Procedure : 2019/2055(DEC)
Stadium plenaire behandeling
Documentencyclus : A9-0069/2020

Ingediende teksten :

A9-0069/2020

Debatten :

Stemmingen :

Aangenomen teksten :

P9_TA(2020)0114

<Date>{03/03/2020}3.3.2020</Date>
<NoDocSe>A9-0069/2020</NoDocSe>
PDF 585kWORD 230k

<TitreType>VERSLAG</TitreType>

<Titre>over het verlenen van kwijting voor de uitvoering van de algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2018, afdeling III - Commissie en uitvoerende agentschappen</Titre>

<DocRef>(2019/2055(DEC))</DocRef>


<Commission>{CONT}Commissie begrotingscontrole</Commission>

Rapporteur: <Depute>Monika Hohlmeier</Depute>

1. ONTWERPBESLUIT VAN HET EUROPEES PARLEMENT
 2. ONTWERPBESLUIT VAN HET EUROPEES PARLEMENT
 3. ONTWERPBESLUIT VAN HET EUROPEES PARLEMENT
 4. ONTWERPBESLUIT VAN HET EUROPEES PARLEMENT
 5. ONTWERPBESLUIT VAN HET EUROPEES PARLEMENT
 6. ONTWERPBESLUIT VAN HET EUROPEES PARLEMENT
 7. ONTWERPBESLUIT VAN HET EUROPEES PARLEMENT
 8. ONTWERPBESLUIT VAN HET EUROPEES PARLEMENT
 9. ONTWERPRESOLUTIE VAN HET EUROPEES PARLEMENT
 ADVIES VAN DE COMMISSIE BUITENLANDSE ZAKEN
 ADVIES VAN DE COMMISSIE ONTWIKKELINGSSAMENWERKING
 ADVIES VAN DE COMMISSIE WERKGELEGENHEID EN SOCIALE ZAKEN
 ADVIES VAN DE COMMISSIE MILIEUBEHEER, VOLKSGEZONDHEID EN VOEDSELVEILIGHEID
 ADVIES VAN DE COMMISSIE VERVOER EN TOERISME
 ADVIES VAN DE COMMISSIE REGIONALE ONTWIKKELING
 ADVIES VAN DE COMMISSIE LANDBOUW EN PLATTELANDSONTWIKKELING
 ADVIES VAN DE COMMISSIE CULTUUR EN ONDERWIJS
 ADVIES VAN DE COMMISSIE BURGERLIJKE VRIJHEDEN, JUSTITIE EN BINNENLANDSE ZAKEN
 ADVIES VAN DE COMMISSIE VROUWENRECHTEN EN GENDERGELIJKHEID
 INFORMATIE OVER DE GOEDKEURING IN DE BEVOEGDE COMMISSIE
 HOOFDELIJKE EINDSTEMMING IN DE BEVOEGDE COMMISSIE

1. ONTWERPBESLUIT VAN HET EUROPEES PARLEMENT

over het verlenen van kwijting voor de uitvoering van de algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2018, afdeling III – Commissie

(2019/2055(DEC))

Het Europees Parlement,

 gezien de algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2018[1],

 gezien de geconsolideerde jaarrekening van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2018 (COM(2019)0316 – C9-0050/2019)[2],

 gezien het verslag van de Commissie betreffende de follow-up van de kwijting voor het begrotingsjaar 2017 (COM(2019)0334),

 gezien het jaarlijks beheers- en prestatieverslag van de Commissie voor de EU- begroting 2018 (COM(2019)0299),

 gezien het jaarverslag van de Commissie aan de kwijtingsautoriteit over de in 2018 uitgevoerde interne controles (COM(2019)0350) en het bijbehorende werkdocument van de diensten van de Commissie (SWD(2019)0300),

 gezien zijn resolutie van 18 december 2019 over de rechtsstaat in Malta, na de recente onthullingen over de moord op Daphne Caruana Galizia[3],

 gezien Speciaal verslag nr. 15/2019 van de Rekenkamer: Uitvoering bij de Commissie van het pakket van 2014 ter hervorming van het Statuut – grote besparingen, maar niet zonder gevolgen voor het personeel,

 gezien het werkdocument inzake Speciaal verslag nr. 15/2019 van de Rekenkamer: Uitvoering bij de Commissie van het pakket van 2014 ter hervorming van het Statuut — grote besparingen, maar niet zonder gevolgen voor het personeel, dat is opgesteld door de Commissie begrotingscontrole van het Parlement,

 gezien zijn resolutie van 16 januari 2020 over hoorzittingen die plaatsvinden in het kader van artikel 7, lid 1, van het VEU met betrekking tot Polen en Hongarije[4],

 gezien het jaarverslag van de Rekenkamer over de uitvoering van de begroting voor het begrotingsjaar 2018, tezamen met de antwoorden van de instellingen[5], en de speciale verslagen van de Rekenkamer,

