Procedure : 2018/0356M(NLE)
Stadium plenaire behandeling
Documentencyclus : A9-0017/2020

Ingediende teksten :

A9-0017/2020

Debatten :

PV 11/02/2020 - 4
CRE 11/02/2020 - 4

Stemmingen :

PV 12/02/2020 - 11.2
Stemverklaringen

Aangenomen teksten :

P9_TA(2020)0027

<Date>{28/01/2020}28.1.2020</Date>
<NoDocSe>A9-0017/2020</NoDocSe>
PDF 246kWORD 90k

<TitreType>VERSLAG</TitreType>

<Titre>met een niet-wetgevingsontwerpresolutie over het ontwerp van besluit van de Raad betreffende de sluiting van de vrijhandelsovereenkomst tussen de Europese Unie en de Socialistische Republiek Vietnam </Titre>

<DocRef>(06050/2019 – C9-0023/2019 – 2018/0356M(NLE))</DocRef>


<Commission>{INTA}Commissie internationale handel</Commission>

Rapporteur: <Depute>Geert Bourgeois</Depute>

NIET-WETGEVINGSONTWERPRESOLUTIE VAN HET EUROPEES PARLEMENT
 ADVIES VAN DE COMMISSIE BUITENLANDSE ZAKEN
 ADVIES VAN DE COMMISSIE ONTWIKKELINGSSAMENWERKING
 ADVIES VAN DE COMMISSIE VISSERIJ
 PROCEDURE VAN DE BEVOEGDE COMMISSIE
 HOOFDELIJKE EINDSTEMMING IN DE BEVOEGDE COMMISSIE

NIET-WETGEVINGSONTWERPRESOLUTIE VAN HET EUROPEES PARLEMENT

over het ontwerp van besluit van de Raad betreffende de sluiting van de vrijhandelsovereenkomst tussen de Europese Unie en de Socialistische Republiek Vietnam

(06050/2019 – C9-0023/2019 – 2018/0356M(NLE))

Het Europees Parlement,

 gezien het ontwerp van besluit van de Raad (06050/2019),

 gezien het ontwerp van vrijhandelsovereenkomst tussen de Europese Unie en de Socialistische Republiek Vietnam (06051/2019),

 gezien het voorstel voor een besluit van de Raad betreffende de sluiting van de investeringsbeschermingsovereenkomst tussen de Europese Unie en haar lidstaten, enerzijds, en de Socialistische Republiek Vietnam, anderzijds (0000/2019),

 gezien het verzoek om goedkeuring dat de Raad heeft ingediend krachtens artikel 91, lid 1, artikel 100, lid 2, artikel 207, lid 4, eerste alinea, artikel 218, lid 6, tweede alinea, onder a), punt v), en artikel 218, lid 7, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (C9-0023/2019),

 gezien de kaderovereenkomst inzake een breed partnerschap en samenwerking tussen de Europese Unie en haar lidstaten, enerzijds, en de Socialistische Republiek Vietnam, anderzijds, die op 27 juni 2012 in Brussel is ondertekend en in oktober 2016 in werking is getreden[1],

 gezien de op 17 oktober 2019 ondertekende kaderovereenkomst inzake deelname, die de deelname van Vietnam aan door de Europese Unie geleide operaties voor de beheersing van burgerlijke en militaire crises zal vereenvoudigen en die duidt op de sterke inzet van beide zijden voor een op regels gebaseerde multilaterale benadering van vrede en veiligheid,

 gezien het advies van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 16 mei 2017 in procedure 2/15[2], waarom de Europese Commissie op 10 juli 2015 had verzocht, overeenkomstig artikel 218, lid 11, VWEU,

 gezien zijn resolutie van 5 juli 2016 over een nieuw op te stellen toekomstgerichte en innovatieve strategie voor handel en investeringen[3],

 gezien de mededeling van de Commissie getiteld “Handel voor iedereen: naar een meer verantwoord handels- en investeringsbeleid”,

 gezien het besluit van de Raad van 22 december 2009 om bilaterale onderhandelingen over vrijhandelsovereenkomsten te voeren met afzonderlijke lidstaten van de Associatie van Zuidoost-Aziatische staten (ASEAN),

 gezien de onderhandelingsrichtsnoeren van 23 april 2007 voor een interregionale vrijhandelsovereenkomst met de landen van de ASEAN,

 gezien zijn resolutie van 9 juni 2016 over Vietnam[4],

 gezien zijn resolutie van 14 december 2017 over de vrijheid van meningsuiting in Vietnam, met name de zaak van Nguyen Van Hoa[5],

 gezien zijn resolutie van 15 november 2018 over Vietnam, met name de situatie van politieke gevangenen[6],

 gezien het besluit van de Europese Ombudsman van 26 februari 2016 in zaak 1409/2014/MHZ betreffende de niet-nakoming door de Europese Commissie van de verplichting om vóór de sluiting van de vrijhandelsovereenkomst tussen de EU en Vietnam een effectbeoordeling uit te voeren[7],

 gezien het Verdrag betreffende de Europese Unie (VEU), en met name Titel V daarvan over het extern optreden van de Unie,

 gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU), en met name artikel 91, artikel 100, artikel 168, en artikel 207 in samenhang met artikel 218, lid 6, onder a), punt v),

 gezien de conclusies van de Raad van 20 juni 2016 over kinderarbeid,

 gezien de conclusies van de Raad van 20 juni 2016 over het bedrijfsleven en mensenrechten,

 gezien de economische effecten van de vrijhandelsovereenkomst tussen de EU en Vietnam[8],

 gezien de universele periodieke toetsing van Vietnam van 2019 door de VN-Mensenrechtenraad,

 gezien de conclusies van zijn informatiebezoek aan Vietnam (28 oktober t/m 1 november 2018) en de door de Commissie in mei 2018 uitgevoerde evaluatie van de vooruitgang van het land bij de bestrijding van illegale, ongemelde en ongereglementeerde visserij (IOO-visserij) na de “gele kaart” van de Commissie op 23 oktober 2017,

 gezien zijn wetgevingsresolutie van …[9] over het ontwerp van besluit,

 gezien artikel 105, lid 2, van zijn Reglement,

 gezien de adviezen van de Commissie buitenlandse zaken, de Commissie ontwikkelingssamenwerking en de Commissie visserij,

 gezien het verslag van de Commissie internationale handel (A9-0017/2020),

A. overwegende dat Vietnam een strategische partner van de Europese Unie is en dat de EU en Vietnam een gemeenschappelijke agenda hebben, namelijk om groei en werkgelegenheid te stimuleren, het concurrentievermogen te verbeteren, de armoede te bestrijden en de doelstellingen inzake duurzame ontwikkeling  te verwezenlijken, en dat beide partijen sterk gehecht zijn aan open, op regels gebaseerde handel en het multilaterale handelsstelsel;

B. overwegende dat deze overeenkomst de tweede bilaterale handelsovereenkomst is die wordt gesloten tussen de EU en een lidstaat van de ASEAN, en een belangrijke opstap vormt naar een interregionale vrijhandelsovereenkomst; overwegende dat deze overeenkomst, samen met de vrijhandelsovereenkomst tussen de EU en de Republiek Singapore waaraan het Parlement op 13 februari 2019 zijn goedkeuring heeft gehecht, tevens als ijkpunt zal dienen voor overeenkomsten waarover de EU momenteel onderhandelt met andere belangrijke economieën van de ASEAN;

C. overwegende dat volgens voorspellingen 90 % van de toekomstige economische groei buiten Europa en voor een aanzienlijk deel in Azië zal worden gegenereerd;

D. overwegende dat Vietnam in 2007 is toegetreden tot de WTO en nu een open en op vrijhandel gerichte economie is, zoals blijkt uit de 16 handelsovereenkomsten die Vietnam met 56 landen heeft gesloten;

E. overwegende dat Vietnam een van de stichters is van het alomvattende en vooruitstrevende trans-Pacifische partnerschap (Comprehensive and Progressive Trans-Pacific Partnership, CPTPP), en partij is bij de onlangs afgeronde onderhandelingen over het regionaal alomvattend economisch partnerschap (Regional Comprehensive Economic Partnership, RCEP);

F. overwegende dat Vietnam een bloeiende, concurrerende en aangesloten economie is met bijna 100 miljoen burgers, een groeiende middenklasse en een jonge en dynamische beroepsbevolking, ofschoon het land een economie met lagere middeninkomens blijft met specifieke ontwikkelingsproblemen, zoals wordt geïllustreerd door de 116e plaats die Vietnam inneemt in de uit 189 landen bestaande menselijke-ontwikkelingsindex van het UNDP;

G. overwegende dat Vietnam tevens een van de snelst groeiende landen van de ASEAN is met een gemiddeld groeipercentage van het bbp van ongeveer 6,51 % in de periode 2000-2018; overwegende dat Vietnam in de komende jaren naar verwachting in een vergelijkbaar hoog tempo zal blijven groeien;

H. overwegende dat de EU momenteel de derde handelspartner van Vietnam is, na China en Zuid-Korea, en haar op een na grootste exportmarkt na de VS; overwegende dat de uitvoer van de EU naar het land in de afgelopen tien jaar jaarlijks met naar schatting gemiddeld 5 tot 7 % is gegroeid; overwegende dat in de economische-effectbeoordeling van de Commissie wordt voorspeld dat de export van EU-bedrijven tegen 2035 met 8 miljard EUR zal groeien en dat wordt verwacht dat de Vietnamese export naar de EU met 15 miljard EUR zal toenemen; overwegende dat het belangrijk is de mogelijkheden die deze overeenkomst biedt, optimaal en op een zo inclusief mogelijke manier te benutten voor het bedrijfsleven en met name kmo’s;

I. overwegende dat de Raad heeft benadrukt dat het in het belang van de EU is om, bij de uitvoering van de Agenda 2030 op coherente, alomvattende en doeltreffende wijze, een voortrekkersrol te blijven spelen, aangezien dit een overkoepelende prioriteit voor de EU is, ten behoeve van haar burgers en om haar geloofwaardigheid binnen en buiten Europa te behouden; overwegende dat verkozen voorzitter Von der Leyen in haar opdrachtbrief aan alle kandidaat-commissarissen erop heeft aangedrongen dat alle commissarissen op hun beleidsterreinen zorgen voor de verwezenlijking van de VN‑doelstellingen inzake duurzame ontwikkeling;

J. overwegende dat Vietnam nog steeds kampt met uitdagingen op het gebied van duurzame ontwikkeling, mensen-, politieke en burgerrechten, met name wat betreft de situatie van minderheden, fundamentele vrijheden, de vrijheid van godsdienst en de persvrijheid, de exploitatie van natuurlijke hulpbronnen (bijv. zand, visbestanden en hout), afvalbeheer en verontreiniging; overwegende dat de EU en Vietnam nog altijd uiteenlopende standpunten hebben over de aanbevelingen van internationale mensenrechtenorganen over Vietnam en over de uitvoering van deze aanbevelingen, bijvoorbeeld die in verband met het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten (ICCPR); overwegende dat dwangarbeid onder gevangenen een punt van zorg blijft in Vietnam;

K. overwegende dat Vietnam ondanks de in 1986 geïnitieerde economische en politieke hervormingen nog steeds een eenpartijstaat is die fundamentele vrijheden zoals de vrijheid van vereniging, de vrijheid van meningsuiting, de vrijheid van godsdienst en de persvrijheid niet erkent; overwegende dat het repressieve karakter van het regime en de ernstige en stelselmatige mensenrechtenschendingen in Vietnam door de Europese Dienst voor extern optreden zijn gedocumenteerd in het EU-jaarverslag over mensenrechten en democratie in de wereld voor 2018, waarin met name wordt gewezen op het stijgende aantal politieke gevangenen in het land;

L. overwegende dat de Vietnamese regering in de resolutie van het Parlement van 15 november 2018 ertoe werd opgeroepen “alle repressieve wetten in te trekken, te herzien of te wijzigen, met name het wetboek van strafrecht”; overwegende dat Vietnam geen gehoor heeft gegeven aan deze oproep; overwegende dat Vietnam geen van de bij de laatste universele periodieke toetsing (in maart 2019) gedane aanbevelingen om onrechtmatige bepalingen van het strafrecht te wijzigen of in te trekken, heeft geaccepteerd;

M. overwegende dat in de vrijhandelsovereenkomst tussen de EU en Vietnam wordt erkend dat het belangrijk is het behoud en het duurzame beheer van de levende mariene rijkdommen en ecosystemen te waarborgen en tegelijk duurzame aquacultuur te bevorderen, en dat op grond van artikel 13.9 van deze overeenkomst wordt voorzien in samenwerking in de strijd tegen IOO-visserij;

