Procedure : 2019/0817(NLE)
Stadium plenaire behandeling
Documentencyclus : A9-0049/2019

Ingediende teksten :

A9-0049/2019

Debatten :

PV 16/12/2019 - 16
CRE 16/12/2019 - 16

Stemmingen :

PV 17/12/2019 - 4.10
CRE 17/12/2019 - 4.11

Aangenomen teksten :

P9_TA(2019)0093

<Date>{06/12/2019}6.12.2019</Date>
<NoDocSe>A9-0049/2019</NoDocSe>
PDF 438kWORD 125k

<TitreType>VERSLAG</TitreType>

<Titre>over de aanbeveling van de Raad voor de benoeming van een lid van de directie van de Europese Centrale Bank</Titre>

<DocRef>(C9-0149/2019 – 2019/0817(NLE))</DocRef>


<Commission>{ECON}Commissie economische en monetaire zaken</Commission>

Rapporteur: <Depute>Irene Tinagli</Depute>

ONTWERPBESLUIT VAN HET EUROPEES PARLEMENT
 BIJLAGE 1: CURRICULUM VITAE VAN Fabio Panetta
 BIJLAGE 2: ANTWOORDEN VAN Fabio Panetta OP DE VRAGENLIJST
 PROCEDURE VAN DE BEVOEGDE COMMISSIE

ONTWERPBESLUIT VAN HET EUROPEES PARLEMENT

over de aanbeveling van de Raad voor de benoeming van een lid van de directie van de Europese Centrale Bank

(C9-0149/2019 – 2019/0817(NLE))

(Raadpleging)

Het Europees Parlement,

 gezien de aanbeveling van de Raad van 10 oktober 2019 (12451/2019)[1],

 gezien artikel 283, lid 2, tweede alinea, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, op grond waarvan het Parlement door de Europese Raad is geraadpleegd (C9-0149/2019),

 gezien zijn resolutie van 14 maart 2019 over genderevenwicht bij benoemingen in de EU op het gebied van economische en monetaire zaken[2],

 gezien artikel 130 van zijn Reglement,

 gezien het verslag van de Commissie economische en monetaire zaken (A9-0049/2019),

A. overwegende dat de Europese Raad bij schrijven van 16 oktober 2019 het Parlement heeft geraadpleegd over de benoeming van Fabio Panetta tot lid van de directie van de Europese Centrale Bank voor een ambtstermijn van acht jaar, ingaande op 1 januari 2020;

B. overwegende dat de Commissie economische en monetaire zaken van het Parlement vervolgens de kwalificaties van de kandidaat heeft onderzocht, met name in het licht van de vereisten, zoals vastgelegd in artikel 283, lid 2, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en het uit artikel 130 van hetzelfde Verdrag voortvloeiende gebod van volledige onafhankelijkheid van de ECB; overwegende dat de commissie in het kader van dit onderzoek een curriculum vitae van de kandidaat heeft ontvangen, alsmede de antwoorden op de hem toegezonden schriftelijke vragenlijst;

C. overwegende dat de commissie vervolgens op 3 december 2019 een hoorzitting met de kandidaat heeft gehouden tijdens welke hij een openingsverklaring heeft afgelegd en daarna vragen van de commissieleden heeft beantwoord;

D. overwegende dat de Raad van bestuur van de Europese Centrale Bank bestaat uit de leden van de directie van de Europese Centrale Bank en de negentien presidenten van de nationale centrale banken van de lidstaten die de euro als munt hebben; overwegende dat deze laatsten tot nu toe allemaal man zijn;

E. overwegende dat het Parlement herhaaldelijk zijn bezorgdheid heeft uitgesproken over de benoemingsprocedure voor leden van de directie van de Europese Centrale Bank en ertoe heeft opgeroepen de procedures hieromtrent te verbeteren; overwegende dat het Parlement heeft aangegeven dat het ruim van tevoren een genderevenwichtige shortlist wil ontvangen met ten minste twee namen;

F. overwegende dat het Parlement op 17 september 2019 een positief advies heeft uitgebracht over de aanbeveling van de Raad om Christine Lagarde te benoemen tot eerste vrouwelijke president van de Europese Centrale Bank;

G. overwegende dat vrouwen in de Raad van bestuur van de Europese Centrale Bank nog altijd ondervertegenwoordigd zijn; overwegende dat het Parlement betreurt dat de lidstaten dit verzoek niet serieus hebben genomen en de nationale en EU-instellingen oproept om actief te werken aan het realiseren van een genderevenwicht bij de volgende benoemingen;

H. overwegende dat alle EU- en nationale instellingen en organen concrete maatregelen moeten nemen om voor genderevenwicht te zorgen;

1. brengt positief advies uit inzake de aanbeveling van de Raad om Fabio Panetta tot lid van de directie van de Europese Centrale Bank te benoemen;

2. verzoekt zijn Voorzitter dit besluit te doen toekomen aan de Europese Raad, de Raad en de regeringen van de lidstaten.

 

 


 

BIJLAGE 1: CURRICULUM VITAE VAN Fabio Panetta

Fabio Panetta

CONTACTGEGEVENS

Banca d’Italia

Via Nazionale 91 — 00184, Rome, Italië

E-mail: fabio.panetta@bancaditalia.it

 

 

 

Geboren in Rome op 1 augustus 1959. Getrouwd, drie kinderen.

ACADEMISCHE KWALIFICATIES

1996

1984

1982

 

Ph.D. in Economie en Financiën (London Business School).

M.Sc. in Monetaire Economie (London School of Economics).

Honours degree in de Economie (LUISS Universiteit, Rome).

 

professionele ervaring en belangrijkste beklede functies

 

 

Momenteel:

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Eerdere functies:

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Senior vicegouverneur van de Bank van Italië. Hij valt in voor de gouverneur als deze afwezig of arbeidsongeschikt is.

Voorzitter van de Italiaanse toezichthoudende autoriteit voor verzekeringen (Ivass). In deze rol is hij lid van de Algemene Raad van het Europees Comité voor systeemrisico’s.

Hij is eerste plaatsvervanger voor de gouverneur in de raad van bestuur van de Bank voor Internationale Betalingen.

Plaatsvervangend lid voor Italië van de Groep van Zeven (G7) en de Groep van Twintig (G20).

Lid van werkgroep 3 van de OESO.

Lid van de raad van bestuur van het International Center for Monetary and Banking Studies (ICMB) in Genève en van de raad van bestuur van het Einaudi Institute for Economics and Finance (EIEF).

Hij ontving de honoraire titel van Hoge Officier in de Ridderorde van de Republiek Italië.

 

Van 2004 tot en met 2017 begeleider en plaatsvervanger van de gouverneur van de Banca d’Italia in de Raad van bestuur van de Europese Centrale Bank (gouverneurs Antonio Fazio, Mario Draghi, Ignazio Visco).

Van 2014 tot en met juli 2019, lid van de raad van toezicht van de Europese Centrale Bank.

Van 2012 tot en met mei 2019, lid van de raad van bestuur en vicegouverneur van de Bank van Italië.

Lid van de raad van bestuur van de Bank voor Internationale Betalingen (2013 en van 2015 tot en met 2018).

Van 2003 tot en met juni 2019, lid van het Committee on the Global Financial System van de Bank voor Internationale Betalingen.

Vanaf 2013, bestuurslid van de Italiaanse toezichthoudende autoriteit voor verzekeringen (Ivass).

In 1985 begon hij bij de onderzoeksafdeling van de Bank van Italië. Hij maakte promotie naar de functie van manager (2000), algemeen manager en hoofd van de divisie Monetair en Financieel (2004), senior manager en hoofd van de afdeling Economische Prognoses en Monetair Beleid (2007) en algemeen directeur voor het Eurosysteem en Financiële Stabiliteit (2011).

Hij onderwees het vak “Competition and Performance of the European Financial System” voor het masterprogramma in Europese Economie en Internationale Financiën aan de Universiteit van Rome, Tor Vergata (2004‑05).

Hij onderwees het vak “Theory and Practice of the Financial Markets” voor het Ph.D-programma aan de faculteit van Economie van de Universiteit van Rome, Tor Vergata (1995-96).

Onderzoeksassistent Econometrie aan de LUISS Universiteit van Rome (1982-83).

 

ANDERE FUNCTIES

2010-12:

 

 

2005-11:

 

1999-2007:

 

 

2010-11:

 

 

 

2005-06:

 

 

 

2000-01:

 

 

 

 

1999-2002:

 

 

1998-2000:

Hoofdredacteur van het Rapport over de financiële stabiliteit van de Bank van Italië.

 

Lid van de raad van bestuur van de International Journal of Central Banking.

 

Redacteur van de hoofdstukken over geld, krediet en financiering in het jaarverslag en het economisch bulletin van de Bank van Italië.

 

Voorzitter van de werkgroep Sovereign Risk and Bank Funding Conditions, waarbij hij rapporteerde aan het Committee on the Global Financial System (Bank voor Internationale Betalingen).

 

Voorzitter van de studiegroep Financial Market Volatility, waarbij hij rapporteerde aan het Committee on the Global Financial System (Bank voor Internationale Betalingen).

 

Voorzitter van de werkgroep Efficiency, Competition and Credit Flows in het kader van een door de ministers van Financiën van de G10 en gouverneurs van de centrale banken gesteund onderzoek naar het consolidatieproces voor de bancaire en financiële sector.

 

Vertegenwoordiger van de Bank van Italië bij de OESO-groep op hoog niveau van monetaire experts (Parijs).

 

Lid van de werkgroep Aandelenmarkten die is opgericht door de gouverneurs van de centrale banken van de G10-landen.

 

Hij heeft bij de volgende instellingen seminars gegeven over onderwerpen op het gebied van economie en financiën: American Economic Association, raad van bestuur van het Federal Reserve System, Federal Reserve Bank of Chicago, Bank voor Internationale Betalingen, De Nederlandsche Bank, Federal Deposit Insurance Commission, Borsa di Milano, Associazione Bancaria Italiana, Italiaans Ministerie van Economie en Financiën, Consob, het Europees Universitair Instituut (Florence), London Business School, London School of Economics, Università Bocconi, Bank of Canada, Sapienza University, Tor Vergata University, Center for International Studies, Istituto per la Ricerca sociale, Center for Economic Policy Research (CEPR), Monte Titoli S.p.A., Università di Pavia, Bank of England, Associazione per gli Studi di Banca e Borsa, LUISS University, Università Cattolica di Milano, Università di Ancona, Università di Sassari, Università di Verona, Autorità Garante per la Concorrenza, Associazione Prometeia, Frankfurt Institute for Law and Finance, Banque Centrale du Luxembourg.

 

Hij is lid van de Italiaanse Economische Vereniging, de American Finance Association en de American Economic Association. Hij heeft studies gepubliceerd over het bankwezen en financiën in verschillende Italiaanse en buitenlandse vaktijdschriften (zie bijgevoegde lijst).

 

Hij is jurylid geweest voor Italiaanse en buitenlandse vaktijdschriften, waaronder: American Economic Review, Quarterly Journal of Economics, Journal of Money, Credit and Banking, Review of Economics and Statistics, Journal of Financial Intermediation, Journal of Banking and Finance, Journal of Development Economics, Journal of the European Economic Association (JEEA), Open Economies Review, Journal of Development Economics, International Review of Economic and Finance, Economic Modelling, Economic Notes, Rivista di Politica Economica, Moneta e Credito, en Politica Economica.

PRIJZEN EN BEURZEN

2006

 

 

1985

 

 

1983

 

Toekenning van de “Premio Giornalistico Internazionale Santa Margherita Ligure per l’Economia” als beste schrijver over economie.

 

Toekenning van de “Paolo Andreini”-beurs van de Bank van Italië voor een studie in het buitenland op het gebied van economie.

 

Toekenning van een beurs door het Ministerie van Onderwijs voor een studie in het buitenland op het gebied van politieke economie.

BELANGRIJKSTE PUBLICATIES

BELANGRIJK­STE ARTIKELEN IN INTERNATIO­NALE VAK­TIJDSCHRIFTEN

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

BOEKEN EN MONO­GRAFIEËN

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

ANDERE ARTIKELEN en toespraken

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Werk­documenten

 

 

 

 

 

 

 

“Are Mergers Beneficial to Consumers? Evidence from the Market for Bank Deposits”, met D. Focarelli, The American Economic Review, vol. 93, nr. 4, september 2003 (ook gepubliceerd in: Banca d’Italia, Temi di Discussione (werkdocumenten) nr. 448, juli 2002).

“The Interaction between Capital Requirements and Monetary Policy” (2014), met Paolo Angelini en Stefano Neri, Journal of Money, Credit and Banking, vol. 46, issue 6, september 2014.

“Do Mergers Improve Information? Evidence From the Loan Market” met Fabiano Schivardi en Matthew Shum, The Journal of Money, Credit and Banking, vol. 41, nr. 4, blz. 673-709, 2009 (ook gepubliceerd als werkdocument nr. 4961, CEPR, Londen).

“Why do companies go public? An Empirical Analysis”, met M. Pagano en L. Zingales, Journal of Finance, vol. LIII, nr. 1, 1998.

“The Coordination of Micro and Macro-Prudential Policy in Europe” (2015), met Piergiorgio Alessandri, European Economy, 2015.3.

“Consolidation and Efficiency in the Financial Sector: A Review of the International Evidence”, met D. Amel, C. Barnes en C. Salleo, Journal of Banking and Finance, vol. 28, nr. 10, 2004 (ook gepubliceerd als Working Paper 2002-47, raad van bestuur, Federal Reserve System).

“The Stability of the Relation between the Stock Market and Macroeconomic Forces”, Economic Notes, 2002, nr. 3, (ook gepubliceerd in Banca d’Italia, Temi di Discussione (werkdocumenten) nr. 393, 2003).

“Will A Common European Monetary Policy Have Asymmetric Effects?”, met L. Guiso, A. Kashyap en D. Terlizzese, Economic Perspectives, Federal Reserve Bank of Chicago, nr. 56, 2000 (ook gepubliceerd in Banca d’Italia, Temi di Discussione (werkdocumenten) nr. 325, 2000).

“Why do Banks Merge?”, met D. Focarelli en C. Salleo, Journal of Money, Credit and Banking, vol. 34, nr. 4, november 2002 (ook gepubliceerd als Banca d’Italia, Temi di Discussione (werkdocumenten) nr. 361, 1999).

“The Performance of Italian Equity Funds”, met Riccardo Cesari, Journal of Banking and Finance, 26, 2002 (ook gepubliceerd in Banca d’Italia, Temi di Discussione (werkdocumenten) nr. 325, 1998).

“The stock market as a source of capital: some lessons from initial public offerings in Italy”, met M. Pagano en L. Zingales, European Economic Review, nr. 40, 1996.

“Les interactions négatives entre banques et états”, met Paolo Angelini en Giuseppe Grande, Revue d’économie financière nr. 111, september 2013.

Supplementary pension schemes in Italy:Features, development and opportunities for workers”, met Riccardo Cesari en Giuseppe Grande, Giornale degli economisti e annali di economia, vol. 67, 1, blz. 21-40, 2008.

 

 

“The impact of sovereign credit risk on bank funding conditions” (2011), gepubliceerd in CGFS Papers nr. 43, Bank voor Internationale Betalingen, Basel (verslag van de werkgroep Sovereign Risk and Bank Funding Conditions van het Committee on the Global Financial System)

“Financial Sector Pro-cyclicality: Lessons from the Crisis” (2009), coördinator (met Paolo Angelini), Banca d’Italia, Questioni di Economia e Finanza (incidentele papers) nr. 44, april.

Geneva Reports on the World Economy, nr. 9: International Financial Stability, (2007), (met Roger Ferguson, Phillip Hartman en Richard Portes), gepubliceerd door het International Center for Monetary and Banking Studies (ICMB) en CEPR.

Il sistema finanziario e il Mezzogiorno. Squilibri reali e divari finanziari (2006), redacteur, met Luigi Cannari, Cacucci Editore, Bari

Il sistema bancario italiano negli anni novanta. Gli effetti di una trasformazione (2004), Il Mulino, Bologna.

La previdenza complementare in Italia:caratteristiche, sviluppo e opportunità per i lavoratori, met Riccardo Cesari en Giuseppe Grande, Banca d’Italia, Questioni di Economia e Finanza (incidentele papers) nr. 8, mei 2008.

“The Recent Behaviour of Financial Market Volatility”, Bank voor Internationale Betalingen, BIS Economic Papers nr. 29, augustus 2006 (verslag van de studiegroep van het Committee on the Global Financial System).

Le nuove regole sulla liquidità e la politica monetaria (2014), gepubliceerd in Liquidità e nuove regole sulle banche: calibrazione e impatti, (ARIME-serie), Franco Angeli, Milaan.

 

 

Central banking in the XXI century: never say never (toespraak tijdens het congres “Central banking and monetary policy: Which will be the new normal?”), Università Cattolica, Milaan, april 2016.

21st Century cash: Central banking, Technological innovation and digital currencies, gepubliceerd in Do we need Central Bank Digital Currency? Economics, Technology and Institutions, Larcier, congresverslag SUERF, 2018.

Why do banks securitize their assets? Bank-level evidence from over one hundred countries in the pre-crisis period, met A.F. Pozzolo, Banca d’Italia, Tema di discussione (werkdocumenten) n. 1183, 2018.

The Distributional Consequences of Monetary Policy, 18e jaarlijkse DNB-onderzoekscongres “Distributional implications of the crisis and policy responses”, Amsterdam, 20 november 2015.

On the special role of macroprudential policy in the euro area, in Putting Macroprudential Policy to Work, incidentele onderzoeken DNB, vol. 12-7 (2014).

Finanza, rischi e crescita economica (toespraak tijdens het congres “Benchmarking the UK market: A way to create an efficient and effective capital market in Italy?” aan de Bocconi Universiteit), Milaan, januari 2016.

Prudential policy at times of stagnation: a view from the trenches, met P. Alessandri, Questioni di Economia e Finanza della Banca d’Italia (incidentele papers), nr. 300, december 2015.

“Why banks and supervisors must act now”, met Mark Carney, Financial Times, 11 juli 2011.

La transizione verso un sistema finanziario più stabile, Quaderni dell’Associazione per lo Sviluppo degli Studi di Banca e Borsa, nr. 287, maart 2015.

The European Banking and Capital Markets Unions: Challenges and Risks, toespraak bij de International Conference Foundation for European Progressive Studies e Fondazione Italianieuropei, Rome, 6 februari 2015.

Crescita economica e finanziamento delle imprese, Rivista AIAF online, 2015, nr. 94.

La nuova vigilanza bancaria europea e l’Italia, toespraak tijdens het congres “Le Banche Popolari dal XX al XXI Secolo”, Rome, 19 juni 2014.

Imprese: una finanza diversa è possibile, SACE MAG, nr. 2, 2014.

The negative feedback loop between banks and sovereigns, met P. Angelini en G. Grande, Questioni di Economia e Finanza della Banca d’Italia, (incidentele papers) nr. 213, januari 2014.

Un sistema finanziario per la crescita, congresverslagen “Il risparmio degli italiani è al sostegno della crescita?”, The Adam Smith Society, Milaan, 27 januari 2014.

Il credito e il finanziamento delle imprese, toespraak tijdens het congres “Reload Banking. La banca del domani per un nuovo sviluppo dell’Italia”, Federazione delle Banche di Credito Cooperativo Lazio Umbria Sardegna, Rome 21 juni 2013.

Macroprudential tools: where do we stand?, toespraak tijdens de presentatie van de Financial Stability Review 2013 van de Banque Centrale du Luxembourg, 14 mei 2013.

Banche, Finanza, Crescita, Quaderni dell’Associazione per lo Sviluppo degli Studi di Banca e Borsa, nr. 273, maart 2013.

Pro-cyclicality of capital regulation: is it a problem? How to fix it?, met P. Angelini, A. Enria, S. Neri en M. Quagliariello, Questioni di Economia e Finanza della Banca d’Italia (incidentele papers), nr. 74, oktober 2010.

“Domanda e Offerta di Credito in Italia durante la crisi finanziaria”, met Federico Maria Signoretti, Banca d’Italia, Questioni di Economia e Finanza (incidentele papers) nr. 63, april 2010.

An assessment of financial sector rescue programmes, met T. Faeh, G. Grande, C. Ho, M. King, A. Levy, F.M. Signoretti, M. Taboga en A. Zaghini, Questioni di Economia e Finanza della Banca d’Italia (incidentele papers), nr. 47, juli 2009.

“Evoluzione del sistema bancario e finanziamento dell’economia nel Mezzogiorno”, Moneta e Credito, vol. LVI, nr. 222, juni 2003 (ook gepubliceerd in Banca d’Italia, Temi di Discussione (werkdocumenten) nr. 467, maart 2003).

“La trasformazione del sistema bancario italiano e i suoi effetti sulle imprese e sui risparmiatori”, met D. Focarelli, (paper die werd gepresenteerd tijdens het congres “Quarant’anni di Economia a Verona”), Banche e Banchieri, nr. 4, 2002.

“Il sistema bancario italiano nell’area dell’euro”, met L. Gambacorta en G. Gobbi, Bancaria, vol. 57, nr. 3, 2001.

“Determinanti e conseguenze delle acquisizioni e fusioni bancarie”, met D. Focarelli en C. Salleo, Banca Impresa Società, nr. 1, 1999.

“La congiuntura creditizia in Italia” (paper dat werd gepresenteerd tijdens Convegno Sadiba 26) Quaderni dell’Associazione per lo Sviluppo degli Studi di Banca e Borsa, nr. 198, maart 2003.

“Le banche e i servizi finanziari alle imprese” (paper dat werd gepresenteerd tijdens Convegno Sadiba 25), Quaderni dell’Associazione per lo Sviluppo degli Studi di Banca e Borsa, nr. 185, maart 2002.

“Is There an Equity Premium Puzzle in Italy? A Look at Asset Returns, Consumption and Financial Structure over the Last Century”, met Roberto Violi, Banca d’Italia, Temi di Discussione (werkdocumenten) nr. 339, 1999.

“Portafogli gestiti e tassi di rendimento: alcune considerazioni”, met Riccardo Cesari, Bancaria, nr. 1, 1998.

“Innovazioni strutturali nel mercato azionario: gli effetti della contrattazione continua”, met C. Impenna en P. Maggio, in Rapporto IRS sul mercato azionario, Istituto per la Ricerca Sociale, Milaan (ook gepubliceerd in Banca d’Italia, Temi di Discussione (werkdocumenten) nr. 248, 1995).

“La volatilità dei corsi dei CCT e i coefficienti patrimoniali del Comitato di Basilea”, met F. Drudi, il Risparmio, nr. 3, 1994.

“I tassi d’interesse reali: l’esperienza degli ultimi trent’anni (1960-1992)”, met A. Levy, in L’alto prezzo del danaro, P. Ciocca en G. Nardozzi (eds.), Laterza, Bari, 1993 (ook gepubliceerd in Bancaria, nr. 4, 1994).

Privatizzare: come? Spunti da una ricognizione comparata dei casi inglese e francese, met S. Chiri, Banca d’Italia, Temi di Discussione (werkdocumenten) nr. 197, 1993.

“Rischio di tasso d’interesse e coefficienti patrimoniali: un’applicazione di modelli multifattoriali”, met F. Drudi, Finanza, Imprese e Mercati, il Mulino, nr. 3, 1992.

