Procedure : 2018/0427(NLE)
Stadium plenaire behandeling
Documentencyclus : A9-0004/2020

Ingediende teksten :

A9-0004/2020

Debatten :

PV 29/01/2020 - 16
CRE 29/01/2020 - 16

Stemmingen :

PV 29/01/2020 - 17.1
CRE 29/01/2020 - 17.1
Stemverklaringen

Aangenomen teksten :

P9_TA(2020)0018

<Date>{23/01/2020}23.1.2020</Date>
<NoDocSe>A9-0004/2020</NoDocSe>
PDF 381kWORD 121k

<TitreType>AANBEVELING</TitreType>     <RefProcLect>***</RefProcLect>

<Titre>over het ontwerp van besluit van de Raad betreffende de sluiting van het Akkoord inzake de terugtrekking van het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland uit de Europese Unie en de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie</Titre>

<DocRef>(XT 21105/3/2018 – C9-0148/2019 – 2018/0427(NLE))</DocRef>


<Commission>{AFCO}Commissie constitutionele zaken</Commission>

Rapporteur: <Depute>Guy Verhofstadt</Depute>

ERRATA/ADDENDA
ONTWERPWETGEVINGSRESOLUTIE VAN HET EUROPEES PARLEMENT
 TOELICHTING

ONTWERPWETGEVINGSRESOLUTIE VAN HET EUROPEES PARLEMENT

over het ontwerp van besluit van de Raad betreffende de sluiting van het Akkoord inzake de terugtrekking van het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland uit de Europese Unie en de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie

(XT 21105/3/2018 – C9-0148/2019 – 2018/0427(NLE))

(Goedkeuring)

Het Europees Parlement,

 gezien de kennisgeving door het Verenigd Koninkrijk aan de Europese Raad van 29 maart 2017 van zijn voornemen zich terug te trekken uit de Europese Unie en de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie, overeenkomstig artikel 50, lid 2, van het Verdrag betreffende de Europese Unie en artikel 106 bis van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie,

 gezien het ontwerp van besluit van de Raad betreffende de sluiting van het Akkoord inzake de terugtrekking van het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland uit de Europese Unie en de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie (XT 21105/3/2018),

 gezien het ontwerpakkoord inzake de terugtrekking van het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland uit de Europese Unie en de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie[1],

 gezien de politieke verklaring waarin het kader wordt geschetst voor de toekomstige betrekkingen tussen de Europese Unie en het Verenigd Koninkrijk[2],

 gezien de besluiten van de Europese Raad, met name Besluit (EU) 2019/476 van 22 maart 2019[3], Besluit (EU) 2019/584 van 11 april 2019[4] en Besluit (EU) 2019/1810 van 29 oktober 2019[5], die in overeenstemming met het Verenigd Koninkrijk zijn genomen, op grond waarvan de periode uit hoofde van artikel 50, lid 3, VEU, respectievelijk tot 12 april 2019, 31 oktober 2019, en 31 januari 2020 is verlengd,

 gezien zijn resoluties van 5 april 2017 over onderhandelingen met het Verenigd Koninkrijk na de kennisgeving van het voornemen van dat land om zich uit de Europese Unie terug te trekken[6], van 3 oktober 2017 over de stand van de onderhandelingen met het Verenigd Koninkrijk[7], van 13 december 2017 over de stand van de onderhandelingen met het Verenigd Koninkrijk[8], van 14 maart 2018 over het kader van de toekomstige betrekkingen tussen de EU en het VK[9], en van 18 september 2019 over de stand van zaken van de terugtrekking van het VK uit de Europese Unie[10],

 gezien het verzoek om goedkeuring dat de Raad heeft ingediend krachtens artikel 50, lid 2, van het Verdrag betreffende de Europese Unie (C9‑0148/2019),

 gezien artikel 105, leden 1 en 4, en artikel 88 van zijn Reglement,

 gezien de brieven van de Commissie buitenlandse zaken, de Commissie internationale handel, de Commissie werkgelegenheid en sociale zaken, de Commissie milieubeheer, volksgezondheid en voedselveiligheid, de Commissie interne markt en consumentenbescherming, de Commissie vervoer en toerisme, de Commissie landbouw en plattelandsontwikkeling, de Commissie juridische zaken, de Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken en de Commissie verzoekschriften,

 gezien de aanbeveling van de Commissie constitutionele zaken (A9‑0004/2020),

1. hecht zijn goedkeuring aan de sluiting van het ontwerpterugtrekkingsakkoord;

2. verzoekt zijn Voorzitter dit standpunt te doen toekomen aan de Europese Raad, de Raad en de Commissie, alsook de nationale parlementen en de regering van het Verenigd Koninkrijk.

 


 

TOELICHTING

Inleiding

 

Het terugtrekkingsproces

 

Bij het referendum van 23 juni 2016 in het Verenigd Koninkrijk (VK), over de vraag of het land een lid van de EU moest blijven of uit de EU moest stappen, koos een meerderheid ervoor te vertrekken (51,9 %).

 

Op 29 maart 2017 heeft het Verenigd Koninkrijk kennisgegeven van zijn voornemen om zich terug te trekken uit de EU, overeenkomstig artikel 50 van het Verdrag betreffende de Europese Unie (VEU).

 

Op 5 april 2017 heeft het Europees Parlement een resolutie aangenomen over onderhandelingen met het Verenigd Koninkrijk na de kennisgeving van het voornemen van dat land om zich uit de Europese Unie terug te trekken[11], waarin het zijn standpunt met betrekking tot de richtsnoeren van de Europese Raad uit hoofde van artikel 50, lid 2, van het VEU uiteenzet. Op deze resolutie heeft het Parlement ook zijn beoordeling van het onderhandelingsproces en van de tussen de EU en het VK gesloten overeenkomsten gebaseerd. Het Parlement heeft er zijn standpunt in bepaald over alle fundamentele kwesties in verband met de terugtrekking van het VK: de algemene beginselen van de onderhandelingen, waaronder de behoefte aan een ordelijke uittreding, de bescherming van de belangen van de burgers van de EU‑27, en de bevoegdheden van de EU wat de terugtrekking betreft; het gefaseerde verloop van de onderhandelingen; de reikwijdte van het terugtrekkingsakkoord; de overgangsregelingen en de toekomstige betrekkingen tussen de EU en het VK.

 

De Europese Raad heeft op 29 april 2017, in overeenstemming met artikel 50, lid 2, VEU, richtsnoeren voor de onderhandelingen vastgesteld[12], waarin voor een gefaseerde aanpak van de onderhandelingen werd gekozen. In een eerste fase werd ernaar gestreefd duidelijkheid en rechtszekerheid te bieden en regelingen te treffen om het Verenigd Koninkrijk los te maken van de EU. De Europese Raad verklaarde nauwlettend te zullen toezien op de vorderingen, en te bepalen wanneer er voldoende vooruitgang zou zijn om de volgende onderhandelingsfase aan te vatten, waarin inleidende en voorbereidende gesprekken over het kader voor de toekomstige betrekkingen zouden plaatsvinden.

 

De onderhandelingen tussen de EU en het VK gingen op 19 juni 2017 van start. De EU werd daarbij vertegenwoordigd door Michel Barnier, hoofdonderhandelaar van de EU, en het VK door David Davis, minister voor de Uittreding uit de Europese Unie.

 

De onderhandelaars van de EU en van de regering van het VK brachten op 8 december 2017 een gezamenlijk verslag uit over de vorderingen tijdens de eerste fase van de onderhandelingen, en verklaarden daarin dat zij een beginselakkoord hadden bereikt over de drie gebieden die in de eerste onderhandelingsfase werden behandeld: de bescherming van de rechten van EU-burgers in het VK en van Britse burgers in de EU, het kader voor de aanpak van de unieke situatie in Noord-Ierland, en de financiële regeling.

 

Op 15 december 2017 besloot de Europese Raad dat er voldoende vooruitgang was geboekt om over te gaan tot fase twee, die betrekking had op de overgangsregelingen en een algeheel begrip van het kader voor de toekomstige betrekkingen. De Europese Raad stelde ook aanvullende richtsnoeren vast, en benadrukte dat de onderhandelingen in de tweede fase pas zouden kunnen vorderen als de verplichtingen die in de eerste fase waren aangegaan, volledig in acht zouden zijn genomen en getrouw zouden zijn omgezet in wettelijke bepalingen.

 

De Europese Raad stelde op 23 maart 2018 bijkomende richtsnoeren vast voor de opening van de onderhandelingen over een algeheel begrip van het kader voor de toekomstige betrekkingen, die uitgewerkt zouden worden in een politieke verklaring die aan het terugtrekkingsakkoord zou worden toegevoegd en waarnaar in dat akkoord zou worden verwezen.

 

Na zes onderhandelingsronden en andere bijeenkomsten met onderhandelaars en technische deskundigen, werd op 14 november 2018 op het niveau van de onderhandelaars een ontwerpakkoord bereikt over de terugtrekking van het VK uit de EU. Het ontwerp van de politieke verklaring tot vaststelling van het kader voor de toekomstige betrekkingen tussen de EU en het VK, die op het niveau van de onderhandelaars was overeengekomen en waarover op politiek niveau een beginselakkoord bestond, werd op 22 november 2018 door de voorzitter van de Europese Raad aan de lidstaten van de EU-27 toegezonden. Op 25 november 2018 hebben de staatshoofden en regeringsleiders van de EU-27 hun goedkeuring gehecht aan het terugtrekkingsakkoord en aan de politieke verklaring.

 

Diezelfde dag verzocht de Europese Raad de Commissie, het Europees Parlement en de Raad het nodige te doen om ervoor te zorgen dat het akkoord op 30 maart 2019 in werking zou kunnen treden, teneinde een ordelijke terugtrekking van het VK te verzekeren.

 

Op 11 januari 2019 heeft de Raad Besluit (EU) 2019/274[13] betreffende de ondertekening van het Akkoord inzake de terugtrekking vastgesteld, alsook een ontwerpbesluit over de sluiting van het Akkoord inzake de terugtrekking van het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland uit de Europese Unie en de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie. Dit werd op 30 januari 2019 in de plenaire vergadering meegedeeld.

 

Het terugtrekkingsakkoord, zoals het overeengekomen was op het niveau van de onderhandelaars, werd echter in drie opeenvolgende stemmingen door het Britse parlement verworpen, namelijk op 15 januari, 12 maart en 29 maart 2019.

 

Uit de verschillende stemmingen over het terugtrekkingsakkoord tussen de EU en het VK, bleek dat een duidelijke meerderheid zich verzette tegen het verlaten van de EU zonder akkoord, maar dat er geen positieve meerderheid bestond over een mogelijk alternatief, zoals een brede douane-unie van het volledige VK met de EU of verkiezingen ter bevestiging van het terugtrekkingsakkoord. Er ontstond bijgevolg een impasse.

 

Het Verenigd Koninkrijk heeft derhalve drie opeenvolgende verzoeken tot verlenging van de in artikel 50, lid 3, VEU bedoelde termijn bij de EU ingediend. De termijn werd eerst verlengd tot 12 april 2019 (Besluit (EU) 2019/476 van de Europese Raad), na het tweede verzoek tot 31 oktober 2019 (Besluit (EU) 2019/584 van de Europese Raad) en uiteindelijk tot 31 januari 2020 (Besluit (EU) 2019/1810 van de Europese Raad).

 

Ondertussen gingen de gesprekken tussen de onderhandelaars van de EU en het VK door, en werd getracht de bezwaren van het VK met betrekking tot de noodoplossing weg te nemen, met inachtneming van de onderhandelingsbeginselen van de EU. De EU weigerende pertinent te heronderhandelen, en hield vol dat een juridisch sluitende oplossing waarbij een harde grens tussen Ierland en Noord-Ierland werd vermeden, essentieel was.

 

In de loop van september en oktober 2019 werden de besprekingen geïntensiveerd, en uiteindelijk werd op 17 oktober 2019 een akkoord bereikt over een herziening van het in het terugtrekkingsakkoord opgenomen Protocol inzake Ierland/Noord-Ierland en de nodige technische aanpassingen met betrekking tot artikel 184 en artikel 185 van het akkoord, alsook een herziening van de politieke verklaring. Diezelfde dag heeft de Europese Raad het gewijzigde terugtrekkingsakkoord bekrachtigd en de herziene tekst van de politieke verklaring goedgekeurd.

 

Bij Besluit (EU) 2019/1750 van 21 oktober 2019[14] en Besluit (EU) 2020/48 van 21 januari 2020[15] heeft de Raad zijn ontwerpbesluit betreffende de ondertekening van het terugtrekkingsakkoord gewijzigd. Een herzien voorstel voor een besluit betreffende de sluiting van het terugtrekkingsakkoord werd diezelfde dag nog door de Raad goedgekeurd[16], en samen met de bijgewerkte tekst van het akkoord aan het Parlement bezorgd, waar de plenaire vergadering op 21 oktober 2019 op de hoogte werd gebracht.

 

De Conferentie van voorzitters van het Europees Parlement kwam diezelfde dag samen om de volgende stappen in het proces te bespreken, onder meer de verwijzing van de tekst naar de bevoegde parlementaire commissies.

 

De bevoegde commissie voor goedkeuring is de Commissie constitutionele zaken (AFCO), overeenkomstig het Reglement van het Parlement. De Conferentie van voorzitters besloot in dit verband dat de goedkeuringsprocedure afgerond zou kunnen worden zodra de parlementaire ratificatie van het terugtrekkingsakkoord in het VK rond zou zijn.

 

Zij besloot dat de andere commissies die bij de terugtrekkingsprocedure betrokken zijn, adviezen in briefvorm konden opstellen bij de ontwerpaanbeveling van AFCO met betrekking tot de goedkeuring. Tien commissies hebben een advies in briefvorm opgesteld; deze zijn aan deze aanbeveling tot goedkeuring gehecht. Het gaat om adviezen van de Commissie buitenlandse zaken (AFET), de Commissie internationale handel (INTA), de Commissie werkgelegenheid en sociale zaken (EMPL), de Commissie milieubeheer, volksgezondheid en voedselveiligheid (ENVI), de Commissie interne markt en consumentenbescherming (IMCO), de Commissie vervoer en toerisme (TRAN), de Commissie landbouw en plattelandsontwikkeling (AGRI), de Commissie juridische zaken (JURI), de Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken (LIBE) en de Commissie verzoekschriften (PETI).

 

Overeenkomstig artikel 88 van zijn Reglement, keurt het Europees Parlement een terugtrekkingsakkoord bij meerderheid van stemmen goed. Overeenkomstig artikel 105, lid 4, van het Reglement besluit het Parlement bij een enkele stemming ter verlening van de goedkeuring, ongeacht of de aanbeveling tot goedkeuring dan wel tot verwerping strekt. Er kunnen geen amendementen worden ingediend. Bij de stemming in de commissies en in de plenaire vergadering, hebben de leden die in de uittredende lidstaat verkozen werden het recht om deel te nemen aan het debat en om te stemmen.

 

Om de sluiting van het terugtrekkingsakkoord namens de EU mogelijk te maken, moet het nog door de overige 27 lidstaten in de Raad worden goedgekeurd met een gekwalificeerde meerderheid van stemmen, zoals gedefinieerd overeenkomstig artikel 238, lid 2, onder b), van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU), wat neerkomt op 20 lidstaten waarvan de bevolking ten minste 65 % van de totale bevolking uitmaakt.

 

Rol van het Europees Parlement

 

Het Europees Parlement is niet formeel betrokken bij de onderhandelingen over de terugtrekking van een lidstaat. Het Parlement is echter niet alleen een instelling die politieke controle uitoefent, als bedoeld in artikel 14 van het VEU, maar maakt ook deel uit van de besluitvormingsprocedure overeenkomstig artikel 50 van het VEU, aangezien zijn goedkeuring een voorwaarde is om een terugtrekkingsakkoord te kunnen sluiten.

 

Vanaf het begin van de terugtrekkingsprocedure van het VK heeft het Parlement dus een belangrijke en actieve rol gespeeld in de onderhandelingen, gezien zijn bevoegdheid om goedkeuring te hechten aan het terugtrekkingsakkoord, zoals bepaald in artikel 50 van het VEU.

 

Sinds het referendum discussieert het Parlement over de kwestie. Onmiddellijk na het referendum, bijvoorbeeld, op 24 juni 2016, vond een buitengewone vergadering van de Conferentie van voorzitters plaats, niet alleen om de vergadering van de voorzitter van het Parlement met de voorzitters van de andere instellingen naar aanleiding van het referendum voor te bereiden, maar ook om de volgende stappen van het Parlement in het proces te bespreken.

 

Tijdens dezelfde vergadering van de Conferentie van voorzitters werd beslist om in buitengewone vergaderperiode bijeen te komen op 28 juni 2016 om de uitslag van het referendum in het VK te bespreken.

 

De Voorzitter benadrukte bij het begin van die zitting de uitzonderlijke aard ervan, en wees erop dat de uitslag van het referendum alle burgers van de EU aanbelangt.

 

Tijdens dezelfde bijeenkomst, na de verklaringen van de Raad en de Commissie, nam het Parlement zijn resolutie over de beslissing om de EU te verlaten als gevolg van het referendum in het Verenigd Koninkrijk aan[17], met 395 stemmen voor, 200 tegen en 71 onthoudingen.

 

Het Parlement herinnerde er in deze resolutie aan dat zijn goedkeuring vereist is uit hoofde van de Verdragen, en dat het volledig moet worden betrokken in alle stadia van de diverse procedures inzake het terugtrekkingsakkoord en toekomstige betrekkingen.

 

In de praktijk vertaalde de betrokkenheid van het Parlement in het terugtrekkingsproces zich in een zeer hecht contact met de andere instellingen, vanaf de beginfase, en in regelmatige informatiestromen over de vorderingen in de loop van de verschillende voorbereidings- en onderhandelingscycli.

 

De coördinatie van de werkzaamheden van het Parlement werd gecentraliseerd op het niveau van de Conferentie van voorzitters, gezien de complexe politieke, horizontale, juridische en beleidskwesties in dit verband. De Conferentie van voorzitters besloot tot een gefaseerde aanpak van het proces, waarbij de periode tot aan de vaststelling van de richtsnoeren van de Europese Raad de eerste fase zou zijn. Tot zolang zou dit op het niveau van de Conferentie behandeld worden, met Guy Verhofstadt (Renew Europe[18], BE) als coördinator voor de onderhandelingen over de terugtrekking van het VK, in lijn met zijn benoeming tijdens de vergadering van de Conferentie van 8 september 2016. Tijdens de tweede fase zou Guy Verhofstadt de werkzaamheden coördineren met de voorzitter van de Commissie constitutionele zaken (AFCO), en een derde fase zou worden aangestuurd door AFCO en andere commissies, overeenkomstig de goedkeuringsprocedure.

 

In dit verband en eveneens met het oog op een gestructureerde betrokkenheid van het Parlement bij het terugtrekkingsproces, is de stuurgroep voor de brexit opgericht. De stuurgroep werd formeel opgericht door de Conferentie van voorzitters tijdens haar vergadering van 6 april 2017, waarin werd besloten dat de stuurgroep samengesteld zou zijn uit Guy Verhofstadt, als coördinator, Elmar Brok (PPE, DE), Roberto Gualtieri (S&D, IT), Gabriele Zimmer (GUE/NGL, DE), Philippe Lamberts (Verts/ALE), BE), en de voorzitter van de Commissie constitutionele zaken (AFCO), te weten Danuta Hübner (PPE, PL), teneinde de beraadslagingen, overwegingen en resoluties van het Parlement inzake de terugtrekking van het VK te coördineren en voor te bereiden, onder auspiciën van de Conferentie van voorzitters.

 

Na de Europese verkiezingen van 2019 veranderde de samenstelling van de stuurgroep: de PPE werd vanaf dat moment vertegenwoordigd door Danuta Hübner, de S&D door Pedro Silva Pereira (PT), GUE/NGL door Martin Schirdewan (DE), en Antonio Tajani kwam als nieuwe voorzitter van AFCO (PPE, IT) bij de stuurgroep.

 

Het Parlement was ook te allen tijde betrokken bij de methoden en structuren voor de onderhandelingen, via informatiekanalen of actieve participatie. Overeenkomstig de verklaring van 15 december 2016 na de informele bijeenkomst van de staatshoofden en regeringsleiders van de 27 lidstaten, werden “vertegenwoordigers van het Parlement” uitgenodigd voor de voorbereidende vergaderingen van de Europese Raad. Dit betekende dat het Parlement daadwerkelijk betrokken was, onder meer op de bijeenkomsten van de Sherpa’s en de Raad Algemene Zaken.

 

De stuurgroep heeft meer dan 100 vergaderingen bijgewoond, meestal in aanwezigheid van Michel Barnier, hoofdonderhandelaar van de EU, en heeft aldus bijgedragen aan de permanente betrokkenheid en leidersrol van het Parlement in het proces, door middel van tijdige resoluties en verklaringen, met gemotiveerde standpunten over de onderhandelingen en belangrijke ontwikkelingen vanaf de kennisgeving van het voornemen tot terugtrekking.

 

De stuurgroep besefte dat alle commissies een voortdurende informele dialoog, technische deskundigheid en samenwerking in het terugtrekkingsproces zouden moeten verzekeren, en organiseerde dus verschillende bijeenkomsten en technische seminars voor de commissies die rechtstreeks bevoegd zijn voor sectoraal beleid dat binnen het toepassingsgebied van het terugtrekkingsakkoord valt. Deze dialoog werd ook gevoerd via de Conferentie van commissievoorzitters, die de terugtrekkingsprocedure tijdens een aantal vergaderingen besprak. 

 

Als coördinator van de stuurgroep nam Guy Verhofstadt deel aan tal van vergaderingen met verschillende betrokken partijen (andere instellingen, maatschappelijke organisaties, burgers en vertegenwoordigers van het bedrijfsleven, nationale parlementen enz.) en heeft hij de afgelopen twee jaar ook meer dan 4 500 e-mails en brieven over de brexit ontvangen en beantwoord.

 

De rol van AFCO

 

Overeenkomstig het Reglement van het Europees Parlement is AFCO de bevoegde commissie voor de voorbereiding van de goedkeuring van het Parlement overeenkomstig artikel 50 van het VEU. Artikel 88 van het Reglement van het Parlement inzake terugtrekking uit de Unie bepaalt: “Indien een lidstaat overeenkomstig artikel 50 van het Verdrag betreffende de Europese Unie besluit om zich uit de Unie terug te trekken, wordt de zaak naar de bevoegde commissie verwezen”. Overeenkomstig afdeling XVIII van bijlage V bij het Reglement over de bevoegdheden en verantwoordlijkheden van de parlementaire commissies is de commissie AFCO bevoegd voor de institutionele gevolgen van terugtrekking uit de Unie, en derhalve verantwoordelijk voor de goedkeuringsprocedure na de afsluiting van de onderhandelingen.

 

AFCO heeft een horizontale rol, zonder afbreuk te doen aan de specifieke bevoegdheden van andere commissies inzake sectorale kwesties, in verband met de beleidsterreinen waarvoor zij verantwoordelijk zijn. AFCO is belast met het uitbrengen van een aanbeveling tot goedkeuring of verwerping van een terugtrekkingsakkoord dat is overeengekomen door de EU en de zich terugtrekkende lidstaat.

 

AFCO heeft zich grondig voorbereid en heeft bewijsstukken, aanbevelingen en kennis vergaard uit verschillende sectoren en van verschillende stakeholders, publiek en privaat, zowel uit het VK als daarbuiten. AFCO heeft, net als andere parlementaire commissies, debatten en hoorzittingen georganiseerd over de gevolgen van de terugtrekking van het VK uit de EU voor de beleidsterreinen die onder hun respectieve bevoegdheden vallen, overeenkomstig de richtsnoeren van de Conferentie van voorzitters.

 

AFCO heeft sinds 3 september 2015 meer dan 20 specifieke evenementen georganiseerd, waaronder hoorzittingen, workshops en presentaties over studies of briefingdocumenten, over onderwerpen als de heronderhandeling van de constitutionele betrekkingen van het Verenigd Koninkrijk met de Europese Unie en het akkoord dat de Europese Raad op 18 en 19 februari 2016 bereikt heeft[19], en de toekomstige constitutionele betrekkingen van het VK met de Europese Unie, de rechten van de burgers, en de gevolgen van de brexit voor de grens tussen Ierland en Noord-Ierland. AFCO nam ook deel aan of was rechtstreeks betrokken bij de hoorzittingen van andere commissies over kwesties in verband met de terugtrekking of de toekomstige relatie van de EU met het VK.

 

Naast deze speciale evenementen werden de terugtrekkingskwesties, en met name de stand van zaken van het proces na de kennisgeving van het voornemen om zich terug te trekken, tijdens vrijwel elke commissievergadering besproken.

 

De voorzitter van AFCO, eveneens lid van de stuurgroep voor de brexit, nam deel aan meer dan 500 bilaterale bijeenkomsten met publieke en private belanghebbenden over de terugtrekking en de gevolgen ervan voor de EU en het VK.