N. overwegende dat bepaalde producten op basis van vis, zoals producten onder de tariefposten 1604 14 21 en 1604 14 26, niet in een vrijstellingsregeling in de vrijhandelsovereenkomst zijn opgenomen, omdat dit voor de Europese Unie gevoelige producten zijn;

O. overwegende dat wordt erkend dat IOO‑visserij een georganiseerde misdaad op zee is, met rampzalige sociaal-economische en milieugevolgen wereldwijd en oneerlijke concurrentie voor de Europese visserijsector tot gevolg;

P. overwegende dat Vietnam de op drie na grootste producent van vis ter wereld is, gevolgd door de Europese Unie, en de op drie na grootste producent van aquacultuurproducten;

Q. overwegende dat de EU wereldwijd de grootste handelaar is in visserij- en aquacultuurproducten (in waarde) en in 2017 een handelsvolume van meer dan 2,3 miljard EUR heeft gegenereerd; overwegende dat de EU meer dan 65 % van de visproducten die zij verbruikt, invoert, en zij tot de grootste buitenlandse investeerders in Vietnam behoort;

R. overwegende dat Vietnam tot nu toe één product met een geografische aanduiding (GA) – Phú Quốc, een soort vissaus – met een oorsprongsbenaming (BOB) heeft beschermd in het kader van de kwaliteitsregelingen van de EU; overwegende dat de vrijhandelsovereenkomst voorziet in de bescherming van 169 Europese GA’s voor wijnen, gedistilleerde dranken en levensmiddelen in Vietnam en de wederzijdse bescherming van 39 Vietnamese GA’s in de EU;

S. overwegende dat Vietnam een markt van 95 miljoen mensen is, met een reeds lang bestaande traditie op het vlak van de consumptie van vis- en aquacultuurproducten, en de op één na grootste handelspartner van de EU is in de ASEAN-regio; overwegende dat de visserijsector voor Europese kleine en middelgrote ondernemingen een sterk groeipotentieel en aanzienlijke voordelen kan opleveren; overwegende dat deze sector van vitaal belang is voor de Europese welvaart en innovatie;

1. onderstreept het feit dat de vrijhandelsovereenkomst EU-Vietnam de meest moderne, uitgebreide en ambitieuze vrijhandelsovereenkomst is die de EU ooit met een ontwikkelingsland heeft gesloten en als referentie zou moeten dienen voor de samenwerking van de EU met ontwikkelingslanden en in het bijzonder met de ASEAN-regio; herinnert eraan dat Vietnam na de inwerkingtreding van de vrijhandelsovereenkomst gedurende een overgangsperiode van twee jaar begunstigde van het SAP zal blijven;

2. merkt op dat de onderhandelingen in juni 2012 zijn begonnen en in december 2015 na 14 onderhandelingsronden werden afgerond, en betreurt de daaropvolgende vertragingen bij de ondertekening en ratificatie van de overeenkomst, met name de vertraging van de Raad om het Parlement tijdig voor de Europese verkiezingen te vragen om goedkeuring;

3. onderstreept het economisch en strategisch belang van deze overeenkomst, aangezien de EU en Vietnam gemeenschappelijke doelen delen: de groei en werkgelegenheid stimuleren, het concurrentievermogen verbeteren, de armoede bestrijden, het op regels gebaseerde handelsstelsel schragen, de doelstellingen inzake duurzame ontwikkeling verwezenlijken en de rechten van werknemers en de fundamentele vrijheden ondersteunen; benadrukt de geopolitieke aspecten waardoor de EU-partners in het Verre Oosten belangrijke samenwerkingspartners zijn in een complexe lokale geo-economische context;

4. merkt op dat in artikel 21 van het Verdrag betreffende de Europese Unie is bepaald dat de Unie zich bij haar internationaal optreden moet laten leiden door de beginselen van democratie, de rechtsstaat, de universaliteit en de ondeelbaarheid van de mensenrechten en de fundamentele vrijheden, de eerbiediging van de menselijke waardigheid, de beginselen van gelijkheid en solidariteit en de naleving van de beginselen van het Handvest van de VN en het internationaal recht; benadrukt dat het beginsel van samenhang van het beleid met de ontwikkelingsdoelstellingen in acht moet worden genomen, overeenkomstig artikel 208 VWEU;

5. onderstreept hoe belangrijk de overeenkomst is voor het concurrentievermogen van EU‑bedrijven in de regio; merkt op dat Europese ondernemingen steeds meer concurrentie krijgen van landen waarmee Vietnam reeds vrijhandelsovereenkomsten heeft gesloten, met name het alomvattende en vooruitstrevende trans-Pacifische partnerschap (CPTPP);

6. hoopt dat de overeenkomst, samen met de vrijhandelsovereenkomst EU-Singapore, een verdere stap is in de richting van strenge normen en regels in de ASEAN-regio, en het pad zal effenen voor een toekomstige interregionale handels- en investeringsovereenkomst; onderstreept dat de overeenkomst ook een sterk signaal ten gunste van vrije, eerlijke en wederzijdse handel doet uitgaan, nu het protectionisme in opmars is en het op regels gebaseerde multilaterale handelsstelsel zwaar onder druk staat; onderstreept dat de overeenkomst de EU helpt om haar positie in de ASEAN-regio te versterken, gezien de recente sluiting van het regionaal alomvattend economisch partnerschap (RCEP) en de inwerkingtreding van het alomvattende en vooruitstrevende trans-Pacifische partnerschap (CPTPP);  onderstreept tevens dat de overeenkomst de EU in staat stelt haar normen en waarden in de regio te bevorderen; herhaalt zijn volledige steun voor het multilateralisme en het belang van een duurzame en ambitieuze hervorming van de WTO die kan zorgen voor een op regels gebaseerde internationale handel;

7. benadrukt dat met de overeenkomst meer dan 99 % van alle heffingen zullen verdwijnen[10]; merkt op dat Vietnam bij de inwerkingtreding 65 % van de invoerrechten op de uitvoer van de EU zal schrappen, terwijl de rest van de heffingen over een periode van tien jaar geleidelijk zal worden afgebouwd; merkt tevens op dat de EU bij de inwerkingtreding 71 % van haar invoer rechtenvrij zal maken en dat na zeven jaar 99 % van de invoer rechtenvrij zal zijn; wijst erop dat de overeenkomst ook specifieke bepalingen zal bevatten over niet-tarifaire belemmeringen voor uitvoer uit de EU, die vaak een aanzienlijke horde voor kmo’s vormen; meent dat de vrijhandelsovereenkomst kan helpen om het handelstekort van de EU met Vietnam aan te pakken en het groeipotentieel van het ASEAN-land in de komende jaren te benutten;

8. benadrukt dat het belangrijk is te zorgen voor doeltreffende en strikte controles, onder andere door een versterkte douanesamenwerking in Europa, om te voorkomen dat de overeenkomst een doorvoerroute voor goederen uit andere landen naar het Europees grondgebied wordt;

9. wijst erop dat deze overeenkomst een verbeterde toegang biedt tot Vietnamese overheidsopdrachten, in overeenstemming met de Overeenkomst inzake overheidsopdrachten, aangezien Vietnam nog geen partij is bij die overeenkomst; wijst erop dat het hoofdstuk inzake overheidsopdrachten van de vrijhandelsovereenkomst wordt gekenmerkt door een mate van transparantie en eerlijke procedures die vergelijkbaar is met andere vrijhandelsovereenkomsten die de EU met ontwikkelde landen en geavanceerde ontwikkelingslanden heeft ondertekend; onderstreept dat de overeenkomst de binnenlandse aanbestedingsregels noch de manoeuvreerruimte bij aanbestedingen mag beperken als het gaat om het vaststellen van eisen aan de te leveren goederen en diensten en eisen aan bijvoorbeeld het milieu en de arbeids- en tewerkstellingsvoorwaarden;

10. is verheugd over het feit dat de bepalingen in de vrijhandelsovereenkomst met betrekking tot de oorsprongsregels aansluiten op de EU-aanpak en dat hun belangrijkste kenmerken gelijk zijn aan die van het SAP van de EU en van de vrijhandelsovereenkomst EU-Singapore; verzoekt de Commissie om toe te zien op de juiste en getrouwe uitvoering van deze regels, met speciale aandacht voor de nationale invulling, en om doortastender op te treden tegen elke vorm van manipulatie en misbruik, zoals het herverpakken van producten uit derde landen;

11. merkt op dat Vietnam dan niet langer kan voldoen aan de oorsprongsregels door cumulatie toe te passen uit andere SAP-begunstigde handelspartners in de regio; benadrukt dat oorsprongsregels in vrijhandelsovereenkomsten bestaande waardeketens niet onnodig mogen doorbreken, met name ten aanzien van landen die momenteel profiteren van de SAP-, de SAP+- of de EBA-regeling;

12. onderstreept het feit dat circa 169 geografische aanduidingen van de EU op de Vietnamese markt zullen worden erkend en beschermd op een niveau dat vergelijkbaar is met dat van de EU-wetgeving, in het licht van het feit dat Vietnam een belangrijke markt in Azië is voor de EU-uitvoer van voedsel en drank; is van oordeel dat deze lijst in de nabije toekomst moet worden verlengd; benadrukt bovendien dat bepaalde EU‑landbouwsectoren, zoals de rijstteelt, negatieve gevolgen kunnen ondervinden van de bepalingen van de vrijhandelsovereenkomst; verzoekt de Commissie in dit verband om voortdurend toe te zien op de invoer van deze gevoelige producten en om de bepalingen van de vrijwaringsverordening volledig te benutten steeds wanneer aan de juridische en economische vereisten wordt voldaan, om eventuele negatieve gevolgen voor de EU‑landbouwsectoren als direct gevolg van de inwerkingtreding van de vrijhandelsovereenkomst te voorkomen;

13. is ingenomen met het sterke SPS-hoofdstuk, waarmee één transparante procedure wordt opgezet voor de goedkeuring van de uitvoer van EU-levensmiddelen naar Vietnam om de goedkeuring van EU-uitvoeraanvragen te versnellen en discriminatie te voorkomen; complimenteert Vietnam met de toezegging om dezelfde invoervereisten toe te passen op soortgelijke producten die uit de EU-lidstaten afkomstig zijn;

14. herinnert eraan dat Vietnam wat diensten betreft met deze overeenkomst verder gaat dan zijn WTO-verplichtingen, een aanzienlijk betere toegang verleent tot een aantal subsectoren van het bedrijfsleven en toegang biedt tot nieuwe markten zoals verpakkingsdiensten, diensten in verband met handelsbeurzen en exposities en diensten voor verhuur en leasing; onderstreept dat Vietnam voor het eerst grensoverschrijdende diensten voor hoger onderwijs heeft opengesteld; is ingenomen met het gebruik van een positieve lijst in het dienstenoverzicht;

15. herinnert eraan dat een snelle ratificatie van de vrijhandelsovereenkomst Vietnam kan helpen voortgang te boeken bij het verbeteren van de bescherming van de intellectuele-eigendomsrechten, en de hoogste productienormen en de beste kwaliteit voor de consument kan garanderen; onderstreept dat Vietnam zal toetreden tot de internetverdragen van de Wereldorganisatie voor de intellectuele eigendom (WIPO), waarin normen worden vastgesteld om ongeoorloofde onlinetoegang tot of ongeoorloofd gebruik van creatief werk te voorkomen, de rechten van eigenaars te beschermen, en de uitdagingen die nieuwe technologieën en communicatiemethoden vormen voor intellectuele-eigendomsrechten het hoofd te bieden; onderstreept het strategisch belang van het vermogen om normen vast te stellen in een regio waarin steeds meer sprake is van ontkoppeling op het gebied van normen en standaarden; herhaalt dat het ontbreken van krachtige regelgevingskaders een race naar de bodem en negatieve concurrentie ten aanzien van belangrijke wettelijke bepalingen in de hand kan werken; wijst erop dat het bevorderen van toegang tot medicijnen een essentiële pijler van het EU‑beleid vormt en dat de bepalingen van de overeenkomst die betrekking hebben op de intellectuele-eigendomsrechten ten aanzien van farmaceutische producten speciaal worden afgestemd op het ontwikkelingsniveau, het huidige regelgevingskader en de volksgezondheidskwesties in Vietnam;

