Procedure : 2019/2065(DEC)
Stadium plenaire behandeling
Documentencyclus : A9-0057/2020

Ingediende teksten :

A9-0057/2020

Debatten :

Stemmingen :

Aangenomen teksten :

P9_TA(2020)0105

<Date>{03/03/2020}3.3.2020</Date>
<NoDocSe>A9-0057/2020</NoDocSe>
PDF 238kWORD 80k

<TitreType>VERSLAG</TitreType>

<Titre>over het verlenen van kwijting voor de uitvoering van de begroting van het achtste, negende, tiende en elfde Europees Ontwikkelingsfonds voor het begrotingsjaar 2018</Titre>

<DocRef>(2019/2065(DEC))</DocRef>


<Commission>{CONT}Commissie begrotingscontrole</Commission>

Rapporteur: <Depute>Michèle Rivasi</Depute> 

AMENDEMENTEN
1. ONTWERPBESLUIT VAN HET EUROPEES PARLEMENT
 2. ONTWERPBESLUIT VAN HET EUROPEES PARLEMENT
 3. ONTWERPRESOLUTIE VAN HET EUROPEES PARLEMENT
 ADVIES VAN DE COMMISSIE ONTWIKKELINGSSAMENWERKING
 INFORMATIE OVER DE GOEDKEURING IN DE BEVOEGDE COMMISSIE
 HOOFDELIJKE EINDSTEMMING IN DE BEVOEGDE COMMISSIE

1. ONTWERPBESLUIT VAN HET EUROPEES PARLEMENT

over het verlenen van kwijting voor de uitvoering van de begroting van het achtste, negende, tiende en elfde Europees Ontwikkelingsfonds voor het begrotingsjaar 2018

(2019/2065(DEC))

Het Europees Parlement,

 gezien de balansen en resultatenrekeningen van het achtste, negende, tiende en elfde Europees Ontwikkelingsfonds voor het begrotingsjaar 2018 (COM(2019)0317 – C9‑0060/2019),

 gezien de financiële informatie over de Europese Ontwikkelingsfondsen (COM(2019)0258),

 gezien het jaarverslag van de Rekenkamer over de activiteiten van het achtste, negende, tiende en elfde Europees Ontwikkelingsfonds voor het begrotingsjaar 2018, tezamen met de antwoorden van de Commissie[1],

 gezien de verklaring van de Rekenkamer[2] voor het begrotingsjaar 2018 waarin de betrouwbaarheid van de rekeningen en de wettigheid en regelmatigheid van de onderliggende verrichtingen worden bevestigd, overeenkomstig artikel 287 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

 gezien de aanbevelingen van de Raad van 18 februari 2020 inzake de aan de Commissie te verlenen kwijting voor de uitvoering van de verrichtingen van het Europees Ontwikkelingsfonds voor het begrotingsjaar 2018 (05324/2020 – C9‑0029/2020, 05325/2020 – C9‑0030/2020, 05327/2020 – C9‑0031/2020, 05328/2020 – C9‑0032/2020),

 gezien de verslagen van de Commissie betreffende de follow-up van de kwijting voor het begrotingsjaar 2017 (COM(2019)0334),

 gezien de partnerschapsovereenkomst tussen de leden van de groep van staten in Afrika, het Caribisch gebied en de Stille Oceaan, enerzijds, en de Europese Gemeenschap en haar lidstaten, anderzijds, ondertekend te Cotonou (Benin) op 23 juni 2000[3] en gewijzigd te Ouagadougou (Burkina Faso) op 22 juni 2010[4],

 gezien Besluit 2013/755/EU van de Raad van 25 november 2013 betreffende de associatie van de landen en gebieden overzee met de Europese Gemeenschap (“LGO­besluit”)[5],

 gezien artikel 33 van het intern akkoord van 20 december 1995 tussen de vertegenwoordigers van de regeringen van de lidstaten, in het kader van de Raad bijeen, betreffende de financiering en het beheer van de steun van de Gemeenschap in het kader van het tweede financieel protocol van de vierde ACS-EG-overeenkomst[6],

 gezien artikel 32 van het intern akkoord van 18 september 2000 tussen de vertegenwoordigers van de regeringen van de lidstaten, in het kader van de Raad bijeen, betreffende de financiering en het beheer van de steun van de Gemeenschap in het kader van het financieel protocol bij de partnerschapsovereenkomst tussen de staten in Afrika, het Caribische gebied en de Stille Oceaan en de Europese Gemeenschap en haar lidstaten, ondertekend te Cotonou (Benin) op 23 juni 2000, en de toewijzing van financiële bijstand ten behoeve van de landen en gebieden overzee waarop de bepalingen van het vierde deel van het EG-Verdrag van toepassing zijn[7],

 gezien artikel 11 van het intern akkoord van 17 juli 2006 tussen de vertegenwoordigers van de regeringen van de lidstaten, in het kader van de Raad bijeen, betreffende de financiering van de steun van de Gemeenschap binnen het meerjarig financieel kader voor 2008-2013 voor de ACS-EG-partnerschapsovereenkomst en de toewijzing van financiële bijstand ten behoeve van de landen en gebieden overzee waarop de bepalingen van deel vier van het EG-Verdrag van toepassing zijn[8],

 gezien artikel 11 van het intern akkoord van 24 juni 2013 en 26 juni 2013 tussen de vertegenwoordigers van de regeringen van de lidstaten van de Europese Unie, in het kader van de Raad bijeen, betreffende de financiering van de steun van de Europese Unie binnen het meerjarig financieel kader voor 2014-2020 voor de ACS-EG-partnerschapsovereenkomst en de toewijzing van financiële bijstand ten behoeve van de landen en gebieden overzee waarop de bepalingen van deel vier van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie van toepassing zijn[9],

 gezien artikel 319 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

 gezien artikel 74 van het Financieel Reglement van 16 juni 1998 van toepassing op de samenwerking inzake ontwikkelingsfinanciering in het kader van de vierde ACS-EG-overeenkomst[10],

 gezien artikel 119 van het Financieel Reglement van 27 maart 2003 van toepassing op het negende Europees Ontwikkelingsfonds[11],

 gezien artikel 50 van Verordening (EG) nr. 215/2008 van de Raad van 18 februari 2008 inzake het Financieel Reglement van toepassing op het tiende Europees Ontwikkelingsfonds[12],

 gezien artikel 48 van Verordening (EU) 2015/323 van de Raad van 2 maart 2015 inzake het Financieel Reglement van toepassing op het elfde Europees Ontwikkelingsfonds[13],

 gezien artikel 99, artikel 100, derde streepje, en bijlage V van zijn Reglement,

 gezien het advies van de Commissie ontwikkelingssamenwerking,

 gezien het verslag van de Commissie begrotingscontrole (A9-0057/2020),

1. verleent de Commissie kwijting voor de uitvoering van de begroting van het achtste, negende, tiende en elfde Europees Ontwikkelingsfonds voor het begrotingsjaar 2018;

2. formuleert zijn opmerkingen in bijgaand resolutie;

3. verzoekt zijn Voorzitter dit besluit en de resolutie die daarvan een integrerend deel uitmaakt, te doen toekomen aan de Raad, de Commissie, de Rekenkamer en de Europese Investeringsbank, en te zorgen voor publicatie ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie (L-serie).

 


 

2. ONTWERPBESLUIT VAN HET EUROPEES PARLEMENT

over de afsluiting van de rekeningen van het achtste, negende, tiende en elfde Europees Ontwikkelingsfonds voor het begrotingsjaar 2018

(2019/2065(DEC))

Het Europees Parlement,

 gezien de balansen en resultatenrekeningen van het achtste, negende, tiende en elfde Europees Ontwikkelingsfonds voor het begrotingsjaar 2018 (COM(2019)0317 – C9‑0060/2019),

 gezien de financiële informatie over de Europese Ontwikkelingsfondsen (COM(2019)0258),

 gezien het jaarverslag van de Rekenkamer over de activiteiten van het achtste, negende, tiende en elfde Europees Ontwikkelingsfonds voor het begrotingsjaar 2018, tezamen met de antwoorden van de Commissie[14],

 gezien de verklaring van de Rekenkamer[15] voor het begrotingsjaar 2018 waarin de betrouwbaarheid van de rekeningen en de wettigheid en regelmatigheid van de onderliggende verrichtingen worden bevestigd, overeenkomstig artikel 287 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

 gezien de aanbevelingen van de Raad van 18 februari 2020 inzake de aan de Commissie te verlenen kwijting voor de uitvoering van de verrichtingen van het Europees Ontwikkelingsfonds voor het begrotingsjaar 2018 (05324/2020 – C9‑0029/2020, 05325/2020 – C9‑0030/2020, 05327/2020 – C9‑0031/2020, 05328/2020 – C9‑0032/2020),

 gezien de verslagen van de Commissie betreffende de follow-up van de kwijting voor het begrotingsjaar 2017 (COM(2019)0334),

 gezien de partnerschapsovereenkomst tussen de leden van de groep van staten in Afrika, het Caribisch gebied en de Stille Oceaan, enerzijds, en de Europese Gemeenschap en haar lidstaten, anderzijds, ondertekend te Cotonou (Benin) op 23 juni 2000[16] en gewijzigd te Ouagadougou (Burkina Faso) op 22 juni 2010[17],

 gezien Besluit 2013/755/EU van de Raad van 25 november 2013 betreffende de associatie van de landen en gebieden overzee met de Europese Gemeenschap (“LGO­besluit”)[18],