 

Een sterke betrokkenheid van een alert Europees Parlement was van cruciaal belang, aangezien het terugtrekkingsakkoord alleen met zijn goedkeuring kan worden gesloten, overeenkomstig artikel 50 van het VEU.

 

Artikel 50 van het VEU

 

Artikel 50 van het VEU betreft de procedure waardoor een EU-lidstaat zich wettelijk uit de EU kan terugtrekken door na onderhandelingen een akkoord met de EU te sluiten waarin de regelingen voor de terugtrekking worden bepaald, waarbij rekening wordt gehouden met het kader van de toekomstige betrekkingen van die staat met de Unie.

 

Het Parlement heeft er steeds op gehamerd dat de terugtrekking van het VK uit de EU ongekend en betreurenswaardig is, en dat het de voorkeur zou verdienen om het lidmaatschap van de interne markt en van de douane-unie voort te zetten, vooral als het VK vlotte handelsbetrekkingen of andere voordelen die nauw verband houden met het lidmaatschap van de EU, wenst te behouden.

 

Het Parlement heeft er ook van bij aanvang op gewezen dat het terugtrekkingsakkoord tot doel heeft in een ordelijke terugtrekking van het VK uit de EU te voorzien, door drie fundamentele kwesties in verband met de terugtrekking aan te pakken: de rechten van EU-burgers die in het VK wonen en van Britse burgers die in de EU-27 wonen, de grens tussen Ierland en Noord-Ierland, en de afwikkeling van de financiële verplichtingen van het VK ten aanzien van de EU.

 

Wat het kader voor de toekomstige betrekkingen betreft, overeenkomstig artikel 50, lid 2, van het VEU, heeft het Parlement duidelijk gemaakt dat een eventuele overeenkomst hierover zou worden behandeld als een integraal onderdeel van de algemene uittredingsregeling, en dat dit inhoudelijk bijgevolg ook door het Parlement zou worden behandeld in het kader van de goedkeuringsprocedure, hoewel juridisch gezien enkel het terugtrekkingsakkoord het voorwerp van de goedkeuring is.

 

Een ordelijke terugtrekking

 

Voor het Parlement was een ordelijke terugtrekking essentieel om de belangen van de Europese Unie en haar burgers te beschermen. Dit betekende dat, zoals bepaald in artikel 50 van het VEU, de onderhandelingen over de voorwaarden voor de terugtrekking van het VK gingen, maar dat de onderhandelaars daarbij ook rekening moesten houden met het kader voor de toekomstige betrekkingen van het VK met de EU en moesten streven naar rechtszekerheid en zo weinig mogelijk verstoring.

 

In zijn resoluties heeft het Parlement stapsgewijs zijn interpretatie van de bepalingen van artikel 50 van het VEU vastgesteld, waaronder een aantal basisvereisten voor de onderhandelingen, zowel wat de reikwijdte betreft als de fasering ervan.

 

Zoals bepaald in zijn resolutie van 5 april 2017 over onderhandelingen met het Verenigd Koninkrijk na de kennisgeving van het voornemen van de VK om zich uit de Europese Unie terug te trekken, waren de prioritair te behandelen kwesties:

 

 de rechtsstatus van de burgers van de EU-27 die in het VK wonen of hebben gewoond en van de Britse burgers die in een andere lidstaat wonen of hebben gewoond, met inbegrip van hun eerlijke behandeling en de garantie dat voor hen de beginselen van wederkerigheid, rechtvaardigheid, symmetrie en non-discriminatie gelden;

 de afwikkeling van de financiële verplichtingen tussen de VK en het EU, op basis van de jaarrekeningen van de Europese Unie zoals gecontroleerd door de Europese Rekenkamer, met inbegrip van alle verplichtingen uit hoofde van aangegane verbintenissen, en bepalingen voor posten buiten de balans, onvoorziene verplichtingen en andere financiële kosten die rechtstreeks voortvloeien uit de terugtrekking van het Verenigd Koninkrijk;

 de erkenning van de unieke positie en de specifieke omstandigheden van het eiland Ierland, teneinde de gevolgen van de terugtrekking voor de grens tussen Ierland en Noord-Ierland te beperken, de continuïteit en stabiliteit van het vredesproces te waarborgen en een harde grens te vermijden.

 

Andere voor het Parlement relevante kwesties waren de verduidelijking van de status van de internationale toezeggingen die het VK als lidstaat had gedaan, de waarborging van rechtszekerheid voor rechtspersonen, zoals bedrijven, en de rol van het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJ-EU).

 

In zijn resolutie van 3 oktober 2017[20] over de stand van de onderhandelingen met het Verenigd Koninkrijk[21] heeft het Parlement benadrukt dat aanzienlijke vooruitgang met betrekking tot de rechten van de burgers, Ierland en Noord-Ierland, en de afwikkeling van de financiële verplichtingen van het Verenigd Koninkrijk vereist was vooraleer overgegaan kon worden tot de tweede fase van de gesprekken over een nieuw en hecht partnerschap tussen de EU en het VK. Het Parlement merkte bovendien op dat het pas na de terugtrekking van het VK mogelijk zou zijn om een akkoord te sluiten over de toekomstige betrekkingen.

 

Deze aanpak werd bevestigd door de Europese Raad in zijn conclusies van 15 december 2017. De Europese Raad benadrukte dat de tweede fase van de onderhandelingen pas zou kunnen ingaan als de verplichtingen die in de eerste fase waren aangegaan, volledig in acht zouden zijn genomen en getrouw zouden zijn omgezet in wettelijke bepalingen.

 

Zoals de Commissie heeft verklaard in haar mededeling aan de Europese Raad (artikel 50) van 8 december 2017 over de stand van de onderhandelingen met het Verenigd Koninkrijk op grond van artikel 50 van het Verdrag betreffende Europese Unie[22], werd in de eerste fase van de onderhandelingen prioriteit gegeven aan “drie kwesties die in het bijzonder als belangrijk zijn aangemerkt voor een ordelijke terugtrekking:

a) de rechten van de burgers;

b) de dialoog over Ierland/Noord-Ierland; en

c) de financiële regeling.”

 

Het ontwerpterugtrekkingsakkoord behandelt al deze kwesties, met inbegrip van een deel over rechten van de burgers (deel 2), een deel over financiële bepalingen (deel 5) en een Protocol inzake Ierland/Noord-Ierland en bijlagen daarbij. Wat de rol van het HvJ-EU betreft, voorziet het terugtrekkingsakkoord in rechtsmacht op verschillende niveaus, zoals hieronder in het deel over governance zal worden besproken.

 

Het terugtrekkingsakkoord schept ook duidelijkheid met betrekking tot de status van de internationale verbintenissen die het VK als lidstaat is aangegaan: tijdens de overgangsperiode zal het VK nog steeds gebonden zal zijn aan de internationale overeenkomsten van de EU. Het zal echter de toestemming krijgen om over internationale overeenkomsten die het in eigen hoedanigheid heeft gesloten op bevoegdheidsgebieden die onder het recht van de Unie vallen, te onderhandelen en deze ondertekenen en bekrachtigen, mits deze overeenkomsten niet in werking treden of van toepassing zijn tijdens de overgangsperiode, tenzij de EU daartoe machtiging geeft.

 

Evenzo wordt in deel drie van het terugtrekkingsakkoord over scheidingsbepalingen voorzien in garanties voor de rechtszekerheid van rechtspersonen, waaronder bedrijven, teneinde alle lopende procedures en handelsbetrekkingen vlot af te ronden, met betrekking tot markttoegang voor goederen, douane, BTW en accijnzen, intellectuele eigendom, politiële en justitiële samenwerking in zowel strafrechtelijke als burgerlijke en handelszaken, de bescherming van gegevens die voor het eind van de overgangsperiode verkregen zijn, openbare aanbestedingsprocedures, Euratom-kwesties, en gerechtelijke en administratieve procedures, privileges en immuniteiten van de EU.

 

Het terugtrekkingsakkoord voorziet bijgevolg in een ordelijke terugtrekking, iets wat de onderhandelaars van de EU en het VK de afgelopen drie jaar hebben nagestreefd.

 

Dankzij de sluiting en ratificatie van het terugtrekkingsakkoord zal het scenario van een terugtrekking zonder akkoord (“no deal”) niet doorgaan. Dit is van bijzonder groot belang, aangezien een terugtrekking zonder akkoord aanzienlijke gevolgen zou hebben voor zowel de EU als het VK.

 

Rechten van de burgers

 

Artikel 50 van het VEU voorziet niet in waarborgen voor de status van EU-burgers. Dergelijke rechten kunnen echter worden beschermd in het terugtrekkingsakkoord dat overeenkomstig artikel 50 van het VEU gesloten wordt. In zijn resolutie van 14 maart 2018 over het kader van de toekomstige betrekkingen tussen de EU en het VK[23] merkte het Parlement op dat de EU en het VK een dwingende verplichting hebben te zorgen voor een volledige en wederkerige benadering van de bescherming van de rechten van EU-burgers in het VK en van Britse burgers in de EU-27.

 

Het Parlement maakte vanaf het begin, in zijn resolutie van 28 juni 2016 over de beslissing om de EU te verlaten als gevolg van het referendum in het Verenigd Koninkrijk[24], duidelijk wat zijn hoofdprioriteit was, namelijk de bescherming van de EU-burgers, en herhaalde dit steevast in alle latere resoluties over de brexit. Als de instelling die alle EU-burgers vertegenwoordigt, heeft het Parlement zich ertoe verbonden gedurende het gehele proces de belangen van zijn burgers te beschermen, en heeft het geëist dat de onderhandelingen als doel zouden hebben rechtszekerheid te verschaffen, verstoringen zoveel mogelijk te beperken, en burgers en rechtspersonen een duidelijke toekomstvisie te geven.

 

De belangrijkste doelstelling van het Parlement was de bescherming van burgers: zowel de eerbiediging van hun wil zoals die democratisch werd geuit bij het referendum in het VK, als de beperking van de onzekerheid als gevolg van de terugtrekking, en het behoud (in de mate van het mogelijke) van de rechten die aan de status van pre-terugtrekking ontleend worden. Aangezien er meer dan drie miljoen EU‑burgers in het VK wonen, en meer dan een miljoen onderdanen van het VK in de EU, is dit van bijzonder groot belang.

 

De bescherming van de rechten van burgers die door de terugtrekking van het VK uit de EU worden getroffen, is ook steeds een prioriteit geweest voor de instellingen die nauwer betrokken waren bij het terugtrekkingsproces.

 

De Europese Raad heeft een standpunt ingenomen dat sterk bij dat van het Parlement aansluit, door de bescherming van burgers die hun leven vorm hebben gegeven op basis van de rechten die aan het Britse lidmaatschap van de EU verbonden zijn, tot een van de hoofdprioriteiten van de onderhandelingen te maken.

 

De Raad verduidelijkte dit als volgt in het mandaat voor de onderhandelingen: “Het waarborgen van de status en de rechten van de burgers van de EU‑27 en hun families in het Verenigd Koninkrijk, en van burgers van het Verenigd Koninkrijk en hun families in de lidstaten van de EU‑27, is de hoofdprioriteit van de onderhandelingen, vanwege het aantal rechtstreeks getroffenen en de ernst van de gevolgen van de terugtrekking voor hen. De overeenkomst moet voorzien in de nodige doeltreffende, afdwingbare, niet-discriminerende en alomvattende waarborgen voor de rechten van deze burgers, met inbegrip van het recht om na een ononderbroken periode van vijf jaar legaal verblijf permanent verblijfsrecht te krijgen evenals de rechten die daaraan verbonden zijn.”

 

In hun gezamenlijk verslag van 8 december 2017 over de vorderingen tijdens de eerste fase van de onderhandelingen uit hoofde van artikel 50 VEU over de ordelijke terugtrekking van het Verenigd Koninkrijk uit de Europese Unie brachten de onderhandelaars verslag uit over wat zij al overeengekomen waren met betrekking tot de rechten van burgers.

 

Op 26 juni 2017 heeft het VK een document gepubliceerd met als titel “The United Kingdom’s exit from the European Union – Safeguarding the Position of EU Citizens Living in the UK and UK Nationals Living in the EU”, waarin de regering aangaf dat het haar hoofdprioriteit was om een akkoord te bereiken over de status van EU‑burgers in het VK en van onderdanen van het VK in andere EU‑landen na de brexit, en verklaarde dat zij voornemens was deze burgers op de eerste plaats te zetten.

 

De kwestie van de rechten van de burgers kreeg dan ook vanaf de beginfase van de onderhandelingen veel aandacht van beide partijen. Over de burgerrechten waren beide partijen het inderdaad vrij snel eens, aangezien de op 19 maart 2018 gepubliceerde eerste versie van het ontwerpterugtrekkingsakkoord een deel 2 over rechten van de burger bevatte waarover een volledig akkoord was bereikt, met inbegrip van de rechtstreekse werking van de bepalingen, en de bevoegdheid van het HvJ-EU over de relevante bepalingen inzake burgerrechten.

 

In zijn resoluties heeft het Parlement een aantal minimumvereisten vastgesteld met betrekking tot de inhoud van het terugtrekkingsakkoord in het hoofdstuk over burgerrechten:

 

(a) In aanmerking komende EU‑onderdanen die in het Verenigd Koninkrijk wonen en kinderen die na de terugtrekking van het Verenigd Koninkrijk worden geboren, moeten als familieleden en niet als afzonderlijke rechthebbenden onder het terugtrekkingsakkoord vallen. Toekomstige familieleden moeten verblijfsrecht blijven genieten op grond van dezelfde bepalingen als de huidige familieleden.

 

De definitie van “personele werkingssfeer”, als bepaald in artikel 10, lid 1, onder e) en f), van het terugtrekkingsakkoord, omvat familieleden als dusdanig, met inbegrip van personen die geboren of wettelijk geadopteerd zijn na het einde van de overgangsperiode door primaire rechthebbenden overeenkomstig de in dat artikel gedefinieerde voorwaarden. De status van familieleden wordt verder versterkt door artikel 17, lid 2, van het terugtrekkingsakkoord, dat erin voorziet dat de rechten van familieleden ten laste in stand blijven, ook wanneer deze familieleden niet langer ten laste zijn.

 

(b) De administratieve procedure moet eenvoudig, declaratoir en kosteloos zijn, gezinnen moeten de procedure met één enkele aangifte kunnen aanvatten, en de bewijslast moet op de autoriteiten van het VK rusten.

 

Het akkoord biedt de gastlidstaat de mogelijkheid om een declaratoir of een constitutief systeem te kiezen. Tot dusver hebben het VK en ongeveer de helft van lidstaten gekozen voor een constitutief systeem.

 

In artikel 18 van het terugtrekkingsakkoord wordt de toepasselijke administratieve procedure gedefinieerd die tot doel heeft na te gaan of een aanvrager aanspraak kan maken op het verblijfsrecht waarin in het terugtrekkingsakkoord is voorzien. Het artikel bevat vereisten voor de aanvraagprocedure, waarbij ernaar wordt gestreefd de procedure zo eenvoudig en gebruiksvriendelijk mogelijk te maken.

 

Zo worden door familieleden tegelijkertijd ingediende aanvragen bijvoorbeeld tezamen behandeld.

 

Voorts moeten, uit hoofde van punten g) tot en met h) van artikel 18, lid 1, van het terugtrekkingsakkoord, de documenten ter staving van de status van personen op wie het terugtrekkingsakkoord van toepassing is, kosteloos verstrekt worden.

 

(c) Alle in de EU‑wetgeving gedefinieerde socialezekerheidsuitkeringen moeten exporteerbaar zijn.

 

Uit hoofde van artikel 31 van het terugtrekkingsakkoord, blijft Verordening (EG) nr. 883/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 betreffende de coördinatie van de socialezekerheidsstelsels[25] van toepassing op personen die onder het terugtrekkingsakkoord vallen.

 

Personen die in aanmerking komen, blijven hun recht op socialezekerheidsuitkeringen behouden. Als zij in een bepaald land recht hebben op een uitkering, hebben zij daar in beginsel ook recht op wanneer zij naar een ander land verhuizen.

 

(d) Beslissingen van het HvJ-EU over de uitlegging van bepalingen inzake burgerrechten moeten bindend zijn.

 

EU-burgers kunnen zich bij Britse rechtbanken rechtstreeks beroepen op het terugtrekkingsakkoord inzake burgerrechten, en hetzelfde geldt voor onderdanen van het VK in rechtbanken in de EU‑lidstaten.

 

De rechtbanken in het VK moeten, overeenkomstig artikel 4, lid 4, van het terugtrekkingsakkoord, de rechtspraak van het HvJ-EU die is vastgesteld voor het eind van de overgangsperiode consequent uitleggen, en moeten terdege rekening houden met de rechtspraak die na die datum is vastgesteld (artikel 4, lid 5, van het terugtrekkingsakkoord). De rechtbanken van het VK kunnen het HvJ-EU ook tot acht jaar na het einde van het terugtrekkingsakkoord verzoeken om prejudiciële beslissingen over de uitlegging van het deel over burgerrechten daarin. Dergelijke beslissingen zullen in het Verenigd Koninkrijk dezelfde rechtsgevolgen hebben als prejudiciële beslissingen uit hoofde van artikel 267 van het VWEU (artikel 158, lid 2, van het terugtrekkingsakkoord).

 

(e) De rol van de toekomstige onafhankelijke nationale autoriteit die opgericht wordt om gevolg te geven aan klachten van burgers, moet worden verduidelijkt.

 

Overeenkomstig artikel 159 van het terugtrekkingsakkoord, zal toezicht uitgeoefend worden op de tenuitvoerlegging en toepassing van het deel over rechten van de burgers in het terugtrekkingsakkoord. In de EU zal dat gebeuren door de Commissie en in het VK door een onafhankelijke autoriteit (“de Autoriteit”) die bevoegdheden heeft die gelijkwaardig zijn aan die van de Commissie. Een dergelijke autoriteit moet een absoluut onafhankelijk orgaan zijn. Uit hoofde van artikel 159, lid 2, van het terugtrekkingsakkoord, zijn de Commissie en de Autoriteit in elk geval verplicht om het gespecialiseerde Comité voor de rechten van de burgers (artikel 165, lid 1, van het terugtrekkingsakkoord) te informeren over de tenuitvoerlegging van het deel over burgerrechten in het akkoord, in de EU respectievelijk het VK.

 

De oprichting, samenstelling en taken van de Autoriteit worden echter in het terugtrekkingsakkoord niet gedefinieerd en zullen worden vastgelegd in de “European Union Withdrawal Agreement Bill”, het wetsontwerp van het VK houdende het terugtrekkingsakkoord. Het Parlement gaf in zijn resolutie van 15 januari 2020 over de uitvoering van en het toezicht op de bepalingen over burgerrechten in het terugtrekkingsakkoord[26] uiting aan zijn bezorgdheid over de bepalingen in het wetsontwerp houdende het terugtrekkingsakkoord, met name wat de daadwerkelijke onafhankelijkheid betreft.

 

Het terugtrekkingsakkoord is een compromis tussen de EU en het VK, ook met betrekking tot de rechten van de burgers. De bepalingen ervan konden niet tot doel hebben de volledige status te behouden die EU-burgers aan het VEU en het VWEU ontlenen, aangezien deze gebaseerd zijn op EU-lidmaatschap. Het belangrijkste doel van het akkoord is de meeste van deze rechten te beschermen en te waarborgen, en met name de rechten die de meeste van de getroffen burgers in staat zullen stellen de levenskeuzes aan te houden die zij gemaakt hebben op basis van het vrije verkeer tot aan het einde van de overgangsperiode.

 

Op 12 november 2019 heeft de stuurgroep voor de brexit een verklaring afgelegd over de tenuitvoerlegging van de bepalingen inzake de rechten van de burgers in het terugtrekkingsakkoord in het VK en in de EU‑27, aangezien er een aantal punten van zorg waren met betrekking tot de EU-vestigingsregeling van het VK. Deze bezorgdheden werden door het Parlement in de hierboven genoemde resolutie van 15 januari 2020 bevestigd, en hebben betrekking tot de uitvoering van deel twee van het terugtrekkingsakkoord, met name:

 

 het grote aantal indieners van een aanvraag in het kader van de EU-vestigingsregeling die slechts de status “pre-settled” hebben gekregen;

 de onafhankelijkheid van de Autoriteit, als bedoeld in artikel 159 van het terugtrekkingsakkoord;

 de mogelijke gevolgen voor EU‑burgers die niet binnen de termijn van 30 juni 2021 een aanvraag voor de EU‑vestigingsregeling indienen;

 het feit dat er geen fysiek document wordt verstrekt aan het einde van de aanvraagprocedure, waardoor het risico van onzekerheid met betrekking tot het bewijs van de status en de kans op discriminatie ten aanzien van burgers van de EU-27 worden vergroot;

 de maatregelen om de situatie van kwetsbare burgers aan te pakken in het kader van de aanvraagprocedure;

 de toepasbaarheid van de EU-vestigingsregeling op de burgers van de EU-27 in Noord-Ierland die geen aanvraag voor het verkrijgen van het staatsburgerschap van het VK hebben ingediend krachtens het Goede Vrijdagakkoord.

 

Het Europees Parlement zal nauw blijven toezien op de tenuitvoerlegging van het terugtrekkingsakkoord in zijn geheel, en het deel over de rechten van de burgers in het bijzonder.

 

Ierland en Noord-Ierland

 

Waarborging van het Goede Vrijdagakkoord

 

De Europese Unie en haar instellingen, en het Parlement in het bijzonder, waren ernstig bezorgd over de gevolgen van de terugtrekking van het Verenigd Koninkrijk voor Noord‑Ierland en voor de toekomstige betrekkingen van de EU met Ierland. De terugtrekking uit de EU van een van de medegaranten van het Goede Vrijdagakkoord zou immers kunnen leiden tot economische en juridische verschillen, die op hun beurt zouden leiden tot moeilijkheden bij de tenuitvoerlegging van dat akkoord, dat een essentieel kader voor vrede, samenwerking en begrip op het eiland is.

 

De brexit zou een verstorend effect kunnen hebben, vooral in verband met drie aspecten: de stabiliteit van het vredesproces, de aard van de grens en de grensoverschrijdende samenwerking, en gelijkheid en rechten[27].

 

Het Parlement heeft er steeds op gehamerd dat het van cruciaal belang was het Goede Vrijdagakkoord in al zijn onderdelen te waarborgen en beschermen, en alles in het werk te stellen om een harde grens te voorkomen. Zo heeft het in zijn resoluties en verklaringen via de stuurgroep steeds herhaald dat het terugtrekkingsakkoord een werkbare, juridisch werkbare en brede noodoplossing voor de grens tussen Ierland en Noord-Ierland moest omvatten, met inachtneming van de specifieke omstandigheden op het eiland.

 

Het Parlement heeft er ook op gewezen dat het belangrijk was dat het VK zou waarborgen de rechten, waarborgen en gelijke kansen als bepaald in het Goede Vrijdagakkoord niet te beperken, en heeft er daarbij op aangedrongen dat alle bepalingen met betrekking tot het gemeenschappelijk reisgebied en het recht op vrij verkeer van EU-burgers, zoals verankerd in het EU-recht en in het Goede Vrijdagakkoord, omgezet zouden worden[28].

 

De Europese Raad heeft in zijn richtsnoeren van 29 april 2017 gepleit voor “flexibele en creatieve oplossingen, onder meer om te voorkomen dat er een “harde” grens ontstaat, en om tegelijkertijd de integriteit van de rechtsorde van de Unie te waarborgen.”

 

Het Goede Vrijdagakkoord is in 1998 in werking getreden, en creëerde “de omstandigheden die een einde maakten aan bijna drie decennia van conflict in Noord-Ierland”. Aldus effende dit akkoord het pad “voor een duurzame periode van relatieve vrede, waarin een Noord-Ierse Assemblee werd verkozen en een Noord-Ierse Executive werd opgericht waarmee de macht wordt gedeeld, waarin de politieke betrekkingen tussen Noord-Ierland en Ierland aanzienlijk zijn verbeterd en mensenrechten en gelijkheid werden bevorderd, en waarin de grensoverschrijdende samenwerking spectaculair is toegenomen, met duidelijke voorbeelden van een verbeterde economische integratie en onderlinge afhankelijkheid op het eiland Ierland”[29].

 

Hoewel beide partijen bij de onderhandelingen over de terugtrekking steeds hebben benadrukt het Goede Vrijdagakkoord in al zijn onderdelen te willen behouden, bleek de kwestie van Ierland/Noord-Ierland de politiek gevoeligste en de meest complexe van de drie belangrijkste prioriteiten voor een ordelijke terugtrekking.

 

De initiële noodoplossing

 

In hun gezamenlijk verslag van 8 december 2017 over de vorderingen in de eerste fase van de onderhandelingen, hebben de EU en het VK bevestigd dat de verwezenlijkingen, voordelen en beloftes met betrekking tot het vredesproces van cruciaal belang zouden blijven voor vrede, stabiliteit en verzoening, en waren zij het erover eens dat het Goede Vrijdagakkoord in al zijn onderdelen beschermd moest worden. Dit waren gezamenlijke toezeggingen van beide partijen.