16. betreurt het feit dat de overeenkomst geen specifiek kmo-hoofdstuk bevat, maar merkt op dat in verschillende delen van de overeenkomst wel verschillende bepalingen inzake kmo’s zijn opgenomen; benadrukt dat de uitvoeringsfase cruciaal zal zijn voor de invoering van een actieplan om kmo’s te helpen de door de overeenkomst geboden kansen te benutten, te beginnen met het vergroten van de transparantie en het verspreiden van alle desbetreffende informatie, aangezien deze sector van de economie van cruciaal belang is voor de welvaart en innovatie in Europa; meent dat de Commissie de mogelijkheid om een kmo‑hoofdstuk op te nemen dient te verkennen bij een eventuele herziening van de overeenkomst;

17. is ingenomen met de bepalingen inzake samenwerking op het gebied van dierenwelzijn, met inbegrip van technische bijstand en capaciteitsopbouw voor de ontwikkeling van hoge dierenwelzijnsnormen, en verzoekt de partijen deze ten volle te benutten; dringt er bij de partijen op aan zo snel mogelijk een actieplan voor samenwerking op het gebied van dierenwelzijn te ontwikkelen, met inbegrip van een programma voor opleiding, capaciteitsopbouw en bijstand in het kader van de overeenkomst om het dierenwelzijn te waarborgen op het moment van het doden en dieren beter te beschermen op landbouwbedrijven en tijdens transport in Vietnam;

18. onderstreept dat de overeenkomst duidelijk het recht van de EU vermeldt om haar eigen normen toe te passen op alle goederen en diensten die in de Unie worden verkocht, en het voorzorgsbeginsel van de EU in herinnering brengt; onderstreept dat de hoge normen van de EU, inclusief in nationale wetten, voorschriften en collectieve overeenkomsten, nooit als handelsbelemmeringen mogen worden beschouwd;

19. betreurt het feit dat de overeenkomst geen bepaling over grensoverschrijdende gegevensdoorgifte bevat; overwegende dat een dergelijke bepaling, die het EU-recht inzake gegevensbescherming en de bescherming van de privacy eerbiedigt, moet worden geïntroduceerd bij een toekomstige herziening van de overeenkomst en dat het resultaat daarvan ter goedkeuring moeten worden voorgelegd aan het Parlement; merkt in dit verband op dat de algemene verordening gegevensbescherming volledig verenigbaar is met de algemene uitzonderingen krachtens de GATS-overeenkomst;

20. wijst erop dat de vrijhandelsovereenkomst een uitgebreid en afdwingbaar hoofdstuk over handel en duurzame ontwikkeling omvat waarin arbeids- en milieuvraagstukken aan bod komen en dat gebaseerd is op algemeen aanvaarde multilaterale verdragen en normen; wijst erop dat de afdwingbaarheid van het hoofdstuk over handel en duurzame ontwikkeling aanzienlijk kan worden verbeterd, in de eerste plaats middels het overwegen, onder diverse nalevingsmethoden, van een op sancties gebaseerd mechanisme als laatste redmiddel, en in de tweede plaats middels de hervorming van het systeem van interne adviesgroepen waarop het Parlement herhaaldelijk heeft aangedrongen en dat tevens wordt vermeld in de opdrachtbrief voor de nieuwe commissaris voor handel van de EU; onderstreept dat het hoofdstuk over handel en duurzame ontwikkeling bedoeld is om een bijdrage te leveren aan de bredere beleidsdoelstellingen van de EU, met name inclusieve groei, de strijd tegen de klimaatverandering, de bevordering van de mensenrechten waaronder de rechten van werknemers, en meer in het algemeen het handhaven van de waarden van de EU; onderstreept dat de overeenkomst tevens een instrument is voor de ontwikkeling en sociale vooruitgang in Vietnam ter ondersteuning van de inspanningen van het land om de arbeidsrechten te verbeteren en de bescherming op het werk en de milieubescherming te versterken; dringt aan op de snelle oprichting en inzetbaarheid van brede en onafhankelijke interne adviesgroepen, en doet een beroep op de Commissie om intensief met de Vietnamese autoriteiten samen te werken en hun de nodige ondersteuning te bieden; verzoekt het gemengd comité om onmiddellijk werk te maken van een sterkere handhaving van de bepalingen inzake handel en duurzame ontwikkeling;

21.  roept op tot de oprichting van een gemengd comité van de Vietnamese nationale vergadering en het Europees Parlement om de maatregelen uit het hoofdstuk over handel en duurzame ontwikkeling en de uitvoering van de overeenkomst als geheel beter te coördineren en te evalueren; is ingenomen met het positieve standpunt van de voorzitter van de nationale vergadering van Vietnam over deze oproep tot actie en dringt aan op de spoedige sluiting van een memorandum van overeenstemming tussen de twee parlementen;

22. is ingenomen met de concrete stappen die de Vietnamese regering tot dusver heeft ondernomen, onder meer een wijziging van de arbeidswetgeving en de wettelijke voorschriften inzake de minimumleeftijd voor arbeid met als doel kinderarbeid af te schaffen, en toezeggingen op het gebied van niet-discriminatie en gendergelijkheid op het werk; verwacht dat deze nieuwe wetgeving wordt vervolledigd door uitvoeringsbesluiten en dat zij door de Vietnamese autoriteiten zo snel mogelijk volledig wordt nageleefd;

23. erkent de teruggang van kinderarbeid in Vietnam in de afgelopen jaren en herinnert eraan dat Vietnam het eerste Aziatische land en het tweede land in de wereld is dat het VN-Verdrag inzake de rechten van het kind heeft geratificeerd; doet voorts een beroep op de Vietnamese regering om een ambitieuze routekaart te presenteren voor de uitroeiing van kinderarbeid tegen 2025, en om dwangarbeid, slavernij en mensenhandel tegen 2030 af te schaffen; kijkt uit naar de tijdige evaluatie door de IAO voorafgaand aan de ratificatie van de overeenkomst; verzoekt de EU en Vietnam om samen een actieplan ter bestrijding van kinderarbeid te ontwikkelen, geflankeerd door de beschikbare EU-programma’s, en daarin de noodzakelijke zorgvuldigheidsverplichtingen voor bedrijven op te nemen;

24. onderstreept echter dat er, ondanks de geboekte vooruitgang, nog belangrijke problemen bestaan, dringt er bij de Vietnamese autoriteiten op aan zich meer in te zetten voor een progressieve agenda inzake werknemersrechten aan de hand van concrete maatregelen, en is in dit verband ingenomen met de aanneming van het hervormde arbeidswetboek op 20 november 2019; is tevens ingenomen met de ratificatie van het fundamentele IAO-verdrag 98 (collectieve arbeidsonderhandelingen) op 14 juni 2019 en de toezegging van de Vietnamese regering om de twee resterende fundamentele verdragen te ratificeren, te weten verdrag 105 (afschaffing van dwangarbeid) in 2020 en verdrag 87 (vrijheid van vereniging) in 2023, en doet een beroep op de Vietnamese autoriteiten om een geloofwaardige routekaart voor de ratificatie ervan over te leggen; benadrukt de centrale rol die uitvoeringsbesluiten spelen bij de uitvoering van het herziene arbeidswetboek en de geratificeerde IAO-verdragen, en onderstreept derhalve dat de beginselen van de IAO-verdragen 105 en 87 moeten worden opgenomen in de uitvoeringsbesluiten bij het herziene arbeidswetboek;  onderstreept zijn bereidheid om een actieve dialoog over dit onderwerp aan te gaan; verzoekt de Vietnamese regering de EU voortdurend op de hoogte te houden van de vooruitgang ten aanzien van de ratificatie en de uitvoering van deze resterende verdragen; wijst op de betekenis van deze toezeggingen, die echte positieve ontwikkelingen markeren in dit ontwikkelingsland, en benadrukt dat het van essentieel belang is dat de bepalingen inzake mensenrechten, IAO‑verdragen en milieubescherming daadwerkelijk worden uitgevoerd; benadrukt dat specifieke criteria in de uitvoeringswetgeving, zoals drempels en registratievereisten, onafhankelijke organisaties in feite niet eraan mogen hinderen de concurrentie aan te gaan met door de staat geleide organisaties; onderstreept tevens dat het strafrecht moet worden afgestemd op de desbetreffende IAO‑verdragen; onderstreept dat de verplichtingen van Vietnam uit hoofde van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten (ICCPR) en het onlangs herziene arbeidswetboek moeten worden toegepast op een wijze die de uitoefening van vrijheden in de praktijk niet verhindert, met name ten aanzien van de vrijheid van vereniging van onafhankelijke vakbonden; is ingenomen met de voorwaarden die de EU aan de ratificatie stelt;

25. is ingenomen met de beoogde samenwerking met betrekking tot de handelsaspecten van de IAO-agenda voor waardig werk, met name de koppeling tussen handel en volwaardige, productieve arbeid voor iedereen, onder wie jongeren, vrouwen en personen met een handicap; roept op tot een spoedige en betekenisvolle start van deze samenwerking;

26. merkt op dat Vietnam behoort tot de landen die het  kwetsbaarst zijn voor de gevolgen van de klimaatverandering, met name extreme weersomstandigheden zoals stormen en overstromingen; dringt er bij de Vietnamese regering op aan doeltreffende aanpassingsmaatregelen in te voeren en te zorgen voor een doeltreffende tenuitvoerlegging van de wetgeving ter bescherming van het milieu en de biodiversiteit;

27. is verheugd over de toezegging om de multilaterale milieuovereenkomsten, zoals de Overeenkomst van Parijs inzake klimaatverandering, daadwerkelijk ten uitvoer te leggen en om te streven naar de instandhouding en het duurzaam beheer van de wilde fauna en flora, biodiversiteit en bossen; overwegende dat Vietnam een van de actiefste landen in de ASEAN-regio is dat zijn inzet voor de Overeenkomst van Parijs toont; onderstreept dat een spoedige ratificatie van de vrijhandelsovereenkomst en de doeltreffende uitvoering van de Overeenkomst van Parijs zullen bijdragen aan de totstandbrenging van de hoogst mogelijke milieubeschermingsnormen in de regio;

28. vestigt de aandacht op het strategisch belang van Vietnam als cruciale partner van de EU in Zuidoost-Azië en te midden van de ASEAN-landen, specifiek, maar niet uitsluitend, in verband met de onderhandelingen op het gebied van klimaatverandering, goed bestuur, duurzame ontwikkeling, economische en maatschappelijke vooruitgang en terrorismebestrijding; beklemtoont dat Vietnam een partner moet worden bij de bevordering van de mensenrechten en democratische hervormingen; merkt op dat Vietnam in 2020 het voorzitterschap van de ASEAN bekleedt; benadrukt dat het van belang is dat de EU en Vietnam de Overeenkomst van Parijs volledig naleven en uitvoeren;

29. is ingenomen met de op 17 oktober 2019 ondertekende overeenkomst tussen de EU en de regering van Vietnam tot vaststelling van een kader voor de deelname van Vietnam aan de crisisbeheersingsoperaties van de EU; onderstreept dat Vietnam het tweede partnerland in Azië is dat een deelnamekaderovereenkomst met de EU heeft ondertekend; benadrukt dat de overeenkomst een belangrijke stap voorwaarts is in de betrekkingen tussen de EU en Vietnam;

30. herinnert eraan dat de overeenkomst voorziet in specifieke maatregelen voor de bestrijding van IOO‑visserij en de bevordering van een duurzame en verantwoordelijke visserijsector, inclusief aquacultuur; erkent in dit verband de verplichting van Vietnam om de IOO‑visserij aan te pakken, omdat het een volwaardig lidmaatschap van de Commissie voor de visserij in de westelijke en centrale Stille Oceaan (WCPFC) heeft aangevraagd, omdat het officieel is toegetreden tot de Overeenkomst inzake havenstaatmaatregelen, omdat het in 2017 de herziene visserijwetgeving heeft goedgekeurd waarin rekening wordt gehouden met internationale en regionale verplichtingen, overeenkomsten, en aanbevelingen van de Commissie, en omdat het een nationaal actieplan voor de bestrijding van IOO‑visserij uitvoert;

31. erkent evenwel het feit dat de Vietnamese autoriteiten nog steeds voor enorme uitdagingen staan met betrekking tot de overcapaciteit van ‘s lands sterk versnipperde vissersvloot en de overexploitatie van de mariene rijkdommen, en merkt op dat Vietnam de gele kaart heeft gekregen, maar ook reeds maatregelen heeft genomen om de situatie te verbeteren; roept op tot verdere actie in lijn met de bevindingen van de onderzoeksmissie van november 2019 en tot ononderbroken toezicht op en nauwgezette controles van de inspanningen van Vietnam om ervoor te zorgen dat het land vooruitgang blijft boeken bij de bestrijding van IOO‑visserij en om de volledige traceerbaarheid te waarborgen van visserijproducten die op de EU‑markt worden gebracht teneinde illegale invoer uit te sluiten; herinnert eraan dat de intrekking van de gele kaart afhankelijk moet zijn van de volledige en doeltreffende uitvoering van alle aanbevelingen die in 2017 door de EU zijn geformuleerd;

