VERSLAG     ***I
PDF 628kWORD 86k
12.9.2018
PE 612.279v02-00 A8-0286/2018

over het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van de voorwaarden en procedure op grond waarvan de Commissie van ondernemingen en ondernemersverenigingen mag vragen informatie over de interne markt en aanverwante gebieden te verstrekken

(COM(2017)0257 – C8-0140/2017 – 2017/0087(COD))

Commissie interne markt en consumentenbescherming

Rapporteur: Eva Maydell

AMENDEMENTEN
ONTWERPWETGEVINGSRESOLUTIE VAN HET EUROPEES PARLEMENT
 ADVIES VAN DE COMMISSIE JURIDISCHE ZAKEN INZAKE DE RECHTSGROND
 PROCEDURE VAN DE BEVOEGDE COMMISSIE
 HOOFDELIJKE EINDSTEMMINGIN DE BEVOEGDE COMMISSIE

ONTWERPWETGEVINGSRESOLUTIE VAN HET EUROPEES PARLEMENT

over het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van de voorwaarden en procedure op grond waarvan de Commissie van ondernemingen en ondernemersverenigingen mag vragen informatie over de interne markt en aanverwante gebieden te verstrekken

(COM(2017)0257 – C8-0140/2017 – 2017/0087(COD))

(Gewone wetgevingsprocedure: eerste lezing)

Het Europees Parlement,

–  gezien het voorstel van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad (COM(2017)0257),

–  gezien artikel 294, lid 2, artikel 43, lid 2, artikelen 91, 100, 114, 192, artikel 194, lid 2, en artikel 337 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, op grond waarvan het voorstel door de Commissie bij het Parlement is ingediend (C8-0140/2017),

–  gezien het advies van de Commissie juridische zaken inzake de voorgestelde rechtsgrond,

–  gezien artikel 294, lid 3, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité van 18 oktober 2017(1),

–  gezien artikel 59 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie interne markt en consumentenbescherming (A8-0286/2018),

1.  stelt onderstaand standpunt in eerste lezing vast;

2.  verzoekt de Commissie om hernieuwde voorlegging aan het Parlement indien zij haar voorstel vervangt, ingrijpend wijzigt of voornemens is het ingrijpend te wijzigen;

3.  verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en aan de Commissie alsmede aan de nationale parlementen.

Amendement    1

Voorstel voor een verordening

Visum 1

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 43, lid 2, de artikelen 91, 100, 114 en 192, artikel 194, lid 2, en artikel 337,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 337,

Motivering

Met inachtneming van het advies van de Juridische Dienst van het Europees Parlement en in afwachting van het advies van de Commissie juridische zaken inzake de rechtsgrondslag van de voorgestelde verordening onder toepassing van artikel 39 van het Reglement is het opportuun de rechtsgrondslag te beperken tot artikel 337 VWEU zoals door de Juridische Dienst wordt geadviseerd.

(1)

PB C 81 van 2.3.2018, blz. 88.


ADVIES VAN DE COMMISSIE JURIDISCHE ZAKEN INZAKE DE RECHTSGROND

Mevrouw Anneleen Van Bossuyt

Voorzitter

Commissie interne markt en consumentenbescherming

STRAATSBURG

Betreft:  Advies inzake de rechtsgrond van het voorstel voor een Verordening van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van de voorwaarden en procedure op grond waarvan de Commissie van ondernemingen en ondernemersverenigingen mag vragen informatie over de interne markt en aanverwante gebieden te verstrekken (COM(2017)0257 – C8-0140/2017– 2017/0087(COD))

Geachte voorzitter,

Bij schrijven d.d. 3 april 2018 heeft u namens de Commissie interne markt en consumentenbescherming (IMCO) overeenkomstig artikel 39, lid 2, van het Reglement van het Europees Parlement de Commissie juridische zaken (JURI) verzocht de juistheid na te gaan van de door de Commissie voorgestelde rechtsgrond van het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van de voorwaarden en procedure op grond waarvan de Commissie van ondernemingen en ondernemersverenigingen mag vragen informatie over de interne markt en aanverwante gebieden(1) te verstrekken, ook wel bekend als "SMIT".

De Commissie baseerde haar voorstel op artikel 43, lid 2, de artikelen 91, 100, 114 en 192, artikel 194, lid 2, en artikel 337 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU). Tijdens de stemming over het verslag in IMCO werd een amendement aangenomen dat ertoe strekte de door de Commissie voorgestelde rechtsgrond te wijzigen en het voorstel uitsluitend te baseren op artikel 337 VWEU.

Een dergelijke wijziging zou tot gevolg hebben dat in plaats van de gewone wetgevingsprocedure een niet-wetgevingsprocedure moet worden toegepast (zoals vermeld in de derde alinea van paragraaf 25 van het Interinstitutioneel Akkoord over beter wetgeven van 13 april 2016). Over de beoogde wijziging moet in dat geval door het Parlement, de Raad en de Commissie van gedachten worden gewisseld. In dit kader zijn de artikelen 63 en 39 van het Reglement van toepassing.

