Procedure : 2019/2057(DEC)
Stadium plenaire behandeling
Documentencyclus : A9-0038/2020

Ingediende teksten :

A9-0038/2020

Debatten :

Stemmingen :

Aangenomen teksten :

P9_TA(2020)0090

<Date>{02/03/2020}2.3.2020</Date>
<NoDocSe>A9-0038/2020</NoDocSe>
PDF 194kWORD 73k

<TitreType>VERSLAG</TitreType>

<Titre>over het verlenen van kwijting voor de uitvoering van de algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2018, afdeling II – Europese Raad en Raad</Titre>

<DocRef>(2019/2057(DEC))</DocRef>


<Commission>{CONT}Commissie begrotingscontrole</Commission>

Rapporteur: Tomáš Zdechovský

<Depute>Tomáš Zdechovský</Depute>

1. ONTWERPBESLUIT VAN HET EUROPEES PARLEMENT
 2. ONTWERPRESOLUTIE VAN HET EUROPEES PARLEMENT
 ADVIES VAN DE COMMISSIE CONSTITUTIONELE ZAKEN
 INFORMATIE OVER DE GOEDKEURING IN DE ADVISERENDE COMMISSIE
 HOOFDELIJKE EINDSTEMMING IN DE BEVOEGDE COMMISSIE

1. ONTWERPBESLUIT VAN HET EUROPEES PARLEMENT

over het verlenen van kwijting voor de uitvoering van de algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2018, afdeling II – Europese Raad en Raad

(2019/2057(DEC))

Het Europees Parlement,

 gezien de algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2018[1],

 gezien de geconsolideerde jaarrekening van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2018 (COM(2019)0316 – C9-0052/2019)[2],

 gezien het jaarverslag van de Raad aan de kwijtingsautoriteit over de in 2018 uitgevoerde interne controles,

 gezien het jaarverslag van de Rekenkamer over de uitvoering van de begroting voor het begrotingsjaar 2018, vergezeld van de antwoorden van de instellingen[3],

 gezien de verklaring van de Rekenkamer[4] voor het begrotingsjaar 2018 waarin de betrouwbaarheid van de rekeningen en de wettigheid en regelmatigheid van de onderliggende verrichtingen worden bevestigd, als bedoeld in artikel 287 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

 gezien artikel 314, lid 10, en de artikelen 317, 318 en 319 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

 gezien Verordening (EU, Euratom) nr. 966/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 25 oktober 2012 tot vaststelling van de financiële regels van toepassing op de algemene begroting van de Unie en tot intrekking van Verordening (EG, Euratom) nr. 1605/2002[5], en met name de artikelen 55, 99, 164, 165 en 166,

 gezien Verordening (EU, Euratom) 2018/1046 van het Europees Parlement en de Raad van 18 juli 2018 tot vaststelling van de financiële regels van toepassing op de algemene begroting van de Unie, tot wijziging van Verordeningen (EU) nr. 1296/2013, (EU) nr. 1301/2013, (EU) nr. 1303/2013, (EU) nr. 1304/2013, (EU) nr. 1309/2013, (EU) nr. 1316/2013, (EU) nr. 223/2014, (EU) nr. 283/2014 en Besluit nr. 541/2014/EU en tot intrekking van Verordening (EU, Euratom) nr. 966/2012[6], en met name de artikelen 59, 118, 260, 261 en 262,

 gezien artikel 100 en bijlage V van zijn Reglement,

 gezien het advies van de Commissie constitutionele zaken,

 gezien het verslag van de Commissie begrotingscontrole (A9-0038/2020),

1. stelt zijn besluit tot verlening van kwijting aan de secretaris-generaal van de Raad voor de uitvoering van de begroting van de Europese Raad en de Raad voor het begrotingsjaar 2018 uit;

2. formuleert zijn opmerkingen in bijgaande resolutie;

3. verzoekt zijn Voorzitter dit besluit en de resolutie die daarvan een integrerend deel uitmaakt, te doen toekomen aan de Europese Raad, de Raad, de Commissie en de Rekenkamer, en te zorgen voor publicatie ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie (L-serie).

 


2. ONTWERPRESOLUTIE VAN HET EUROPEES PARLEMENT

met de opmerkingen die een integrerend deel uitmaken van het besluit over het verlenen van kwijting voor de uitvoering van de algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2018, afdeling II – Europese Raad en Raad

(2019/2057(DEC))

Het Europees Parlement,

 gezien zijn besluit over het verlenen van kwijting voor de uitvoering van de algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2018, afdeling II - Europese Raad en Raad,

 gezien de aanbeveling van de Europese Ombudsman in zaak 1069/2019/MIG betreffende sponsoring van het voorzitterschap van de Raad van de Europese Unie,

 gezien het speciaal verslag van de Europese Ombudsman naar aanleiding van het strategisch onderzoek OI/2/2017/TE inzake de transparantie van het wetgevingsproces in de Raad,

 gezien zijn resolutie van 17 januari 2019 over het strategisch onderzoek van de Europese Ombudsman OI/2/2017 betreffende de transparantie van het wetgevingsoverleg in de voorbereidende instanties van de Raad van de EU[7],

 gezien artikel 100 en bijlage V van zijn Reglement,

 gezien het advies van de Commissie constitutionele zaken,

 gezien het verslag van de Commissie begrotingscontrole (A9-0038/2020),

A. overwegende dat de kwijtingsautoriteit in het kader van de kwijtingsprocedure de nadruk wil leggen op het bijzondere belang van de verdere versterking van de democratische legitimiteit van de instellingen van de Unie door de transparantie en de verantwoordingsplicht te vergroten, en door het toepassen van het concept van resultaatgericht begroten en een goed personeelsbeheer;