“Rischio di tasso d’interesse e coefficienti patrimoniali: un’analisi dei regolamenti SIM”, met F. Drudi, Banca d’Italia, Temi di Discussione (werkdocumenten) nr. 180, 1992.

“Il mercato finanziario italiano nel processo di integrazione economica europea”, Il Risparmio, nr. 5, september-oktober 1992.

“Gli effetti della quotazione internazionale: il caso delle azioni italiane a Londra”, Finanza, Imprese e Mercati, Il Mulino, nr. 3, december 1991 (ook gepubliceerd in Banca d’Italia, Temi di Discussione (werkdocumenten) nr. 156, 1991).

“La struttura fattoriale del mercato azionario italiano”, in Ricerche applicate e modelli per la politica economica, Banca d’Italia, vol. II, 1991.

“Evoluzione e performance dei fondi comuni mobiliari italiani”, met E. Zautzik, Il rischio azionario e la Borsa, bewerkt door Centro Baffi dell’Università Bocconi (ook gepubliceerd in Banca d’Italia, Temi di Discussione (werkdocumenten) nr. 142, 1990).

“Organizzazione ed efficienza del mercato azionario”, Economia, società e istituzioni, oktober 1989.

Evoluzione recente del sistema finanziario italiano: effetti sull’allocazione del risparmio e sulla struttura dell’intermediazione finanziaria, Atti del Convegno “I gruppi plurifunzionali nelle strategie di mercato delle banche e delle assicurazioni”, Triëst, november 1989.

“Recent Changes in the Organization and Regulation of Capital Markets in Italy”, met C. Caranza and R. Pepe, in Changes in the Organization and Regulation of Capital Markets, Bank voor Internationale Betalingen, april 1987.

 

 

“Monetary Policy and Macroprudential Policy”, met Paolo Angelini en Stefano Neri, Banca d’Italia, Temi di Discussione (werkdocumenten) nr. 801, maart 2011. Ook gepubliceerd in Europese Centrale Bank, werkdocument nr. 1448, juli 2012.

Why Do Banks Securitize their Assets? met Alberto Pozzolo. Mimeo, Banca d’Italia.

The Causes and Consequences of Going Public, met Andrea Generale en Federico Signoretti, mimeo, Banca d’Italia.

How Interest Sensitive is Investment? Very (when the data are well measured), met Luigi Guiso, Anil Kashyap en Daniele Terlizzese, mimeo, Banca d’Italia.


 

BIJLAGE 2: ANTWOORDEN VAN Fabio Panetta OP DE VRAGENLIJST

Vragenlijst voor de kandidaat voor de positie van

directielid van de Europese Centrale Bank

(Fabio Panetta)

 

 

A. Persoonlijke achtergrond en beroepservaring

 

1. Licht de belangrijkste aspecten toe van uw professionele vaardigheden inzake monetaire, financiële en zakelijke aangelegenheden, en die van uw ervaring op Europees en internationaal gebied.

Ik ben al mijn hele professionele leven centrale bankier. Ik begon in 1985 bij de Bank van Italië en werd in 2012 bestuurslid en vicegouverneur. Momenteel ben ik senior vicegouverneur. Ook ben ik de voorzitter van de Italiaanse toezichthoudende autoriteit voor verzekeringen (Ivass) en in deze hoedanigheid ben ik lid van de Algemene Raad van het Europees Comité voor systeemrisico’s.

Samen met de andere leden van de raad van bestuur van de Bank van Italië ben ik als senior vicegouverneur verantwoordelijk voor de dagelijkse gang van zaken en het bepalen van de strategische koers van de instelling op een breed aantal terreinen. De verantwoordelijkheden van de Bank van Italië zijn onder meer: bijdragen aan besluiten over het monetair beleid in de eurozone en deze uitvoeren in Italië; toezicht houden op zowel bancaire (binnen het gemeenschappelijk toezichtsmechanisme) als niet-bancaire intermediairs; toezicht houden op de Italiaanse soevereine effectenmarkt en de infrastructuur van de Italiaanse markten; toezicht houden op en de soepele werking waarborgen van het Italiaanse betaalsysteem en betaaldiensten verlenen aan de eurozone (we verlenen TIPS-, Target2- en Target2-Securities-diensten)[3]; macroprudentieel beleid vaststellen. De Bank van Italië is ook verantwoordelijk voor de bestrijding van witwaspraktijken en van de financiering van terrorisme[4].

Gedurende mijn loopbaan heb ik uitgebreide ervaring opgedaan op de verschillende terreinen waarop een centrale bank actief is en heb ik leiderschap getoond bij het aanpakken van nieuwe vraagstukken. In 1985 begon ik te werken voor de onderzoeksafdeling van de Bank van Italië; in 2007 werd ik hoofd van het directoraat Economische Prognoses en Monetair Beleid. In 2011 werd ik benoemd tot algemeen directeur en kreeg ik als taak de activiteiten van de bank met betrekking tot het Eurosysteem en financiële stabiliteit te coördineren. Binnen de raad van bestuur ben ik onder meer verantwoordelijk geweest voor monetaire beleidsactiviteiten en het toezicht op het bankwezen.

Sinds 2004 woon ik bijeenkomsten bij van de Raad van bestuur van de ECB, eerst als begeleider en vervolgens als plaatsvervangend lid. Hierdoor had ik het voorrecht de gedenkwaardige beginjaren van het eengemaakte monetaire beleid mee te maken. Ik heb daarnaast deelgenomen aan het proces van beleidsvorming gedurende de hele uitdagende periode van de financiële en staatsschuldcrises. Ik heb sinds de oprichting ervan in 2014 tot en met juli 2019 actief bijgedragen aan de oprichting van de Bankenunie (BU) als lid van de raad van toezicht van het gemeenschappelijk toezichtsmechanisme.

Dankzij mijn deelname aan internationale fora heb ik met eigen ogen kunnen zien hoe belangrijk internationale samenwerking is. Ik ben onder meer lid geweest van het Committee on the Global Financial System van de Bank voor Internationale Betalingen, het Macroprudentieel forum van de ECB (als lid van de raad van toezicht) en van de raad van bestuur van de Bank voor Internationale Betalingen (ik ben momenteel een van de plaatsvervangende leden van de bank). Ik ben plaatsvervangend lid voor Italië bij bijeenkomsten van de ministers van Financiën en de gouverneurs van centrale banken van de Groep van zeven (G7) en de Groep van twintig (G20).

Ik ben lid van de raad van bestuur van het International Center for Monetary and Banking Studies (ICMB) in Genève.

Naast uitgebreide en zeer diverse ervaringen op het gebied van beleidskwesties, beschik ik ook over een meer academisch georiënteerde achtergrond; ik heb artikelen gepubliceerd over monetaire en bancaire kwesties in internationale vaktijdschriften.

 

2. Hebt u zaken, financiële belangen of andere verplichtingen waardoor een conflict met uw toekomstige taken zou kunnen optreden, en zijn er verder enige relevante factoren van persoonlijke of andere aard die door het Parlement in aanmerking genomen moeten worden met betrekking tot uw kandidaatstelling?

Nee, als lid van de raad van bestuur van de Bank van Italië voldoe ik aan hoge normen met betrekking tot zaken als belangenconflicten, vertrouwelijkheid, externe mandaten, beleid inzake het aanvaarden van giften en andere baten en financiële investeringen, in overeenstemming met de kernwaarden van de bank: onafhankelijkheid, onpartijdigheid, eerlijkheid en discretie. Als voormalig lid van de raad van toezicht heb ik mijn handtekening gezet onder de ethische code, transparantievereisten en beleggingsbeperkingen die van toepassing zijn op de besluitvormingsorganen van de ECB en leef ik deze na. Als voorzitter van de Italiaanse toezichthoudende autoriteit voor verzekeringen voldoe ik aan de gedragscode en transparantievereisten van Ivass.

Ik heb geen banden met particuliere organisaties. Ik heb geen beleggingen in en ben ook niet betrokken bij een bedrijf in de financiële sector of een andere branche.

 

3. Welke doelstellingen zult u nastreven tijdens uw mandaat als directielid van de Europese Centrale Bank?

Het daadkrachtig nastreven van het mandaat om prijsstabiliteit te handhaven is de grootste bijdrage die de ECB kan leveren aan de verwezenlijking van een sterker, veerkrachtiger, welvarender en rechtvaardiger Europa. Garanderen dat de ECB haar mandaat uitvoert, in overeenstemming met de EU-verdragen, is het primaire leidende beginsel van alle directieleden en zal dat altijd blijven.

Tegelijkertijd moet de ECB constant alert zijn op de mogelijk onbedoelde consequenties van haar beleid voor de stabiliteit van het financiële stelsel, met name wanneer nieuwe instrumenten worden toegepast. In deze omstandigheden is een hoge mate van waakzaamheid vereist om dergelijke effecten zo snel mogelijk te detecteren; de economische en financiële omstandigheden moeten continu worden gescand in alle richtingen, zonder uitsluitingen en vooroordelen.

Wat de interne werking van de ECB betreft, kan een geslaagde verwezenlijking van die doelstellingen het beste worden bereikt met een organisatiecultuur die de totstandbrenging bevordert van een pragmatische, door feiten gedreven klimaat van openheid op alle niveaus binnen de instelling. Als ik word benoemd tot directielid, zal ik er consequent naar streven een dergelijke cultuur tot stand te brengen.

Zoals ik verder zal toelichten in de antwoorden hierna, zal ik er, als ik tot directielid wordt benoemd, ook naar streven een sterkere cultuur te bevorderen van empowerment en gelijke kansen, ongeacht gender, nationaliteit of andere kenmerken.

 

B. Monetair beleid van de ECB

4. Hoe moet de ECB volgens u haar monetaire beleid in de huidige macro-economische omstandigheden uitvoeren? Hoe beoordeelt u de prestatie van de ECB wat betreft haar voornaamste doelstelling van het handhaven van de prijsstabiliteit?

De acties van de ECB moeten ook in de toekomst worden geleid door haar primaire doelstelling om de prijsstabiliteit in de eurozone te handhaven. In dit kader wijzen recente gegevens erop dat de inflatieprognose niet het niveau bereikt van de door de raad van bestuur gewenste inflatie van minder dan maar dichtbij 2 %, waardoor een accommoderend monetair beleid nodig is: de binnenkomende informatie (zowel harde data als zachte informatie) wijst erop dat de vertraging van de groei van langduriger aard is dan wat slechts enkele maanden geleden werd verwacht. Dit is het gevolg van de aanhoudende zwakte van de internationale handel en de hardnekkige wereldwijde onzekerheden die met name consequenties hebben voor de productiesector en meer in het algemeen voor het vertrouwen van bedrijven en hun bereidheid om te investeren. Zoals in het verleden steeds weer is gebleken, werkt een langdurige vertraging in de productiesector meestal door in andere segmenten van de economie, zoals de dienstensector.

In een vertragende economie blijven zowel de huidige als de geraamde inflatie gematigd en sluiten deze niet aan op de doelstelling van de Raad van bestuur van de ECB. Bovendien ontstaat hierdoor het risico van een neerwaartse verschuiving van de inflatieverwachtingen van huishoudens en bedrijven. Als hier niets aan wordt gedaan, zal het moeilijker zijn om prijsstabiliteit te waarborgen. Dit houdt in dat het monetair beleid moet worden ingezet om te garanderen dat de voorwaarden voor financiering gunstig blijven, zodat investeringen, vertrouwen en werkgelegenheid worden bevorderd, met hogere lonen en prijsstijgingen tot gevolg.

Ik ben van mening dat de ECB overwegend succesvol is geweest in het realiseren van haar primaire doelstelling. De opwaartse druk op prijsontwikkelingen is altijd beperkt gebleven. Tijdens de crisis bestond er een ongekend risico op deflatie van de euro en de ECB moest haar instrumentarium uitbreiden om ook niet-standaard beleidsinstrumenten te kunnen inzetten. Aan de met een dergelijke situatie gemoeide uitdagingen kon met behulp van het monetair beleid van de ECB het hoofd worden geboden, waardoor werd voorkomen dat de deflatoire risico’s bewaarheid werden en waardoor de verslechtering van de inflatieverwachtingen een halt kon worden toegeroepen, ten gunste van de economische groei en werkgelegenheid. Uit economische analyses en de ervaring die andere landen in het verleden hebben opgedaan, wordt duidelijk dat deflatie een verderfelijke, lastig uit te roeien ziekte is die de economie in een vicieuze cirkel kan doen belanden die wordt gekenmerkt door een daling van de vraag, minder economische activiteit, hogere werkloosheid en financiële instabiliteit, in het bijzonder wanneer de economie wordt gekenmerkt door een hoge schuldenlast.

 

5. Wat vindt u van het stimuleringspakket van de ECB van 12 september en het besluit inzake “forward guidance”? Wat vindt u van de manier waarop dit besluit is genomen, in het bijzonder met het oog op de publiekelijk geuite bezwaren van sommige leden van de Raad van de ECB naar aanleiding van het besluit? Wat vindt u meer in het algemeen van de manier waarop in het verleden besluiten over het monetair beleid werden genomen, vindt u dat deze moet worden veranderd, en zo ja, hoe?

Het pakket maatregelen dat in september door de Raad van bestuur van de ECB werd goedgekeurd, vormt een evenredige en gepaste respons op de macro-economische situatie die ik in mijn eerdere antwoord beschreef. In overeenstemming met het primaire mandaat van de ECB om de prijsstabiliteit te handhaven werd met dit besluit beoogd het risico weg te nemen dat een aanhoudend laag inflatieniveau, dat het gevolg is van economische zwakte, uitmondt in een permanent lagere inflatieverwachtingen of zelfs een nieuwe dreiging van deflatie. Het beleidspakket dat door de Raad van bestuur is goedgekeurd zal de nodige ondersteuning verschaffen voor economische activiteit en inflatie.

Ik begrijp, onder meer naar aanleiding van het publieke debat, dat de leden van de Raad van bestuur het unaniem met elkaar eens waren dat een accommoderend monetair beleid gepast was. Wel waren er afwijkende standpunten met betrekking tot de specifieke instrumenten van monetair beleid die het meest geschikt zouden zijn om de nodige ondersteuning te bieden voor de groei- en inflatieprognose. Dit is niet verrassend, aangezien onzekerheid over de relatieve effecten van de individuele niet-standaard instrumenten in dit stadium uiteraard nog groot en wijdverspreid is. Ik zie dit als een teken dat er een open, constructief debat is gevoerd.

In mijn ervaring worden de besluiten van de Raad van bestuur altijd genomen op basis van een grondige analyse van de binnenlandse en wereldwijde economische en financiële omstandigheden en de voor- en nadelen van de verschillende opties. Dit stelt de leden van de Raad in staat hun mening te uiten en te proberen waar mogelijk een consensus te bereiken. Er zijn adequate voorzieningen beschikbaar om in het geval van meningsverschillen toch tot een oplossing te komen. In een groot besluitvormingsorgaan is het onvermijdelijk – en ik denk ook gezond – dat er verschillende meningen zijn. De governancestructuur garandeert dat er altijd ruimte is voor een eerlijk debat, maar ook dat de Raad van bestuur altijd tot operationele conclusies kan komen. Al met al blijkt uit empirische analyses dat de maatregelen die zijn genomen door de Raad van bestuur van de ECB tot nu toe doeltreffend zijn geweest in het ondersteunen van de binnenlandse vraag en inflatie.

 

6. Hoe beoordeelt u de effecten van lage rentes?

Op basis van de gegevens waarover ik beschik, kan worden geconcludeerd dat de effecten van de lage en zelfs negatieve rentes op de economie in haar geheel over het algemeen groot en positief zijn geweest. De transmissie van de lage of zelfs negatieve rentes van de ECB naar de financieringsvoorwaarden voor bedrijven en huishoudens is goed verlopen en werd verder versterkt door de signaaleffecten via renteverwachtingen.

Tegelijkertijd blijft het risico bestaan dat lage of negatieve rentes, als deze gedurende een te lange periode worden gehandhaafd, neveneffecten veroorzaken. Zo is er bezorgdheid dat negatieve beleidsrenten na verloop van tijd negatieve effecten hebben op het spaar- en consumptiegedrag van huishoudens, op het kredietbeleid van banken en op de winstgevendheid van financiële intermediairs. Het gelaagde systeem dat in september werd ingevoerd door de Raad van bestuur heeft tot doel dergelijke problemen te beperken (door banken te helpen om te gaan met de directe kosten van het aanhouden van een liquiditeitsoverschot met een negatieve opbrengst op hun rekeningen bij centrale banken) teneinde het transmissiemechanisme van monetair beleid te waarborgen.

De lage rente bevordert ook de economische activiteit door het nemen van economische risico’s te stimuleren. Er is echter wel bezorgdheid dat in sommige marktsegmenten de financiële stabiliteit in het gedrang kan komen als er meer risico wordt genomen. Het is belangrijk dat de ECB deze risico’s constant blijft bewaken. In de meeste gevallen kan er echter het best iets worden gedaan aan deze risico’s door beleidsinstrumenten aan te wenden, in het bijzonder wanneer het om specifieke landen of markten gaat. Macroprudentieel beleid, dat kan worden afgestemd op de omstandigheden van individuele landen of sectoren (zoals vastgoed), is het meest geschikt om iets te doen aan eventuele excessen met betrekking tot de prijsdynamiek van activa.

Op dit moment zijn de baten van de maatregelen van de ECB, met inbegrip van negatieve rentes, nog altijd groter dan de potentiële negatieve neveneffecten. Er is echter wel constante bewaking vereist om te waarborgen dat dit zo blijft. In de toekomst kan de Raad van bestuur de huidige maatregelen evalueren en beslissen of er verdere verzachtende maatregelen nodig zijn, mocht uit de evaluatie blijken dat de nettobaten van sommige van deze maatregelen afnemen.

 

7. Denkt u dat het twintig jaar na de invoering van de euro nu tijd is voor een evaluatie van het monetaire beleidskader van de ECB?

Ik weet dat president Lagarde in beide van haar antwoorden aan het Europees Parlement en in een recente toespraak al heeft aangegeven dat er in de nabije toekomst een evaluatie zal worden gestart.

Ik denk dat het huidige kader grotendeels succesvol is geweest. Toch is een evaluatie in veel opzichten gepast en noodzakelijk, aangezien het macro-economische klimaat sinds het begin van de economische en monetaire unie is veranderd (niet alleen in de eurozone, maar wereldwijd). Het is daarnaast belangrijk conclusies en lering te trekken uit de financiële crises. Andere centrale banken voeren regelmatig beleidsevaluaties uit; de laatste evaluatie door de ECB werd uitgevoerd in 2003, dus het is tijd voor een nieuwe.

Een grondige evaluatie zal helpen garanderen dat het kader voor monetair beleid van de ECB blijft aansluiten op haar mandaat zoals omschreven in het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie. Als ik word benoemd tot directielid, zou ik deze discussies met een open houding benaderen, in navolging van de president. Ik zou voorstellen rekening te houden met recente ideeën over monetair beleid en de ervaring die is opgedaan gedurende deze gedenkwaardige jaren, zowel in Europa als daarbuiten. Ik weet zeker dat alle leden van de Raad – met de steun van alle medewerkers – op constructieve wijze en met toewijding en enthousiasme zullen bijdragen aan deze evaluatie en hun ervaring zullen delen, net zoals dat in het verleden ook altijd is gebeurd.

 

8. Hoe gaat u voor transparantie zorgen met betrekking tot de uitvoering van het activa-aankoopprogramma? Bent u het ermee eens dat voor meer transparantie kan worden gezorgd met betrekking tot het door activa gedekte effectenaankoopprogramma en het derde programma voor de aankoop van gedekte obligaties?

De ECB heef als openbare instantie de verantwoordelijkheid om zo transparant mogelijk te zijn. Transparantie, onder meer met betrekking tot aspecten van de uitvoering van monetair beleid, helpt het publiek om het monetair beleid van de ECB te begrijpen. Als het publiek het beleid beter begrijpt, worden de besluiten inzake beleid geloofwaardiger en doeltreffender en dragen ze bij aan de verantwoording door de ECB. Dit is met name het geval in uitzonderlijke tijden waarin onconventionele beleidsmaatregelen duidelijk moeten worden uitgelegd aan het publiek, onder constante verwijzing naar het mandaat van prijsstabiliteit.

Met betrekking tot de uitvoering van het activa-aankoopprogramma (APP) denk ik dat het niveau van transparantie al behoorlijk hoog is. De ECB publiceert op haar website gedetailleerde informatie over maandelijkse aankopen, totale bezittingen en te betalen aflossingen voor elk subprogramma van het APP en is transparant inzake de beginselen op grond waarvan aankopen worden gedaan. Zo communiceert de ECB voor het programma voor effecten op onderpand van activa welke tranches (senior, mezzanine of eigen vermogen) van een emissie mogen worden gekocht, het maximale percentage van een uitstaand bedrag van een tranche dat mag worden gekocht en welke instrumenten kunnen worden opgenomen in de pool van onderliggende activa.

Dat gezegd hebbende, ben ik echter van mening dat de transparantie van centrale banken niet te ver mag gaan, aangezien buitensporige transparantie in sommige gevallen de doeltreffendheid van de maatregelen van monetair beleid zou kunnen ondermijnen. De ECB heeft bijvoorbeeld goede redenen om voor bepaalde aankoopprogramma’s af te zien van het publiceren van informatie over de exacte individuele effecten die zij bezit en om het haar tegenpartijen niet toe te staan informatie bekend te maken over de waarde en het soort door haar aangeschafte effecten. Met deze informatie zouden marktdeelnemers namelijk kunnen proberen de centrale bank voor te zijn, wat zou leiden tot potentieel ernstige ontwrichtingen van de prijzen van bepaalde effecten, toenemende kosten voor het Eurosysteem en een verminderde doeltreffendheid van het programma. Suggesties om de transparantie te vergroten zonder deze negatieve neveneffecten zouden welkom zijn, en als ik word benoemd tot directielid van de ECB verbind ik me ertoe deze zorgvuldig te evalueren.

 

9. Wat vindt u van de risico’s verbonden aan het aankoopprogramma voor de bedrijfssector (Corporate Sector Purchase Programme – CSPP)? Hoe beoordeelt u het momenteel toenemende aandeel in het aankoopprogramma bedrijfssector (CSPP) op de primaire markt en tegelijkertijd het huidig dalende aandeel in het overheidsprogramma voor aankopen van activa op de secundaire markt (PSPP)?

De ECB koopt in het kader van het CSPP bedrijfsobligaties op de primaire en secundaire markt aan, op basis van vooraf gedefinieerde selectiecriteria en beperkingen met betrekking tot het aandeel van emissies en emittenten, waarbij rekening wordt gehouden met het risico dat aan specifieke sectoren verbonden is. In aanvulling op deze regels vindt vooraf zorgvuldige due diligence plaats, evenals een proces van constante bewaking om de risico’s te beperken na de aankoop. Een verkeerd beheer van risico’s kan de geloofwaardigheid en reputatie van de centrale bank aantasten.