I – Achtergrond

Op 28 oktober 2015, bij de aankondiging van de strategie voor de eengemaakte markt, verklaarde de Commissie dat zij "een regelgevingsinitiatief [zal] voorstellen waardoor zij rechtstreeks betrouwbare informatie van geselecteerde marktdeelnemers kan verzamelen teneinde de werking van de eengemaakte markt te vrijwaren en te verbeteren"(2). Dat voorgestelde informatie-instrument voor de eengemaakte markt moet deel gaan uitmaken van een algemene handhavingsstrategie die "een holistische aanpak [nastreeft] die alle stadia van de beleidsvorming bestrijkt, van de voorbereiding en de uitvoering van het beleid tot beleidsinformatie, in overeenstemming met het streven naar betere regelgeving. Dat omvat een betere integratie van de evaluatie- en handhavingsaspecten in de beleidsvoorbereiding, een betere bijstand en betere richtsnoeren voor de lidstaten bij de uitvoering van de regels van de eengemaakte markt en een consistenter en efficiënter handhavingsbeleid, gericht op het verbeteren van de algemene naleving van de regels van de eengemaakte markt en van het EU-recht in het algemeen".

Op 2 mei 2017 presenteerde de Commissie een "nalevingspakket", bestaande uit drie voorstellen ter verbetering van de praktische werking van de interne markt. Het voorstel voor een verordening tot vaststelling van de voorwaarden en procedure op grond waarvan de Commissie van ondernemingen en ondernemersverenigingen mag vragen informatie over de interne markt en aanverwante gebieden te verstrekken, waarbij het informatie-instrument voor de eengemaakte markt in het leven wordt geroepen, maakt deel uit van dit pakket.

De Commissie baseerde haar voorstel op artikel 43, lid 2, de artikelen 91, 100, 114 en 192, artikel 194, lid 2, en artikel 337 VWEU.

II – Relevante Verdragsbepalingen

De volgende artikelen van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie worden in het voorstel van de Commissie als rechtsgrond voorgesteld:

Derde deel van het VWEU "Het beleid en intern optreden van de Unie", titel III "Landbouw en visserij":

Artikel 43, lid 2

(oud artikel 37 VEG)

2. Het Europees Parlement en de Raad stellen volgens de gewone wetgevingsprocedure en na raadpleging van het Economisch en Sociaal Comité de in artikel 40, lid 1, bedoelde gemeenschappelijke ordening van de landbouwmarkten in en stellen de overige bepalingen vast die nodig zijn om de doelstellingen van het gemeenschappelijk landbouw- en visserijbeleid na te streven.

Titel VI "Vervoer":

Artikel 91

(oud artikel 71 VEG)

1. Ter uitvoering van artikel 90 stellen het Europees Parlement en de Raad, met inachtneming van de bijzondere aspecten van het vervoer, volgens de gewone wetgevingsprocedure en na raadpleging van het Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio's, vast:

a) gemeenschappelijke regels voor internationaal vervoer vanuit of naar het grondgebied van een lidstaat of over het grondgebied van één of meer lidstaten;

b) de voorwaarden waaronder vervoerondernemers worden toegelaten tot nationaal vervoer in een lidstaat waarin zij niet woonachtig zijn;

c) de maatregelen die de veiligheid van het vervoer kunnen verbeteren;

d) alle overige dienstige bepalingen.

[...]

Artikel 100

(oud artikel 80 VEG)

1. De bepalingen van deze titel zijn van toepassing op het vervoer per spoor, over de weg en over de binnenwateren.

2. Het Europees Parlement en de Raad kunnen, volgens de gewone wetgevingsprocedure, passende bepalingen vaststellen voor de zeevaart en de luchtvaart. Zij besluiten na raadpleging van het Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio's.

Hoofdstuk 3 "De aanpassing van de wetgevingen":

Artikel 114

(oud artikel 95 VEG)

1. Tenzij in de Verdragen anders is bepaald, zijn de volgende bepalingen van toepassing voor de verwezenlijking van de doeleinden van artikel 26. Het Europees Parlement en de Raad stellen volgens de gewone wetgevingsprocedure en na raadpleging van het Economisch en Sociaal Comité de maatregelen vast inzake de onderlinge aanpassing van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen van de lidstaten die de instelling en de werking van de interne markt betreffen.

[...]

Titel XX "Milieu":

Artikel 192

(oud artikel 175 VEG)

1. Het Europees Parlement en de Raad stellen volgens de gewone wetgevingsprocedure en na raadpleging van het Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio's de activiteiten vast die de Unie moet ondernemen om de doelstellingen van artikel 191 te verwezenlijken.

