Procedure : 2017/2270(INL)
Stadium plenaire behandeling
Documentencyclus : A8-0328/2018

Ingediende teksten :

A8-0328/2018

Debatten :

PV 13/11/2018 - 16
CRE 13/11/2018 - 16

Stemmingen :

PV 14/11/2018 - 14.11
CRE 14/11/2018 - 14.11
Stemverklaringen

Aangenomen teksten :


VERSLAG     
PDF 429kWORD 71k
16.10.2018
PE 623.853v02-00 A8-0328/2018

met aanbevelingen aan de Commissie betreffende humanitaire visa

(2017/2270(INL))

Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken

Rapporteur: Juan Fernando López Aguilar

(Initiatief – Artikel 46 van het Reglement)

AMENDEMENTEN
ONTWERPRESOLUTIE VAN HET EUROPEES PARLEMENT
 TOELICHTING
 ADVIES van de Commissie rechten van de vrouw en gendergelijkheid
 INFORMATIE OVER DE GOEDKEURINGIN DE BEVOEGDE COMMISSIE
 HOOFDELIJKE EINDSTEMMING IN DE BEVOEGDE COMMISSIE

ONTWERPRESOLUTIE VAN HET EUROPEES PARLEMENT

met aanbevelingen aan de Commissie betreffende humanitaire visa

(2017/2270(INL))

Het Europees Parlement,

–  gezien artikel 225 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, met name de artikelen 4, 18 en 19,

–  gezien het Verdrag betreffende de status van vluchtelingen, zoals ondertekend te Genève op 28 juli 1951, en het bijbehorende protocol van 1967,

–  gezien Verordening (EG) nr. 810/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 13 juli 2009 tot vaststelling van een gemeenschappelijke visumcode(1),

–  gezien het mondiaal pact inzake migratie van de VN en het mondiaal pact inzake vluchtelingen van de VN die volgden op de Verklaring van New York voor vluchtelingen en migranten die met eenparigheid van stemmen werd aangenomen door de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties van 19 september 2016,

–  gezien de beoordeling van de Europese meerwaarde met betrekking tot humanitaire visa die is opgesteld door de Onderzoeksdienst van het Europees Parlement,

–  gezien de artikelen 46 en 52 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken en het advies van de Commissie rechten van de vrouw en gendergelijkheid (A8‑0328/2018),

A.  overwegende dat er, ondanks talrijke aankondigingen van en verzoeken om veilige en legale routes die toegang bieden tot Europees grondgebied voor personen die internationale bescherming zoeken, momenteel geen geharmoniseerde EU-aanpak is ten aanzien van beschermde toegangsprocedures en op EU-niveau geen wettelijk kader voor humanitaire visa bestaat, d.w.z. visa die worden afgegeven om het grondgebied van de lidstaten te bereiken om internationale bescherming te zoeken;

B.  overwegende dat volgens het arrest van het Hof van Justitie van 7 maart 2017 in zaak C-638/16(2) het Unierecht de lidstaten niet verplicht om een humanitair visum af te geven aan personen die hun grondgebied wensen te betreden met de bedoeling asiel aan te vragen, maar dat het de lidstaten vrijstaat om dit te doen op grond van hun nationale recht; overwegende dat met dit arrest het bestaande Unierecht wordt uitgelegd, dat kan worden gewijzigd;

C.  overwegende dat diverse lidstaten op dit ogenblik beschikken of voorheen beschikten over nationale regelingen voor de afgifte van humanitaire visa of verblijfsvergunningen om nationale beschermde toegang voor mensen in nood te waarborgen;

D.  overwegende dat het aantal personen dat wordt toegelaten op basis van nationale procedures voor toegang of door middel van hervestiging, laag blijft in verhouding tot de wereldwijde behoeften, waarbij de verschillen tussen de lidstaten groot zijn; overwegende dat de reikwijdte van nationale procedures voor toegang op grond van humanitaire bescherming of door middel van hervestiging nauw afgebakend is en, in het geval van hervestiging, gebonden is aan strenge criteria ten aanzien van kwetsbaarheid en registratie als vluchteling bij het Bureau van de Hoge Commissaris van de Verenigde Naties voor de Vluchtelingen;

E.   overwegende dat daarom naar schatting 90 % van de personen aan wie internationale bescherming is verleend, de Unie op irreguliere wijze heeft bereikt, waardoor ze al worden gestigmatiseerd voordat ze de buitengrenzen van de lidstaten hebben bereikt;

F.   overwegende dat alleenreizende vrouwen met of zonder kinderen, vrouwelijke gezinshoofden, zwangere vrouwen en vrouwen die borstvoeding geven, personen met een handicap, tienermeisjes en bejaarde vrouwen tot de meest kwetsbare groep op de migratieroutes naar Europa behoren en een groter risico lopen op gendergerelateerd geweld, zoals verkrachting geweld en of seksuele of economische uitbuiting door mensensmokkelaars of -handelaren; overwegende dat vrouwen en meisjes bovendien vaak kwetsbaarder zijn voor alle vormen van uitbuiting, met inbegrip van arbeidsuitbuiting en seksuele uitbuiting langs de migratieroutes naar de Unie, en dikwijls worden gedwongen tot overlevingsseks in ruil voor het voortzetten van hun reis;

G.   overwegende dat dit beleid sinds begin 2000 naar schatting al ten minste 30 000 menselijke slachtoffers heeft geëist aan de grenzen van de Unie; overwegende dat er dringend behoefte is aan een rechtskader van de Unie als een van de middelen om het onaanvaardbare dodental in het Middellandse Zeegebied en op de migratieroutes naar de Unie aan te pakken, om mensensmokkel, blootstelling aan mensenhandel, arbeidsuitbuiting en geweld daadwerkelijk te bestrijden, om de ordelijke binnenkomst, waardige ontvangst en eerlijke behandeling van asielaanvragen te beheren, om het budget van de lidstaten en de Unie voor asielprocedures, grenscontroles en opsporings- en reddingsactiviteiten optimaal te benutten en om te komen tot samenhangende praktijken in het acquis van de Unie inzake asiel;

H.   overwegende dat het Parlement in dit verband heeft getracht bepalingen op te nemen in Verordening (EG) nr. 810/2009;

I.   overwegende dat zowel de Raad als de Commissie deze amendementen hebben verworpen, onder meer met als argument dat dergelijke bepalingen niet in Verordening (EG) nr. 810/2009 mogen worden opgenomen omdat die alleen van toepassing is op visa voor kort verblijf;

J.  overwegende dat het Parlement, geconfronteerd met de passiviteit van de Commissie, daarom heeft besloten dit initiatiefverslag over humanitaire visa op te stellen;

K.   overwegende dat intensief is gewerkt, onder meer met de hulp van deskundigen, aan de opstelling van de aanbevelingen in de bijlage bij deze ontwerpresolutie;