32. erkent de verbintenis van Vietnam om de illegale houtkap en ontbossing aan te pakken middels het sluiten van een vrijwillige partnerschapsovereenkomst inzake wetshandhaving, governance en handel in de bosbouw (Flegt-VPA) met de EU; wijst erop dat deze overeenkomst sedert 1 juni 2019 van kracht is en bindende zorgvuldigheidsverplichtingen voor de importeurs omvat; is verheugd over de open en constructieve deelneming van alle belanghebbenden in Vietnam aan dit proces;

33. onderstreept het essentiële belang van het daadwerkelijk uitvoeren van alle bepalingen en hoofdstukken van de overeenkomst, van markttoegang tot duurzame ontwikkeling en de naleving van alle verbintenissen; vindt dat alle bepalingen inzake handel en duurzame ontwikkeling zodanig moeten worden geïnterpreteerd dat zij wettelijke verplichtingen uit hoofde van internationaal recht en de vrijhandelsovereenkomst met zich meebrengen; onderstreept in dit verband de nieuwe functie van gevolmachtigde voor de naleving van het handelsbeleid die rechtstreeks onder de commissaris voor handel ressorteert, en de verbintenis van de Commissie internationale handel van het Parlement om actief toe te zien op de uitvoering van de toezeggingen in het kader van de vrijhandelsovereenkomst; onderstreept bovendien dat Europese bedrijven en met name kmo’s moeten worden aangemoedigd om de voordelen van de overeenkomst maximaal te benutten en dat eventuele hindernissen bij de uitvoering onmiddellijk moeten worden weggenomen;

34. benadrukt dat de inwerkingtreding van de overeenkomst de voorwaarden zal scheppen voor een omvangrijke en vruchtbare samenwerking tussen beide partijen met het oog op de daadwerkelijke uitvoering van de bepalingen inzake duurzame ontwikkeling die verbetering teweeg kan brengen in de politieke en mensenrechtensituatie in het land; onderstreept dat de goede uitvoering van de vrijhandelsovereenkomst Vietnam kan helpen om te voldoen aan de Europese normen op het gebied van milieu, mensenrechten, goed bestuur en maatschappelijk verantwoord ondernemen; is in dit verband verheugd over de toezegging van Vietnam om met een nationaal uitvoeringsplan te komen voor de naleving van de bepalingen van de vrijhandelsovereenkomst;

35. herinnert aan de ervaringen uit het verleden, die laten zien dat de correcte uitvoering van vrijhandelsovereenkomsten en de aanwezigheid van EU-bedrijven ter plaatse kunnen leiden tot verbeteringen op het gebied van de mensenrechten, maatschappelijk verantwoord ondernemen en de milieunormen; verzoekt Europese bedrijven om een belangrijke rol te blijven spelen bij het overbruggen van normen en goede praktijken om via de vrijhandelsovereenkomst het meest geschikte, duurzame ondernemingsklimaat In Vietnam tot stand te brengen;

36. dringt aan op een zeer gedetailleerd en streng toezicht op de overeenkomst en de verplichtingen om ervoor te zorgen dat lacunes snel met onze handelspartner worden aangepakt; dringt erop aan dat de EU de nodige maatregelen inzake capaciteitsopbouw steunt en dat specifieke technische bijstand wordt verleend om Vietnam te helpen zijn verplichtingen na te komen middels projecten en expertise, met name in verband met bepalingen inzake milieu en arbeid; herinnert de Commissie aan haar verplichtingen inzake verslaglegging aan het Europees Parlement en de Raad over de uitvoering van de vrijhandelsovereenkomst;

37. benadrukt dat de betrokkenheid van het onafhankelijk maatschappelijk middenveld en de sociale partners bij het toezicht op de uitvoering van de overeenkomst van cruciaal belang is, en pleit ervoor na de inwerkingtreding van de overeenkomst interne adviesgroepen voor te bereiden en snel op te richten, alsmede te zorgen voor een brede en evenwichtige vertegenwoordiging van onafhankelijke, vrije en diverse maatschappelijke organisaties in deze groepen, met inbegrip van onafhankelijke Vietnamese organisaties op het gebied van arbeidsrechten en milieubescherming en mensenrechtenactivisten; ondersteunt de inspanningen van maatschappelijke organisaties in Vietnam om in dit verband voorstellen te ontwikkelen en zal steun verlenen aan inspanningen met het oog op capaciteitsopbouw;

38. herinnert eraan dat de betrekkingen tussen de EU en Vietnam gestoeld zijn op de partnerschaps- en samenwerkingsovereenkomst, die niet-economische gebieden omvat, zoals politieke dialoog, de mensenrechten, onderwijs, wetenschap en technologie, justitie, en asiel en migratie;

39. erkent het institutionele en juridische verband tussen de vrijhandelsovereenkomst en de PSO waarmee ervoor wordt gezorgd dat de mensenrechten de kern van de betrekkingen tussen de EU en Vietnam worden; onderstreept dat waarlijk positieve tendensen ten aanzien van de mensenrechten van belang zijn voor de spoedige ratificatie van deze overeenkomst, en doet een beroep op de Vietnamese autoriteiten om, als positief signaal van hun engagement, concrete maatregelen te nemen ter verbetering van de situatie; herinnert aan zijn verzoek van 15 november 2018, met name met betrekking tot de hervorming van het strafrecht, de doodstraf, politieke gevangenen en fundamentele vrijheden; dringt er bij de partijen op aan de overeenkomsten volledig te benutten om de dringende mensenrechtensituatie in Vietnam te verbeteren en onderstreept het belang van een ambitieuze mensenrechtendialoog tussen de EU en Vietnam; wijst erop dat artikel 1 van de PSO een standaardclausule met betrekking tot de mensenrechten omvat waarmee passende maatregelen op gang kunnen worden gebracht, met inbegrip van de onmiddellijke (gedeeltelijke) opschorting van de PSO, en indirect van de vrijhandelsovereenkomst, als laatste redmiddel;

40. betreurt het feit dat de Commissie heeft verzuimd om de vrijhandelsovereenkomst te onderwerpen aan een alomvattende effectbeoordeling inzake de mensenrechten; verzoekt de Commissie een dergelijke beoordeling uit te voeren; verzoekt de Commissie de mensenrechten systematisch op te nemen in haar effectbeoordelingen, telkens wanneer deze worden uitgevoerd, ook voor handelsovereenkomsten die een aanzienlijke economische, sociale en ecologische impact hebben; wijst erop dat de Commissie zich bovendien ertoe heeft verbonden achteraf een economische, sociale en milieueffectbeoordeling uit te voeren;

41. verzoekt de EU en Vietnam een onafhankelijk mechanisme voor toezicht op de mensenrechten en een onafhankelijk klachtenmechanisme in het leven te roepen die getroffen burgers en lokale belanghebbenden van een doeltreffend rechtsinstrument voorzien, alsook van een hulpmiddel om de mogelijke schadelijke gevolgen van de vrijhandelsovereenkomst voor de mensenrechten aan te pakken, met name aan de hand van het mechanisme voor de beslechting van geschillen tussen staten in het kader van het hoofdstuk over handel en duurzame ontwikkeling;

42. is bezorgd over de uitvoering van de nieuwe wet op de cyberbeveiliging, met name ten aanzien van de vereisten inzake lokalisatie en openbaarmaking, onlinetoezicht en ‑controle en de maatregelen ter bescherming van persoonsgegevens die niet verenigbaar zijn met de op waarden gebaseerde vrijhandelsagenda; is ingenomen met de bereidheid om een intensieve dialoog aan te gaan, waaronder de toezegging van de voorzitter van de nationale vergadering van Vietnam om beide parlementen te betrekken bij de bespreking van en de beraadslagingen over de uitvoeringsbesluiten; doet bovendien een beroep op de Vietnamese autoriteiten om concrete maatregelen te treffen en is ingenomen met de bijstand van de EU in dit verband;

43. herinnert eraan dat in artikel 8 VWEU is bepaald dat de Unie “bij elk optreden [ernaar streeft] de ongelijkheden tussen mannen en vrouwen op te heffen en de gelijkheid van mannen en vrouwen te bevorderen”; is ingenomen met het feit dat zowel Vietnam als de EU de WTO-verklaring van Buenos Aires inzake vrouwen en handel hebben ondertekend en verzoekt de partijen de verplichtingen inzake gender en handel in de overeenkomst te versterken; dringt erop aan de voorwaarden voor vrouwen te verbeteren, opdat zij van deze verklaring kunnen profiteren, mede via capaciteitsopbouw voor vrouwen op het werk en in het bedrijfsleven, het bevorderen van de vertegenwoordiging van vrouwen in besluitvorming en leidinggevende posities, en het verbeteren van hun toegang tot en participatie en leiderschap in wetenschap, technologie en innovatie; herinnert aan de toezegging van de Commissie om hoofdstukken over gender op te nemen in toekomstige handelsovereenkomsten van de EU, ook die welke na de sluiting van deze overeenkomst worden bereikt; doet een beroep op de EU en Vietnam om toe te zeggen de uitvoering van de overeenkomst te evalueren en een specifiek hoofdstuk over gender en handel op te nemen bij een toekomstige herziening ervan;

44. eist de onmiddellijke vrijlating van alle politieke gevangenen en leden van het maatschappelijk middenveld zoals bloggers en onafhankelijke vakbondslieden die momenteel gevangen zitten of zijn veroordeeld, met name degenen die worden genoemd in de resoluties van het Parlement van 14 december 2017 en 15 november 2018;

45. verzoekt de Commissie en de EDEO formeel verslag uit te brengen aan het Parlement over de toezegging van Vietnam om vooruitgang te boeken met betrekking tot een reeks mensenrechtenkwesties, zoals aangehaald in de resolutie van het Parlement van 17 december 2015[11];

46. benadrukt dat de overeenkomst op vele terreinen al heeft geleid tot veranderingen aan de hand van dialoog en ziet de overeenkomst als de basis voor verdere verbeteringen voor de bevolking door middel van dialoog;

47. is ingenomen met de overeenkomst, die nieuwe mogelijkheden zal creëren voor vrije en eerlijke handel tussen de EU en Vietnam; is  van mening dat de goedkeuring van het Europees Parlement gerechtvaardigd is, aangezien Vietnam stappen neemt om de situatie van de burger- en arbeidsrechten te verbeteren om zijn toezeggingen gestand te doen;

48. dringt er bij de Raad op aan de overeenkomst onverwijld aan te nemen; 

49. verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie, de vicevoorzitter van de Commissie/hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid, de EDEO, de regeringen en parlementen van de lidstaten, en de regering en het parlement van de Socialistische Republiek Vietnam.