2. In afwijking van de in lid 1 bedoelde besluitvormingsprocedure en onverminderd het bepaalde in artikel 114, neemt de Raad na raadpleging van het Europees Parlement, het Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio's met eenparigheid van stemmen, volgens een bijzondere wetgevingsprocedure, een besluit over:

a) bepalingen van in hoofdzaak fiscale aard;

b) maatregelen die van invloed zijn op:

— de ruimtelijke ordening;

— het kwantitatieve waterbeheer, of die rechtstreeks dan wel zijdelings betrekking hebben op de beschikbaarheid van de watervoorraden;

— de bodembestemming, met uitzondering van het afvalstoffenbeheer;

c) maatregelen die van aanzienlijke invloed zijn op de keuze van een lidstaat tussen verschillende energiebronnen en de algemene structuur van zijn energievoorziening.

De Raad kan, op voorstel van de Commissie en na raadpleging van het Europees Parlement, van het Economisch en Sociaal Comité en van het Comité van de Regio's, met eenparigheid van stemmen de gewone wetgevingsprocedure van toepassing verklaren op de in de eerste alinea genoemde gebieden.

3. Het Europees Parlement en de Raad stellen volgens de gewone wetgevingsprocedure en na raadpleging van het Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio's algemene actieprogramma's vast waarin de te verwezenlijken prioritaire doelstellingen worden vastgelegd.

De voor de uitvoering van die programma's nodige maatregelen worden vastgesteld overeenkomstig lid 1, respectievelijk lid 2.

[...]

Titel XXI "Energie":

Artikel 194, lid 2

2. Onverminderd de toepassing van andere bepalingen van de Verdragen stellen het Europees Parlement en de Raad, volgens de gewone wetgevingsprocedure, de maatregelen vast die noodzakelijk zijn om de in lid 1 genoemde doelstellingen te verwezenlijken. Deze maatregelen worden vastgesteld na raadpleging van het Economisch en Sociaal Comité en van het Comité van de Regio's. Zij zijn, onverminderd artikel 192, lid 2, onder c), niet van invloed op het recht van een lidstaat de voorwaarden voor de exploitatie van zijn energiebronnen te bepalen, op zijn keuze tussen verschillende energiebronnen of op de algemene structuur van zijn energievoorziening.

Zevende deel van het VWEU "Algemene en slotbepalingen":

Artikel 337

(oud artikel 284 VEG)

Voor de vervulling van de haar opgedragen taken kan de Commissie, binnen de grenzen en onder de voorwaarden door de Raad met gewone meerderheid overeenkomstig de bepalingen van de Verdragen vastgesteld, alle gegevens verzamelen en alle noodzakelijke verificaties verrichten.

Gelet op de diverse kruisverwijzingen spelen ook de volgende artikelen een rol:

Artikel 26

(oud artikel 14 VEG)

1. De Unie stelt de maatregelen vast die ertoe bestemd zijn om de interne markt tot stand te brengen en de werking ervan te verzekeren, overeenkomstig de bepalingen ter zake van de Verdragen.

2. De interne markt omvat een ruimte zonder binnengrenzen waarin het vrije verkeer van goederen, personen, diensten en kapitaal is gewaarborgd volgens de bepalingen van de Verdragen.

3. Op voorstel van de Commissie stelt de Raad de noodzakelijke beleidslijnen en voorwaarden vast om een evenwichtige vooruitgang in het geheel der betrokken sectoren te garanderen.

Artikel 90

(oud artikel 70 VEG)

De doelstellingen van de Verdragen worden, wat het in deze titel geregelde onderwerp betreft, nagestreefd in het kader van een gemeenschappelijk vervoerbeleid.

Artikel 191, lid 1

(oud artikel 174 VEG)

1. Het beleid van de Unie op milieugebied draagt bij tot het nastreven van de volgende doelstellingen:

— behoud, bescherming en verbetering van de kwaliteit van het milieu;

— bescherming van de gezondheid van de mens;

— behoedzaam en rationeel gebruik van natuurlijke hulpbronnen;

— bevordering op internationaal vlak van maatregelen om het hoofd te bieden aan regionale of mondiale milieuproblemen, en in het bijzonder de bestrijding van klimaatverandering.

Artikel 194, lid 1

1. In het kader van de totstandbrenging en de werking van de interne markt en rekening houdend met de noodzaak om het milieu in stand te houden en te verbeteren, is het beleid van de Unie op het gebied van energie, in een geest van solidariteit tussen de lidstaten, erop gericht:

a) de werking van de energiemarkt te waarborgen;

b) de continuïteit van de energievoorziening in de Unie te waarborgen,

c) energie-efficiëntie, energiebesparing en de ontwikkeling van nieuwe en hernieuwbare energie

te stimuleren; en

d) de interconnectie van energienetwerken te bevorderen.