1.  verzoekt de Commissie op grond van artikel 77, lid 2, onder a), van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU) vóór 31 maart 2019 een voorstel in te dienen voor een verordening betreffende de instelling van een Europees humanitair visum, aan de hand van de aanbevelingen in de bijlage hierbij;

2.  is van mening dat de lidstaten een Europees humanitair visum moeten kunnen afgeven aan personen die internationale bescherming zoeken, teneinde die personen het recht te geven om het grondgebied van de lidstaat die het visum heeft afgegeven binnen te reizen met als enig doel om in die lidstaat een verzoek om internationale bescherming in te dienen;

3.  is van mening dat Europese humanitaire visa een aanvulling moeten vormen op de bestaande nationale procedures voor toegang op grond van humanitaire bescherming, de hervestigingsprocedures en spontane asielaanvragen overeenkomstig het internationale vluchtelingenrecht, maar daar niet in de plaats van mogen treden;

4.  is van mening dat elk initiatief op het gebied van Europese humanitaire visa geen afbreuk mag doen aan andere initiatieven op het gebied van migratiebeleid, met inbegrip van initiatieven die gericht zijn op de aanpak van de onderliggende oorzaken van migratie;

5.  wijst op de dringende behoefte aan veilige en legale manieren om toegang te verkrijgen tot de Unie, waarvan humanitaire visa er één moet zijn, met name ook vanuit genderperspectief omdat vrouwen bijzonder kwetsbaar zijn en bijgevolg een groter risico lopen op seksueel en gendergerelateerd geweld langs routes en in opvangcentra; benadrukt dat dikwijls een kwetsbare economische situatie en andere vormen van afhankelijkheden vrouwen en meisjes uit derde landen in een positie brengen waarin het voor hen nog moeilijker is dan voor mannen om veilig asiel aan te vragen;

6.  is van mening dat een gedeelte van de financiële implicaties van het verlangde voorstel moet worden gedekt door de algemene begroting van de Unie, als een praktische uiting van de beginselen van solidariteit en billijke verdeling van de verantwoordelijkheid tussen de lidstaten, ook op financieel gebied, overeenkomstig artikel 80 VWEU;

7.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie en de bijbehorende aanbevelingen te doen toekomen aan de Commissie en de Raad, alsmede aan de nationale parlementen, het Hof van Justitie, de Europese Dienst voor extern optreden, het Europees Ondersteuningsbureau voor asielzaken, het Europees Grens- en kustwachtagentschap, het Agentschap van de Europese Unie voor samenwerking op het gebied van rechtshandhaving en het Bureau van de Europese Unie voor de grondrechten.

BIJLAGE BIJ DE ONTWERPRESOLUTIE:AANBEVELINGEN 

BETREFFENDE DE INHOUD VAN HET VERLANGDE VOORSTEL

Het Europees Parlement is van mening dat de goed te keuren wetgevingshandeling:

1.  VORM EN TITEL VAN HET GOED TE KEUREN INSTRUMENT

–   een afzonderlijke rechtshandeling moet zijn, die wordt goedgekeurd in de vorm van een verordening getiteld "Verordening van het Europees Parlement en de Raad tot instelling van een Europees humanitair visum",

2.  RECHTSGRONDSLAG

–   artikel 77, lid 2, onder a), van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU) als rechtsgrondslag moet hebben,

3.  MOTIVERING

–   moet worden gerechtvaardigd door:

–   de huidige juridische leemte in het EU-recht, aangezien dat niet voorziet in hervestigingsprocedures ten behoeve van kwetsbare vluchtelingen en evenmin in procedures – noch in het acquis inzake visa, noch in het acquis inzake grenzen of asiel – voor de toelating van personen die bescherming zoeken tot het grondgebied van de lidstaten, waardoor naar schatting 90 % van de personen die later als vluchteling of begunstigde van subsidiaire bescherming worden erkend, het grondgebied van de lidstaten op irreguliere wijze bereikt, vaak via levensbedreigende routes(3),

–   het risico van versnippering, aangezien de lidstaten in toenemende mate hun eigen programma's en procedures voor toelating op humanitaire gronden opstellen, hetgeen in strijd is met de algemene doelstelling van artikel 78, lid 1, VWEU om een gemeenschappelijk beleid inzake asiel en subsidiaire en tijdelijke bescherming te ontwikkelen, en tevens het risico met zich meebrengt dat deze verschillende regelingen de uniforme toepassing ondermijnen van de gemeenschappelijke bepalingen betreffende de toegang van onderdanen van derde landen tot het grondgebied van de lidstaten zoals vastgelegd in Verordening (EG) nr. 810/2009(4) en Verordening (EU) 2016/399(5) van het Europees Parlement en de Raad,

–   de hoge kosten, zowel in menselijk als in sociaal, economisch en budgettair opzicht, in verband met de status quo voor de betrokken onderdanen van derde landen (smokkelaarskosten, risico van mensenhandel en uitbuiting, risico van vervolging, risico van overlijden en mishandeling enz.), en voor de lidstaten en de Unie (hoog budget voor opsporing en redding, onder meer voor particuliere scheepvaart, grensbescherming, samenwerking met derde landen, asielprocedures en mogelijk terugkeer in geval van afgewezen verzoeken om internationale bescherming, de strijd tegen georganiseerde misdaad, mensenhandel en -smokkel enz.),

–   de meerwaarde van Unie-optreden in verband met het toezicht op de naleving van de waarden van de Unie, met inbegrip van de grondrechten, wederzijds vertrouwen tussen de lidstaten en vertrouwen van asielzoekers in het systeem, rechtszekerheid, voorspelbaarheid, uniforme toepassing en uitvoering van regels, realisatie van schaalvoordelen en vermindering van bovengenoemde kosten van de status quo,

–   het feit dat Richtlijn 2013/32/EU van het Europees Parlement en de Raad(6) en Verordening (EU) nr. 604/2013 van het Europees Parlement en de Raad(7) alleen van toepassing zijn op het grondgebied van de lidstaten, terwijl er op dit moment onvoldoende legale manieren voor asielzoekers zijn om dat grondgebied te bereiken,

–  het feit dat na de indiening van een asielaanvraag in een lidstaat de bepalingen van het gemeenschappelijk Europees asielstelsel van toepassing zijn,

–  het feit dat de weigering van een aanvraag om een Europees humanitair visum geen gevolgen heeft voor het recht om asiel aan te vragen in de Unie en de aanvrager er ook niet van weerhoudt om deel te nemen aan andere beschikbare beschermingsregelingen,

4.  ALGEMENE BEPALINGEN

–   als doel moet hebben bepalingen vast te stellen betreffende de procedures en voorwaarden volgens welke een lidstaat een Europees humanitair visum mag afgeven aan personen die internationale bescherming zoeken, teneinde die personen het recht te geven om het grondgebied van de lidstaat die het visum heeft afgegeven binnen te reizen met als enig doel om in die lidstaat een verzoek om internationale bescherming in te dienen,