Het Eurosysteem stemt zijn CSPP-aankopen af op de marktomstandigheden, met inachtneming van de liquiditeit van secundaire markten. Bij aankopen wordt ook rekening gehouden met seizoensgebonden patronen in emissies en er worden bepaalde egalisatiemechanismen toegepast. In de benchmark die wordt gebruikt voor de aankopen, worden alle in aanmerking komende uitstaande emissies evenredig meegenomen. De wegingsfactor voor elke emissiejurisdictie in de benchmark wordt derhalve gebaseerd op marktkapitalisatie.

Het CSPP is doeltreffend geweest in het verbeteren van de financieringsvoorwaarden voor niet-financiële ondernemingen in de eurozone. Ondanks het feit dat met de aankoop van bedrijfsobligaties een hoger risico is gemoeid dan met de andere activa die centrale banken normaal gesproken aanhouden, is aangetoond dat het CSPP risico-efficiënt is als het risico wordt beoordeeld ten opzichte van de bijdrage die het programma levert aan de verwezenlijking van beleidsdoelstellingen. Samen met de aankopen van effecten op onderpand van activa en gedekte obligaties, kan het CSPP de rechtstreekse impact van het APP op de reële economie maximaliseren.

Met het oog op de beperkingen omtrent het aanhouden van staatsobligaties en de hieruit voortvloeiende beperkingen op het gebied van haalbaarheid voor het PSPP, vergroot de relatief grotere bijdragen van particulieresectorcomponenten de algehele flexibiliteit (en potentiële reikwijdte) van het APP. Het helpt ook om de omvang te beperken van mogelijke afwijkingen van de PSPP-aandelen van de kapitaalverdeelsleutel (de benchmark die wordt gebruikt voor de toewijzing van PSPP-aankopen in verschillende landen).

Hoe dan ook blijft de aankoop van staatsobligaties op de secundaire markt de belangrijkste activiteit van het APP.

 

10. Hoe kan de ECB volgens u bijdragen aan economische groei, de milieutransitie en volledige werkgelegenheid, terwijl zij tegelijk volledig voldoet aan haar primaire doelstelling van het handhaven van de prijsstabiliteit? Zijn er volgens u aanvullende monetairebeleidsmaatregelen die de positieve effecten op de reële economie kunnen verbeteren?

In het Verdrag staat dat de ECB, onverlet haar primaire doelstelling om prijsstabiliteit te handhaven, ook het algemeen economisch beleid van de Europese Unie moet ondersteunen zodat de doelstellingen van dit beleid kunnen worden gerealiseerd. Het gaat hierbij onder meer om evenwichtige economische groei, volledige werkgelegenheid en het beschermen en verbeteren van de kwaliteit van het milieu.

De ervaring van de laatste paar jaar heeft aangetoond dat de ECB, door prijsstabiliteit te handhaven, bijdraagt aan de welvaart in de eurozone. De gevaren voor de inflatieprognose stonden niet op zich, maar gingen hand in hand met een lage groei, lage werkgelegenheid en stagnerende lonen, waardoor de ongelijkheid en bedreigingen voor de financiële stabiliteit toenamen. Door een accommoderend monetair beleid te voeren, bevordert de ECB met haar maatregelen de consumentenuitgaven en investeringen door bedrijven, en dus ook de groei en werkgelegenheid in de eurozone, waardoor ook de inflatieprognose verbetert. De maatregelen van de ECB hebben bijgedragen tot een gunstige ontwikkeling van de arbeidsmarkt in de eurozone; sinds medio 2013 kwamen er ongeveer elf miljoen banen bij en de markt blijft veerkrachtig.

De veranderingen in het klimaat – die een gevaar vormen voor de groei en welvaart en de stabiliteit van het financiële stelsel – vormen een cruciale uitdaging voor de hele planeet; er moet worden gezocht naar manieren om duurzamer gebruik te maken van de beschikbare natuurlijke hulpbronnen. Centrale banken zijn niet de instellingen die het nauwst zijn betrokken bij milieubeleidsmaatregelen, maar ze kunnen en moeten wel hun bijdrage leveren (zie ook de antwoorden op de volgende vraag).

Bij de Bank van Italië zijn we die weg ingeslagen. Als voorzitter van de beleggingscommissie heb ik het beleid inzake beleggingen van ons pensioenfonds zo gestuurd dat bij de toewijzing van onze activa rekening wordt gehouden met deze punten van zorg, waarbij bedrijven worden uitgesloten die actief zijn in sectoren die niet voldoen aan de criteria van het “Global Compact”-initiatief van de VN en voorrang wordt gegevens aan bedrijven die het best scoren op het gebied van milieu-, sociale en governanceaspecten. Als gevolg van de nieuwe criteria zal de ecologische voetafdruk van de eigenvermogensportefeuille van de Bank van Italië in algemene zin verbeteren wat totale broeikasgasemissies (23 % gedaald, wat overeenkomt met -0,76 miljoen ton) energieverbruik (30 % gedaald, wat overeenkomt met 7,67 miljoen gigajoule) en waterverbruik (17 % gedaald, wat overeenkomt met 6,95 miljoen kubieke meter) betreft. Deze verbeteringen in de voetafdruk van de eigenvermogensportefeuille staan gelijk aan het annuleren van het jaarlijkse energieverbruik van ongeveer 140 000 huishoudens en het waterverbruik van meer dan 123 000 huishoudens. Ook wat de vermindering van de uitstoot van broeikasgassen betreft, zijn er aanzienlijke resultaten geboekt: de daling staat gelijk aan het effect dat zou ontstaan als 185 000 huishoudens hun uitstoot tot nul zouden terugdringen. Vanuit financieel oogpunt heeft deze aanpak niet geleid tot lagere rendementen of een hoger risico.

De Bank van Italië neemt, net als de ECB, actief deel aan de werkstromen van het Network for the Greening of the Financial System – dat als doel heeft het bewustzijn omtrent klimaatrisico’s binnen de gemeenschap van centrale banken te vergroten – en aan nationale en internationale technische groepen over klimaatgerelateerde vraagstukken.

Centrale banken moeten financiële intermediairs ook aanmoedigen klimaatgerelateerde en sociale risico’s te integreren in hun besluitvormingsproces teneinde de prijsstelling voor deze risico’s te verbeteren en de toewijzing van financiële middelen zo te sturen dat hierbij meer aandacht wordt besteed aan deze aspecten.

Met betrekking tot aanvullende maatregelen om de reële economie te stimuleren, hebben de besluiten van de ECB van september bijgedragen en blijven zij bijdragen aan het garanderen van een gunstig economisch klimaat voor bedrijven en huishoudens door de investeringen, consumptie, werkgelegenheid en loonstijgingen te bevorderen. Het is belangrijk dat het monetair beleid op dit gebied resultaten blijft leveren. Deze maatregelen hebben bijgedragen aan de schepping van werkgelegenheid in de eurozone (tussen 2013 en 2019 kwamen er meer dan 13 miljoen banen bij). Empirische analyses van de ECB en nationale centrale banken wijzen erop dat de netto-effecten van dit beleid hebben geleid tot een vermindering van de ongelijkheid in inkomensverdeling (aangezien werkloosheid de belangrijkste oorzaak van ongelijkheid is).

 

11. Wat is uw mening over de stappen die nodig zijn om de Europese Green Deal te financieren? Wat is uw mening over de impact van het beleid van de ECB op de klimaatverandering? Denkt u dat de ECB haar activa-aankopen moet afstemmen op de duurzameontwikkelingsdoelstellingen van de VN en de klimaatovereenkomst van Parijs? Moeten de activa-aankoopprogramma’s van de ECB in overeenstemming zijn met de EU-taxonomie? Welke rol zou de ECB spelen in het Network for Greening the Financial System?

Het is van groot belang dat, middels gezamenlijke inspanningen, de gevolgen van klimaatverandering worden aangepakt en de overstap wordt gemaakt naar een koolstofarm systeem. In dit opzicht kan ik alleen maar ingenomen zijn met de prioriteit die door de nieuwe Europese Commissie is toegekend aan dit urgente onderwerp, dat het welzijn van de huidige en toekomstige Europese burgers in grote mate zal bepalen.

Om de streefwaarden te realiseren die zijn overeengekomen in het kader van de Overeenkomst van Parijs, moeten we de juiste prijs verbinden aan de risico’s die zijn gemoeid met activiteiten waarbij veel koolstof wordt verbruikt, teneinde de noodzakelijke veranderingen in productie- en consumptiepatronen te stimuleren. Koolstofprijsstelling is hiervoor een cruciaal beleidsinstrument, dat niet alleen zal leiden tot een verandering in de relatieve prijzen maar ook prikkels zal bieden voor een hogere energie-efficiëntie. Bij de uitvoering van deze transformatie moet een eerlijke verdeling worden gewaarborgd van de lasten die ermee zijn gemoeid en moet rekening worden gehouden met de maatschappelijke gevolgen van dit beleid, binnen een bredere visie van de bevordering van de duurzameontwikkelingsdoelstellingen van de VN en de bescherming van de meest kwetsbare groepen.

Het is in de eerste plaats de verantwoordelijkheid van overheden om passende maatregelen vast te stellen om deze doelstellingen te verwezenlijken. Aangezien klimaatverandering een externe factor van mondiale aard is, moet echter worden gestreefd naar internationale afstemming van beleid op dit terrein.

De energietransformatie die nodig is om de emissies te verlagen zodat deze in overeenstemming zijn met de streefwaarden van de EU, zal aanzienlijke investeringen vereisen, zowel in fysieke infrastructuur als in immaterieel kapitaal (waaronder onderzoek en ontwikkeling). Er is hierbij een cruciale rol weggelegd voor de EU-begroting en met name de EIB, maar daarnaast moeten er particuliere financiële middelen worden gemobiliseerd. In dit opzicht kan de EU haar inspanningen verder intensiveren en voortbouwen op de acties die al zijn gestart in het kader van het actieplan voor duurzame financiering.

De president van de ECB heeft aangegeven dat ze het reflectieproces over manieren waarop de ECB kan bijdragen aan de aanpak van klimaatverandering tot een van de prioriteiten van haar mandaat zal maken. Klimaatverandering kan risico’s met zich meebrengen voor economische groei en de stabiliteit van het financiële stelsel en derhalve gevolgen hebben voor het actiegebied van het monetair beleid. Het is daarom belangrijk dat de ECB, binnen haar mandaat, de manieren waarop klimaatgerelateerde risico’s van invloed zijn op het economische en financiële stelsel beter begrijpt, de potentiële schokken die relevant zijn voor de inflatieprognose voor de korte en middellange termijn en de mogelijke effecten op de transmissie van het monetair beleid vaststelt, en indien nodig maatregelen treft.

De oprichting van het Network for Greening the Financial System (NGFS) was een belangrijke stap in de goede richting wat betreft het vaststellen en bevorderen van beste werkwijzen door centrale banken en toezichthoudende autoriteiten. De belangrijkste centrale banken – waaronder de ECB en de Bank van Italië – leveren een actieve bijdrage aan het netwerk en geven opvolging aan de aanbevelingen die tot nu toe zijn gedaan in de verslagen van het NGFS. De ECB kan een aanzienlijke bijdrage leveren door de verschillende manieren te analyseren waarop milieu- en klimaatrisico’s kunnen worden geïntegreerd in de activiteiten van centrale banken en te evalueren hoe zij in haar micro- en macroprudentieel toezicht rekening kan houden met deze risico’s.

Op dit terrein werkt de Bank van Italië samen met de Europese Bankautoriteiten om te bestuderen welk risico duurzaamheidsfactoren vormen voor de financiële stabiliteit, waarbij methoden worden ontwikkeld om deze risico’s te beoordelen en passende prudentiële reacties vast te stellen.

Wat de balans van de ECB betreft, is het belangrijk te weten dat de huidige accommoderende monetaire beleidskoers al voor zeer gunstige financieringsvoorwaarden zorgt voor overheden die de overgang naar een koolstofarme economie willen financieren. Bovendien heeft de ECB in het kader van het APP aanzienlijke hoeveelheden groene obligaties gekocht, hetgeen heeft bijgedragen aan de ontwikkeling van de markt. Nu duurzame beleggingsmogelijkheden en duurzame financiële producten meer mainstream zijn geworden, zal het aandeel duurzame activa (zoals groene obligaties) in het APP van de ECB ook toenemen.

In dit opzicht zullen de EU-taxonomie van ecologisch duurzame activiteiten en normen voor groene obligaties een cruciale rol spelen door beleggers duidelijkheid en transparantie te garanderen en de groei van duurzame financiering te stimuleren.

Het zou de moeite waard kunnen zijn te analyseren of een op risico’s gebaseerde taxonomie een aanvulling zou kunnen vormen op de huidige benadering en overheidsinstanties, waaronder centrale banken, beter zou kunnen helpen bepalen welke activa het meest zijn blootgesteld aan fysieke en transitiegerelateerde risico’s. Over het algemeen worden dergelijke risico’s niet voldoende weerspiegeld in de prijs van financiële activa. Als in de toekomst de nieuwe EU-regels over openbaarmaking worden toegepast, zal meer en beter geharmoniseerde informatie beschikbaar komen over de duurzaamheidsprofielen, waardoor een eerlijke taxatie door marktdeelnemers mogelijk zal zijn.

 

12. Moet de ECB volgens u meer EIB-obligaties kopen om te helpen bij de financiering van Europese investeringen overeenkomstig de primaire en secundaire doelstellingen van de ECB?

De ECB heeft al 230 miljard EUR aan obligaties gekocht die zijn uitgegeven door de EIB en andere supranationale instellingen in het kader van haar aankoopprogramma voor de publieke sector. Aangezien de EIB een overheidsinstantie is, kunnen haar obligaties alleen worden gekocht op de secundaire markt en is het totale aantal toegestane participaties beperkt. In 2016 heeft de Raad van bestuur deze limiet voor supranationale EU-obligaties verhoogd van 33 tot 50 % van hun volume, waardoor deze nu hoger is dan het overeenkomstige plafond voor staatsobligaties. De nettoaankopen van supranationale obligaties zijn in november hervat als onderdeel van de nieuwe ronde van PSPP-nettoaankopen.

Het is belangrijk om te vermelden dat de EIB tien jaar geleden een voortrekkersrol heeft gespeeld op het gebied van de emissie van groene obligaties en vandaag de dag nog steeds nauw betrokken is bij de markt voor groene obligaties. Het Eurosysteem heeft groene EIB-obligaties gekocht, evenals andere groene emissies in de eurozone, en zo bijgedragen aan de financiering van projecten op het gebied van klimaatactie.

 

13. Wat vindt u van de uitvoering van de noodliquiditeitssteun (Emerging Liquidity Assistance – ELA)? Wat kan er worden verbeterd in het besluitvormingsproces over het verlenen van ELA?

Acties op het gebied van noodliquiditeitssteun (Emerging Liquidity Assistance – ELA) zijn ontworpen om steun te bieden aan solvabele banken die worden geconfronteerd met tijdelijke liquiditeitsproblemen. Op grond van de statuten van de ESCB is het verstrekken van ELA een nationale verantwoordelijkheid. Daarom mogen de nationale centrale banken (NCB’s) zelf beslissen of ze noodliquiditeitssteun toekennen en dragen zij ook de kosten en risico’s van dergelijke maatregelen. De belangrijkste criteria zijn de solvabiliteit van de bank of, indien de bank niet voldoet aan de eigenvermogensvereisten van de VKV, het bestaan van een geloofwaardig plan voor herkapitalisatie, in combinatie met de beschikbaarheid van voldoende onderpand dat voor de NCB in kwestie aanvaardbaar is.

In de afgelopen jaren heeft het Eurosysteem aanzienlijke vorderingen gemaakt in de richting van de harmonisatie van de ELA-kaders van verschillende NCB’s en zijn een alomvattend ELA-kader en een ELA-overeenkomst goedgekeurd, die in mei 2017 op de website van de ECB zijn bekendgemaakt. Teneinde een mogelijke verstoring van het eengemaakte monetaire beleid te voorkomen, worden in de overeenkomst de verdeling van de verantwoordelijkheden en het proces voor het delen van informatie tussen de NCB’s en de ECB bepaald. Afhankelijk van de omvang en duur van de verrichting, kan de Raad van bestuur ook worden betrokken bij het besluitproces.

In de afgelopen jaren ben ik persoonlijk meerdere malen betrokken geweest bij de verstrekking van noodliquiditeitssteun. In mijn ervaring zijn de huidige procedures over het algemeen goed in staat gebleken de financiële stabiliteit te waarborgen en het besmettingsgevaar te beperken. Zelfs voor de systeemrelevante instellingen, die onder rechtstreeks toezicht van het gemeenschappelijk toezichtsmechanisme staan, hebben NCB’s op nauwkeurige wijze de elementen weten te bepalen die noodzakelijk waren voor soepele, doeltreffende en tijdige maatregelen. Als gevolg hiervan is het eengemaakte monetaire beleid van het Eurosysteem altijd gehandhaafd, zoals het Verdrag vereist.

 

14. Welke rol dient de ECB volgens u te spelen bij het aanpakken van virtuele valuta? Welke kansen en risico’s ziet u met betrekking tot virtuele activa? Hoe zou een passend regelgevingskader voor virtuele valuta (en met name “stablecoins”) er volgens u moeten uitzien?

De meest recente golf van technologische innovatie heeft geleid tot diepgaande veranderingen in de verlening van financiële diensten en in de aard van de spelers die deze verlenen. Blockchain-technologie en virtuele activa maken deel uit van deze revolutie. Ze beloven efficiëntere methoden om geld over te maken, met name tussen verschillende landen, maar er zijn ook aanzienlijke risico’s aan verbonden.

De ECB volgt deze ontwikkeling, net als andere centrale banken, op de voet. Meerdere aspecten van virtuele activa en de zogenaamde “stablecoins” vereisen onderling afgestemde actie van verschillende overheidsinstanties, niet alleen van centrale banken (denk hierbij aan AML-autoriteiten, belastingdiensten, normalisatie-instanties enz.). In de mate dat met virtuele activa, met name stablecoins, echter wordt beoogd het bezit en de overdracht van geld te faciliteren, vallen hun verrichtingen onder het toezichtkader van het Eurosysteem voor betaalsystemen of betaalregelingen.

Het is niet de bevoegdheid van de centrale banken maar van overheden en parlementen om te beslissen of de emissie en verspreiding van virtuele activa moeten worden toegestaan. De ECB moet deze activa reguleren en er toezicht op houden teneinde bedreigingen voor de financiële stabiliteit te voorkomen en te garanderen dat de betaalsystemen in de eurozone veilig, efficiënt en innovatief blijven en tegemoet kunnen komen aan de vraag van burgers naar snelheid en gebruiksvriendelijke interfaces.

Gezien hun inherente hoge risico kunnen particuliere stablecoins niet worden gezien als adequate oplossing voor de levering van veilig, efficiënte en innovatieve retailbetaaldiensten. De internationale gemeenschap van centrale banken heeft namelijk vastgesteld dat deze munten gepaard gaan met een groot aantal moeilijk aan te pakken uitdagingen. In het recente verslag over wereldwijde stablecoins (Global Stable Coins, GSC’s) van de werkgroep van de G7-afgevaardigden – waarvan ik lid was – werd er bijvoorbeeld op gewezen dat zij vaak geen duidelijk governance- en juridisch kader hebben en dat toezichthouders derhalve niet duidelijk de (rechts)persoon kunnen aanwijzen die verantwoordelijk is voor de bescherming van gebruikers en beleggers. Stablecoins vormen ook een risico qua operationele veerkracht, cyberbeveiliging, gegevensbescherming, witwaspraktijken en de naleving van de belastingwetgeving.

Het algemene beginsel dat moet worden toegepast bij het reguleren van virtuele activa en stablecoins is het beginsel van technologische neutraliteit en evenredigheid, in overeenstemming met het beginsel “zelfde bedrijfsactiviteiten, zelfde regels”. Toezichthouders moeten hun aandacht richten op nieuwe bedrijfsmodellen en de risico’s die zijn gemoeid met nieuwe technologieën waarmee geen rekening is gehouden toen de huidige regelgeving werd ingevoerd.

De taak van toezichthouders wordt echter bemoeilijkt door een gebrek aan informatie over de specifieke projecten en het feit dat relevante aspecten van dergelijke projecten vaak nog niet definitief en daarom onduidelijk zijn. Dit is één reden waarom een reactie in de vorm van regelgeving mogelijk niet afdoende zal zijn om in dit stadium de risico’s te beperken.

De stablecoin-initiatieven die een wereldwijd groeipotentieel hebben, kunnen aanleiding geven tot meer problemen. En de kans dat ze op een gegeven moment inderdaad wereldwijd zullen worden gebruikt is niet gering, aangezien ze worden gesteund door grote tech-giganten. Particuliere stabiliseringsmechanismen, hoe goed ze ook zijn ontworpen, zullen altijd gepaard gaan met markt-, krediet- en liquiditeitsrisico’s. Deze risico’s kunnen het vertrouwen ondermijnen en, in afwezigheid van een laatste kredietverstrekker, aanleiding geven tot een “run op de munt”.

Zoals blijkt uit het recente verslag over wereldwijde stablecoins (Global Stable Coins, GSC’s) van de werkgroep van de G7-afgevaardigden (waarvan ik lid ben geweest), kunnen de transmissiekanalen van monetair beleid ook worden aangetast indien een veel gebruikte stablecoin de consumptie en investeringen minder gevoelig zou maken voor veranderingen in de beleidsrenten. In zwakkere landen met valuta’s die geen deel uitmaken van de stabilisatiemand van valuta’s, kan dit zelfs leiden tot een “dollarisering” van de economie.

Door de opkomst van GSC-projecten worden autoriteiten en centrale banken wakker geschud. Zij moeten overigens niet alleen reageren met passende regelgeving, aangezien regelgeving mogelijk niet toereikend is om alle risico’s van een geslaagd GSC-project te beperken. We mogen absoluut niet in de weg staan aan veranderingen aan ons financiële stelsel door nieuwe technologieën als ons stelsel daardoor efficiënter en inclusiever wordt, maar we moeten ons wel bewust zijn van de verreikende gevolgen van deze innovaties en ze in goede banen leiden, indien noodzakelijk door rechtstreeks te interveniëren in de nieuwe ecosystemen die zij tot stand brengen, om te waarborgen dat de financiële stabiliteit en de doelmatigheid van het monetair beleid niet in gevaar komen.

 

15. Hoe beoordeelt u de interacties tussen betalingssystemen en monetair beleid? Welke rol dient de ECB, als centrale bank van uitgifte, te spelen ten aanzien van de clearinginstellingen van centrale tegenpartijen?

Het Eurosysteem moet een soepele werking van betaal- en afwikkelingssystemen waarborgen, aangezien deze systemen nodig zijn om de stabiliteit van de financiële markten te handhaven en ervoor te zorgen dat het monetair beleid soepel kan worden uitgevoerd. Wanneer betaalsystemen niet naar behoren werken en fondsen niet op ordelijke wijze kunnen worden overgeschreven tussen tegenpartijen, zal de totstandkoming van prijzen op zowel de kapitaal- als de geldmarkt mogelijk sterk worden verstoord en kan het monetaire transmissiemechanisme disfunctioneel worden.

Het betaalsysteem is vanuit het perspectief van monetair beleid met name relevant als het gaat om transacties met een hoge waarde tussen banken. Daarom bezit en beheert het Eurosysteem het real-time bruto-vereveningssysteem TARGET2. Dit systeem voor de afwikkeling van interbancaire en commerciële transacties wordt gebruikt voor de uitvoering van monetaire operaties en heeft de ontwikkeling ondersteund van een gemeenschappelijke geldmarkt in de eurozone, een noodzakelijke voorwaarde voor een homogene transmissie van monetaire prikkels in alle lidstaten.