 gezien de verklaring van de Rekenkamer[6] voor het begrotingsjaar 2018 waarin de betrouwbaarheid van de rekeningen en de wettigheid en regelmatigheid van de onderliggende verrichtingen worden bevestigd, overeenkomstig artikel 287 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

 gezien de aanbeveling van de Raad van 18 februari 2020 over de aan de Commissie te verlenen kwijting voor de uitvoering van de begroting voor het begrotingsjaar 2018 (05760/1/2020 – C9-0018/2020),

 gezien de artikelen 317, 318 en 319 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

 gezien artikel 106 bis van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie,

 gezien Verordening (EU, Euratom) nr. 966/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 25 oktober 2012 tot vaststelling van de financiële regels van toepassing op de algemene begroting van de Unie en tot intrekking van Verordening (EG, Euratom) nr. 1605/2002[7], en met name de artikelen 62, 164, 165 en 166,

 gezien Verordening (EU, Euratom) 2018/1046 van het Europees Parlement en de Raad van 18 juli 2018 tot vaststelling van de financiële regels van toepassing op de algemene begroting van de Unie, tot wijziging van Verordeningen (EU) nr. 1296/2013, (EU) nr. 1301/2013, (EU) nr. 1303/2013, (EU) nr. 1304/2013, (EU) nr. 1309/2013, (EU) nr. 1316/2013, (EU) nr. 223/2014, (EU) nr. 283/2014 en Besluit nr. 541/2014/EU en tot intrekking van Verordening (EU, Euratom) nr. 966/2012[8], en met name de artikelen 69, 260, 261 en 262,

 gezien artikel 99 en bijlage V van zijn Reglement,

 gezien de verslagen van de Commissie buitenlandse zaken; de Commissie ontwikkelingssamenwerking; de Commissie werkgelegenheid en sociale zaken; de Commissie milieubeheer, volksgezondheid en voedselveiligheid; de Commissie vervoer en toerisme; de Commissie regionale ontwikkeling; de Commissie landbouw en plattelandsontwikkeling; de Commissie cultuur en onderwijs; de Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken en de Commissie rechten van de vrouw en gendergelijkheid,

 gezien het verslag van de Commissie begrotingscontrole (A9-0069/2020),

A. overwegende dat de Commissie overeenkomstig artikel 17, lid 1, van het Verdrag betreffende de Europese Unie de begroting uitvoert en de programma's beheert en dit overeenkomstig artikel 317 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie in samenwerking met de lidstaten doet onder haar eigen verantwoordelijkheid en overeenkomstig het beginsel van goed financieel beheer;

1. verleent de Commissie kwijting voor de uitvoering van de algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2018;

2. formuleert zijn opmerkingen in de resolutie die een integrerend deel uitmaakt van de besluiten tot het verlenen van kwijting voor de uitvoering van de algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2018, afdeling III - Commissie en uitvoerende agentschappen, evenals in zijn resolutie van ... over de speciale verslagen van de Rekenkamer in de context van de verlening van kwijting aan de Commissie voor het begrotingsjaar 2018[9];

3. verzoekt zijn Voorzitter dit besluit en de resolutie die daarvan een integrerend deel uitmaakt, te doen toekomen aan de Raad, de Commissie en de Rekenkamer, alsmede aan de nationale parlementen en de nationale en regionale controle-instanties van de lidstaten, en te zorgen voor publicatie ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie (L-serie).

 


 

2. ONTWERPBESLUIT VAN HET EUROPEES PARLEMENT

over het verlenen van kwijting voor de uitvoering van de begroting van het Uitvoerend Agentschap onderwijs, audiovisuele media en cultuur voor het begrotingsjaar 2018

(2019/2055(DEC))

Het Europees Parlement,

 gezien de algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2018[10],

 gezien de geconsolideerde jaarrekening van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2018 (COM(2019)0316 – C9-0050/2019)[11],

 gezien de definitieve jaarrekening van het Uitvoerend Agentschap onderwijs, audiovisuele media en cultuur voor het begrotingsjaar 2018[12],

 gezien het verslag van de Commissie betreffende de follow-up van de kwijting voor het begrotingsjaar 2017 (COM(2019)0334),

 gezien het jaarverslag van de Commissie aan de kwijtingsautoriteit over de in 2018 uitgevoerde interne controles (COM(2019)0350) en het bijbehorende werkdocument van de diensten van de Commissie (SWD(2019)0300),

 gezien het verslag van de Rekenkamer over de jaarrekening van het Uitvoerend Agentschap onderwijs, audiovisuele media en cultuur voor het begrotingsjaar 2018, vergezeld van het antwoord van het Agentschap[13],

 gezien de verklaring van de Rekenkamer[14] voor het begrotingsjaar 2018 waarin de betrouwbaarheid van de rekeningen en de wettigheid en regelmatigheid van de onderliggende verrichtingen worden bevestigd, als bedoeld in artikel 287 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