–   van toepassing moet zijn op onderdanen van derde landen die bij overschrijding van de buitengrenzen van de lidstaten in het bezit moeten zijn van een visum overeenkomstig Verordening (EG) nr. 539/2001 van de Raad(8), en indien de beweringen in verband met blootstelling aan of het risico van vervolging zoals uiteengezet in Richtlijn 2011/95/EU van het Europees Parlement en de Raad(9) kennelijk gegrond zijn, maar die nog niet deelnemen aan de hervestigingsprocedure zoals neergelegd in nationale hervestigingsregelingen of in [de nieuwe verordening tot vaststelling van een hervestigingskader van de Unie of] Richtlijn 2001/55/EG van de Raad(10),

–   van haar toepassingsgebied gezinsleden moet uitsluiten die anders het recht zouden hebben zich overeenkomstig andere rechtshandelingen van de Unie of van de lidstaten te rechter tijd bij hun gezin in een lidstaat te voegen.

5.  PROCEDURES EN VOORWAARDEN VOOR DE AFGIFTE VAN HUMANITAIRE VISA

–   moet bepalen dat dergelijke visumaanvragen rechtstreeks, langs elektronische weg of schriftelijk, bij een consulaat of ambassade van de lidstaten worden ingediend,

–   moet voorzien in praktische voorwaarden voor dergelijke visumaanvragen, waaronder het invullen van een aanvraagformulier, het verstrekken van informatie over de identiteit van de aanvrager, met inbegrip van biometrische kenmerken, en het verstrekken van, voor zover mogelijk gedocumenteerde, redenen voor de vrees voor vervolging of ernstige schade,

–   moet bepalen dat de aanvrager van een dergelijk visum wordt uitgenodigd voor een interview (indien noodzakelijk bijgestaan door een tolk), dat met behulp van audio- en videocommunicatie ook op afstand kan plaatsvinden, waarbij een passend niveau van veiligheid, beveiliging en vertrouwelijkheid wordt gewaarborgd,

–   moet bepalen dat de overgelegde documenten worden beoordeeld, ook op hun echtheid, door een bevoegde, onafhankelijke en onpartijdige instantie met adequate kennis en deskundigheid op het gebied van internationale bescherming,

–   moet bepalen dat aanvragen voor een dergelijk visum moeten worden beoordeeld op basis van de verklaring van de aanvrager, het interview en, indien voorhanden, ondersteunende documentatie, zonder de procedure te doorlopen om te bepalen of er een volledige status moet worden verleend,

–   moet bepalen dat elke aanvrager, voordat een dergelijk visum wordt afgegeven, aan een veiligheidsonderzoek wordt onderworpen, middels de desbetreffende nationale en EU-databanken met volledige inachtneming van de toepasselijke bepalingen inzake gegevensbescherming, om na te gaan of de aanvrager geen veiligheidsrisico vormt,

–   moet bepalen dat over dergelijke visumaanvragen een besluit wordt genomen binnen 15 kalenderdagen na de datum van indiening van de aanvraag,

–   moet bepalen dat het besluit over de aanvraag wordt meegedeeld aan de aanvrager en geïndividualiseerd, schriftelijk en gemotiveerd is,

–   moet bepalen dat een onderdaan van een derde land aan wie een dergelijk visum is geweigerd de mogelijkheid heeft om in beroep te gaan, zoals momenteel ook mogelijk is in geval van weigering van een visum voor kort verblijf of weigering van toegang aan de grens.

6.  AFGIFTE VAN HUMANITAIRE VISA

–   moet bepalen dat dergelijke visa worden afgegeven in de vorm van een gemeenschappelijke sticker en opgenomen in het Visuminformatiesysteem,

–   moet bepalen dat, zodra een humanitair visum is afgegeven, de houder ervan het recht heeft om het grondgebied van de lidstaat die het visum heeft afgegeven binnen te reizen met als enig doel om in die lidstaat een verzoek om internationale bescherming in te dienen,

7.  ADMINISTRATIEF BEHEER EN ORGANISATIE

–   moet bepalen dat aanvragen voor een dergelijk visum worden beoordeeld door naar behoren opgeleid personeel,

–   moet bepalen dat dit personeel kan worden gestationeerd op ambassades of consulaten of in de lidstaten, in welk geval aanvragen elektronisch worden doorgezonden en interviews op afstand plaatsvinden,

–   moet bepalen dat bepaalde aspecten van het proces – zonder voorselectie van zaken, beoordeling of besluitvorming van welke aard dan ook – kunnen worden beheerd door externe dienstverleners, waaronder het verstrekken van informatie, het plannen voor interviews en het verzamelen van biometrische kenmerken,

–   moet bepalen dat er passende maatregelen worden genomen om de gegevensbescherming, gegevensbeveiliging en vertrouwelijkheid van communicatie te waarborgen,

–   moet bepalen dat de lidstaten met elkaar samenwerken, alsook met de agentschappen van de Unie, internationale organisaties, gouvernementele en niet-gouvernementele organisaties alsmede andere belanghebbenden om een geharmoniseerde toepassing te waarborgen,

–   moet bepalen dat er op ruime schaal informatie ter beschikking wordt gesteld over de procedures en voorwaarden van een dergelijk visum en over de voorwaarden en procedures voor het verkrijgen van internationale bescherming op het grondgebied van de lidstaten, onder meer op de websites van de ambassades en consulaten van de lidstaten en via de Europese Dienst voor extern optreden,

8.  SLOTBEPALINGEN

–   moet bepalen dat er aanzienlijke financiële steun uit het Fonds voor geïntegreerd grensbeheer ter beschikking van de lidstaten wordt gesteld voor de tenuitvoerlegging ervan,

–   moet bepalen dat lidstaten die een dergelijk humanitair visum verstrekken toegang hebben tot dezelfde compensatie uit het Fonds voor asiel en migratie als lidstaten die een vluchteling opvangen via het EU-hervestigingskader,

9.  WIJZIGING VAN ANDERE RECHTSHANDELINGEN

–   wijzigingen moet aanbrengen in:

–  Verordening (EG) nr. 810/2009, om te verduidelijken dat op personen die internationale bescherming zoeken de bepalingen van de verordening tot instelling van een Europees humanitair visum van toepassing zijn,

–  Verordening (EG) nr. 767/2008 van het Europees Parlement en de Raad(11), om ervoor te zorgen dat aanvragen voor een humanitair visum in dat systeem worden opgenomen,

–  Verordening (EU) 2016/399, om de toegangsvoorwaarden voor personen die een Europees humanitair visum hebben verkregen, aan te passen,

–  het Fonds voor geïntegreerd grensbeheer, om de lidstaten financiering te verstrekken voor de tenuitvoerlegging van de verordening tot instelling van een Europees humanitair visum,

–  artikel 26 van de Overeenkomst ter uitvoering van het tussen de regeringen van de staten van de Benelux Economische Unie, de Bondsrepubliek Duitsland en de Franse Republiek op 14 juni 1985 te Schengen gesloten akkoord betreffende de geleidelijke afschaffing van de controles aan de gemeenschappelijke grenzen(12) en Richtlijn 2001/51/EG van de Raad(13) teneinde vervoerders van onderdanen van derde landen te vrijwaren van aansprakelijkheid, verplichtingen en sancties indien de betrokken onderdanen van derde landen hun voornemen om internationale of humanitaire bescherming aan te vragen op het grondgebied van de lidstaten kenbaar maken.