1. stelt met tevredenheid vast dat de Rekenkamer in haar jaarverslag voor 2018 geen significante tekortkomingen heeft vastgesteld met betrekking tot de gecontroleerde aspecten in verband met het personeelsbeheer en het plaatsen van opdrachten door de Europese Raad en de Raad;

2. neemt kennis van de conclusie van de Rekenkamer dat de betalingen als geheel over het per 31 december 2018 afgesloten jaar met betrekking tot de administratieve uitgaven van de Raad geen materiële fouten vertoonden en dat de gecontroleerde toezicht- en controlesystemen doeltreffend waren;

3. betreurt als algemene opmerking dat, ondanks het feit dat rubriek 5 “Administratie” van het meerjarig financieel kader (MFK) beschouwd wordt als een rubriek met een laag risico, de reikwijdte en conclusies van hoofdstuk 10 betreffende administratie van het jaarverslag van de Rekenkamer over 2018 nogal beperkt zijn;

4. stelt vast dat de Rekenkamer voor alle instellingen en organen van de Unie een steekproef heeft onderzocht van 45 verrichtingen binnen rubriek 5 “Administratie” van het meerjarig financieel kader; stelt vast dat de steekproef zodanig was opgezet dat deze representatief is voor de uiteenlopende uitgaven binnen rubriek 5, die 6,3 % van de begroting van de Unie vertegenwoordigt; stelt vast dat uit de werkzaamheden van de Rekenkamer blijkt dat de administratieve uitgaven gekenmerkt worden door een laag risico; is evenwel van mening dat het aantal verrichtingen dat voor de “overige instellingen” is geselecteerd ontoereikend is en verzoekt de Rekenkamer het aantal te controleren verrichtingen met ten minste 10 % te verhogen;

5. betreurt het feit dat het verzoek om de begroting van de Europese Raad en de Raad te splitsen in een afzonderlijke begroting voor elke instelling, dat het Parlement in eerdere kwijtingsresoluties heeft geformuleerd, niet in overweging is genomen; verzoekt de Raad deze splitsing om redenen van transparantie door te voeren en zo de verantwoordingsplicht en de efficiëntie van de uitgaven voor beide instellingen te verbeteren;

6. merkt op dat de Raad in 2018 een totale begroting had van 572 854 377 EUR (ten opzichte van 561 576 000 EUR in 2017), met een totaal uitvoeringspercentage van 91,9 % (ten opzichte van 93,8 % in 2017); neemt kennis van een verhoging van de begroting met 11,3 miljoen EUR, wat neerkomt op een verhoging met 2,0 % ten opzichte van een verhoging met 3 % in 2017 en 0,6 % in 2016;

7. is ingenomen met het over het algemeen zorgvuldig en goed financieel beheer van de Raad; neemt kennis van de ontwikkeling van de begroting van de Raad, namelijk van een begroting van 634 miljoen EUR in 2010 tot een begroting van 573 miljoen EUR in 2018, wat neerkomt op een daling met 9,63 %;

8. stelt vast dat de van 2018 naar 2019 overgedragen kredieten in totaal 56 599 584 EUR bedroegen, wat neerkomt op 10,7 % (tegenover 60 576 175 EUR of 11,5 % in 2017), en dat deze voornamelijk afkomstig waren van posten als computersystemen (18,3 miljoen EUR), gebouwen (16,0 miljoen EUR) en vertolking (11,9 miljoen EUR); neemt kennis van de geannuleerde kredieten in 2018 voor een bedrag van 46 348 862 EUR (tegenover 35 025 789 EUR in 2017); herinnert de Raad eraan dat overdrachten een uitzondering op het jaarperiodiciteitsbeginsel vormen en werkelijke behoeften moeten weerspiegelen, en dringt er daarom bij de Raad op aan zijn inspanningen op te voeren om een te ruime begrotingsraming te voorkomen;

9. wijst eens te meer op het lage uitvoeringspercentage voor de reiskosten van de delegaties, met vastleggingen voor een bedrag van 11,1 miljoen EUR ten opzichte van een definitieve begroting (inclusief interne herschikkingen) van 22,3 miljoen EUR; merkt op dat, aangezien de lidstaten niet-bestede bedragen van voorgaande jaren moesten terugbetalen, de Raad slechts 11,1 miljoen EUR heeft vastgelegd voor latere betalingen; verzoekt de Raad het Parlement te informeren over de bereikte resultaten in verband met een beleid waarover met de lidstaten is onderhandeld om dit reeds lang bestaande probleem te verhelpen;

10. neemt kennis van het feit dat het aantal posten in de personeelsformatie voor 2018 was vastgesteld op 3 031 posten (tegenover 3 027 posten in 2017); merkt op dat er in 2018 137 personen (74 ambtenaren en 63 tijdelijke functionarissen) zijn aangeworven en dat er in hetzelfde jaar 184 personen (154 ambtenaren en 30 tijdelijke functionarissen) de instelling hebben verlaten, wat neerkomt op een nettodaling van 47 bezette posten en dan ook de belangrijkste oorzaak was van een onderbesteding van 18,8 miljoen EUR op de begrotingspost “personeelsformatie”;

11. erkent de toegenomen werklast die tot uiting komt in een totaal aantal vergaderingen van 7 733 in 2018 ten opzichte van 6 338 in 2010; neemt kennis van een andere kwantitatieve indicator voor de activiteiten, zoals het aantal rechtshandelingen dat in 2018 in het Publicatieblad is bekendgemaakt, namelijk 1 210 ten opzichte van 825 in 2010;

