruikers, de ontwikkeling van duurzamere landbouwsystemen en nieuwe organisatiemodellen (bijv. deelpacht, voorfinanciering en crowdsourcing), een grotere betrokkenheid van de lokale gemeenschap bij landbouwactiviteiten en de aanpassing van traditionele kennis ten behoeve van de ontwikkeling van bedrijfsinnovaties (bijv. ambachtelijke voedselproductie);

15.  wijst erop dat de opgelegde onbillijke handelspraktijken in de voedselvoorzieningsketen, waardoor kopers en/of verwerkers of handelaren gebruik kunnen maken van hun aanzienlijk gunstigere onderhandelingspositie ten opzichte van de leveranciers, een ernstige bedreiging vormen voor de stabiliteit van landbouwbedrijven, de jongere generatie ontmoedigen om het landbouwbedrijf van hun ouders over te nemen en verdergaande inclusie van jonge landbouwers in de generatievernieuwing van plattelandsgebieden belemmeren; dringt er bij de Commissie op aan passende voorschriften op Europees niveau aan te nemen;

16.  herinnert eraan dat de toegang tot landbouwgrond voor jonge landbouwers en starters de grootste belemmering vormt;

17.  herinnert eraan dat kennisoverdracht naar partijen die verantwoordelijk zijn voor de uitvoering van milieubeleid een van de belangrijkste uitdagingen blijft en dat dit probleem dringend met de benodigde technische en financiële steun moet worden aangepakt; benadrukt dat jonge landbouwers door middel van een hoogwaardig opleidingstraject met bijzondere aandacht voor de vaardigheden waaraan een schrijnende behoefte is, moeten worden opgeleid en klaargestoomd om professioneel te groeien en steeds complexere oplossingen te vinden en in de praktijk te brengen om tegemoet te komen aan de huidige en toekomstige uitdagingen op het vlak van milieu, kwaliteit en economie, waaronder de toegang tot en het gebruik van de nieuwste technologische ontwikkelingen in de (duurzame) landbouw; is van mening dat het opleidingsniveau van jonge landbouwers een sleutelrol zal spelen om toekomstige uitdagingen het hoofd te kunnen bieden en dat hogere opleidingsniveaus dan ook moeten worden gehonoreerd met hogere financiële bijdragen; benadrukt dat dergelijke opleidingen door instellingen moeten worden opgezet en ondersteund om de technologische kloof te dichten; verzoekt in dit verband om de ontwikkeling en verspreiding van kennis en innovatie; benadrukt dat het voor het succes van oplossingen en innovatie van belang is dat de administratieve lasten niet zwaarder worden;

18.  is er voorstander van om een soort Erasmus-regeling in het leven te roepen ter verbetering van vaardigheden en ervaring van jonge landbouwers; meent dat een dergelijk programma gericht moet zijn op beroepsopleiding, in het voordeel moet zijn van jonge landbouwers en ook de regeling voor jonge landbouwers vooruit moet helpen;

19.  is van mening dat de in plattelandsgebieden aangeboden beroepsopleidingen gemoderniseerd moeten worden; is van mening dat de toegang tot het Europees Sociaal Fonds (ESF) vergemakkelijkt moet worden en dat er meer middelen moeten worden uitgetrokken voor beroepsopleidingen in plattelandsgebieden;

20.  verzoekt de Commissie en de lidstaten potentiële en al actieve jonge landbouwers meer opleidingsmogelijkheden te bieden, onder meer met betrekking tot vaardigheden voor het opstarten van landbouwondernemingen, landbouwvaardigheden, technologische vaardigheden en ondernemersvaardigheden, zoals kennis op het vlak van marketing, netwerken, communicatie en financiële expertise;

21.  verzoekt de Commissie en de lidstaten maatregelen te nemen om het inkomen van landbouwers te beschermen tegen diverse klimaat-, gezondheids- en economische risico's en zo de weerbaarheid van landbouwbedrijven te versterken, met name door nieuwe risicobeheersinstrumenten te introduceren en door reeds bestaande instrumenten te versterken;

22.  onderstreept het belang van samenhang tussen lokale, nationale en EU-maatregelen voor jonge landbouwers; verzoekt de lidstaten generatievernieuwing te vergemakkelijken, onder andere via erfrecht en belastingwetgeving, regels voor toegang tot grond, transparante procedures, ruimtelijke ordening en strategieën voor opvolging in het landbouwbedrijf; stelt vast dat het huidige betalingssysteem van het GLB, en dan met name de ontkoppelde betalingen, kan leiden tot hogere pachtkosten en aankoopprijzen, de overdracht van landbouwgrond niet bevordert en jonge landbouwers niet adequaat beschermt tegen schommelingen van de landbouwprijzen, waarvan zij duidelijk meer last hebben omdat ze pas begonnen zijn met hun bedrijf en praktische ervaring ontberen of slechts in beperkte mate gebruik kunnen maken van financieringsinstrumenten;

23.  verzoekt de Commissie en de lidstaten zich hard te maken voor rechtstreekse afzetkanalen die jonge landbouwers in staat stellen hun producten duurzamer en met grotere winsten op de lokale markten te verkopen;