(1)

PB L 243 van 15.9.2009, blz. 1.

(2)

Arrest van het Hof van Justitie van 7 maart 2018, X en X tegen Belgische Staat, C-638/16, ECLI:EU:C2017:173).

(3)

HEIN / DONATO (CIR) 2012: Exploring avenues for protected entry in Europe, blz. 17.

(4)

Verordening (EG) nr. 810/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 13 juli 2009 tot vaststelling van een gemeenschappelijke visumcode (visumcode) (PB L 243 van 15.9.2009, blz. 1).

(5)

Verordening (EU) 2016/399 van het Europees Parlement en de Raad van 9 maart 2016 betreffende een Uniecode voor de overschrijding van de grenzen door personen (Schengengrenscode) (PB L 77 van 23.3.2016, blz. 1).

(6)

Richtlijn 2013/32/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 betreffende gemeenschappelijke procedures voor de toekenning en intrekking van de internationale bescherming (PB L 180 van 29.6.2013, blz. 60).

(7)

Verordening (EU) nr. 604/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 tot vaststelling van de criteria en instrumenten om te bepalen welke lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van een verzoek om internationale bescherming dat door een onderdaan van een derde land of een staatloze bij een van de lidstaten wordt ingediend (PB L 180 van 29.6.2013, blz. 31).

(8)

Verordening (EG) nr. 539/2001 van de Raad van 15 maart 2001 tot vaststelling van de lijst van derde landen waarvan de onderdanen bij overschrijding van de buitengrenzen in het bezit moeten zijn van een visum en de lijst van derde landen waarvan de onderdanen van die plicht zijn vrijgesteld (PB L 81 van 21.3.2001, blz. 1).

(9)

Richtlijn 2011/95/EU van het Europees Parlement en de Raad van 13 december 2011 inzake normen voor de erkenning van onderdanen van derde landen of staatlozen als personen die internationale bescherming genieten, voor een uniforme status voor vluchtelingen of voor personen die in aanmerking komen voor subsidiaire bescherming, en voor de inhoud van de verleende bescherming (PB L 337 van 20.12.2011, blz. 9).

(10)

Richtlijn 2001/55/EG van de Raad van 20 juli 2001 betreffende minimumnormen voor het verlenen van tijdelijke bescherming in geval van massale toestroom van ontheemden en maatregelen ter bevordering van een evenwicht tussen de inspanning van de lidstaten voor de opvang en het dragen van de consequenties van de opvang van deze personen (PB L 212 van 7.8.2001, blz. 12).

(11)

Verordening (EG) nr. 767/2008 van het Europees Parlement en de Raad van 9 juli 2008 betreffende het Visuminformatiesysteem (VIS) en de uitwisseling tussen de lidstaten van gegevens op het gebied van visa voor kort verblijf (VIS-verordening) (PB L 218 van 13.8.2008, blz. 60).

(12)

PB L 239 van 22.9.2000, blz. 19.

(13)

Richtlijn 2001/51/EG van de Raad van 28 juni 2001 tot aanvulling van het bepaalde in artikel 26 van de Overeenkomst ter uitvoering van het Akkoord van Schengen van 14 juni 1985 (PB L 187 van 10.7.2001, blz. 45).


TOELICHTING

Achtergrond(1)

Het Parlement begon aan te dringen op humanitaire visa in de context van de migratiecrisis en het onaanvaardbare dodental in het Middellandse Zeegebied. Het heeft zijn standpunten onder meer kenbaar gemaakt in de resolutie van 12 april 2016 over de situatie in het Middellandse Zeegebied en de noodzaak van een holistische EU-aanpak van migratie.

Humanitaire visa zijn reeds in EU-verband besproken, maar dit heeft niet tot concreet resultaat geleid. Er bestaan op dit moment wel een aantal gerichte nationale programma's, maar het EU-recht voorziet niet in een juridisch kader.

De Commissie LIBE heeft bij de herziening van de Visumcode (2014/0094(COD)) geprobeerd deze juridische leemte op te vullen, maar zowel de Raad als de Commissie maakten bezwaar tegen de amendementen die in dit verband werden geïntroduceerd in de in mei 2016 aangevangen trialoogonderhandelingen. Nadat de Raad maandenlang had geweigerd de onderhandelingen voort te zetten als de amendementen niet werden ingetrokken, trok het onderhandelingsteam van het Parlement de amendementen in. In plaats daarvan besloot de Commissie LIBE om dit initiatiefverslag van wetgevende aard op te stellen.

Ondanks deze stap zetten de Raad en de Commissie de onderhandelingen niet voort.

Op 6 december 2017 kreeg de Commissie LIBE toestemming om dit initiatiefverslag van wetgevende aard op te stellen op basis van artikel 225 VWEU en artikel 46 van het Reglement.

Ter voorbereiding van dit verslag heeft de rapporteur de schaduwrapporteurs, maar ook het maatschappelijk middenveld en de academische wereld om input verzocht. De voorbereiding werd bovendien ondersteund met een beoordeling van de Europese meerwaarde, opgesteld door de Onderzoeksdienst van het Europees Parlement. De rapporteur spreekt zijn dank uit voor de samenwerking en verleende steun.

Verzoeken van het Parlement aan de Commissie

De Commissie moet duidelijk worden verzocht om tegen eind maart 2019 een wetgevingsvoorstel tot instelling van een Europees humanitair visum in te dienen. Deze periode lijkt misschien kort, maar is volledig gerechtvaardigd gezien de urgentie van de zaak, de uitgebreide debatten die hebben plaatsgevonden, de verrichte studies en de gedetailleerde aanbevelingen in dit verslag.

Nadere toelichting bij de aanbevelingen

De volgorde van de aanbevelingen, die in de bijlage zijn opgenomen maar deel uitmaken van de ontwerpresolutie, is gebaseerd op de structuur van een wetgevingsinstrument. De aanbevelingen bestrijken de essentiële elementen die een dergelijk wetgevingsinstrument dient te bevatten.