12. is ingenomen met de inspanningen van de Raad bij de uitvoering van het actieplan voor een meer dynamisch, flexibel en coöperatief secretariaat-generaal van de Raad (SGR); neemt kennis van de stappen voor de verdere verbetering van het financieel beheer en de prestaties van de Raad via maatregelen zoals de oprichting van een managementadviesraad, de goedkeuring van richtsnoeren voor een gemeenschappelijk kader voor project- en taskforcebeheer, de oprichting van een taskforce reorganisatie, en de herziening van de interne regels naar aanleiding van de publicatie van het nieuwe Financieel Reglement;

13. neemt kennis van de gebouwensituatie van de Raad, die in 2018 resulteerde in intensieve onderhandelingen met de Belgische autoriteiten, die niet zijn overgegaan tot de verkoop van de vier aangrenzende percelen, ondanks de overeenkomst over de definitieve prijs van het project voor het Europagebouw; merkt op dat beide partijen overeenstemming hebben bereikt over een alternatieve oplossing die erin bestaat het oorspronkelijke bedrag voor de percelen van 4 672 944 EUR niet te besteden;

14. uit zijn bezorgdheid over de alarmerende informatie in de media over de bouw van het nieuwe Europagebouw; verzoekt de Raad de hoofdcontractant en de hele keten van onderaannemers (tot 12 volgens de media) en de arbeidsomstandigheden van hun werknemers grondig door te lichten, en de Commissie begrotingscontrole van het Parlement al zijn bevindingen te doen toekomen;

15. neemt kennis van het feit dat het herziene internecontrolekader op 1 november 2018 in werking is getreden en is opgezet met vijf componenten, namelijk controleomgeving, risicobeoordeling, controleactiviteiten, informatie en communicatie, en monitoringactiviteiten, en daarnaast ook nog 17 beginselen en 33 kenmerken om redelijke zekerheid te kunnen bieden over de verwezenlijking van de gestelde doelen;

16. is ingenomen met het feit dat in 2018 92 % van de aanbevelingen van de interne audit, die is verricht in 2015-2017, waren uitgevoerd of nog in uitvoering waren; merkt op dat het jaarlijks werkprogramma van de interne audit voor 2018 gebaseerd is op een geactualiseerde risicobeoordeling, met onder meer de evaluatie van risicoregisters, en daadwerkelijk ten uitvoer is gelegd; wijst op de gebieden waarop in 2018 audits zijn verricht, zoals technisch beheer, IT-aanbesteding, juridische dienst en communicatiestrategie;

17. wijst erop dat er met betrekking tot het voorstel voor een nieuw interinstitutioneel akkoord over een verplicht elektronisch transparantieregister voor belangenvertegenwoordigers dat betrekking heeft op het Parlement, de Raad en de Commissie, in 2018 twee onderhandelingsrondes plaatsvonden onder het Bulgaarse voorzitterschap en in 2019 een onder het Roemeense voorzitterschap; herinnert aan het besluit van de Europese Ombudsman (“de Ombudsman”) van 18 juni 2019 dat het secretariaat-generaal van de Raad een volledig register moet bijhouden van alle bijeenkomsten tussen belangenvertegenwoordigers en de voorzitter van de Europese Raad en dat dit register openbaar moet worden gemaakt; betreurt het feit dat de Raad ondanks al deze onderhandelingen nog steeds niet is toegetreden tot het transparantieregister, en verzoekt de Raad om follow-up van de onderhandelingen om tot een succesvol resultaat te komen waarbij de Raad uiteindelijk in het register zal worden opgenomen; verzoekt de Raad blijk te geven van echte inzet voor de beginselen van transparantie en verantwoordingsplicht door concrete maatregelen te nemen en door voort te bouwen op het voorbeeld van het Finse voorzitterschap; verzoekt alle voorzitterschapstrio’s het goede voorbeeld te geven door ontmoetingen met niet geregistreerde lobbyisten te weigeren;

18. wijst op de aanbeveling van de Ombudsman dat de voorzitter en het kabinet van de Europese Raad een volledige lijst van alle lobbybijeenkomsten openbaar maken; is teleurgesteld over het feit dat de nieuwe voorzitter van de Europese Raad deze aanbeveling nog moet uitvoeren; merkt op dat, hoewel de voorzitter van de Europese Raad blijkbaar niet veel lobbyisten ontmoet, het beginsel van transparantie inzake lobbyactiviteiten niettemin belangrijk is; dringt er bij de voorzitter van de Europese Raad op aan ervoor te zorgen dat hij en zijn kabinet alle ontmoetingen met niet geregistreerde lobbyisten weigeren en proactief een uitgebreide lijst van lobbybijeenkomsten publiceren; verzoekt het secretariaat van de Raad ervoor te zorgen dat de ethische regels voor de voorzitter van de Europese Raad worden afgestemd op die van de voorzitter van de Europese Commissie, zodat “draaideurregelingen” voor drie jaar van toepassing zijn en de formele goedkeuring vereist is voor elke nieuwe functie die verband houdt met de activiteiten van de Unie;

19. is ingenomen met de oprichting op 1 juli 2018 van een afdeling digitale diensten in het kader van een reorganisatie van het secretariaat-generaal van de Raad; merkt op dat het informatie- en managementprogramma is opgezet om de belangrijkste bedrijfsprocessen te stroomlijnen en te digitaliseren, door een volledig geïntegreerd systeem van toepassingen en diensten tot stand te brengen dat voor de gebruikers toegankelijk zal zijn via een collaboratieve en veilige digitale werkplek voor het personeel, voorzitterschappen en afgevaardigden;