III – De rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie betreffende de keuze van de rechtsgrond

Het Hof van Justitie beschouwt de keuze van de juiste rechtsgrondslag vanouds als een kwestie van constitutioneel belang die een rol speelt als het gaat om de naleving van het beginsel van bevoegdheidstoedeling (artikel 5 VEU) en die bepalend is voor de aard en omvang van de bevoegdheid van de Unie(3). De keuze van de rechtsgrond is derhalve geen vrije keuze. Volgens vaste rechtspraak van het Hof van Justitie moet "de keuze van de rechtsgrondslag van een gemeenschapshandeling [...] berusten op objectieve gegevens die voor rechterlijke toetsing vatbaar zijn. Tot die gegevens behoren met name het doel en de inhoud van de handeling".(4) De keuze van een onjuiste rechtsgrond kan dan ook aanleiding vormen tot de nietigverklaring van de desbetreffende handeling. De keuze van de rechtsgrond voor een handeling van de Unie hangt niet louter af van de opvatting van de betrokken instelling over het nagestreefde doel. De wens van een instelling om intensiever deel te nemen aan de vaststelling van een bepaalde handeling, de context waarbinnen de handeling is vastgesteld, of het werk dat op het werkterrein waaronder de handeling valt, op een andere grond is verricht zijn in dit verband eveneens zonder betekenis.(5)

Indien bij het onderzoek van de betrokken handeling blijkt dat zij een tweeledig doel heeft of dat er sprake is van twee componenten, waarvan er een kan worden gezien als hoofddoel of voornaamste component, terwijl het andere doel of de andere component slechts van ondergeschikt belang is, moet die handeling op één enkele rechtsgrond worden gebaseerd, namelijk die welke het hoofddoel of de voornaamste component vereist.(6) Indien een maatregel echter tegelijkertijd meerdere doelstellingen of componenten heeft die onverbrekelijk met elkaar verbonden zijn zonder dat de ene secundair en indirect is ten opzichte van de andere, moet deze handeling op de verschillende desbetreffende rechtsgronden worden gebaseerd(7), als de procedures die in de respectieve rechtsgronden zijn vastgesteld niet onverenigbaar zijn met het recht van het Europees Parlement en dat recht niet in het gedrang brengen.(8)

IV – Doel en inhoud van het voorstel

De Commissie vermeldt in haar toelichting bij het voorstel dat "[de] verordening [...] bedoeld [is] om de Commissie te helpen bij het toezicht op en de handhaving van internemarktregels door haar de mogelijkheid te bieden via zeer gerichte informatieverzoeken tijdig uitgebreide en betrouwbare kwantitatieve en kwalitatieve marktinformatie van geselecteerde marktdeelnemers te verkrijgen". Voorts stelt de Commissie dat "dit initiatief [...] bedoeld [is] om de toegang van de Commissie te verbeteren tot marktinformatie die zij voor de uitvoering van haar taken uit hoofde van artikel 17 VEU nodig heeft om ernstige problemen met de toepassing van internemarktregels aan te pakken".

In overweging 23 stelt de Commissie dat de doelstelling van deze verordening "het vergemakkelijken van de toegang van de Commissie tot marktinformatie die zij voor de uitvoering van haar taken nodig heeft om de goede werking van de interne markt te verwezenlijken" is.

In overweging 1 stelt de Commissie: "In sommige gevallen vergroot suboptimale informatie die de maatregelen van de Commissie betreffende de toepassing van het Unierecht op het gebied van de interne markt beïnvloedt, het risico van problemen bij de handel op de interne markt als gevolg van ongecoördineerde nationale handhavingsactiviteiten of een heterogene ontwikkeling van nationale regelgevende oplossingen van dergelijke problemen". In overweging 3 stelt zij: "Om dergelijke problemen te ontdekken en indien nodig op doelmatige en doeltreffende wijze aan te pakken, is tijdige toegang tot uitgebreide, correcte en betrouwbare kwantitatieve en kwalitatieve marktinformatie noodzakelijk".

Met name wanneer de Commissie als hoedster van de Verdragen optreedt ingevolge artikel 17, lid 1, VEU moet zij toegang hebben tot alle relevante feitelijke informatie. De Commissie kan er echter niet altijd op vertrouwen dat zij de gewenste informatie van de klagers of de lidstaten krijgt (overweging 5). In overweging 4 wordt er nogmaals aan herinnerd dat de Commissie niet over eigen algemene onderzoeksbevoegdheden beschikt om het recht van de Unie op het gebied van de interne markt te kunnen handhaven en dat de bestaande onderzoeksbevoegdheden betreffende de mededingingsregels "door de rechtsgrondslag ervan tot vast omschreven gebieden beperkt [zijn] en [...] de verzameling en het gebruik van ingewonnen informatie voor andere doeleinden op het gebied van het internemarktbeleid niet [toestaan]".

Om die reden lijkt het passend, zo wordt in overweging 8 gesteld, aan de Commissie in laatste instantie de bevoegdheid te verlenen om binnen de grenzen en onder de voorwaarden die in deze verordening zijn vastgelegd, ondernemingen en ondernemersverenigingen te vragen haar rechtstreeks tijdig van uitgebreide, correcte en betrouwbare kwantitatieve en kwalitatieve marktinformatie te voorzien, indien andere informatiebronnen niet beschikbaar, onvoldoende of ongeschikt zijn gebleken.