Het wetgevingsinstrument moet een nieuwe, onafhankelijke rechtshandeling zijn. Uit de debatten over de Visumcode is gebleken dat een afzonderlijke handeling inderdaad noodzakelijk is. De rapporteur is van mening dat het meest geschikte instrument een verordening zou zijn, het soort handeling dat ook is gekozen voor de andere instrumenten van het visa-acquis.

Rechtsgrondslag

De rapporteur is van mening dat een combinatie van artikel 77, lid 2, onder b), en artikel 78, lid 2, onder g), VWEU, met betrekking tot grenscontroles en het beheer van de instroom van asielzoekers, een passende rechtsgrondslag zou vormen.

Motivering van het voorstel

In de overwegingen van het nieuwe wetgevingsinstrument dienen allereerst de belangrijkste redenen voor het instrument te worden toegelicht. 

In de eerste plaats is dit de huidige paradoxale situatie dat er in het EU-recht geen enkele bepaling is opgenomen over de manier waarop een vluchteling de EU moet binnenkomen, met als gevolg dat zij bijna allemaal op irreguliere wijze binnenkomen. Deze situatie heeft ernstige gevolgen voor de personen, maar ook voor de lidstaten. De gevluchte personen zien zich genoodzaakt hun toevlucht te nemen tot mensensmokkelaars en – in ruil voor grote geldbedragen – levensbedreigende trajecten af te leggen, waarbij ze zijn blootgesteld aan uitbuiting, mishandeling en misbruik. Nadelen voor de lidstaten zijn onder meer de gevolgen van de ongecontroleerde binnenkomst van migranten (onbekend hoeveel personen en wie er precies binnenkomen) en de steeds grotere inspanningen die nodig zijn om deze toestroom in goede banen te leiden met onder meer versterkte grenscontrole en -bewaking, opsporings- en reddingsactiviteiten en samenwerking met derde landen. Tegelijkertijd worden de lidstaten geconfronteerd met een steeds sterkere georganiseerde misdaad die financiële winst maakt met mensensmokkel. 

Een ander argument voor dit nieuwe wetgevingsinstrument is het risico van versnippering. We constateren dat de lidstaten nationale regelingen opzetten, maar deze regelingen zijn allemaal verschillend. De rapporteur verwelkomt alle initiatieven die een veilige doorgang mogelijk maken. Gezien het feit dat de EU een ruimte van vrijheid, veiligheid en recht zonder binnengrenzen vormt (artikel 3, lid 2, VEU), moet tegelijkertijd meer nadruk worden gelegd op gemeenschappelijk beleid. 

Ten slotte is een dergelijk instrument, aangezien de Unie is gegrondvest op de waarden van eerbiediging van de menselijke waardigheid en eerbiediging van de mensenrechten (artikel 2 VEU), noodzakelijk voor de EU wil zij de verplichtingen uit hoofde van haar eigen Verdragen kunnen nakomen.

Algemene bepalingen

Het doel van het nieuwe instrument moet beperkt blijven tot het vaststellen van bepalingen inzake de procedures en voorwaarden voor de afgifte van een humanitair visum. Het moet een visum met beperkte territoriale geldigheid zijn om de houder ervan in staat te stellen een bepaald grondgebied te bereiken en er een verzoek om internationale bescherming in te dienen. De lidstaat die het visum afgeeft zal dus verantwoordelijk voor de asielprocedure worden.

Er is gediscussieerd over de vraag of er een soort herplaatsingsmechanisme moet komen. Na rijp beraad stelt de rapporteur geen dergelijk mechanisme voor om te voorkomen dat het systeem te ingewikkeld wordt. 

Het nieuwe instrument moet van toepassing zijn op alle visumplichtige onderdanen van derde landen die bescherming nodig hebben omdat zij een reëel risico lopen op vervolging of ernstige schade en niet in aanmerking komen voor een ander instrument, zoals hervestiging. De rapporteur is een groot voorstander van hervestiging, maar hervestiging kan niet het enige legale en veilige traject zijn omdat slechts een beperkte groep reeds erkende vluchtelingen hiervoor in aanmerking komt.

Procedures en voorwaarden voor de afgifte van humanitaire visa 

De procedures voor deze visa moeten vergelijkbaar zijn met die voor visa voor kort verblijf, voor zover hun aard dit toelaat. Het gaat bijvoorbeeld om de procedurele stappen, de verwerkingstermijnen, de verplichting om een aanvraagformulier in te vullen en biometrische gegevens af te nemen, de betrokkenheid van externe dienstverleners, veiligheidscontroles en het recht om in beroep te gaan. De procedures moeten echter anders zijn als de specifieke situatie van de personen dit vereist. Er moet bijvoorbeeld altijd een interview worden afgenomen (ook over het risico van mensenhandel) en aanvragen moeten elektronisch kunnen worden ingediend. Om kosten te besparen en rekening te houden met de situatie van de persoon, moet bij visumaanvragen tevens meer gebruik worden gemaakt van moderne communicatiemiddelen dan thans het geval is. Zo moeten interviews op afstand kunnen worden afgenomen, zodat de lidstaten kunnen samenwerken met asieldeskundigen die niet noodzakelijkerwijs in derde landen zijn gevestigd.

De visumaanvraag moet aan een voorlopige beoordeling worden onderworpen om na te gaan of het aannemelijk is dat de aanvrager is blootgesteld aan een reëel risico op vervolging of ernstige schade. De rapporteur is van oordeel dat een dergelijke beoordeling noodzakelijk is voor de geloofwaardigheid van de procedure. Hij benadrukt dat de beoordeling een beoordeling van de visumaanvraag is en geen externe behandeling van een asielverzoek. Dit laatste zou te veel juridische en praktische vragen oproepen. 

Administratief beheer en organisatie 

Het instrument zal administratieve inspanningen vergen waarvoor de lidstaten steun moeten kunnen krijgen, ook op financieel vlak. Hiertoe kunnen wijzigingen worden aangebracht in de financiële programma's van het nieuwe MFK, met name in het Fonds voor geïntegreerd grensbeheer. Daarnaast worden op andere gebieden besparingen verwacht, aangezien de binnenkomst van migranten ordelijker zal verlopen en er minder personen zullen aankomen die duidelijk geen internationale bescherming nodig hebben. Het gebruik van moderne communicatietechnologie zou verdere besparingen mogelijk moeten maken.

Slotbepalingen

De rapporteur beseft ten volle dat er vele praktische voorbereidingen moeten worden getroffen voordat het hier beschreven nieuwe instrument ten uitvoer kan worden gelegd. De koppeling tussen visum- en asielprocedures moet opnieuw worden bekeken en de administratieve werkstroom moet dienovereenkomstig worden georganiseerd. De rapporteur pleit daarom voor een overgangsperiode van twee jaar alvorens de nieuwe regels van toepassing worden. Vervolgens moeten bepaalde derde landen als proefregio's worden aangewezen om de regels in een gecontroleerde omgeving te kunnen testen. Zo wordt het mogelijk ervaring op te doen en te analyseren vóór een verdere ingebruikname.