 gezien artikel 33 van het intern akkoord van 20 december 1995 tussen de vertegenwoordigers van de regeringen van de lidstaten, in het kader van de Raad bijeen, betreffende de financiering en het beheer van de steun van de Gemeenschap in het kader van het tweede financieel protocol van de vierde ACS-EG-overeenkomst[19],

 gezien artikel 32 van het intern akkoord van 18 september 2000 tussen de vertegenwoordigers van de regeringen van de lidstaten, in het kader van de Raad bijeen, betreffende de financiering en het beheer van de steun van de Gemeenschap in het kader van het financieel protocol bij de partnerschapsovereenkomst tussen de staten in Afrika, het Caribische gebied en de Stille Oceaan en de Europese Gemeenschap en haar lidstaten, ondertekend te Cotonou (Benin) op 23 juni 2000, en de toewijzing van financiële bijstand ten behoeve van de landen en gebieden overzee waarop de bepalingen van het vierde deel van het EG-Verdrag van toepassing zijn[20],

 gezien artikel 11 van het intern akkoord van 17 juli 2006 tussen de vertegenwoordigers van de regeringen van de lidstaten, in het kader van de Raad bijeen, betreffende de financiering van de steun van de Gemeenschap binnen het meerjarig financieel kader voor 2008-2013 voor de ACS-EG-partnerschapsovereenkomst en de toewijzing van financiële bijstand ten behoeve van de landen en gebieden overzee waarop de bepalingen van deel vier van het EG-Verdrag van toepassing zijn[21],

 gezien artikel 11 van het intern akkoord van 24 juni 2013 en 26 juni 2013 tussen de vertegenwoordigers van de regeringen van de lidstaten van de Europese Unie, in het kader van de Raad bijeen, betreffende de financiering van de steun van de Europese Unie binnen het meerjarig financieel kader voor 2014-2020 voor de ACS-EG-partnerschapsovereenkomst en de toewijzing van financiële bijstand ten behoeve van de landen en gebieden overzee waarop de bepalingen van deel vier van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie van toepassing zijn[22],

 gezien artikel 319 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

 gezien artikel 74 van het Financieel Reglement van 16 juni 1998 van toepassing op de samenwerking inzake ontwikkelingsfinanciering in het kader van de vierde ACS-EG-overeenkomst[23],

 gezien artikel 119 van het Financieel Reglement van 27 maart 2003 van toepassing op het negende Europees Ontwikkelingsfonds[24],

 gezien artikel 50 van Verordening (EG) nr. 215/2008 van de Raad van 18 februari 2008 inzake het Financieel Reglement van toepassing op het tiende Europees Ontwikkelingsfonds[25],

 gezien artikel 48 van Verordening (EU) 2015/323 van de Raad van 2 maart 2015 inzake het Financieel Reglement van toepassing op het elfde Europees Ontwikkelingsfonds[26],

 gezien artikel 99, artikel 100, derde streepje, en bijlage V van zijn Reglement,

 gezien het advies van de Commissie ontwikkelingssamenwerking,

 gezien het verslag van de Commissie begrotingscontrole (A9-0057/2020),

1. hecht zijn goedkeuring aan de afsluiting van de rekeningen van het achtste, negende, tiende en elfde Europees Ontwikkelingsfonds voor het begrotingsjaar 2018;

2. verzoekt zijn Voorzitter dit besluit te doen toekomen aan de Raad, de Commissie, de Rekenkamer en de Europese Investeringsbank, en te zorgen voor publicatie ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie (L-serie).

 


 

3. ONTWERPRESOLUTIE VAN HET EUROPEES PARLEMENT

met de opmerkingen die een integrerend deel uitmaken van het besluit over het verlenen van kwijting voor de uitvoering van de begroting van het achtste, negende, tiende en elfde Europees Ontwikkelingsfonds voor het begrotingsjaar 2018

(2019/2065(DEC))

Het Europees Parlement,

 gezien zijn besluit over het verlenen van kwijting voor de uitvoering van de begroting van het achtste, negende, tiende en elfde Europees Ontwikkelingsfonds voor het begrotingsjaar 2018,

 gezien de door de Commissie verstrekte antwoorden op de schriftelijke vragen aan commissaris Mimica voor de hoorzitting van de Commissie begrotingscontrole op 28 november 2019;

 gezien artikel 99, artikel 100, derde streepje, en bijlage V van zijn Reglement,

 gezien het advies van de Commissie ontwikkelingssamenwerking,

 gezien het verslag van de Commissie begrotingscontrole (A9-0057/2020),

A. overwegende dat ontwikkelingssamenwerking als hoofddoel heeft de armoede terug te dringen en uiteindelijk uit te bannen, zoals omschreven in artikel 208 t/m 210 VWEU;

B. overwegende dat de Unie zich, met name bij investeringen in landen met niet-democratische regimes, tot het uiterste moet inspannen om ervoor te zorgen dat haar middelen en acties altijd ten goede komen aan de mensen in nood, en niet aan de regeringsstructuren;

C. overwegende dat het algemene doel blijft om 0,7 % van het bni te bestemmen voor officiële ontwikkelingshulp (ODA) en om particuliere investeringen te stimuleren;

D. overwegende dat de integratie van de doelstellingen voor duurzame ontwikkeling en de uitvoering van de Klimaatovereenkomst van Parijs hoofddoelen zijn die met samenwerkingsinstrumenten moeten worden nagestreefd;

E. overwegende dat duurzaamheid van essentieel belang is voor de verwezenlijking van de gestelde doelen en resultaten, en met name de langetermijneffecten van ontwikkelingshulp;

F. overwegende dat het beginsel dat niemand aan zijn lot mag worden overgelaten centraal staat in de Agenda 2030 voor duurzame ontwikkeling;

G. overwegende dat de in 2017 aangenomen Europese consensus inzake ontwikkeling een gemeenschappelijk kader voor ontwikkelingssamenwerking biedt voor de EU‑instellingen en de lidstaten;

H. overwegende dat de afstemming van de ontwikkelingssamenwerking van de EU op de eigen ontwikkelingsprioriteiten van de partnerlanden een kernonderdeel is van de agenda 2030 voor duurzame ontwikkeling;

I. overwegende dat voortdurend moet worden gekeken naar beleidscoherentie en de complementariteit van diverse externe beleidsmaatregelen, met name wanneer er meerdere worden uitgevoerd in een enkel partnerland, om synergieën te bevorderen, compromissen tot een minimum te beperken en onnodige administratieve lasten zoveel mogelijk te vermijden;

J. overwegende dat goede samenwerking en coördinatie met andere donoren en internationale financiële instellingen van essentieel belang zijn om dubbele subsidiëring te voorkomen, efficiënte controles, risicodeling, verantwoordelijkheid voor de resultaten met een weerspiegeling van de daadwerkelijke inbreng en doeltreffendheid van de steun te garanderen, en de capaciteitsopbouw op het vlak van ontwikkelingshulp in de begunstigde landen te bevorderen;

K. overwegende dat de Commissie de eindverantwoordelijkheid draagt voor de wettigheid en regelmatigheid van de verrichtingen die ten grondslag liggen aan de rekeningen van de EOF’s en voor het toezicht op de financiële monitorings- en verslagleggingsprocedure van de EOF’s;

L. overwegende dat transparantie, verantwoordingsplicht en zorgvuldigheid op het vlak van de mensenrechten vereisten zijn voor de democratische controle en voor doeltreffende ontwikkelingshulp;

M. overwegende dat het externe optreden van de Unie verloopt via internationale organisaties die ofwel uitvoering geven aan fondsen van de Unie, ofwel samen met de Unie projecten cofinancieren, wat soms uitdagingen met zich mee kan brengen op het gebied van overzicht en beheer;

N. overwegende dat een breed scala aan uitvoeringsmethoden, die een weerspiegeling vormen van de intergouvernementele aard van de EOF’s, wordt gebruikt in 79 landen met complexe regels en procedures voor aanbestedingen en de gunning van contracten;

O. overwegende dat begrotingssteun een belangrijke rol speelt in het stimuleren van verandering en het aanpakken van de belangrijkste uitdagingen op ontwikkelingsgebied, maar een aanzienlijk fiduciair risico met zich meebrengt en slechts mag worden verleend als de begunstigde staat voordat de begrotingssteun wordt toegewezen een toereikend niveau van transparantie, traceerbaarheid, verantwoording, eerbiediging van de rechtsstaat en de mensenrechten en doeltreffendheid kan aantonen;

P. overwegende dat de bevordering van transparantie en de bestrijding van corruptie en fraude cruciaal zijn voor het welslagen van de begrotingssteunactiviteiten van de Unie;

Q. overwegende dat de activiteiten van de EOF’s worden uitgevoerd in complexe omstandigheden met veelvuldige blootstellingen aan hoge geopolitieke of institutionele risico’s;

R. overwegende dat externe factoren die van invloed zijn op de uitvoering van de EOF’s de verrichte ontwikkelingsinspanningen kunnen aantasten of tenietdoen;

S. overwegende dat ondersteuning op bestuurlijk gebied door de Unie een belangrijk bestanddeel van ontwikkelingshulp is met het oog op het verwezenlijken van doeltreffende bestuurlijke hervormingen;

T. overwegende dat de huidige migratiecrisis de migratiegolven als gevolg van grote demografische veranderingen, die verschillende oplossingen op lange termijn vereisen, niet in de schaduw mag stellen;

U. overwegende dat vereenvoudiging van uitvoeringsprocessen een belangrijke factor is voor het verbeteren van de doeltreffendheid van hulp;