20. wijst op de uitgebreide berichtgeving in de media en de bijzonder hoge mate van media-aandacht voor de onderhandelingen over de terugtrekking van het Verenigd Koninkrijk uit de Unie; is ingenomen met de constante ontwikkeling van de website van de Raad en de intensieve werkzaamheden om het publiek op alle kanalen te vergroten (toename van 9 % bezoeken aan de website, 13 % fans op Facebook, 26 % volgers op Twitter en 92 % volgers op Instagram); wijst op het grote aantal achtergrondbriefings en persconferenties; wijst op het Newsroomplatform, dat de pers en de media in staat stelt het video- en fotomateriaal van de Raad in hoge resolutie te raadplegen, te downloaden en te verwerken; moedigt voorts het gebruik van zelf gehoste socialenetwerkplatforms aan, maar vindt dat hierbij bijzondere aandacht moet worden besteed aan de bescherming van gebruikersgegevens;

21. spreekt eens te meer zijn steun uit voor de aanbevelingen van de Ombudsman betreffende de transparantie van het wetgevingsoverleg in de voorbereidende instanties van de Raad[8]; verzoekt de Raad zijn inspanningen op te voeren om het wetgevingsproces traceerbaarder en leesvriendelijker te maken, de transparantie rond mijlpalen in het wetgevingsproces te bevorderen en de identificatie en snelle publicatie van de elektronische input van de lidstaten (bijv. verklaringen en wijzigingsvoorstellen) in wetgevingsdebatten tot een gangbare praktijk te maken, zowel voor zittingen van de Raad en voorbereidende besprekingen in het Comité van permanente vertegenwoordigers van de Raad als voor al zijn voorbereidende instanties; verzoekt de Raad evenwel zijn inspanningen op het gebied van transparantie op te voeren, onder meer door de publicatie van wetgevingsdocumenten van de Raad, de formele notulering van de vergaderingen van voorbereidende instanties van de Raad waarin de standpunten van de lidstaten zijn opgenomen, de publicatie van deze notulen en de terbeschikkingstelling van meer trialoogdocumenten overeenkomstig de aanbevelingen van de Ombudsman; neemt kennis van de inspanningen van de Raad om de transparantie via de huidige wijzigingen van zijn website en de activiteiten van zijn interne-transparantieteam te verbeteren; verzoekt de Raad verdere maatregelen te nemen om een succesvol transparantiebeleid tot stand te brengen zodat het publiek het wetgevingsproces van de Unie gemakkelijker kan volgen;

22. herinnert aan de conclusies in het speciaal verslag van de Ombudsman van februari 2018 naar aanleiding van het strategisch onderzoek OI/2/2017/TE inzake de transparantie van het wetgevingsproces in de Raad, namelijk dat “de huidige praktijken van de Raad neerkomen op wanbeheer”; herinnert aan het gezamenlijke non-paper van België, Denemarken, Estland, Ierland, Letland, Luxemburg, Slovenië, Zweden en Nederland van oktober 2019 over meer transparantie en verantwoordingsplicht van de EU, waarin de Raad met name wordt verzocht “de openbaarheid van de trialoogonderhandelingen te vergroten door cruciale wetgevingsdocumenten stelselmatig openbaar te maken”; verzoekt de Raad deze aanbevelingen in het belang van de transparantie ernstig te nemen en hierover verslag uit te brengen aan het Parlement;

23. spreekt zijn ernstige bezorgdheid uit over de berichten in de Europese media dat de lidstaten die het voorzitterschap van de Unie bekleden worden gesponsord door bedrijven, en herhaalt de bezorgdheid hierover waaraan uiting is gegeven door burgers van de Unie en leden van het Parlement; wijst erop dat de lidstaten geacht worden hun voorzitterschap zelf te financieren en betreurt het feit dat de keuze voor sponsoring door bedrijven om een deel van de uitgaven te dekken de afgelopen jaren een gangbare praktijk is geworden; maakt zich grote zorgen over de mogelijke reputatieschade en het eventuele vertrouwensverlies die de Unie en haar instellingen, met name de Raad, als gevolg van deze praktijk bij de burgers van de Unie kunnen lijden; schaart zich volledig achter de beoordeling en de aanbeveling van de Ombudsman[9] dat de Raad de lidstaten hierover richtsnoeren moet verstrekken; beveelt de Raad bovendien met klem aan te overwegen de voorzitterschappen op te nemen in de begroting; verzoekt de Raad de hier uitgesproken bezorgdheid over te brengen aan de lidstaten, met name aan het huidige voorzitterschapstrio;

24. dringt erop aan de gedragscode voor de voorzitter van de Europese Raad af te stemmen op die van de voorzitter van de Commissie en van het Parlement om de formele goedkeuring van activiteiten in verband met de wetgeving van de Unie te waarborgen tot drie jaar na zijn vertrek bij de Raad;

25. is ernstig bezorgd over de huidige praktijk waarbij Raadsvoorzitterschappen worden gesponsord door particuliere bedrijven; herinnert aan de aanbeveling van de Ombudsman van 6 januari 2020 om richtsnoeren te verstrekken over de sponsoring van Raadsvoorzitterschappen en zo de mogelijke reputatieschade voor de Unie te beperken; merkt op dat de Raad aanvoert dat de sponsoringkwestie de exclusieve bevoegdheid is van de regering van de lidstaat die het voorzitterschap bekleedt; is het met de Ombudsman eens dat het publiek geen onderscheid maakt tussen het voorzitterschap van de Raad en de lidstaat die het voorzitterschap bekleedt; verzoekt de Raad deze aanbevelingen ernstig te nemen en hierover verslag uit te brengen aan het Parlement;