 

 

 

ADVIES VAN DE COMMISSIE BUITENLANDSE ZAKEN (5.12.2019)

<CommissionInt>aan de Commissie internationale handel</CommissionInt>


<Titre>inzake het ontwerp van besluit van de Raad betreffende de sluiting van de vrijhandelsovereenkomst tussen de Europese Unie en de Socialistische Republiek Vietnam</Titre>

<DocRef>(2018/0356M(NLE))</DocRef>

Rapporteur voor advies: <Depute>Isabel Wiseler-Lima</Depute>

 

 

 

SUGGESTIES

De Commissie buitenlandse zaken verzoekt de bevoegde Commissie internationale handel onderstaande suggesties in haar ontwerpresolutie op te nemen:

1. herinnert eraan dat het Parlement op 17 december 2015 zijn goedkeuring heeft gehecht aan de kaderovereenkomst inzake een breed partnerschap en samenwerking tussen de EU en Vietnam[12], waarin toekomstige betrekkingen zijn vastgelegd en waarmee nadere samenwerking op het vlak van mondiale en regionale kwesties moet worden bevorderd; merkt met bezorgdheid op dat de mensenrechtensituatie in het land er sinds de inwerkingtreding van de partnerschaps- en samenwerkingsovereenkomst op achteruit is gegaan;

2. betreurt dat de Commissie de vrijhandelsovereenkomst tussen de EU en Vietnam, ondanks het verzoek van het Parlement, niet aan een effectbeoordeling inzake de mensenrechten heeft onderworpen, hetgeen haaks staat op het besluit van de Europese Ombudsman van 2015 alsook op de verbintenissen in het kader van het EU-actieplan inzake mensenrechten en democratie, en vraagt de Commissie deze beoordeling onverwijld uit te voeren; wijst erop dat de Commissie zich er bovendien toe heeft verbonden achteraf een economische, sociale en milieueffectbeoordeling uit te voeren;

3. vestigt de aandacht op het strategisch belang van Vietnam als cruciale partner van de EU in Zuidoost-Azië en te midden van de ASEAN-landen, specifiek, maar niet uitsluitend, in verband met de onderhandelingen op het gebied van klimaatverandering, goed bestuur, duurzame ontwikkeling, economische en maatschappelijke vooruitgang en terrorismebestrijding; beklemtoont dat Vietnam een partner moet worden bij de bevordering van de mensenrechten en democratische hervormingen; merkt op dat Vietnam in 2020 het voorzitterschap van de ASEAN bekleedt; benadrukt dat het van belang is dat de EU en Vietnam de Overeenkomst van Parijs volledig naleven en uitvoeren;

4. is ingenomen met de op 17 oktober 2019 ondertekende overeenkomst tussen de EU en de regering van Vietnam tot vaststelling van een kader voor de deelname van Vietnam aan de crisisbeheersingsoperaties van de EU; onderstreept dat Vietnam het tweede partnerland in Azië is dat een deelnamekaderovereenkomst met de EU heeft ondertekend; benadrukt dat de overeenkomst een belangrijke stap voorwaarts is in de betrekkingen tussen de EU en Vietnam;

5. neemt kennis van de inspanningen van Vietnam om hervormingen door te voeren, in het bijzonder met betrekking tot de milieu- en arbeidsrechten in het hoofdstuk van de vrijhandelsovereenkomst over duurzame ontwikkeling; dringt er bij de Vietnamese regering op aan alle passende wetgevende en niet-wetgevende maatregelen te nemen om daadwerkelijk de hoogst haalbare normen op het gebied van de mensenrechten te waarborgen en ten uitvoer te leggen, met inbegrip van, maar niet beperkt tot, milieu- en arbeidsnormen; is ingenomen met de ratificatie van zes van de acht kernverdragen van de IAO, namelijk nr. 29 over dwangarbeid, nrs. 100 en 111 over non‑discriminatie, nrs. 138 en 182 over kinderarbeid, en, meest recentelijk, nr. 98 over het recht op organisatie en collectieve onderhandelingen; dringt erop aan dat de Vietnamese regering ook de overige verdragen onverwijld ratificeert en volledig uitvoert; pleit voor een doeltreffend te handhaven mechanisme dat van toepassing is op het hoofdstuk over handel en duurzame ontwikkeling, alsook voor een duidelijk, openbaar en bindend tijdpad voor de ratificatie van de IAO-verdragen nr. 87 over de vrijheid tot het oprichten van vakverenigingen en de bescherming van het vakverenigingsrecht en nr. 105 over de afschaffing van gedwongen arbeid;

6. maakt zich nog altijd zorgen over de mensenrechtenschendingen in Vietnam, met inbegrip van het politiek intimideren, onder indringend toezicht stellen, lastigvallen, mishandelen, ontvoeren en op oneerlijke wijze voor de rechter brengen en veroordelen van politieke activisten, journalisten, bloggers, dissidenten en mensenrechtenverdedigers, de beknotting van de godsdienstvrijheid, de vrijheid van meningsuiting en de vrijheid van vereniging, alsook de toepassing van de doodstraf; verzoekt Vietnam een moratorium op de doodstraf in te stellen en onmiddellijk maatregelen te nemen met het oog op de afschaffing ervan; betreurt ten zeerste dat het aantal politieke gevangenen en vastgehouden journalisten, bloggers en mensenrechten-, arbeids-, religieuze en milieuactivisten de afgelopen jaren is toegenomen; verzoekt dat alle personen die uitsluitend worden vastgehouden omdat ze gebruik hebben gemaakt van hun recht op vrije meningsuiting worden vrijgelaten en dat alle aanklachten tegen hen worden ingetrokken;

7. beklemtoont dat de mensenrechten een hoeksteen vormen van het hoofdstuk van de vrijhandelsovereenkomst over handel en duurzame ontwikkeling; is bezorgd dat de vrijhandelsovereenkomst uitsluitend betrekking heeft op een bepaald scala van rechten, voornamelijk de belangrijkste IAO-verdragen; vraagt daarom om de mensenrechten er integraal deel van te laten uitmaken en de overeenkomst vergezeld te doen gaan van een mechanisme dat de daadwerkelijke handhaving ervan waarborgt; pleit voor een periodieke onafhankelijke evaluatie van de gevolgen van de overeenkomst;

8. verzoekt Vietnam de aanbevelingen uit te voeren die in het kader van de universele periodieke doorlichting zijn gedaan; roept de Vietnamese autoriteiten op ervoor te zorgen dat alle wetgeving in overeenstemming is met de internationale normen en verplichtingen op het gebied van de mensenrechten, met inbegrip van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten (IVBPR), waarbij Vietnam partij is, door met name het wetboek van strafrecht, de wet inzake cyberbeveiliging en de wet inzake geloof en godsdienst te herzien; roept de Vietnamese regering op om de wetgeving betreffende openbare bijeenkomsten en demonstraties in overeenstemming te brengen met het recht op vrijheid van vergadering en vereniging;

9. onderstreept dat artikel 13 van de vrijhandelsovereenkomst een coöperatieve aanpak belichaamt die gebaseerd is op gemeenschappelijke waarden en belangen, waarbij rekening wordt gehouden met het verschillende ontwikkelingsniveau van de partijen; is ingenomen met de mogelijkheid om zaken die onder artikel 13 over handel en duurzame ontwikkeling vallen eerst in het Comité voor handel en duurzame ontwikkeling op te lossen; betreurt dat indien dergelijke kwesties niet worden opgelost, de kans bestaat dat het tweede mechanisme dat een partij in staat stelt om de mening van een onafhankelijk panel van deskundigen te vragen, ondergeschikt blijft aan de eigen procedures van de partijen en afhankelijk blijft van de bereidheid van de partijen om er gebruik van te maken; verzoekt de EU en Vietnam een onafhankelijk mechanisme voor toezicht op de mensenrechten en een onafhankelijk klachtenmechanisme in het leven te roepen die getroffen burgers en lokale belanghebbenden van een doeltreffend rechtsinstrument voorzien, alsook van een hulpmiddel om de mogelijke schadelijke gevolgen van de vrijhandelsovereenkomst voor de mensenrechten aan te pakken, met name aan de hand van het mechanisme voor de beslechting van geschillen tussen staten in het kader van het hoofdstuk over handel en duurzame ontwikkeling;

10. benadrukt dat in de vrijhandelsovereenkomst een institutioneel en juridisch bindend verband wordt gelegd met de partnerschaps- en samenwerkingsovereenkomst; wijst erop dat artikel 1 van de partnerschaps- en samenwerkingsovereenkomst een standaardclausule met betrekking tot mensenrechten omvat waarmee passende maatregelen in gang kunnen worden gezet, met inbegrip van de onmiddellijke (gedeeltelijke) opschorting van de partnerschaps- en samenwerkingsovereenkomst als laatste redmiddel; herinnert eraan dat de Europese Ombudsman in zaak 1409/2014/MHZ over de vrijhandelsovereenkomst tussen de EU en Vietnam heeft vastgesteld dat de preambule van de vrijhandelsovereenkomst tussen de EU en Vietnam en andere traditionele instrumenten, zoals de mensenrechtenclausule van de partnerschaps- en samenwerkingsovereenkomst en de mensenrechtendialoog, ontoereikend waren om te waarborgen dat de verplichtingen van de EU voldoende werden geëerbiedigd, met name in gevallen waarin de wetgeving van het derde land niet in overeenstemming was met de internationale mensenrechtennormen; pleit voor de instelling van een mechanisme voor toezicht op de tenuitvoerlegging van de mensenrechtenclausule aan de hand van periodieke beoordelingen, alsook voor een procedure die duidelijke en geloofwaardige gevolgen omvat van schendingen van de overeenkomst;

11. stelt met bezorgdheid vast dat onafhankelijke maatschappelijke organisaties in Vietnam brutaal zijn onderdrukt en dat veel vertegenwoordigers van deze organisaties ondergronds werken uit vrees voor vervolging en represailles; spoort de Commissie aan de technische bijstand en beschikbare financiering voor Vietnam bij te schroeven zodat onafhankelijke maatschappelijke organisaties aldaar zich kunnen ontwikkelen en het land zijn internationale verplichtingen op het vlak van mensenrechten kan nakomen en toezicht kan worden gehouden op de correcte tenuitvoerlegging van artikel 13 van de vrijhandelsovereenkomst; verzoekt de Commissie te waarborgen dat in de in het hoofdstuk over handel en duurzame ontwikkeling bedoelde interne adviesgroepen daadwerkelijk onafhankelijke maatschappelijke organisaties worden opgenomen en verzoekt de Commissie bovendien te verduidelijken welke mechanismen er zijn om ervoor te zorgen dat zij hun rol naar behoren en veilig kunnen vervullen en zonder angst voor represailles toezicht kunnen houden op de uitvoering van de vrijhandelsovereenkomst;

12. onderstreept dat het Parlement en zijn bevoegde interparlementaire delegatie de ontwikkelingen in Vietnam en de uitvoering van alle onderdelen van de vrijhandelsovereenkomst nauwlettend moeten volgen en monitoren, zodat zij op ontwikkelingen ter plaatse kunnen reageren; vraagt de Europese Dienst voor extern optreden (EDEO) en de Commissie nauw samen te werken met het Parlement ter voorbereiding van de jaarlijkse mensenrechtendialogen en de bijbehorende debriefings en bij de actualisering van de EU-landenstrategie inzake mensenrechten voor Vietnam;

13. is stellig van mening dat de situatie op het gebied van de rechtsstaat, goed bestuur, duurzame ontwikkeling en de eerbiediging van de mensenrechten in Vietnam moet worden verbeterd;

14. verzoekt de Commissie en de EDEO formeel verslag uit te brengen aan het Parlement over de toezegging van Vietnam om vooruitgang te boeken met betrekking tot een reeks mensenrechtenkwesties, zoals aangehaald in zijn resolutie van 17 december 2015[13];

15. is van oordeel dat de overeenkomst alleen moet worden goedgekeurd mits alle politieke gevangenen door de Vietnamese autoriteiten worden vrijgelaten; beklemtoont dat er toezeggingen moeten worden gedaan met betrekking tot en dat overeenstemming moet worden bereikt met de Commissie over een duidelijk tijdpad voor wetgevende en niet-wetgevende maatregelen om de in deze resolutie uiteengezette kwesties aan te pakken; verzoekt de Commissie deze kwesties aan de orde te stellen.

 


PROCEDURE VAN DE ADVISERENDE COMMISSIE

Titel

Sluiting van de vrijhandelsovereenkomst tussen de Europese Unie en de Socialistische Republiek Vietnam

Document- en procedurenummers

2018/0356M(NLE)

Bevoegde commissie

 

INTA

 

 

 

 

Advies uitgebracht door

 Datum bekendmaking

AFET

24.10.2019

Rapporteur voor advies

 Datum benoeming

Isabel Wiseler-Lima

30.9.2019

Behandeling in de commissie

14.10.2019

2.12.2019

 

 

Datum goedkeuring

4.12.2019

 

 

 

Uitslag eindstemming

+:

–:

0:

47

7

8

Bij de eindstemming aanwezige leden

Alexander Alexandrov Yordanov, Maria Arena, Traian Băsescu, Phil Bennion, Fabio Massimo Castaldo, Susanna Ceccardi, Włodzimierz Cimoszewicz, Gina Dowding, Tanja Fajon, Michael Gahler, Giorgos Georgiou, Raphaël Glucksmann, Klemen Grošelj, Bernard Guetta, Márton Gyöngyösi, Sandra Kalniete, Andrius Kubilius, Ilhan Kyuchyuk, David Lega, Nathalie Loiseau, Jaak Madison, Thierry Mariani, David McAllister, Vangelis Meimarakis, Sven Mikser, Javier Nart, Urmas Paet, Demetris Papadakis, Tonino Picula, Manu Pineda, Kati Piri, Diana Riba i Giner, Catherine Rowett, Nacho Sánchez Amor, Isabel Santos, Jacek Saryusz-Wolski, Radosław Sikorski, Sergei Stanishev, Hermann Tertsch, Idoia Villanueva Ruiz, Viola Von Cramon-Taubadel, Irina Von Wiese, Witold Jan Waszczykowski, Charlie Weimers, Isabel Wiseler-Lima