Met deze bevoegdheidstoekenning wordt beoogd "de Commissie van aanvullende onderzoeksmogelijkheden te voorzien, indien dit strikt noodzakelijk is voor de uitvoering van de haar door het VWEU toevertrouwde taak om de toepassing van het recht van de Unie op het gebied van de totstandbrenging en de goede werking van de interne markt te waarborgen" (overweging 10). In overweging 10 staat: "De verlening van die bevoegdheid is niet bedoeld om de Commissie nieuwe handhavingsbevoegdheden te geven, zoals met name de bevoegdheden om inbreuken op het recht van de Unie in de interne markt tegen afzonderlijke marktdeelnemers te vervolgen".

Voorts wordt in overweging 10 verduidelijkt dat "met het oog op de totstandbrenging van een volledig werkende interne markt" het toepassingsbereik van het informatie-instrument voor de eengemaakte markt zich ook uitstrekt tot die economische sectoren in de interne markt waarvoor in het VWEU een gemeenschappelijk beleid is voorzien: landbouw en visserij (uitgezonderd de instandhouding van de biologische rijkdommen van de zee), vervoer, milieu en energie.

In overweging 12 wordt vermeld dat informatieverzoeken "bedoeld [zijn] om een verondersteld, d.w.z. op de beschikbare informatie gebaseerd, ernstig probleem met de toepassing van het recht van de Unie op het gebied van de interne markt, landbouw en visserij (uitgezonderd de instandhouding van de biologische rijkdommen van de zee), vervoer, milieu en energie op te lossen".

In overweging 14 stelt de Commissie: "Het onderzoeksinstrument waarin deze verordening voorziet, is bijzonder nuttig voor de Commissie om de toepassing van het recht van de Unie op het gebied van de interne markt te waarborgen" en "is ook nuttig voor latere handhavingsmaatregelen van de desbetreffende lidstaten waarvoor de relevante informatie die middels deze bevoegdheid is verzameld en door de Commissie aan de desbetreffende lidstaten is bekendgemaakt, nodig is" en "kan [...] bovendien nuttig zijn [...] om bij te dragen tot het ontwerp of de opzet van regelgevende oplossingen". In overweging 15 staat dat de Commissie "om de doeltreffendheid van het instrument te garanderen, [...] de nakoming van de aan ondernemingen of ondernemersverenigingen gerichte informatieverzoeken, waar passend, door middel van bij besluit opgelegde evenredige geldboeten en dwangsommen [moet] kunnen afdwingen". Ten slotte benoemt de Commissie in overweging 20 "het uitzonderlijke karakter van het onderzoeksinstrument waarin deze verordening voorziet".

Wat de inhoud betreft wordt in artikel 1 bepaald dat bij deze verordening bepalingen worden vastgesteld betreffende de voorwaarden waaronder de Commissie ondernemingen en ondernemersverenigingen kan vragen informatie te verstrekken die de Commissie nodig heeft om de aan haar toevertrouwde taken op de in artikel 2 bedoelde gebieden uit te voeren, alsmede bepalingen betreffende de procedure die moet worden gevolgd om dergelijke informatie op te vragen. De in artikel 2 genoemde gebieden zijn de interne markt, als bedoeld in artikel 26, lid 2, van het Verdrag, landbouw en visserij (uitgezonderd de instandhouding van de biologische rijkdommen van de zee), vervoer, milieu en energie. Artikel 3 bevat definities voor de begrippen micro-onderneming, kleine onderneming en middelgrote onderneming. In artikel 4 wordt aan de Commissie de bevoegdheid toegekend om rechtstreeks informatie van ondernemingen en ondernemersverenigingen op te vragen om een ernstig probleem met de toepassing van het recht van de Unie aan te pakken dat de verwezenlijking van een belangrijke beleidsdoelstelling van de Unie in gevaar brengt. In artikel 5, lid 2, onder a), wordt bepaald dat het bij een ernstig probleem moet gaan om een probleem van grensoverschrijdende aard.

In hoofdstuk II worden de voorwaarden en procedure voor het vragen van informatie vastgelegd. De Commissie mag pas in laatste instantie gebruikmaken van het informatie-instrument voor de eengemaakte markt, als de informatie onvoldoende of ongeschikt is en op grond van een aantal limitatief opgesomde redenen niet tijdig kan worden verkregen. Hoofdstuk III van het voorstel voorziet in sancties voor gevallen waarin ondernemingen geen of slechts onvolledige, onjuiste of misleidende informatie verstrekken. In die gevallen mag de Commissie geldboeten en dwangsommen opleggen.

V – Analyse en vaststelling van de juiste rechtsgrond

De Commissie baseerde het voorstel op artikel 43, lid 2, de artikelen 91, 100, 114 en 192, artikel 194, lid 2, en artikel 337 VWEU.

In een officieus document over de keuze van de rechtsgrond van het voorstel, opgesteld door de diensten van de Commissie, wordt onderscheid gemaakt tussen twee verschillende rechtsgrondslagen: enerzijds artikel 337 VWEU en anderzijds artikel 114 VWEU, juncto artikel 43, lid 2, de artikelen 91, 100 en 192 en artikel 194, lid 2.