 

Het bleek echter uiterst complex een oplossing voor deze kwestie te vinden, niet alleen vanwege de sterk gepolitiseerde context maar ook door praktische problemen. Een grote moeilijkheid bleek het vinden van werkbare methoden[30] die niet zouden leiden tot een harde grens, maar die tegelijkertijd de rode lijnen van het VK in acht zouden nemen – namelijk dat het niet langer deel wilde uitmaken van de interne markt en de douane-unie – en ook de onderhandelingsbeginselen van de EU zouden eerbiedigen. Deze leidende beginselen, zoals vastgesteld in de richtsnoeren van de Europese Raad van 29 april 2017, kwamen in wezen neer op het voorkomen van een harde grens, en het waarborgen van de integriteit van de rechtsorde van de Unie.

 

In het bovengenoemde gezamenlijk verslag van 8 december 2017 waren beide partijen het erover eens dat, indien het VK zijn doelstellingen voor Ierland/Noord-Ierland niet kon verwezenlijken in het kader van de toekomstige betrekkingen tussen de EU en het VK, het VK dan in tweede instantie specifieke oplossingen zou voorstellen voor de unieke omstandigheden van het eiland Ierland.

 

Een derde optie, als het niet zou lukken tot een overeengekomen oplossing te komen, bestond erin dat het Verenigd Koninkrijk zich volledig zou blijven afstemmen op de regels van de interne markt en van de douane-unie, die de Noord-Zuid-samenwerking, de economie op heel het eiland, en de bescherming van het Goede Vrijdagakkoord ondersteunen. In alle omstandigheden zou het Verenigd Koninkrijk de vrije toegang van Noord-Ierse bedrijven tot de volledige interne markt van het VK behouden.

 

Het ontwerpterugtrekkingsakkoord, zoals gepubliceerd op 19 maart 2018, was gebaseerd op de derde optie van het gezamenlijk verslag – de zogenaamde noodoplossing (“backstop”) – die tot doel had de Noord-Zuid-samenwerking te beschermen en een harde grens te vermijden. De tekst voorzag in de bescherming van het gemeenschappelijk reisgebied: over de handhaving daarvan bestond een akkoord tussen de EU en het VK.

 

Om grenscontroles te vermijden, omvatte de voorgestelde oplossing volledige overeenstemming met het EU-recht inzake goederen en veterinaire en fytosanitaire voorschriften, en de toepassing van het EU-douanewetboek op Noord-Ierland.

Het was niettemin nog steeds de afspraak om de drie opties uit punt 49 van het gezamenlijk verslag te bespreken. Er werd echter geen overeenstemming bereikt over een aanzienlijk deel van de tekst van het protocol op dat moment.

De door de regering van het VK voorgestelde noodoplossing

 

Het was moeilijk om een “flexibele en creatieve” oplossing op maat te vinden, vanwege zowel politieke redenen die verband hielden met de rode lijnen van de regering van het VK als juridische redenen in verband met de constitutionele architectuur van zowel de EU als het VK.

 

Gezien het voornemen van de regering van het VK om “de interne markt, de douane-unie en de jurisdictie van het Hof van Justitie van de EU (HvJ-EU) te verlaten”, was de uitdaging in politiek opzicht groot[31]. Juridisch gezien beperkten de integriteit van de rechtsorde van de EU, en voor het VK de integriteit van het VK als één enkel douanegebied, de mogelijkheden voor gedifferentieerde oplossingen aanzienlijk. In het gezamenlijk verslag van 8 december 2017 hebben de partijen zich ertoe verbonden mechanismen in te voeren om te verzekeren dat de tenuitvoerlegging en monitoring van een specifieke regeling de integriteit van de interne markt van de EU en de douane-unie zou beschermen. Het Verenigd Koninkrijk heeft ook herinnerd aan zijn voornemen om de integriteit van zijn interne markt en de plaats van Noord-Ierland daarin te beschermen, wanneer het land de interne markt van de EU en de douane-unie verlaat.

 

De werkzaamheden werden voortgezet: de grensoverschrijdende Noord-Zuid-samenwerking werd in kaart gebracht[32] en de reikwijdte van de nodige bepalingen om te zorgen voor juridisch sluitende tekst met betrekking tot de kwestie Ierland/Noord-Ierland werd bepaald. In hun gezamenlijke verklaring van 19 juni 2018 erkenden de partijen dat voor de noodoplossing met betrekking tot Ierland/Noord-Ierland bepalingen vereist waren over de douane en de aanpassing van de regelgeving in lijn met punt 49 van het gezamenlijk verslag van december 2017.

 

De noodoplossing werd ontworpen op basis van voorstellen van de regering van het Verenigd Koninkrijk, die op zoek was naar “oplossingen op maat” voor de “unieke omstandigheden van Noord-Ierland” als een “integraal deel van de economie van het VK (...), volledig geïntegreerd in de economie van Ierland, met name op gebieden als de agrovoedingssector”, maar erkende dat het “moeilijk voorstelbaar is hoe Noord-Ierland in zekere zin deel van de EU blijft uitmaken, terwijl de rest van het land zich terugtrekt”[33].

 

De tekst waar aan het einde van de onderhandelingen, op 14 november 2018, uiteindelijk een akkoord over werd bereikt, had tot doel het hoofd te bieden aan de bovengenoemde uitdagingen voor de EU en het VK als gevolg van de unieke omstandigheden van Ierland en Noord-Ierland.

 

De tekst voorzag in een noodoplossing op basis van het voorstel van het VK voor één enkel douanegebied tussen de EU en het VK als geheel als geheel. De oplossing zou pas in werking treden als de EU en het VK uiterlijk op 1 juli 2020 geen verdere overeenkomt over de toekomstige betrekkingen zouden hebben bereikt.

 

In het ontwerpterugtrekkingsakkoord van november 2018 verklaarden de partijen zich bereid om te onderhandelen over een toekomstig akkoord dat het protocol zou vervangen, waardoor zij verplicht zijn te streven naar de sluiting en ratificatie van een dergelijk akkoord.

 

De noodoplossing was als verzekeringsclausule in het terugtrekkingsakkoord ingevoegd, en kon pas in werking treden als er aan het eind van de overgangsperiode geen overeenkomst zou zijn bereikt.

 

In de tekst was duidelijk en voldoende verklaard dat de partijen de intentie hadden de noodoplossing niet in te roepen, en inspanningen zouden leveren om het akkoord over de toekomstige betrekkingen snel rond te krijgen.

 

Omdat er controverse ontstond over de noodoplossing na afloop van de onderhandelingen, heeft de Europese Unie alles in het werk gesteld om aan de tegenpartijen van het VK duidelijk te maken hoe belangrijk de bepalingen van het protocol waren, tot aan de vooravond van de eerste betekenisvolle stemming in het Britse Lagerhuis. Zoals duidelijk gemaakt door de Europese Raad (artikel 50) tijdens de bijzondere bijeenkomst van 13 december 2018, verwierp de EU de mogelijkheid om de onderhandelingen te heropenen.

 

In een brief van de voorzitter van de Europese Raad en de voorzitter van de Europese Commissie aan premier Theresa May van 14 januari 2019, werd verduidelijkt dat de Europese Unie de noodoplossing niet in werking wenste te zien, en vastbesloten was de noodoplossing zo snel mogelijk door een aanvullend akkoord te vervangen.

 

Deze versie van het terugtrekkingsakkoord werd in drie opeenvolgende stemmingen door het Britse parlement verworpen, namelijk op 15 januari, 12 maart en 29 maart 2019.

 

Wijziging van de aanpak van de regering van het Verenigd Koninkrijk

 

Nadat premier Theresa May ontslag had genomen en een nieuwe regering voor het VK was gevormd, verklaarde de nieuwe premier Boris Johnson op 25 juli 2019 in zijn mededeling over de prioriteiten voor de regering dat het VK het akkoord waarover met de vorige premier was onderhandeld niet kon aanvaarden. De nieuwe premier was van oordeel dat de noodoplossing moest worden geschrapt en dat de kwestie van de Ierse grens in een toekomstig akkoord tussen de EU en het VK moest worden behandeld.

 

De Europese Raad verklaarde in zijn conclusies van 10 april 2019 dat over het terugtrekkingsakkoord niet opnieuw onderhandeld kon worden, en dat elke unilaterale toezegging, verklaring of andere handeling diende te stroken met de letter en de geest van het terugtrekkingsakkoord, en geen belemmering mocht vormen voor de uitvoering daarvan. In dit verband bevestigde Michel Barnier, hoofdonderhandelaar, dat de EU nog steeds bereid was om met het terugtrekkingsakkoord compatibele en juridisch sluitende voorstellen van het VK te analyseren. De gesprekken tussen de EU en het VK werden dan ook voortgezet met het oog op het vinden van alternatieve regelingen, teneinde een werkbare en juridisch sluitende oplossing in het terugtrekkingsakkoord op te nemen voor de unieke omstandigheden op het eiland Ierland.

 

Begin oktober 2019 heeft de regering van het VK nieuwe voorstellen ingediend voor een herzien Protocol inzake Ierland/Noord-Ierland, waarin de volgende elementen waren opgenomen: 1) één regelgevend gebied voor goederen op het eiland Ierland, 2) de EU en het VK zouden twee verschillende douanegebieden vormen en alle douanecontroles zouden worden uitgevoerd weg van de grens tussen Ierland en Noord-Ierland, en 3) de Noord-Ierse Assemblee en Executive zouden de bevoegdheid krijgen om, in eerste instantie, toestemming te verlenen voor de inwerkingtreding van het regelgevend gebied, en vervolgens om de vier jaar een verlenging goed te keuren.

 

De belangrijkste doelstellingen van de regering van het VK waren ervoor te zorgen dat het VK in zijn geheel in één enkel douanegebied zou worden ondergebracht, de controle over het externe handelsbeleid terug te krijgen en minder aandacht te besteden aan de voortzetting van de vlotte handel tussen de EU en het VK als geheel.

 

De hoofdonderhandelaar van de EU, Michel Barnier, was van mening dat de voorstellen van het VK grote problemen veroorzaakten, aangezien zij de integriteit van de interne markt van de EU en de douane-unie ernstig in gevaar brachten door niet te voorzien in operationele en geloofwaardige douane- en regelgevingscontroles aan de grens tussen Ierland en Noord-Ierland, die feitelijk twee afzonderlijke jurisdicties zouden worden.

 

Wat de democratische goedkeuring betreft, stemde de hoofdonderhandelaar van de EU ermee in het idee om de Noord-Ierse instellingen een belangrijkere rol toe te kennen bij de toepassing van het protocol te onderzoeken, maar merkte hij op dat het voorstel de toepassing van het protocol afhankelijk stelde van een eenzijdig besluit van de Noord-Ierse instellingen.

 

Om deze redenen konden de voorstellen niet aanvaard worden, aangezien zij erop neerkwamen dat een operationele, praktische en wettelijke oplossing vervangen zou worden door een louter hypothetische en voorlopige oplossing.

 

Via zijn stuurgroep voor de brexit reageerde het Parlement op de voorstellen van het VK, met name in een verklaring op 3 oktober 2019, waarin werd meegedeeld dat het Parlement geen goedkeuring zou hechten aan een akkoord op basis van deze voorstellen van het VK. De bezwaren van de stuurgroep waren in wezen dat de voorstellen van het VK inzake douane- en regelgevingsaspecten expliciet voorzagen in infrastructuur, verificaties en controles, wat de economie van het eiland zou kunnen schaden. De vereiste van goedkeuring door de Noord-Ierse Assemblee zou het akkoord onzeker maken en afhankelijk stellen van voorlopige en unilaterale beslissingen, in plaats van de zekerheid te bieden die er bij de noodoplossing was. Het Parlement bleef echter openstaan voor alle voorstellen, zolang deze geloofwaardig en juridisch sluitend waren en hetzelfde effect hadden als de in het terugtrekkingsakkoord bereikte compromissen.

 

Overeengekomen definitieve tekst

 

In de loop van de volgende dagen werd intensief verder onderhandeld, tot de Commissie op 17 oktober 2019 aankondigde dat zij de Europese Raad (artikel 50) had aanbevolen goedkeuring te hechten aan het akkoord dat op het niveau van de onderhandelaars was bereikt over een herziene tekst van het terugtrekkingsakkoord, met inbegrip van een herzien Protocol inzake Ierland/Noord-Ierland, alsook goedkeuring te hechten aan een herziene politieke verklaring over het kader van de toekomstige betrekkingen tussen de EU en het VK.

 

De hoofdonderhandelaar verklaarde dat de onderhandelaars erin geslaagd waren oplossingen te vinden “die de integriteit van de interne markt volledig eerbiedigen en een nieuwe en juridisch werkbare oplossing creëren om een harde grens te vermijden en de vrede en de stabiliteit op het eiland Ierland te beschermen. Het is een oplossing die werkt voor de EU, voor het VK, en voor mensen en ondernemingen in Noord-Ierland”.

 

De belangrijkste wijziging is dat in het herziene protocol de noodoplossing en de idee van één douane-unie tussen de EU en het VK geschrapt zijn. Uit hoofde van het herziene protocol maakt Noord-Ierland volledig deel uit van het douanegebied van het VK, maar past het de EU-douanewetgeving toe (artikel 5, lid 3, van het Protocol inzake Ierland/Noord-Ierland). Er zijn geen tarieven van toepassing op goederen die van Groot-Brittannië naar Noord-Ierland worden overgebracht, tenzij voor die goederen het risico bestaat dat zij vervolgens naar de EU worden gebracht, in welk geval zij aan de EU-douanerechten en de EU-regelgeving inzake btw zullen worden onderworpen. Dat zou verzekeren dat er geen douaneverificaties of ‑controles vereist zijn, maar er zouden wel administratieve procedures nodig zijn om te verzekeren dat goederen die de EU binnenkomen aan de relevante wetgeving voldoen.

 

De schrapping van het enkele douanegebied tussen de EU en het VK heeft geleid tot de afschaffing van de regels inzake het gelijk speelveld. Noord-Ierland blijft evenwel aan de hand van een aantal welomschreven regels afgestemd op de interne markt, met inbegrip van wetgeving inzake goederen, regelgeving inzake diergezondheidscontroles, regelgeving inzake landbouwproducten en het op de markt brengen ervan, alsook regelgeving inzake btw en accijnzen op goederen en inzake staatssteun, allemaal om een harde grens te vermijden. Ook wat betreft de maatregelen die van invloed zijn op de handel tussen Noord-Ierland en de EU, zullen de staatssteunregels van de EU van toepassing zijn op het VK.

 

De noodzakelijke verificaties en controles van goederen zullen uitgevoerd worden “aan de grens van Noord‑Ierland met de rest van de wereld, of, op handel die van het oosten naar het westen gaat, tussen Groot-Brittannië en Noord-Ierland. [...] Deze processen zullen grotendeels elektronisch verlopen, en de verificatie van goederen zal in beginsel eerder betrekking hebben op de afstemming van regelgeving, dan op de naleving van de douanewetgeving”[34].

 

Het VK zal verantwoordelijk zijn voor de tenuitvoerlegging van de bepalingen van het EU‑recht die uit hoofde van het protocol van toepassing zijn, maar vertegenwoordigers van de EU zullen het recht hebben toezicht uit te oefenen op de activiteiten van het VK in dit verband. Het HvJ-EU zal zijn rechtsmacht met betrekking tot de uitvoering van de bepalingen van het protocol inzake aanpassing van douanewetgeving en regelgeving behouden[35].

 

De in het nieuwe protocol vastgestelde oplossingen zijn erop gericht controles aan de grens tussen Ierland en Noord-Ierland te vermijden, om te waarborgen dat er geen harde grens zal ontstaan en tegelijkertijd de integriteit de van de interne markt en de douane-unie van de EU te beschermen. Het protocol voorziet in een permanente oplossing, en niet in een “verzekeringsclausule” die afhangt van de sluiting van een akkoord over de toekomstige betrekkingen.

 

Een belangrijk nieuw element van het herziene protocol is dat het afhankelijk wordt gesteld van de “toestemming” van de leden van de Noord-Ierse Assemblee, die beslissen of de relevante EU-wetgeving in Noord-Ierland van toepassing zal blijven. De voorwaarden voor deze toestemming verschillen echter aanzienlijk van de voorwaarden die oorspronkelijk door het VK waren voorgesteld: de tekst verzekert gedurende minstens enkele jaren voorspelbaarheid en stabiliteit.

 

Het protocol zal in werking treden vanaf het einde van de overgangsperiode, in lijn met artikel 185, lid 5, van het terugtrekkingsakkoord. Overeenkomstig artikel 18 van het protocol, in samenhang met de unilaterale verklaring van het VK over de werking van de bepaling over “democratische toestemming in Noord-Ierland” in het Protocol inzake Ierland/Noord-Ierland[36], zal de Noord-Ierse Assemblee vier jaar na het einde van de overgangsperiode beslissen of de artikelen 5 tot en met 10 van het protocol van toepassing zullen blijven (regelgevings-, douane- en markregelingen). In geval van goedkeuring na deze initiële periode, wordt de toestemming vier jaar later verlengd indien de oorspronkelijke goedkeuring met een meerderheid van de leden van de Noord-Ierse Assemblee gebeurde, of acht jaar later wanneer er gemeenschapsoverschrijdende steun voor de goedkeuring was, in de zin van artikel 18, lid 6, onder a), van het protocol. Indien de voortzetting van de toepassing van deze bepalingen wordt verworpen, zullen deze twee jaar na de stemming ophouden van toepassing te zijn.

 

Hoewel het protocol niet langer afhangt van een toekomstig akkoord, maakt artikel 13, lid 8, van het protocol duidelijk dat het geheel of gedeeltelijk door een dergelijk akkoord kan worden vervangen.

 

Het protocol voorziet in een juridisch sluitende en permanente oplossing die een harde grens vermijdt, de economie van het volledige eiland en het Goede Vrijdagakkoord in al zijn onderdelen beschermt, en de integriteit van de interne markt eerbiedigt.

 

Bovendien voorziet het protocol in de handhaving van het gemeenschappelijk reisgebied, met volledige eerbiediging van de uit het EU-recht voortvloeiende rechten voor Ierse burgers in Noord-Ierland.

 

Afwikkeling van de financiële verplichtingen van het VK

 

De afwikkeling van de financiële verplichtingen van beide partijen als gevolg van de terugtrekking van het VK leidde tot grote controverse aan het begin van het terugtrekkingsproces vanwege het bedrag dat in de pers werd genoemd (60 miljard EUR), en werd door sommigen beschouwd als “misschien wel het grootste obstakel voor een vlotte brexit”[37].

 

De EU wenste niet per se tot een bepaald bedrag te komen, maar wilde een methode definiëren die zou verzekeren dat zowel de EU als het VK zouden voldoen aan alle verplichtingen die voortvloeiden uit de volledige duur van het EU-lidmaatschap van het VK, op basis van het beginsel dat wat door 28 lidstaten is vastgelegd, ook door 28 lidstaten moet worden gedragen. Over deze methode werd reeds vroeg in de onderhandelingen een akkoord bereikt.

 

De toenmalige Britse premier Theresa May maakte in haar toespraak van 22 september 2017 in Firenze zeer duidelijk dat het VK de toezeggingen tijdens zijn EU-lidmaatschap zou nakomen.

 

De Europese Raad heeft in zijn richtsnoeren van 29 april 2017 bepaald dat voor een ordelijke terugtrekking één enkele financiële regeling vereist is, die waarborgt dat zowel de EU als het VK de verplichtingen nakomen die voortvloeien uit de volledige duur van het EU-lidmaatschap van het VK, met inachtneming van alle verbintenissen en verplichtingen.

 

Voor het Parlement was het duidelijk dat het Verenigd Koninkrijk al zijn wettelijke, financiële en begrotingsverplichtingen moest nakomen, met inbegrip van de betalingsverplichtingen die het land in het kader van het meerjarig financieel kader (MFK) 2014-2020 was aangegaan, en dat zowel in de periode tot aan de terugtrekking, als daarna. Het terugtrekkingsakkoord moet de afwikkeling van deze verplichtingen, ook langs de kant van de EU, aanpakken middels één enkele financiële regeling, op basis van de jaarrekeningen van de Europese Unie zoals gecontroleerd door de Europese Rekenkamer, met inbegrip van alle verplichtingen uit hoofde van aangegane verbintenissen, en bepalingen voor posten buiten de balans, onvoorziene verplichtingen en andere financiële kosten die rechtstreeks voortvloeien uit de terugtrekking van het Verenigd Koninkrijk.

 

In het mandaat voor de onderhandelingen dat op 22 mei 2017 door de Raad was aangenomen, werden de beginselen gedefinieerd die ten grondslag moeten liggen aan de methodologie voor de financiële afwikkeling, die in de eerste fase van de onderhandeling vastgesteld moest worden. Op basis hiervan heeft de Commissie op 24 mei 2017 een werkdocument opgesteld over de beginselen van de financiële afwikkeling, dat in wezen gebaseerd is op het principe dat het VK zijn aandeel in de financiering van alle als lidstaat aangegane verplichtingen moet nakomen.

 

In hun gezamenlijk verslag van 8 december 2017 verklaarden de onderhandelaars dat een methode voor de financiële afwikkeling was overeengekomen, bestaande uit een reeks beginselen om de waarde te berekenen van de financiële regeling en de betalingsmodaliteiten, van de regeling voor de verdere deelname van het VK aan de programma’s in het kader van het MFK 2014‑2020 tot aan hun afsluiting, en voor een financiële regeling met betrekking tot EU-organen en fondsen in verband met EU-beleidsmaatregelen (de Europese Investeringsbank, de Europese Centrale Bank, de EU‑trustfondsen, de Faciliteit voor vluchtelingen in Turkije, de instanties van de Raad en het Europees Ontwikkelingsfonds).

 

In het oorspronkelijke ontwerpterugtrekkingsakkoord van 28 maart 2018 werden deze regelingen vertaald in juridische termen, met inbegrip van een aantal praktische regelingen en betalingstermijnen. In zijn resolutie van 14 maart 2018[38] verklaarde het Parlement dat de tekst grotendeels overeenstemde met zijn standpunten, en had het geen verdere opmerkingen of verzoeken met betrekking tot de financiële afwikkeling. In het herziene ontwerpterugtrekkingsakkoord waren er geen wijzigingen in dit deel van de tekst.

 

Deel vijf van het terugtrekkingsakkoord betreft de financiële bepalingen, die met name betrekking hebben op:

 de deelname van het VK aan de EU‑begrotingen van 2019 en 2020, de tenuitvoerlegging van EU‑programma’s en -activiteiten in het kader van het MFK 2014-2020, en de Unierechtelijke regels die na het einde van de overgangsperiode van toepassing zullen zijn;

 eventuele uitstaande verplichtingen op 31 december 2020;

 door de EU geïnde boetes en de daarmee verband houdende vergoedingen die aan het VK verschuldigd zijn;

 de bijdrage van het VK aan de financiering van de EU-verplichtingen die zijn aangegaan tot en met 31 december 2020, met inbegrip van voorwaardelijke financiële verplichtingen waartoe is besloten of die zijn goedgekeurd vóór de inwerkingtreding het terugtrekkingsakkoord, en rechtszaken met betrekking tot de financiële belangen met betrekking tot de begroting;

 de verplichtingen van de EU ten aanzien van het VK in het algemeen, onder meer met betrekking tot de Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal en het Europees Investeringsfonds;

 het tijdschema voor de betalingen na 2020;

 de terugbetaling van het door het VK gestorte kapitaal aan de Europese Centrale Bank;

 de verplichtingen van het VK met betrekking tot de Europese Investeringsbank (EIB) en de terugbetaling van het door het VK gestorte geplaatste kapitaal aan de EIB;

 de verplichtingen van het VK met betrekking tot het Europees Ontwikkelingsfonds (EOF) en de verdere deelname van het VK aan dit fonds, tot de afsluiting van het 11e EOF;

 de verplichtingen van het VK met betrekking tot het noodtrustfonds voor stabiliteit en de aanpak van de diepere oorzaken van irreguliere migratie en het fenomeen van ontheemding in Afrika;

 de deelname van het VK aan de relevante organen in verband met de Faciliteit voor vluchtelingen in Turkije;

 de verplichtingen van het VK met betrekking tot de financiering van het Europees Defensieagentschap, het Instituut voor veiligheidsstudies van de Europese Unie en het Satellietcentrum van de Europese Unie, en operaties in het kader van het gemeenschappelijk veiligheids- en defensiebeleid.

 

Overgangsperiode

 

Een van de inhoudelijke kwesties waar een lange politieke en juridische discussie over gehouden werd, was de mogelijkheid van overgangsregelingen.

 

In artikel 50 van het VEU wordt niet expliciet verwezen naar de mogelijkheid van een overgangsperiode, waardoor het onduidelijk was of deze bepaling een rechtsgrondslag kon vormen voor overgangsregelingen, of hiervoor integendeel afzonderlijke, sectorale rechtsgrondslagen nodig waren.

 

Zowel het Europees Parlement als de Europese Raad namen hierover in een vroeg stadium van het onderhandelingsproces een standpunt in. De Europese Raad was het erover eens dat er onderhandeld moest worden over een overgangsperiode die het gehele EU-acquis bestreek, ook al zou het VK als derde land niet langer participeren in de EU-instellingen noch leden daarin benoemen of verkiezen, en zou het ook niet deelnemen aan de besluitvorming van EU-organen, -instanties en -agentschappen.