24.  beveelt aan maatregelen te heroverwegen die oudere eigenaren aansporen hun bedrijf aan jongere landbouwers over te dragen, bijvoorbeeld in de vorm van de regeling ten behoeve van de uittreding van landbouwers en andere stimulansen voor uittreding;

25.  is van mening dat een succesvolle strategie voor generatievernieuwing gebaseerd moet zijn op een holistische aanpak waarmee goede milieupraktijken worden bevorderd, en gericht moet zijn op het creëren van nieuwe kansen op werk voor jongeren, de garantie op continuïteit van de landbouwproductie, de prestaties van het grondgebied en hechtere gemeenschappen, en dat jonge landbouwers daarmee tegelijkertijd gemakkelijker aan grond kunnen komen door middel van transparante procedures en eerlijke contracten, financiering van de bank en andere leenregelingen, financiering tegen soepele voorwaarden – die gericht is op jonge starters, met name kleine landbouwbedrijven – waardoor de uitwisseling van ervaringen tussen jonge landbouwers uit verschillende landen wordt bevorderd, zoals in het Erasmus-programma, en dat er adviesdiensten, agrarische opleidingen en duurzame landbouwpraktijken tot stand worden gebracht; benadrukt dat de duurzame landbouw, die onmisbaar is voor de mensheid, daardoor een aantrekkelijke en duurzame beroepssector moet worden voor jonge landbouwers en de samenleving als geheel; benadrukt dat het maatschappelijk middenveld moet inzien dat het werk van jonge landbouwers van algemeen belang is, en dat jonge landbouwers ook waardering moeten krijgen voor hun werk;

26.  wijst in dit verband op de speciale eigenschappen van de ultraperifere gebieden van de EU waarvan de unieke milieu-, klimatologische en gezondheidssituatie heel anders is dan op het Europese continent, en pleit er dan ook voor dat er, zoals geregeld is in artikel 349 VWEU, beter rekening wordt gehouden met deze regio's en met hun specifieke behoeften en troeven bij de ontwikkeling en tenuitvoerlegging van de GLB‑instrumenten voor jonge landbouwers, ook wat de toegang tot financiering betreft;

27.  benadrukt dat kleine en familiebedrijven die onder zware omstandigheden werken en aanvullende bronnen van inkomsten zoeken nog meer moeten worden ondersteund, bijvoorbeeld door het financieren van adviesdiensten of innovatieve bedrijfsmodellen;

28.  acht het belangrijk de uitbreiding te bevorderen van netwerken van onderzoekers, wetenschappers, managers en jonge Europese landbouwers die geïnteresseerd zijn in nieuwe modellen voor economische ontwikkeling waarmee innovatieve oplossingen kunnen worden gevonden voor de sociale en marktbehoeften die opkomen in de wereld van de nieuwe landbouwondernemingen;

29.  acht het raadzaam dat bij generatievernieuwing ook intergeneratievernieuwing ten behoeve van jonge en oudere landbouwers in aanmerking wordt genomen; wijst erop dat landbouwers een plan voor opvolging in hun bedrijf moeten opstellen en dat er overgangsbetalingen nodig zijn om deze opvolging mogelijk te maken;

30.  benadrukt dat in elk toekomstig GLB de invoering van een verplichte steunmaatregel voor startende jonge landbouwers in overweging moet worden genomen.

INFORMATIE OVER DE GOEDKEURING IN DE ADVISERENDE COMMISSIE

Datum goedkeuring

20.3.2018

 

 

 

Uitslag eindstemming

+:

–:

0:

61

1

0

Bij de eindstemming aanwezige leden

Marco Affronte, Margrete Auken, Pilar Ayuso, Ivo Belet, Biljana Borzan, Paul Brannen, Soledad Cabezón Ruiz, Nessa Childers, Birgit Collin-Langen, Miriam Dalli, Seb Dance, Angélique Delahaye, Mark Demesmaeker, Stefan Eck, Bas Eickhout, Karl-Heinz Florenz, Francesc Gambús, Elisabetta Gardini, Gerben-Jan Gerbrandy, Arne Gericke, Jens Gieseke, Julie Girling, Sylvie Goddyn, Françoise Grossetête, Andrzej Grzyb, Jytte Guteland, Anneli Jäätteenmäki, Karin Kadenbach, Kateřina Konečná, Urszula Krupa, Giovanni La Via, Jo Leinen, Peter Liese, Lukas Mandl, Valentinas Mazuronis, Susanne Melior, Rory Palmer, Massimo Paolucci, Piernicola Pedicini, Bolesław G. Piecha, Pavel Poc, Julia Reid, Frédérique Ries, Michèle Rivasi, Daciana Octavia Sârbu, Annie Schreijer-Pierik, Davor Škrlec, Renate Sommer, Claudiu Ciprian Tănăsescu, Ivica Tolić, Adina-Ioana Vălean, Jadwiga Wiśniewska, Damiano Zoffoli