Overeenkomstig artikel 337 VWEU kan de Commissie voor de vervulling van de haar opgedragen taken binnen de grenzen en onder de voorwaarden door de Raad met gewone meerderheid overeenkomstig de bepalingen van de Verdragen vastgesteld, alle gegevens verzamelen en alle noodzakelijke verificaties verrichten.

Volgens vaste rechtspraak is artikel 114 VWEU de passende rechtsgrond voor maatregelen voor de onderlinge aanpassing van bepalingen, die daadwerkelijk tot doel hebben de voorwaarden voor de instelling en de werking van de interne markt te verbeteren door het opheffen of voorkomen van belemmeringen van de fundamentele vrijheden of verstoring van de mededinging(9).

Overeenkomstig artikel 43, lid 2, VWEU stellen het Europees Parlement en de Raad volgens de gewone wetgevingsprocedure de in artikel 40, lid 1, bedoelde gemeenschappelijke ordening van de landbouwmarkten in en stellen zij de overige bepalingen vast die nodig zijn om de doelstellingen van het gemeenschappelijk landbouw- en visserijbeleid na te streven.

Krachtens artikel 91 VWEU stellen het Europees Parlement en de Raad volgens de gewone wetgevingsprocedure passende bepalingen vast om de in de Verdragen vastgelegde doelstellingen op het gebied van het gemeenschappelijk vervoersbeleid te verwezenlijken. Artikel 91 VWEU is van toepassing op het vervoer per spoor, over de weg en over de binnenwateren (artikel 100, lid 1, VWEU). Het Europees Parlement en de Raad kunnen, volgens de gewone wetgevingsprocedure, passende bepalingen vaststellen voor de zeevaart en de luchtvaart.

Artikel 192 voorziet in de vaststelling van maatregelen op milieugebied. In artikel 192, lid 1, VWEU wordt bepaald dat het Europees Parlement en de Raad volgens de gewone wetgevingsprocedure de activiteiten vaststellen die de Unie moet ondernemen om de doelstellingen van de Unie op milieugebied te verwezenlijken. Bepaalde maatregelen die vallen onder het milieubeleid van de Unie worden, na raadpleging van het Europees Parlement, door de Raad met eenparigheid van stemmen volgens een bijzondere wetgevingsprocedure genomen (artikel 192, lid 2). Overeenkomstig artikel 192, lid 3, stellen het Europees Parlement en de Raad volgens de gewone wetgevingsprocedure algemene actieprogramma's vast waarin de te verwezenlijken prioritaire doelstellingen worden vastgelegd.

Krachtens artikel 194, lid 2, VWEU stellen het Europees Parlement en de Raad volgens de gewone wetgevingsprocedure de maatregelen vast die noodzakelijk zijn om de doelstellingen van het energiebeleid van de Unie te verwezenlijken.

Volgens het Hof van Justitie moet bij de keuze van de rechtsgrondslag van een handeling rekening worden gehouden met het doel en de inhoud van die handeling.

Zoals hierboven vermeld, wordt met het voorstel beoogd de Commissie in staat te stellen de krachtens het VWEU op haar rustende taak om de toepassing van het recht van de Unie op het gebied van de totstandbrenging en de goede werking van de interne markt te waarborgen, te vervullen. Meer in het bijzonder is het belangrijkste doel van deze verordening de Commissie een instrument te bieden voor het verzamelen van de informatie die zij nodig heeft voor de vervulling van de haar door het Verdrag toevertrouwde taken op bepaalde gebieden.

Volgens de jurisprudentie verleent artikel 337 VWEU de Commissie een algemene bevoegdheid om alle gegevens te verzamelen die zij nodig heeft voor de vervulling van de haar door de Verdragen opgedragen taken, binnen de grenzen en onder de voorwaarden die door de Raad zijn vastgesteld. Dit artikel vormt de rechtsgrond voor handelingen betreffende de algemene activiteit van het verzamelen van informatie door de Commissie, zodat dergelijke handelingen niet gebaseerd hoeven te worden op andere bepalingen van het Verdrag waarbij de Commissie specifieke taken worden opgedragen en zonder dat het verzamelen van die informatie noodzakelijk moet zijn voor de verwezenlijking van doelstellingen van een bepaald beleid van de Unie.(10)

Het Hof heeft geoordeeld dat, om te bepalen of een handeling van de Unie die betrekking heeft op de verzameling van informatie op een bepaald beleidsterrein gebaseerd moet worden op artikel 337 VWEU of op een specifieke rechtsgrond, onderzocht moet worden of die handeling, gelet op het doel en de inhoud ervan, noodzakelijk geacht moet worden voor de verwezenlijking van de doelstellingen van dat specifieke beleidsterrein.