 

Het Parlement was in zijn resolutie van 3 oktober 2017[39] van oordeel dat een overgangsperiode noodzakelijk was om een “cliff edge”-scenario (een abrupte beëindiging van de betrekkingen) op de dag van de terugtrekking te vermijden en rechtszekerheid en continuïteit te verzekeren. Hiervoor zouden de bestaande instrumenten en structuren van de EU op het gebied van regelgeving, begroting, toezicht, justitie en handhaving moeten worden behouden, wat zou neerkomen op een voortzetting van het volledige acquis communautaire en de volledige toepassing van de vier vrijheden (vrij verkeer van burgers, kapitaal, diensten en goederen), onder de volledige rechtsmacht van het HvJ-EU.

 

Beide instellingen hebben duidelijk aangegeven dat de overgangsregelingen wat tijd en toepassingsgebied betreft strikt moesten worden beperkt, alsook duidelijk gedefinieerd en constructief moesten zijn met het oog op de toekomstige betrekkingen. Dergelijke vereisten zouden elke overgangsperiode binnen de werkingssfeer van artikel 50 van het VEU brengen als onderdeel van het terugtrekkingsproces[40].

 

Er werd een zekere mate van voorwaardelijkheid ingevoerd door de overgangsperiode een voorwaarde te maken om een volwaardig en exhaustief terugtrekkingsakkoord te kunnen sluiten. Zonder akkoord zou er geen overgangsperiode zijn. Een dergelijke overgang, als brug tussen de periode na het einde van het EU-lidmaatschap tot aan het akkoord over de toekomstige betrekkingen, is cruciaal voor een ordelijke terugtrekking van het VK uit de EU.

 

Een overgangsperiode werd opgenomen in deel vier van het ontwerpterugtrekkingsakkoord, waarin is bepaald dat een overgangs- of uitvoeringsperiode zal beginnen op de datum van inwerkingtreding van het terugtrekkingsakkoord en zal eindigen op 31 december 2020 (artikel 126 van het terugtrekkingsakkoord). Tijdens die periode zal de deelname van het VK in de instellingen, organen, instanties en agentschappen van de EU weliswaar tot een einde komen, aangezien het VK niet langer een lidstaat zal zijn, maar zal het merendeel van het EU-recht van toepassing blijven op en in het VK, en zulks, in de regel (uitzonderingen zijn opgenomen in artikel 127 van het terugtrekkingsakkoord), met dezelfde gevolgen als voor de lidstaten, teneinde ontwrichting tijdens de onderhandelingen over de toekomst van de betrekkingen te vermijden. Deze termijn kan bij besluit van het Gemengd Comité worden verlengd voor één of twee jaar, vóór 1 juli 2020 (artikel 132 van het terugtrekkingsakkoord).

 

In zijn resolutie van 14 maart 2018[41] heeft het Parlement zijn steun uitgesproken voor deel vier van het terugtrekkingsakkoord inzake overgangsregelingen.

 

Het moet echter worden erkend dat de overgangsperiode “een zekere mate van ademruimte biedt”, maar misschien onvoldoende bescherming biedt tegen een “tweede cliff edge”, “aangezien de bepalingen enkel betrekking hebben op de voorwaarden voor het vertrek” en “het bereiken van een overeenkomst op lange termijn (...) bijzonder moeilijk zal zijn”, aangezien “het veel langer duurt om over complexe, brede en ambitieuze handelsakkoorden te onderhandelen, en [het toekomstige akkoord tussen de EU en het VK] waarschijnlijk het lastigste akkoord is dat de EU ooit heeft moeten sluiten”[42].

 

Door de opeenvolgende verlengingen overeenkomstig artikel 50, lid 3, van het VEU, is de uitdaging nu nog groter, aangezien de termijn van de overgangsperiode in het herziene ontwerpterugtrekkingsakkoord ongewijzigd is gebleven. Tenzij vóór 1 juli 2020 een besluit tot verlenging wordt genomen, zal de overgangsperiode niet langer dan 11 maanden duren.

 

Governance

 

Institutioneel kader van het terugtrekkingsakkoord

 

Het institutioneel kader van het terugtrekkingsakkoord, enerzijds, en van de toekomstige betrekkingen tussen de EU en het VK, anderzijds, is een belangrijk onderwerp voor het Parlement. In zijn resolutie van 18 september 2019[43], verklaarde het Parlement dat de waarde van het terugtrekkingsakkoord er, onder andere, in bestaat dat het in de grootst mogelijke mate “bepalingen inzake governance bevat die de rol van het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJ-EU) bij de uitlegging van het terugtrekkingsakkoord waarborgen, voor zover van toepassing”.

 

Het Parlement heeft steeds gewezen op de belangrijke rol van het HvJ-EU als de bevoegde autoriteit voor de uitlegging en handhaving van het terugtrekkingsakkoord, maar ook op het belang van een governancekader met een solide en onafhankelijk mechanisme voor geschillenbeslechting in het kader van het akkoord over de toekomstige betrekkingen. De rol van het HvJ-EU is een essentieel kenmerk van de autonomie en integriteit van de rechtsorde van de EU.

 

In het terugtrekkingsakkoord wordt een genuanceerd governancestelsel voorgesteld dat afhangt van de verschillende delen van het terugtrekkingsakkoord en van de betreffende stand van zaken, aangezien het EU-recht ongewijzigd van toepassing blijft tijdens de overgangsperiode. In verschillende gevallen krijgt het HvJ-EU een centrale rol.

 

Overgangsperiode

 

Tijdens de overgangsperiode blijft het HvJ-EU bevoegd voor alle procedures die voor het einde van de overgangsperiode zijn geregistreerd en totdat een definitieve bindende uitspraak is gedaan (artikel 131 van het terugtrekkingsakkoord). Het HvJ-EU blijft tot aan het einde van de overgangsperiode bevoegd in ingestelde procedures (artikel 86 van het terugtrekkingsakkoord), alsook in nieuwe inbreukprocedures die binnen vier jaar na het einde van de overgangsperiode aanhangig gemaakt worden voor schendingen van het EU-recht of de niet-naleving van administratieve besluiten vóór het einde van de overgangsperiode, of, in bepaalde gevallen, zelfs na het einde van de overgangsperiode (artikel 87 van het terugtrekkingsakkoord).

 

Rechten van de burgers

 

Met betrekking tot deel twee van het terugtrekkingsakkoord, over de rechten van de burgers, blijft het HvJ-EU tot acht jaar na het einde van de overgangsperiode bevoegd voor verzoeken van rechtbanken van het VK om een prejudiciële beslissing (indien de overgangsperiode wordt verlengd, dan wordt deze periode ook met het overeenkomstige aantal maanden verlengd).

 

Beslechting van geschillen

 

Wat de algemene regeling voor de beslechting van geschillen in het terugtrekkingsakkoord betreft, zullen eventuele geschillen geregeld worden door het Gemengd Comité of een arbitragepanel. Als het geschil echter betrekking heeft op de uitlegging van een bepaling van het recht van de Unie, moet het arbitragepanel overeenkomstig artikel 174 het HvJ-EU verzoeken zich over die vraag uit te spreken.

 

Protocol inzake Ierland/Noord-Ierland

 

In het kader van het protocol inzake Ierland/Noord‑Ierland, voorziet artikel 12, lid 4, in de bevoegdheid van het Hof in verband met de uitoefening van de bevoegdheden van de instellingen, organen en instanties van de EU met betrekking tot de tenuitvoerlegging van een aantal artikelen uit het protocol, en in de mogelijkheid van prejudiciële beslissingen krachtens artikel 267 VWEU.

 

De toekomstige betrekkingen

 

Wat de toekomstige betrekkingen betreft, lichtte het Parlement in zijn resolutie van 14 maart 2018[44] de governancekwestie toe, en nam het daarbij het standpunt in dat elk toekomstig akkoord tussen de EU en het VK met het VK als derde land de instelling moest omvatten van een samenhangend en solide governancesysteem als overkoepelend kader voor de vier pijlers, dat het gezamenlijk permanent toezicht/beheer van het akkoord en mechanismen voor geschillenbeslechting en handhaving met betrekking tot de interpretatie en toepassing van de bepalingen van het akkoord moest omvatten.

 

De contouren van de toekomstige betrekkingen zijn nu echter minder duidelijk. In de herziene politieke verklaring van 17 oktober 2019 werden verwijzingen naar het gebruik van de regelingen van het terugtrekkingsakkoord als basis voor toekomstige geschillenbeslechting en handhaving geschrapt (voormalig punt 132). In de nieuwe politieke verklaring is ook de verwijzing naar het HvJ-EU in het kader van de handhavingsmechanismen geschrapt, hoewel de rol van het HvJ-EU met betrekking tot de uitlegging van bepalingen en begrippen van het EU‑recht wordt behouden. Er wordt wel uitdrukkelijk op gewezen dat het Hof niet betrokken mag zijn als een geschil geen betrekking heeft op een kwestie van het EU‑recht. In het algemeen wordt de nieuwe benadering in de politieke verklaring op basis van lossere, minder hechte betrekkingen weerspiegeld in het beoogde institutionele kader.

 

De rol van het Parlement bij het toezicht op de uitvoering van het terugtrekkingsakkoord

 

Het Parlement heeft getracht een grotere rol te krijgen bij het toezicht op de uitvoering van het terugtrekkingsakkoord, ook buiten de in het terugtrekkingsakkoord bepaalde structuren. Het had immers zijn bezorgdheid geuit over de aanzienlijke bevoegdheden die aan het Gemengd Comité worden toegekend in artikel 164 van het terugtrekkingsakkoord, en had verklaard dat een terugtrekkingsakkoord niet de gebruikelijke vorm was om een internationaal akkoord met een derde land te sluiten, maar integendeel een verdrag tussen de EU en een zich terugtrekkende lidstaat is.

 

Er moest worden gezorgd voor behoorlijke verantwoordingsplicht en parlementaire controle in verband met de besluitvorming in het Gemengd Comité.

 

Op basis van een mandaat van de Conferentie van voorzitters, hebben de stuurgroep voor de brexit en haar voorzitter overlegd met de Raad om een hechte samenwerking tot stand te brengen met betrekking tot de werkzaamheden van het krachtens het terugtrekkingsakkoord opgerichte Gemengd Comité. De gesprekken betroffen de deelname van het EP aan de belangrijkste besluiten van het Gemengd Comité, onder meer over de verlenging van de overgangsperiode en de financiële bijdragen van het VK in dat scenario, en de beëindiging van de onafhankelijke monitoringautoriteit van het VK.

 

De betrokkenheid van het EP bij deze kwesties werd bevestigd in een verklaring van Jean-Claude Juncker, die op dat moment voorzitter van de Europese Commissie was, tijdens de laatste plenaire vergadering van de 8e zittingsperiode op 10 april 2019. De voorzitter van de Commissie verzekerde dat de Commissie nauw zou blijven samenwerken met het Parlement in het kader van de uitvoering van het terugtrekkingsakkoord, en dat de Commissie het Parlement nauw zou betrekken en zoveel mogelijk rekening zou houden met zijn standpunten, telkens in het Gemengd Comité een besluit zou worden genomen.

 

Het Gemengd Comité bestaat uit vertegenwoordigers van de EU en het VK, en is verantwoordelijk voor de uitvoering en toepassing van het terugtrekkingsakkoord. De besluiten van het Gemengd Comité zijn bindend voor de EU en het VK, met dezelfde rechtskracht als het terugtrekkingsakkoord, en het Comité heeft uitgebreide bevoegdheden met betrekking tot de werking van het terugtrekkingsakkoord. Deze omvatten de bevoegdheid om te beslissen over een verlenging van de overgangsperiode en de gevolgen daarvan, en in het bijzonder over de omvang van de bijdrage van het VK aan de EU-begroting.

 

In het herziene protocol inzake Ierland/Noord-Ierland heeft het Gemengd Comité ook belangrijke bevoegdheden in het kader van de douaneregelingen, met name het bepalen van de criteria op grond waarvan bepaald wordt of voor goederen die van buiten de EU in Noord-Ierland worden binnengebracht het risico bestaat dat zij vervolgens naar de EU worden gebracht (artikel 5, lid 2, van het Protocol inzake Ierland/Noord-Ierland). Het Gemengd Comité heeft ook de bevoegdheid om het maximaal totaal jaarlijks niveau van steun van het VK voor de productie van en de handel in landbouwproducten in Noord-Ierland vast te stellen, waarop de bepalingen van het EU‑recht inzake staatssteun niet van toepassing zijn (artikel 10, lid 2, van en bijlage 6 bij het Protocol inzake Ierland/Noord‑Ierland). Deze kwesties zijn zeer relevant aangezien zij betrekking hebben op kwesties die een potentieel risico inhouden voor de interne markt van de EU.

 

Het besluit van de Raad inzake de sluiting van het terugtrekkingsakkoord, in zijn herziene versie van 18 oktober 2019, voorziet in artikel 2, lid 4, in jaarlijkse verslaglegging door de Commissie aan het Parlement en de Raad over de tenuitvoerlegging van het terugtrekkingsakkoord, en met name deel 2 daarvan, gedurende de eerste vijf jaar na de inwerkingtreding van het akkoord.

 

In artikel 2, lid 3, van het ontwerpbesluit van de Raad is bepaald dat het Parlement zijn institutionele prerogatieven in de gehele procedure van het Gemengd Comité ten volle zal kunnen uitoefenen.

 

Overeenkomstig artikel 3, lid 5, en artikel 4, lid 8, van hetzelfde besluit heeft het Parlement ook het recht om in kennis te worden gesteld van besluiten van de Raad op grond waarvan het VK wordt gemachtigd toestemming te geven om tijdens de overgangsperiode te worden gebonden door een internationale overeenkomst, of op grond waarvan Ierland, Cyprus en Spanje toestemming krijgen om te onderhandelen over bilaterale overeenkomsten met het VK op gebieden die een exclusieve bevoegdheid van de EU zijn, in overeenstemming met de relevante protocollen bij het terugtrekkingsakkoord.

 

Kader voor de toekomstige betrekkingen

 

Ook de aard en de vorm van het kader voor de toekomstige betrekkingen behoorden tot de eerder controversiële thema’s tijdens de onderhandelingen, aangezien deze niet in artikel 50 van het VEU opgenomen zijn.

 

Tijdens het terugtrekkingsproces waren de toekomstige betrekkingen met de EU wellicht een van de meest prangende kwesties voor het VK, in elk geval tijdens het premierschap van Theresa May.

 

De toekomstige betrekkingen die toen door het VK werden nagestreefd, waren bijzonder ambitieus wat de toegang tot de EU-programma’s, -organen, ‑databanken en zelfs ‑vergaderingen betreft, hoewel het VK deelname aan de interne markt en aan de douane-unie verwierp. Het VK streefde er ook naar de toekomstige betrekkingen gelijktijdig met de terugtrekkingsregeling te bespreken.

 

Het Parlement verklaarde vanaf het begin, in zijn resolutie van 5 april 2017[45], ernaar te streven een toekomstige relatie uit te werken die zo eng als mogelijk en wat rechten en plichten betreft evenwichtig zou zijn, en gebaseerd zou zijn op het beginsel dat een land dat zich uit de Unie terugtrekt niet dezelfde voordelen kan genieten als een lidstaat van de Europese Unie.

 

In zijn resolutie van 13 december 2017 over de stand van de onderhandelingen met het Verenigd Koninkrijk[46], merkte het Parlement voorts op dat tot een alomvattende afspraak over dit kader voor de toekomstige betrekkingen moest worden gekomen, in de vorm van een politieke verklaring die als bijlage bij het terugtrekkingsakkoord wordt gevoegd, onder voorbehoud van een aantal (in dezelfde resolutie genoemde) beginselen.

 

De Europese Raad koos voor een soortgelijke visie in zijn richtsnoeren van 15 december 2017, waarin werd gesteld dat eerst een algeheel begrip in kaart moest worden gebracht wat de toekomstige betrekkingen tussen de EU en het VK betreft, dat vervolgens zou worden uitgewerkt in een politieke verklaring die aan het terugtrekkingsakkoord zou worden toegevoegd en waarnaar in dat akkoord zou worden verwezen.

 

De mogelijke contouren van de toekomstige betrekkingen waren echter verre van duidelijk voor het VK. Verschillende sectoren en belanghebbenden deden voorstellen, gaande van een basisvrijhandelsovereenkomst tot een “Noorwegen+”‑status, of zelfs toetreding tot de EER, hoewel de regering van het VK al vanaf het begin duidelijk had gemaakt niet te willen deelnemen aan de interne markt, de EER of de douane-unie. Hoe dan ook besefte men in het VK dat een duidelijk akkoord over de toekomstige betrekkingen onmisbaar was om de “landingszone” voor de terugtrekking te bepalen.

 

Het Parlement stelde voor de toekomstige betrekkingen te baseren op artikel 217 van het VWEU, de betrekkingen zo breed mogelijk te maken maar een evenwicht te verzekeren wat rechten en plichten betreft, en daarbij de integriteit van de interne markt en de vier vrijheden te beschermen maar een per sector verschillende aanpak te vermijden. De Europese Raad waarschuwde ervoor dat, hoewel de doelstelling een hecht partnerschap was, de toekomstige betrekkingen niet dezelfde voordelen zouden kunnen bieden als het EU‑lidmaatschap, zoals ook het Parlement al duidelijk had gemaakt. De Europese Raad verwees ook naar een vrijhandelsovereenkomst en benadrukte daarbij de behoefte aan evenwicht en ambitie zonder de integriteit en de goede werking van de EU te ondermijnen.

 

In deze door de EU geformuleerde beginselen werd elke vorm van “cherry-picking” in het kader van de toekomstige betrekkingen tussen de EU en het VK verworpen.

 

Het Parlement herinnerde er in zijn resolutie van 14 maart 2018[47] aan dat een associatieovereenkomst die overeenkomstig artikel 8 VEU en artikel 217 VWEU wordt gesloten een passend kader voor de toekomstige betrekkingen kan bieden en een coherent bestuurskader kan garanderen, dat een degelijk mechanisme voor geschillenbeslechting moet omvatten, ter voorkoming van een proliferatie van bilaterale overeenkomsten en van de tekortkomingen die kenmerkend zijn voor de betrekkingen van de EU met Zwitserland.

 

Het Parlement stelde voor de toekomstige betrekkingen te baseren op vier pijlers:

– handel en economische betrekkingen,

– buitenlands beleid, samenwerking op het gebied van veiligheid en ontwikkelingssamenwerking,

– interne veiligheid,

– thematische samenwerking.

 

De onderhandelingen leidden uiteindelijk tot een akkoord over een politieke verklaring, die bekritiseerd werd vanwege de vage en niet-bindende aard ervan[48].

 

De politieke verklaring is inderdaad een niet-bindend document dat bij het terugtrekkingsakkoord wordt gevoegd, maar vormt daar geen integrerend deel van. De eerste versie van de tekst werd samen met het ontwerpterugtrekkingsakkoord gepubliceerd in het Publicatieblad van 19 februari 2019[49]. In deel 3 van de verklaring stond dat deze tot doel had de parameters vast te stellen voor een ambitieus, breed, diep en flexibel partnerschap dat samenwerking op het gebied van handel en economie, rechtshandhaving en strafrechtspleging, buitenlands beleid, veiligheid en defensie en ruimere samenwerkingsgebieden bestrijkt.

 

Bij de hervatting van de gesprekken over de tekst van het Protocol inzake Ierland/Noord-Ierland, en in nauw verband met de wijzigingen aan dat protocol, is de regering van het VK wat de toekomstige betrekkingen betreft van aanpak veranderd in vergelijking met de voorgaande regering. Deze gewijzigde aanpak werd toegelicht door premier Boris Johnson in zijn brief van 2 oktober aan Jean-Claude Juncker, voormalig voorzitter van de Europese Commissie. Hij verduidelijkte in die brief dat de noodoplossing diende “als een brug naar de voorgestelde toekomstige betrekkingen van het VK met de EU, waarbij het VK sterk geïntegreerd zou zijn in de EU‑douaneregelingen en op vele gebieden afgestemd zou zijn op het EU‑recht. Die voorgestelde toekomstige betrekkingen zijn niet wat de huidige regering van het VK beoogt. De regering is voornemens de toekomstige betrekkingen te baseren op een vrijhandelsovereenkomst waarbij het VK zelf zeggenschap heeft over zijn regelgeving en handelsbeleid”.

 

In de herziene politieke verklaring van 17 oktober 2019, zoals gepubliceerd in het Publicatieblad op 12 november 2019[50] bleven deze doelstellingen ongewijzigd wat de te bestrijken gebieden betreft (deel 3 van de politieke verklaring), maar is het model voor de toekomstige betrekkingen uitdrukkelijk vastgelegd: “een alomvattende en evenwichtige vrijhandelsovereenkomst”, op basis van nultarieven en nulquota. Andere belangrijke wijzigingen in de tekst weerspiegelen de schrapping van de noodoplossing uit het terugtrekkingsakkoord, en dus ook de schrapping van de verwijzing naar het eengemaakte douanegebied tussen de EU en het VK.

 

De wijzigingen in de tekst weerspiegelen de fundamentele verandering van aanpak en ambitieniveau: verwijzingen naar het in overeenstemming brengen van de regels werden geschrapt uit de delen van de tekst in verband met regelgevingsaspecten, douane en verificaties en controles; de rol van het HvJ-EU werd geschrapt in het kader van de mechanismen voor de beslechting van geschillen en handhaving, behalve wanneer vragen over de uitlegging van het EU‑recht worden opgeworpen. Met betrekking tot het gelijk speelveld, verwijst de tekst nu naar “concrete toezeggingen ter waarborging van een gelijk speelveld [die] evenredig zijn aan de reikwijdte en diepte van de toekomstige betrekkingen en de economische verbondenheid van de partijen”.

 

Een gelijk speelveld is essentieel voor de EU in het algemeen, en voor het Parlement in het bijzonder. In dit verband is het nuttig te herinneren aan de richtsnoeren van de Europese Raad (artikel 50) van 23 maart 2018, waarin wordt bevestigd dat de Europese Raad bereid is “besprekingen te beginnen met het oog op een evenwichtige, ambitieuze en brede vrijhandelsovereenkomst, voor zover er voldoende garanties zijn voor een gelijk speelveld” en dat “de toekomstige betrekkingen slechts naar wederzijdse tevredenheid verlopen als er degelijke garanties voor een gelijk speelveld aan worden gekoppeld”.

 

Evenzo heeft het Parlement in zijn resolutie van 18 september 2019[51] duidelijk verklaard dat de toekomstige onderhandelingen over de betrekkingen tussen de EU en het VK krachtige waarborgen en een gelijk speelveld zullen vereisen om de interne markt van de EU te beschermen en te voorkomen dat EU-bedrijven een mogelijk oneerlijk concurrentienadeel ondervinden, en dat elke vrijhandelsovereenkomst die niet in overeenstemming is met deze beschermingsniveaus niet door het Parlement zou worden geratificeerd.

 

 

 

Standpunt van de rapporteur

 

De terugtrekking van het VK is een betreurenswaardige gebeurtenis voor de Europese Unie en voor ons integratieproces, maar we kunnen het soevereine besluit van de Britse bevolking enkel respecteren en zorgen voor een terugtrekkingsakkoord waarin de scheiding met zo min mogelijk schadelijke gevolgen voor beide partijen wordt geregeld.

 

Het terugtrekkingsakkoord strookt met de algemene beginselen die de instellingen, en het Parlement in het bijzonder, vastgelegd hebben om de onderhandelingen te voeren en het akkoord te sluiten. Het akkoord dient de fundamentele doelstelling, namelijk een ordelijke terugtrekking van het VK, en effent de weg voor de onderhandelingen over eerlijke en evenwichtige toekomstige betrekkingen tussen de EU en het VK.

 

Gezien bovengenoemde stand van zaken stelt uw rapporteur voor dat de commissie AFCO een positieve aanbeveling uitbrengt over de sluiting van het terugtrekkingsakkoord.

 


 

 

BRIEF VAN DE COMMISSIE BUITENLANDSE ZAKEN

Dhr. Antonio Tajani

Voorzitter

Commissie constitutionele zaken

Betreft: <Titre>Advies inzake het voorstel voor een besluit van de Raad betreffende de sluiting van het Akkoord inzake de terugtrekking van het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland uit de Europese Unie en de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie</Titre> <DocRef>(2018/0427(NLE))</DocRef>

Geachte heer [...],

Tot haar spijt, in het kader van bovengenoemde procedure, is de Commissie buitenlandse zaken ermee belast een advies uit te brengen aan uw commissie. Gezien de urgentie van de zaak, hebben de coördinatoren van AFET op 4 december 2019 besloten het advies in briefvorm uit te brengen en de bevoegde Commissie constitutionele zaken te verzoeken onderstaande suggesties in haar verslag op te nemen.