V. overwegende dat het van fundamenteel belang is de zichtbaarheid van de Unie te vergroten, toe te zien op een strategisch gebruik van de EU-instrumenten voor externe financiële steun, verslag uit te brengen over financiering door de Unie en de waarden van de Unie te verankeren in alle vormen van ontwikkelingshulp;

Betrouwbaarheidsverklaring

Financiële en projectuitvoering van de EOF’s (achtste t/m elfde EOF) in 2018

1. merkt op dat de EOF’s vrijwel volledig beheerd worden door het directoraat-generaal Internationale Samenwerking en Ontwikkeling van de Commissie (DG DEVCO); stelt vast dat de EOF-vastleggingen in 2018 4 959 miljoen EUR bedroegen en het jaarlijkse streefcijfer van 4 537 miljoen EUR dus overschreden (oftewel 109,3 % van het oorspronkelijke streefcijfer tegenover 95 % in 2017), terwijl de EOF-betalingen 4 124 EUR beliepen (wat overeenkomt met een uitvoeringspercentage van 98,2 % van het jaarlijkse streefcijfer van 4 200 miljoen EUR, tegenover 98,89 % in 2017); stelt voorts vast dat de vastleggingen van de Europese Investeringsbank (EIB) 880 miljoen EUR bedroegen (waarvan 800 miljoen EUR voor de Investeringsfaciliteit), terwijl de EIB-betalingen in 2018 neerkwamen op 555 miljoen EUR (waarvan 525 miljoen EUR via de Investeringsfaciliteit);

2. is ingenomen met de geregelde inspanningen van het directoraat-generaal Internationale Samenwerking en Ontwikkeling (DG DEVCO) van de Commissie om ernaar te streven de oude voorfinancieringen en oude niet-afgewikkelde vastleggingen met 25 % te verminderen; merkt op dat DG DEVCO zijn streefcijfer van 25 % heeft overschreden door oude voorfinanciering voor de EOF’s te verminderen met 40,33 % (43,79 % voor andere steungebieden) en oude niet-afgewikkelde vastleggingen voor de EOF’s met 37,10 % (39,71 % voor andere steungebieden);

3. spoort DG DEVCO ertoe aan zich te blijven inspannen met betrekking tot oude verlopen EOF-contracten aangezien het streefcijfer van minder dan 15 % net als in 2017 niet is behaald, ondanks de nieuwe procedure die DG DEVCO heeft ingevoerd (met 17,27 % is er sprake van een lichte maar nog onbevredigende verbetering ten opzichte van 18,75 % in 2017); stelt vast dat met 13,88 % dit KPI-streefcijfer van minder dan 15 % behaald is voor de overige acties van DG DEVCO;

4. betreurt in het algemeen dat de verlagingsinspanningen minder resultaat opleveren, en dat de verlagingsniveaus lager liggen voor de oude voorfinanciering en niet-afgewikkelde vastleggingen voor de EOF’s of niet zijn behaald voor de oude verlopen contracten in vergelijking met andere DEVCO-actieterreinen en-bevoegdheden; erkent echter dat de complexe werking van de EOF’s het behalen van de KPI-streefcijfers in de weg kan staan, met name voor afsluitingsprocedures, waardoor het afgeven van invorderingsopdrachten eveneens wordt bemoeilijkt;

5. verzoekt DG DEVCO de resterende verrichtingen van het achtste en negende EOF bij wijze van prioriteit op korte termijn af te sluiten;

Betrouwbaarheid van de rekeningen

6. is ingenomen met het oordeel van de Europese Rekenkamer (de “Rekenkamer”) in haar jaarverslag over de door het achtste, negende, tiende en elfde EOF gefinancierde activiteiten voor het boekjaar 2018 dat de definitieve jaarrekening in elk materieel opzicht een getrouw beeld van de financiële situatie van de EOF’s per 31 december 2018 geeft en dat de resultaten van hun verrichtingen, van hun kasstromen en van de veranderingen in de nettoactiva over het op die datum afgesloten jaar in overeenstemming zijn met de bepalingen van het financieel reglement van het EOF en de boekhoudregels op basis van internationaal aanvaarde boekhoudnormen voor de publieke sector;

Wettigheid en regelmatigheid van de onderliggende verrichtingen bij de rekeningen

7. is verheugd over het oordeel van de Rekenkamer dat de onderliggende ontvangsten bij de rekeningen voor het begrotingsjaar 2018 op alle materiële punten wettig en regelmatig zijn;

8. geeft uiting aan zijn groeiende bezorgdheid over het afkeurend oordeel van de Rekenkamer over de wettigheid en regelmatigheid van de uitgaven aangezien de onderliggende uitgaven bij de rekeningen steeds meer materiële fouten vertonen;

9. maakt zich grote zorgen over het feit dat het geschatte foutenpercentage voor het tweede jaar op rij is toegenomen, tot 5,2 % voor de aanvaarde uitgaven in de rekeningen voor het achtste, negende, tiende en elfde EOF (tegenover 4,5 % in 2017, 3,3 % in 2016, 3,8 % in 2014 en 2015, 3,4 % in 2013 en 3 % in 2012); verwacht van de Commissie dat zij zich zal buigen over de oorzaken en de nodige stappen zal nemen om de tendens van het stijgende foutenpercentage te keren;

10. merkt op dat een deel van de door de Rekenkamer geschatte foutenpercentages te wijten zou kunnen zijn aan de combinatie van een zeer hoge werkdruk en een ontoereikend aantal personeelsleden, met name in delegaties die in moeilijke omstandigheden verkeren;

11. acht het van cruciaal belang, wanneer het geschatte foutenpercentage een dergelijk niveau bereikt, verder te investeren in de bewustmaking en opleiding van het personeel; verzoekt de Commissie oplossingen te vinden voor het probleem van onderbezetting, met name in delegaties die in moeilijke omstandigheden verkeren;

12. stelt vast dat het vertrek van het Verenigd Koninkrijk uit de Unie geen effect heeft op het financieel beheer van de EOF’s voor 2018 en dat de EOF-rekeningen voor 2018 de staat van het terugtrekkingsproces juist weergeven;

13. stelt met grote bezorgdheid vast dat van de 125 door de Rekenkamer gecontroleerde betalingsverrichtingen er 51 (oftewel 41 %) fouten vertoonden, en in het bijzonder dat het bij 9 van de 39 betalingen met kwantificeerbare fouten (23 %) om definitieve verrichtingen ging die waren goedgekeurd nadat alle controles vooraf waren verricht; verzoekt de Commissie de wettigheid en regelmatigheid van de verrichtingen aanzienlijk te verbeteren en erop toe te zien dat de controles vooraf naar behoren worden opgevolgd;

14. constateert dat de geannuleerde middelen van projecten in het kader van het tiende EOF die worden overgedragen naar de prestatiereserve van het elfde EOF niet zullen leiden tot financiële problemen met het oog op de terugtrekking van het Verenigd Koninkrijk uit de Unie, en dat de impact van de bijdrage van alle lidstaten afzonderlijk zal worden berekend aan de hand van hun aanvankelijke bijdrage aan het EOF;

15. maakt zich ernstige zorgen over het feit dat de vastgestelde fouten, ondanks de door DG DEVCO uitgevoerde corrigerende actieplannen, grotendeels van dezelfde aard zijn als de voorgaande jaren, namelijk het ontbreken van essentiële bewijsstukken (36,6 %), ernstige inbreuk op de regels inzake overheidsopdrachten (27,1 %), niet-gedane uitgaven (22,7 %), aangepast restfoutenpercentage (RFP) uit studie van DG DEVCO (5,4 %), niet-subsidiabele uitgaven (4,3 %) en overige soorten fouten (3,9 %), niet-naleving door de begunstigden van de aanbestedingsvoorschriften en niet-subsidiabele uitgaven;

16. stelt vast dat de fouten meer betrekking hadden op verrichtingen in het kader van programmaramingen, subsidies, met internationale organisaties gesloten bijdrageovereenkomsten en met samenwerkingsagentschappen van EU-lidstaten gesloten delegatieovereenkomsten dan op andere steuninstrumenten;

17. maakt zich ernstig zorgen over deze terugkerende situatie, ondanks de door DG DEVCO uitgevoerde corrigerende maatregelen, met name wanneer kwantificeerbare fouten wijzen op tekortkomingen in de controles door internationale organisaties; verzoekt de Commissie met klem de ernst van dergelijke fouten niet te onderschatten aangezien zij kunnen wijzen op onregelmatigheden zoals fraude, de bovengenoemde terugkerende tekortkomingen met spoed aan te pakken, duidelijk verslag uit te brengen over de specifieke moeilijkheden waar men tegenaan loopt bij de uitvoering van het actieplan en wanneer nodig naar behoren samen te werken met zowel de Rekenkamer als het Europees Bureau voor fraudebestrijding (OLAF);

Doeltreffendheid van de monitoring- en borgingssystemen

18. is uitermate bezorgd over het feit dat de Commissie weliswaar over voldoende informatie beschikte om de kwantificeerbare fouten te voorkomen, te constateren en te corrigeren alvorens de uitgaven te valideren en te aanvaarden, en dat het geschatte foutenpercentage 1,3 procentpunt lager had gelegen als zij gebruik had gemaakt van de beschikbare informatie ; benadrukt eveneens dat bepaalde verrichtingen met fouten die goed zijn voor 1,1 procentpunt niet werden ontdekt door externe controleurs;