In artikel 2 van het voorstel wordt bepaald dat deze verordening van toepassing is op bepaalde specifieke gebieden. Het informatie-instrument houdt derhalve nauw verband met de doelstellingen van de in dat artikel genoemde beleidsgebieden. Het informatie-instrument maakt echter deel uit van een algemene handhavingsstrategie die gericht is op het verbeteren van de algemene naleving van de regels van de eengemaakte markt en van het EU-recht in het algemeen. De Commissie kan alleen informatie verzamelen voor zover dat nodig is om haar te helpen bij het uitvoeren van haar taken op het gebied van de tenuitvoerlegging en handhaving van het recht van de Unie. Het voorstel lijkt niet te voorzien in bepalingen die het informatie-instrument integreren in het kader van de bepalingen van de Unie inzake de interne markt of een van de specifieke sectoren als bedoeld in artikel 2 van het voorstel. Het lijkt erop dat het instrument er niet op gericht is de doelstellingen van een of meer specifieke beleidsgebieden van de Unie te verwezenlijken, maar er veeleer op gericht is problemen bij de tenuitvoerlegging en toepassing van het recht van de Unie op bepaalde gebieden op te lossen.

In het licht van het voorgaande, gezien het horizontale karakter van het instrument en gezien het feit dat het verband met de in artikel 2 genoemde beleidsgebieden slechts van ondergeschikt belang is, vormen artikel 43, lid 2, de artikelen 91, 114, 100 en 192 en artikel 194, lid 2, niet de juiste rechtsgrond voor het voorstel.

Met betrekking tot artikel 337 VWEU zij opgemerkt dat het voorstel de Commissie niet alleen de bevoegdheid toekent om informatie van ondernemingen en ondernemersverenigingen op te vragen. In het voorstel staat immers dat er een bijzonder onderzoeksinstrument en een handhavingsinstrument voor de Commissie in het leven worden geroepen. Met name hoofdstuk III over geldboeten en dwangsommen vertoont een grote gelijkenis met de bepalingen inzake sancties in Verordening (EG) nr. 1/2003, Verordening (EG) nr. 139/2004 van de Raad en Verordening (EU) 2015/1589 van de Raad. De rechtsgrondslag voor deze handelingen op grond waarvan geldboeten en dwangsommen kunnen worden vastgesteld, heeft echter uitsluitend betrekking op mededingingskwesties, is uitdrukkelijk in het Verdrag vastgelegd, maakte geen beroep op artikel 337 VWEU nodig, en is niet van toepassing op andere beleidsmaatregelen op het gebied van de interne markt. Artikel 337 VWEU, zoals door de Commissie als rechtsgrondslag voor dit voorstel voorgesteld, geeft de Commissie slechts de bevoegdheid om alle informatie te verzamelen en alle noodzakelijke verificaties te verrichten voor de vervulling van de haar opgedragen taken, zonder dat haar in dit verband aanvullende bevoegdheden worden verleend.

VI – Conclusie en aanbeveling

Uit het bovenstaande kan worden geconcludeerd dat artikel 43, lid 2, de artikelen 91, 114, 100 en 192, en artikel 194, lid 2, VWEU geen passende rechtsgrond vormen voor het informatie-instrument voor de eengemaakte markt, zoals dat door de Commissie wordt voorgesteld, en dat de doelstelling en de inhoud van het nu voorliggende voorstel verder reiken dan de in artikel 337 VWEU neergelegde bevoegdheden.

Op haar vergadering van 10 september 2018 heeft de Commissie juridische zaken met 12 stemmen voor en 0 tegen, bij 2 onthoudingen(11) besloten de aanbeveling uit te spreken dat artikel 43, lid 2, de artikelen 91, 114, 100 en 192, en artikel 194, lid 2, VWEU geen passende rechtsgrond vormen voor het informatie-instrument voor de eengemaakte markt, zoals dat door de Commissie wordt voorgesteld, en dat de doelstelling en de inhoud van het nu voorliggende voorstel verder reiken dan de in artikel 337 VWEU bedoelde bevoegdheden.

Hoogachtend,

Pavel Svoboda

(1)

COM(2017) 257 final.

(2)

Mededeling van de Commissie aan het Europees Parlement, de Raad, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio's "De eengemaakte markt verbeteren: meer mogelijkheden voor mensen en ondernemingen - 28 oktober 2015, (COM(2015) 550 final), blz. 17.

(3)

Advies 2/00 [2001], Jurispr. I-9713, punt 5.

(4)

Zaak C-411/06, Commissie/Parlement en Raad, Jurispr. [2009], blz. I-7585, punt 45.

(5)

Zaak C-269/97, Commissie/Raad, Jurispr. [2000], blz. I-2257, punt 44.

(6)

Zaak C-491/01, British American Tobacco (Investments) en Imperial Tobacco, EU:C:2002:741, punt 94; T-526/10, Inuit Tapiriit Kanatami, EU:C:2013:215, punt 66;

(7)

Zaak C-211/01, Commissie/Raad, Jurispr. [2003], blz. I-08913, punt 40; Zaak C-178/03, Commissie/Parlement en Raad, Jurispr. [2006], blz. I-107, punten 43-56.