Hoogachtend,

David McAllister

 

SUGGESTIES

 gezien artikel 50, lid 2, van het Verdrag betreffende de Europese Unie,

 gezien zijn resolutie van 5 april 2017 over onderhandelingen met het Verenigd Koninkrijk na de kennisgeving van het voornemen van dat land om zich uit de Europese Unie terug te trekken, en zijn resoluties van 3 oktober 2017, 13 december 2017 en 18 september 2019 over de stand van de onderhandelingen met het Verenigd Koninkrijk,

 gezien de conclusies van de bijeenkomsten van de Europese Raad (artikel 50) van 21 maart 2019 (PE 639.609/CPG), van 10 april 2019 (PE 639.538/CPG) en van 17 oktober 2019 (EUCO XT 20018/19),

 gezien de herziene tekst van de politieke verklaring waarin het kader wordt geschetst voor de toekomstige betrekkingen tussen de Europese Unie en het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland, zoals op 17 oktober 2019 op het niveau van de onderhandelaars overeengekomen en in PB C 384 I van 12.11.2019 bekendgemaakt, ter vervanging van de op 19.2.2019 in PB C 66I bekendgemaakte verklaring,

 gezien de mededeling van de Commissie van 4 september 2019 getiteld “Voorbereidingen treffen voor de terugtrekking van het Verenigd Koninkrijk uit de Europese Unie op 1 november 2019” (PE 639.554/CPG),

 gezien artikel 56 van het Reglement van het Europees Parlement,

A. overwegende dat de Unie en het Verenigd Koninkrijk in artikel 184 van het terugtrekkingsakkoord worden opgeroepen alles in het werk om de nodige stappen te nemen om via onderhandelingen spoedig tot de akkoorden inzake hun toekomstige betrekkingen te komen;

B. overwegende dat de Commissie buitenlandse zaken volgens het Reglement van het Europees Parlement bevoegd is “voor de bevordering, tenuitvoerlegging en controle van het buitenlands beleid van de Unie, ten aanzien van [onder meer] de intensivering van de politieke betrekkingen met derde landen door middel van veelomvattende samenwerkings- en hulpverleningsprogramma’s of internationale overeenkomsten, zoals associatie- en partnerschapsovereenkomsten”;

C. overwegende dat het Parlement in zijn resolutie van 18 september 2019 opmerkt dat de politieke verklaring, waarin het kader voor de toekomstige betrekkingen tussen de EU en het VK wordt uiteengezet, in overeenstemming is met zijn resolutie van 14 maart 2018 over het kader van de toekomstige betrekkingen tussen de EU en het VK, waarin wordt opgeroepen tot een associatieovereenkomst, alsook met de gedetailleerde inbreng van zijn commissies, en de door het VK gemaakte keuzes weerspiegelt met betrekking tot de reikwijdte en diepgang van zijn toekomstige betrekkingen met de EU;

D. overwegende dat artikel 129 van het terugtrekkingsakkoord “specifieke regelingen met betrekking tot het externe optreden van de Unie” omvat, waarbij het Verenigd Koninkrijk tijdens de overgangsperiode gebonden is door de verplichtingen die voortvloeien uit de internationale overeenkomsten die zijn gesloten door de Unie; overwegende dat dit zorgt voor duidelijkheid en voorspelbaarheid voor betrokken partijen, met inbegrip van internationale partners; overwegende dat het VK tijdens de overgangsperiode niet gebonden kan zijn aan nieuwe overeenkomsten die het als zelfstandige staat gesloten heeft op domeinen die een exclusieve bevoegdheid van de Unie zijn, tenzij het hiertoe de toestemming van de EU krijgt; overwegende dat het VK tijdens de overgangsperiode ook de beperkende maatregelen van de Unie ten uitvoer zal leggen die tijdens de overgangsperiode van kracht zijn of waartoe tijdens de overgangsperiode wordt besloten, alsook EU-verklaringen en -standpunten in derde landen en internationale organisaties zal ondersteunen, en per geval bekeken wordt of het land deelneemt aan militaire operaties en civiele missies van de EU in het kader van het gemeenschappelijk veiligheids- en defensiebeleid door middel van een deelnamekaderovereenkomst, evenwel zonder een leidende rol te vervullen; overwegende dat een soortgelijke overeenkomst de besluitvormingsautonomie van de Unie en de soevereiniteit van het VK onverlet laat, en het VK het recht zal behouden om te bepalen hoe het zal reageren op verzoeken of mogelijkheden om deel te nemen aan operaties of missies;

E. overwegende dat in artikel 127, lid 2, van het terugtrekkingsakkoord voorzien is in de mogelijkheid van vroegtijdige akkoorden over toekomstige betrekkingen tussen de EU en het VK op het gebied van het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid; overwegende dat deze bepaling een zeer belangrijk en positief element is, aangezien dit een gebied is waarop de belangen van de EU en van het VK meestal samenvallen, en dergelijke vroegtijdige akkoorden een stabiel kader bieden voor de samenwerking van het VK met de EU op het gebied van buitenlands optreden; overwegende dat deze overeenkomsten niettemin moeten worden onderworpen aan passende parlementaire controle, zoals bepaald in artikel 218 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, onder meer door het Europees Parlement in iedere fase van de onderhandelings- en sluitingsprocedure onverwijld en ten volle te informeren;

F. overwegende dat in artikel 156 van het terugtrekkingsakkoord bepaald is dat het Verenigd Koninkrijk tot en met 31 december 2020 bijdraagt aan de financiering van het Europees Defensieagentschap, het Instituut voor veiligheidsstudies van de Europese Unie en het Satellietcentrum van de Europese Unie, alsmede in de kosten van operaties op het gebied van het gemeenschappelijk veiligheids- en defensiebeleid;

1. De Commissie buitenlandse zaken verzoekt de bevoegde Commissie constitutionele zaken het Parlement aan te bevelen zijn goedkeuring te hechten aan het voorstel voor een besluit van de Raad betreffende de sluiting van het Akkoord inzake de terugtrekking van het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland uit de Europese Unie en de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie.

 


 

 

BRIEF VAN DE COMMISSIE INTERNATIONALE HANDEL

De heer Antonio Tajani

Voorzitter

Commissie constitutionele zaken

BRUSSEL

Betreft: <Titre>Advies inzake het voorstel voor een besluit van de Raad betreffende de sluiting van het akkoord over de terugtrekking van het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland uit de Europese Unie en de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie</Titre> <DocRef>(2018/0427(NLE))</DocRef>

Geachte voorzitter,

In het kader van bovengenoemde procedure heeft de Commissie internationale handel besloten een advies uit te brengen aan uw commissie. Tijdens haar vergadering van 21 januari 2020 heeft zij besloten dat advies in briefvorm uit te brengen.

Tijdens die vergadering heeft de Commissie internationale handel de kwestie behandeld en besloot zij de bevoegde Commissie constitutionele zaken te verzoeken onderstaande suggesties in haar ontwerpresolutie op te nemen.

Hoogachtend,

Bernd Lange

 

SUGGESTIES

A. overwegende dat het onderhandelingsproces over de voorwaarden voor terugtrekking van het VK lang heeft geduurd en zwaar is geweest;

 

B. overwegende dat de ratificatie van het akkoord door beide partijen en de tijdige inwerkingtreding ervan het meest gunstige scenario vormen voor de continuïteit van de handel en de economische betrekkingen tussen de EU en het VK;

 

C. overwegende dat de afgelopen jaren door verschillende particuliere en overheidsinstanties ruimschoots is aangetoond dat de terugtrekking van het VK uit de EU zonder een onderhandeld terugtrekkingsakkoord ernstige gevolgen zou hebben, zowel wat de economische en handelsbetrekkingen betreft, die verstoord zouden worden, als daarbuiten, in andere sectoren;

 

D. overwegende dat de Commissie internationale handel van oordeel is dat dit akkoord weliswaar een formele stap is in de richting van een ordelijke terugtrekking van het VK, maar dat beide partijen zich sterker moeten toeleggen op de onderhandelingen over de toekomstige economische en handelsbetrekkingen om een optimaal resultaat op lange termijn te bereiken;

 

E. overwegende dat het VK een derde land zal zijn, maar uit hoofde van het gewijzigde Protocol inzake Ierland/Noord‑Ierland desalniettemin bepaalde delen van het douanewetboek van de Unie ten uitvoer zal moeten leggen, waardoor de kwestie van een correcte tenuitvoerlegging en handhaving prangend kan worden;

 

F. overwegende dat de omschrijving van goederen waarvoor “het risico bestaat dat zij vervolgens naar de Unie worden gebracht”, die in artikel 5 van het protocol inzake Ierland/Noord-Ierland gebruikt wordt, onduidelijk is en afhangt van latere besluiten van het Gemengd Comité; overwegende dat het Europees Parlement geen formeel toezicht uitoefent op deze besluiten en dat zij pas kort voor het einde van de overgangsperiode genomen zullen worden;

 

1. De Commissie internationale handel verzoekt de bevoegde Commissie constitutionele zaken het Parlement aan te bevelen zijn goedkeuring te hechten aan het voorstel voor een besluit van de Raad betreffende de sluiting van het akkoord inzake de terugtrekking van het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland uit de Europese Unie en de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie.

 

2. De Commissie internationale handel verzoekt de Europese Commissie efficiënte controles uit te oefenen en toezicht te houden op de tenuitvoerlegging van het douanewetboek van de Unie door de autoriteiten van het VK. Voorts verzoekt de Commissie internationale handel ten volle op de hoogte te worden gehouden over de toepassing van artikel 5 van het Protocol inzake Ierland/Noord‑Ierland en eventuele latere voorstellen voor besluiten van het Gemengd Comité uit hoofde van die bepaling.


 

 

BRIEF VAN DE COMMISSIE WERKGELEGENHEID EN SOCIALE ZAKEN

De heer Antonio Tajani

Voorzitter

Commissie constitutionele zaken

BRUSSEL

 

 

Betreft: <Titre>Akkoord inzake de terugtrekking van het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland uit de Europese Unie en de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie </Titre><DocRef>(2018/0427(NLE))</DocRef>

 

 

Geachte heer Tajani,

 

In het kader van bovengenoemde procedure heeft de Commissie werkgelegenheid en sociale zaken besloten een advies uit te brengen aan uw commissie. Tijdens haar vergadering van 3 september 2019 heeft zij besloten dat advies in briefvorm uit te brengen.

De Commissie werkgelegenheid en sociale zaken heeft de kwestie tijdens haar vergadering van 22 januari 2020 onderzocht. Tijdens die vergadering heeft zij besloten de bevoegde Commissie constitutionele zaken te verzoeken onderstaande suggesties in haar ontwerpaanbeveling op te nemen.

Hoogachtend,

Lucia Ďuriš Nicholsonová


SUGGESTIES

A. overwegende dat de terugtrekking van het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland (“VK”) uit de Europese Unie en de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie (“de terugtrekking”) gevolgen zal hebben voor miljoenen burgers – zowel burgers van het VK die in de Unie wonen, reizen of werken als burgers van de Unie die in het VK wonen, reizen of werken, alsook voor andere mensen dan burgers van de Unie en het VK; overwegende dat burgers van de Unie en van het VK, alsook hun respectieve gezinsleden, wederzijdse bescherming moeten krijgen wanneer zij hun rechten met betrekking tot het vrije verkeer van personen hebben uitgeoefend vóór een datum die is vastgesteld in het Akkoord inzake de terugtrekking van het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland uit de Europese Unie en de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie van 19 oktober 2019 (“het akkoord”); overwegende dat de rechten van alle burgers, met inbegrip van rechten die voortvloeien uit tijdvakken van socialezekerheidsbijdragen, volledig moeten worden beschermd;

B. overwegende dat het essentieel is dat in het kader van overgangsregelingen en in toekomstige overeenkomsten tussen de Unie en het VK het EU-acquis in zijn geheel wordt beschermd, met name wat werkgelegenheid en sociale zaken betreft;

C. overwegende dat het waarborgen van het vrije verkeer van werknemers, met inbegrip van mobiele werknemers, grensarbeiders en gedetacheerde werknemers, in dit verband van het grootste belang is, met name gezien de specifieke situatie van dergelijke werknemers die in de buurlanden van het VK werken;

D. overwegende dat de commissie EMPL meer in het bijzonder de artikelen 24 tot en met 39 van het akkoord en bijlage 1 daarbij, alsmede de tekst van de politieke verklaring van 17 oktober 2019 waarin het kader wordt geschetst voor de toekomstige betrekkingen tussen de Europese Unie en het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland (“de politieke verklaring”), en met name de punten 17 en 77 daarvan, heeft onderzocht;

1. is verheugd dat het akkoord beoogt te zorgen voor een ordelijke terugtrekking die zo weinig mogelijk verstoringen veroorzaakt;

2. is verheugd dat de rechten van werknemers en zelfstandigen worden gewaarborgd in hoofdstuk 2 van het akkoord (artikelen 24, 25 en 26);

3. is ingenomen met de gedetailleerde bepalingen betreffende de erkenning van beroepskwalificaties die zijn vastgesteld in hoofdstuk 3 van het akkoord (artikelen 27, 28 en 29);

4. is ingenomen met de gedetailleerde bepalingen betreffende de coördinatie van de socialezekerheidsstelsels in titel III van het akkoord (artikelen 30 tot en met 36), die rechten beschermen die voortvloeien uit tijdvakken van socialezekerheidsbijdragen;

5. is verheugd dat artikel 135 van het akkoord bepaalt dat het VK bijdraagt aan de begrotingen van de Unie voor de jaren 2019 en 2020 en deelneemt aan de uitvoering ervan, en benadrukt dat dit belangrijk is voor de huidige ESF-, FEAD-, EaSI- en EFG-programma’s en de regelingen die daarvoor in de plaats moeten komen;

6. is verheugd dat de programma’s en activiteiten van de Unie die in het kader van het meerjarig financieel kader voor de jaren 2014-2020 of eerdere financiële vooruitzichten zijn vastgelegd, overeenkomstig artikel 137 van het akkoord in 2019 en 2020 ten aanzien van het VK ten uitvoer zullen worden gelegd op basis van het toepasselijke Unierecht;

7. is verheugd dat het VK voornemens is deel te nemen aan programma’s van de Unie en deze mede te financieren, onder de in de desbetreffende instrumenten van de Unie vervatte voorwaarden, op gebieden als wetenschap en innovatie, jeugd, cultuur en onderwijs, als onderdeel van de toekomstige relatie tussen de Unie en het Verenigd Koninkrijk, zoals vermeld in de politieke verklaring; is bezorgd over de recente stemming in het Britse parlement en de opmerkingen van de Britse minister van Onderwijs die de toekomstige deelname van het VK aan het Erasmusprogramma in twijfel trekken; benadrukt dat aanvragers uit zowel de Unie als het VK voldoende van tevoren op de hoogte moeten worden gebracht van de voorwaarden en tijdschema’s voor deze programma’s na de overgangsperiode;

8. is ook verheugd dat artikel 140 van het akkoord bepaalt dat het VK de Unie zijn aandeel verschuldigd is in het op 31 december 2020 nog betaalbaar te stellen deel van de vastleggingen in de begroting van de Unie en in de begrotingen van de gedecentraliseerde agentschappen van de Unie, alsook zijn aandeel in de vastleggingen verricht in 2021 in verband met de overdrachten van vastleggingskredieten uit de begroting voor 2020;

9. neemt nota van de schrapping van punt 3 van bijlage 4 bij het akkoord, dat betrekking had op sociale en arbeidsnormen in verband met het “backstop”-mechanisme; is verheugd over de nieuwe oplossing die is gevonden voor de kwestie Ierland/Noord-Ierland, waarbij het grondgebied van Noord-Ierland de jure een deel van het douanegebied van het VK is, maar de facto in de douanezone van de Unie blijft door de toepassing van de tarieven en de douanevoorschriften van de Unie;

10. betreurt echter dat er in het akkoord niets over sociale en arbeidsnormen staat en dat in het herziene wetsontwerp over het terugtrekkingsakkoord clausule 34 en tijdschema 4 zijn geschrapt, die voorzagen in aanvullende procedurele bescherming van de rechten van werknemers die momenteel deel uitmaken van het Unierecht tijdens de overgangs- of uitvoeringsperiode; maakt zich niet alleen zorgen over het feit dat de uitdrukkelijke vermelding van de rechten van werknemers is geschrapt, maar vreest ook dat er een reële mogelijkheid bestaat dat de bestaande rechten van werknemers in het VK die uit het Unierecht voortvloeien, niet zullen worden beschermd tegen wijziging, intrekking of herroeping in nationaal recht wanneer de overgangs- of uitvoeringsperiode eenmaal is afgelopen, en neemt er nota van dat de Britse regering voornemens is om in een nieuwe arbeidswet afzonderlijke wetsbepalingen vast te stellen om de rechten van de werknemers te beschermen en te versterken; benadrukt dat het beschermingsniveau dat momenteel door de wet- en regelgeving en de praktijk wordt geboden, aan het einde van de overgangsperiode niet mag worden verlaagd tot onder het niveau dat wordt geboden door de gemeenschappelijke normen die binnen de Unie en het VK gelden op het gebied van arbeid en sociale bescherming en met betrekking tot fundamentele rechten op het werk, gezondheid en veiligheid op het werk, eerlijke arbeidsvoorwaarden en arbeidsnormen, recht op voorlichting en raadpleging van de werknemers op ondernemingsniveau en herstructureringen; maakt zich in dit verband zorgen over het feit dat het VK momenteel weinig tot geen inspanningen levert om recente wetgeving van de Unie op het gebied van sociale zaken en arbeid ten uitvoer te leggen, zoals de wijziging van de detacheringsrichtlijn, de richtlijn betreffende het evenwicht tussen werk en privéleven voor ouders en mantelzorgers en de richtlijn betreffende transparante en voorspelbare arbeidsomstandigheden in de Europese Unie;

11. betreurt met name dat de meeste van de bepalingen betreffende een gelijk speelveld in de vroegere bijlage 4 bij het protocol betreffende Ierland/Noord-Ierland krachtens het akkoord niet van toepassing zullen zijn op Noord-Ierland, hetgeen een potentieel risico voor de interne markt van de Unie en de economie van het hele eiland inhoudt;

12.  betreurt voorts de invoering van een nieuwe onderafdeling 1 in clausule 26 van het herziene wetsontwerp over het terugtrekkingsakkoord, die de Britse regering de mogelijkheid biedt om te specificeren onder welke omstandigheden bepaalde lagere rechtbanken na de overgangsperiode kunnen afwijken van de arresten van het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJEU), wat ertoe zou kunnen leiden dat lagere rechtbanken niet langer gebonden zijn aan de jurisprudentie van het HvJEU over de rechten van werknemers die voortvloeien uit het Unierecht;

13. is verheugd dat de Unie en het VK zich er in artikel 184 van het akkoord toe verbinden een toekomstige vrijhandelsovereenkomst te sluiten;

14. is verheugd over de instelling van een dialoog tussen het Europees Parlement en het Britse parlement, zodat beide wetgevende instellingen van gedachten kunnen wisselen en expertise kunnen delen over kwesties in verband met de toekomstige betrekkingen; is, overeenkomstig de politieke verklaring, van mening dat ook de dialoog met het maatschappelijk middenveld moet worden aangemoedigd, en met name ook met jongerenorganisaties en werknemersverenigingen die burgers van de Unie die in het VK werken en burgers van het VK die in de Unie werken, vertegenwoordigen;

15. benadrukt dat er in een overeenkomst over de toekomstige betrekkingen voor moet worden gezorgd dat het VK de sociale en arbeidsnormen van de Unie volledig eerbiedigt, teneinde een gelijk speelveld voor open en eerlijke concurrentie te waarborgen, zoals wordt benadrukt in punt XIV, paragraaf 77, van de politieke verklaring;

16. is dan ook verheugd dat de belangrijkste elementen van bijlage 4 bij de vorige versie van het akkoord worden overgenomen in paragraaf 77 van de politieke verklaring, maar vreest dat de politieke verklaring slechts een intentieverklaring is, terwijl bijlage 4, als bijlage bij een protocol van het vorige akkoord, juridisch bindend was;

17. benadrukt en herhaalt in dit verband dat de drie beginselen die aan een toekomstige vrijhandelsovereenkomst tussen de Unie en het VK ten grondslag liggen, namelijk geen quota, geen tarieven en geen dumping, ook wat sociale en arbeidsnormen betreft, ondeelbaar moeten zijn, en vraagt de onderhandelaar van de Unie in dit opzicht bijzonder waakzaam te zijn tijdens alle fasen van de onderhandelingen over de toekomstige betrekkingen tussen de Unie en het VK;

18. betreurt ten zeerste dat de Britse regering in het herziene wetsontwerp over het terugtrekkingsakkoord een nieuwe clausule 33 heeft ingevoerd, die een verlenging van de overgangsperiode na 2020 uitdrukkelijk verbiedt; waarschuwt met klem dat deze bepaling zou kunnen leiden tot een “no deal”-scenario, met catastrofale gevolgen voor mensen en bedrijven in de Unie en het VK, aangezien het tijdschema voor onderhandelingen over een alomvattende overeenkomst over de toekomstige betrekkingen tussen de Unie en het VK te kort is; vraagt de Britse regering en het Britse parlement met aandrang om hun standpunt te heroverwegen; benadrukt dat een overeenkomst over de toekomstige betrekkingen tussen de Unie en het VK bepalingen moet bevatten over een gelijk speelveld wat sociale en arbeidsnormen betreft; dringt er bij de Britse regering op aan om vóór het einde van de overgangsperiode een nieuwe arbeidswet ten uitvoer te leggen om te voorkomen dat de rechten van werknemers noch door de bestaande Uniewetgeving, noch door de Britse arbeidswet worden beschermd; benadrukt dat de sociale en arbeidsnormen in de arbeidswet niet statisch mogen zijn, maar direct moeten aansluiten bij eventuele verbeteringen van de sociale en arbeidsnormen in de Europese Unie, teneinde een gelijk speelveld tussen de Europese Unie en het VK te waarborgen.

De commissie EMPL verzoekt de bevoegde commissie AFCO bijgevolg rekening te houden met haar standpunt hierboven en het Parlement aan te bevelen zijn goedkeuring te hechten aan het ontwerpbesluit van de Raad betreffende de sluiting van het akkoord over de terugtrekking van het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland uit de Europese Unie en de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie.

 

 


 

 

BRIEF VAN DE COMMISSIE MILIEUBEHEER, VOLKSGEZONDHEID EN VOEDSELVEILIGHEID

De heer Antonio Tajani

Voorzitter

Commissie constitutionele zaken

BRUSSEL

Betreft: <Titre>Advies over de sluiting van het Akkoord over de terugtrekking van het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland uit de Europese Unie en de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie</Titre> <DocRef>(2018/0427(NLE))</DocRef>

Geachte voorzitter,

In het kader van de bovengenoemde procedure is de Commissie milieubeheer, volksgezondheid en voedselveiligheid ermee belast een advies uit te brengen aan uw commissie. Tijdens haar vergadering van 6 november 2019 heeft zij besloten dat advies in briefvorm uit te brengen.

De Commissie milieubeheer, volksgezondheid en voedselveiligheid heeft de kwestie tijdens haar vergadering van 21 januari 2020 onderzocht. Tijdens die vergadering heeft zij besloten de bevoegde Commissie constitutionele zaken te verzoeken onderstaande suggesties in haar ontwerpresolutie op te nemen:

Hoogachtend,

Pascal Canfin

 

SUGGESTIES

1. Is van mening dat de brexit vergaande langetermijngevolgen heeft voor zowel de EU, als het VK. Volksgezondheid, voedselveiligheid en milieukwesties hebben een centrale rol gespeeld in de onderhandelingen en in het openbare debat over de terugtrekking van het VK. Vanwege deze zorgen heeft ENVI de onderhandelingen van dichtbij gevolgd;

 

2. Verwelkomt de achterliggende doelstelling van het gewijzigde terugtrekkingsakkoord, te weten doorgaan met het leveren van een bijdrage aan het bewaren van de vrede op het Ierse eiland, alsook het in stand houden en vrijwaren van de Goede Vrijdag-akkoorden, in het bijzonder middels het voorkomen van een harde grens en het beschermen van de ene economie op het eiland. Het Akkoord waarborgt verder dat het eiland Ierland als één milieu-eenheid wordt beschouwd en dat milieunormen in acht worden genomen aan beide zijden van de onzichtbare grens. Vanuit het perspectief van de commissie ENVI is dit erg belangrijk, aangezien milieu en gezondheid onderdeel uitmaken van de Noord-Zuid-samenwerking als bedoeld in de Goede Vrijdag-akkoorden waarover overeenstemming is bereikt.

 

3. Prijst de EU voor het feit dat zij tijdens de onderhandelingen eensgezind is opgetreden en zich heeft ingespannen om een “no deal”-terugtrekking, met alle negatieve gevolgen van dien, te vermijden. Verwelkomt het dat overeenstemming is bereikt, maar wijst erop dat het voorliggende Akkoord geen garanties biedt over de regelingen betreffende de toekomstige betrekkingen tussen het VK - uitgezonderd Noord-Ierland - en de EU-27 aan het eind van de overgangsperiode op 31 december 2020. Hoewel er ruimte is voor het verlengen van de overgangsperiode, moet de regering van het VK hier ten laatste in juni 2020 een verzoek voor indienen.