26. is ernstig bezorgd over de aantijgingen van belangenconflicten tegen een aantal vertegenwoordigers van de lidstaten die betrokken zijn bij het beleid op hoog niveau en bij de besluitvorming over de begroting; verzoekt de Raad ervoor te zorgen dat vertegenwoordigers van de lidstaten die rechtstreeks van subsidies van de Unie profiteren via de bedrijven die zij bezitten, niet deelnemen aan de besprekingen en stemmingen over het beleid en de begroting ter zake; verzoekt de Raad verder het Parlement bij te treden in zijn oproep aan de Commissie om nieuwe auditprocedures voor te stellen om het onderzoek naar dringende en ernstige gevallen van belangenconflicten te bespoedigen en ervoor te zorgen dat het Parlement naar behoren wordt geïnformeerd over de conclusies van deze audits;

27. betreurt het feit dat de Raad eens te meer geen antwoord heeft gegeven op de schriftelijke vragen van het Parlement en dat de secretaris-generaal van de Raad op 12 november 2019 niet aanwezig was op de hoorzitting in het kader van de jaarlijkse kwijtingsprocedure, wat een permanent en totaal gebrek aan samenwerking van de kant van de Raad laat zien; benadrukt het feit dat de uitgaven van de Raad op dezelfde wijze moeten worden gecontroleerd als de uitgaven van andere instellingen en dat de essentiële onderdelen van deze controle zijn vastgelegd in zijn kwijtingsresoluties van de afgelopen jaren; brengt in herinnering dat het Parlement de enige instelling is die rechtstreeks door de burgers van de Unie wordt verkozen en dat de rol van het Parlement in de kwijtingsprocedure direct samenhangt met het recht van de burgers om in kennis te worden gesteld van de manier waarop overheidsmiddelen worden besteed;

Toekomstige samenwerking tussen de Raad en het Parlement

28. wijst erop dat de rol van het Parlement bij het verlenen van kwijting voor de uitvoering van de begroting is vastgelegd in het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU), het Financieel Reglement en het Reglement van het Parlement;

29. wijst erop dat het Parlement overeenkomstig artikel 319 VWEU op aanbeveling van de Raad kwijting verleent aan de Commissie voor de uitvoering van de algemene begroting van de Unie; merkt op dat de rol van de Raad, als instelling die aanbevelingen doet in de kwijtingsprocedure, volledig wordt erkend;

30. onderstreept de bevoegdheid van het Parlement om kwijting te verlenen krachtens de artikelen 316, 317 en 319 van het VWEU, in overeenstemming met de tot nu toe gehanteerde interpretatie en praktijk, namelijk verlening van kwijting voor elk onderdeel van de begroting afzonderlijk, ter wille van de transparantie en om de democratische verantwoordingsplicht ten aanzien van de belastingbetalers van de Unie te waarborgen;

31. is van mening dat er een onderscheid moet worden gemaakt tussen de verschillende rollen van de respectieve instellingen in de kwijtingsprocedure en dat een gelijkwaardige en wederzijdse rol van beide instellingen in de jaarlijkse kwijtingsprocedure bijgevolg moet worden uitgesloten;

32. herinnert eraan dat de instellingen overeenkomstig de artikelen 316 en 335 van het VWEU over administratieve autonomie beschikken en dat hun uitgaven zijn opgenomen in afzonderlijke afdelingen van de begroting; wijst erop dat de instellingen overeenkomstig artikel 59 van het Financieel Reglement individueel verantwoordelijk zijn voor de uitvoering van hun begroting; onderstreept het feit dat het belangrijk is dat de instellingen verantwoordelijk en professioneel optreden bij de uitvoering van hun begroting;

33. merkt op dat het Parlement in de loop van bijna twintig jaar de praktijk heeft ontwikkeld om kwijting te verlenen aan alle instellingen en organen van de Unie; herinnert eraan dat het Parlement kwijting verleent aan de instellingen en organen van de Unie na onderzoek van de verstrekte documenten en van hun antwoorden op de schriftelijke vragenlijsten en na de secretarissen-generaal te hebben gehoord; merkt op dat alle instellingen en organen van de Unie bereid zijn deel te nemen aan de kwijtingsprocedure van het Parlement, met als enige uitzondering de Raad; betreurt dat de Raad heeft geweigerd de vragen van de Commissie begrotingscontrole van het Parlement van 12 november 2019 te beantwoorden;

34. is ingenomen met het feit dat de Raad blijk heeft gegeven van zijn bereidheid om met het Parlement overeenstemming te bereiken over de wijze waarop aan de kwijtingsprocedure zal worden meegewerkt;

 

35. betreurt het gebrek aan medewerking van de Raad in de kwijtingsprocedure, wat ertoe heeft geleid dat het Parlement sinds het begrotingsjaar 2009 geen kwijting heeft verleend aan de secretaris-generaal van de Raad;

36. dringt aan op een memorandum van overeenstemming tussen de Raad en het Parlement om oplossingen te vinden voor de langdurige meningsverschillen tussen de Raad en het Parlement over de huidige praktijk van het verlenen van kwijting;

37. is van mening dat de antwoorden op een aantal terugkerende vragen in de vragenlijsten voor de verschillende instellingen, organen en instanties, zoals die inzake gender- en geografisch evenwicht, belangenconflicten, lobbyactiviteiten en de bescherming van klokkenluiders, mogelijk kunnen worden opgenomen in het overeenkomstig artikel 318 van het VWEU opgestelde evaluatieverslag over de financiën van de Unie, voor zover deze kwesties verband houden met de uitvoering van de begroting; herinnert eraan dat het in artikel 318 VWEU bedoelde verslag uitdrukkelijk wordt genoemd in artikel 319, lid 1, VWEU als een van de documenten die in het kader van de kwijtingsprocedure moeten worden bestudeerd;