Het belang van een soepele werking van het betaalsysteem voor de uitvoering van het monetair beleid verklaart ook het belang dat de ECB heeft bij de financiële en operationele veerkracht van de centrale tegenpartijen (CTP’s). CTP’s plaatsen zich tussen intermediairs en onderhandelen hierbij op zowel de contante als de repo-markt. Met die activiteiten zijn grote intradayliquiditeitsstromen gemoeid. Dit wil zeggen dat tekorten aan liquiditeit of effecten onder intermediairs onder gespannen marktomstandigheden door of via CTP’s kunnen worden gekanaliseerd, hetgeen ontwrichtende effecten kan hebben. In zo’n situatie kan een beroep worden gedaan op de ECB om noodliquiditeitssteun te verstrekken aan CTP’s of banken die deelnemen aan CTP’s, hetgeen nog een argument is om de mogelijke risico’s die voortvloeien uit deze marktinfrastructuren op de voet te volgen.

Deze vraagstukken zijn nog relevanter geworden na de financiële crisis, aangezien de systeemrelevantie van CTP’s in de belangrijkste jurisdicties groter werd door de toename van centrale clearing. In deze context vormt de op handen zijnde implementatie van het herziene regelgevingskader (EMIR 2) een welkome ontwikkeling, aangezien dit herziene kader het EU-toezicht versterkt op systeemrelevante CTP’s uit derde landen die grote hoeveelheden in euro luidende instrumenten clearen en de betrokkenheid van de centrale uitgevende banken bij dit toezicht garandeert.

 

16. Welke rol ziet u in de toekomst weggelegd voor transacties in contanten, in vergelijking met digitale transacties?

Contanten blijven in meerdere EU-landen het voorkeursinstrument voor retailbetalingen. Het is een veilig actief dat rechtstreeks beschikbaar is voor burgers en unieke kenmerken heeft, aangezien het anonimiteit garandeert en kan worden gebruikt in offlinetransacties. Daarom denk ik dat contanten ook in de nabije toekomst een belangrijke rol zullen spelen. Centrale banken moeten daarom blijven garanderen dat dit instrument efficiënt wordt geproduceerd en in de omloop wordt gebracht.

De eurozone wordt, net als anders regio’s, echter geconfronteerd met dramatische veranderingen in zowel de vraag naar als het aanbod van betaaldiensten, die worden aangewakkerd door innovaties in het digitale ecosysteem. In deze nieuwe context worden digitale transacties steeds populairder en zullen zij mogelijk zelfs belangrijker worden dan transacties in contanten. De toepassing van nieuwe technologieën bij de verlening van betaaldiensten moet worden aangemoedigd wanneer goedkopere, snellere en veiligere diensten leiden tot meer concurrentie en financiële inclusie, zodat de welvaart van mensen toeneemt.

 

17. Wat vindt u van eurobankbiljetten met een hoge nominale waarde?

Het Eurosysteem moet garanderen dat burgers in de eurozone toegang hebben tot kwalitatief hoogwaardige eurobankbiljetten tegen een lage prijs. Het systeem moet een evenwichtige toevoer van bankbiljetten met verschillende nominale waarden waarborgen, hierbij rekening houdend met het feit dat biljetten met een lage nominale waarde veel worden gebruikt in retailtransacties met een lage waarde.

Bankbiljetten met een hoge nominale waarde worden grotendeels gebruikt voor volledig legitieme redenen, bijvoorbeeld om dure goederen of diensten aan te schaffen of als waardedrager. Het gebruik als waardedrager is een kenmerk van valuta die, zoals de euro en dollar, een reservemiddel vormen. De ECB schat dat een aanzienlijk deel (ongeveer een derde) van de uitstaande voorraad eurobankbiljetten in het bezit is van spelers buiten de eurozone; het deel van die eurovoorraad dat als waardedrager wordt gebruikt, is waarschijnlijk aanzienlijk, maar is moeilijk om nauwkeurig in te schatten.

Bezorgdheid dat de vraag naar biljetten met een hoge nominale waarde mogelijk ook wordt gestuurd door illegale activiteiten, heeft er echter toe geleid dat het Eurosysteem de productie van biljetten van 500 euro in eerste instantie opschortte (in mei 2016) en vervolgens besloot deze biljetten helemaal niet meer uit te geven (in januari 2019; in Duitsland en Oostenrijk werd de uitgifte in april 2019 beëindigd). Dit betekent dat het aantal bankbiljetten van 500 euro dat in omloop is op den duur van de tijd zal afnemen. Alle bestaande bankbiljetten van 500 euro zullen hun waarde behouden, kunnen opnieuw in omloop worden gebracht en blijven een wettelijk betaalmiddel.

 

18. Wat is uw opvatting over de heterogeniteit van monetaire condities en toegang tot krediet in de eurozone en de invloed hiervan op uniform monetair beleid van de ECB?

De monetaire maatregelen die het afgelopen decennium zijn getroffen door de ECB, hebben een cruciale bijdrage geleverd tot de vermindering van de heterogeniteit van de monetaire condities en de beschikbaarheid van krediet in de verschillende landen van de eurozone. Tijdens de financiële en staatsschuldencrisis vormden de aanzienlijke verschillen in de kosten van en toegang tot krediet een bedreiging voor de gemeenschappelijkheid van het monetair beleid van de ECB en de werking van het transmissiemechanisme. De gedurfde en ongekende reactie van de ECB en haar bereidheid om, binnen de grenzen van haar mandaat, slagvaardig op te treden om de euro te beschermen, zijn cruciaal geweest om de angst voor het uiteenvallen van de eurozone weg te nemen, de soepele werking van financiële markten te herstellen en de transmissie van monetaire prikkels in alle landen in de eurozone te verbeteren.

Hierna heeft de ECB de uitvoering van haar mandaat voortgezet en heeft zij met aanzienlijk verzachtende maatregelen gereageerd op de verslechtering van de macro-economische prognose, onder meer door middel van gerichte herfinancieringstransacties voor de langere termijn. Deze besluiten hebben geleid tot een daling van de kredietkosten voor bedrijven en huishoudens en ervoor gezorgd dat de fragmentatie van de geld- en kredietmarkten in de eurozone verder kon worden verminderd. Deze meer accommoderende en homogene monetaire condities zijn de afgelopen jaren cruciaal geweest voor het herstel van de kredietverleningsactiviteiten van banken en de bevordering van de particuliere investeringen en consumptie.

 

19. Meerdere lidstaten van de EU bereiden zich voor op de invoering van de euro. Hoe denkt u te kunnen voorkomen dat de verschillen tussen de landen van de eurozone de komende tien jaar groter worden gezien de economische condities in de kandidaat-lidstaten? Naar welk economisch scenario voor de uitbreiding van de eurozone gaat de voorkeur uit?

Alle EU-lidstaten – met uitzondering van Denemarken en het Verenigd Koninkrijk, waarvoor een opt-outclausule geldt – zijn verplicht zich bij de economische en monetaire unie te voegen en dus uiteindelijk de euro in te voeren. Er bestaat hiervoor echter geen specifieke tijdslijn en de gereedheid en bereidheid van elke lidstaat zullen bepalend zijn voor het moment waarop deze de gemeenschappelijke munt invoert. Het economische, financiële en institutionele beleid is leidend bij de vraag of een bepaalde lidstaat gereed is om de euro in te voeren.

De vorderingen ten opzichte van de criteria van Maastricht en de duurzaamheid van de convergentie van elk land dat niet tot de eurozone behoort, worden regelmatig beoordeeld door de ECB en de Commissie in hun respectieve convergentieverslagen.

Op 4 november 2014 trad het gemeenschappelijk toezichtsmechanisme in werking, dat toezicht houdt op alle banken in de eurozone. Als een land de euro invoert, moet het nu derhalve ook deelnemen aan het gemeenschappelijk toezichtsmechanisme. Dat is geen gemakkelijke taak en daarom moeten de lidstaten die de euro binnenkort zullen invoeren een nauwe samenwerking aangaan met de ECB op het gebied van toezicht op de bancaire sector. Hiervoor moeten mogelijk bepaalde hervormingen worden toegezegd.

De landenspecifieke aard van deze verplichtingen lijkt het meest geschikt om een soepele deelname te waarborgen in het wisselkoersmechanisme en uiteindelijk in de gemeenschappelijke munt.

 

20. Wat zijn de voornaamste risico’s en kansen voor de euro?

De euro heeft recentelijk zijn twintigste jubileum gevierd en wordt momenteel gesteund door een recordaantal burgers (76 %) in de eurozone. Een hele generatie heeft nooit een andere munt dan de euro gekend. Meer in het algemeen is de euro voor Europeanen het meest tastbare symbool van de Europese eenwording. Tijdens de crisis bleef er veel steun bestaan voor de gemeenschappelijke munt, wat aangeeft hoezeer men op politiek niveau is toegewijd aan de integriteit van de eurozone.

De euro heeft voor alle burgers aanzienlijke baten opgeleverd, in de eerste plaats door de koopkracht te waarborgen. De gemiddelde jaarlijkse inflatie sinds de invoering van de euro bedraagt 1,7 %, een niveau dat aanzienlijk lager is dan de gemiddelden vóór de euro, zelfs in de lidstaten die het behoorlijk goed deden wat de handhaving van prijsstabiliteit betreft. Dankzij de euro kunnen de vruchten van de eengemaakte markt volledig worden geplukt. Door het wisselkoersrisico en de mogelijkheid van competitieve devaluaties tussen de verschillende jurisdicties weg te nemen, heeft de euro de transactiekosten aanzienlijk verminderd en de handelsintegratie bevorderd, waardoor consumenten konden profiteren van lagere prijzen en bedrijven – waaronder kmo’s – van efficiëntere waardeketens. De euro wordt breed geaccepteerd in financiële transacties wereldwijd. Dit is gunstig voor de internationale handelsactiviteiten van de bedrijven in de eurozone. Bovendien weegt de stem van de landen van de eurozone gezamenlijk zwaarder wanneer in de internationale economische en financiële sfeer wordt gesproken over onderwerpen als de regulering van internationale financiële markten. Van sommige van de baten van de euro wordt ook geprofiteerd door de landen buiten de eurozone die hun wisselkoers nauw hebben gekoppeld aan de waarde van de gemeenschappelijke munt.

Deze vorderingen kunnen worden beschermd en uitgebouwd door middel van een sterkere en volledigere economische en monetaire unie, die zowel een kapitaalmarkten- als bankenunie omvat, en degelijk economisch beleid. Er is economische convergentie tussen en binnen de lidstaten nodig om te garanderen dat de vruchten van de euro in de hele eurozone en in alle geledingen van de maatschappij worden geplukt.

De euro wordt zonder meer geconfronteerd met nieuwe en belangrijke uitdagingen, zoals digitalisering, cryptoactiva, cyberbeveiliging en witwaspraktijken. De ECB draagt binnen haar mandaat bij aan de aanpak van die uitdagingen en omarmt verandering en innovatie. Zo speelt de ECB een actieve rol en vervult zij een katalysatorfunctie bij de ontwikkeling van een veiliger, innovatiever en geïntegreerd betaalsysteem in de eurozone.

 

21. Wat zijn volgens u de belangrijkste risico’s en uitdagingen waarvoor de ECB zich geplaatst ziet?

In de toekomst zullen centrale banken een passend monetair kader moeten kiezen om in te springen op het wereldwijde macro-economische klimaat dat wordt gekenmerkt door nieuwe uitdagingen – denk hierbij onder meer aan protectionisme, geopolitieke risico’s en vergrijzende samenlevingen in geavanceerde economieën – die kunnen leiden tot een aanhoudend lage groei, lage inflatie en lage rente. De economische onzekerheid zal in de toekomst waarschijnlijk ook toenemen.

Het is belangrijk niet te vergeten dat de onconventionele maatregelen die in het laatste decennium zijn genomen door centrale banken een reactie waren op, en niet de oorzaak waren van, het huidige scenario, en dat veel studies hebben aangetoond dat de situatie zonder deze maatregelen veel ernstiger zou zijn, met name wat de reële economie betreft. Als de uitdagingen niet worden onderkend en er niet snel, evenredig en, indien nodig, op innovatieve wijze wordt gereageerd om ze aan te pakken, zal er uiteindelijk later een sterkere respons nodig zijn.

Daarnaast blijft het, zoals ik in mijn vorige antwoord al aangaf, van vitaal belang dat de negatieve neveneffecten en de nettobaten van onconventionele maatregelen constant worden gevolgd. Zo kunnen negatieve beleidsrenten op een gegeven moment negatieve effecten hebben op de kredietverlening door banken en de winstgevendheid van financiële intermediairs (een lagere winstgevendheid kan gevolgen hebben voor het kredietbeleid van banken en derhalve voor de transmissie van monetair beleid).

In sommige marktsegmenten kan het nemen van buitensporige risico’s door beleggers en financiële intermediairs een risico vormen voor de financiële stabiliteit, en dit moet indien noodzakelijk snel worden gecorrigeerd door middel van een actievere inzet van macroprudentiële instrumenten.

Met het oog op de toenemende complexiteit van het financiële landschap en de ontwikkeling van haar beleidsinstrumenten, zal de ECB mogelijk haar communicatie moeten aanpassen om haar beleid duidelijk te kunnen uitleggen aan een breder publiek. Alleen als burgers – werknemers, spaarders, beleggers, gepensioneerden – de rol, de doelstellingen en het beleid van hun centrale bank begrijpen, kunnen zij realistische verwachtingen formuleren en hun toekomst plannen. Dit zal bijdragen aan de bepaling van de gewenste bredere mix van economisch beleid en de toekomstige economische koers van de eurozone.

Ik gaf al aan dat de ECB ook zal moeten deelnemen aan een breder debat over hoe zij het best kan bijdragen aan de aanpak van de uitdagingen met betrekking tot klimaatverandering.

Een andere uitdaging is de impact van de huidige digitale transformatie op het economische en financiële stelsel. De integratie van nieuwe technologieën in de verlening van financiële diensten (Fintech) moet worden aangemoedigd wanneer goedkopere, snellere en veiligere diensten leiden tot meer concurrentie, waardoor de welvaart van mensen toeneemt, en zij de financiële inclusie van de meest achtergestelde segmenten verbeteren. Maar gemakkelijkere toegang tot gereguleerde diensten zorgt ook voor nieuwe uitdagingen. Sommige hiervan – zoals consumentenbescherming – vallen buiten het mandaat van de ECB, maar de centrale banken spelen zonder enige twijfel een centrale rol door een soepele overgang te faciliteren naar het betaallandschap van de toekomst.

Centrale banken passen zelf ook nieuwe technologieën toe. De Bank van Italië maakt inmiddels alweer jarenlang gebruik van machinaal leren en big data-technologieën. Ze worden op dit moment onder meer gebruikt om de macro-economische prognoses te verbeteren, abnormale transacties te detecteren voor AML-doeleinden en realtime-indicatoren van financieel risico te berekenen.

De opkomst van grote spelers in de financiële sector en de mogelijke acceptatie van wereldwijde digitale valuta houden zekere uitdagingen in: voor banken, de naleving van belastingwetgeving, de bescherming van consumenten en privacy, de bestrijding van witwaspraktijken en de financiering van terrorisme, alsook voor cyberbeveiliging. Er kunnen uitdagingen ontstaan voor het monetair beleid en de financiële stabiliteit.

Deze processen moeten in goede banen worden geleid door een betere samenwerking tussen overheidsinstanties wereldwijd. Centrale banken zetten aanzienlijke middelen in om risico’s te bewaken en de prijs- en financiële stabiliteit te waarborgen. Het verslag over GSC’s van de werkgroep van de G7-afgevaardigden (waarvan ik lid ben geweest) bevat grondige analyses en actielijnen voor de toekomst.

 

22. Welke gevolgen heeft de brexit voor de financiële stabiliteit? Hoe ziet u de rol van de ECB bij de aanpak van de aan de brexit verbonden risico’s?

Doordat de Europese Raad de uiterste termijn voor terugtrekking van het VK heeft uitgesteld naar 31 januari 2020, zijn de risico’s van een brexit zonder deal vooruitgeschoven, maar geenszins verminderd. Er is nog steeds sprake van politieke onzekerheid en aan het einde van de huidige verlenging kunnen deze risico’s zich ook weer aandienen. Een scenario zonder deal kan erg kostbaar zijn en leiden tot aanzienlijke vlagen van volatiliteit op de financiële markten.

De ECB en de nationale instanties zijn daar goed op toegerust. De ECB en de Bank van Engeland hebben een akkoord bereikt over valutaswaps, waardoor elke centrale bank liquiditeit kan aanbieden aan het bankwezen in de valuta van de ander. Dit moet de ordelijke werking van markten bevorderen en negatieve consequenties voor huishoudens en bedrijven voorkomen. De ECB handhaaft ook gunstige liquiditeitsvoorwaarden en voert een verregaand accommoderend monetair beleid. Zij kan passende maatregelen nemen om de financiële stabiliteit te waarborgen als de voorwaarden voor financiering en liquiditeit in de eurozone zouden verslechteren.

Zowel overheidsinstanties als de particuliere sector hebben zich voorbereid op een scenario van een brexit zonder deal. Op EU- en nationaal niveau zijn maatregelen vastgesteld om in voorkomend geval op eventuele verstoringen te reageren, met name op het gebied van grensoverschrijdende diensten (bijv. centrale clearing, geschiktheid van MREL-instrumenten, continuïteit van contracten en bancaire en financiële licenties).

Zoals de ECB en nationale autoriteiten herhaaldelijk hebben benadrukt, is het essentieel dat marktdeelnemers zich blijven voorbereiden en alle noodzakelijke maatregelen nemen om de risico’s met betrekking tot de brexit het hoofd te bieden. Met name banken moeten de implementatie van noodplannen voltooien en er moet volledig rekening worden gehouden met de gevolgen van de brexit in herstelplannen en afwikkelingsbenaderingen.

Er kunnen zich ook ontwrichtende risico’s voordoen als de terugtrekkingsovereenkomst wordt geratificeerd. Na ratificatie zal er een overgangsperiode beginnen die tot 31 december 2020 duurt, met een mogelijke verlenging van één of twee jaar. Tijdens de overgangsperiode blijft de EU-wetgeving gelden in het VK en onderhandelen de EU en het VK over een akkoord over hun toekomstige betrekkingen. Aan het einde van de overgangsperiode zullen de bilaterale betrekkingen, als er geen akkoord is ondertekend, automatisch terugvallen op de standaardvoorwaarden uit het internationaal recht, zoals de GATT (Algemene Overeenkomst inzake tarieven en handel) voor de handel in goeden en GATS (Algemene Overeenkomst betreffende de handel in diensten) voor de handel in diensten. Voor financiële diensten zal de markttoegang dan worden gebaseerd op het gelijkwaardigheidskader van de EU, dat een veel beperktere werkingssfeer heeft dan het enkele paspoort.

 

23. Denkt u dat het huidige kader voor economische governance een procyclisch begrotingsbeleid aanmoedigt? Worden er de juiste stimulansen mee geboden voor overheidsinvesteringen? Hoe moet dit kader volgens u worden hervormd? Wat is uw mening over een verdere Europese harmonisering op het gebied van vennootschapsbelasting?

Het begrotingsbeleid is voor elk land een fundamenteel instrument voor stabilisatie en al helemaal voor landen die een munteenheid delen, aangezien het monetair beleid is afgestemd op de economische omstandigheden in de hele monetaire zone en het niet kan omgaan met asymmetrische schokken. Om een adequate begrotingsruimte te waarborgen, moet elk land begrotingsdoelstellingen voor de middellange termijn nastreven, waarin rekening is gehouden met zijn groeipotentieel en schuldenlast.

Het huidige Stabiliteits- en Groeipact heeft in dit opzicht gemengde resultaten bereikt. In 2018 daalde de geaggregeerde tekorten van de EU en de eurozone naar hun laagste niveau sinds 2000. De overeenkomstige schuldquotes vertonen ook een dalende tendens. Een aantal landen heeft echter weinig vorderingen gemaakt met het terugdringen van de overheidsschulden en het overheidstekort, hetgeen tot gevolg heeft dat de begrotingsruimte onevenredig is verdeeld onder de lidstaten en er in sommige gevallen zelfs helemaal geen begrotingsruimte is.

Een verstandig begrotingsbeleid is primair de verantwoordelijkheid van de lidstaten, maar de begrotingsregels hebben mogelijk niet voor alle landen voor voldoende prikkels gezorgd in dit opzicht. Het Europees Begrotingscomité en anderen hebben benadrukt dat de regels te complex zijn en te veel steunen op niet-waarneembare variabelen zoals output gaps. De punten van zorg hebben ook betrekking op het feit dat in het SGP geen regels of instrumenten zijn opgenomen om de begrotingskoers van de hele eurozone te sturen en dat er weinig vorderingen zijn gemaakt met het verbeteren van de gezondheid van de overheidsfinanciën, los van de begrotingskoers.

Tegen de achtergrond van deze bezorgdheid en aangezien de regels geen breed gedragen solide begrotingssituatie hebben gewaarborgd in economisch gunstige tijden, was er sprake van een gebrek aan begrotingsruimte, met name tijdens de depressie van 2012-2013, hetgeen resulteerde in een procyclisch, strakker begrotingsbeleid en een ongunstige macro-economische beleidsmix in de eurozone. De overheidsinvesteringen zijn in de EU en in de eurozone als percentage van het bbp sinds 2009 sterk gedaald, met meer dan 20 % als naar de geaggregeerde cijfers wordt gekeken (maar dit geldt niet voor elk afzonderlijke land).

Deze zwakten wijzen erop dat er mogelijk een herziening van het Europese kader voor begrotingsbeheer nodig is. Een optie die in dit opzicht wordt voorgesteld is de vaststelling van één streefwaarde voor schulden voor de lange termijn, gekoppeld aan één operationeel instrument, bijvoorbeeld een uitgavenregel. Er is vereenvoudiging nodig, maar het is belangrijk te voorkomen dat een buitensporige afstand tussen de streefwaarde voor de lange termijn en het operationele instrument de landen niet op de juiste wijze stimuleert om een verstandig begrotingsbeleid te voeren. Overheden moeten niet alleen de groei van de overheidsuitgaven beheersen, maar ook de kwaliteit van hun uitgaven verbeteren door het percentage productiviteitsverhogende investeringen binnen hun uitgaven te vergroten.

Het is belangrijk om op te merken dat een herziening van de regels slechts één component moet zijn van het antwoord op het probleem. De crisis heeft aangetoond dat een deugdelijk begrotingsbeleid alleen niet altijd voldoende zal zijn, aangezien diepe en langdurige economische schokken de nationale beleidsruimte kunnen overstelpen, waardoor er ongewenste negatieve spiralen van particuliere en openbare bezuinigingen ontstaan. Dit benadrukt dat er behoefte is aan een begrotingscapaciteit in de eurozone waarbinnen stimuleringsmaatregelen mogelijk zijn en die groot genoeg is om voor macro-economische stabilisatie te zorgen.