 

4. Stelt vast dat met de schrapping van de VK-brede “backstop” ook relevante bindende milieubepalingen zijn komen te vervallen. Zo zijn met name clausules betreffende non-regressie inzake het niveau van milieubescherming niet langer van toepassing. Reeds lang bestaande, door de EU gehanteerde milieuprincipes, zoals het voorzorgsbeginsel of het beginsel “de vervuiler betaalt”, maken niet langer onderdeel uit van het herziene protocol.

 

5. De VK-brede “backstop” verplichtte de EU en het Verenigd Koninkrijk verder de nodige maatregelen te nemen ter nakoming van hun respectieve verbintenissen uit hoofde van internationale overeenkomsten om de klimaatverandering aan te pakken, met inbegrip van die waarmee uitvoering wordt gegeven aan het UNFCCC, zoals de Overeenkomst van Parijs van 2015. In het herziene protocol komt nu niet langer een verwijzing naar de Overeenkomst van Parijs voor, hoewel er in de politieke verklaring wel aan wordt gerefereerd.

 

6. Het oorspronkelijke protocol bepaalde verder dat het VK een systeem van koolstofbeprijzing moet toepassen met ten minste dezelfde doeltreffendheid en reikwijdte als het systeem voor de handel in transmissies van de EU, en bevatte een bepaling op grond waarvan het VK over een transparant systeem moet beschikken voor de doeltreffende binnenlandse monitoring, verslaglegging, toezicht en handhaving van zijn verplichtingen door een onafhankelijk en met voldoende middelen uitgerust orgaan. Ook deze zijn nu geschrapt.

 

7. Stelt ook vast dat op basis van de eerste versie van het protocol een Gemengd Comité bestaand uit vertegenwoordigers van de EU en het VK, en belast met de toepassing van het Akkoord, gemachtigd zou zijn geweest om beslissingen te nemen houdende de vaststelling van minimumverbintenissen voor de reductie van nationale emissies van bepaalde luchtverontreinigende stoffen, het maximale zwavelgehalte van mariene brandstoffen, alsook best beschikbare technieken, met inbegrip van emissiegrenswaarden, voor wat industriële emissies betreft. In het geval van geschillen omtrent de interpretatie en toepassing van de milieubepalingen zouden deze aan dit Gemengd Comité kunnen worden voorgelegd. De desbetreffende bepalingen zijn niet lager van toepassing.

 

8. Merkt verder op dat in de politieke verklaring het gedeelte over het “level playing field”, dat gericht is op het voorkomen van oneerlijke concurrentie, nu wat het in acht nemen van de gemeenschappelijke, in de EU én het VK toepasselijke hoge normen aan het eind van de overgangsperiode en - onder andere - het op een hoog niveau handhaven van milieunormen, robuuster geformuleerd is. De EU en het VK zullen erop moeten toezien dat deze hoge normen in de toekomst worden gehandhaafd, gezien de niet-bindende aard van de politieke verklaring en de mogelijkheid dat het VK ervoor kiest toekomstige handelsovereenkomsten te sluiten met derde landen met lagere normen. Stelt zich op het standpunt dat de ratificatie van een eventuele toekomstige vrijhandelsovereenkomst met het VK alleen doorgang kan vinden indien deze robuuste bepalingen inzake een “level playing field” bevat, een geeft aan hier als commissie ENVI nauw op te zullen toezien.

 

9. Beveelt met klem aan dat de EU en het VK op het gebied van milieubeleid zo nauw mogelijk samenwerken, hetgeen er idealiter op neerkomt dat het VK ook in de toekomst moet participeren in alle beleidsinstrumenten op dit gebied.

 

10. Dringt met name aan op gerichte acties ter waarborging van ononderbroken en snelle toegang tot veilige geneesmiddelen en medische apparaten voor patiënten, waaronder een veilige en continu bevoorrading met radio-isotopen. Om de veiligheid van patiënten te waarborgen, moeten de EU en het VK werken aan de wederzijdse erkenning van beroepskwalificaties ter waarborging van de mobiliteit van personen die een medisch beroep uitoefenen.

 

Acht het van het allergrootste belang dat terdege naar haar bekommernissen wordt geluisterd en dat deze worden aangepakt, en verzoekt de bevoegde commissie AFCO dan ook rekening te houden met haar hierboven geformuleerde standpunt.

De commissie ENVI verzoekt de bevoegde commissie AFCO het Parlement aan te bevelen zijn goedkeuring te hechten aan het ontwerpbesluit van de Raad betreffende de sluiting van het Akkoord over de terugtrekking van het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland uit de Europese Unie en de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie.


 

 

BRIEF VAN DE COMMISSIE INTERNE MARKT EN CONSUMENTENBESCHERMING

De heer Antonio Tajani

Voorzitter

Commissie constitutionele zaken

PHS 08B043

BRUSSEL

Betreft: <Titre>Advies over de sluiting van het akkoord over de terugtrekking van het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland uit de Europese Unie en de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie</Titre> <DocRef>((2018/0427(NLE))</DocRef>

Geachte Voorzitter,

In het kader van bovengenoemde procedure is de Commissie interne markt en consumentenbescherming gevraagd een schriftelijk advies toe doen toekomen aan uw commissie.

 

 

De Commissie interne markt en consumentenbescherming heeft de kwestie tijdens haar vergadering van 4 december 2019 onderzocht. Tijdens deze vergadering[52] is besloten de bevoegde Commissie constitutionele zaken te verzoeken onderstaande suggesties in haar ontwerpresolutie op te nemen.

Hoogachtend,

Petra De Sutter, MD en PhD
Voorzitter

 

SUGGESTIES

 Interne markt

1. herinnert eraan dat het vrije verkeer van goederen binnen de interne markt wordt gewaarborgd door de douane-unie en de regels inzake harmonisatie en wederzijdse erkenning van producten, alsook door de jurisprudentie van het Hof van Justitie van de Europese Unie. Markttoezicht en solide productnormen vormen derhalve een essentieel en onvervangbaar onderdeel van gelijk welke toekomstige relatie met het VK, zodat er wordt gezorgd voor een gelijk speelveld voor EU-bedrijven en een adequate bescherming van de consumenten in de EU;

2. benadrukt dat de tijdens de overgangsregeling vast te stellen operationele procedures gericht moeten zijn op de handhaving van de regels van de interne markt van de Unie voor goederen en van de douane-unie. Het is daarom van het grootste belang de conformiteit van goederen met de regels van de interne markt te waarborgen;

3. stelt met tevredenheid vast dat in de overeenkomst in het algemeen wordt vastgehouden aan de grondbeginselen inzake het vrije verkeer van diensten, vrijheid van vestiging en erkenning van beroepskwalificaties en dat deze tijdens de overgangsperiode van toepassing blijven, zodat de goede werking van de interne niet wordt belemmerd;

4. herinnert er in dit verband met name aan dat zelfstandigen krachtens artikel 25 van de overeenkomst, behoudens enkele beperkingen, de door het Verdrag inzake de vrijheid van vestiging en het vrij verrichten van diensten gewaarborgde rechten genieten. Het recht om een beroep uit te oefenen is vastgelegd in artikel 27 van de overeenkomst, aangezien de erkenning van beroepskwalificaties vóór het einde van de overgangsperiode, overeenkomstig de relevante bepalingen van de richtlijn betreffende de erkenning van beroepskwalificaties of de richtlijn betreffende de vestiging van advocaten, van kracht blijft. Om de tenuitvoerlegging van deze bepalingen in de praktijk te vergemakkelijken, is in artikel 29 van de overeenkomst voorzien in administratieve samenwerking voor wat de erkenning van beroepskwalificaties betreft;

5. is ingenomen met het feit dat in de overeenkomst de regels worden verduidelijkt die gelden voor openbare aanbestedingsprocedures die vóór het eind van de overgangsperiode van start zijn gegaan maar niet binnen de overgangsperiode zijn afgerond, inclusief de mogelijke rechtsmiddelen;

Consumentenbeleid

6. benadrukt dat de rechten van consumenten die voortvloeien uit het EU-recht en andere relevante EU-regels onverminderd van toepassing zijn tijdens de overgangsperiode, en benadrukt dat de situatie weliswaar onveranderd moet blijven voor consumenten en handelaren, die tijdens de overgangsperiode dezelfde rechten en plichten moeten behouden, maar dat het belangrijk is dat consumenten naar behoren worden geïnformeerd als zij iets kopen in het VK of bij een handelaar uit het VK;

Douane

7. is van mening dat er als gevolg van de uittreding van het Verenigd Koninkrijk uit de douane-unie spanningen te verwachten zijn in de handel en binnen de toeleveringsketens van ondernemingen; is van mening dat ernstige verstoringen van de goederenstroom moeten worden vermeden; stelt dat de voorzorgsmaatregelen die de lidstaten van de EU-27 met de steun van de Europese Commissie hebben genomen, grondig moeten worden geëvalueerd, uitgebreid en indien nodig gefinancierd, om ervoor te zorgen dat dergelijke voorzorgsmaatregelen in de brexitprocedure als een prioriteit worden beschouwd;

8. beschouwt de bepalingen ter vergemakkelijking van het transport door Groot-Brittannië van goederen die in doorvoer zijn tussen twee punten die tot de douane-unie behoren, als een stap vooruit;

Protocol inzake Ierland/Noord-Ierland

9. stelt vast dat er heel wat onzekerheid blijft bestaan met betrekking tot de concrete, aan de werking van de overeenkomst ten grondslag liggende regelingen om Noord-Ierland binnen het kader van de douane-unie (en binnen de regels van de interne markt) voor goederen en landbouwproducten te houden. De meeste van deze regelingen zullen door een gemengd comité moeten worden vastgesteld. Er moeten uiterste inspanningen worden geleverd om ervoor te zorgen dat de door het gemengde comité ingevoerde procedures en controles de doeltreffende opsporing mogelijk maken, te midden van alle goederen die vanuit Groot-Brittannië naar Noord-Ierland worden overgebracht, van die goederen waarvoor ‘het risico bestaat dat zij vervolgens naar de Unie worden gebracht’. Dat goederen die tot deze categorie behoren, correct worden geïdentificeerd, is belangrijk omdat zij onderhevig zullen zijn aan EU-tarieven, accijnzen of btw en dat zij moeten voldoen aan de regels van de interne markt;

10. is van mening dat indien het Verenigd Koninkrijk de bevoegdheid zou krijgen om eigen middelen te innen uit de begroting van de Unie, die nadien aan de Unie zouden moeten worden terugbetaald, een voor de hand liggende maatregel ter bescherming van de financiële belangen van de Unie erin zou bestaan een adequaat mechanisme in te voeren voor het toezicht op de correcte toepassing van de procedure voor de detectie van goederen waarvoor ‘het risico bestaat dat zij vervolgens naar de Unie worden gebracht’. De regelingen moeten garanderen dat de controles op landbouw- en voedingsproducten - bijvoorbeeld fytosanitaire controles - niet minder grondig gebeuren dan op gelijk welk punt van binnenkomst in een EU-lidstaat. Bij de handhaving van de internemarktregels mag er evenmin ruimte worden gelaten voor achterdeurtjes. Marktdeelnemers mogen niet de mogelijkheid hebben om voordeel te halen uit het verleggen van activiteiten naar plaatsen waar de standaardregelgevingsverplichtingen kunnen worden omzeild;

11. benadrukt dat het Europees Parlement de nodige controle moet kunnen uitoefenen op de samenhang en onderlinge afstemming van de door het gemengde comité uitgewerkte regelingen, en dat de doeltreffendheid van de gekozen oplossingen moet worden gewaarborgd.

De commissie IMCO verzoekt de bevoegde commissie AFCO bijgevolg het Parlement aan te bevelen zijn goedkeuring te hechten aan het ontwerpbesluit van de Raad betreffende de sluiting van het akkoord over de terugtrekking van het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland uit de Europese Unie en de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie (2018/0427(NLE)).


 

 

BRIEF VAN DE COMMISSIE VERVOER EN TOERISME

De heer Antonio Tajani

Voorzitter

Commissie constitutionele zaken

BRUSSEL


Betreft: <Titre>Akkoord inzake de terugtrekking van het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland uit de Europese Unie en de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie (2018/0427(NLE))</Titre>

 

Geachte heer Tajani,

 

In overeenstemming met de aanbeveling van de Conferentie van voorzitters van 7 februari 2019 heeft de Commissie vervoer en toerisme besloten om toepassing van artikel 56, lid 1, van het Reglement te verzoeken om in de vorm van deze brief een advies uit te brengen aan de Commissie constitutionele zaken. 

 

De Commissie vervoer en toerisme wil het volgende opmerken:

1. wijst op het belang van de vervoerssector voor groei en werkgelegenheid; benadrukt dat het bij het terugtrekkingsakkoord opgerichte Gemengd Comité aandacht moet schenken aan het onvoorwaardelijke vereiste van wederkerigheid inzake wederzijdse toegang tot de vervoersmarkten, met name in de luchtvaart-, spoorweg-, weg- en maritieme sector, met volledige eerbiediging van de passagiersrechten in de EU en het vrije verkeer van personen, goederen en diensten;

2. benadrukt dat er overeenkomsten moeten worden gesloten om de continuïteit van de vervoersdiensten tussen de EU en het VK te waarborgen;

3. onderstreept dat moet worden gezorgd voor doorlopende financiering van gezamenlijk overeengekomen infrastructuurprojecten, met name in het kader van het TEN-V, de CEF en het gemeenschappelijk Europees luchtruim, en van gezamenlijke technologie-initiatieven zoals Clean Sky I en II; acht het tevens van cruciaal belang dat het Verenigd Koninkrijk zijn financiële verbintenissen en verplichtingen volledig nakomt, ook als deze de duur van het EU-lidmaatschap overschrijden.

Rekening houdend met bovenstaande opmerkingen beveelt de Commissie vervoer en toerisme de Commissie constitutionele zaken aan haar goedkeuring te hechten aan de ratificatie van het Akkoord inzake de terugtrekking van het Verenigd Koninkrijk uit de Europese Unie.

 

Hoogachtend,

((ondertekend)) [Karima Delli]

 

 

 

 

CC:  D. Sassoli, Voorzitter

A. Tajani, voorzitter van de Conferentie van commissievoorzitters

Wetgevingscoördinatie

 


 

 

BRIEF VAN DE COMMISSIE INTERNATIONALE HANDEL

De heer Antonio Tajani

Voorzitter

Commissie constitutionele zaken

BRUSSEL

Betreft: <Titre>Advies inzake het voorstel voor een besluit van de Raad betreffende de sluiting van het akkoord over de terugtrekking van het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland uit de Europese Unie en de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie</Titre> <DocRef>(COM(2019/0194); COM(2018/0841); COM(2018/0834); COM(2018/0833) – C9-0148/2019 – 2018/0427(NLE))</DocRef>

Geachte heer Tajani,

De Commissie landbouw en plattelandsontwikkeling heeft de kwestie tijdens haar vergadering van 22 januari 2020 onderzocht. Tijdens die vergadering[53] heeft zij met eenparigheid van stemmen besloten de bevoegde Commissie constitutionele zaken te verzoeken onderstaande suggesties in haar aanbeveling op te nemen.

Hoogachtend,

(was getekend) Norbert Lins


SUGGESTIES

De AGRI-commissie wenst de nadruk te leggen op de volgende essentiële punten met betrekking tot de gevolgen voor de EU-landbouw van de brexit en de in het terugtrekkingsakkoord en de politieke verklaring voorgestelde oplossingen.

 

1. Wat het landbouwbeleid op zich betreft, lijkt de terugtrekking van het VK geen onoverkomelijke problemen op te leveren, aangezien de toepassing van de mechanismen en de betalingen van het GLB aan het VK relatief gemakkelijk kan worden stopgezet. Het feit dat het einde van de overgangsperiode waarin in het terugtrekkingsakkoord is voorzien, samenvalt met het einde van het huidige MFK (2014-2020), zou de zaken in dit verband vergemakkelijken.

2. Wij willen er echter op wijzen dat een eventuele verlenging van de overgangsperiode vergezeld moet gaan van passende financiële bepalingen en dat de rekeningen aan het einde van deze periode correct afgewikkeld moeten zijn, zoals bepaald in artikel 132 van het akkoord, niettegenstaande het feit dat het VK in het MFK vanaf 2021 wordt beschouwd als een derde land.

3. Over de voortgezette bescherming in het VK van de talrijke (meer dan 3 000) geografische aanduidingen (GA) die van toepassing zijn op landbouwproducten en levensmiddelen of dranken van oorsprong uit de EU, heeft de AGRI-commissie zich tijdens de onderhandelingen over het akkoord ernstig zorgen gemaakt. In dit verband is de commissie ervan overtuigd dat met de huidige tekst de bescherming van de geografische aanduidingen van de EU gegarandeerd is in Noord-Ierland en dat de bescherming van de geografische aanduidingen van de EU aan het einde van de overgangsperiode goedgekeurd zal zijn in andere delen van het VK.

4. Wij willen benadrukken dat het belangrijk is deze bescherming te behouden in de regelingen voor de toekomstige betrekkingen. Bovendien moeten deze regelingen niet alleen betrekking hebben op alle bestaande geografische aanduidingen van de EU, maar moeten zij naar ons oordeel ook bilaterale samenwerkingsmechanismen omvatten voor de wederzijdse erkenning door het VK en de EU-27 van nieuwe geografische aanduidingen die worden goedgekeurd na de overgangsperiode en, indien van toepassing, indien het protocol inzake Ierland/Noord-Ierland niet langer van toepassing is op grond van artikel 18 ervan.

5. Wij zijn ons er terdege van bewust dat de kwestie van Ierland en Noord-Ierland gevolgen heeft die veel verder reiken dan de landbouwsector. Gezien het ingrijpende karakter van tarifaire en niet-tarifaire belemmeringen in de landbouw, het sterk geïntegreerde karakter en de onderlinge afhankelijkheid van de Ierse en de Noord-Ierse landbouwmarkt en het voortdurende verkeer over de grens van levende dieren, eindproducten en producten die verdere verwerking vereisen, is een soepele behandeling van deze kwestie bijzonder belangrijk voor deze sector. In dit verband is de AGRI-commissie ingenomen met de handhaving van de status quo, de huidige onzichtbare grens en de noord-zuidsamenwerking op het Ierse eiland, zoals vastgelegd in het Goede Vrijdag-akkoord, op voorwaarde dat de in artikel 18 van het Protocol betreffende Ierland/Noord-Ierland bedoelde democratische goedkeuring wordt verleend.

6. Tegelijkertijd willen wij wijzen op het feit dat het protocol in elk geval naar behoren moet worden uitgevoerd, niet alleen ter handhaving van bovengenoemde status quo, maar ook ter voorkoming van achterpoortjes in de tarifaire en niet-tarifaire bescherming van de EU. De werkzaamheden van het gemengd comité met betrekking tot het afronden van de regelingen in het kader van het protocol zullen van cruciaal belang zijn. Deze twee doelstellingen moeten ook worden weerspiegeld en gehandhaafd door middel van alle regelingen voor de toekomstige betrekkingen indien het protocol niet langer van toepassing is op grond van artikel 18.

7. De belangrijkste kwesties in verband met de landbouw die door de brexit aan de orde worden gesteld, hebben betrekking op handel. Landbouw- en agrovoedingsproducten zijn de producten met het hoogste niveau van tarifaire en niet-tarifaire bescherming in de EU en in de meeste landen ter wereld, en dit zal waarschijnlijk ook het geval zijn in het VK. De sector zal dus het meest te lijden hebben onder de terugtrekking van het VK uit de douane-unie en de eengemaakte markt aan het einde van de overgangsperiode, met name doordat de betrokken handelsvolumes aanzienlijk zijn: op basis van de huidige handelsstromen kan het Verenigd Koninkrijk na de brexit de belangrijkste handelspartner voor agrovoedingsproducten van de EU-27 worden, zowel wat uitvoer als wat invoer betreft.

8. Wij willen er dan ook op wijzen dat, indien het akkoord in werking treedt, het van het grootste belang zal zijn om van de overgangsperiode gebruik te maken om te onderhandelen over uitgebreide regelingen voor de totstandbrenging van een vrijhandelszone, waarin voorzien is in de politieke verklaring. Als dat niet mogelijk is, wordt de landbouwsector geconfronteerd met een reëel “cliff edge”-scenario op het gebied van bilaterale handel, waarbij het VK en de EU-27 handel drijven volgens de regels van de Wereldhandelsorganisatie, zonder preferentiële toegang tot elkaars markt, en zij eventueel ook uit elkaar beginnen te groeien wat hun respectieve regelgevingskaders betreft. Wij willen krachtig benadrukken dat, vanuit het standpunt van de AGRI-commissie, alles in het werk moet worden gesteld om dit scenario te voorkomen. Als zulks niet mogelijk blijkt, dringt de AGRI-commissie er bij de Commissie op aan voldoende middelen ter beschikking te stellen om de gevolgen voor de landbouwers en de agrivoedingssector in het geval van een “cliff-edge”-resultaat aan het einde van de overgangsperiode te beperken, zoals gepland was in geval van niet-ratificatie van het terugtrekkingsakkoord.

9. Het nieuwe nationale landbouwbeleid dat het VK zal invoeren na zijn terugtrekking uit de EU en de nieuwe handelsovereenkomsten die het zal sluiten met andere derde landen, zullen ook een beslissende invloed uitoefenen op de sector. Zij vallen echter buiten het bestek van dit advies over het akkoord.

10. Bijgevolg steunt de AGRI-commissie krachtig het terugtrekkingsakkoord dat de onderhandelaars van de EU en het VK zijn overeengekomen en hebben verwezen naar het Parlement voor goedkeuring en hoopt zij dat de inwerkingtreding van het akkoord en de correcte uitvoering ervan de weg vrijmaken voor regelingen over de toekomstige betrekkingen die de landbouwbelangen van de EU zoveel mogelijk vrijwaren.

 

 


 

 

BRIEF VAN DE COMMISSIE JURIDISCHE ZAKEN

De heer Antonio Tajani

Voorzitter

Commissie constitutionele zaken

BRUSSEL

Betreft: <Titre>Advies van het Commissie juridische zaken inzake het akkoord over de terugtrekking van het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland uit de Europese Unie en de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie</Titre> <DocRef>(2018/0427(NLE))</DocRef>

 

Tijdens de vergadering van 6 november 2019 hebben de coördinatoren van de Commissie juridische zaken besloten om overeenkomstig artikel 56, lid 1, van het Reglement een advies uit te brengen over het akkoord inzake de terugtrekking van het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland uit de Europese Unie en de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie[54] (het “terugtrekkingsakkoord”), met bijzondere aandacht voor de bevoegdheden van onze commissie. Overeenkomstig het besluit van de Conferentie van voorzitters van 24 oktober 2019 werd ik op 6 november 2019 benoemd als rapporteur voor het advies in mijn hoedanigheid van voorzitter van de commissie, en neemt het advies de vorm aan van een brief.

 

De aanbeveling:

 

Op haar vergadering van 16 januari 2020 besloot de Commissie juridische zaken met 17 stemmen voor, 1 stem tegen, bij 2 onthoudingen[55], de Commissie constitutionele zaken aan te bevelen niet in te stemmen met het terugtrekkingsakkoord zolang het wetsontwerp over het terugtrekkingsakkoord van het Verenigd Koninkrijk, waarmee uitvoering moet worden gegeven aan het terugtrekkingsakkoord, niet definitief is vastgesteld en ondertekend door alle relevante instanties van het Verenigd Koninkrijk en de juridische gevolgen ervan met het oog op de toekomstige uitvoering van het terugtrekkingsakkoord niet zijn beoordeeld.

 

De aanbeveling wordt gedaan met inachtneming door de Commissie juridische zaken van de bepalingen van het terugtrekkingsakkoord, met name de artikelen 4 en 5, deel II over burgerrechten, de bepalingen van deel III, titel IV betreffende intellectuele eigendom, titel VI betreffende lopende justitiële samenwerking in burgerlijke en handelszaken en het nauwe verband ervan met de gebeurtenissen vóór het eind van de overgangsperiode; titel X betreffende gerechtelijke en administratieve procedures van de Unie; titel XII betreffende de voorrechten en immuniteiten, met name de bepalingen betreffende de immuniteit van de leden van het Europees Parlement; en titel XIII betreffende andere kwesties in verband met de werking van de instellingen, organen en instanties van de Unie, deel IV betreffende de overgang en deel VI betreffende de institutionele en slotbepalingen, met bijzondere aandacht voor titel I betreffende de consistente interpretatie en toepassing.

 

Namens de Commissie juridische zaken wil ik de aandacht van de Commissie constitutionele zaken vestigen op de volgende elementen die als essentieel moeten worden beschouwd voor de instemming:

 

1. De terugtrekking van een lidstaat uit de Europese Unie is weliswaar een soeverein recht van die lidstaat, maar moet zo ordelijk mogelijk worden geregeld, zodat zij enerzijds de Europese Unie, haar burgers en het proces van Europese integratie niet negatief beïnvloeden, en anderzijds de onmiddellijke nadelige gevolgen voor de zich terugtrekkende lidstaat en haar burgers zo veel mogelijk beperken.