Bij de eindstemming aanwezige vaste plaatsvervangers

Andrea Cozzolino, Arnaud Danjean, Loucas Fourlas, Jytte Guteland, Andrzej Halicki, Martin Horwood, Katrin Langensiepen, Hannah Neumann, Juozas Olekas, Kris Peeters, Bert-Jan Ruissen, Mick Wallace, Javier Zarzalejos, Bernhard Zimniok

Bij de eindstemming aanwezige plaatsvervangers (art. 209, lid 7)

Heidi Hautala, Gilles Lebreton, Geoffrey Van Orden

 


HOOFDELIJKE EINDSTEMMING IN DE ADVISERENDE COMMISSIE

47

+

NI

Fabio Massimo Castaldo, Márton Gyöngyösi

PPE

Alexander Alexandrov Yordanov, Traian Băsescu, Arnaud Danjean, Loucas Fourlas, Michael Gahler, Andrzej Halicki, Sandra Kalniete, Andrius Kubilius, David Lega, David McAllister, Vangelis Meimarakis, Kris Peeters, Radosław Sikorski, Isabel Wiseler-Lima, Javier Zarzalejos

RENEW

Phil Bennion, Klemen Grošelj, Bernard Guetta, Martin Horwood, Ilhan Kyuchyuk, Nathalie Loiseau, Javier Nart, Urmas Paet, Irina Von Wiese

S&D

Maria Arena, Włodzimierz Cimoszewicz, Andrea Cozzolino, Tanja Fajon, Raphaël Glucksmann, Jytte Guteland, Sven Mikser, Juozas Olekas, Demetris Papadakis, Tonino Picula, Kati Piri, Nacho Sánchez Amor, Isabel Santos, Sergei Stanishev

VERTS/ALE

Gina Dowding, Heidi Hautala, Katrin Langensiepen, Hannah Neumann, Diana Riba i Giner, Catherine Rowett, Viola Von Cramon-Taubadel

 

7

-

ECR

Bert-Jan Ruissen, Jacek Saryusz-Wolski, Geoffrey Van Orden, Witold Jan Waszczykowski

GUE/NGL

Mick Wallace

ID

Gilles Lebreton, Thierry Mariani

 

8

0

ECR

Hermann Tertsch, Charlie Weimers

GUE/NGL

Giorgos Georgiou, Manu Pineda, Idoia Villanueva Ruiz

ID

Susanna Ceccardi, Jaak Madison, Bernhard Zimniok

 

Verklaring van de gebruikte tekens:

+ : voor

- : tegen

0 : onthouding

 


 

 

 

ADVIES VAN DE COMMISSIE ONTWIKKELINGSSAMENWERKING (3.12.2019)

<CommissionInt>aan de Commissie internationale handel</CommissionInt>


<Titre>inzake het ontwerp van besluit van de Raad betreffende de sluiting van de vrijhandelsovereenkomst tussen de Europese Unie en de Socialistische Republiek Vietnam</Titre>

<DocRef>(2018/0356M(NLE))</DocRef>

Rapporteur voor advies: <Depute>Tomas Tobé</Depute>

 

 

 

SUGGESTIES

De Commissie ontwikkelingssamenwerking verzoekt de bevoegde Commissie internationale handel onderstaande suggesties in haar ontwerpresolutie op te nemen:

1. merkt op dat in artikel 21 van het Verdrag betreffende de Europese Unie (VEU) is bepaald dat de Unie zich bij haar internationaal optreden moet laten leiden door de beginselen van democratie, de rechtsstaat, de universaliteit en de ondeelbaarheid van de mensenrechten en de fundamentele vrijheden, eerbiediging van de menselijke waardigheid, de beginselen van gelijkheid en solidariteit en de naleving van de beginselen van het Handvest van de Verenigde Naties en het internationaal recht;

2. herinnert aan de eerdere resoluties van het Europees Parlement over de situatie in Vietnam, met name zijn resolutie van 14 december 2017 over de vrijheid van meningsuiting in Vietnam, met name de zaak van Nguyen Van Hoa[14], zijn resolutie van 9 juni 2016 over Vietnam[15], en zijn resolutie van 15 november 2018 over Vietnam, met name de situatie van politieke gevangenen[16];

3. roept de EU en Vietnam op om de bepalingen van de vrijhandelsovereenkomst volledig te gebruiken om bij te dragen aan de versterking van de mensenrechten in Vietnam; wijst nogmaals op het belang van een goed ontwikkelde bilaterale mensenrechtendialoog tussen de EU en Vietnam, met name in het institutionele kader en in de interinstitutionele procedures waarin voorzien is in de vrijhandelsovereenkomst en de investeringsbeschermingsovereenkomst;

4. is ingenomen met de juridische samenhang tussen de vrijhandelsovereenkomst/investeringsbeschermingsovereenkomst en de partnerschaps- en samenwerkingsovereenkomst (PSO) tussen de EU en Vietnam; spoort de Commissie aan om alle beschikbare instrumenten in de overeenkomsten te gebruiken, in geval van nood ook opschorting, als dit nodig is om de fundamentele vrijheden te beschermen en te bevorderen;

5. benadrukt het belang van de opname van een alomvattend en bindend hoofdstuk over handel en duurzame ontwikkeling met expliciete verwijzingen naar multilaterale milieuovereenkomsten, de Overeenkomst van Parijs en de Agenda 2030 voor duurzame ontwikkeling; merkt op dat het hoofdstuk over duurzame ontwikkeling niet onder een mechanisme voor de beslechting van geschillen tussen staten valt, maar onder een mechanisme dat specifiek voor handel en duurzame ontwikkeling geldt en niet voorziet in een opschorting van de handelspreferenties; is van oordeel dat de Unie onder meer kan overwegen een op sancties gebaseerde benadering in het hoofdstuk over handel en duurzame ontwikkeling op te nemen; onderstreept het belang van bindende en afdwingbare bepalingen in het hoofdstuk over handel en duurzame ontwikkeling, om effectief bij te dragen aan de versterking van de arbeidsrechten en de milieunormen, waaronder ook verantwoord ondernemerschap;

6. dringt aan op de versterking van doeltreffende toezichts- en handhavingsmechanismen; verzoekt de Commissie om systematisch de mensenrechten op te nemen in haar effectbeoordelingen, telkens wanneer deze worden uitgevoerd, ook voor handelsovereenkomsten die een aanzienlijke economische, sociale en ecologische impact hebben;

7. herinnert eraan dat de betrekkingen tussen de EU en Vietnam gestoeld zijn op de partnerschaps- en samenwerkingsovereenkomst (PSO), die niet-economische gebieden omvat, zoals politieke dialoog, de mensenrechten, onderwijs, wetenschap en technologie, justitie, en asiel en migratie;

8. benadrukt dat het beginsel van samenhang van het beleid met de ontwikkelingsdoelstellingen in acht moet worden genomen, overeenkomstig artikel 208 VWEU;

9. dringt er bij de Commissie op aan om specifieke middelen beschikbaar te stellen voor maatschappelijke organisaties, zoals de interne adviesgroepen, om de centrale doelstellingen van het hoofdstuk over handel en duurzame ontwikkeling te halen, zoals een betere monitoring van de vastleggingen, de ontwikkeling van actieplannen voor gebieden waarop problemen zijn vastgesteld, en de inschakeling van geschillenbeslechtingsprocedures indien de actieplannen niet worden nageleefd; merkt op dat de binnenlandse adviesgroep het maatschappelijke middenveld daadwerkelijk moet vertegenwoordigen, met inbegrip van deelnemers van organisaties die zich inzetten voor de bevordering van de mensenrechten, de arbeidsrechten en milieubescherming; betreurt het dat het mandaat van de interne adviesgroepen beperkt is tot het toezicht op het hoofdstuk over handel en duurzame ontwikkeling; roept de EU en Vietnam op om de bepalingen van de vrijhandelsovereenkomst ten volle te gebruiken om bij te dragen aan de versterking van de mensenrechten in Vietnam; wijst nogmaals op het belang van een goed ontwikkelde bilaterale mensenrechtendialoog tussen de EU en Vietnam, met name in het institutionele kader en in de interinstitutionele procedures waarin voorzien is in de vrijhandelsovereenkomst en de investeringsbeschermingsovereenkomst; betreurt het dat de bevordering van gendergelijkheid en de versterking van de positie van vrouwen niet prominent vermeld worden in de vrijhandelsovereenkomst;

10. is ingenomen, als eerste stap, met het feit dat Vietnam zes van de acht fundamentele verdragen van de IAO geratificeerd heeft, namelijk nr. 29 over dwangarbeid, nrs. 100 en 111 over non‑discriminatie, nrs. 138 en 182 over kinderarbeid, en, meest recentelijk, nr. 98 over het recht op organisatie en collectieve onderhandelingen; dringt er bij de Vietnamese regering op aan de resterende verdragen snel te ratificeren, namelijk nr. 105 over gedwongen arbeid en nr. 87 over de vrijheid van vereniging, en benadrukt dat het van cruciaal belang is ervoor te zorgen dat al deze verdragen nauwgezet en onverwijld ten uitvoer worden gelegd, volgens een duidelijk tijdschema dat is vastgelegd voorafgaand aan de ratificatie van de vrijhandelsovereenkomst door het Europees Parlement; verzoekt de Vietnamese regering bovendien deze verdragen in het rechtsstelsel van Vietnam op te nemen en ze te handhaven; verzoekt de Vietnamese autoriteiten het strafwetboek te wijzigen in overeenstemming met de ratificatie van deze verdragen;

11. benadrukt dat, overeenkomstig artikel 4, lid 1, onder b), van Verordening (EG) nr. 978/2012 (de SAP-verordening), de Socialistische Republiek Vietnam na de sluiting en inwerkingtreding van de vrijhandelsovereenkomst niet langer de status van “in aanmerking komend land” zal hebben en dus niet langer de tariefpreferenties zal genieten waarin in de algemene SAP-regeling is voorzien; spreekt de hoop uit dat de vrijhandelsovereenkomst in sterkere mate zal bijdragen aan de groei, ontwikkeling en werkgelegenheid in de Socialistische Republiek Vietnam dan onder de SAP-regeling het geval was;

12. is ingenomen met de toezegging van Vietnam om zijn arbeidswet te herzien en voor een snelle ratificatie te zorgen, waardoor de oprichting van onafhankelijke vakbonden effectief mogelijk zal worden gemaakt en fatsoenlijk werk voor iedereen zal worden bevorderd; benadrukt het belang van de bevordering en praktische handhaving van gendergelijkheid en de versterking van de positie van vrouwen, alsook van de bescherming van kinderen; verzoekt de Commissie, in het kader van de PSO, actief projecten te bevorderen die kinderarbeid en gedwongen arbeid van vrouwen bestrijden, teneinde de arbeidsomstandigheden voor deze groepen te verbeteren; herhaalt dat genderongelijkheid niet langer als een zuiver maatschappelijke kwestie mag worden beschouwd, maar moet worden gezien als een economisch probleem dat de verwezenlijking van inclusieve en duurzame groei sterk bemoeilijkt; vraagt de Commissie de ontwikkelingen op de voet te volgen en regelmatig verslag uit te brengen bij het Parlement;

13. onderstreept de behoefte aan corrigerende maatregelen naar aanleiding van schendingen van de mensenrechten of de niet-naleving van verbintenissen uit hoofde van de Overeenkomst van Parijs; wijst erop dat het hoofdstuk over duurzame ontwikkeling nauwlettend moet worden gemonitord en dat de toepassing ervan als een prioriteit moet worden beschouwd;

14. herhaalt dat het belangrijk is het handelsbeleid aan te passen om de nationale inspanningen in de strijd tegen de klimaatverandering te ondersteunen met het oog op de verwezenlijking van de Overeenkomst van Parijs; benadrukt in dit verband de noodzaak om de vrijhandelsovereenkomst tussen de EU en Vietnam in overeenstemming te brengen met de EU-Flegt-overeenkomst met Vietnam, met name door in de hoofdstukken over handel en duurzame ontwikkeling bindende en afdwingbare bepalingen op te nemen om illegale houtkap, ontbossing, bosdegradatie en landroof tegen te gaan; benadrukt het belang van een doeltreffend toezicht op deze bepalingen; onderstreept met name dat in het kader van dit mechanisme in het bijzonder rekening moet worden gehouden met de rechten van inheemse volkeren en gemeenschappen die van de bossen afhangen, met inbegrip van de rechten die zijn toegekend in het kader van IAO-Verdrag nr. 169 betreffende inheemse en in stamverband levende volkeren, indien van toepassing;

15. merkt op dat Vietnam behoort tot de landen die het meest kwetsbaar zijn voor de gevolgen van de klimaatverandering, met name extreme weersomstandigheden zoals stormen en overstromingen; dringt er bij de regering van Vietnam op aan doeltreffende aanpassingsmaatregelen in te voeren en te zorgen voor een doeltreffende tenuitvoerlegging van de wetgeving met betrekking tot milieu- en biodiversiteitsbescherming;

16. herinnert eraan dat de Commissie Vietnam in oktober 2017 een “gele kaart” heeft gegeven, omdat het land er niet in was geslaagd de illegale, ongemelde en ongereglementeerde visserij (IOO-visserij) doeltreffend aan te pakken; dringt er bij de Vietnamese regering op aan de aanbevelingen van de EU daadwerkelijk op te volgen, vóór de ratificatie van de vrijhandelsovereenkomst tussen de EU en Vietnam;

17. wijst erop dat zich in Vietnam aanhoudende schendingen van de sociale en mensenrechten voordoen, en is van oordeel dat de Vietnamese autoriteiten in dit verband meer inspanningen moeten leveren; verzoekt Vietnam een moratorium op de doodstraf in te stellen en deze uiteindelijk af te schaffen.