Dit kan niet worden bereikt door alleen het nationaal beleid onderling af te stemmen. Er bestaan verschillen tussen de landen met betrekking tot de begrotingsruimte en macro-economische omstandigheden en er is niet per definitie begrotingsruimte beschikbaar wanneer hieraan de meeste behoefte bestaat. Nationaal beleid komt in de eerste plaats tot stand in reactie op nationale omstandigheden en niet op de ontwikkelingen in de eurozone. Zelfs als we ervan uit zouden gaan dat in nationaal beleid rekening wordt gehouden met de behoeften van de eurozone, zullen de overloopeffecten tussen landen behoorlijk beperkt blijven. Daarom is er behoefte aan een omvangrijke gemeenschappelijke begrotingscapaciteit, in combinatie met doeltreffende begrotingsregels.

Een verdere harmonisering van de grondslagen van de vennootschapsbelasting zou ook een nuttige bijdrage leveren aan de werking van de eengemaakte markt, de bankenunie en de kapitaalmarktenunie. Agressieve fiscale praktijken kunnen negatieve gevolgen hebben voor het concurrentievermogen en de belastinginkomsten en door burgers worden beschouwd als oneerlijk. Ze kunnen de cohesie tussen lidstaten ondermijnen en deze cohesie is cruciaal voor de versterking van het Europese project.

 

24. Is er volgens u in de eurozone behoefte aan Europese veilige activa, niet alleen om te helpen de financiële markten te stabiliseren en banken in staat te stellen hun blootstelling aan nationale schuld te verminderen, maar ook als manier om een correcte transmissie te faciliteren van het monetair beleid? Hoe kan dat worden gedaan?

Veilige activa vormen een belangrijk element van elk financieel systeem en een benchmark voor een efficiënte vaststelling van de prijzen van risicovolle activa. Daarom zijn ze van essentieel belang voor bankbemiddeling.

Veilige activa worden in de huidige context als schaars beschouwd en hun schaarsheid heeft inmiddels gevolgen voor de financiële markten en het bankwezen, de uitvoering van het monetair beleid en economische groei. Sinds de financiële crisis geven beleggers de voorkeur aan veiligheid, waardoor het aantal beschikbare veilige activa aanzienlijk is afgenomen. Tegelijkertijd heeft een aantal factoren (bijv. nieuwe initiatieven voor regelgeving, demografische ontwikkelingen in geavanceerde economieën) geleid tot een stijging in de vraag naar veilige activa. De eurozone is een uniek voorbeeld van een muntunie zonder een gemeenschappelijk veilig actief.

De invoering van een Europees veilig actief zou een teken zijn dat er daadkrachtige stappen worden genomen in de richting van de voltooiing van de banken- en kapitaalmarktenunie. Ook de uitvoering van niet-standaard monetair beleid zou gemakkelijker en minder controversieel zijn als het zou kunnen worden gebaseerd op een gemeenschappelijk veilig actief voor de eurozone. Het verminderde risico van marktfragmentatie zou de transmissie van het monetair beleid van de ECB in de verschillende lidstaten homogener maken. Ten slotte zou een veilig actief dat niet is blootgesteld aan het landenrisico van individuele lidstaten de grensoverschrijdende financiële integratie bevorderen. Het zou daarnaast bijdragen aan de matiging van de schadelijke feedbackloop tussen banken en hun overheden en de run op veilige activa waarvan tijdens de crisis sprake was.

Veilige activa kunnen allerlei vormen aannemen. Sommige oplossingen zullen mogelijk implicaties hebben buiten het financiële domein, bijvoorbeeld als ze kunnen dienen als operationeel instrument om een gemeenschappelijke begrotingscapaciteit op te zetten. SBSS- en e-obligaties zijn voorstellen die momenteel worden besproken, maar er moet meer onderzoek worden gedaan naar de manier waarop een potentieel veilig actief voor de eurozone kan worden ontworpen.

De ontwikkeling van een veilig actief is een fundamentele kwestie voor de eurozone, maar valt buiten de bevoegdheden van het ECB-mandaat.

 

25. Wat vindt u van de voortdurende discussie over de aanhoudend hoge niveaus van particuliere en overheidsschulden in de eurozone? Hoe ziet u de door de Commissie voorgestelde mogelijkheid van een schatkist voor de eurozone die namens haar leden toegang krijgt tot de financiële markten om een deel van hun reguliere herfinancieringsbehoeften te financieren?

Het oplossen van problemen met betrekking tot de schuldenlast is in de eerste plaats de verantwoordelijkheid van nationale overheden. Er moeten op dit terrein daadkrachtige beleidsmaatregelen worden genomen, aangezien de crisis duidelijk heeft gemaakt dat hoge particuliere en overheidsschulden een belangrijke oorzaak van kwetsbaarheid kunnen zijn wanneer het tij keert. Tijdens de crisis vergrootten ze de financiële spanningen en zorgden ze voor een verdieping van de economische crisis. Hierdoor werd het lastiger om het monetair beleid uit te voeren.

In de eurozone daalden de particuliere schuldquotes de laatste vijf jaar met ongeveer 10 procentpunten van het bbp, naar het huidige niveau van ongeveer 137 %. De publieke schuldquote daalde in 2018 in de eurozone in zijn geheel van 95 % (in 2014) naar ongeveer 87 % van het bbp. De algemene schuldenlast verhoudt zich relatief gunstig tot die van andere belangrijke economische regio’s.

Maar dit algemene positieve panorama verhult aanzienlijke verschillen op het niveau van de individuele lidstaten, zoals is blootgelegd door het Europees Semester en de procedure bij macro-economische onevenwichtigheden. In sommige landen zijn de particuliere schulden nog steeds hoog. In een aantal lidstaten blijft de publieke schuldenlast hoog en wordt niet voldaan aan de vereisten van het Europese begrotingskader.

De huidige lage renten vormen een kans om de verlaging van de publieke schuldquotes te versnellen door middel van een verstandig begrotingsbeleid en een meer op groei gerichte samenstelling van de overheidsfinanciën, hetgeen kan worden bereikt door middelen te verschuiven naar publieke investeringen. Een lagere overheidsschuld zou ook de verstoringen verminderen die het gevolg zijn van een hoge begrotingsdruk en het mogelijk maken investeringen in fysiek en menselijk kapitaal te hervatten. Bovendien zullen hervormingen die zijn gericht op de modernisering van de economieën van de eurozone waarschijnlijk het meest geschikt zijn om het potentieel voor economische groei te versterken en bovendien meer begrotingsruimte voor de toekomst te creëren.

Wat de particuliere sector betreft, moet macroprudentieel beleid leiden tot de bevordering van de stapsgewijze herbalancering van de schuldposities. Bovendien is het belangrijk om te onthouden dat dit een relatief nieuw terrein van beleidsvorming is en dat geen enkele oplossing overduidelijk goed of fout is. Daarom moeten we ook andere maatregelen analyseren die particuliere spelers kunnen helpen hun schuldenlast te verlagen. Het is bijvoorbeeld belangrijk om particuliere partijen toe te staan vorderingen te maken met het afstoten van slechte activa of de efficiëntie van rechtbanken te verbeteren zodat de achterstand op het gebied van zaken met betrekking tot zachte leningen kan worden weggewerkt.

Het Europese niveau kan op beide fronten helpen. Op de korte termijn kunnen doeltreffende Europese begrotings- en economische regels de formulering van een deugdelijk binnenlands beleid met ruimte voor stimuleringsmaatregelen bevorderen. Daarnaast blijft de versterking van de eengemaakte markt, met inbegrip van een verdieping van de banken- en kapitaalmarktenunie, één van de meest krachtige instrumenten om groei en convergentie te bevorderen. Als we verder kijken dan de middellange termijn, kan de oprichting van een belastingdienst voor de eurozone verder bijdragen aan de uitvoering van een aantal van de hierboven genoemde Europese functies. De gekozen Europese organen zullen moeten besluiten of, hoe en wanneer stappen voorwaarts zullen worden gemaakt met een dergelijke integratie, maar dit is zonder meer noodzakelijk voor de ontwikkeling en welvaart van de eurozone.

De oprichting van een belastingdienst zou gunstig zijn voor het ontwerp en de uitvoering van een macro-economische stabiliseringsfunctie van de eurozone. Een macro-economische stabiliseringsfunctie voor de eurozone zou grote landenspecifieke schokken deels kunnen opvangen, waardoor de EMU veerkrachtiger wordt. Als zo’n instrument wordt opgezet, zou dat ook de invoering vergemakkelijken van een veilig actief voor de eurozone. Als dit wordt gedaan door middel van een begrotingsinstrument voor de eurozone, is het voordeel dat dit de emissie van schulden op nationaal en Europees niveau niet zou vertroebelen.

 

26. Wat vindt u van de kritiek dat het onderpandkader van de ECB niet geleidelijk genoeg is en te veel gebaseerd is op externe ratingbureaus?

Het kredietbeoordelingskader van het Eurosysteem voor de geschiktheid van onderpand stelt banken in staat een brede reeks activa te mobiliseren binnen een eenduidig kader voor risicobeheer. Met dit kader wordt beoogd de balans van de ECB te beschermen en tegelijkertijd een breed en divers aanbod te garanderen van in aanmerking komende activa voor banken in de eurozone.

Surpluspercentages worden gekalibreerd zodat activa in verschillende marktsegmenten en kredietrisicocategorieën een gelijke behandeling krijgen, waardoor een granulaire waardering van activa mogelijk is. Banken maken uitgebreid gebruik van onderpanden bij de ECB; Momenteel is er in totaal zo’n 1,5 miljard EUR aan zekerheden gesteld, meer dan twee keer het totale kredietbedrag dat door het Eurosysteem wordt verstrekt. Dit toont aan dat het kader zorgvuldig en doeltreffend is en dat er veel onderpand beschikbaar is. Beide factoren dragen bij aan een soepele uitvoering van het monetair beleid.

De externe scores worden aangevuld door andere valide bronnen van informatie over kredietwaardigheid, zoals interne kredietbeoordelingssystemen van nationale centrale banken en interne, op scores gebaseerde systemen van tegenpartijen. De Bank van Italië heeft bijvoorbeeld een intern kredietbeoordelingssysteem opgezet om het kredietrisico te beoordelen van leningen die worden gebruikt als onderpand bij verrichtingen van monetair beleid binnen het Eurosysteem. Hiermee wordt beoogd het financiële risico voor het Eurosysteem te beperken en tegelijkertijd de tegenpartijen die geen toegang hebben tot alternatieve beoordelingssystemen de mogelijkheid te bieden meer onderpand te verstrekken.

Om de consistentie met de hoge vereisten inzake kredietkwaliteit van het Eurosysteem en de vergelijkbaarheid tussen verschillende bronnen van kredietbeoordeling te garanderen, wordt elk kredietbeoordelingssysteem, of het nu extern of van het Eurosysteem zelf is, onderworpen aan een jaarlijks prestatiebewakingsproces.

De rol van kredietbeoordelingssystemen die een alternatief vormen voor ratingbureaus is waardevol aangezien zij in het bijzonder relevant zijn voor de verpanding van kredietvorderingen die, na toepassing van op gepaste wijze gekalibreerde surpluspercentages, ongeveer een kwart van de waarde van het gemobiliseerde onderpand vertegenwoordigen.

Deze benadering is in overeenstemming met de FSB-aanbevelingen inzake de vermindering van de mechanistische afhankelijkheid van ratingbureaus. Als er gebruik wordt gemaakt van meerdere bronnen kan op flexibele en onafhankelijke wijze worden bepaald of een financieel instrument in aanmerking komt voor herfinancieringsactiviteiten. Het Eurosysteem behoudt zich echter het recht voor op de toepassing van risicobeheersingsmaatregelen, zoals aanvullende surpluspercentages, op individuele financiële instrumenten of van specifieke beperkingen op kredietbeoordelingssystemen. Bovendien onderwerpt het Eurosysteem de goedgekeurde bronnen van kredietbeoordeling regelmatig aan een evaluatie teneinde de betrouwbaarheid van de gebruikte informatie te waarborgen.

Langzamerhand heeft dit proces de robuustheid en transparantie van alle valide kredietbronnen vergroot, zodat de ECB op soepele wijze haar monetaire beleid kan toepassen en haar balans kan beschermen.

 

27. Hoe beoordeelt u de recente ontwikkeling van de wisselkoers tussen de euro en de dollar? In hoeverre moeten handelsoverwegingen een rol spelen bij het voeren van het monetair beleid?

Schommelingen in de wisselkoers hebben gevolgen voor de prijzen van ingevoerde goederen en diensten en de geaggregeerde vraag, en kunnen daarom de activiteit en inflatie binnen de EU beïnvloeden. Daarom moet de ECB de wisselkoersontwikkelingen op de voet volgen. In overeenstemming met de internationale consensus mag de ECB de wisselkoers echter niet proberen te beïnvloeden en doet zij dit ook niet. Om eerlijke mededinging te garanderen en de internationale handel te bevorderen, moet de externe waarde van de euro worden bepaald door de markt, op basis van economische beginselen. Pogingen tot ingrijpen in dergelijke mechanismen, zouden het risico van dure valutaoorlogen met zich brengen en zijn uiteindelijk gedoemd te mislukken.

 

28. Hoe beoordeelt u de resultaten van de G20? Wat vindt u van het huidige niveau van coördinatie tussen de belangrijkste centrale banken?

De G20 heeft een belangrijke rol gespeeld in de bevordering van een gemeenschappelijke economische beleidsreactie op de wereldwijde financiële crisis in 2008 en 2009. Het heeft ook de basis gelegd voor de ambitieuze hervormingsagenda voor het internationale financiële stelsel, waarbij de Raad voor financiële stabiliteit toezicht houdt op de vooruitgang en aanbevelingen doet in samenwerking met andere normalisatie-instanties.

Nu de urgentie van de crisis naar de achtergrond is verdwenen, lijkt de politieke wil om nauw samen te werken aan gemeenschappelijke problemen ook te zijn afgezwakt. Sommige landen tonen zich steeds sceptischer over multilateralisme en een op regels gebaseerd systeem en sommige multilaterale initiatieven en instellingen hebben zware klappen gekregen. Dit kan worden toegelicht aan de hand van twee belangrijke voorbeelden: Het eerste voorbeeld is de terugtrekking van de VS uit de Overeenkomst van Parijs inzake klimaat en de waarschijnlijke verlamming van de WTO-Beroepsinstantie vanaf 11 december.

Het is dan ook geen verrassing dat de factoren die een neerwaartse druk uitoefenen op de economische verwachtingen wereldwijd en in de eurozone afkomstig zijn van externe factoren, zoals handel en geopolitieke spanningen, die negatieve gevolgen hebben voor de groei en investeringen, zowel direct, omdat ze zorgen voor een daling in de vraag, als indirect, door het vertrouwen een knauw te geven en de onzekerheid te vergroten.

Als gevolg hiervan zijn multilaterale instellingen en fora nu belangrijker dan ooit om een open dialoog te kunnen blijven voeren en de wereldwijde economische en financiële stabiliteit te handhaven. Nauwe internationale samenwerking is vereist om iets te doen aan kwetsbaarheden, wereldwijde vangnetten te ontwikkelen, de geopolitieke onzekerheden te verminderen en onze economieën voor te bereiden op de uitdagingen en structurele veranderingen die voortvloeien uit demografische ontwikkelingen, digitalisering en kunstmatige intelligentie. In dit kader is de G20 vandaag de dag nog even relevant. De G20 bevordert, samen met andere fora zoals de G7 en instellingen als het Internationaal Monetair Fonds en de Bank voor Internationale Betalingen, ook de interactie tussen monetaire en financiële autoriteiten, zodat deze hun standpunten kunnen delen over manieren waarop de gezamenlijke uitdagingen kunnen worden aangepakt waarmee zij worden geconfronteerd.

 

29. Moet de ECB concrete stappen ondernemen om de euro een impuls te geven als internationale munt? Zo ja, welke maatregelen stelt u voor?

De euro wordt al veel gebruikt op internationale markten. Naast de omvang van de economie van de eurozone weerspiegelt dit gegeven waarschijnlijk ook de perceptie bij de marktdeelnemers dat de euro wordt geschraagd door een gezond en geloofwaardig beleidskader en door goed functionerende financiële markten. De ECB draagt hier al aan bij met haar stabiliteitsgerichte monetaire beleid en door bij te dragen aan de ontwikkeling van stabiele, diepe en efficiënte financiële markten in de eurozone. Dergelijk beleid maakt deel uit van het mandaat van de ECB, maar bevordert daarnaast ook de internationale rol van de euro. De ECB analyseert regelmatig de internationale rol van de euro en publiceert hier een jaarverslag over.

Uit recent onderzoek van de ECB blijkt dat de economie van de eurozone meer te winnen heeft bij een prominentere internationale rol van de Europese munt. Een grotere internationale rol van de euro zou bijvoorbeeld de uitvoering van monetair beleid bevorderen door het effect van wisselkoersen op de inflatie te verminderen en de transmissie van prikkels van monetair beleid te versterken. Dit zou tevens kunnen leiden tot lagere financieringskosten voor overheden. Daarnaast zouden de eurozone en de wereldeconomie in haar geheel profiteren van het evenwichtigere internationale monetaire systeem dat het resultaat zou zijn van een grotere internationale rol van de euro.

Hoe dan ook kan een grotere internationale rol alleen voortvloeien uit marktontwikkelingen die worden gestuurd door de vraag van beleggers. Beleidsmaatregelen kunnen bijdragen tot het scheppen van gunstige voorwaarden hiervoor. Een volledigere economische en monetaire unie, met inbegrip van diepe en gediversifieerde kapitaalmarkten en een volledige bankenunie, ondersteund door degelijk economisch beleid in de lidstaten van de eurozone, zou de veerkracht van de economie van de eurozone vergroten en de euro derhalve aantrekkelijker maken voor internationale beleggers.

 

30. Wat zijn volgens u de belangrijkste uitdagingen en kansen voor de communicatie van centrale banken in de komende periode?

De vaststelling van een transparante communicatiestrategie is een belangrijk element voor moderne centrale banken. Ten eerste moeten centrale banken, als noodzakelijk tegenwicht voor hun onafhankelijkheid, volledige rekening en verantwoording afleggen aan gekozen organen; in het geval van de eurozone is dit het Europees Parlement. Duidelijke en transparante communicatie draagt ook bij aan een verbetering van de doeltreffendheid van beleidsmaatregelen zelf, in zoverre deze de verwachtingen en gedragingen van markten en personen helpt sturen.

Dit is al helemaal het geval in buitengewone omstandigheden waarin een beroep moet worden gedaan op nooit eerder toegepaste en complexe maatregelen. De motivatie om deze instrumenten te gebruiken, hun mogelijke neveneffecten en hun voordelen voor de reële economie en voor prijsstabiliteit moeten zorgvuldig worden toegelicht. Bovendien wordt “forward guidance” nog belangrijker wanneer de beleidsrente zich op of nabij de effectieve ondergrens bevindt en het monetair beleid het resultaat is van de gecombineerde toepassing van verschillende instrumenten, zoals momenteel het geval is. Onder die omstandigheden wordt communicatie een heel eigen instrument van monetair beleid.

De ECB is vanaf dag één een voorloper geweest bij de invoering van een kader voor transparante communicatie. Door de jaren heen is dit kader geleidelijk verfijnd en afgestemd op de immer veranderende context.

Zoals reeds aangegeven in mijn eerdere antwoorden, communiceert de ECB op verschillende manieren met het Europees Parlement, onder meer via de driemaandelijkse hoorzittingen van de ECB-president bij de Commissie ECON.

Wat de communicatie met het bredere publiek van marktdeelnemers en het algemene publiek betreft, worden besluiten met betrekking tot monetair beleid voorgesteld en besproken i) door de ECB-president en de vicepresident tijdens de persconferenties die regelmatig, elke zes weken, worden gehouden; ii) in de publicaties van de ECB (zoals het Economisch Bulletin); iii) in toespraken van directieleden. Daarnaast is de ECB een paar jaar geleden begonnen met het publiceren van gedetailleerde verslagen van haar bijeenkomsten over monetair beleid, waarin uitgebreide informatie wordt gegeven over de discussies binnen de Raad van bestuur en de analyses op basis waarvan besluiten zijn genomen. De afgelopen jaren hebben centrale banken, waaronder de ECB en de nationale centrale banken van de eurozone, een grotere inspanning geleverd om een nog breder publiek te bereiken, waarbij ze ernaar streven om hun maatregelen eenvoudiger toe te lichten door gebruik te maken van nieuwe communicatiekanalen en een toegankelijker taalgebruik, met als uiteindelijk doel te laten zien hoe maatregelen van monetair beleid een verschil kunnen maken in het dagelijkse leven van de mensen.

De Bank van Italië heeft hiertoe ook haar steentje bijgedragen. Sinds het begin van de crisis hebben we onze interactie met en verantwoording jegens het Parlement versterkt; sinds 2014 is de Raad aanwezig geweest bij 38 hoorzittingen. Om onze communicatie met het publiek te verbeteren, hebben we bovendien een uitgebreid programma ingevoerd om alle segmenten van de maatschappij te bereiken. Ik heb persoonlijk deelgenomen aan bijeenkomsten met mensen in verschillende Italiaanse steden om ons beleid en dat van het Eurosysteem toe te lichten. Dit heeft ertoe geleid dat mensen dit soort beleid beter begrijpen en er meer vertrouwen in hebben.

Ik heb ook deelgenomen aan programma’s op de Italiaanse televisie om het publiek in eenvoudige taal uit te leggen wat de kenmerken en, nog belangrijker, de risico’s zijn van cryptoactiva, in het bijzonder met betrekking tot de bitcoin.

 

31. Hoe beoordeelt u de overloopeffecten van het monetair beleid, met name het monetair beleid van de Verenigde Staten, voor het voeren van het monetair beleid in de eurozone?

Door de toenemende economische en financiële integratie van de wereldeconomie moet bij het formuleren en uitvoeren van het beleid in de eurozone rekening worden gehouden met overloopeffecten van de economieën van andere belangrijke economische regio’s. Dit geldt met name voor de besluiten inzake monetair beleid die in de VS worden genomen en van invloed zijn op de Amerikaanse en wereldwijde financiële en valutamarkten.

In haar analyses heeft de ECB regelmatig rekening gehouden met deze overloopeffecten. Ontwikkelingen in andere economieën worden gevolgd, de impact van hun beleidsmaatregelen op de EU wordt geanalyseerd en er wordt rekening gehouden met de implicaties voor de verwachtingen omtrent prijsstabiliteit in de eurozone bij het formuleren van monetair beleid voor de eurozone. Tijdens alle bijeenkomsten over het monetair beleid van de Raad staan een uitgebreide toelichting op en bespreking van deze analyses op de agenda.

Zoals ik echter aangaf in mijn antwoord op vraag 27, wil dit niet zeggen dat de ECB de wisselkoers op enige manier moet beïnvloeden. Het monetair beleid van de ECB moet volledig op de eurozone zijn gericht.

 

C. Financiële stabiliteit en toezicht

 

32. Is het volgens u nodig een strikte scheiding te handhaven tussen het monetair beleid en het bankentoezicht en welke hervormingen zouden deze scheiding volgens u vergroten en bevorderen?