Er moeten specifieke steunstructuren worden opgezet voor de lidstaten in de proefregio's. Zij moeten een aanzienlijke hoeveelheid EU-financiering kunnen ontvangen (bijvoorbeeld uit het Fonds voor geïntegreerd grensbeheer) voor nieuwe aanpassingen aan hun gebouwen, opleiding van hun personeel en reorganisatie van werkstromen en IT-infrastructuur. Er moet deskundig advies worden verstrekt door agentschappen, waaronder het EASO, Frontex, Europol en het FRA. De tenuitvoerlegging in de proefregio's moet nauwlettend worden gevolgd om daarna conclusies te kunnen trekken. De resultaten hiervan moeten na twee jaar in de evaluatie worden opgenomen. Deze resultaten moeten zorgvuldig worden beoordeeld, zodat het nieuwe instrument waar nodig kan worden gewijzigd. Na de nodige aanpassingen moet het nieuwe instrument volledig ten uitvoer worden gelegd.

Wijziging van andere rechtshandelingen

Diverse handelingen van het visa-acquis, in het bijzonder de Visumcode en het VIS, moeten worden gewijzigd om ze af te stemmen op dit volledig nieuwe instrument. Hetzelfde geldt voor de wetgevingsinstrumenten die van toepassing zijn op de houder van een dergelijk visum wanneer hij naar de EU reist. De Schengengrenscode moet bijvoorbeeld worden gewijzigd om een dergelijk visum te kunnen erkennen bij aankomst aan de buitengrens. Tot slot zijn er ook enkele aanpassingen nodig in het asielacquis. Hoewel de asielprocedure uiteraard volledig op het grondgebied van de EU moet plaatsvinden, dient het feit dat een aanvrager houder van een humanitair visum is in aanmerking te worden genomen. Zo dienen evaluaties die al zijn uitgevoerd in het kader van de visumaanvraag opnieuw te worden gebruikt in de asielprocedure om onnodig dubbel werk te voorkomen.

Conclusie

De rapporteur is van mening dat het hoog tijd is om op zoek te gaan naar innovatieve oplossingen die tegemoetkomen aan zowel de behoeften van personen die bescherming zoeken als die van de lidstaten. De verkokerde denkwijze die momenteel wordt gehanteerd voor het visa-acquis enerzijds en het asielacquis anderzijds blijkt kunstmatig en gaat voorbij aan de huidige realiteit. De EU moet haar stem laten horen en het aandurven om naar haar waarden te handelen.

(1)

Zie voor meer details het werkdocument over humanitaire visa van de rapporteur van 5 april 2018.


ADVIES van de Commissie rechten van de vrouw en gendergelijkheid (10.9.2018)

aan de Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken

inzake humanitaire visa

(2017/2270(INL))

Rapporteur voor advies: Malin Björk

(Initiatief – Artikel 46 van het Reglement)

SUGGESTIES

De Commissie rechten van de vrouw en gendergelijkheid verzoekt de bevoegde Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken onderstaande suggesties in haar ontwerpresolutie op te nemen:

A.  overwegende dat het algemeen aanvaard is dat gender valt onder het behoren tot een bepaalde sociale groep, wat een van de gronden is voor bescherming uit hoofde van het VN-Verdrag inzake de status van vluchtelingen van 1951 en het protocol van 1967 daarvan (het Vluchtelingenverdrag), en overwegende dat vervolging op grond van gender een grond vormt om bescherming te vragen en te krijgen in het kader van het internationale en EU-recht, met inbegrip van de Overeenkomst van Istanbul, en dat vrouwen wereldwijd onevenredig getroffen worden door seksuele en andere vormen van gendergerelateerd geweld en in het bijzonder tijdens gewapende conflicten en oorlogen;

B.  overwegende dat in de huidige vluchtelingencrisis alleenreizende vrouwen met of zonder kinderen, vrouwelijke gezinshoofden, zwangere vrouwen en vrouwen die borstvoeding geven, personen met een handicap, tienermeisjes en bejaarde vrouwen tot de meest kwetsbare groep op de migratieroutes naar Europa behoren en een groter risico lopen op gendergerelateerd geweld;

C.  overwegende dat in de UNHCR-richtsnoeren inzake gendergerelateerde vervolging (2002) de definitie van vluchteling ook gendergerelateerde aanvragen zou moeten omvatten en dringt er bij asielverleners op aan gronden voor bescherming op een "genderbewuste" manier te interpreteren en te waarborgen dat de procedure zonder discriminatie verloopt;

D.  overwegende dat volgens de statistieken van de Internationale Organisatie voor Migratie (IOM) sinds 2014 meer dan 15 000 migranten zijn omgekomen of vermist geraakt op de Middellandse Zee op weg naar Europa; en overwegende dat het centrale gedeelte van de Middellandse Zee de dodelijkste route is gebleven met bijna twee doden per honderd migranten in 2015, wat onaanvaardbaar is;

E.  overwegende dat de Overeenkomst van Istanbul, en met name artikel 60 ervan, vereist dat de partijen de nodige wetgevende of andere maatregelen nemen om ervoor te zorgen dat gendergerelateerd geweld tegen vrouwen als een vorm van vervolging kan worden erkend en dat de in het Vluchtelingenverdrag van 1951 opgenomen gronden voor asiel op een genderbewuste manier worden geïnterpreteerd;

F.  overwegende dat er dringend behoefte is aan veilige en legale toegangsroutes tot de Unie, ook vanuit een genderperspectief, en dat humanitaire visa andere veilige manieren om toegang te verkrijgen – zoals hervestiging en humanitaire toelating – weliswaar niet kunnen vervangen, maar wel kunnen aanvullen; 

G.  overwegende dat het huidige gebrek aan mogelijkheden om buiten de Unie om bescherming op humanitaire gronden te verzoeken erop neerkomt dat asielzoekers gedwongen zijn Europa op illegale wijze binnen te komen, waarbij zij hun leven en gezondheid op het spel zetten en vrouwen, meisjes en LGBTI-personen specifieke en gendergerelateerde gevolgen ondervinden, zoals verkrachting, geweld en seksuele en economische uitbuiting door mensensmokkelaars en -handelaars;

H.  overwegende dat de creatie van humanitaire visa kwetsbare personen en personen met specifieke problemen zoals zieken, personen met een handicap, gezinnen, vrouwen, zwangere vrouwen, kinderen, bejaarden en LGBTI-personen, toegang zal geven tot asielprocedures en humanitaire bescherming, zodat zij op een veilige manier naar Europa kunnen komen, waar hun asiel- of humanitaire aanvraag wordt behandeld;