19. verwacht dat DG DEVCO beter gebruik maakt van de beschikbare beheersinformatie en zijn hele controlesysteem (controles vooraf en externe audit of uitgavenverificatie) beter toepast; onderstreept het belang van de aanhoudende inspanningen van DG DEVCO om de tenuitvoerlegging van zijn preventieve controles te verbeteren, en in het bijzonder de gerichte aanpak voor hoogrisicogebieden met betrekking tot middelen onder indirect beheer van internationale organisaties en ontwikkelingsorganisaties en subsidies onder direct beheer;

20. neemt kennis van DG DEVCO’s zevende studie van het RER, waaruit bleek dat het RFP 0,85 % bedroeg, lager dan de door de Commissie vastgestelde materialiteitsdrempel van 2 %; merkt echter op dat de gebruikte methodologie sinds enkele jaren gebaseerd is op een zeer klein aantal steekproefsgewijze controles van verrichtingen en op onvolledige controles van aanbestedingsprocedures en verzoekt DG DEVCO nauw samen te werken met de Rekenkamer om de betrouwbaarheid van de controles van de foutenpercentages te verbeteren;

21. stelt vast dat bij externe controles van uitgevoerde acties op de gebieden “subsidies onder direct beheer” en “indirect beheer met begunstigde landen” respectievelijk 4,64 % en 3,77 % van het totale gecontroleerde bedrag werd aangemerkt als niet-subsidiabel, maar dat desondanks geen gedifferentieerde punten van voorbehoud zijn gemaakt; verzoekt DG DEVCO om aanvullende gedetailleerde uitleg van de in deze twee zaken gevolgde uitgangspunten;

22. brengt in herinnering dat punten van voorbehoud een preventief instrument ter bevordering van de transparantie vormen binnen de DEVCO-verantwoordingsketen, waarmee bestaande uitdagingen of zwakke plekken binnen centrale diensten of delegaties van de Unie kunnen worden uitgelicht;

23. verzoekt DG DEVCO zijn verantwoordingsketen geleidelijk te versterken, in overeenstemming met de nieuwe reeks interne controlenormen, en meer nadruk te leggen op de vaardigheden van personen en hun verantwoordelijkheid bij het uitvoeren van controles, alsook op het risico van fraude;

24. merkt op dat de RFP-studie een hoeksteen is geworden van de risicobeoordeling en controlestrategie (en verantwoordingsketen) van DG DEVCO, maar verzoekt DG DEVCO te zorgen voor meer consistentie in de methodologische normen die van toepassing zijn in haar RFP-beoordeling en, waar nodig, de Rekenkamer te raadplegen over dergelijke kwesties; 

25. stelt vast dat de Rekenkamer en DG DEVCO verschillende benaderingen toepassen, respectievelijk gericht op lopende verrichtingen (of voorlopige foutenpercentages op betalingsniveau) en op afgesloten verrichtingen; meent en beklemtoont dat deze twee verschillende ramingsmethodologieën niet mogen leiden tot een verstoord beeld van de regelmatigheid en wettigheid van de verrichtingen, wat eveneens de vergelijking van resultaten van verschillende jaren in de weg zou staan;

26. verwacht van alle belanghebbenden dat zij tegenstrijdige rechtvaardigingen voor de gebruikte methodologieën bij de evaluatie van geschatte foutenpercentages vermijden, om een betrouwbaar en waarheidsgetrouwer beeld van de situatie te geven en het vertrouwen en de billijkheid bij de verrichte controles en de algehele controlesystemen te vergroten; onderstreept eveneens dat het concept van geschatte risicobedragen bij afsluiting dat wordt toegepast in verschillende soorten verslagen, zoals het jaarlijks activiteitenverslag van DG DEVCO of het jaarlijks beheers- en prestatieverslag van de Commissie, grondig in heroverweging moet worden genomen;

27. verzoekt DG DEVCO inspanningen te blijven leveren om zijn controlekader en KPI’s efficiënter toe te passen, met name KPI 21 voor onverschuldigde betalingen die werden voorkomen door controles vooraf en KPI 25 voor niet-subsidiabele bedragen die bij externe controles werden vastgesteld; merkt op dat invorderingsopdrachten zijn afgegeven voor een bedrag van 18,22 miljoen EUR in verband met de terugbetaling van onverschuldigde betalingen;

28. meent dat de gerichte aanpak voor hoogrisicogebieden met betrekking tot middelen onder indirect beheer van internationale organisaties en ontwikkelingsorganisaties en subsidies onder direct beheer essentieel is, en dat het risiconiveau voor deze twee actiegebieden moet worden verhoogd;

29. neemt kennis van het feit dat in 2018 twee punten van voorbehoud zijn afgegeven, waaronder de verlenging van het oorspronkelijk in 2015 afgegeven voorbehoud over de Afrikaanse Vredesfaciliteit (AV), omdat er nog altijd sprake is van zwakke plekken in het beheer en de AV de wettigheid en regelmatigheid van de EOF-uitgaven niet doeltreffend genoeg beschermt;

30. stelt vast dat in 2018 19 fraudeonderzoeken liepen;

Samenwerking met internationale organisaties, EU-ontwikkelingsorganisaties en niet-gouvernementele organisaties

31. stelt vast dat de EOF-betalingen voor projecten die zijn uitgevoerd in indirect beheer met internationale organisaties en ontwikkelingsorganisaties in 2018 respectievelijk 1 074 miljoen EUR en 201 miljoen EUR bedroegen (waarvan 347 miljoen EUR is gekanaliseerd via de Verenigde Naties); wijst erop dat 2,6 miljard EUR afkomstig was van de algemene begroting;

32. stelt met bezorgdheid vast dat wat acties met internationale organisaties betreft, 33 van de 61 gecontroleerde verrichtingen (oftewel 54 %) kwantificeerbare fouten bevatte, wat goed is voor 62,5 % van het geschatte foutenpercentage voor 2018;

33. stelt met grote bezorgdheid vast dat internationale organisaties de bewijsstukken opnieuw niet op tijd hebben ingediend, waardoor de Commissie en de Rekenkamer geen grondige controles kunnen uitvoeren; verzoekt de Commissie in dit verband grotere inspanningen te leveren om de betrokken internationale organisaties ertoe aan te zetten tijdig informatie te verstrekken, zodat de Rekenkamer volledige en nauwkeurige gegevens kan presenteren; constateert met bezorgdheid dat een groot aantal EOF-overeenkomsten geconcentreerd is bij een zeer beperkt aantal nationale ontwikkelingsorganisaties, met het dienovereenkomstige risico van renationalisering van het ontwikkelingsbeleid van de Unie, hetgeen haaks staat op het belang van een grotere integratie van het externe beleid van de Unie;

34.  constateert met bezorgdheid dat een groot aantal EOF-overeenkomsten geconcentreerd is bij een zeer beperkt aantal nationale ontwikkelingsorganisaties, met het dienovereenkomstige risico van renationalisering van het ontwikkelingsbeleid van de EU, hetgeen haaks staat op het belang van een grotere integratie van het externe beleid van de EU;

35. verzoekt de Commissie de controle op aanbestedings- en gunningsprocedures zo spoedig mogelijk te versterken en te consolideren om het risico te vermijden dat een beperkt aantal publieke en semi-particuliere organisaties een aanzienlijk aandeel van de in ontwikkelingslanden uitgevoerde EOF-projecten in beslag neemt en steeds meer invloed krijgt op het ontwikkelingssamenwerkings- en nabuurschapsbeleid van de EU, wat de beleidsonafhankelijkheid van de EU op het spel zou kunnen zetten;  verzoekt de Commissie ook haar samenwerking met andere publieke en particuliere entiteiten, zoals ngo’s die actief zijn op het gebied van ontwikkeling, te versterken en te verbreden; 

36. beveelt de Commissie aan meer aandacht te besteden aan de bevordering van de samenwerking tussen het EOF en internationale organisaties, EU-ontwikkelingsorganisaties en ngo’s; geeft uiting aan zijn zorgen over het gebrek aan zichtbaarheid van de EOF-werkzaamheden onder het publiek;

37. brengt in herinnering dat entiteiten waaraan de uitvoering van middelen van de Unie wordt toevertrouwd als algemene regel de beginselen van goed financieel beheer en transparantie moeten eerbiedigen; benadrukt dat iedere entiteit die middelen van de Unie ontvangt, ten volle moet meewerken aan de bescherming van de financiële belangen van de Unie en, als voorwaarde voor het ontvangen van deze middelen, de nodige rechten en toegang moet verlenen aan de bevoegde ordonnateur, de Rekenkamer en OLAF;

38. verzoekt de Commissie:

(i) bovengenoemde plichten van een entiteit die middelen van de Unie uitvoert, evenals de verplichting om de Rekenkamer en OLAF alle voor afsluiting van de controle benodigde documenten te verstrekken, strikt te handhaven en te doen gelden in bijdrage- en kaderovereenkomsten;

(ii) regelmatig aandacht te besteden aan de pijlerbeoordelingsvereisten en -verslagen van de internationale organisaties en ngo’s die onvoldoende medewerking verlenen om de geschiktheid van hun verantwoordingsinstrumenten opnieuw te bezien; een herbeoordeling uit te voeren van gerelateerde bepalingen of mandaten wanneer de pijlerbeoordelingsmethodologie wordt herzien om de bepalingen van het financieel reglement in acht te nemen; dringt indien nodig aan op een aanpassing van de bestaande delegatieovereenkomsten met deze internationale entiteiten;