 

2. Bij ontstentenis van een terugtrekkingsakkoord zou het Verenigd Koninkrijk de Europese Unie op 31 januari 2020 automatisch verlaten, en wel op niet-ordelijke wijze.

 

3. In haar kennisgeving van 29 maart 2017 heeft het Verenigd Koninkrijk zijn voornemen kenbaar gemaakt om niet meer onder de jurisdictie van het Hof van Justitie van de Europese Unie te vallen.  In zijn resolutie van 3 oktober 2017 over de stand van de onderhandelingen met het Verenigd Koninkrijk heeft het Parlement met betrekking tot met name de rechten van de burgers benadrukt dat zodanig uitvoering moet worden gegeven aan de toezegging om ervoor te zorgen dat de rechten van burgers van de EU-27 die in het Verenigd Koninkrijk verblijven, rechtstreekse werking krijgen door de opname van het terugtrekkingsakkoord in het recht van het Verenigd Koninkrijk, dat het terugtrekkingsakkoord niet eenzijdig kan worden gewijzigd, dat EU-burgers zich bij rechtbanken van het Verenigd Koninkrijk en bij het openbaar bestuur rechtstreeks kunnen beroepen op de rechten van het terugtrekkingsakkoord, en dat het terugtrekkingsakkoord voorrang heeft boven het recht van het Verenigd Koninkrijk, en onderstreept dat het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJ‑EU), om de samenhang en integriteit van de rechtsorde van de EU te waarborgen, de enige bevoegde autoriteit moet blijven voor de interpretatie en handhaving van het recht van de Europese Unie en het terugtrekkingsakkoord.  In dit verband moet worden opgemerkt dat het Verenigd Koninkrijk, overeenkomstig de voorwaarden van het terugtrekkingsakkoord, heeft ingestemd met specifieke bepalingen betreffende de bevoegdheid van het HvJ-EU en de interpretatie en toepassing van het recht van de Unie.  Dit is een essentieel onderdeel van het terugtrekkingsakkoord en elke eenzijdige afwijking van de bepalingen ervan in dit verband, met name door middel van de vaststelling van uitvoeringsbepalingen zoals het desbetreffende wetsvoorstel over het terugtrekkingsakkoord, moet resulteren in de weigering van het Europees Parlement om zijn instemming te verlenen.  Hieruit volgt dat het Parlement alleen zijn instemming kan verlenen met dien verstande dat de zorgvuldig evenwichtige oplossing die in het terugtrekkingsakkoord is bereikt met betrekking tot de jurisdictie van het HvJ-EU en diens rol in de interpretatie en toepassing van het recht van de Unie en het terugtrekkingsakkoord zelf, volledig en te goeder trouw door de partijen in acht wordt genomen.

 

4. Het is van cruciaal belang om de rechten van burgers van de EU-27 die in het Verenigd Koninkrijk verblijven en van burgers van het Verenigd Koninkrijk die in de EU verblijven, volledig te behouden tot het einde van de overgangsperiode, en in de ruimst mogelijke mate na het einde van de overgangsperiode, met name gezinnen en kwetsbare burgers, en met name met betrekking tot de verworven rechten.  Dit was vanaf het begin van de onderhandelingen de belangrijkste onderhandelingsleidraad en -voorwaarde van het Parlement voor instemming en moet dat ook blijven.

 

5. De ordelijke terugtrekking van het Verenigd Koninkrijk uit de Europese Unie is van het grootste belang voor Noord-Ierland en zijn toekomstige betrekkingen met Ierland teneinde de vrede te bewaren en dus het Goede Vrijdagakkoord in al zijn onderdelen te behouden.  In dit verband zij erop gewezen dat de uitvoering van de gewijzigde bepalingen van het herziene protocol betreffende Ierland en Noord-Ierland uitdagingen met zich mee kan brengen en zorgvuldig moet worden gestructureerd en gemonitord.  Een van de elementen die zorgvuldig onderzoek en aandacht behoeven, betreft de jurisdictie voor ondernemingen die in Noord-Ierland zijn gevestigd en actief zijn.

 

6. Het wetsvoorstel van het Verenigd Koninkrijk voor het terugtrekkingsakkoord, waarmee uitvoering zal worden gegeven aan het terugtrekkingsakkoord, is een handeling van de nationale rechtsorde van het Verenigd Koninkrijk en de rechtsgevolgen ervan met het oog op de uitvoering van het terugtrekkingsakkoord zijn van cruciaal belang voor de instemming.  Zij moeten zorgvuldig worden geanalyseerd voordat er een besluit over de instemming wordt genomen, en moeten vervolgens door zowel door het Verenigd Koninkrijk als de Europese Unie op de voet worden gevolgd ingeval er instemming wordt verleend.

 

7. De Independent Monitoring Authority (de onafhankelijke toezichthoudende instantie) die momenteel door het Verenigd Koninkrijk wordt opgezet, zal bevoegd zijn om klachten te ontvangen van burgers van de EU-27 over potentiële inbreuken op hun rechten in het kader van het terugtrekkingsakkoord. Zij zal bevoegd zijn om onderzoeken in te stellen en gerechtelijke stappen te ondernemen. Gezien de belangrijke toekomstige rol die de instantie zal spelen bij het waarborgen van de naleving van het terugtrekkingsakkoord en dus van het EU-recht, is het van het grootste belang dat deze instantie zodanig wordt opgezet dat zij snel en volledig onafhankelijk kan optreden naar aanleiding van klachten van burgers van de Unie.

 

8. Het terugtrekkingsakkoord voorziet erin dat de overgangsperiode tot eind 2020 zal lopen en met een of twee jaar kan worden verlengd; overeenkomstig het terugtrekkingsakkoord hebben de instellingen, organen en instanties van de Unie gedurende die overgangsperiode de bevoegdheden die hun door het Unierecht worden toegekend met betrekking tot het Verenigd Koninkrijk en natuurlijke en rechtspersonen die in het Verenigd Koninkrijk verblijven of gevestigd zijn. In het bijzonder is het Hof van Justitie van de Europese Unie bevoegd zoals geregeld in de Verdragen.  Er zij op gewezen dat de nodige aandacht moet worden geschonken aan de mogelijkheid om de overgangsperiode te verlengen als een manier om de ordelijke terugtrekking van het Verenigd Koninkrijk verder te vergemakkelijken door middel van de afronding van de onderhandelingen over de toekomstige betrekkingen tussen het Verenigd Koninkrijk en de Europese Unie.

 

Ik hoop dat het bovenstaande een nuttige bijdrage zal leveren aan het verslag van de Commissie constitutionele zaken.

 

Hoogachtend,

Lucy Nethsingha


 

 

BRIEF VAN DE COMMISSIE BURGERLIJKE VRIJHEDEN, JUSTITIE EN BINNENLANDSE ZAKEN

Dhr. Antonio Tajani

Voorzitter

Commissie constitutionele zaken

BRUSSEL

Betreft: <Titre>Advies inzake de sluiting van het Akkoord inzake de terugtrekking van het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland uit de Europese Unie en de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie</Titre> <DocRef>(2018/0427(NLE))</DocRef>

Geachte heer Tajani,

Het verheugt mij u mee te delen dat de Commissie LIBE naar aanleiding van het besluit van de conferentie van commissievoorzitters van 12 februari 2019, zoals bekrachtigd door de Conferentie van voorzitters op 14 februari 2019, in het kader van de hierboven genoemde procedure op 26 februari 2019 heeft besloten om overeenkomstig artikel 56, lid 1, van het Reglement te verzoeken om toestemming voor het opstellen van een advies in briefvorm aan de Commissie AFCO.

De Commissie LIBE heeft dit advies op haar vergadering van 13 januari 2020 goedgekeurd. Tijdens die vergadering heeft zij besloten de bevoegde Commissie constitutionele zaken te verzoeken onderstaande suggesties in haar ontwerpaanbeveling op te nemen.

 

Bij deze doe ik u derhalve het advies van de Commissie LIBE toekomen. Dit advies bestaat uit twee delen, een deel A (algemene opmerkingen) en een deel B (opmerkingen die verband houden met onderwerpen die onder de bevoegdheid van LIBE vallen). In het advies komen onderwerpen aan bod die onder de bevoegdheid van LIBE vallen en die van belang zijn voor een ordelijk en deugdelijk voorbereid terugtrekkingsproces, zoals de situatie en rechten van onderdanen van het VK die legaal in een van de EU-landen verblijven en van EU-onderdanen die legaal in het VK verblijven, de bescherming van persoonsgegevens, asiel, migratie en grensbeheer, veiligheid, samenwerking op het gebied van rechtshandhaving en justitiële samenwerking in strafzaken. Het advies heeft uitsluitend betrekking op de tekst van het terugtrekkingsakkoord, onder meer in het licht van toekomstige samenwerking tussen de EU en het VK.

 

 

Hoogachtend,

Juan Fernando López Aguilar

SUGGESTIES

A. Algemene opmerkingen

De Commissie LIBE vindt het belangrijk dat ervoor gezorgd wordt dat de gevolgen van de terugtrekking van het VK uit de EU zo beperkt mogelijk worden gehouden. Dit is met name belangrijk voor de hierboven reeds genoemde onderwerpen die onder de bevoegdheid van LIBE vallen, omdat deze onderwerpen raken aan fundamentele aspecten van het leven van de burgers.

De Commissie LIBE wijst erop dat het terugtrekkingsakkoord bedoeld is om een kader te bieden voor een ordelijke terugtrekking, dat ervoor zorgt dat de negatieve effecten van het vertrek van het Verenigd Koninkrijk zo beperkt mogelijk blijven.

Ten slotte is onze Commissie van oordeel dat de internationale samenwerking tussen de EU en het VK ook in de toekomst gekenmerkt moet worden door eerbiediging van het internationale recht, de mensenrechten en de rechtsstaat.

B. Opmerkingen met betrekking tot specifieke onderwerpen

1.  Rechten van de burgers

Het Parlement stelde in zijn resolutie van 14 mei 2018[56] dat ervoor gezorgd moet worden dat “de rechten van EU-burgers die legaal verblijven in het Verenigd Koninkrijk en van burgers van het VK die legaal verblijven in de EU-27 niet beïnvloed worden door de brexit”. De Commissie LIBE is verheugd dat het terugtrekkingsakkoord in hoge mate aan deze wens van het Parlement tegemoetkomt. Het is ook een goede zaak dat de verplichtingen voor het VK en de EU in dit verband gebaseerd zijn op wederkerigheid.

Het is voor de Commissie LIBE cruciaal dat op grond van het terugtrekkingsakkoord de rechten van burgers en de uitlegging die daaraan wordt gegeven, tijdens de overgangsperiode ongewijzigd blijven, zodat de betrokken burgers, zowel in het VK als de rest van de EU, de tijd en ruimte krijgen om zich aan de nieuwe situatie aan te passen. Artikel 39 van het akkoord voorziet in “levenslange bescherming”. Ook positief in dit verband zijn de verlenging van de bevoegdheid van het Hof van Justitie van de Europese Unie na terugtrekking van het VK uit de Unie en het feit dat vóór het eind van de overgangsperiode vastgestelde uitspraken van het Hof van Justitie verbindend zijn voor en in het VK. De Commissie LIBE is voorts ingenomen met het feit dat niet alleen huidige gezinsleden maar ook toekomstige kinderen onder het terugtrekkingsakkoord vallen, en met de daarmee samenhangende waarborgen inzake gezinshereniging, bescherming tegen verwijdering, waarborgen met betrekking tot het aantonen van verblijfsrechten en waarborgen met betrekking tot relevante procedurele rechten, en is tevreden met de toezegging van de regering van het VK om tijdens de overgangsperiode, anders dan de afgelopen tijd het geval was, bij burgers van de Unie die verzoeken om een voorlopige of vaste verblijfsstatus niet vast te houden aan het vereiste dat zij over een verzekering dienen te beschikken die de ziektekosten volledig dekt.

 

Het terugtrekkingsakkoord bevat ook enkele voorbehouden. Zo vallen bijvoorbeeld bepaalde categorieën burgers die momenteel volgens de jurisprudentie van het Hof van Justitie onder het EU-recht vallen, niet onder de bepalingen van het akkoord (zoals onderdanen van het VK die naar het VK terugkeren met familieleden, personen met een beperking en mantelzorgers van buiten de EU, onderdanen van derde landen die in het VK wonen en sterke juridische banden hebben met de lidstaten, zoals in de EU geboren onderdanen van derde landen, erkende vluchtelingen en staatlozen). In hun geheel bezien vormen de bepalingen van het terugtrekkingsakkoord echter een systeem dat in ieder geval zal zorgen voor enige rechtszekerheid en voorspelbaarheid en dat de rechten van EU-burgers en Britse burgers die gebruik hebben gemaakt van het recht van vrij verkeer en van de uit het burgerschap van de Unie voortvloeiende rechten voor een groot deel zal beschermen.

De Commissie LIBE vreest dat burgers in Noord-Ierland op grond van hun nationaliteit niet dezelfde rechten zullen genieten. Daarom dringt zij er bij de Britse autoriteiten op aan om te waarborgen dat de rechten van de burgers in Noord-Ierland volledig gewaarborgd blijven en dat alle onderdelen van het Goede Vrijdagakkoord volledig worden nageleefd.

Zoals het er nu naar uitziet geldt voor in de EU woonachtige onderdanen van het VK die naar een andere lidstaat willen reizen na afloop van de overgangsperiode het recht van vrij verkeer niet meer. Als zij dit recht willen blijven genieten, zullen zij de nationaliteit van een lidstaat moeten aanvragen (overeenkomstig het nationale recht) of de status van langdurig ingezetene moeten aanvragen (overeenkomstig het recht van de Unie). De Commissie LIBE is van mening dat de toekomstige internationale overeenkomst tussen het VK en de EU ook na het einde van de overgangsperiode moet voorzien in de volledige voortzetting van de rechten van burgers, zoals die op grond van het terugtrekkingsakkoord voor zowel EU- als VK-burgers worden gewaarborgd. Daarnaast vindt de Commissie LIBE het belangrijk dat een nadere concretisering van de rechten van burgers (waaronder het recht van vrij verkeer voor onderdanen van het VK in de EU op basis van wederkerigheid) in de tekst van een toekomstige internationale overeenkomst tussen de EU en het VK wordt opgenomen en daar een fundamenteel en integraal onderdeel van uitmaakt. Het is ook van belang dat de lidstaten van de EU-27 verduidelijken welke regels en procedures er gelden voor onderdanen van het VK die de status van ingezetene wensen te verkrijgen. De procedures hiervoor moeten gebruikersvriendelijk en transparant zijn, zodat het proces wordt vergemakkelijkt, en er moeten geen kosten aan verbonden zijn.

De Commissie LIBE maakt zich zorgen over de huidige EU-vestigingsregeling die door de Britse autoriteiten is ingevoerd en waarvan door burgers van de Unie en hun gezinsleden gebruik moet worden gemaakt als zij een voorlopige of vaste verblijfsstatus willen aanvragen. Aan met name de volgende punten dient zo snel mogelijk, doch uiterlijk aan het einde van de overgangsperiode, aandacht te worden besteed:

i)   De Britse autoriteiten zouden specifieke maatregelen moeten nemen om de problemen bij het indienen van aanvragen online (de problemen die bepaalde categorieën burgers van de Unie ondervinden bij het krijgen van toegang tot de applicatie, de onterechte automatische toekenning van een voorlopige in plaats van een vaste status, het feit dat het niet mogelijk is om papieren exemplaren van verschillende documenten in te dienen) en andere problemen in verband met het verkrijgen van toegang tot de applicatie op te lossen;

ii)  Er moet voor gezorgd worden dat de Independent Monitoring Authority (de onafhankelijke toezichthoudende instantie) bij de uitvoering van haar taken (het evalueren en controleren van de werking van het systeem) volledig onafhankelijk opereert en dat zij klachten van burgers van de Unie en hun gezinsleden snel afhandelt;

iii)  Er moeten maatregelen genomen worden om in contact te komen met kwetsbare burgers en ze te helpen oplossingen te vinden voor hun situatie, zowel voor als na de deadline, en er moet voor gezorgd worden dat burgers van de Unie die zich buiten hun schuld niet tijdig aanmelden voor de EU-vestigingsregeling, geen ernstige gevolgen daarvan ondervinden; er moet voorkomen worden dat burgers die normaal gezien recht zouden hebben op een verblijfsstatus gecriminaliseerd, gediscrimineerd of uitgezet worden of gevangen worden gezet.

 

 

2.  Gegevensbescherming

Wat betreft gegevensbescherming steunt de Commissie LIBE de in het terugtrekkingsakkoord opgenomen doelstelling dat gezorgd moet worden voor continuïteit van de bescherming die geboden wordt aan personen waarvan de persoonsgegevens na de datum van terugtrekking in het Verenigd Koninkrijk worden verwerkt. De artikelen 70 en 71 van het terugtrekkingsakkoord voorzien in een kader dat ervoor moet zorgen dat deze doelstelling tijdens de overgangsperiode en daarna wordt bereikt. Het is dus belangrijk dat de Commissie onverwijld begint met de beoordeling van de toereikendheid van het juridisch kader van het VK inzake gegevensbescherming.

In de genoemde artikelen van het terugtrekkingsakkoord wordt deze verplichting tot bescherming van de gegevens van EU-onderdanen duidelijk vermeld, maar het is niettemin noodzakelijk dat ook de praktische regelingen die worden vastgesteld deze doelstelling volledig eerbiedigen. De Commissie LIBE wijst erop dat het noodzakelijk is dat het juridisch kader van het VK inzake gegevensbescherming zorgvuldig en grondig wordt geanalyseerd, om aan te tonen dat is voldaan aan alle voorwaarden die in het EU-recht inzake gegevensbescherming zijn neergelegd (met name in Verordening (EU)2016/679, Verordening (EU) 2018/1725 en Richtlijn (EU) 2016/680 en in de rechtspraak van het Hof van Justitie), zodat er een niveau van gegevensbescherming wordt gewaarborgd dat feitelijk overeenkomt met het niveau van gegevensbescherming dat in de Europese Unie wordt verzekerd. De Commissie LIBE wijst erop dat het VK het EU-gegevensbeschermingspakket in het nationale recht heeft geïntegreerd. Dat kan dan ook de basis vormen voor de beoordeling van de adequaatheid van de gegevensbescherming. De Commissie LIBE vindt dat er bijzondere aandacht moet worden besteed aan het juridisch kader van het VK met betrekking tot nationale veiligheid, de verwerking van persoonsgegevens door rechtshandhavingsautoriteiten en de verwerking van persoonsgegevens in het kader van migratie. Zij wil er in dit kader op wijzen dat grootschalige toezichtsprogramma’s (zoals Tempora) wellicht niet stroken met de EU-regels inzake gegevensbescherming en zij pleit er krachtig voor dat de rechtspraak op dit gebied, zoals de uitspraak van het Hof in de zaak Schrems[57], in aanmerking wordt genomen.

Als het juridisch kader van het VK inzake gegevensbescherming onvoldoende is voor de vaststelling van een adequaatheidsbesluit, moet de Europese Unie erop wijzen dat bij internationale doorgifte van persoonsgegevens de gegevensbeschermingsregels geëerbiedigd moeten worden, om de continuïteit van de gegevensbescherming zoals neergelegd in het recht van de Unie inzake gegevensbescherming te waarborgen.

De Commissie LIBE verzoekt daarnaast de gegevensbeschermingsautoriteiten van de lidstaten om het hele terugtrekkingsproces proactief te volgen, om eraan bij te dragen dat de terugtrekking succesvol en ordelijk verloopt, zonder schending van rechten van personen waarvan persoonsgegevens worden verwerkt.

3.  Veiligheid, rechtshandhaving en justitiële samenwerking in strafzaken

Wat betreft justitiële samenwerking in strafzaken voorziet het terugtrekkingsakkoord in duidelijke en gedetailleerde regels voor alle lopende strafprocedures. Er is een overgangsperiode vastgesteld waarin bepaalde uitdrukkelijk vermelde Uniewetgeving van toepassing zal blijven. Daardoor kunnen lopende procedures worden afgerond, hetgeen in overeenstemming is met het rechtszekerheidsbeginsel dat een fundamenteel beginsel is binnen het strafrecht en het strafprocesrecht.

Wat betreft rechtshandhaving en binnenlandse veiligheid geldt dat het VK op grond van het terugtrekkingsakkoord niet langer toegang zal hebben tot de informatiesystemen van de Unie, waaronder het Schengeninformatiesysteem, het belangrijkste systeem van de Unie, dat gegevens bevat over onderdanen van derde landen en EU-lidstaten. Het terugtrekkingsakkoord bevat regels voor maatregelen die tijdens de overgangsperiode genomen kunnen worden en op grond waarvan het VK via die systemen gegevens kan blijven uitwisselen tot het einde van de overgangsperiode. Met betrekking tot enkele belangrijke systemen, zoals SIS en SIENA, voorziet het terugtrekkingsakkoord in de mogelijkheid om onder bepaalde voorwaarden gedurende enige tijd na afloop van de overgangsperiode operationele gegevens te blijven uitwisselen, om ervoor te zorgen dat de operationele waarde van de gegevens in de systemen aan het einde van de overgangsperiode niet verloren gaat. Al deze regelingen in het terugtrekkingsakkoord moeten de gevolgen van een abrupte loskoppeling van de informatiesystemen van de Unie verzachten. Er zij opgemerkt dat met betrekking tot enkele EU-systemen meer tijd gegund wordt om te onderhandelen over toekomstige regelingen, bijvoorbeeld in het kader van de uitwisseling van PNR-gegevens tussen het VK en de EU, waarover het Hof van Justitie zich moet uitspreken.

Wat betreft de toekomstige betrekkingen met het VK herinnert het Parlement eraan dat de Politieke verklaring waarin het kader wordt geschetst voor de toekomstige betrekkingen tussen de Europese Unie en het Verenigd Koninkrijk spreekt over een breed, alomvattend en evenwichtig veiligheidspartnerschap in het kader waarvan de EU en het VK wederzijdse regelingen dienen op te zetten voor de tijdige, effectieve en efficiënte uitwisseling van persoonsgegevens van passagiers (PNR-gegevens) en van de resultaten van de verwerking van die gegevens, die zijn opgeslagen in de respectieve nationale PNR-verwerkingssystemen, alsmede van gegevens betreffende DNA, vingerafdrukken en voertuigregistratie (Prüm), en tevens over operationele samenwerking via Europol en Eurojust. Er zij in dit kader echter aan herinnerd dat het Verenigd Koninkrijk niet aan instrumenten op het gebied van politiële en justitiële samenwerking in strafzaken hoeft deel te nemen omdat het, overeenkomstig de in het Verdrag van Lissabon geboden mogelijkheid hiertoe, gekozen heeft voor een opt-out op dit gebied, maar in enkele gevallen wel voor deelname aan instrumenten heeft gekozen, en het erop lijkt dat het VK, ondanks het in 2016 genomen besluit om de Unie te verlaten, na de terugtrekking uit de Unie nog aan bepaalde onderdelen van de politiële en justitiële samenwerking wenst deel te nemen. De besluitvorming op dit gebied moet niet ad-hoc plaatsvinden, maar er moet een duidelijk en permanent kader komen voor de deelname van het VK aan de politiële en justitiële samenwerking. Volledige eerbiediging van de mensenrechten, het blijven naleven van en uitvoering geven aan het EVRM, bescherming van persoonsgegevens en doeltreffende juridische waarborgen zijn essentiële voorwaarden voor deze samenwerking. De Commissie LIBE is van oordeel dat deze samenwerking uitsluitend mogelijk is als aan deze voorwaarden wordt voldaan. Het Parlement herinnert eraan dat de autoriteiten van het VK kopieën hebben gemaakt van in het Schengeninformatiesysteem opgenomen persoonsgegevens, waarmee zij een ernstige inbreuk hebben gepleegd op de gegevensbeschermingswetgeving van de Unie. Deze kwestie is nog niet opgelost. Daarom verzoekt het Parlement de Raad en de Commissie om ervoor te zorgen dat aan deze ernstige schending en andere ernstige schendingen een einde wordt gemaakt, dat de situatie snel en diepgravend wordt geëvalueerd en dat het Parlement hierover wordt geïnformeerd, voordat er verder wordt onderhandeld over de verdere vormgeving van de samenwerking.

4.  Asiel, migratie en grensbeheer

De toekomstige samenwerking op het gebied van asiel, migratie en grensbeheer komt in het terugtrekkingsakkoord nauwelijks aan bod.

Het is daarom belangrijk dat verduidelijkt wordt in welke omvang het VK met de EU wil blijven samenwerken in het kader van het gemeenschappelijk Europees asielstelsel (met name in het kader van de Dublinverordening). Het VK neemt momenteel immers deel aan diverse instrumenten. Ook moet meer duidelijkheid komen over de vraag hoe de toekomstige samenwerking tussen de EU en het VK op het gebied van migratie, onder meer wat betreft de internationale samenwerking op dit gebied, eruit zal zien. Als het VK blijft deelnemen aan programma’s van de Unie, moeten er in de toekomstige overeenkomst ook bepalingen worden opgenomen over het Fonds voor asiel, migratie en integratie, want het VK ontvangt op dit moment meer steun dan welk ander EU-land dan ook (voor maatregelen op het gebied van terugkeer).