Ik denk dat er goede redenen waren om de verantwoordelijkheid voor het toezicht op het bankwezen aan de ECB toe te wijzen, bijvoorbeeld de synergieën tussen de rol van centrale banken op het gebied van macroprudentieel toezicht (waarmee wordt beoogd de stabiliteit van het gehele financiële stelsel te waarborgen) en het microprudentieel toezicht door individuele banken. Andere waren meer van institutionele aard, zoals de noodzaak om een Europees systeem van toezicht op te zetten binnen de bestaande verdragen. Dankzij deze opzet kon het gemeenschappelijk toezichtsmechanisme onmiddellijk in gebruik worden genomen omdat de infrastructuur kon worden benut die de ECB en de nationale centrale banken in de loop der tijd hebben opgebouwd (denk hierbij onder meer aan technologie en administratieve capaciteit).

Er is echter ook sprake van risico’s: er bestaan reputatierisico’s als het falen van het toezicht negatieve gevolgen heeft voor de reputatie van de centrale bank en dus voor de geloofwaardigheid van het monetair beleid of als er sprake is van potentiële belangenconflicten tussen besluiten inzake monetair beleid en inzake toezicht.

Op basis van de ervaring die ik heb opgedaan via mijn deelname aan de bijeenkomsten van zowel de Raad van toezicht van het gemeenschappelijk toezichtsmechanisme en de Raad van bestuur van de ECB, denk ik dat de huidige architectuur van het gemeenschappelijk toezichtsmechanisme – met name het “beginsel van scheiding” – zorgt voor een adequaat evenwicht en passende waarborgen biedt om deze risico’s tot een minimum te beperken. Ik verwijs in deze context bijvoorbeeld naar de procedureregels en naar waarborgen als de functionele scheiding van personeel, het “need to know”-kader voor het delen van informatie en de besluitvormingsprocessen die gedifferentieerd zijn, op andere momenten plaatsvinden en rigoureus moeten worden onderbouwd. Het “geen bezwaar”-kader is ook cruciaal.

Het Europees Parlement houdt toezicht op het functioneren van het gemeenschappelijk toezichtsmechanisme en de Commissie beoordeelt elke drie jaar de werking van de verordening inzake het gemeenschappelijk toezichtsmechanisme, waaronder de toepassing van het beginsel van scheiding. Ik zal een open houding aannemen bij de beoordeling van de noodzaak om de huidige regelingen aan te passen. Tot nu toe lijkt het beginsel van scheiding goed te hebben gewerkt, maar naarmate de financiële sector en het Europese project zich ontwikkelen, is een andere opzet mogelijk beter geschikt om de afzonderlijke maar verwante doelen van prijsstabiliteit, financiële stabiliteit en de veilheid en degelijkheid van het bankwezen te verwezenlijken.

 

33. Wat vindt u van de huidige institutionele opzet van het Europees Comité voor systeemrisico’s (ECSR) onder het dak van de ECB aangaande concrete resultaten in macroprudentieel toezicht?

Het ECSR vormde een belangrijk onderdeel van de Europese reactie op de grote financiële crisis. De afgelopen jaren heeft de instelling aangetoond een nuttige rol te spelen in de uitgebreide monitoring van risico’s voor de financiële stabiliteit in de EU. De waarschuwingen en aanbevelingen van het ECSR hebben de ontwikkeling en uitvoering bevorderd van kaders voor macroprudentieel beleid in de EU. De tijdige detectie door het ECSR van opkomende risico’s op de vastgoedmarkt vormde bijvoorbeeld de basis voor gerichte maatregelen door nationale macroprudentiële autoriteiten.

Het succes van het ECSR valt of staat met zijn vermogen om snel zeer granulaire informatie te analyseren over de stand van zaken in de Europese economie en de financiële sector. De ECB levert als ondersteunende instelling een essentiële bijdrage door het ECSR de mogelijkheid te bieden gebruik te maken van haar expertise, technologische en administratieve infrastructuur en hooggekwalificeerde personeel. Aangezien de financiële sector zich snel ontwikkelt van een systeem waar banken centraal staan naar een meer gediversifieerd ecosysteem, zal de sectoroverschrijdende missie van het ECSR nog belangrijker worden. In zo’n wereld bestaat behoefte aan een bredere kennisbasis binnen het Europees systeem voor financieel toezicht.

Vanuit institutioneel perspectief hebben de EU-wetgevers voor een duidelijke governancestructuur gezorgd die het ECSR in staat stelt te profiteren van de ECB-expertise en tegelijkertijd een adequate scheiding en onafhankelijkheid van de besluitvormingsprocedures en -organen van het ECSR garandeert (de president van de ECB zit het algemeen bestuur in het belang van de instelling, de ECB-vertegenwoordiger is de vicepresident).

 

34. Hoe kunnen we het grote volume niet-renderende leningen aanpakken, alsmede de risico’s in verband met de stroom van niet-renderende leningen? Hoe beoordeelt u het probleem van niet-renderende leningen in de balans van kleine en middelgrote kredietinstellingen? Hoe ziet u de rol van de ECB/het gemeenschappelijk toezichtsmechanisme bij de aanpak van deze kwestie?

De ECB heeft het toezicht op het Europese bankwezen op een kritiek moment overgenomen. De staatsschuldencrisis was voorbij maar de effecten bleven, zoals meestal het geval is, vertraagd doorsudderen. Niet-renderende leningen vertegenwoordigden in 2015 voor systeemrelevante instellingen qua bruto boekwaarde bijna 1 biljoen EUR. Sindsdien is dat bedrag zo goed als gehalveerd (560 miljoen EUR). Het brutopercentage niet-renderende leningen daalde in diezelfde periode van 8 % naar minder dan 4 %, onder de door de EBA vastgestelde drempel van 5 %.

De inspanningen van de ECB zijn cruciaal geweest om deze verbetering te realiseren, aangezien zij het probleem van niet-renderende leningen vanaf dag één als prioritair aanmerkte. Er werden duidelijke kwalitatieve en kwantitatieve verwachtingen geformuleerd omtrent de manier waarop banken met niet-renderende leningen moesten omgaan. Daarnaast heeft het Europees Parlement onlangs een verordening goedgekeurd inzake “kalendervoorzieningen” (de zogeheten pijler 1-backstop in de herziene VKV om adequate voorzieningsniveaus te garanderen voor nieuwe niet-renderende leningen) die waarschijnlijk de strengste ter wereld is. Dit beleid is door banken gevolgd: niet-renderende leningen zijn verkocht, er zijn herschikkingseenheden opgericht of deze zijn verbeterd en het inningspercentage is toegenomen. De statistieken die ik eerder aanhaalde, vormen een goede samenvattende indicator van de gemaakte vorderingen.

Het percentage niet-renderende leningen is nog steeds hoger dan voorafgaand aan de crisis en in sommige landen blijft er sprake van aanzienlijke kwetsbaarheden. Het is derhalve belangrijk dat de inspanningen om de hoeveelheid niet-renderende leningen verder terug te dringen, worden voortgezet. Zoals echter eerder aangehaald, ben ik van mening dat het aantal niet-renderende leningen “zo snel mogelijk, maar niet sneller” moet worden teruggedrongen. Als dit te snel gebeurt, lopen banken namelijk het risico dat ze niet-renderende leningen heel snel moeten verkopen op secundaire markten voor dat soort instrumenten, en deze markten zijn in veel landen nog weinig liquide, niet transparant en oligopolistisch.

Het terugdringen van de hoeveelheid niet-renderende leningen moet deel uitmaken van bredere inspanningen van de toezichthoudende autoriteiten om alle bancaire risico’s te verminderen, waaronder degene die verband houden met witwaspraktijken en operationele, markt- en cyberrisico’s. Deze risico’s worden meegenomen in de jaarlijkse risicobeoordeling voor banken die onder toezicht staan van het gemeenschappelijk toezichtsmechanisme (de zogeheten procedure voor toetsing en evaluatie door de toezichthouder).

Maar mijns inziens wordt het grootste probleem van het Europese bankwezen gevormd door de lage winsten. Beleid voor risicovermindering alleen kan daar geen verandering in brengen.

Wat het ontstaan van nieuwe niet-renderende leningen betreft, heeft de ECB onlangs richtlijnen gepubliceerd voor de verstrekking van kredieten, aan de hand waarvan de kwaliteit van nieuwe leningen kan worden verhoogd en het ontstaan van nieuwe niet-renderende leningen in de toekomst derhalve kan worden verminderd. Mijn antwoord op de eerste vraag is dus dat we de problemen met betrekking tot niet-renderende leningen inderdaad grotendeels hebben aangepakt.

Ik ben van mening dat dit ook geldt voor minder systeemrelevante instellingen. Deze banken staan dan niet onder rechtstreeks toezicht van de ECB, maar ze moeten zich wel houden aan de EBA-richtlijnen voor niet-renderende leningen (die zijn opgesteld na de ECB-richtsnoeren inzake niet-renderende leningen voor systeemrelevante instellingen, en grote overeenkomsten vertonen) en het mechanisme van “kalendervoorzieningen”. Zoals ik al aangaf, hebben we inmiddels beleid inzake niet-renderende leningen voor alle banken, waaronder minder systeemrelevante banken. De resultaten van het werk dat is verzet zijn duidelijk zichtbaar en we moeten verder blijven werken op dit terrein totdat het probleem is opgelost.

Ten slotte wil ik er nog graag op wijzen dat het, naar aanleiding van de financiële crisis en de “double-dip”-recessie die de Italiaanse economie troffen, met name in Italië noodzakelijk was het bankwezen te versterken en de hoeveelheid niet-renderende leningen te verminderen. De Bank van Italië heeft binnen het gemeenschappelijk toezichtsmechanisme een cruciale rol gespeeld door banken te dwingen het aantal niet-renderende leningen op een hoog, maar duurzaam tempo te verminderen en hun kapitaalpositie te verbeteren. Italië is het land dat de grootste verbeteringen heeft weten te realiseren in de balansen van zijn banken: ondanks het matige economische herstel in de afgelopen jaren, is het jaarlijkse aantal nieuwe niet-renderende leningen nu lager dan voor de financiële crisis (ongeveer 1 %). De hoeveelheid netto niet-renderende leningen (ofwel niet-renderende leningen na aftrek van voorzieningen) is ook aanzienlijk gedaald; deze bedraagt nu 4,0 % van de leningen, nog niet de helft van de piek die in 2015 werd bereikt.

 

35. Hoe beoordeelt u het grote volume activa van niveau 2 en niveau 3 in veel bankbalansen? Wordt met deze activa naar behoren rekening gehouden in het huidige toezichtkader?

In boekhoudjargon vertegenwoordigen de instrumenten van niveau 3 een categorie van zowel financiële activa als financiële passiva die lastig te waarderen zijn omdat er geen waarneembare informatie beschikbaar is over de parameters die nodig zijn om hun prijs vast te stellen. Voor activa en verplichtingen van niveau 2 kan de prijs relatief gemakkelijker worden vastgesteld, maar ook hier ontbreken genoteerde prijzen.

In het tweede kwartaal van 2019 bedroeg de boekhoudkundige waarde van de activa van niveau 3 van de banken van het gemeenschappelijk toezichtsmechanisme 194 miljard EUR, terwijl de waarde van de activa van niveau 2 op 3 174 miljard EUR lag. Deze waarden vertegenwoordigen respectievelijk 0,86 % en 14,01 % van de totale activa van de banken. Deze waarden zijn vergelijkbaar voor de passiva van niveau 2 en 3 van de banken van het gemeenschappelijk toezichtsmechanisme. Het is belangrijk om dit te benadrukken, omdat de risico’s die zijn gemoeid met deze instrumenten (activa en passiva) elkaar uiteindelijk niet noodzakelijkerwijs (en meestal niet) compenseren.

Door instrumenten in de categorieën van niveau 2 of niveau 3 in te delen, kan een indicatie worden gegeven van de complexiteit, maar het wil niet zeggen dat deze activa en passiva toxisch en niet-renderend zijn. Daarnaast zijn activa en passiva van niveau 2 en niveau 3 nuttige instrumenten voor klanten van banken, die ze gebruiken om risico’s af te dekken die anders een negatieve invloed zouden hebben op hun activiteiten en dus op de reële economie.

Met deze instrumenten zijn echter wel waarderingsrisico’s gemoeid. Dit kan het gevolg zijn van een gebrek aan informatie (boekhoudkundige, prudentiële en marktinformatie); van zwakke punten in de modellen om de prijs van deze instrumenten vast te stellen; van de ruimte die banken krijgen om deze instrumenten te classificeren op grond van de boekhoud- en prudentiële regelgeving (banken zijn uiteraard geneigd deze ruimte in hun voordeel te benutten). Deze factoren maken het in het algemeen moeilijk om de risico’s die zijn gemoeid met deze complexe, op maat gemaakte producten volledig en betrouwbaar te beoordelen. Daarom wordt in het kader van het gemeenschappelijk toezichtsmechanisme nauw toezicht gehouden op de blootstelling aan instrumenten van niveau 2 en niveau 3 en is het toezicht op deze instrumenten binnen het mechanisme aangescherpt. In dit opzicht ben ik ingenomen met het feit dat handelsrisico’s en de waardering van activa in 2020 een prioriteit zullen blijven voor het toezicht dat wordt uitgeoefend via het gemeenschappelijk toezichtsmechanisme, onder meer door middel van op maat gemaakte missies op locatie.

 

36. Wat is uw standpunt over de regulering van schaduwbankentiteiten? Zijn er volgens u lacunes in de regelgeving en het toezicht die op korte termijn door de wetgevers moeten worden aangepakt?

Als bedrijven hun financieringsbronnen diversifiëren, zijn ze minder gevoelig voor schokken uit het bankwezen. Als zodanig kan een hoog percentage financiering via de markt ook gunstig zijn voor de reële economie. Aan de andere kant zijn kmo’s en huishoudens, die een hoog percentage vertegenwoordigen van de kredietnemers, een natuurlijke match voor banken. We moeten er daarom voor zorgen dat zowel banken als niet-banken opereren in een omgeving waarin de financiële stabiliteit en individuele klanten beide naar behoren worden beschermd.

We moeten er ook rekening mee houden dat een groot deel van de beleggingsfondsen in de eurozone in handen is van banken en verzekeringsmaatschappijen. Met toezicht moet worden voorkomen dat de onrust in de sector van de beleggingsfondsen doorwerkt op de moedermaatschappijen. Tegelijkertijd moeten de autoriteiten voor consumentenbescherming en toezicht garanderen dat de moedermaatschappijen zich niet bemoeien met de allocatie van spaargelden door de beleggingsfondsen die zij onder hun gezag hebben.

Het is dus belangrijk om de eventuele risico’s die gepaard gaan met deze verschuiving naar niet-banken op de voet te volgen. Het is met name belangrijk om de niveaus en dynamiek van hefboomwerking en liquiditeit in de niet-bancaire financiële sector zorgvuldig te monitoren en het procyclische karakter en de onderlinge verbondenheid van het financiële stelsel in het algemeen constant te evalueren. Ik ben van mening dat we zorgvuldig moeten bepalen of we voldoende informatie hebben voor niet-banken en of er sprake is van lacunes in het regelgevingskader die de aanpak van risico’s op zowel micro- als macroprudentieel niveau belemmeren. Het is misschien nodig om na te denken over de vraag of er beginselen van goed bestuur moeten worden vastgesteld teneinde te voorkomen dat marktdeelnemers worden geprikkeld om buitensporige risico’s te nemen.

 

37. Wat vindt u van de stappen in de richting van de voltooiing van de bankenunie met een Europees depositogarantiestelsel en een budgettair vangnet, inclusief de noodzakelijke tenuitvoerlegging van de bestaande wetgeving inzake de bankenunie?

Ik denk dat er een Europees depositoverzekeringssysteem (EDIS) nodig is om de andere twee huidige pijlers van de bankenunie aan te vullen en de Europese financiële architectuur te versterken. De discussies over EDIS willen al jarenlang niet vlotten en ik ben erg blij met het momentum dat lijkt te zijn ontstaan voor een concreet stappenplan om een daadwerkelijk Europees depositoverzekeringssysteem op te richten. Een dergelijk stappenplan moet ook een doelstelling voor de lange termijn omvatten om een openbare backstop voor EDIS te ontwikkelen (zoals nu gebeurt voor het gemeenschappelijk afwikkelingsfonds).

Vorderingen op dit terrein moeten hand in hand gaan met de invoering van de maatregelen voor risicovermindering voor oude activa (zoals niet-renderende leningen) die zijn opgenomen in de bankenuniewetgeving en buffers van passiva waarvoor een inbreng van de particuliere sector goed mogelijk is (MREL), hetgeen op een ambitieus maar haalbaar tempo moet worden gerealiseerd. Bij een dergelijke aanpak wordt erkend dat risicovermindering en het delen van risico doelstellingen zijn die elkaar onderling versterken en daarom hand in hand gaan: het verdelen van risico’s vergroot de duurzaamheid voor iedereen. We moeten deze kans ook benutten om naar oplossingen te zoeken voor vraagstukken waaraan tot nu toe onvoldoende aandacht is besteed.

Mijns inziens is een van de grootste prioriteiten een herziening van het kader voor crisisbeheer, zodat banken van alle grootten de markt kunnen verlaten zonder een beroep te doen op het geld van de belastingbetaler, maar ook zonder het financiële stelsel van de lidstaten te destabiliseren. Op basis van het huidige juridisch kader van de EU moet een bank, voordat een crisis kan worden afgehandeld via de afwikkelingsregeling, eerst de “test van publiek belang” van de Gemeenschappelijke Afwikkelingsraad doorstaan. Dit betekent dat afwikkeling in de eurozone slechts een optie is voor minder dan 100 van de in totaal zo’n 3 000 banken. De crises van de andere 2 900 banken moeten worden afgehandeld door middel van nationale insolventieprocedures die vergelijkbaar zijn met die voor niet-financiële ondernemingen. Zoals ik in het verleden al heb aangegeven, ben ik van mening dat het model van de Amerikaanse Federal Deposit Insurance Corporation (FDIC) in dit opzicht voor de EU een waardevolle benchmark is.

We moeten ook nadenken over hoe we de grensoverschrijdende integratie van retailbanking-marktgroepen kunnen bevorderen. Hiervoor moeten de samenwerking en het vertrouwen tussen autoriteiten mogelijk worden verbeterd en obstakels voor grensoverschrijdende fusies worden weggenomen.

 

38. Welke risico’s houden hefboomleningen volgens u in voor de financiële stabiliteit en hoe moeten deze risico’s worden aangepakt?

Met hefboomleningen is veel risico gemoeid omdat ze worden verstrekt aan kredietnemers met een hoge schuldenlast. Het verstrekken van hefboomleningen gebeurt de laatste jaren steeds meer, met name in de VS, wegens de lage rente en omdat beleggers op zoek zijn naar rendement. Voor de 18 meest actieve banken op de markt, die onder toezicht van de ECB staan, waren deze vorderingen eind 2018 goed voor meer dan 300 miljard EUR. Dit is in absolute termen een hoog bedrag, maar komt overeen met een relatief klein deel van hun kredietportefeuille.

Het gemeenschappelijk toezichtsmechanisme heeft al in 2017 richtlijnen gepubliceerd over hefboomleningen om ervoor te zorgen dat banken voldoende aandacht besteden aan en voor afdoende voorzieningen zorgen voor dergelijke risicovolle vorderingen. Het gemeenschappelijk toezichtsmechanisme zal in het kader van zijn prioriteiten voor toezicht in 2020 aandacht besteden aan hefboomfinanciering en hiertoe zullen specifieke inspecties op locatie worden uitgevoerd.

Naast de risico’s op bankniveau kunnen hefboomleningen leiden tot potentiële risico’s voor het systeem, omdat beleggers op deze markt in hoge mate onderling verbonden zijn (bijvoorbeeld als gevolg van indirecte risico’s in verschillende kanalen). Ik sta derhalve volledig achter de lopende initiatieven van de FSB om de risico’s voor de financiële stabiliteit te monitoren die voortvloeien uit de verstrekking van hefboomleningen. Ik ben een voorstander van een internationaal initiatief om dergelijke risico’s te beperken, in het kader waarvan ten minste gemeenschappelijke richtsnoeren zouden moeten worden opgesteld.

 

39. Voor welke uitdagingen ziet de ECB zich volgens u geplaatst, als het Europees stabiliteitsmechanisme (ESM) zou worden omgevormd tot een Europees Monetair Fonds (EMF)? Welke rol ziet u weggelegd voor financiële-marktdiscipline bij de prijsstelling voor overheidsschulden?

Er is een stevig en degelijk begrotingsbeleid nodig om te waarborgen dat nationale overheden beschikken over voldoende begrotingsruimte om te kunnen reageren op een economische recessie. Voor financiële markten is ook een belangrijke rol weggelegd bij het vaststellen van de prijs van risico’s, maar hun signalen kunnen te snel en zwak of te plotseling en ontwrichtend zijn. De stabiliteit van de eurozone vereist derhalve een kader voor begrotingsbeheer dat zo is ontworpen dat het de opbouw van begrotingsonevenwichtigheden voorkomt, evenals een doeltreffend kader voor crisisbeheer.

Het Europees Stabiliteitsmechanisme (ESM) heeft een belangrijke rol gespeeld in de reactie van de eurozone op de staatsschuldencrisis. De instrumenten, procedures en programma’s van het ESM zijn al vergelijkbaar met die van het IMF. Het ESM heeft echter geen “monetaire functie” en de naam “Europees Monetair Fonds moet worden vermeden, aangezien deze misleidend zou zijn en geen goede afspiegeling zou vormen van de rol en werking van het ESM.

Het ESM heeft zijn mandaat weten te vervullen, maar in de hervorming waarover momenteel wordt gedebatteerd worden de rol en het instrumentarium van het mechanisme geëvalueerd, bijvoorbeeld met betrekking tot de mogelijkheid om preventieve kredietlijnen te verstrekken (deze zijn nog niet eerder gebruikt). Bovendien zal door de hervorming van het ESM een backstop worden toegevoegd aan het gemeenschappelijk afwikkelingsfonds, waardoor stappen voorwaarts kunnen worden gemaakt richting de voltooiing van de bankenunie. Een positief besluit in december 2019 over de ESM-hervorming zou dus een welkome stap voorwaarts zijn.

In het nieuwe ESM-verdrag wordt bepaald dat het ESM bij de uitvoering van zijn rol de bevoegdheden moet eerbiedigen die op grond van de EU-wetgeving zijn verleend aan de instellingen en organen van de Unie, waaronder de ECB. In overeenstemming met dit doel zou ik het een redelijke volgende stap vinden om het ESM te integreren in het juridisch kader van de EU en ervoor te zorgen dat het verantwoording moet afleggen aan het Europees Parlement.

 

40. Hoe beoordeelt u de betrokkenheid van de ECB bij financiële steunprogramma’s? Hoe ziet u de mogelijke betrokkenheid van de ECB bij financiële steunprogramma’s en bij het toezicht na afloop van het programma in de toekomst evolueren?

Toen de lidstaten – en vervolgens de wetgevers – de ECB vroegen haar expertise ter beschikking te stellen van de financiële steunprogramma’s, bevond de eurozone zich in een buitengewone situatie, aangezien werd gewerkt aan het opzetten van de instellingen die nodig waren gedurende het proces en er tegelijkertijd een enorme crisis gaande was. In dergelijke kritieke omstandigheden werd besloten om de handen ineen te slaan en de expertise van de Commissie aan te vullen.