(iii) stelt vast dat er nog steeds behoefte is aan een meer systematische aanpak van de communicatie over de door de Unie gesubsidieerde activiteiten om de zichtbaarheid van de Unie te vergroten en de transparantie, verantwoordingsplicht en zorgvuldigheid op het vlak van de mensenrechten in de financieringsketen te versterken; verzoekt de Commissie in de kaderovereenkomsten op te nemen dat de leidende organisatie verplicht is toe te zien op de zichtbaarheid van de Unie in multidonorprojecten; verzoekt de Commissie jaren na de voltooiing van de gecofinancierde projecten steekproefsgewijze controles ter plaatse uit te voeren om na te gaan of de EOF-acties blijvend effect hebben en om de nodige stappen te nemen om het langetermijneffect van zijn verrichtingen te waarborgen;

Begrotingssteun van de Unie

39. merkt op dat de EOF-bijdrage aan begrotingssteunactiviteiten in 2018 neerkwam op 881,9 miljoen EUR, waarvan 858,6 miljoen EUR nieuwe vastleggingen betrof (met een geografische dekking van 56 partnerlanden die goed waren voor 96 begrotingssteuncontracten); stelt vast dat voor landen en gebieden overzee (LGO) 92,9 miljoen EUR is uitgekeerd via EOF’s voor 14 landen die goed waren voor 18 begrotingssteunovereenkomsten;

40. stelt met voldoening vast dat Afrika bezuiden de Sahara met een aandeel van 41 % de grootste begunstigde is van begrotingssteun en dat de contracten in dit verband betrekking hadden op de weerbaarheid van de samenleving en bouwcontracten; merkt eveneens op dat het aandeel van lage-inkomenslanden is gestegen tot 38 %, tegenover 31 % in 2015, en dat lagermiddeninkomenslanden met 47 % van de totale lopende vastleggingen de grootste begunstigde zijn van begrotingssteun;

41. brengt in herinnering dat begrotingssteun een investering is in het openbaar beleid en de publieke systemen van de partnerlanden van de EU, met de uitvoering van hervormingen en bijdrage aan de verwezenlijking van de doelstellingen voor duurzame ontwikkeling als kernbeginselen; merkt op dat de begrotingssteun van de Unie geleid moet worden door de internationaal overeengekomen Busan-beginselen inzake de doeltreffendheid van ontwikkelingshulp, zoals de eigen inbreng van partnerlanden, focus op resultaten, inclusiviteit en verantwoordingsplicht;

42. stelt vast dat betalingen in de staten in Afrika, het Caribische gebied en het gebied van de Stille Oceaan (ACS-landen) en de LGO voornamelijk in vaste tranches worden uitgekeerd; is echter van oordeel dat variabele tranches een groter hefboomeffect zouden kunnen hebben met het oog op de verdieping van de politieke en de beleidsdialoog met partnerlanden over de belangrijkste uit te voeren hervormingen; vindt dat de uitbetalingsmodaliteiten via vaste en variabele tranches gebaseerd moeten zijn op resultaten en op voldoende kwalitatieve gegevens om de geboekte vorderingen te beoordelen; ziet de uitbetalingsprestatiecriteria als een kernfactor voor het beheer van begrotingssteunactiviteiten;

43. roept op tot nauwlettend toezicht en een diepgaande beleidsdialoog met partnerlanden over doelstellingen en vorderingen in de richting van overeengekomen resultaten en prestatie-indicatoren; herinnert de Commissie er opnieuw aan dat zij de verwachte ontwikkelingseffecten beter moet definiëren en meten en met name moet zorgen voor een verbetering van het toezicht op het gedrag van de ontvangende landen op het gebied van corruptie, de eerbiediging van de mensenrechten, de rechtsstaat en de democratie; blijft zich grote zorgen maken over de manier waarop begrotingssteun van de Unie wordt benut in begunstigde landen waar geen of slechts in beperkte mate of in het geheel geen sprake is van democratische controle;

44. stelt vast dat de risicoperceptie op het vlak van begrotingssteun in 2018 over het geheel licht is afgenomen; benadrukt echter dat de risico’s met betrekking tot corruptie, de overheidsfinanciën en ontwikkeling de belangrijkste blijven, terwijl het macro-economisch risico een stijgende tendens vertoont;

45. is voorstander van de nadruk op geboekte vorderingen op het gebied van het beheer van overheidsfinanciën, begrotingstransparantie, organen voor democratische controle en toezicht, en macrovoorwaarden in partnerlanden om de capaciteitsontwikkeling te optimaliseren; verzoekt de Commissie de doorgevoerde hervormingen en bereikte resultaten systematisch te volgen, en aan te tonen dat de begrotingssteun van de Unie doeltreffend heeft bijgedragen tot de eigen ontwikkelingsagenda van de begunstigde landen en de democratische eigen verantwoordelijkheid heeft versterkt;

46. wijst erop dat passende monitoringinstrumenten moeten worden versterkt om te beoordelen op welke wijze begrotingssteun heeft bijgedragen tot de verbetering van de mobilisering van binnenlandse inkomsten en daarmee verband houdende hervormingen; merkt met voldoening op dat de mobilisering van binnenlandse inkomsten in 2018 goed was voor 19 % van de waarde van variabele tranches (tegenover 3 % in 2014); spoort DG DEVCO ertoe aan in zijn begrotingssteunverslagen geregeld informatie te blijven verstrekken over het gebruik van overeenkomsten voor begrotingssteun ten behoeve van de mobilisering van binnenlandse inkomsten;

47. verzoekt DG DEVCO echter de risico’s met betrekking tot belastingontwijking door ondernemingen, belastingontduiking en illegale geldstromen die met name ontwikkelingslanden treffen in zijn beleidsdialoog nauwkeurig te beoordelen; spoort DG DEVCO ertoe aan het begrotingseffect te evalueren en bij te dragen aan de definitie van gerichte investeringsdoelstellingen;

Risico’s en uitdagingen met betrekking tot de uitvoering van EOF-steun

48. is uitermate verontrust over het risico dat het EOF gebruikt wordt voor het dienen van belangen die het verwijderen van zijn primaire doelstelling van armoedebestrijding en die onverenigbaar zijn met de kernwaarden van het EOF, waardoor de reeds geboekte resultaten op het spel kunnen komen te staan; neemt met bezorgdheid kennis van het gevaar van bestemmingsverandering en verzoekt de Commissie dit in ogenschouw te nemen bij het opzetten van projecten en programma’s, in overeenstemming met het beginsel van beleidscoherentie voor ontwikkeling; verzoekt de Commissie toekomstige steunprogramma’s te selecteren aan de hand van de kernwaarden van het EOF en te overwegen subsidies voor programma’s die van deze kernwaarden afwijken, in te trekken;

49. onderstreept dat de EOF’s hun toepassingsgebied niet mogen overschrijden, en dat nieuwe verbanden om op nieuwe uitdagingen in te spelen niet ten koste mogen gaan van de verwezenlijking van andere ontwikkelingsdoelen;

50. verzoekt de Commissie meer aandacht te schenken aan het verbeteren en onderhouden van goedwerkende steunprogramma’s; verzoekt de Commissie te zorgen voor meer media-aandacht voor en een betere zichtbaarheid van optimale werkmethoden en succesverhalen;

51. wijst op de ernstige risico’s voor duurzaamheid, transparantie en een goede coördinatie, die de Commissie het hoofd wil bieden via haar financiering van ontwikkelingshulp, met het oog op de aanzienlijke toename van opkomende donoren en nieuwe spelers, zoals Rusland en China in Afrika; verzoekt de Commissie te werken aan een betere afstemming van internationale samenwerking op de eigen ontwikkelingsprioriteiten van de partnerlanden;

52. ziet het verband tussen de migratiekwestie en ontwikkelingshulp, naast het verband dat bestaat tussen ontwikkeling enerzijds en veiligheid en humanitaire acties anderzijds, als een van de belangrijkste correlaties die beheerd moeten worden; erkent echter dat vredesopbouw en het aanpakken van de diepere oorzaken van migratie fundamentele aspecten van duurzame ontwikkeling zijn;

53. herinnert eraan dat de doeltreffendheid van hulp, de eigen verantwoordelijkheid van het partnerland voor de ontwikkelingsresultaten en het gebruik van de bestuurskaders van de partnerlanden richtsnoeren zijn waarvan de toepassing op regelmatige basis moet worden verfijnd; benadrukt eveneens dat behoorlijk bestuur, de rechtsstaat en de eerbiediging van de mensenrechten onontkoombare voorwaarden zijn voor de doeltreffendheid van hulp; verzoekt de Commissie de rechtsstaat en de eerbiediging van de mensenrechten tot absolute voorwaarden te maken voor de goedkeuring van financiële steun;

54. onderstreept dat duurzaamheid een cruciaal element is voor het vergroten van de algehele doeltreffendheid van ontwikkelingshulp door het gestaag volgen van de effecten via alle steunverleningsmodaliteiten; herinnert eraan dat in de Agenda 2030 en de doelstellingen voor duurzame ontwikkeling veel nadruk wordt gelegd op gegevens en indicatoren, uitgaande van het feit dat nauwlettend toezicht essentieel is voor een doeltreffende en operationele strategie;

55. verzoekt de Commissie opnieuw in het volgende jaarlijkse activiteitenverslag een gestructureerde evaluatie van de effecten van de EOF-activiteiten op te nemen, waarbij met name het accent wordt gelegd op de mensenrechten;