Wat betreft grensbeheer is het zo dat het VK op dit moment niet volledig kan deelnemen aan Frontex, omdat het VK met betrekking tot de daarmee samenhangende delen van het Schengenacquis niet heeft gekozen voor een opt-in. Het werkt echter wel op diverse vlakken met Frontex samen, bijvoorbeeld wat betreft operationele ondersteuning op het gebied van terugkeer en grensbeheer, en daarnaast heeft het VK de status van waarnemer in de raad van bestuur. Het is belangrijk dat de toekomstige betrekkingen van Frontex met het VK als derde land worden gedefinieerd. Ook de toekomstige betrekkingen tussen de EU en het VK op het gebied van gegevensuitwisseling en het gebruik van grootschalige informatiesystemen voor grensbeheer moeten nader worden ingevuld, waarbij met name aandacht moet worden besteed aan governance en rechtszekerheid.

De commissie LIBE verzoekt de bevoegde commissie AFCO bijgevolg het Parlement aan te bevelen zijn goedkeuring te hechten aan het ontwerpbesluit van de Raad betreffende de sluiting van het Akkoord inzake de terugtrekking van het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland uit de Europese Unie en de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie (2018/0427(NLE)).


 

 

BRIEF VAN DE COMMISSIE VERZOEKSCHRIFTEN

De heer Antonio Tajani

Voorzitter

Commissie constitutionele zaken

BRUSSEL

Betreft: <Titre>Advies inzake het besluit van de Raad betreffende de sluiting van het Akkoord inzake de terugtrekking van het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland uit de Europese Unie en de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie </Titre> <DocRef>(2018/0427(NLE))</DocRef>

Geachte voorzitter,

Ik schrijf u in verband met de goedkeuring van het besluit van de Raad betreffende de sluiting van het Akkoord inzake de terugtrekking van het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland uit de Europese Unie en de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie (2018/0427(NLE)) door uw commissie. In haar vergadering van 21 januari 2020 heeft de Commissie verzoekschriften een advies in de vorm van een brief aangenomen, dat ik u hierbij voorleg.

Op die vergadering[58] heeft de Commissie verzoekschriften besloten de Commissie constitutionele zaken, als bevoegde commissie, te verzoeken het Parlement aan te bevelen het besluit van de Raad goed te keuren.

Krachtens artikel 227 VWEU hebben alle EU-burgers, alle bedrijven met statutaire zetel in de EU en alle personen die in de EU wonen, het recht om een verzoekschrift tot het Europees Parlement te richten. Dit betekent dat Britse burgers die in het VK wonen ingevolge de brexit na 31 januari niet langer het recht zullen hebben aan het Europees burgerinitiatief deel te nemen, het recht verliezen om een verzoekschrift in te dienen en het recht om zich na de overgangsperiode (31 december) tot de Europese Ombudsman te wenden. EU-burgers in het Verenigd Koninkrijk zullen al deze rechten behouden, terwijl Britse burgers die in de EU verblijven, niet langer het recht zullen hebben om aan het Europees burgerinitiatief deel te nemen, maar wel het recht behouden om een verzoekschrift in te dienen.

De Commissie verzoekschriften hecht veel belang aan de 210 verzoekschriften waarin burgers hun ernstige bezorgdheid uiten over de wijze waarop de brexit hun rechten zal aantasten, met name wat betreft het recht om zich tot de Ombudsman te wenden en het recht om aan het Europees burgerinitiatief deel te nemen. De Commissie verzoekschriften heeft ook tal van verzoekschriften ontvangen over het recht op gezinshereniging, gezondheidszorg, stemrecht en verblijf. De Commissie verzoekschriften wil dan ook benadrukken hoe belangrijk het is dat de rechten van de burgers, zoals gewaarborgd door het terugtrekkingsakkoord, worden veiliggesteld.

De Commissie verzoekschriften herinnert eraan dat de bescherming van de rechten van de burgers altijd haar belangrijkste prioriteit is geweest. Zij neemt er nota van dat het akkoord bepalingen bevat ter bescherming van de uit het EU-recht voortvloeiende status en rechten van burgers en gezinnen in de EU en in het VK die gevolgen ondervinden van de terugtrekking van het VK. De Commissie verzoekschriften stelt vast dat de rechten van EU-burgers en hun gezinsleden die hun recht op vrij verkeer in het VK overeenkomstig het EU-recht vóór het einde van de overgangsperiode hebben uitgeoefend en daarna in het VK blijven wonen, alsmede de rechten van Britse burgers die datzelfde recht uitoefenen in een lidstaat van de EU-27, door het terugtrekkingsakkoord worden beschermd.

De Commissie verzoekschriften herinnert eraan dat het stemrecht een grondrecht is dat de grondwettelijke tradities van de lidstaten gemeen hebben en dat in de EU-Verdragen wordt erkend in het kader van het recht op politieke participatie. De deelname aan het democratische bestel van de EU en het stemrecht van EU-burgers die in een andere lidstaat wonen, vormen vaak het onderwerp van verzoekschriften.

De Commissie verzoekschriften betreurt dan ook dat veel Britse burgers die al meer dan 15 jaar in een andere lidstaat wonen, hun stemrecht hebben verloren. Het VK ontneemt zijn onderdanen dit recht op grond van de veronderstelling dat expats geen gevolgen ondervinden van politieke besluiten die in hun land van oorsprong worden genomen. Het VK ontneemt zijn onderdanen ook hun stemrecht bij de Europese verkiezingen als zij permanent in een ander land wonen, zelfs als dat een EU-lidstaat is.

De commissie betreurt dat veel Britse burgers en alle burgers van de EU-27 het recht werd ontzegd om te stemmen bij het brexitreferendum, ook al had de uitslag daarvan grote gevolgen voor hun leven. Het stemrecht bij verkiezingen en bindende referenda is een grondrecht en moet onder alle omstandigheden worden beschermd. Het mag niet worden ontnomen aan burgers die besluiten zich te vestigen en vrij te verplaatsen in een andere lidstaat.

Ten slotte benadrukt de Commissie verzoekschriften dat het gastland ervoor moet zorgen dat de administratieve procedure voor het aanvragen van de verblijfsstatus soepel, transparant en eenvoudig verloopt en dat onnodige rompslomp wordt vermeden. De commissie is van mening dat het door het Britse ministerie van Binnenlandse Zaken voorgestelde systeem, de “registratieprocedure” waarbij onderdanen van de EU-27 de verblijfsstatus moeten aanvragen, onvoldoende transparant en eenvoudig is en onnodige en onredelijke administratieve rompslomp met zich brengt voor burgers van de EU-27, en zelfs het risico inhoudt dat burgers die rechtmatig aanspraak kunnen maken op het verblijfsrecht, dit recht niet kunnen uitoefenen.

De Commissie verzoekschriften spreekt haar bezorgdheid uit over de huidige tenuitvoerlegging van de vestigingsregeling, met name wat betreft het arbitraire gebruik van “pre-settled status” om “full settled status” te ontzeggen op grond van technische details en over de mogelijke gevolgen voor wie zich niet binnen de gestelde termijn aanmeldt. Deze bezorgdheid is gebaseerd op het taalgebruik van het ministerie van Binnenlandse Zaken over mogelijke uitzettingen van EU-burgers en het ontbreken van maatregelen om kwetsbare burgers te helpen.

Gezien het bovenstaande verzoekt de Commissie verzoekschriften de Britse autoriteiten alle nodige maatregelen te nemen om te waarborgen dat de rechten van EU-burgers die in het Verenigd Koninkrijk wonen, naar behoren worden beschermd en gewaarborgd.

De Commissie verzoekschriften verzoekt de Commissie constitutionele zaken het Parlement aan te bevelen zijn goedkeuring te hechten aan het besluit van de Raad betreffende de sluiting van het Akkoord inzake de terugtrekking van het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland uit de Europese Unie en de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie.

 

 

Hoogachtend,

 

 

 

Mevrouw Dolors Montserrat

Voorzitter

Commissie verzoekschriften

 

 

 

 

 

 

 


 

 

 


 

 

PROCEDURE VAN DE BEVOEGDE COMMISSIE

Titel

Sluiting van het Akkoord inzake de terugtrekking van het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland uit de Europese Unie en de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie

Document- en procedurenummers

21105/3/2018 – C9-0148/2019 – 21105/1/2018 – C8-0031/2019 – 2018/0427(NLE)

Datum raadpleging / verzoek om goedkeuring

11.1.2019

 

 

 

Bevoegde commissie

 Datum bekendmaking

AFCO

30.1.2019

 

 

 

Medeadviserende commissies

 Datum bekendmaking

AFET

14.2.2019

INTA

14.2.2019

EMPL

11.3.2019

ENVI

14.2.2019

 

IMCO

14.11.2019

TRAN

11.3.2019

AGRI

14.11.2019

JURI

14.2.2019

 

LIBE

11.3.2019

PETI

14.11.2019

 

 

Rapporteurs

 Datum benoeming

Guy Verhofstadt

23.1.2020

 

 

 

Behandeling in de commissie

23.1.2020

 

 

 

Datum goedkeuring

23.1.2020

 

 

 

Uitslag eindstemming

+:

–:

0:

23

3

0

Bij de eindstemming aanwezige leden

Martina Anderson, Gerolf Annemans, Catherine Bearder, Geert Bourgeois, Richard Corbett, Pascal Durand, Daniel Freund, Esteban González Pons, Laura Huhtasaari, Rupert Lowe, Aileen McLeod, Giuliano Pisapia, Domènec Ruiz Devesa, Pedro Silva Pereira, Antonio Tajani, László Trócsányi, Guy Verhofstadt, Loránt Vincze, Rainer Wieland

Bij de eindstemming aanwezige vaste plaatsvervangers

Gwendoline Delbos-Corfield, Danuta Maria Hübner, Miapetra Kumpula-Natri, Jaak Madison, Mairead McGuinness, Maite Pagazaurtundúa

Bij de eindstemming aanwezige plaatsvervangers (art. 209, lid 7)

Robert Rowland

Datum indiening

23.1.2020

 


 

HOOFDELIJKE EINDSTEMMING IN DE BEVOEGDE COMMISSIE

23

+

ECR

Geert Bourgeois

GUE/NGL

Martina Anderson

ID

Gerolf Annemans, Laura Huhtasaari, Jaak Madison

NI

Rupert Lowe, Robert Rowland

PPE

Esteban González Pons, Danuta Maria Hübner, Mairead McGuinness, Antonio Tajani, László Trócsányi, Loránt Vincze, Rainer Wieland

RENEW

Pascal Durand, Maite Pagazaurtundúa, Guy Verhofstadt

S&D

Miapetra Kumpula-Natri, Giuliano Pisapia, Domènec Ruiz Devesa, Pedro Silva Pereira

VERTS/ALE

Gwendoline Delbos-Corfield, Daniel Freund

 

3

-

RENEW

Catherine Bearder

S&D

Richard Corbett

VERTS/ALE

Aileen McLeod

 

0#

0

 

 

 

 

 

Verklaring van de gebruikte tekens:

+ : voor

- : tegen

0 : onthouding

 

 

 

 

[1]  PB C 384 I van 12.11.2019, blz. 1.

[2]  PB C 384 I van 12.11.2019, blz. 178.

[5]  PB L 278 I van 30.10.2019, blz. 1.

[6]  PB C 298 van 23.8.2018, blz. 24.

[7]  PB C 346 van 27.9.2018, blz. 2.

[8]  PB C 369 van 11.10.2018, blz. 32.

[9]  PB C 162 van 10.5.2019, blz. 40.

[10]  Aangenomen teksten, P9_TA(2019)0016.

[11] PB C 298 van 23.8.2018, blz. 24.

[12] Richtsnoeren naar aanleiding van de kennisgeving door het Verenigd Koninkrijk op grond van artikel 50 VEU (EUCO XT 20004/17).

[13] Besluit (EU) 2019/274 van de Raad van 11 januari 2019 betreffende de ondertekening, namens de Europese Unie en de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie, van het Akkoord inzake de terugtrekking van het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland uit de Europese Unie en de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie (PB L 47 I van 19.2.2019, blz. 1). De aan Besluit (EU) 2019/274 gehechte tekst van het terugtrekkingsakkoord is bekendgemaakt in PB C 66 I van 19.2.2019, blz. 1.

[14] Besluit (EU) 2019/1750 van de Raad van 21 oktober 2019 tot wijziging van Besluit (EU) 2019/274 betreffende de ondertekening, namens de Europese Unie en de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie, van het Akkoord inzake de terugtrekking van het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland uit de Europese Unie en de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie (PB L 274 I van 28.10.2019, blz. 1). De aan Besluit (EU) 2019/1750 gehechte tekst van het terugtrekkingsakkoord is bekendgemaakt in PB C 384 I van 12.11.2019, blz. 1.

[15] Besluit (EU) 2020/48 van de Raad van 21 januari 2020 tot wijziging van Besluit (EU) 2019/274 betreffende de ondertekening, namens de Europese Unie en de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie, van het Akkoord inzake de terugtrekking van het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland uit de Europese Unie en de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie (PB L 16I van 21.1.2020, blz. 1).

[16] Ontwerpbesluit van de Raad betreffende de sluiting van het Akkoord inzake de terugtrekking van het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland uit de Europese Unie en de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie, document XT 21105/3/18 REV 3 van de Raad.

[17] PB C 91 van 9.3.2018, blz. 40.

[18] In de vorige zittingsperiode de ALDE-Fractie, nu Renew Europe.

[19] “Een nieuwe regeling voor het Verenigd Koninkrijk binnen de Europese Unie”, PB C 69 I van 23.2.2016, blz. 1.

 

[20] PB C 346 van 27.9.2018, blz. 2.

[21] PB C 346 van 27.9.2018, blz. 2.

[23] PB C 162 van 10.5.2019, blz. 40.

[24] PB C 91 van 9.3.2018, blz. 40.

[25] PB L 166 van 30.4.2004, blz. 1.

[26] Aangenomen teksten, P9_TA(2020)0006, resolutie van het Europees Parlement van 15 januari 2020 over de uitvoering van en het toezicht op de rechten van de burgers in het terugtrekkingsakkoord (2020/2505(RSP))

[27] “UK Withdrawal (‘Brexit’) and the Good Friday Agreement”, Europees Parlement, Beleidsondersteunende afdeling Rechten van de burger en Constitutionele Zaken, directoraat-generaal Intern Beleid van de Unie, november 2017. Beschikbaar op: https://www.europarl.europa.eu/RegData/etudes/STUD/2017/596826/IPOL_STU(2017)596826_EN.pdf

[28] Resolutie van het Europees Parlement van 14 maart 2018 over het kader van de toekomstige betrekkingen tussen de EU en het VK, PB C 162 van 10.5.2019, blz. 40.

[29] “UK Withdrawal (‘Brexit’) and the Good Friday Agreement”, Europees Parlement, Beleidsondersteunende afdeling Rechten van de burger en Constitutionele Zaken, directoraat-generaal Intern Beleid van de Unie, november 2017. Beschikbaar op: https://www.europarl.europa.eu/RegData/etudes/STUD/2017/596826/IPOL_STU(2017)596826_EN.pdf

[30] In dit verband werden in de literatuur ter zake verschillende voorstellen gedaan, onder meer voor een “slimme grens 2.0”, een nieuwe grensoplossing die de belangen van beide zijden van de grens dienst, “met maximale voorspelbaarheid, snelheid en veiligheid, en met een minimum aan lasten en kosten voor handelaars en reizigers”, aan de hand van een “combinatie van internationale normen, mondiale beste praktijken en geavanceerde technologie”. “Smart Border 2.0: Avoiding a hard border on the island of Ireland for Customs control and the free movement of persons”, Europees Parlement, Beleidsondersteunende afdeling Rechten van de burger en Constitutionele Zaken, directoraat-generaal Intern Beleid van de Unie, november 2017. Beschikbaar op:https://www.europarl.europa.eu/RegData/etudes/STUD/2017/596828/IPOL_STU(2017)596828_EN.pdf

[31] “Smart Border 2.0: Avoiding a hard border on the island of Ireland for Customs control and the free movement of persons”, Europees Parlement, Beleidsondersteunende afdeling Rechten van de burger en Constitutionele Zaken, directoraat-generaal Intern Beleid van de Unie, november 2017. Beschikbaar op:https://www.europarl.europa.eu/RegData/etudes/STUD/2017/596828/IPOL_STU(2017)596828_EN.pdf

[32] Het doel van het in kaart brengen was “de breedte en diepte van deze samenwerking te beoordelen, alsook de rol van het EU-lidmaatschap bij de werking en ontwikkeling van die samenwerking. (...) Noord-Zuid-samenwerking is specifiek voor het eiland Ierland, en valt onder de bevoegdheid van de regering van Ierland en de Noord-Ierse Executive. Deze samenwerking is geregeld in deel 2 van het Goede-Vrijdagakkoord”. Zie: “Mapping of North-South cooperation & Implementation Bodies – Report and key findings of the exercise”, Europese Commissie, Taskforce voor het voorbereiden en voeren van de onderhandelingen met het Verenigd Koninkrijk overeenkomstig artikel 50 VEU, 21 juni 2019.

[33] Toespraak van James Brokenshire, minister voor Noord-Ierland, in het European Policy Centre, 6 november 2017.

[34] Uitleg met betrekking tot het nieuwe Protocol inzake Ierland/Noord-Ierland en de politieke verklaring over de toekomstige betrekkingen, Ministerie voor de Uittreding uit de Europese Unie, Regering van het VK, 18 oktober 2019. Beschikbaar op: https://assets.publishing.service.gov.uk/government/uploads/system/uploads/attachment_data/file/840653/EXPLAINER_FOR_THE_NEW_IRELAND_NORTHERN_IRELAND_PROTOCOL_AND_THE_POLITICAL_DECLARATION_ON_THE_FUTURE_RELATIONSHIP.pdf

[35] Voor meer details over de bepalingen van het herziene protocol, zie: “Brexit: What did you agree with the UK today?”, Europese Commissie, vragen en antwoorden, 17 oktober 2019. Beschikbaar op: https://ec.europa.eu/commission/presscorner/detail/en/QANDA_19_6122

[37] “De rekening omvat financiële verplichtingen voor de komende decennia, en gaan dus over een langere periode dan het feitelijke EU-lidmaatschap van het VK, dat ongeveer veertig jaar heeft geduurd. Toezeggingen op het gebied van pensioenen, infrastructuurbestedingen, de ontmanteling van nucleaire installaties, zelfs activa zoals satellieten en het Berlaymontgebouw, moeten allemaal netjes uitgesplitst worden als we geen hard, ongecontroleerd en pijnlijk vertrek willen.” Uit: “The €60 billion Brexit bill: How to disentangle Britain from the EU budget,” Alex Barker, beleidsnota, Centre for European Reform, 6 februari 2017. Beschikbaar op: https://www.cer.eu/publications/archive/policy-brief/2017/%e2%82%ac60-billion-brexit-bill-how-disentangle-britain-eu-budget

 

[38] PB C 162 van 10.5.2019, blz. 40.

[39] PB C 346 van 27.9.2018, blz. 2.

[40] Tobias Lock en Fabian Zuleeg, “Extending the transition period”, EPC-discussienota, 28 september 2018, blz. 6.

[41] PB C 162 van 10.5.2019, blz. 40.

[42] Tobias Lock en Fabian Zuleeg, “Extending the transition period”, EPC-discussienota, 28 september 2018, blz. 3.

[43] Aangenomen teksten, P9_TA(2019)0016.

[44] PB C 162 van 10.5.2019, blz. 40.

[45] PB C 298 van 23.8.2018, blz. 24.

[46] PB C 369 van 11.10.2018, blz. 32.

[47] PB C 162 van 10.5.2019, blz. 40.

[48] Zie in dit verband de post van Steve Peers op zijn blog “EU Law Analysis” van 8 december 2018, waarin opgemerkt wordt dat “de niet-bindende en onnauwkeurige aard van de politieke verklaring tot kritiek heeft geleid”. In een latere post op 12 maart 2019 wees Steve Peers er nogmaals op dat de “politieke verklaring niet alleen een niet-bindend karakter heeft, maar ook vaag en vrijblijvend is met betrekking tot een aantal belangrijke aspecten van de toekomstige betrekkingen. Zij zou herzien kunnen worden (...) met het oog op sterkere en meer concrete verbintenissen”. Beide posts staan op http://eulawanalysis.blogspot.com.

[49] PB C 66 I van 19.2.2019, blz. 185.

[50] PB C 384 I van 12.11.2019, blz. 178.

[51] Aangenomen teksten, P9_TA(2019)0016.

[52] Bij de eindstemming waren aanwezig: Pierre Karleskind (waarnemend voorzitter), Róża Thun und Hohenstein (ondervoorzitter), Maria Manuel Leitão Marques (ondervoorzitter), Petra De Sutter (rapporteur voor advies), Adam Bielan, Carlo Fidanza, Alex Agius Saliba, Clara Aguilera, Andrus Ansip, Pablo Arias Echeverría, Pascal Arimont, Anna‑Michelle Asimakopoulou, Alessandra Basso, Brando Benifei, Adam Bielan, Hynek Blaško, Biljana Borzan, Vlad‑Marius Botoş, Markus Buchheit, Dita Charanzová, David Cormand, Dinesh Dhamija, Carlo Fidanza, Evelyne Gebhardt, Alexandra Geese, Svenja Hahn, Virginie Joron, Eugen Jurzyca, Arba Kokalari, Marcel Kolaja, John Longworth, Morten Løkkegaard, Adriana Maldonado López, Leszek Miller, Dan‑Ştefan Motreanu, Anne‑Sophie Pelletier, Jiří Pospíšil, Christel Schaldemose, Tomislav Sokol, Edina Tóth, Kim Van Sparrentak, Marion Walsmann en Ivan Štefanec.

[53] Bij de eindstemming waren aanwezig: Norbert Lins (voorzitter), Mairead McGuinness (rapporteur voor advies), Álvaro Amaro, Franc Bogovič, Daniel Buda, Herbert Dorfmann, Balázs Hidvéghi, Peter Jahr, Marlene Mortler, Anne Sander, Simone Schmiedbauer, Juan Ignacio Zoido Álvarez, Clara Aguilera, Eric Andrieu, Attila Ara‑Kovács, Carmen Avram, Adrian‑Dragoş Benea, Isabel Carvalhais, Paolo De Castro, Juozas Olekas, Massimiliano Smeriglio, Atidzhe Alieva‑Veli, Asger Christensen, Jérémy Decerle, Martin Hlaváček, Elsi Katainen, Ulrike Müller, Sheila Ritchie, Mara Bizzotto, Angelo Ciocca, Ivan David, Gilles Lebreton, Maxette Pirbakas, Benoît Biteau, Martin Häusling, Pär Holmgren, Bronis Ropė, Sarah Wiener, Mazaly Aguilar, Krzysztof Jurgiel, Zbigniew Kuźmiuk, Bert‑Jan Ruissen, Veronika Vrecionová, Luke Ming Flanagan, Petros Kokkalis, Dino Giarrusso, Ivan Vilibor Sinčić.

[54] PB CI 384/1 van 12.11.2019, blz. 1.

[55] Bij de eindstemming waren aanwezig: Lucy Nethsingha(voorzitter), Ibán García Del Blanco, Sergey Lagodinsky, Marion Walsmann (vicevoorzitters), Patrick Breyer, Geoffroy Didier, Angel Dzhambazki, Heidi Hautala, Jackie Jones, Mislav Kolakušić; Gilles Lebreton, Karen Melchior, Lefteris Nikolaou‑Alavanos, Sabrina Pignedoli, Jiří Pospíšil, Emil Radev, Franco Roberti, Liesje Schreinemacher, Stéphane Séjourné, Axel Voss, Lara Wolters, Tiemo Wölken, Juan Ignacio Zoido Álvarez (plaatsvervangend voor Esteban González Pons overeenkomstig artikel 209, lid 7, van het Reglement).

[56] Resolutie van het Europees Parlement van 14 maart 2018 over het kader van de toekomstige betrekkingen tussen de EU en het VK (2018/2573(RSP))

[57] Arrest van het Hof van 6 oktober 2015 in zaak C-362/14, Maximillian Schrems/Data Protection Commissioner

[58] Bij de eindstemming waren aanwezig: Dolors Montserrat (voorzitter), Tatjana Ždanoka (ondervoorzitter), Yana Toom (ondervoorzitter), Asim Ademov, Alex Agius Saliba, Isabel Benjumea Benjumea, Martin Buschmann, Angel Dzhambazki, Peter Jahr, Manolis Kefalogiannis, Ádám Kósa, Adriana Maldonado López, Ulrike Müller, Lefteris Nikolaou Alavanos, Demetris Papadakis, Sira Rego, Diana Riba i Giner, Alfred Sant, Nico Semsrott, Andrey Slabakov, Ramona Strugariu, Loránt Vincze, Rainer Wieland, Kosma Złotowski.

Laatst bijgewerkt op: 28 januari 2020Juridische mededeling - Privacybeleid