(8)

Zaak C-300/89, Commissie/Raad ("titaandioxide"), Jurispr. [1991], blz. I-2867, punten 17-25; Zaak C-268/94, Portugal/Raad, Jurispr. [1996], blz. I-6177.

(9)

Zie onder meer zaak C-217/04 Verenigd Koninkrijk/Parlement en Raad (ENISA) (2006) ECR I-3771, punt 42.

(10)

Zaak C-490/10, Parlement/Raad, EU:C:2012:525, punten 63-64.

(11)

Bij de eindstemming waren aanwezig: Pavel Svoboda (voorzitter), Mady Delvaux, Laura Ferrara (ondervoorzitter), Axel Voss (rapporteur voor advies), Alex Mayer (ter vervanging van Mary Honeyball, overeenkomstig artikel 200, lid 2, van het Reglement), Joëlle Bergeron, Geoffroy Didier, Pascal Durand, Sylvia-Yvonne Kaufmann, Julia Reda, Evelyn Regner, Virginie Rozière, Francis Zammit Dimech, Tadeusz Zwiefka.


PROCEDURE VAN DE BEVOEGDE COMMISSIE

Titel

Vaststelling van de voorwaarden en procedure op grond waarvan de Commissie van ondernemingen en ondernemersverenigingen mag vragen informatie over de interne markt en aanverwante gebieden te verstrekken

Document- en procedurenummers

COM(2017)0257 – C8-0140/2017 – 2017/0087(COD)

Datum indiening bij EP

2.5.2017

 

 

 

Bevoegde commissie

       Datum bekendmaking

IMCO

31.5.2017

 

 

 

Medeadviserende commissies

       Datum bekendmaking

ECON

31.5.2017

JURI

31.5.2017

 

 

Geen advies

       Datum besluit

ECON

29.5.2017

JURI

29.5.2017

 

 

Rapporteurs

       Datum benoeming

Eva Maydell

30.5.2017

 

 

 

Betwisting rechtsgrondslag

       Datum JURI-advies

JURI

10.9.2018

 

 

 

Behandeling in de commissie

11.10.2017

21.11.2017

11.7.2018

 

Datum goedkeuring

12.7.2018

 

 

 

Uitslag eindstemming

+:

–:

0:

31

4

2

Bij de eindstemming aanwezige leden

John Stuart Agnew, Pascal Arimont, Dita Charanzová, Carlos Coelho, Sergio Gaetano Cofferati, Anna Maria Corazza Bildt, Daniel Dalton, Nicola Danti, Dennis de Jong, Pascal Durand, Maria Grapini, Liisa Jaakonsaari, Eva Maydell, Marlene Mizzi, Nosheena Mobarik, Jiří Pospíšil, Christel Schaldemose, Andreas Schwab, Olga Sehnalová, Jasenko Selimovic, Ivan Štefanec, Catherine Stihler, Richard Sulík, Róża Gräfin von Thun und Hohenstein, Mylène Troszczynski, Mihai Ţurcanu, Anneleen Van Bossuyt, Marco Zullo

Bij de eindstemming aanwezige vaste plaatsvervangers

Biljana Borzan, Birgit Collin-Langen, Julia Reda, Marc Tarabella, Matthijs van Miltenburg, Sabine Verheyen

Bij de eindstemming aanwezige plaatsvervangers (art. 200, lid 2)

Asim Ademov, Isabella De Monte, Sylvie Goddyn

Datum indiening

12.9.2018


HOOFDELIJKE EINDSTEMMINGIN DE BEVOEGDE COMMISSIE

31

+

ALDE

Dita Charanzová, Matthijs van Miltenburg, Jasenko Selimovic

ECR

Daniel Dalton, Nosheena Mobarik, Richard Sulík, Anneleen Van Bossuyt

EFDD

Marco Zullo

GUE/NGL

Dennis de Jong

PPE

Asim Ademov, Pascal Arimont, Carlos Coelho, Birgit Collin-Langen, Anna Maria Corazza Bildt, Eva Maydell, Jiří Pospíšil, Andreas Schwab, Ivan Štefanec, Róża Gräfin von Thun und Hohenstein, Mihai Ţurcanu, Sabine Verheyen

S&D

Biljana Borzan, Sergio Gaetano Cofferati, Nicola Danti, Isabella De Monte, Maria Grapini, Liisa Jaakonsaari, Marlene Mizzi, Christel Schaldemose, Olga Sehnalová, Catherine Stihler

4

-

EFDD

John Stuart Agnew

S&D

Marc Tarabella

VERTS/ALE

Pascal Durand, Julia Reda

2

0

ENF

Sylvie Goddyn, Mylène Troszczynski

Verklaring van de gebruikte tekens:

+  :  voor

-  :  tegen

0  :  onthouding

Laatst bijgewerkt op: 21 september 2018Juridische mededeling - Privacybeleid