 


PROCEDURE VAN DE ADVISERENDE COMMISSIE

Titel

Sluiting van de vrijhandelsovereenkomst tussen de Europese Unie en de Socialistische Republiek Vietnam

Document- en procedurenummers

2018/0356M(NLE)

Bevoegde commissie

 

INTA

 

 

 

 

Advies uitgebracht door

 Datum bekendmaking

DEVE

24.10.2019

Rapporteur voor advies

 Datum benoeming

Tomas Tobé

4.9.2019

Behandeling in de commissie

5.9.2019

8.10.2019

 

 

Datum goedkeuring

3.12.2019

 

 

 

Uitslag eindstemming

+:

–:

0:

14

6

4

Bij de eindstemming aanwezige leden

Hildegard Bentele, Dominique Bilde, Charles Goerens, Mónica Silvana González, Pierrette Herzberger-Fofana, György Hölvényi, Martin Horwood, Rasa Juknevičienė, Beata Kempa, Pierfrancesco Majorino, Lukas Mandl, Norbert Neuser, Michèle Rivasi, Louis Stedman-Bryce, Marc Tarabella, Tomas Tobé, Miguel Urbán Crespo, Chrysoula Zacharopoulou, Bernhard Zimniok

Bij de eindstemming aanwezige vaste plaatsvervangers

Alessandra Basso, Stéphane Bijoux, Marlene Mortler, Caroline Roose, Patrizia Toia

 


HOOFDELIJKE EINDSTEMMING IN DE ADVISERENDE COMMISSIE

14

+

ECR

Beata Kempa

GUE/NGL

Miguel Urbán Crespo

ID

Bernhard Zimniok

PPE

Hildegard Bentele, György Hölvényi, Rasa Juknevičienė, Lukas Mandl, Marlene Mortler, Tomas Tobé

RENEW

Stéphane Bijoux, Charles Goerens, Chrysoula Zacharopoulou

S&D

Mónica Silvana González, Norbert Neuser

 

6

-

ID

Alessandra Basso, Dominique Bilde

NI

Louis Stedman-Bryce

VERTS/ALE

Pierrette Herzberger-Fofana, Michèle Rivasi, Caroline Roose

 

4

0

RENEW

Martin Horwood

S&D

Pierfrancesco Majorino, Marc Tarabella, Patrizia Toia

 

Verklaring van de gebruikte tekens:

+ : voor

- : tegen

0 : onthouding

 


 

 

ADVIES VAN DE COMMISSIE VISSERIJ (3.12.2019)

<CommissionInt>aan de Commissie internationale handel</CommissionInt>


<Titre>inzake het ontwerp van besluit van de Raad betreffende de sluiting van de vrijhandelsovereenkomst tussen de Europese Unie en de Socialistische Republiek Vietnam </Titre>

<DocRef>(2018/0356 M (NLE))</DocRef>

Rapporteur voor advies: <Depute>Pietro Bartolo</Depute>

 

 

SUGGESTIES

De Commissie visserij verzoekt de bevoegde Commissie internationale handel onderstaande suggesties in haar ontwerpresolutie op te nemen:

 gezien artikel 13.9 van de vrijhandelsovereenkomst tussen de EU en Vietnam,

 gezien de conclusies van zijn informatiebezoek aan Vietnam (28 oktober t/m 1 november 2018) en de door de Commissie in mei 2018 uitgevoerde evaluatie van de vooruitgang van het land bij de bestrijding van illegale, ongemelde en ongereglementeerde visserij (IOO-visserij) na de “gele kaart” van de Commissie op 23 oktober 2017,

 gezien artikel 28, lid 2, onder b), van Verordening (EU) nr. 1380/2013 inzake het gemeenschappelijk visserijbeleid[17],

 gezien zijn resolutie van 30 mei 2018 over de uitvoering van controlemaatregelen voor de vaststelling van de conformiteit van visserijproducten met de criteria voor toegang tot de EU-markt[18],

 gezien de mededeling van de Commissie van 14 oktober 2015 getiteld “Handel voor iedereen – naar een meer verantwoord handels- en investeringsbeleid” (COM(2015)0497),

A. overwegende dat in de vrijhandelsovereenkomst tussen de EU en Vietnam wordt erkend dat het belangrijk is het behoud en het duurzame beheer van de levende mariene rijkdommen en ecosystemen te waarborgen en tegelijk duurzame aquacultuur te bevorderen, en dat in deze overeenkomst wordt voorzien in samenwerking in de strijd tegen IOO-visserij op grond van artikel 13.9;

B. herinnert eraan dat de Europese Unie in 2017 een “gele kaart” heeft afgegeven aan Vietnam, die nog steeds van toepassing is, omdat het land vanwege ernstige tekortkomingen in zijn controlesysteem niet deelnam aan de strijd tegen IOO-visserij;

C. overwegende dat bepaalde producten op basis van vis, zoals producten onder de tariefposten 1604 14 21 en 1604 14 26, niet in een vrijstellingsregeling in de vrijhandelsovereenkomst zijn opgenomen, omdat dit voor de Europese Unie gevoelige producten zijn;

D. overwegende dat erkend wordt dat IOO-visserij georganiseerde misdaad op zee is, met rampzalige sociaal-economische en milieugevolgen wereldwijd en oneerlijke concurrentie voor de Europese visserijsector tot gevolg;

E. overwegende dat Vietnam de op drie na grootste producent van vis ter wereld is, gevolgd door de Europese Unie, en de op drie na grootste producent van aquacultuurproducten;

F. overwegende dat de EU wereldwijd de grootste handelspartner is voor visserij- en aquacultuurproducten (in waarde) en in 2017 een handelsvolume van meer dan 2,3 miljard EUR heeft gegenereerd; overwegende dat de EU meer dan 65 % van de visproducten die zij verbruikt, invoert, en zij tot de grootste buitenlandse investeerders in Vietnam behoort;

G. overwegende dat Vietnam tot nu toe één product met een geografische aanduiding (GA) – Phú Quốc, een soort vissaus – met een oorsprongsbenaming (BOB) heeft beschermd in het kader van de kwaliteitsregelingen van de EU; overwegende dat de vrijhandelsovereenkomst voorziet in de bescherming van 169 Europese GA’s voor wijnen, gedistilleerde dranken en levensmiddelen in Vietnam en de wederzijdse bescherming van 39 Vietnamese GA’s in de EU;

H. overwegende dat Vietnam een markt van 95 miljoen mensen is, met een reeds lang bestaande traditie op het vlak van het verbruik van vis- en aquacultuurproducten, en de op één na grootste handelspartner van de EU is in de regio van de Associatie van Zuidoost-Aziatische staten (ASEAN); onderstreept het groeipotentieel en de aanzienlijke voordelen die de visserijsector kan opleveren voor Europese kmo’s, en is van oordeel dat deze sector van vitaal belang is voor de Europese welvaart en innovatie;

1. is tevreden met en erkent de goedkeuring door de Vietnamese regering van een nieuwe kaderwet en verschillende daaraan gerelateerde wetgevingsdocumenten voor de visserijsector in 2017, waarin rekening gehouden wordt met internationale en regionale verplichtingen, overeenkomsten, en aanbevelingen van de Commissie; waardeert voorts de gezamenlijke inspanningen om vissers in kennis te stellen van de wettelijke regelingen en de ontwikkeling van gecoördineerde monitorings-, controle- en handhavingsstructuren om de IOO-visserij doeltreffend aan te pakken en te ontmoedigen, alsook de toezegging van Vietnam om met een nationaal uitvoeringsplan te komen om aan de bepalingen van de vrijhandelsovereenkomst te voldoen;

2. is bezorgd over het fenomeen van de zogeheten Vietnamese “blauwe boten”, die de afgelopen jaren gevist hebben in de territoriale wateren van verschillende buurlanden (zoals Thailand, de Filipijnen, Indonesië en Maleisië, staten in de Stille Oceaan zoals Palau, Micronesië, Papoea-Nieuw-Guinea, de Salomonseilanden, Vanuatu en Nieuw-Caledonië, en Australië), wat tot economische, maar ook sociale en veiligheidsproblemen voor de getroffen landen en de regio als geheel geleid heeft; spreekt de hoop uit dat de inspanningen van de autoriteiten onmiddellijk resultaten opleveren die ten goede zullen komen aan de betrekkingen tussen de EU en Vietnam en de stabiliteit van de bredere Zuidoost-Aziatische regio;

3. waardeert het dat in het hoofdstuk over handel en duurzame ontwikkeling in de vrijhandelsovereenkomst een kader voor samenwerking is opgenomen, dat duurzame aquacultuur moet bevorderen en de samenwerking tussen de partijen in de strijd tegen IOO-visserij moet intensiveren;

4. benadrukt het belang van een versterkte constructieve dialoog met Vietnam om de mondiale uitdagingen als gevolg van illegale visserij met succes aan te pakken, en is van oordeel dat de vrijhandelsovereenkomst een bemoedigend signaal voor Vietnam vormt om de inspanningen te intensiveren en onverwijld een wetgevings- en controlekader op te zetten dat IOO-visserij doeltreffend bestrijdt;

5. benadrukt dat dankzij de inwerkingtreding van de vrijhandelsovereenkomst de voorwaarden geschept zullen worden voor een belangrijke en vruchtbare samenwerking tussen beide partijen, met het oog op een doeltreffende tenuitvoerlegging van de bepalingen inzake duurzame ontwikkeling; onderstreept dat de correcte toepassing van de vrijhandelsovereenkomst ervoor kan zorgen dat Vietnam de EU-normen op het gebied van milieu, visserijgovernance, arbeidsrechten en sociale rechten beter naleeft, en is van oordeel dat uitstel van de ratificatie de geloofwaardigheid en de positie van de EU ten aanzien van Vietnam en haar algemene geostrategische ambities in de ASEAN-regio zal ondermijnen;

6.  waardeert de versterkte regionale samenwerking op het gebied van visserij in de ASEAN-lidstaten; erkent de toezegging van Vietnam om de IOO-visserij aan te pakken door volwaardig lidmaatschap van de Commissie voor de visserij in de westelijke en centrale Stille Oceaan (WCPFC) aan te vragen en door op 3 januari 2019 toe te treden tot de Overeenkomst inzake havenstaatmaatregelen, de eerste bindende internationale overeenkomst die specifiek gericht is op de bestrijding van IOO-visserij; is van oordeel dat dit de EU en Vietnam in staat zal stellen hun samenwerking te intensiveren en ambitieuzere maatregelen ter bestrijding van IOO-visserij te ontwikkelen;

7. onderstreept het feit dat de Vietnamese autoriteiten nog steeds voor enorme uitdagingen staan met betrekking tot de overcapaciteit van de sterk versnipperde vissersvloot en de overexploitatie van de mariene rijkdommen;

8. wijst erop dat er melding is gemaakt van ernstige schendingen van het arbeidsrecht in de Vietnamese visserijsector; betreurt het in dit verband dat Vietnam het IAO-verdrag inzake arbeid in de visserij (ILO C188) nog niet heeft geratificeerd en dringt er bij de Vietnamese autoriteiten op aan dit alsnog te doen vóór de inwerkingtreding van de vrijhandelsovereenkomst;

9.  dringt er, teneinde een gelijk speelveld tussen de marktdeelnemers uit de EU en Vietnam te waarborgen, oneerlijke concurrentie te voorkomen en te verzekeren dat er geen Vietnamese producten uit IOO-visserij afkomstig zijn, bij de Vietnamese autoriteiten op aan de volledige traceerbaarheid te verzekeren van visserijproducten die bestemd zijn voor uitvoer naar de EU-markt, en te waarborgen dat deze producten beantwoorden aan de algemene gezondheids-, milieu-, sociale en fytosanitaire voorschriften van de EU voordat zij op de EU-markt komen;