38. herinnert eraan dat elke instelling en elk orgaan krachtens het Financieel Reglement verplicht is passende maatregelen te nemen om gevolg te geven aan de opmerkingen waarvan het kwijtingsbesluit van het Parlement vergezeld gaat en verslag uit te brengen over de in het licht van die opmerkingen genomen maatregelen; wijst erop dat een weigering van een instelling om aan dit vereiste te voldoen na te zijn opgeroepen te handelen, aanleiding kan geven tot een beroep wegens nalaten op grond van artikel 265 VWEU;

39. is ingenomen met de verklaringen van de voorgedragen vicevoorzitter Věra Jourová en de voorgedragen commissaris Johannes Hahn tijdens hun hoorzittingen voor het Parlement, waarin zij hebben aangegeven dat zij bereid zijn overleg te plegen over deze aangelegenheid om tot meer transparantie te komen over de uitvoering van de begroting van de Raad; wijst op de jurisprudentie van het Hof van Justitie van de Europese Unie over het recht van belastingbetalers en het publiek om op de hoogte te worden gehouden van het gebruik van overheidsinkomsten;

40. is van mening dat de toezeggingen van de kandidaat-commissarissen een positieve verandering in houding aangeven ten opzichte van het standpunt dat de Commissie tot nu toe heeft ingenomen, zoals uitgedrukt in haar brief van 23 januari 2014, waarin wordt gesteld dat van de Commissie niet mag worden verlangd dat zij toezicht houdt op de uitvoering van de begroting van de andere instellingen;

41. verzoekt de Raad zijn specifieke taken te vervullen en kwijtingsaanbevelingen te doen met betrekking tot de andere instellingen van de Unie.


 

 

ADVIES VAN DE COMMISSIE CONSTITUTIONELE ZAKEN (5.12.2019)

<CommissionInt>aan de Commissie begrotingscontrole</CommissionInt>


<Titre>inzake het verlenen van kwijting voor de uitvoering van de algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2018, afdeling II — Europese Raad en Raad</Titre>

<DocRef>(2019/2057(DEC))</DocRef>

Rapporteur voor advies: <Depute>Pascal Durand</Depute>

 

 

SUGGESTIES

De Commissie constitutionele zaken verzoekt de bevoegde Commissie begrotingscontrole onderstaande suggesties in haar ontwerpresolutie op te nemen:

A. overwegende dat overeenkomstig artikel 319 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU) het Europees Parlement als enige verantwoordelijk is voor het verlenen van kwijting voor de uitvoering van de algemene begroting van de Europese Unie en dat de begroting van de Raad deel uitmaakt van de begroting van de Unie;

B. overwegende dat het Parlement, uit hoofde van artikel 319 VWEU de Commissie kwijting verleent;

C. overwegende dat de procedure voor het afzonderlijk verlenen van kwijting aan de afzonderlijke instellingen en organen van de Unie een gevestigde praktijk is die door alle andere instellingen, met uitzondering van de Raad, wordt aanvaard, en dat deze procedure is ontwikkeld om de transparantie en de democratische verantwoordingsplicht ten aanzien van de burgers van de Unie te waarborgen en de noodzakelijke bestrijding van fraude na te streven;

D. overwegende dat de Commissie uit hoofde van artikel 319, lid 2, VWEU het Europees Parlement op diens verzoek alle nodige informatie moet verstrekken met betrekking tot de uitgaven en de werking van de systemen voor financiële controle;

E. overwegende dat uit hoofde van artikel 100 van het Reglement van het Europees Parlement, genaamd “Overige kwijtingsprocedures”, de bepalingen inzake de procedure voor de verlening van kwijting aan de Commissie voor de uitvoering van de begroting, overeenkomstig artikel 319 VWEU, eveneens van toepassing zijn op de procedure voor de verlening van kwijting aan de Voorzitter van het Europees Parlement, aan de personen die verantwoordelijk zijn voor de uitvoering van de begroting van de Raad, het Hof van Justitie van de Europese Unie, de Rekenkamer, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio’s, aan de Commissie voor de uitvoering van de begroting van het Europees Ontwikkelingsfonds en aan voor het financieel beheer verantwoordelijke organen van juridisch zelfstandige entiteiten die taken van de Unie uitvoeren;

F. overwegende dat alle instellingen verplicht zijn samen te werken om de vlotte werking van de kwijtingsprocedure te waarborgen, met volledige inachtneming van de desbetreffende bepalingen van het VWEU en van de desbetreffende secundaire wetgeving; overwegende dat het gebrek aan medewerking van de Raad in de kwijtingsprocedure ertoe heeft geleid dat het Parlement sinds 2009 geen kwijting heeft verleend aan de secretaris-generaal van de Raad; overwegende dat het aanhoudende gebrek aan samenwerking van de Raad het voor het Parlement onmogelijk maakt om met kennis van zaken een besluit te nemen over het verlenen van kwijting, wat bijgevolg een blijvend negatief effect heeft op de perceptie van de burgers van de geloofwaardigheid van de EU-instellingen en van de transparantie bij het gebruik van EU-middelen; overwegende dat dit gebrek aan samenwerking ook een negatief effect heeft op de werking van de instellingen en de procedure voor politiek toezicht op het begrotingsbeheer die in de Verdragen is vastgelegd, ondermijnt;

G. overwegende dat, rekening houdend met de verslagen van de Europese Rekenkamer, de kwijtingsprocedure wordt gebruikt om de rekeningen van de betrokken instelling te onderzoeken teneinde na te gaan of de uitvoering ervan wettig en regelmatig is en de beginselen van goed financieel beheer in acht zijn genomen;