56. verzoekt de Commissie volgens een landenspecifieke aanpak een evaluatie uit te voeren van langlopende door het EOF gefinancierde projecten, om aan te tonen wat de daadwerkelijke effecten zijn van decennia van investeringen van de EU ter plaatse en hoe deze doeltreffend hebben bijgedragen tot de economische, sociale en duurzame ontwikkeling van de begunstigde landen; verzoekt de Commissie voorts zich te buigen over de resultaten van de evaluatie en verdere financiering van ondoeltreffende projecten te beperken en/of te beëindigen;

57. is van oordeel dat een grotere nadruk op lokale kleine en middelgrote ondernemingen, de particuliere sector en maatschappelijke organisaties centraal moet staan bij de samenwerking in het beheer van de projectportefeuille van de EU-delegaties; benadrukt dat, gezien het tekort aan financiering dat moet worden overbrugd om de ambitieuze doelstellingen voor duurzame ontwikkeling te behalen, de strategische dialoog met de particuliere sector en maatschappelijke organisaties een cruciale rol moet spelen voor de ontwikkeling van lokale economieën;

58. beschouwt financiële inclusie en microfinanciering als essentiële factoren van economische en sociale vooruitgang, aangezien het effect hiervan op de lokale economische activiteit en werkgelegenheid is aangetoond; merkt met tevredenheid op dat het EOF financiële inclusie in Afrika via diverse instrumenten ondersteunt, waaronder het Garantiefonds van het Europees Fonds voor duurzame ontwikkeling (EFDO), de Nasira-risicodelingsfaciliteit, het Hurumafonds, Boost Africa en het African Guarantee Fund, die onder meer gericht zijn op de verstrekking van microkredieten aan benadeelde boeren in Afrika; raadt de Commissie en andere Europese instellingen af nieuwe financiële steuninstrumenten op te zetten, en spoort ze er eerder toe aan meer zichtbaarheid te geven aan de instrumenten voor financiële steun, zowel binnen hun activiteitengebied als binnen de Europese Unie;

59. neemt kennis van de controle van de dienst Interne Audit inzake de coördinatie tussen de Europese Commissie en de EDEO, en merkt met tevredenheid op dat werd geconcludeerd dat de coördinatieactiviteiten tussen de diensten van de Commissie (DG DEVCO, het directoraat-generaal Nabuurschapsbeleid en Uitbreidingsonderhandelingen (DG NEAR) en de Dienst Instrumenten buitenlands beleid) en de EDEO over het algemeen doeltreffend en efficiënt zijn; wijst echter met klem op de noodzaak om een niet-gefragmenteerd overzicht te hebben van de totale externe bijstand van de Unie aan een bepaald land en de noodzaak om samen met DG DEVCO en DG NEAR de risicobeoordeling en het risicobeheer te versterken om een gemeenschappelijk standpunt te ontwikkelen over onzekerheid en risicobeperkende strategieën;

Doeltreffendheid van het EU-trustfonds voor Afrika

60. merkt op dat de aan het EU-trustfonds (EUTF) toegekende middelen eind 2018 4,2 miljard EUR bedroegen, waarvan 3,7 miljard EUR afkomstig was uit de EOF’s en 489,5 miljoen EUR werd verstrekt door de lidstaten en andere donoren (Zwitserland en Noorwegen); stelt vast dat in 2018 187 projecten zijn uitgevoerd; merkt op dat het gezamenlijke initiatief van de EU en de IOM inzake de bescherming en re-integratie van migranten tegen eind 2018 is uitgebreid van 14 naar 26 Afrikaanse landen;

61. herinnert aan zijn vaste standpunt dat de Commissie ervoor moet zorgen dat ieder trustfonds dat als nieuw ontwikkelingsinstrument wordt opgericht, altijd in overeenstemming is met de algemene strategie en de doelstellingen van het ontwikkelingsbeleid van de Unie, namelijk de terugdringing en uitbanning van armoede, en er in het bijzonder op moet toezien dat de veiligheidsbelangen van de Europese landen de behoeften van de begunstigde bevolking niet overschaduwen; spoort de Commissie ertoe aan te overwegen financiële steun voor EUTF-projecten die van deze algemene lijn afwijken, te beperken;

62. benadrukt dat het EUTF ten doel heeft de diepere oorzaken van destabilisatie, gedwongen ontheemding en irreguliere migratie aan te pakken door de weerbaarheid, economische kansen, gelijke kansen, veiligheid van de bevolking en menselijke en maatschappelijke ontwikkeling te bevorderen; merkt op dat het concept en de kenmerken van de diepere oorzaken van irreguliere migratie veranderlijk zijn en grondig moeten worden herzien en geanalyseerd om de motivering en toegevoegde waarde van de projecten beter vorm te geven en om de behaalde resultaten beter te kunnen presenteren;

63. merkt op dat de Rekenkamer heeft geconcludeerd dat het EUTF voor Afrika een flexibel instrument is voor het bieden van bijstand op gebieden als voedsel, onderwijs, gezondheid, veiligheid en duurzame ontwikkeling, maar dat de opzet ervan, gezien de ongekende uitdagingen waarvoor het nu staat, gerichter had moeten zijn en dat de doelstellingen te ruim zijn om efficiënt maatregelen te sturen in de Afrikaanse regio’s en de effecten ervan te meten;

64. constateert met bezorgdheid dat er nauwelijks aandacht is besteed aan de talloze punten van zorg van de Rekenkamer[27] en de auteurs van de tussentijdse evaluatie van het elfde EOF met betrekking tot de uitvoering van het EUTF; herhaalt zijn zorgen aangaande:

-  het ontbreken van gedocumenteerde criteria voor de selectie van projectvoorstellen voor de onderdelen “Noord-Afrika” en “Hoorn van Afrika”,

-  het ontbreken van een specifiek kader voor risicobeheersing,

-  ernstige tekortkomingen in de meting van de prestaties van de EUTF-projecten; 

-  de doeltreffendheid en duurzaamheid van EUTF-projecten en het vermogen van de Unie om nauwlettend toe te zien op de uitvoering ervan;

- het gebrek aan een vruchtbare strategie voor de verbreiding van en media-aandacht voor optimale werkmethoden en succesvolle steunprogramma’s;

meent dat de toegevoegde waarde van het EUTF gezien dergelijke bevindingen zeer twijfelachtig is;

65. herinnert eraan dat het grootste deel van de financiering uit het EUTF afkomstig is uit het EOF, wat onvermijdelijk inhoudt dat ontwikkelingshulp niet wordt besteed aan de ontwikkelingsplannen van de partnerlanden van de Unie, maar aan de kortetermijndoelstellingen van het migratiebeleid van de Unie, hetgeen in strijd is met het Verdrag van Lissabon en de Verklaring van Parijs over de doeltreffendheid van ontwikkelingshulp; wijst erop dat het EUTF eerder gericht was op projecten die een snelle oplossing boden voor het indammen van gemengde migratiestromen, in plaats van op het aanpakken van de langetermijnimpulsen voor migratie in overeenstemming met de beginselen van ontwikkelingshulp;

66. wijst erop dat de bundeling van middelen van het EOF, de begroting van de Unie en andere donoren in trustfondsen niet tot gevolg mag hebben dat voor ontwikkelings- en samenwerkingsbeleid bestemde middelen hun eigenlijke begunstigden niet bereiken of voorbijgaan aan hun oorspronkelijke doelstellingen; betreurt in dit verband dat, hoewel de bijdrage van de Unie aan het EUTF voornamelijk uit middelen voor ODA bestaat, dit financieringsmechanisme niet uitsluitend gericht is op ontwikkelingsgerelateerde doelstellingen; geeft aan dat in 2018 het grootste aandeel van de EUTF-middelen is besteed aan het thematische onderdeel “migratiebeheer” (30,8 %, ten opzichte van 17,3 % in 2016);

67. constateert dat migratiebeheer niet alleen een steeds groter aandeel heeft gekregen in alle goedgekeurde EUTF-projecten, maar dat middelen ook steeds meer werden aangewend in Noord-Afrikaanse landen, van 23 % van de totale migratiebeheersmiddelen in 2016 tot 52 % in 2018; betreurt dat, hoewel de EU er met het EUTF voornamelijk naar streeft “kwetsbare en gemarginaliseerde bevolkingen” te ondersteunen, 55 % van de financiering van het onderdeel “migratiebeheer” in 2017 is besteed aan projecten die gericht waren op het beperken en ontmoedigen van irreguliere migratie via maatregelen voor migratiebeheersing en controle; waarschuwt ervoor dat het aanwenden van ontwikkelingshulp als middel om migratie- en veiligheidsuitdagingen aan te pakken niet alleen de ontwikkelingsprioriteiten van de Unie ondermijnt maar ook kan leiden tot meer armoede en instabiliteit, waardoor mensen gedwongen worden hun gemeenschap te verlaten; spoort de Commissie er in dit verband toe aan te overwegen financiële steun voor EUTF-projecten die niet verenigbaar zijn met de EU-langetermijnstrategie voor ontwikkeling te beperken of in te trekken;

68. herinnert eraan dat regionale en lokale autoriteiten, maatschappelijke organisaties, ngo’s en de particuliere sector partners zijn voor een doeltreffend ontwikkelingsbeleid, en dat een constante dialoog met nationale autoriteiten en lokale gemeenschappen van essentieel belang is om gemeenschappelijke strategieën en prioriteiten vast te stellen; verzoekt de Commissie erop toe te zien dat er via het EUTF geen middelen uit het EOF en de EU-begroting worden toegekend voor projecten die worden uitgevoerd door de lokale en regeringstroepen (milities) die betrokken zijn bij ernstige mensenrechtenschendingen, met name in landen als Libië en Sudan;