I.  overwegende dat vrouwen en meisjes aan specifieke vormen van gendergerelateerde vervolging en discriminatie kunnen worden blootgesteld in hun land van herkomst, waaronder maar niet beperkt tot vrouwelijke genitale verminking, gedwongen huwelijken, huiselijk geweld, verkrachting, seksueel geweld en "eermisdrijven";

J.  overwegende dat volgens de UNHCR in 2017 tussen de 9 en 22% van de aankomsten over zee in Italië, Griekenland en Spanje(1) vrouwen betroffen, en de grote genderverschillen verband houden met de specifieke kwetsbaarheid van vrouwen, waaronder economische en andere afhankelijkheden;

K.   overwegende dat vrouwen en meisjes een groot risico lopen op seksueel en fysiek misbruik en geweld, waaronder verkrachting, en vaak kwetsbaarder zijn voor alle vormen van uitbuiting, met inbegrip van arbeidsuitbuiting of seksuele uitbuiting langs de routes naar de EU; en dikwijls worden gedwongen tot overlevingsseks in ruil voor het voortzetten van hun reis; overwegende dat criminele groepen, sommige mensensmokkelaars en -handelaars gebruik maken van het gebrek aan veilige toegangsroutes naar Europa;

L.  overwegende dat meisjes en vrouwen die het slachtoffer zijn van gendergerelateerd geweld en internationale bescherming behoeven, wellicht niet geneigd zijn de ware omvang van de doorstane of gevreesde vervolging te vertellen en dat zij om die reden een ondersteunende omgeving nodig hebben waarin zij gerust kunnen zijn dat hun zaak vertrouwelijk wordt behandeld;

1.  wijst op de dringende behoefte aan veilige en legale manieren om toegang te verkrijgen tot de Europese Unie, waarvan humanitaire visa er één moet zijn; benadrukt dat dit belangrijk is vanuit genderperspectief omdat vrouwen en LGBTI-personen bijzonder kwetsbaar zijn en bijgevolg een groter risico lopen op seksueel en gendergerelateerd geweld langs routes en in opvangcentra;

2.  betreurt het dat er een grote mate van ongelijkheid bestaat tussen vrouwen en mannen die gedwongen worden hun land van herkomst te verlaten om internationale bescherming te krijgen; benadrukt dat dikwijls een kwetsbare economische situatie en andere vormen van afhankelijkheden vrouwen en meisjes uit derde landen in een positie brengen waarin het voor hen nog moeilijker is dan voor mannen om veilig asiel aan te vragen;

3.  veroordeelt de voortdurende situatie waarin vrouwen, meisjes alsook LGBTI-personen die in de EU asiel willen aanvragen een ernstig risico lopen op seksueel en gendergerelateerd geweld langs routes en in opvangcentra;

4.  beklemtoont dat gendergerelateerd geweld, met inbegrip van seksueel geweld, een ernstige impact heeft op het leven en de gezondheid van vrouwen en meisjes, met geestelijke gezondheidsproblemen, posttraumatisch stresssyndroom, angstaanvallen en depressie als mogelijke gevolgen;

5.  benadrukt dat vrouwen, meisjes en LGBTI-personen met een gegronde vrees voor gendergerelateerde vervolging op een veilige manier een humanitair visum moeten kunnen aanvragen;

6.  dringt aan op de invoering van een afzonderlijk instrument voor humanitaire visa als aanvulling op een programma van de Unie inzake hervestiging en humanitaire toelating, teneinde te zorgen voor een veilige en legale manier om toegang te verkrijgen tot het EU-grondgebied voor personen die internationale bescherming nodig hebben, waarbij wordt gezorgd voor een genderbewuste aanpak en effectieve bescherming van personen die het slachtoffer zijn van op gender gebaseerde vervolging, en het van het allergrootste belang is dat de procedure op een gevoelige en respectvolle manier wordt gevoerd, ten volle rekening houdend met de complexiteit en de kwetsbaarheden van alle aanvragers, met name van vrouwen en LGBTI-personen;

7.  wijst erop dat het instrument voor humanitaire visa ook aanvragen voor humanitaire bescherming wegens gezondheidsproblemen en dwingende familieomstandigheden moet omvatten wanneer zij verschillen van gronden voor gezinshereniging, klimaatontheemding en andere dwingende gevallen waarin behoefte is aan internationale bescherming;

8.  benadrukt dat gendergerelateerde vormen van geweld en discriminatie, met inbegrip van maar niet beperkt tot verkrachting en seksueel geweld, vrouwelijke genitale verminking, gedwongen huwelijken, huiselijk geweld, zogeheten eermisdrijven en door de staat gesanctioneerde genderdiscriminatie, vormen van vervolging zijn en geldige motieven moeten zijn om asiel of humanitaire bescherming aan te vragen en dat dit moet worden weerspiegeld in het nieuwe instrument; verzoekt de Commissie daarom gender-gebaseerde vervolging te erkennen als een geldige reden om internationale bescherming te verzoeken en ervoor te zorgen dat het genderperspectief in alle fasen van de asielprocedure wordt toegepast, door te voldoen aan de UNHCR-richtsnoeren inzake internationale bescherming van 2002: gendergerelateerde vervolging;

9.  waarschuwt dat het nieuwe instrument voor humanitaire visa niet mag dienen als een manier om de verantwoordelijkheid voor de beoordeling van aanvragen van vluchtelingen door te schuiven naar landen buiten Europa, maar wel als een manier om te waarborgen dat asielzoekers en personen die internationale bescherming behoeven, veilig naar Europa kunnen reizen waar hun aanvraag dan wordt verwerkt, aangezien voorstellen als de ontschepingsplatformen de kernbeginselen van de internationale en Europese bescherming van vluchtelingen ondermijnen;

10.  verzoekt de Commissie en de lidstaten de verzameling van naar sekse uitgesplitste gegevens in de huidige vluchtelingencrisis te verbeteren en ervoor te zorgen dat een gendergelijkheidsperspectief in de relevante asielbeleidsmaatregelen wordt geïntegreerd;

11.  herinnert eraan dat wetgeving en beleidsmaatregelen ter bestrijding van mensensmokkel nooit de toegang tot asielprocedures in de EU mogen verhinderen en voor migranten en vluchtelingen een hulp zouden moeten zijn om tot uitbuiting uitnodigende schadelijke situaties te vermijden;

12.  uit kritiek op de aanwijzing van derde landen als veilige landen van herkomst, veilige derde landen en veilige landen voor asiel en benadrukt dat zelfs in landen die als veilig worden bestempeld, vrouwen het slachtoffer kunnen zijn van op gender gebaseerde vervolging en LGBTI-personen van misbruik, wat hen een rechtmatig motief geeft om bescherming aan te vragen;

13.  vraagt dat onmiddellijk een einde wordt gemaakt aan de detentie van kinderen, zwangere vrouwen en vrouwen die borstvoeding geven en overlevenden van verkrachting, seksueel geweld en mensenhandel, en dat passende psychologische ondersteuning beschikbaar wordt gesteld;