1. onderstreept de rol van het Parlement in het kader van de kwijtingsprocedure, zoals vastgelegd in het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie en het Financieel Reglement, en onderstreept het feit dat, hoewel de rol van de Raad als instelling die aanbevelingen geeft in het kader van de kwijtingsprocedure volledig erkend wordt, er een onderscheid moet blijven bestaan ten aanzien van de verschillende rollen van het Parlement en de Raad met het oog op de naleving van het in de Verdragen en het Financieel Reglement vastgelegde institutionele kader;

2. herinnert eraan dat het Parlement kwijting verleent aan elk van de andere instellingen, organen en instanties afzonderlijk, nadat het de verstrekte documenten en de op de vragen van het Parlement gegeven antwoorden heeft onderzocht en nadat het de secretarissen-generaal van de andere instellingen heeft gehoord; is van mening dat, in het kader van de kwijting die het Parlement aan de Commissie verleent, zoals voorzien in de Verdragen, de democratische legitimiteit, de transparantie en de verantwoordingsplicht van de andere instellingen, organen en instanties van de Unie op deze manier ook verder worden versterkt;

3. is van mening dat antwoorden op een aantal terugkerende vragen in de vragenlijsten voor de verschillende instellingen, organen en instanties, zoals die inzake gender- en geografisch evenwicht, belangenconflicten, lobbyactiviteiten en de bescherming van klokkenluiders, mogelijk kunnen worden opgenomen in het overeenkomstig artikel 318 VWEU opgestelde evaluatieverslag over de financiën van de Unie, voor zover deze kwesties verband houden met de uitvoering van de begroting; herinnert eraan dat het in artikel 318 VWEU bedoelde verslag uitdrukkelijk wordt genoemd in artikel 319, lid 1, VWEU als een van de documenten die in het kader van de kwijtingsprocedure moeten worden bestudeerd;

4. herinnert eraan dat elke instelling en elk orgaan krachtens het Financieel Reglement verplicht is passende maatregelen te nemen om gevolg te geven aan de opmerkingen waarvan het kwijtingsbesluit van het Europees Parlement vergezeld gaat en verslag uit te brengen over de in het licht van die opmerkingen genomen maatregelen; wijst erop dat een weigering van een instelling om aan dit vereiste te voldoen na te zijn opgeroepen te handelen, aanleiding kan geven tot een beroep wegens nalaten op grond van artikel 265 VWEU;

5. neemt kennis van de aanhoudende problemen waarop het Europees Parlement met betrekking tot de kwijtingsprocedure heeft gewezen als gevolg van een gebrek aan medewerking van de Raad, wat het Parlement heeft genoopt de secretaris-generaal van de Raad geen kwijting te verlenen voor de begrotingsjaren 2009 tot en met 2017; herhaalt dat de Raad volledig, en te goeder trouw, moet deelnemen aan de jaarlijkse kwijtingsprocedure, net zoals de andere instellingen, om transparant te zijn en volledige verantwoording af te leggen aan de burgers van de Unie voor de middelen die hem als instelling van de Unie zijn toevertrouwd; onderstreept de dringende noodzaak van een memorandum van overeenstemming tussen het Europees Parlement en de Raad over de verstrekking van de informatie die het Parlement nodig heeft om met kennis van zaken te kunnen beslissen over de kwijting, waarin de respectieve rol van de instellingen in de kwijtingsprocedures naar behoren in acht wordt genomen; is verheugd over de vooruitgang die tot dusver is geboekt in de onderhandelingen tussen het Parlement en de Raad over het “non-paper” inzake de samenwerking tussen het Europees Parlement en de Raad tijdens de jaarlijkse kwijtingsprocedure, en roept beide instellingen op hun inspanningen op te voeren om zonder onnodige vertraging tot een akkoord te komen; is van mening dat, indien die onderhandelingen met de Raad niet slagen, de onderhandelingen moeten worden uitgebreid met de Commissie, om ervoor te zorgen dat het Parlement de nodige informatie krijgt over de wijze waarop de Raad zijn begroting uitvoert, hetzij rechtstreeks, hetzij via de Commissie;

6. is ingenomen met de verklaringen van de voorgedragen vicevoorzitter Věra Jourová en de voorgedragen commissaris Johannes Hahn tijdens hun hoorzittingen voor het Parlement, waarin zij hebben aangegeven dat zij bereid zijn overleg te plegen over deze aangelegenheid teneinde te komen tot meer transparantie over de uitvoering van de begroting van de Raad; wijst op de jurisprudentie van het Hof van Justitie over het recht van belastingbetalers en de publieke opinie om op de hoogte te worden gehouden van het gebruik van overheidsinkomsten;

7. is van mening dat de toezeggingen van de kandidaat-commissarissen een positieve verandering in houding aangeven ten opzichte van het standpunt dat de Commissie tot nu toe heeft ingenomen, zoals uitgedrukt in haar brief van 23 januari 2014, waarin wordt gesteld dat van de Commissie niet mag worden verlangd dat zij toezicht houdt op de uitvoering van de begroting van de andere instellingen;

8. dringt erop aan dat, indien de onderhandelingen over een memorandum van overeenstemming niet snel worden hervat, het Parlement er in het kader van de onderhandelingen over het volgende MFK op aandringt dat er een “rdv-clausule” wordt opgenomen in het voorstel voor een interinstitutioneel akkoord tussen het Europees Parlement, de Raad en de Commissie betreffende de begrotingsdiscipline, de samenwerking in begrotingszaken en een goed financieel beheer, waarbij de drie instellingen zich ertoe verbinden gezamenlijk de praktische regelingen vast te stellen voor het delen en verstrekken van de nodige informatie aan het Europees Parlement in het kader van de kwijtingsprocedure, alsook om onverwijld de onderhandelingen hierover te openen;

9. is van mening dat, hoewel de huidige situatie kan worden verbeterd door een betere samenwerking tussen de instellingen van de Unie in het kader van de Verdragen, op termijn de mogelijkheid zou kunnen worden overwogen om de Verdragen te herzien teneinde de kwijtingsprocedure transparanter te maken, met name door het Parlement de expliciete bevoegdheid te geven om alle instellingen en organen van de Unie afzonderlijk kwijting te verlenen; onderstreept dat de gevolgen van dergelijke wijzigingen van het interinstitutionele evenwicht waarin de Verdragen voorzien, grondig moeten worden onderzocht door de bevoegde commissie van het Parlement.