Bij de eindstemming aanwezige vaste plaatsvervangers

Christofer Fjellner, Elena Gentile, Merja Kyllönen, Norbert Lins, Gesine Meissner, Ulrike Müller, Mihai Ţurcanu

Bij de eindstemming aanwezige plaatsvervangers (art. 200, lid 2)

Fernando Ruas, Ruža Tomašić

HOOFDELIJKE EINDSTEMMING IN DE ADVISERENDE COMMISSIE

61

+

ALDE:

Gerben-Jan Gerbrandy, Anneli Jäätteenmäki, Valentinas Mazuronis, Gesine Meissner, Ulrike Müller, Frédérique Ries

ECR:

Mark Demesmaeker, Arne Gericke, Urszula Krupa, Bolesław G. Piecha, Ruža Tomašić, Jadwiga Wiśniewska

EFDD:

Piernicola Pedicini

ENF:

Sylvie Goddyn

GUE/NGL:

Stefan Eck, Kateřina Konečná, Merja Kyllönen

PPE:

Pilar Ayuso, Ivo Belet, Birgit Collin-Langen, Angélique Delahaye, Christofer Fjellner, Karl-Heinz Florenz, Francesc Gambús, Elisabetta Gardini, Jens Gieseke, Julie Girling, Françoise Grossetête, Andrzej Grzyb, Giovanni La Via, Peter Liese, Norbert Lins, Lukas Mandl, Fernando Ruas, Annie Schreijer-Pierik, Renate Sommer, Ivica Tolić, Mihai Ţurcanu, Adina-Ioana Vălean

S&D:

Biljana Borzan, Paul Brannen, Soledad Cabezón Ruiz, Nessa Childers, Miriam Dalli, Seb Dance, Elena Gentile, Jytte Guteland, Karin Kadenbach, Jo Leinen, Susanne Melior, Rory Palmer, Massimo Paolucci, Pavel Poc, Daciana Octavia Sârbu, Claudiu Ciprian Tănăsescu, Damiano Zoffoli

VERTS/ALE:

Marco Affronte, Margrete Auken, Bas Eickhout, Michèle Rivasi, Davor Škrlec

1

-

EFDD

Julia Reid

0

0

 

 

Verklaring van de gebruikte tekens:

+  :  voor

-  :  tegen

0  :  onthouding


INFORMATIE OVER DE GOEDKEURING IN DE BEVOEGDE COMMISSIE

Datum goedkeuring

24.4.2018

 

 

 

Uitslag eindstemming

+:

–:

0:

33

2

3

Bij de eindstemming aanwezige leden

Clara Eugenia Aguilera García, Eric Andrieu, Daniel Buda, Nicola Caputo, Matt Carthy, Jacques Colombier, Michel Dantin, Paolo De Castro, Albert Deß, Jørn Dohrmann, Herbert Dorfmann, Norbert Erdős, Luke Ming Flanagan, Martin Häusling, Esther Herranz García, Peter Jahr, Ivan Jakovčić, Jarosław Kalinowski, Zbigniew Kuźmiuk, Norbert Lins, Philippe Loiseau, Mairead McGuinness, Giulia Moi, Ulrike Müller, Maria Noichl, Laurenţiu Rebega, Bronis Ropė, Maria Lidia Senra Rodríguez, Czesław Adam Siekierski, Tibor Szanyi, Marc Tarabella, Maria Gabriela Zoană, Marco Zullo

Bij de eindstemming aanwezige vaste plaatsvervangers

Bas Belder, Franc Bogovič, Jens Gieseke, Karin Kadenbach, Elsi Katainen, Momchil Nekov, Ivari Padar, Tom Vandenkendelaere, Thomas Waitz

Bij de eindstemming aanwezige plaatsvervangers (art. 200, lid 2)

Stanisław Ożóg


HOOFDELIJKE EINDSTEMMING IN DE BEVOEGDE COMMISSIE

33

+

ALDE

Ivan Jakovčić, Elsi Katainen, Ulrike Müller

ECR

Jørn Dohrmann, Zbigniew Kuźmiuk, Stanisław Ożóg, Laurenţiu Rebega

EFDD

Giulia Moi, Marco Zullo

ENF

Jacques Colombier, Philippe Loiseau

GUE/NGL

Matt Carthy

PPE

Franc Bogovič, Daniel Buda, Michel Dantin, Albert Deß, Herbert Dorfmann, Norbert Erdős, Jens Gieseke, Esther Herranz García, Jarosław Kalinowski, Norbert Lins, Mairead McGuinness, Tom Vandenkendelaere

S & D

Eric Andrieu, Nicola Caputo, Paolo De Castro, Karin Kadenbach, Momchil Nekov, Maria Noichl, Tibor Szanyi, Marc Tarabella, Maria Gabriela Zoană

2

-

GUE/NGL

Luke Ming Flanagan, Maria Lidia Senra Rodríguez

3

0

VERTS/ALE

Martin Häusling, Bronis Ropė, Thomas Waitz

Verklaring van de gebruikte tekens:

+  :  voor

-  :  tegen

0  :  onthouding

Laatst bijgewerkt op: 18 mei 2018Juridische mededeling - Privacybeleid