In het ESM-verdrag en het pakket met twee verordeningen wordt de ECB opgeroepen als adviseur een bijdrage te leveren aan de taken van de Commissie, in het bijzonder door: i) de duurzaamheid van staatsschulden te beoordelen; ii) memoranda van overeenstemming te onderhandelen; en iii) te monitoren of wordt voldaan aan de voorwaarden die zijn gekoppeld aan het financiële steunpakket.

Tegelijkertijd was de ECB niet formeel betrokken bij de besluitvorming inzake maatregelen en beslissingen in het kader van de programma’s en heeft het geen memoranda van overeenstemming onderschreven.

De ECB heeft na verloop van tijd de focus van haar bijdrage beperkt tot macro-kritieke kwesties en dossiers met betrekking tot de financiële sector. Zo heeft de ECB haar expertise optimaal kunnen toepassen en de aandacht kunnen richten op problemen in de financiële sector in de programmalanden, waardoor de uitvoering van het monetair beleid werd vergemakkelijkt.

Door deel te nemen aan post-programmatoezicht – waarin wordt voorzien in de EU-wetgeving – kan de ECB op adequate wijze de implicaties voor haar taken beoordelen en haar knowhow aanbieden ten gunste van alle betrokkenen.

 

41. Hoe beoordeelt u de tenuitvoerlegging van het afwikkelingsmechanisme voor banken in de EU? Wat is uw standpunt ten aanzien van instellingen die te groot of te verweven zijn om failliet te gaan, spaargelden en coöperatieve banken en de algemene kwestie van de winstgevendheid van de banksector in de EU, en hoe moet de architectuur van die sector zich volgens u in de toekomst ontwikkelen opdat aan de behoeften van de reële economie en van langetermijnfinanciering kan worden voldaan?

Belastingbetalers beschermen tegen de kosten van crises in het bankwezen en tegelijkertijd de financiële stabiliteit waarborgen was een cruciaal doel dat werd nagestreefd met de oprichting van het Europees afwikkelingskader en dit moet nu niet in twijfel worden getrokken.

Het kader werd in 2016 operationeel, maar is nog niet volledig getest. Er is bijvoorbeeld nog geen complexe zaak betreffende bankafwikkeling behandeld en ook hebben we de doeltreffendheid van de MREL-buffer om de stabiliteit van een systeemrelevante bank te waarborgen nog niet kunnen peilen. De toepassing van het gemeenschappelijk afwikkelingsfonds is eveneens nog niet getest.

Op basis van de ervaring die ik eerder heb opgedaan, ben ik van mening dat we zorgvuldig moeten nadenken over de vraag hoe we een systeem kunnen ontwerpen dat banken van alle grootten in staat stelt de markt te verlaten, zelfs in uitdagende omstandigheden (bijv. wanneer er geen koper beschikbaar is voor de bank in afwikkeling/ontbinding), zonder dat gebruik wordt gemaakt van het geld van de belastingbetaler maar ook zonder dat dit een gevaar oplevert voor de financiële stabiliteit. Zoals ik al aangaf in mijn antwoord op vraag 37, zou de Amerikaanse Federal Deposit Insurance Corporation (FDIC) in dit opzicht een waardevol rolmodel zijn.

Wat de notie van “te groot om failliet te gaan” betreft, schaar ik me achter het werk dat de FSB heeft verzet om de waarschijnlijkheid en consequenties van het in gebreken blijven van systeemrelevante financiële instellingen te beperken. Ik ben van mening dat de opbouw van aanvullende kapitaalbuffers en een grotere capaciteit van systeemrelevante banken om verliezen te absorberen nuttige bijdragen zouden vormen aan de aanpak van dit probleem.

Tegelijkertijd denk ik er dat er meer moet worden gedaan om de diversificatie van het bankwezen te waarborgen door, in de mate van het mogelijke, manieren te vinden om het risico te verminderen dat kleine en middelgrote banken verdwijnen. Deze spelen namelijk een belangrijke rol in de eurozone, waar kmo’s goed zijn voor een aanzienlijk deel van de reële economie en werkgelegenheid.

Ik denk dat het grootste probleem voor het Europese bankwezen, vanuit een perspectief van zowel toezicht als financiële stabiliteit, momenteel is dat de banken een lage winstgevendheid hebben. Helaas is hier geen gemakkelijke en snelle oplossing voor. Voor een oplossing zijn aanpassingen op verschillende fronten nodig.

Het capaciteitsoverschot moet worden geabsorbeerd. Activiteiten op het gebied van monitoring en evaluatie zijn hiervoor een belangrijk instrument, maar helaas worden deze belemmerd door diverse factoren, waaronder de onvolledigheid van de bankenunie. Een ambitieuze benadering van de voltooiing van de bankenunie en daadwerkelijke vorderingen met betrekking tot de kapitaalmarktenunie zouden een belangrijk signaal afgeven naar het publiek en de markten dat Europa een veerkrachtiger, meer geïntegreerd en op alle fronten beter kader kan verschaffen voor de financiering van de reële economie.

Banken moeten ook meer investeren in digitalisering om een bredere reeks producten te kunnen aanbieden, duurzame inkomsten te genereren en de verhouding tussen hun kosten en inkomsten op de middellange termijn te beheersen.

De kwaliteit van management en bestuur is ook cruciaal. Uit de werkzaamheden van het gemeenschappelijk toezichtsmechanisme blijkt dat banken die goed worden beheerd en bestuurd gemiddeld winstgevender zijn. Ook blijkt hieruit dat winstgevende banken allerlei bedrijfsmodellen hanteren en in de meeste landen kunnen worden gevonden.

 

42. Hoe kunnen witwaspraktijken, belastingontwijking en terrorismefinanciering in de bankenunie efficiënter worden aangepakt? Hoe moet rekening worden gehouden met de risico’s van witwaspraktijken wanneer de ECB de financiële stabiliteit van banken beoordeelt? Is het noodzakelijk om het antiwitwastoezicht te centraliseren in één agentschap of mechanisme?

Bij recente gebeurtenissen is gebleken dat betrokkenheid bij witwaspraktijken of de financiering van terrorisme aanzienlijke risico’s met zich mee kan brengen voor banken en hun voortbestaan zelfs in gevaar kan brengen. Daarom zijn en worden er op Europees niveau vele initiatieven genomen om een sterker regelgevingskader, een doeltreffender AML-toezicht en betere onderlinge afstemming tussen AML-autoriteiten en prudentiële toezichthouders te waarborgen. De Raad, de Commissie, het Parlement, de EBA en het gemeenschappelijk toezichtsmechanisme zetten zich, net als de nationale overheden, in om deze belangrijke doelen te verwezenlijken.

Als toezichthouder op de banken is het cruciaal dat de ECB haar capaciteit blijft vergroten om de prudentiële implicaties te evalueren die de risico’s met betrekking tot witwassen en financiering van terrorisme hebben voor instellingen. Wangedrag op deze terreinen is door het gemeenschappelijk toezichtsmechanisme zelfs aangemerkt als één van de belangrijkste veroorzakers van risico in de prioriteiten voor 2020 op het gebied van toezicht. Er worden op verschillende terreinen inspanningen verricht om de ECB in staat te stellen dit risico beter te begrijpen en detecteren wanneer zij haar toezichtactiviteiten uitvoert, onder meer wanneer zij instellingen autoriseert of voorgestelde overnames of gekwalificeerde holdings beoordeelt en tijdens haar doorlopende toezichtactiviteiten, zoals de procedure voor toetsing en evaluatie door de toezichthouder. Het is inderdaad zeer belangrijk dat de koppeling tussen het risico met betrekking tot witwaspraktijken en terrorismefinanciering en de governance en interne controles, de bedrijfsmodellen en de winstgevendheid, de liquiditeit en het operationele risico van instellingen wordt bestudeerd.

Een ander belangrijk terrein is het delen van informatie en samenwerking met autoriteiten die witwaspraktijken en de financiering van terrorisme bestrijden. Aangezien AML-toezicht buiten het mandaat van de ECB valt, is het cruciaal dat de ECB (evenals de nationale centrale autoriteiten) alle relevante informatie ontvangt en deelt over risico’s met betrekking tot witwaspraktijken en de financiering van terrorisme en over door nationale overheidsinstanties gedetecteerde niet-naleving van de regels. Om de uitwisseling van informatie te vergemakkelijken en verbeteren, zijn onlangs samenwerkingsovereenkomsten tussen de ECB en de nationale AML-autoriteiten ondertekend. Ik ben zeer verheugd over deze uitkomst.

Met het oog op de toekomst denk ik dat er een meer gecentraliseerde en homogene Europese aanpak van AML nodig is. Ten eerste omdat witwaspraktijken vaak grensoverschrijdend zijn en dus zo sterk zijn als de zwakste schakel. Ten tweede omdat een Europese benadering het proces zou vereenvoudigen en efficiënter zou maken.

Een eerste stap is genomen met het recente ETA-herzieningspakket, waarin de rol van de EBA op het gebied van de bestrijding van witwaspraktijken en terrorismefinanciering is versterkt. Vanaf januari 2020 zal de EBA nieuwe belangrijke taken op zich nemen, zoals: het monitoren van de kwaliteit van het nationale toezicht op AML; de activiteiten op het gebied van toezicht een impuls geven als er aanwijzingen zijn van wezenlijke schendingen van de regels inzake AML; informatie inzamelen en centraal opslaan over wezenlijke zwakke punten die voor AML-doeleinden relevant kunnen zijn voor zowel prudentiële als AML-autoriteiten; de samenwerking met de toezichthoudende autoriteiten van niet-EU-landen op het gebied van grensoverschrijdende zaken van witwaspraktijken/terrorismefinanciering bevorderen.

Voorstellen over de verdere ontwikkeling van het kader voor de bestrijding van witwaspraktijken en terrorismefinanciering in de EU worden momenteel besproken. Ik schaar me volledig achter deze voorstellen. De nodige verbeteringen omvatten onder meer: i) een hogere mate van harmonisering van de AML-regelgeving: de omzetting van delen van de 5e AML-richtlijn in een rechtstreeks toepasbare en uniforme verordening zou een welkome ontwikkeling zijn; ii) de convergentie van praktijken op het gebied van het toezicht op de bestrijding van witwaspraktijken en terrorismefinanciering aan de hand van hoogwaardige normen; en iii) de oprichting van een nieuwe Europese autoriteit voor AML-toezicht op EU-niveau.

Al met al is een intensivering van de bestrijding van witwaspraktijken en terrorismefinanciering cruciaal om de integriteit van de Europese bancaire en financiële markt te waarborgen. Witwasserij en terrorismefinanciering kunnen een aanzienlijke negatieve impact hebben op de veiligheid en soliditeit van een instelling, zoals ook is gebleken uit recente zaken. Er moeten op dit terrein zo snel mogelijk vorderingen worden gemaakt.

 

43. Bent u van mening dat de lidstaten die niet tot de eurozone behoren, aan aanvullende voorwaarden moeten voldoen voordat zij lid worden van de eurozone en dus van de bankenunie, zoals het doeltreffend beheersen van witwasrisico's, het aantonen van relatief stabiele vastgoedmarkten en het doeltreffend controleren van corruptie?

De vorderingen die elk land buiten de eurozone maakt ten opzichte van de parameters en de duurzaamheid van deze convergentie worden regelmatig door de ECB en de Commissie geëvalueerd in een specifiek convergentieverslag. In het kader van de convergentie uit hoofde van het Verdrag van Maastricht, maken witwaspraktijken en corruptie en de ontwikkeling van de huizenprijzen al deel uit van de aanvullende vereisten van marktintegratie. De logica hierachter is dat criminele activiteiten, zoals witwaspraktijken en corruptie, het gelijke speelveld kunnen ondermijnen en derhalve de potentiële groei kunnen remmen, terwijl zeepbellen op de huizenmarkt kunnen leiden tot macro-economische onevenwichtigheden en de financiële stabiliteit kunnen bedreigen.

In november 2014 werd het gemeenschappelijk toezichtsmechanisme verantwoordelijk voor het toezicht op het bankwezen in de eurozone. Als een land de euro invoert, moet het nu derhalve ook deelnemen aan het gemeenschappelijk toezichtsmechanisme. Dit is geen gemakkelijke taak en als gevolg hiervan worden de lidstaten die de euro spoedig zullen invoeren ook partij bij de bankenunie door middel van een zogeheten nauwe samenwerking tussen de ECB en de nationale bevoegde autoriteit. Hiervoor moeten mogelijk bepaalde hervormingen worden toegezegd.

Het lidmaatschap van de bankenunie vereist een beoordeling van de compatibiliteit van het nationale juridische kader om te garanderen dat de ECB haar toezichtstaken kan uitvoeren, evenals een uitgebreide beoordeling van de banken waarop de ECB toezicht moet gaan houden.

Daarnaast zou een open dialoog tussen alle belanghebbenden bijvoorbeeld kunnen bijdragen aan het wegnemen van andere potentiële obstakels die doeltreffend toezicht in de weg staan en de aanpak van andere potentiële zwakheden van het nationale kader die verband kunnen houden met prudentieel toezicht, bijvoorbeeld potentiële zwakheden met betrekking tot witwaspraktijken.

 

44. Is meer financiële integratie altijd in overeenstemming met de doelstelling van financiële stabiliteit? Denkt u dat potentiële grensoverschrijdende fusies tussen banken het probleem van banken die te groot zijn om failliet te gaan, zouden kunnen versterken? Wat moeten de doelstellingen van de kapitaalmarktenunie (KMU) zijn?

Het is buitengewoon relevant voor de taken van de ECB dat een hoger niveau van financiële integratie wordt bewerkstelligd, evenals een efficiëntere werking van het Europese financiële stelsel. In de eerste plaats is financiële integratie een voorwaarde voor een soepele transmissie van het monetair beleid van de ECB in de eurozone. Ook zijn de risico’s die zijn gemoeid met de link tussen banken en staten in een meer geïntegreerd bankwezen met een grotere aanwezigheid van niet-nationale instellingen lager. Ten tweede draagt het bij aan de doelstelling van het Eurosysteem van een ordelijk betaalsysteem in de eurozone. Ten derde wordt de toewijzing van middelen efficiënter door financiële integratie, waardoor het groeipotentieel van de economie van de eurozone groter wordt. Ten slotte worden met de diversificatie van risico de veerkracht en stabiliteit van het financiële systeem vergroot.

Tijdens de crisis zagen we echter ook dat risico’s zich in een markt die financieel sterk geïntegreerd is snel verspreiden en dat financiële kwetsbaarheden ook doorwerken. Hierdoor neemt de kans op een systeemcrisis toe.

Wat we hebben geleerd van de crisis is dat het noodzakelijk is deze wisselwerking te beheersen door een gepast kader te ontwerpen voor financiële regelgeving en doeltreffend toezicht.

In dit opzicht is de kapitaalmarktenunie (KMU) een essentieel initiatief om de financiële integratie en de ontwikkeling in Europa een impuls te geven. Wanneer de KMU volledig is ingevoerd, zal dit de financiële integratie aanzienlijk verdiepen en de economische en monetaire unie sterker maken. Dit zal positief bijdragen aan de taken van de ECB door een soepelere en meer homogene transmissie van monetair beleid mogelijk te maken. Een KMU zou ook de veerkracht van het financiële stelsel vergroten door middel van diversificatie, namelijk door de rol van banken terug te dringen en de opkomst van alternatieve vormen van financiering aan te moedigen. Ten slotte is de voltooiing van de KMU een noodzakelijke voorwaarde om particuliere risicodeling te stimuleren en de veerkracht van de economie van de eurozone te vergroten zodat reële en financiële schokken beter kunnen worden opgevangen.

Om deze doelstellingen te verwezenlijken, is het belangrijk om een ambitieuze agenda voor de KMU te formuleren. We hebben al bepaalde vorderingen gemaakt, maar er is meer nodig. Zo moet het uniforme rulebook voor de EU-kapitaalmarkten worden aangevuld met een sterkere convergentie van het toezicht en moet de belasting- en faillissementswetgeving worden verbeterd door lacunes aan te pakken en de heterogeniteit tussen landen te verminderen.

De bankenunie is een andere manier om op Europees niveau meer integratie en financiële stabiliteit te verwezenlijken. Door de verantwoordelijkheid voor het toezicht op en de afwikkeling van banken op het Europese niveau te leggen, wordt echte integratie van het Europees bankwezen mogelijk en kan een eventuele grensoverschrijdende bankencrisis bovendien beter worden beheerst. Bovendien zullen banken die te groot zijn om failliet te gaan en het relatieve gewicht van “nationale kampioenen” binnen de bankenunie een minder grote bron van zorgen zijn. De uitdaging voor de toekomst is om de efficiëntie te vergroten door grensoverschrijdende fusies te bevorderen.

 

45. Een aantal belangrijke obligaties uit de particuliere en publieke sector in Europa worden gekenmerkt door negatieve rendementen. Heeft dit gevolgen voor de financiële stabiliteit en, zo ja, hoe moeten deze gevolgen worden aangepakt?

Uit de beschikbare informatie blijkt dat de lage rentes tot nu toe aanzienlijke expansieve effecten hebben gehad en dat de impact op de gemiddelde winsten van banken in de eurozone, als daarvan al sprake was, licht positief is geweest. De vermindering van de nettorentemarge heeft zonder meer geleid tot een zekere daling in de inkomsten, maar de verbeteringen in de economische activiteit hebben geleid tot een stijging in de kredietverlening, een hogere waardering van activa en lagere voorzieningen voor verliezen op leningen.

De gevolgen voor verzekeringsmaatschappijen en pensioenfondsen waren mogelijk wat ongunstiger, aangezien deze entiteiten in sommige landen in het verleden vaak levensverzekeringsproducten en pensioenregelingen op basis van vaste toezeggingen verkochten met genereuze garanties. Als de rente laag of negatief is, kan het voor hen moeilijk zijn voldoende rendement te behalen om aan hun verplichtingen te voldoen. Verder neemt de netto contante waarde van zowel activa als passiva toe wanneer de rente afneemt. Maar in de meeste gevallen is het netto-effect (de daling in activa min de daling in passiva) negatief, omdat passiva meestal een langere looptijd hebben dan activa (dit wordt ook wel het “negatieve looptijdverschil” genoemd).

Intermediairs en beleggers kunnen als strategie in reactie op de lage renten zoeken naar rendement door in niet-liquide activa met een hoger risico te beleggen. In zekere mate is dit een welkom en beoogd resultaat van een accommoderend monetair beleid en het maakt de toegang tot financiering gemakkelijker, met name voor niet-financiële ondernemingen. Maar deze trend draagt ook bij aan het ontstaan van risico’s voor de financiële stabiliteit en van kwetsbaarheden, die in voorkomend geval het best kunnen worden bestreden met behulp van macroprudentiële instrumenten, met name wanneer de onevenwichtigheden zich op nationaal of sectoraal niveau voordoen. In de toekomst moet de ECB de impact van deze ontwikkelingen blijven monitoren, aangezien de effecten van een verlaging van de officiële rentes naar negatieve waarden – het werkelijk “onconventionele” instrument onder de maatregelen die de Raad van bestuur tot nu toe heeft getroffen – nog verre van zeker zijn.

 

46. Wat is uw standpunt ten aanzien van het recente ECB-beleid ter voorkoming van belangenconflicten binnen de ECB? Acht u wijzigingen noodzakelijk?

In de loop der jaren heeft de ECB haar ethische normen en regels, bijvoorbeeld de normen en regels met betrekking tot haar besluitvormingsorganen (Raad van bestuur en directie) en het ECB-personeel, op alle niveaus regelmatig geëvalueerd en aangescherpt. De Raad van bestuur heeft ook gemeenschappelijke regels voor het Eurosysteem en een ethisch kader voor het gemeenschappelijk toezichtsmechanisme vastgesteld. In dit verband heeft de ECB onlangs een uniforme gedragscode vastgesteld waarin vergelijkbare ethische normen worden opgelegd aan de leden van de Raad van bestuur, de directie en de raad van toezicht.

Toen ik lid was van de raad van toezicht van de ECB en plaatsvervangend lid was van de Raad van bestuur, heb ik deze gedragscode ondertekend. Op grond hiervan werd mijn maandkalender, waarop de bijeenkomsten zichtbaar waren die specifiek verband hielden met mijn rol in ECB-organen van hoog niveau, gepubliceerd op de website van de Bank van Italië. De kalenders bevatten informatie over de datum, het onderwerp en de locatie van de vergadering/het evenement, en over de namen van de deelnemers/organisatoren. Bovendien ben ik, zoals ik al aangaf in mijn antwoord op vraag 2, gebonden aan de gedragscode van de Bank van Italië (evenals de gedragscode van de Ivass, de Italiaanse toezichthoudende autoriteit voor verzekeringen) met betrekking tot zaken als belangenconflicten, vertrouwelijkheid, externe mandaten, beleid inzake het aanvaarden van giften en andere baten en financiële investeringen, in overeenstemming met de kernwaarden van de bank: onafhankelijkheid, onpartijdigheid, eerlijkheid en discretie. Ik heb deze gedragscodes altijd buitengewoon belangrijk gevonden; ze vormden een duidelijk en zichtbaar signaal van de integriteit en onpartijdigheid die mijn activiteiten kenmerkten en van de manier waarop wordt gewerkt in de instelling waar ik werkzaam was.

Met het door de ECB opgezette kader wordt beoogd te waarborgen dat de ECB, het Eurosysteem en het gemeenschappelijk toezichtsmechanisme de hoogste normen van integriteit eerbiedigen. Hiertoe zijn de aanbevelingen die zijn ontvangen van het Europees Parlement, de Europese Ombudsman en andere relevante belanghebbenden als Transparency International, altijd naar behoren geëvalueerd en in acht genomen.

Het ethische kader van de ECB wordt constant geëvalueerd zodat het een afspiegeling vormt van de laatste ontwikkelingen en beste werkwijzen. Specifiek wat het voorkomen van belangenconflicten betreft, ben ik van mening dat de huidige regels toereikend zijn.

 

D. Functioneren van de ECB en democratische verantwoording en transparantie

 

47. Waaruit zal bij de ECB uw persoonlijke aanpak van de sociale dialoog bestaan?

Mijn ervaring is dat een open en constructieve dialoog tussen het personeel en de Raad cruciaal is voor de efficiënte werking van elke instelling. Als het personeel tevreden is, wordt er productief gewerkt en worden er kwalitatief hoogwaardige besluiten genomen en uitgevoerd. Bij de Bank van Italië wordt een constante dialoog gevoerd met vakbonden over alle kwesties die verband houden met het welzijn van het personeel.

Bij het inroosteren van de werktijden wordt bij de Bank van Italië bijvoorbeeld gestreefd naar een passend evenwicht tussen het vergroten van de tevredenheid van het personeel en van de efficiëntie van de organisatie. Medewerkers kunnen hun uren op verschillende manieren flexibel over de week verdelen (de begintijd en het lunchuur zijn flexibel), zolang dat compatibel is met hun werkverantwoordelijkheden.

Ik begrijp dat de ECB de afgelopen jaren belangrijke maatregelen heeft getroffen om het evenwicht tussen werk en privé voor haar personeel te verbeteren. Ik zou bij de ECB graag een meer op doelstellingen gebaseerde manier van werken willen introduceren, waarbij het personeel de nodige flexibiliteit krijgt om deze te verwezenlijken.