 

 

INFORMATIE OVER DE GOEDKEURING IN DE ADVISERENDE COMMISSIE

Datum goedkeuring

4.12.2019

 

 

 

Uitslag eindstemming

+:

–:

0:

23

0

0

Bij de eindstemming aanwezige leden

Gabriele Bischoff, Damian Boeselager, Richard Corbett, Pascal Durand, Daniel Freund, Charles Goerens, Esteban González Pons, Maria Grapini, Laura Huhtasaari, Aileen McLeod, Giuliano Pisapia, Paulo Rangel, Antonio Maria Rinaldi, Domènec Ruiz Devesa, Pedro Silva Pereira, Antonio Tajani, László Trócsányi, Guy Verhofstadt, Loránt Vincze, Rainer Wieland

Bij de eindstemming aanwezige vaste plaatsvervangers

Margrete Auken, Vladimír Bilčík, Gilles Boyer, Helmut Scholz


 

HOOFDELIJKE EINDSTEMMING IN DE ADVISERENDE COMMISSIE

23

+

GUE/NGL

Helmut Scholz

ID

Laura Huhtasaari, Antonio Maria Rinaldi

PPE

Vladimír Bilčík, Esteban González Pons, Paulo Rangel, Antonio Tajani, László Trócsányi, Loránt Vincze, Rainer Wieland

RENEW

Gilles Boyer, Pascal Durand, Charles Goerens, Guy Verhofstadt

S&D

Gabriele Bischoff, Richard Corbett, Maria Grapini, Giuliano Pisapia, Domènec Ruiz Devesa, Pedro Silva Pereira

VERTS/ALE

Damian Boeselager, Daniel Freund, Aileen McLeod

 

0

-

 

 

 

0

0

 

 

 

Verklaring van de gebruikte tekens:

+ : voor

- : tegen

0 : onthouding

 

 


 

INFORMATIE OVER DE GOEDKEURING IN DE BEVOEGDE COMMISSIE

Datum goedkeuring

19.2.2020

 

 

 

Uitslag eindstemming

+:

–:

0:

23

1

0

Bij de eindstemming aanwezige leden

Matteo Adinolfi, Olivier Chastel, Caterina Chinnici, Lefteris Christoforou, Luke Ming Flanagan, Isabel García Muñoz, Cristian Ghinea, Monika Hohlmeier, Jean-François Jalkh, Joachim Kuhs, Tsvetelina Penkova, Markus Pieper, Sabrina Pignedoli, Michèle Rivasi, Nico Semsrott, Angelika Winzig, Lara Wolters, Tomáš Zdechovský

Bij de eindstemming aanwezige vaste plaatsvervangers

Maria Grapini, David Lega, Marian-Jean Marinescu, Mikuláš Peksa, Ramona Strugariu

Bij de eindstemming aanwezige plaatsvervangers (art. 209, lid 7)

József Szájer

 


 

HOOFDELIJKE EINDSTEMMING IN DE BEVOEGDE COMMISSIE

23

+

GUE/NGL

Luke Ming Flanagan

ID

Matteo Adinolfi, Joachim Kuhs

NI

Sabrina Pignedoli

PPE

Lefteris Christoforou, Monika Hohlmeier, David Lega, Marian-Jean Marinescu, Markus Pieper, József Szájer, Angelika Winzig, Tomáš Zdechovský

RENEW

Olivier Chastel, Cristian Ghinea, Ramona Strugariu

S&D

Caterina Chinnici, Isabel García Muñoz, Maria Grapini, Tsvetelina Penkova, Lara Wolters

VERTS/ALE

Mikuláš Peksa, Michèle Rivasi, Nico Semsrott

 

1

-

ID

Jean-François Jalkh

 

0

0

 

 

 

 

 

Verklaring van de gebruikte tekens:

+ : voor

- : tegen

0 : onthouding

 

 

 

[1] PB L 57 van 28.2.2018.

[2] PB C 327 van 30.9.2018, blz. 1.

[3] PB C 340 van 8.10.2019, blz. 1.

[4] PB C 340 van 8.10.2019, blz. 9.

[5] PB L 298 van 26.10.2012, blz. 1.

[6] PB L 193 van 30.7.2018, blz. 1.

[7] Aangenomen teksten, P8_TA(2019)0045.

[8] Resolutie van het Europees Parlement van 17 januari 2019 over het strategisch onderzoek van de Ombudsman OI/2/2017 betreffende de transparantie van het wetgevingsoverleg in de voorbereidende instanties van de Raad van de EU (Aangenomen teksten, P8_TA(2019)0045).

[9] Aanbeveling van de Europese Ombudsman in zaak 1069/2019/MIG betreffende sponsoring van het voorzitterschap van de Raad van de Europese Unie.

Laatst bijgewerkt op: 30 maart 2020Juridische mededeling - Privacybeleid