69. herinnert eraan dat EUTF-financiering die afkomstig is van de begrotingslijnen voor ontwikkeling niet mag worden gebruikt voor veiligheidsmaatregelen die de rechten van migranten in gevaar brengen; verzoekt de Commissie tastbare garanties te verstrekken dat migratiegerelateerde EUTF-projecten niet gebruikt worden door de uitvoerende autoriteiten om de fundamentele mensenrechten van migranten te schenden, en dat migratiegerelateerde EUTF-projecten op lange termijn niet bijdragen aan de destabilisering van landen en subregio’s, zoals steeds vaker aan de kaak gesteld door de ngo’s en lokale bevolking in Noord-Niger; benadrukt dat EUTF-projecten de mensenrechten centraal moeten stellen in de programmering en moeten bijdragen tot de verwezenlijking van de mensenrechten in de betrokken landen;

70. verzoekt de Commissie duidelijke en transparante mensenrechtenclausules op te nemen in de met de uitvoeringspartners (VN-agentschappen, ontwikkelingsorganisaties van de lidstaten) gesloten bijdrageovereenkomsten, om te vermijden dat de Unie indirect projecten financiert waarmee de mensenrechten worden geschonden; wijst in dit verband op het project dat Eritrea en Ethiopië weer met elkaar in verbinding moest stellen door de grootste verkeersaders in Eritrea te renoveren, dat gefinancierd werd door het EUTF en beheerd door het Bureau van de Verenigde Naties voor projectdiensten, maar dat Eritrese nationale bouwbedrijven financierde die gebruikmaakten van gedwongen arbeid via de nationale dienstplicht;

71. is bezorgd over het feit dat de Rekenkamer voorbeelden heeft gevonden van projecten die zich richten op dezelfde behoeften als andere instrumenten van de Unie, waardoor het risico bestaat dat ze met andere vormen van steun van de Unie overlappen; verzoekt de Commissie, om te waarborgen dat de nadruk vooral ligt op ontwikkeling en niet op grenstoezicht en veiligheid ten nadele van migranten, er in het bijzonder voor te zorgen dat haar acties in overeenstemming zijn met en worden afgestemd op de regionale ontwikkelingsprogramma’s, en het effect en de doeltreffendheid van mondiale steun te maximaliseren;

72. merkt op dat de Commissie erkent dat het gemeenschappelijke monitoringsysteem verder moet worden versterkt; is ingenomen met de goedkeuring van een reeks van 41 gemeenschappelijke outputindicatoren in het tweede kwartaal van 2018 en met de invoering van technische bijstand; neemt kennis van de inspanningen die worden geleverd in het kader van de drie operationele onderdelen van het EUTF voor Afrika om de vaststelling van specifieke doelstellingen en uitgangswaarden op projectniveau te verbeteren;

73. meent dat zorgvuldigheid vereist is om te zorgen voor betere communicatie tussen de Commissie, het Parlement en de lidstaten met betrekking tot de uitvoering van het EUTF, en dat erop moet worden toegezien dat er voldoende openbare verslaglegging, toezicht en controles plaatsvinden met betrekking tot hun acties en prestaties; verzoekt de Rekenkamer een controle te overwegen van de effecten van de uitvoering van het EUTF voor Afrika op het ontwikkelingsbeleid van de Unie, zowel vanuit het oogpunt van de begroting als dat van de resultaten; verzoekt de Commissie daarom conclusies te trekken uit de controle en erop toe te zien dat de financiering van inefficiënt uitgevoerde EUTF-projecten wordt stopgezet of sterk wordt teruggeschroefd;

De Afrikaanse vredes- en veiligheidsarchitectuur (APSA)

74. merkt met bezorgdheid op dat de Afrikaanse vredes- en veiligheidsarchitectuur (African Peace and Security Architecture – APSA) sterk afhankelijk is van externe financiële bronnen, vanwege de geringe bijdrage van de lidstaten aan het Vredesfonds en de beperkte aanvullende financiering van de APSA uit alternatieve financieringsbronnen;

75. erkent dat de EDEO en de Commissie worden geconfronteerd met uiterst complexe situaties in Afrika, met talloze politieke en operationele uitdagingen en beperkingen op vele gebieden, met name de samenwerking van de belangrijkste betrokken partijen, de financiering en de beperkingen van de instellingen, en de politieke bereidheid om in te grijpen en conflicten te voorkomen en te beheersen;

76. betreurt dat de ontoereikende Afrikaanse betrokkenheid en financiële houdbaarheid in combinatie met de grote afhankelijkheid van donoren en internationale partners tot operationele tekortkomingen leidt; verzoekt de Commissie betrokkenheid van de Afrikaanse Unie bij de APSA te bevorderen zodat zij financieel onafhankelijker kan worden, en het accent van de steun van de Unie te verleggen van de dekking van operationele kosten naar de ondersteuning van maatregelen voor capaciteitsopbouw;

77. betreurt dat de steun van de Unie aan de APSA weinig effect heeft gesorteerd en dat het accent ervan moest worden verlegd, dat de steun van de Unie voornamelijk gericht was op het bijdragen aan de operationele basiskosten van de APSA, en dat de APSA al jarenlang sterk afhankelijk is van donorsteun;

78. is ernstig bezorgd over de tekortkomingen van de monitoringsystemen met betrekking tot de capaciteit om behoorlijke gegevens over de resultaten van activiteiten te verstrekken; vraagt de Commissie de activiteits- en prestatiecapaciteit van het evaluatiesysteem te versterken, zodat aangetoond kan worden dat de bijdragen van de Unie in grote mate gekoppeld kunnen worden aan tastbare en positieve effecten op de vrede en de veiligheid ter plaatse; verzoekt de diensten van de Commissie om in het kader van resultaatgericht toezicht een werkbezoek te organiseren en zo snel mogelijk verslag uit te brengen bij het Parlement;

79. beveelt de Commissie op grond van het bovenstaande aan te overwegen alle financiering aan de APSA te annuleren;

Plan voor externe investeringen en het EFDO

80. herinnert aan de doelstelling om 44 miljard EUR aan investeringen te mobiliseren; merkt op dat de Unie 2,2 miljard EUR heeft toegekend voor 94 blendingprojecten in het kader van het EFDO (pijler 1 van het extern investeringsplan) en 1,54 miljard EUR voor EFDO-garanties voor 28 investeringsprogramma’s;

81. spoort DG DEVCO ertoe aan beter onder de aandacht te brengen welke hefboommogelijkheden het extern investeringsplan biedt door investeringen uit de particuliere sector aan te trekken in ontwikkelingspartnerschappen; herinnert er echter aan dat terdege aandacht moet worden besteed aan additionaliteit van het extern investeringsplan, maar ook aan de criteria voor het beheer ervan teneinde elke verlegging van de ontwikkelingsgelden naar particuliere investeerders of ten behoeve van winstbejag te voorkomen;

82. merkt op dat de Unie via 21 blendingprojecten eveneens 547 miljoen EUR heeft toegekend in Afrika bezuiden de Sahara waarmee naar verwachting 4 miljard EUR voor vervoer, energie, de particuliere sector en landbouw zal worden ontsloten; spreekt zijn steun uit voor het bevorderen van de lokale dimensie van gemengde financiering;

83. wijst erop dat de regionale samenwerking van de Unie de grootste financiële bijdrage heeft geleverd aan biodiversiteits- en bosbeheerprojecten en een cruciale rol heeft gespeeld bij de instandhouding van de zestien beschermde gebieden in de regio’s Centraal- en West-Afrika;

84. verzoekt de Commissie meer aandacht te besteden aan de verbreiding van succesvolle projecten, en het publiek meer bewust te maken van de investeringen van de Unie in mondiale duurzame ontwikkeling;

De ACS‑investeringsfaciliteit van de EIB

85. spoort de EIB ertoe aan om de ontwikkeling van de lokale particuliere sector, als essentiële speler voor verduurzaming en veerkracht, verder te ondersteunen, om steun te verstrekken voor sociale en economische basisinfrastructuur die van onmiddellijk belang is voor de begunstigden, en om bij te dragen aan het zoeken naar nieuwe lokale en regionale partners op het specifieke gebied van microfinanciering; verzoekt de EIB de additionaliteit te verhogen door middel van een betere rechtvaardiging van het gebruik van de middelen;

86. spoort de EIB ertoe aan meer inspanningen te leveren en passende maatregelen te nemen om meer bekendheid te geven aan EIB-instrumenten in landen waar de effecten van de EIB-investeringen het grootst zijn;

87. is ingenomen met de bijdrage van 139 miljoen EUR die de Unie via de ACS-investeringsfaciliteit heeft geleverd aan kredietlijnen voor microfinanciering; stelt vast dat deze bijdrage circa 26 300 leningen aan micro-ondernemingen en particulieren zal opleveren;

88. acht het van cruciaal belang voor de EIB om tijd te blijven investeren in een beleid van zorgvuldigheid, gecombineerd met instrumenten voor resultaatbeoordeling, om beter inzicht te krijgen in het profiel van financiële tussenpersonen en begunstigden en om de effecten van projecten voor eindbegunstigden beter te evalueren;

Toekomst van de betrekkingen tussen de EU en Afrika

89. neemt kennis van het lopende bezinningsproces over de voortzetting van de strategie en het partnerschap tussen de EU en Afrika op lange termijn en ziet dit als een kans om te zorgen voor efficiëntere steunverleningsmodaliteiten; meent dat we moeten overstappen van de traditionele op steun gebaseerde betrekkingen naar meer strategische en geïntegreerde betrekkingen;

90. verzoekt de Commissie met onze partners een “meer voor meer”-aanpak te ontwikkelen, waarbij onze steun aan derde landen wordt afgestemd op hun eerbiediging van de democratie, de rechtsstaat, internationale verdragen enz.;

91. benadrukt dat het EOF in de begroting van de Unie moet worden opgenomen, zoals eerder vermeld in de resoluties van het Parlement en in het voorstel voor het nieuwe meerjarig financieel kader voor de periode 2021-2027, om versnippering van de begroting te voorkomen; wijst erop dat als het EOF in de begroting van de Unie wordt opgenomen, de kwijtingsautoriteit beter in staat is de uitgaven uit de begroting van de Unie buiten de Unie te controleren.