10. benadrukt de behoefte aan verdere inspanningen om te verzekeren dat het nieuwe wetgevingskader ten uitvoer gelegd en doeltreffend gehandhaafd wordt, met name op provincieniveau, en wijst erop dat met de lokale actoren in de visserijsector gecommuniceerd moet worden over het belang van de naleving van de voorschriften;

11. herinnert eraan dat aan investeringen in de sector van visserij- en aquacultuurproducten bepaalde voorwaarden verbonden zijn, zoals beschreven in het Vietnamese kader voor investeringen, dat investeringen verbiedt die als schadelijk voor het milieu worden beschouwd;

12. moedigt de Vietnamese autoriteiten aan om te voorzien in voldoende financiële en personele middelen in de strijd tegen IOO-visserij, zowel op nationaal als op provincieniveau, en om de bewustmakingscampagnes en initiatieven voor capaciteitsopbouw op te voeren om het oneigenlijke gebruik van antibiotica in de aquacultuur te ontmoedigen en te voorkomen dat antimicrobiële resistentie (AMR) ontstaat;

13. benadrukt dat de initiatieven van de Unie een samenhangend beleid moeten vormen, met name op het gebied van handel en milieu; onderstreept dat handelsovereenkomsten verbonden met en afgestemd op het gemeenschappelijk visserijbeleid moeten zijn, met inbegrip van het EU-beleid inzake IOO-visserij, en dat de bepalingen van het hoofdstuk over handel en duurzame ontwikkeling in de vrijhandelsovereenkomst nageleefd en consequent behandeld moeten worden; verzoekt de Commissie derhalve in toekomstige handelsovereenkomsten te zorgen voor een doeltreffende integratie en beleidssamenhang van de verschillende EU-beleidsmaatregelen inzake duurzame ontwikkeling, ook op het gebied van duurzame visserij en aquacultuur;

14. benadrukt dat aan de handel in visserij- en aquacultuurproducten en aan preferentiële tarieven voorwaarden verbonden moeten worden, zoals controle, monitoring, audits, en een evaluatie van de uitvoering van het Vietnamese actieplan om IOO-visserij tegen te gaan en de verplichtingen die Vietnam in het kader van artikel 13.9 van de vrijhandelsovereenkomst tussen de EU en Vietnam is aangegaan;

15. stelt met bezorgdheid vast dat de overeenkomst een rechtenvrij contingent van 11 500 ton tonijn in blik voor uitvoer naar de EU omvat en vreest de gevolgen daarvan voor het concurrentievermogen van de Europese conservenindustrie, niet in het minst gezien de “gele kaart” die Vietnam heeft gekregen wegens tekortkomingen op het vlak van IOO-visserij; vindt dat dit contingent gekoppeld moet worden aan het wegwerken van de tekortkomingen op dit vlak en dat de gevolgen van dit soort contingenten voor de Europese industrie en de Europese markt moeten worden nagegaan;

16. is teleurgesteld over de bepalingen van artikel 12.26, lid 2, van de vrijhandelsovereenkomst, die in beginsel niet toelaten dat een product wordt toegevoegd aan de lijst van geografische aanduidingen die beschermd moeten worden op het grondgebied van de respectieve partij, indien het product reeds in de betreffende lijst van een van beide partijen is opgenomen op de datum van ondertekening van de vrijhandelsovereenkomst; benadrukt in dit verband dat het belangrijk is dat alle EU-visserijproducten die beschermd zijn met een geografische aanduiding van oorsprong opgenomen worden in hoofdstuk 12 van de vrijhandelsovereenkomst over intellectuele eigendom;

17. herinnert eraan dat de kennisgeving van een “gele kaart” moet worden beschouwd als een manier om er bij de Vietnamese autoriteiten op aan te dringen maatregelen te nemen om IOO-visserijactiviteiten aan te pakken; is van oordeel dat een verlenging van de gele kaart vergezeld moet gaan van duidelijke operationele doelstellingen en tijdschema’s, opdat de nodige maatregelen genomen kunnen worden en deze sanctie een constructieve dimensie krijgt; herinnert er tevens aan dat de intrekking van de gele kaart afhankelijk moet zijn van de volledige en doeltreffende uitvoering van alle aanbevelingen die in 2017 door de EU zijn geformuleerd;

18. vraagt de Europese Commissie specifieke financiële en technische steun te verlenen aan Vietnam om de tenuitvoerlegging van milieuduurzaamheidsnormen voor visserijproducten te vergemakkelijken; verzoekt de Europese Commissie bovendien om de individuele Vietnamese visserij te stimuleren om aan de duurzaamheidsnormen te voldoen;

19. onderstreept het belang van een verantwoord handelsbeleid als instrument voor de tenuitvoerlegging van de doelstellingen inzake duurzame ontwikkeling;

20.  herinnert eraan dat de IOO-verordening het meest doeltreffende instrument is om duurzame visserij op mondiale schaal te waarborgen, en spreekt zijn bezorgdheid uit over de toekenning van preferentiële handelsvoorwaarden aan een land dat een gele kaart heeft gekregen; dringt bij de Commissie aan op aanhoudende monitoring van de inspanningen van Vietnam, teneinde te verzekeren dat het land vooruitgang blijft boeken in de strijd tegen IOO-visserij, en verzoekt de Commissie ten volle gebruik te maken van alle instrumenten waarover zij beschikt, met inbegrip van de “rode kaart”, mocht Vietnam niet aan de voorwaarden voor duurzame visserij en een veilige invoer van visserijproducten op de EU-markt voldoen; verzoekt de Commissie te voorzien in vrijwaringsmaatregelen in toekomstige overeenkomsten, zoals de mogelijkheid om preferentiële tarieven voor visproducten op te schorten totdat de gele kaart is opgeheven.


 

HOOFDELIJKE EINDSTEMMING IN DE ADVISERENDE COMMISSIE

22

+

ECR

Bert-Jan Ruissen, Ruža Tomašić

NI

Rosa D'Amato

PPE

Peter van Dalen, Niclas Herbst, Jeroen Lenaers, Francisco José Millán Mon, Cláudia Monteiro de Aguiar, Maria Walsh, Theodoros Zagorakis

RENEW

Izaskun Bilbao Barandica, Chris Davies, Pierre Karleskind

S&D

Clara Aguilera, Pietro Bartolo, Richard Corbett, Nicolás González Casares, Predrag Fred Matić, Manuel Pizarro

VERTS/ALE

Christian Allard, Francisco Guerreiro, Grace O'Sullivan

 

2

-

GUE/NGL

João Ferreira

NI

June Alison Mummery

 

2

0

ID

Rosanna Conte, Maxette Pirbakas

 

Verklaring van de gebruikte tekens:

+ : voor

- : tegen

0 : onthouding

 

 


 

 

PROCEDURE VAN DE BEVOEGDE COMMISSIE

Titel

Sluiting van de vrijhandelsovereenkomst tussen de Europese Unie en de Socialistische Republiek Vietnam

Document- en procedurenummers

2018/0356M(NLE)

Datum raadpleging / verzoek om goedkeuring

17.1.2019

 

 

 

Bevoegde commissie

 Datum bekendmaking

INTA

24.10.2019

 

 

 

Medeadviserende commissies

 Datum bekendmaking

AFET

24.10.2019

DEVE

24.10.2019

PECH

24.10.2019

 

Rapporteurs

 Datum benoeming

Geert Bourgeois

23.9.2019

 

 

 

Vervangen rapporteurs

Jan Zahradil

Behandeling in de commissie

2.10.2019

6.11.2019

3.12.2019

 

Datum goedkeuring

21.1.2020

 

 

 

Uitslag eindstemming

+:

–:

0:

29

9

2

Bij de eindstemming aanwezige leden

Nikos Androulakis, Anna-Michelle Asimakopoulou, Tiziana Beghin, Geert Bourgeois, Jordi Cañas, Daniel Caspary, Anna Cavazzini, Ellie Chowns, Miroslav Číž, Arnaud Danjean, Nicola Danti, Emmanouil Fragkos, Barbara Ann Gibson, Enikő Győri, Roman Haider, Christophe Hansen, Heidi Hautala, Danuta Maria Hübner, Karin Karlsbro, Jude Kirton-Darling, Maximilian Krah, Danilo Oscar Lancini, Bernd Lange, Emmanuel Maurel, Samira Rafaela, Luisa Regimenti, Inma Rodríguez-Piñero, Massimiliano Salini, Helmut Scholz, Liesje Schreinemacher, Sven Simon, Mihai Tudose, Kathleen Van Brempt, Marie-Pierre Vedrenne, Jörgen Warborn, James Wells, Iuliu Winkler, Jan Zahradil

Bij de eindstemming aanwezige vaste plaatsvervangers

Saskia Bricmont

Bij de eindstemming aanwezige plaatsvervangers (art. 209, lid 7)

Nicolas Bay

Datum indiening

28.1.2020

 


HOOFDELIJKE EINDSTEMMING IN DE BEVOEGDE COMMISSIE

29

+

ECR

Geert Bourgeois, Emmanouil Fragkos, Jan Zahradil

ID

Roman Haider, Maximilian Krah

NI

Tiziana Beghin

PPE

Anna-Michelle Asimakopoulou, Daniel Caspary, Arnaud Danjean, Enikő Győri, Christophe Hansen, Danuta Maria Hübner, Massimiliano Salini, Sven Simon, Jörgen Warborn, Iuliu Winkler

RENEW

Jordi Cañas, Barbara Ann Gibson, Karin Karlsbro, Samira Rafaela, Liesje Schreinemacher, Marie-Pierre Vedrenne

S&D

Nikos Androulakis, Miroslav Číž, Nicola Danti, Bernd Lange, Inma Rodríguez-Piñero, Mihai Tudose, Kathleen Van Brempt

 

9

-

GUE/NGL

Emmanuel Maurel, Helmut Scholz

ID

Nicolas Bay, Danilo Oscar Lancini, Luisa Regimenti

VERTS/ALE

Saskia Bricmont, Anna Cavazzini, Ellie Chowns, Heidi Hautala

 

2

0

NI

James Wells

S&D

Jude Kirton-Darling

 

Verklaring van de gebruikte tekens:

+ : voor

- : tegen

0 : onthouding

 

[1] PB L 329 van 3.12.2016, blz. 8.

[2] Advies van het Hof van Justitie van 16 mei 2017, 2/15, ECLI:EU:C: 2017:376.

[3] PB C 101 van 16.3.2018, blz. 30.

[4] PB C 86 van 6.3.2018, blz. 122.

[5] PB C 369 van 11.10.2018, blz. 73.

[6] Aangenomen teksten, P8_TA(2018)0459.

[9] Aangenomen teksten, P9_TA(0000)0000.

[10] Uitvoer van de EU naar Vietnam: 65 % van de invoerrechten verdwijnt zodra de vrijhandelsovereenkomst in werking treedt. De rest wordt over een periode van tien jaar afgebouwd (zo zullen bijvoorbeeld de invoerrechten op auto’s voor de volledige periode van tien jaar worden gehandhaafd om de Vietnamese motorvoertuigensector tegen Europese concurrentie te beschermen). Uitvoer van Vietnam naar de EU: 71 % van de invoerrechten verdwijnt zodra de overeenkomst in werking treedt. De rest wordt over een periode van maximaal zeven jaar afgebouwd.

 

[11] Niet-wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 17 december 2015 over het ontwerp van besluit van de Raad betreffende de sluiting, namens de Europese Unie, van de kaderovereenkomst inzake een breed partnerschap en samenwerking tussen de Europese Unie en haar lidstaten, enerzijds, en de Socialistische Republiek Vietnam, anderzijds (PB C 399 van 24.11.2017, blz. 141.).

[12] Aangenomen teksten, P8_TA(2015)0467.

[13] Niet-wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 17 december 2015 over het ontwerp van besluit van de Raad betreffende de sluiting, namens de Europese Unie, van de kaderovereenkomst inzake een breed partnerschap en samenwerking tussen de Europese Unie en haar lidstaten, enerzijds, en de Socialistische Republiek Vietnam, anderzijds (PB C 399 van 24.11.2017, blz. 141.).

[14] PB C 369 van 11.10.2018, blz. 73.

[15] PB C 86 van 6.3.2018, blz. 122.

[16] Aangenomen teksten, P8_TA(2018)0459.

[17] PB L 354 van 28.12.2013, blz. 22.

[18] Aangenomen teksten, P8_TA(2018)0223.

Laatst bijgewerkt op: 6 februari 2020Juridische mededeling - Privacybeleid