14.  beklemtoont dat er meer financiering nodig is voor specifieke ondersteuning van de meest kwetsbare vrouwen en meisjes in onze samenleving, met name vrouwen met een handicap, vrouwelijke vluchtelingen en slachtoffers van mensenhandel en misbruik;

15.  vraagt dat de lidstaten voorzien in noodzakelijke en toereikende opleidingen voor personeelsleden en gezondheidswerkers die moeten omgaan met kinderen, meisjes en vrouwen die het slachtoffer zijn geweest van gendergerelateerd geweld, wanneer zij in de EU aankomen, zodat gespecialiseerde hulp en zorg kan worden geboden, met inbegrip van seksuele en reproductieve gezondheidszorg en psychologische ondersteuning;

16.  betreurt het dat sommige lidstaten de Overeenkomst van Istanbul niet hebben geratificeerd en herhaalt zijn oproep aan alle lidstaten om de Overeenkomst van Istanbul onverwijld te ratificeren en volledig ten uitvoer te leggen;

17.  vraagt om gedeelde verantwoordelijkheid en nauwe samenwerking tussen de Europese landen, internationale organisaties, relevante belanghebbenden en sectoren op verschillende niveaus; herinnert de Commissie en de lidstaten eraan dat de bescherming van personen die internationale bescherming behoeven, een kwestie is die iedereen aangaat en dat een gezamenlijk antwoord gebaseerd op het beginsel van solidariteit zal worden gegeven.

INFORMATIE OVER DE GOEDKEURINGIN DE ADVISERENDE COMMISSIE

Datum goedkeuring

3.9.2018

 

 

 

Uitslag eindstemming

+:

–:

0:

15

8

0

Bij de eindstemming aanwezige leden

Maria Arena, Beatriz Becerra Basterrechea, Malin Björk, Vilija Blinkevičiūtė, Anna Hedh, Mary Honeyball, Agnieszka Kozłowska-Rajewicz, Florent Marcellesi, Krisztina Morvai, Maria Noichl, João Pimenta Lopes, Michaela Šojdrová, Anna Záborská, Maria Gabriela Zoană

Bij de eindstemming aanwezige vaste plaatsvervangers

José Inácio Faria, Eleonora Forenza, Jérôme Lavrilleux, Mylène Troszczynski, Monika Vana, Julie Ward

Bij de eindstemming aanwezige plaatsvervangers (art. 200, lid 2)

Cécile Kashetu Kyenge, Patrick O’Flynn, Patrizia Toia

HOOFDELIJKE EINDSTEMMINGIN DE ADVISERENDE COMMISSIE

15

+

ALDE

Beatriz Becerra Basterrechea

GUE/NGL

Malin Björk, Eleonora Forenza, João Pimenta Lopes

S&D

Maria Arena, Vilija Blinkevičiūtė, Anna Hedh, Mary Honeyball, Cécile Kashetu Kyenge, Maria Noichl, Patrizia Toia, Julie Ward, Maria Gabriela Zoană

VERTS/ALE

Florent Marcellesi, Monika Vana

8

-

EFDD

Patrick O'Flynn

ENF

Mylène Troszczynski

NI

Krisztina Morvai

PPE

José Inácio Faria, Agnieszka Kozłowska-Rajewicz, Jérôme Lavrilleux, Michaela Šojdrová, Anna Záborská

0

0

 

 

Verklaring van de gebruikte tekens:

+  :  voor

-  :  tegen

0  :  onthouding

(1)

https://data2.unhcr.org/en/documents/download/63039


INFORMATIE OVER DE GOEDKEURINGIN DE BEVOEGDE COMMISSIE

Datum goedkeuring

10.10.2018

 

 

 

Uitslag eindstemming

+:

–:

0:

39

10

0

Bij de eindstemming aanwezige leden

Asim Ademov, Martina Anderson, Heinz K. Becker, Monika Beňová, Malin Björk, Michał Boni, Caterina Chinnici, Frank Engel, Laura Ferrara, Romeo Franz, Kinga Gál, Nathalie Griesbeck, Sylvie Guillaume, Brice Hortefeux, Filiz Hyusmenova, Sophia in ‘t Veld, Eva Joly, Marek Jurek, Dietmar Köster, Barbara Kudrycka, Cécile Kashetu Kyenge, Juan Fernando López Aguilar, Monica Macovei, Claude Moraes, József Nagy, Péter Niedermüller, Ivari Padar, Birgit Sippel, Branislav Škripek, Csaba Sógor, Sergei Stanishev, Traian Ungureanu, Bodil Valero, Josef Weidenholzer, Kristina Winberg, Tomáš Zdechovský, Auke Zijlstra

Bij de eindstemming aanwezige vaste plaatsvervangers

Kostas Chrysogonos, Carlos Coelho, Gérard Deprez, Teresa Jiménez-Becerril Barrio, Jean Lambert, Jeroen Lenaers, Innocenzo Leontini, Angelika Mlinar, Barbara Spinelli, Daniele Viotti

Bij de eindstemming aanwezige plaatsvervangers (art. 200, lid 2)

John Stuart Agnew, Jude Kirton-Darling


HOOFDELIJKE EINDSTEMMING IN DE BEVOEGDE COMMISSIE

39

+

ALDE

Gérard Deprez, Nathalie Griesbeck, Filiz Hyusmenova, Sophia in 't Veld, Angelika Mlinar

EFDD

Laura Ferrara

GUE/NGL

Martina Anderson, Malin Björk, Kostas Chrysogonos, Barbara Spinelli

PPE

Asim Ademov, Heinz K. Becker, Michał Boni, Carlos Coelho, Frank Engel, Teresa Jiménez-Becerril Barrio, Barbara Kudrycka, Jeroen Lenaers, Innocenzo Leontini, József Nagy, Csaba Sógor

S&D

Monika Beňová, Caterina Chinnici, Sylvie Guillaume, Jude Kirton-Darling, Dietmar Köster, Cécile Kashetu Kyenge, Juan Fernando López Aguilar, Claude Moraes, Péter Niedermüller, Ivari Padar, Birgit Sippel, Sergei Stanishev, Daniele Viotti, Josef Weidenholzer

VERTS/ALE

Romeo Franz, Eva Joly, Jean Lambert, Bodil Valero

10

-

ECR

Marek Jurek, Monica Macovei, Branislav Škripek, Kristina Winberg

EFDD

John Stuart Agnew

ENF

Auke Zijlstra

PPE

Kinga Gál, Brice Hortefeux, Traian Ungureanu, Tomáš Zdechovský

0

0

 

 

Verklaring van de gebruikte tekens:

+  :  voor

-  :  tegen

0  :  onthouding

Laatst bijgewerkt op: 30 oktober 2018Juridische mededeling - Privacybeleid