 


 

 

ADVIES VAN DE COMMISSIE ONTWIKKELINGSSAMENWERKING (23.1.2020)

<CommissionInt>aan de Commissie begrotingscontrole</CommissionInt>


<Titre>over het verlenen van kwijting voor de uitvoering van de begroting van het achtste, negende, tiende en elfde Europees Ontwikkelingsfonds voor het begrotingsjaar 2018</Titre>

<DocRef>(2019/2065(DEC))</DocRef>

Rapporteur voor advies: <Depute>Charles Goerens</Depute>

 

SUGGESTIES

De Commissie ontwikkelingssamenwerking verzoekt de bevoegde Commissie begrotingscontrole onderstaande suggesties in haar ontwerpresolutie op te nemen:

1. neemt ter kennis dat de Unie het accent legt op kwesties van serieus en goed financieel beheer, en onderstreept het belang van het uittrekken van meer middelen ter ondersteuning van goed bestuur, capaciteitsopbouw, democratie en rechtsstaat in ontwikkelingslanden;

2. is ingenomen met het feit dat de uit het EOF gefinancierde betalingen voor begrotingssteun in 2018 796 miljoen EUR bedroegen; dringt er echter bij de Commissie op aan de ontwikkelingsresultaten die voor elk geval middels begrotingssteun behaald moeten worden, duidelijker te evalueren en te omschrijven en bovenal de mechanismen te versterken voor het toezicht op het gedrag van de ontvangende landen op het gebied van corruptie, eerbiediging van de mensenrechten, rechtsstaat en democratie;

3. is van oordeel dat de constructie van het Noodtrustfonds van de Europese Unie (EUTF) over een beter afgebakende structuur en duidelijkere doelstellingen dient te beschikken; constateert met bezorgdheid dat, hoewel de bijdrage van de Unie aan het EUTF voornamelijk uit ODA bestaat, een aanzienlijk deel van de activiteiten van het EUTF verband houdt met migratiebeheer en grenscontroles; benadrukt dat EUTF-projecten de mensenrechten centraal moeten stellen in de programmering en moeten bijdragen tot de uitroeiing van de armoede en de bevordering van de mensenrechten in de betrokken landen; heeft er alle vertrouwen in dat DG DEVCO de aanbevelingen van speciaal verslag 32/2018 van de Rekenkamer zal volgen;

4. doet een beroep op de Commissie om te zorgen voor de zichtbaarheid van de Unie in projecten die door EOF-middelen worden gefinancierd en door internationale organisaties en ontwikkelingsagentschappen worden beheerd wijst andermaal op het feit dat de internationale organisaties verplicht zijn om aan de Rekenkamer op dier verzoek alle documenten of informatie te doen toekomen die nodig zijn voor het verrichten van haar taken, zoals vastgelegd in het VWEU; verzoekt de Commissie andermaal toe te zien op de naleving door de internationale organisaties van die verplichting om te voorkomen dat zich verdere fiasco’s voordoen, zoals het geval was bij een recente controle van een project voor watervoorziening en waterzuivering in Mozambique;

5 is ingenomen met het voorstel van de Commissie om het EOF op te nemen in de begroting in het kader van het Instrument voor nabuurschapsbeleid, ontwikkeling en internationale samenwerking (NDICI).

 


INFORMATIE OVER DE GOEDKEURING IN DE ADVISERENDE COMMISSIE

Datum goedkeuring

22.1.2020

 

 

 

Uitslag eindstemming

+:

–:

0:

18

1

1

Bij de eindstemming aanwezige leden

Hildegard Bentele, Dominique Bilde, Udo Bullmann, Catherine Chabaud, Charles Goerens, Mónica Silvana González, Pierrette Herzberger-Fofana, Martin Horwood, Rasa Juknevičienė, Lukas Mandl, Erik Marquardt, Norbert Neuser, Michèle Rivasi, Marc Tarabella, Tomas Tobé, Miguel Urbán Crespo, Bernhard Zimniok

Bij de eindstemming aanwezige vaste plaatsvervangers

Stéphane Bijoux, Patrizia Toia

Bij de eindstemming aanwezige plaatsvervangers (art. 209, lid 7)

Ádám Kósa

 


 

 

HOOFDELIJKE EINDSTEMMING IN DE ADVISERENDE COMMISSIE

18

+

GUE/NGL

Miguel Urbán Crespo

PPE

Hildegard Bentele, Rasa Juknevičienė, Ádám Kósa, Lukas Mandl, Tomas Tobé

RENEW

Stéphane Bijoux, Catherine Chabaud, Charles Goerens, Martin Horwood

S&D

Udo Bullmann, Mónica Silvana González, Norbert Neuser, Marc Tarabella, Patrizia Toia

VERTS/ALE

Pierrette Herzberger-Fofana, Erik Marquardt, Michèle Rivasi

 

1

-

ID

Bernhard Zimniok

 

1

0

ID

Dominique Bilde

 

Verklaring van de gebruikte tekens:

+ : voor

- : tegen

0 : onthouding

 

 

INFORMATIE OVER DE GOEDKEURING IN DE BEVOEGDE COMMISSIE

Datum goedkeuring

19.2.2020

 

 

 

Uitslag eindstemming

+:

–:

0:

17

6

0

Bij de eindstemming aanwezige leden

Olivier Chastel, Caterina Chinnici, Lefteris Christoforou, Martina Dlabajová, Luke Ming Flanagan, Daniel Freund, Isabel García Muñoz, Monika Hohlmeier, Jean-François Jalkh, Joachim Kuhs, Tsvetelina Penkova, Markus Pieper, Sabrina Pignedoli, Angelika Winzig, Lara Wolters, Tomáš Zdechovský

Bij de eindstemming aanwezige vaste plaatsvervangers

Gilles Boyer, Bas Eickhout, Maria Grapini, David Lega, Marian-Jean Marinescu, Mikuláš Peksa

Bij de eindstemming aanwezige plaatsvervangers (art. 209, lid 7)

Andrea Bocskor

 


 

HOOFDELIJKE EINDSTEMMING IN DE BEVOEGDE COMMISSIE

17

+

ID

Joachim Kuhs

PPE

Andrea Bocskor, Lefteris Christoforou, Monika Hohlmeier, David Lega, Marian-Jean Marinescu, Markus Pieper, Angelika Winzig, Tomáš Zdechovský

RENEW

Gilles Boyer, Olivier Chastel, Martina Dlabajová

S&D

Caterina Chinnici, Isabel García Muñoz, Maria Grapini, Tsvetelina Penkova, Lara Wolters

 

6

-

GUE/NGL

Luke Ming Flanagan

ID

Jean-François Jalkh

NI

Sabrina Pignedoli

VERTS/ALE

Bas Eickhout, Daniel Freund, Mikuláš Peksa

 

0

0

 

 

 

 

 

Verklaring van de gebruikte tekens:

+ : voor

- : tegen

0 : onthouding

 

 

[1] PB C 340 van 8.10.2019, blz. 269.

[2] PB C 340 van 8.10.2019, blz. 278.

[3] PB L 317 van 15.12.2000, blz. 3.

[4] PB L 287 van 4.11.2010, blz. 3.

[5] PB L 344 van 19.12.2013, blz. 1.

[6] PB L 156 van 29.5.1998, blz. 108.

[7] PB L 317 van 15.12.2000, blz. 355.

[8] PB L 247 van 9.9.2006, blz. 32.

[9] PB L 210 van 6.8.2013, blz. 1.

[10] PB L 191 van 7.7.1998, blz. 53.

[11] PB L 83 van 1.4.2003, blz. 1.

[12] PB L 78 van 19.3.2008, blz. 1.

[13] PB L 58 van 3.3.2015, blz. 17.

[14] PB C 340 van 8.10.2019, blz. 269.

[15] PB C 340 van 8.10.2019, blz. 278.

[16] PB L 317 van 15.12.2000, blz. 3.

[17] PB L 287 van 4.11.2010, blz. 3.

[18] PB L 344 van 19.12.2013, blz. 1.

[19] PB L 156 van 29.5.1998, blz. 108.

[20] PB L 317 van 15.12.2000, blz. 355.

[21] PB L 247 van 9.9.2006, blz. 32.

[22] PB L 210 van 6.8.2013, blz. 1.

[23] PB L 191 van 7.7.1998, blz. 53.

[24] PB L 83 van 1.4.2003, blz. 1.

[25] PB L 78 van 19.3.2008, blz. 1.

[26] PB L 58 van 3.3.2015, blz. 17.

[27] Speciaal verslag nr. 32/2018 "Noodtrustfonds van de Europese Unie voor Afrika: flexibel, maar een gebrek aan gerichtheid".

Laatst bijgewerkt op: 24 maart 2020Juridische mededeling - Privacybeleid