Op basis van mijn eerdere ervaring zou ik ook graag willen bijdragen aan een sterkere cultuur van empowerment en gelijke kansen ongeacht gender, nationaliteit of andere kenmerken. Het is belangrijk dat we actie ondernemen naar aanleiding van regelmatige enquêtes onder het personeel, waarin we het personeel vragen hoe we de werkomgeving aantrekkelijker kunnen maken.

 

48. Het Europees Parlement speelt een belangrijke rol in de verantwoordingsplicht van de ECB. Welke conclusies trekt u uit de vergelijking met andere rechtsgebieden? (bijv. Amerikaans Congres/Fed versus Europees Parlement/ECB versus Brits parlement/Bank of England)? Welke maatregelen en toekomstige hervormingen kunnen volgens u de democratische verantwoording van de ECB tegenover het Europees Parlement versterken?

Controleerbaarheid is de hoeksteen van het moderne centrale bankwezen. Een centrale bank moet onafhankelijk zijn om haar mandaat van prijsstabiliteit doeltreffend uit te kunnen voeren. Deze onafhankelijkheid gaat echter gepaard met de verplichting om haar beleidsbeslissingen toe te lichten en te rechtvaardigen naar burgers en hun gekozen vertegenwoordigers toe. Als zodanig vormt verantwoording een essentieel fundament van de legitimiteit en doeltreffendheid van onafhankelijke centrale banken bij de uitvoering van hun mandaat.

Het is lastig om de verantwoording van centrale banken in verschillende rechtsgebieden te vergelijken, omdat er sprake is van verschillen in institutionele kaders, mandaten van de centrale banken, governance-kenmerken en rechtsgrondslagen. Uit de analyse van de de jure-verantwoording van centrale banken komen geen grote verschillen tussen de ECB, de Bank of England (BoE) en de Fed naar boven in de mate van verantwoording wat parlementaire uitwisselingen betreft. Als we het echter hebben over de facto-verantwoordingspraktijken en hoe deze zich in de loop der tijd hebben ontwikkeld, is dat een heel ander verhaal.

Net als de Fed en de BoE brengt de ECB verslag uit aan het Europees Parlement door middel van regelmatige, driemaandelijkse hoorzittingen in de bevoegde commissie. Daarnaast verschijnt de ECB-president voor de voltallige vergadering voor een debat over het jaarverslag van de ECB. Dit doen de Fed en BoE niet. De ECON-commissie heeft de directie meerdere malen uitgenodigd om een verklaring af te leggen over specifieke onderwerpen. De vicepresident presenteert de jaarverslagen van de ECB aan ECON.

De contacten tussen het Europees Parlement en de leiding van de ECB zullen in de loop der tijd waarschijnlijk intensiever worden, gezien de complexiteit van het Europese en wereldwijde financiële stelsel en de uitdagingen die zich voordoen met betrekking tot de monetaire en financiële stabiliteit. Als ik word benoemd als lid van de directie van de ECB, zal het voor mij een groot genoegen zijn een open en constructieve dialoog te houden met het Europees Parlement.

Om tegemoet te komen aan de behoefte aan nauwer toezicht hebben de ECB en het Europees Parlement nieuwe verantwoordingskanalen ontwikkeld. De ECB publiceert haar antwoorden op schriftelijke vragen van de leden van het Europees Parlement en haar reactie op de resolutie van het Europees Parlement inzake het jaarverslag van de ECB.

De ECB heeft ook regelingen inzake verantwoording in haar rol als toezichthouder op het bankwezen. Zo verschijnt de voorzitter van de raad van toezicht regelmatig voor het Europees Parlement en worden de notulen van de bijeenkomsten van de raad van toezicht regelmatig gedeeld met de ECON-commissie.

In Italië is de afgelopen jaren een vergelijkbare trend zichtbaar. Sinds het begin van de crisis heeft de Bank van Italië haar interactie met en verantwoording jegens het Parlement versterkt; tussen 2014 en medio 2019 zijn de leden van de Raad van bestuur aanwezig geweest bij 38 hoorzittingen. Op technisch niveau vonden aanvullende uitwisselingen plaats tussen het respectieve personeel, bijvoorbeeld teneinde te garanderen dat de relevante gegevens en analyses voorhanden waren.

Om onze communicatie met het publiek te verbeteren, zijn we ook een uitgebreid programma gestart om alle segmenten van de maatschappij te bereiken. Ik heb persoonlijk deelgenomen aan bijeenkomsten met mensen in verschillende Italiaanse steden om ons beleid en dat van het Eurosysteem toe te lichten. Dit heeft ertoe geleid dat mensen dit soort beleid beter begrijpen en er meer vertrouwen in hebben.

 

49. Welke concrete stappen zal de ECB nemen om in de toekomst voor genderevenwichtige kandidatenlijsten voor topfuncties bij de ECB en meer algemeen voor meer genderdiversiteit bij de ECB te zorgen, gelet op het feit dat thans slechts twee van de 25 leden van de Raad van bestuur van de ECB vrouwen zijn? Hoe wilt u persoonlijk de genderbalans binnen de ECB verbeteren? Wanneer verwacht u in dit verband de eerste resultaten van uw acties?

De hele gemeenschap van centrale banken en de hele beroepsgroep van economen moeten naar genderevenwicht streven. In de afgelopen maanden zijn twee vrouwen voorgesteld als voorzitter en lid van de directie van de ECB. Hopelijk zal dit nationale centrale banken aanmoedigen moediger te zijn bij de benoeming van topambtenaren.

Gezien de uitgangspositie, vereist een evenwichtige samenstelling van de ECB-leiding vanuit genderperspectief concrete, toekomstgerichte initiatieven. In dit opzicht ben ik ingenomen met het recente initiatief van de ECB om een “Women in Economics”-beurs op te zetten, omdat dit bijdraagt aan de ontwikkeling van een pijplijn, een noodzakelijke voorwaarde voor een beter genderevenwicht.

We moeten ons ervan bewust zijn dat het aanpakken van de genderkloof een project op de middellange termijn is en dat er geen pad is naar snelle resultaten. Om het genderevenwicht te verbeteren moeten we de loopbaanontwikkeling van vrouwen bij centrale banken, en meer in het algemeen in de economie, vanaf een vroeg stadium ondersteunen. Hiervoor moet een breed scala aan instrumenten worden ingezet, zoals: streefcijfers formuleren; maatregelen nemen om centrale banken vrouwvriendelijker te maken; een beter evenwicht realiseren tussen werk en privé; positieve rolmodellen voorstellen.

De Bank van Italië is jaren geleden reeds begonnen met het aanpakken van gendervraagstukken. De huidige raad heeft dit proces een impuls gegeven door een meerjarig strategisch plan goed te keuren waarin streefwaarden zijn opgenomen en de functie van diversiteitsmanager wordt gecreëerd, die verantwoordelijk is voor de bevordering van beleid inzake inclusie en de ondersteuning van de professionele groei van vrouwen. Met ons interne beleid wordt steeds meer gestreefd nar het waarborgen van gendergelijkheid op alle niveaus. De invoering van een brede reeks mogelijkheden voor slim werken en de beschikbaarheid van structuren voor kinderopvang zijn factoren die hebben gezorgd voor een betere balans tussen werk en privé, in het bijzonder, maar niet alleen, voor vrouwen. De invoering van mentorprogramma’s, een vanuit genderperspectief evenwichtige samenstelling van promotiecomités en de invoering van streefwaarden voor managementfuncties hebben bijgedragen aan een vermindering van impliciete discriminatie.

De resultaten van dit beleid zijn meetbaar: 30 % van de managers is nu vrouw, het dubbele van een paar jaar geleden. We lopen voor op onze streefwaarde om in 2022 de 35 % te bereiken en zullen daarna naar verbetering blijven streven (bij de Italiaanse toezichthoudende instantie, waarvan ik de voorzitter ben, bekleden vrouwen 50 % van de managementfuncties).

We hebben grondig onderzoek gedaan naar gendervraagstukken. In 2012 hebben we een breed onderzoeksproject uitgevoerd en vervolgens gepubliceerd. Hierin hebben we de genderkloof in de Italiaanse economie gemeten; de baten van diversiteit geanalyseerd zowel op microniveau (bijv. voor de governance van bedrijven en sommige aspecten van de resultaten van banken) als op macroniveau (bijv. de impact op het bbp van een hogere participatie van vrouwen op de arbeidsmarkt); de obstakels voor gendergelijkheid in de Italiaanse economie vastgesteld (bijv. kwesties m.b.t. de balans tussen werk en privé, impliciete discriminatie, culturele factoren). Het onderzoek heeft een aanzienlijke bijdrage geleverd aan het debat over beleidsreacties in Italië.

Ik begrijp dat de ECB in de afgelopen jaren aan gendervraagstukken heeft gewerkt en ik zou verdere ontwikkelingen, variërend van het verbeteren van de interne en externe pijplijn tot het bieden van meer kansen aan vrouwen binnen de delicate en zeer complexe taken die een centrale bank uitvoert, volledig ondersteunen. De ECB moet het als een strategische prioriteit beschouwen om vrouwelijk talent aan te trekken op alle niveaus.

Ten slotte moet de ECB ook meer in het algemeen diverse denkbeelden aanmoedigen. In een wereld die divers en in hoge mate onderling verbonden is, stellen diverse teams en inclusieve gedragingen organisaties volgens onderzoeken in staat betere resultaten te behalen. Diverse teams zijn beter in het voorkomen van groepsdenken en ook aantoonbaar beter in robuuste besluitvormingsprocessen.

 

50. Hoe ziet u mogelijke verbeteringen van de verantwoordingsplicht van de ECB ten aanzien van de Europese Rekenkamer (ERK) voor wat betreft de operationele efficiëntie ervan? Waar ligt volgens u de grens voor het mandaat van de ERK?

De Europese Rekenkamer (ERK) voert een voor de ECB zeer belangrijke rol uit, zoals voorzien in de EU-Verdragen en in het bijzonder in artikel 27.2 van de statuten van het ESCB en van de ECB. De onafhankelijke beoordeling van de operationele efficiëntie van het management van de ECB draagt sterk bij aan de uitvoering van het ECB-mandaat. Daarom moet de ECB het werk van de ERK blijven ondersteunen, in het bijzonder door volledige toegang te verschaffen tot alle documenten die zij nodig heeft om haar taken uit te voeren.

Tegelijkertijd moet de ERK zich bewust zijn van de grenzen van haar rol en het mandaat van de ECB eerbiedigen wanneer deze onafhankelijke besluiten neemt met betrekking tot haar eigen taken.

 

51. Vindt u dat de ECB de normen van de nieuwe richtlijn inzake de bescherming van personen die inbreuken op het Unierecht melden, intern moet toepassen? Wanneer verwacht u dat de ECB specifieke procedures gaat invoeren voor de bescherming van klokkenluiders?

Solide regelingen voor klokkenluiders, bijv. passende meldingskanalen en beschermingsmechanismen, helpen om de integriteit van en het vertrouwen in een instelling te bevorderen. Daarom moet de ECB als openbare instantie groot belang hechten aan de toereikendheid van de regelingen op dit terrein. Daarnaast zijn regelingen voor klokkenluiders vitaal voor zowel risicobeheersing als de werkcultuur. Middels haar richtsnoeren voor het ethisch kader heeft de ECB ook de nationale centrale banken van het Eurosysteem en de nationale centrale autoriteiten van het gemeenschappelijk toezichtsmechanisme verzocht regels en procedures vast te stellen inzake klokkenluiders in overeenstemming met de toepasselijke wet- en regelgeving.

Bij de Bank van Italië hebben we een webpagina opgezet waar medewerkers en adviseurs van intermediairs die onder toezicht van de Bank van Italië staan en andere personen aan de hand van een paar eenvoudige regels melding kunnen doen van schendingen van de regelgeving of wangedrag van het management. De Bank van Italië garandeert de vertrouwelijkheid van de persoonsgegevens van de klokkenluiders, onder meer teneinde hen te beschermen tegen eventuele vergeldingsacties. Een vergelijkbare procedure, waarvoor een ander kanaal wordt gebruikt, stelt medewerkers en adviseurs van de Bank van Italië in staat onregelmatigheden en wangedrag van hun collega’s of managers te melden.

De nieuwe richtlijn klokkenluiders vormt, naast de beste werkwijzen, het beleid en de processen van andere instellingen, een benchmark aan de hand waarvan de ECB haar kader voor klokkenluiders kan verbeteren. Dit is een prioriteit van de directie van de ECB waar ik volledig achter sta.

 

52. Hoe kijkt u aan tegen het feit dat de Raad in het verleden één keer geen rekening heeft gehouden met het advies van het Europees Parlement betreffende de benoeming van een lid van de directie van de ECB? Stel dat het Europees Parlement tegen uw benoeming tot president van de ECB stemt, zou u die benoeming dan toch aanvaarden?

Het toezicht door het Europees Parlement vormt de basis voor verantwoording, en verantwoording is – net als onafhankelijkheid – essentieel voor de doeltreffendheid en legitimiteit van de ECB. Daarom zie ik uit naar de samenwerking die ik zal hebben met de leden van het Europees Parlement in de commissie ECON. Ik hecht grote waarde aan de mening van het Europees Parlement als onderdeel van de benoemingsprocedure en hoop dat dit de basis zal leggen voor een open, op vertrouwen gebaseerde relatie voor de komende jaren.

Het is echter niet aan mij om de respectieve rollen en bevoegdheden van de Raad en het Parlement in de EU-wetgeving met betrekking tot het kader voor benoemingen te bespreken. Ik heb er alle vertrouwen in dat de twee instellingen een akkoord kunnen bereiken over de beste manier voorwaarts, in het belang van de Europese Unie.

 

53. Bent u van mening dat het passend zou zijn voor uzelf of voor andere hooggeplaatste personeelsleden van de ECB om deel uit te maken van de 'Groep van Dertig' (bestaande uit leiders van centrale banken en uit de financiële sector) of van andere vergelijkbare groeperingen of verenigingen?

Zoals ik al aangaf in mijn antwoord op vraag 46, moeten alle leden van de directie en personeelsleden zich houden aan de strikte normen die de ECB heeft vastgesteld met betrekking tot ethiek en governance. Tegelijkertijd is het belangrijk dat ze regelmatige en open contacten hebben met een brede groep belanghebbenden uit zowel de publieke als de particuliere sector. Dit stelt ze in staat relevante informatie te verwerven over belangrijke economische en financiële ontwikkelingen.

Ik beschik persoonlijk niet over informatie over de Groep van Dertig. Volgens de website van de groep zijn er hooggeplaatste centrale bankiers en zeer gerespecteerde academici lid van en is er momenteel niemand van de ECB lid. In dit parlement is deze kwestie in het verleden ter sprake gebracht. Ik zal in de toekomst moeten kijken wat uw standpunt is met betrekking tot deze belangrijke governance-kwestie.

De uniforme gedragscode die in 2019 door de ECB werd goedgekeurd, bevat nieuwe specifieke regels over betrekkingen met belangengroepen teneinde potentiële belangenconflicten en misverstanden te voorkomen. Leden van de directie moeten zich, in het bijzonder in hun contacten met belangengroepen, bewust zijn van hun onafhankelijkheid en beroepsmatige geheimhoudingsverplichtingen. Bovendien wordt in de kernbeginselen voor externe communicatie die door de ECB zijn opgesteld voorzien in specifieke regels over contacten met vertegenwoordigers van de particuliere sector, de academische wereld, belangengroepen, verenigingen en het maatschappelijk middenveld.

Ik denk dat dit kader goed werkt voor de ECB en een goed evenwicht biedt tussen de waarden en plichten van de instelling en de noodzaak om contacten te onderhouden met tegenpartijen uit de particuliere sector. Ik zie uw input graag tegemoet als u denkt dat dit evenwicht moet worden aangepast.

 

54. De ECB heeft in het verleden initiatieven ontplooid die niet binnen de kern van haar mandaat vallen, zoals AnaCredit en het Europees schuldverdelingsinitiatief (European Distribution of Debt Initiative – EDDI). Hoe ziet u de rol van de ECB in dergelijke initiatieven en waar ligt volgens u de grens met betrekking tot de prerogatieven van de wetgever?

In het Verdrag en de statuten van het ESCB wordt een duidelijk mandaat met betrekking tot de infrastructuren van de financiële markt verleend aan de ECB en het Eurosysteem. Bovendien is het zonder meer in het belang van de ECB om over alle noodzakelijke gegevens te beschikken om haar taken te ondersteunen en derhalve zo goed mogelijk uit te voeren, zoals ook duidelijk wordt vermeld in het Verdrag. In dit opzicht wordt in artikel 5 van de statuten van het ESCB en de ECB van de ECB geëist dat zij – in samenwerking met de nationale centrale banken – alle statistische informatie verzamelt die noodzakelijk is om deze taken naar behoren uit te voeren. Zowel het wettelijke mandaat van de ECB als de specifieke eisen die zijn neergelegd in de statuten bieden de ECB dus de mogelijkheid om op specifieke terreinen, zoals kredietstatistieken en betaalsystemen, initiatieven op het gebied van regelgeving te nemen.

Om hun taken te kunnen uitvoeren moeten de centrale banken van het Eurosysteem toegang hebben tot kwalitatief hoogwaardige gegevens over de economie en financiële markten van de eurozone. Geaggregeerde gegevens geven echter niet altijd een nauwkeurige beschrijving van de onderliggende ontwikkelingen, aangezien afwijkende maar potentieel informatieve landenspecifieke, sectorale en/of bedrijfsspecifieke trends mogelijk niet zichtbaar zijn in de gemiddelde waarden. Daarom kan het totaalplaatje soms misleidend zijn en verkeerde input leveren voor het besluitvormingsproces. Dit is pijnlijk duidelijk geworden sinds de uitbraak van de wereldwijde crisis, die aantoonde dat inachtneming van granulariteit bij economische en monetaire analyses van het Eurosysteem extreem nuttig kan zijn voor doeleinden van monetaire beleidsvorming en toezicht.

Het AnaCredit-initiatief heeft betrekking op de verwerking van zeer granulaire gegevens over kredieten die inzicht bieden in de complexiteit en onderlinge verbondenheid van de economieën en financiële markten van de eurozone en derhalve in de toekomst zouden kunnen bijdragen aan beter geïnformeerde en doeltreffende besluiten over beleid.

Bij deze statistische initiatieven moet volledig rekening worden gehouden met de EU-wetgeving en de lasten voor de spelers die de informatie moeten verschaffen. Wat het eerste aspect betreft, is er nauwe en constante samenwerking tussen de ECB en Eurostat vereist. Deze samenwerking heeft tot nu toe een efficiënte taakverdeling tussen de twee instellingen opgeleverd, waardoor inefficiënte overlappingen en het ontbreken van gegevens konden worden voorkomen. Wat het tweede aspect betreft, denk ik dat de ECB verder moet gaan met de nuttige openbare raadplegingen over haar regelgeving inzake Europese statistieken, aangezien deze burgers, marktdeelnemers en andere belanghebbenden de mogelijkheid bieden hun mening te laten horen.

Ten slotte hebben de ECB en het Eurosysteem, zoals ik al aangaf in eerdere antwoorden, een duidelijk mandaat in het Verdrag met betrekking tot betaalsystemen. Dit biedt ruimte om regelgevingsinitiatieven op het gebied van betaalsystemen uit te voeren en als katalysator voor verandering te fungeren. Eén doelstelling is om meer geharmoniseerde normen, regels en processen te ontwikkelen. Met dit doel voor ogen analyseert de ECB – in het kader van het Europees schuldverdelingsinitiatief (EDDI) – de mogelijkheid om een geharmoniseerde emissie en distributie van euroschuldinstrumenten in de EU te ondersteunen. Op 22 mei 2019 heeft de ECB een marktraadpleging gehouden waarbij zij intermediairs en andere belanghebbenden uitnodigde feedback te geven op het project, met name op de rol die het Eurosysteem erin zou kunnen spelen. Bij het vaststellen van de follow-up-acties is het inderdaad belangrijk dat de ECB – in overeenstemming met haar mandaat – terdege rekening houdt met de feedback uit deze marktraadpleging om te beoordelen of – en in welke mate – met het project tegemoet wordt gekomen aan de belangen van de particuliere sector.

 

 


PROCEDURE VAN DE BEVOEGDE COMMISSIE

Titel

Benoeming van een lid van de directie van de Europese Centrale Bank

Document- en procedurenummers

12451/2019 – C9-0149/2019 – 2019/0817(NLE)

Datum raadpleging / verzoek om goedkeuring

17.10.2019

 

 

 

Bevoegde commissie

 Datum bekendmaking

ECON

24.10.2019

 

 

 

Rapporteurs

 Datum benoeming

Irene Tinagli

16.10.2019

 

 

 

Behandeling in de commissie

3.12.2019

 

 

 

Datum goedkeuring

3.12.2019

 

 

 

Uitslag eindstemming

+:

–:

0:

51

5

1

Bij de eindstemming aanwezige leden

Gunnar Beck, Marek Belka, Stefan Berger, Gilles Boyer, Cristian-Silviu Buşoi, Derk Jan Eppink, Engin Eroglu, Markus Ferber, Jonás Fernández, Raffaele Fitto, Frances Fitzgerald, Luis Garicano, Valentino Grant, José Gusmão, Danuta Maria Hübner, Stasys Jakeliūnas, Othmar Karas, Billy Kelleher, Ondřej Kovařík, Philippe Lamberts, Aušra Maldeikienė, Jörg Meuthen, Csaba Molnár, Luděk Niedermayer, Dimitrios Papadimoulis, Piernicola Pedicini, Lídia Pereira, Jake Pugh, Evelyn Regner, Antonio Maria Rinaldi, Robert Rowland, Martin Schirdewan, Pedro Silva Pereira, Paul Tang, Irene Tinagli, Inese Vaidere, Johan Van Overtveldt, Stéphanie Yon-Courtin, Marco Zanni

Bij de eindstemming aanwezige vaste plaatsvervangers

Carmen Avram, Gabriele Bischoff, Damien Carême, Fabio Massimo Castaldo, Richard Corbett, Eugen Jurzyca, Pedro Marques, Fulvio Martusciello, Ville Niinistö, Stéphane Séjourné, Monica Semedo, Antonio Tajani, Julie Ward

Bij de eindstemming aanwezige plaatsvervangers (art. 209, lid 7)

Rosa D’Amato, Anna Deparnay-Grunenberg, Agnès Evren, Dino Giarrusso, Enikő Győri

Datum indiening

9.12.2019

 

 

[1] PB C ... /nog niet in het PB gepubliceerd.

[2] Aangenomen teksten, P8_TA(2019)0211.

[3]  Het TIPS (Target Instant Payment Settlement)-systeem stelt aanbieders van betaaldiensten in staat in de eurozone 24 uur per dag realtimetransacties van middelen aan te bieden. Target2 en Target2-Securities worden gemeenschappelijk beheerd door de Bank van Italië, de Bundesbank, de Bank van Frankrijk en de Bank van Spanje.

[4]  De Italiaanse Eenheid voor financiële inlichtingen maakt deel uit van de Bank van Italië.

Laatst bijgewerkt op: 13 december 2019Juridische mededeling - Privacybeleid