 gezien de aanbeveling van de Raad van 18 februari 2020 over de aan de Commissie te verlenen kwijting voor de uitvoering van de begroting voor het begrotingsjaar 2018 (05762/2020 – C9-0019/2020),

 gezien de artikelen 317, 318 en 319 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

 gezien artikel 106 bis van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie,

 gezien Verordening (EU, Euratom) nr. 966/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 25 oktober 2012 tot vaststelling van de financiële regels van toepassing op de algemene begroting van de Unie en tot intrekking van Verordening (EG, Euratom) nr. 1605/2002[15], en met name de artikelen 62, 164, 165 en 166,

 gezien Verordening (EU, Euratom) 2018/1046 van het Europees Parlement en de Raad van 18 juli 2018 tot vaststelling van de financiële regels van toepassing op de algemene begroting van de Unie, tot wijziging van Verordeningen (EU) nr. 1296/2013, (EU) nr. 1301/2013, (EU) nr. 1303/2013, (EU) nr. 1304/2013, (EU) nr. 1309/2013, (EU) nr. 1316/2013, (EU) nr. 223/2014, (EU) nr. 283/2014 en Besluit nr. 541/2014/EU en tot intrekking van Verordening (EU, Euratom) nr. 966/2012[16], en met name de artikelen 69, 260, 261 en 262,

 gezien Verordening (EG) nr. 58/2003 van de Raad van 19 december 2002 tot vaststelling van het statuut van de uitvoerende agentschappen waaraan bepaalde taken voor het beheer van communautaire programma's worden gedelegeerd[17], en met name artikel 14, lid 3,

 gezien Verordening (EG) nr. 1653/2004 van de Commissie van 21 september 2004 houdende een model voor het financieel reglement van de uitvoerende agentschappen overeenkomstig Verordening (EG) nr. 58/2003 van de Raad tot vaststelling van het statuut van de uitvoerende agentschappen waaraan bepaalde taken voor het beheer van communautaire programma's worden gedelegeerd[18], en met name artikel 66, eerste en tweede alinea,

 gezien Uitvoeringsbesluit 2013/776/EU van de Commissie van 18 december 2013 tot oprichting van het Uitvoerend Agentschap onderwijs, audiovisuele media en cultuur en tot intrekking van Besluit 2009/336/EG[19],

 gezien artikel 99 en bijlage V van zijn Reglement,

 gezien de verslagen van de Commissie buitenlandse zaken; de Commissie ontwikkelingssamenwerking; de Commissie werkgelegenheid en sociale zaken; de Commissie milieubeheer, volksgezondheid en voedselveiligheid; de Commissie vervoer en toerisme; de Commissie regionale ontwikkeling; de Commissie landbouw en plattelandsontwikkeling; de Commissie cultuur en onderwijs; de Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken en de Commissie rechten van de vrouw en gendergelijkheid,

 gezien het verslag van de Commissie begrotingscontrole (A9-0069/2020),

A. overwegende dat de Commissie overeenkomstig artikel 17, lid 1, van het Verdrag betreffende de Europese Unie de begroting uitvoert en de programma's beheert en dit overeenkomstig artikel 317 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie in samenwerking met de lidstaten doet onder haar eigen verantwoordelijkheid en overeenkomstig het beginsel van goed financieel beheer;

1. verleent de directeur van het Uitvoerend Agentschap onderwijs, audiovisuele media en cultuur kwijting voor de uitvoering van de begroting van het uitvoerend agentschap voor het begrotingsjaar 2018;

2. formuleert zijn opmerkingen in de resolutie die een integrerend deel uitmaakt van de besluiten tot het verlenen van kwijting voor de uitvoering van de algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2018, afdeling III - Commissie en uitvoerende agentschappen, evenals in zijn resolutie van ... over de speciale verslagen van de Rekenkamer in de context van de verlening van kwijting aan de Commissie voor het begrotingsjaar 2018[20];

3. verzoekt zijn Voorzitter dit besluit, het besluit over het verlenen van kwijting voor de uitvoering van de algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2018, afdeling III – Commissie en de resolutie die een integrerend deel uitmaakt van deze besluiten, te doen toekomen aan de directeur van het Uitvoerend Agentschap onderwijs, audiovisuele media en cultuur, de Raad, de Commissie en de Rekenkamer, en te zorgen voor publicatie ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie (L-serie).

 


 

3. ONTWERPBESLUIT VAN HET EUROPEES PARLEMENT

over het verlenen van kwijting voor de uitvoering van de begroting van het Uitvoerend Agentschap voor kleine en middelgrote ondernemingen voor het begrotingsjaar 2018

(2019/2055(DEC))

Het Europees Parlement,

 gezien de algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2018[21],

 gezien de geconsolideerde jaarrekening van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2018 (COM(2019)0316 – C9-0050/2019)[22],

 gezien de definitieve jaarrekening van het Uitvoerend Agentschap voor kleine en middelgrote ondernemingen voor het begrotingsjaar 2018[23],

 gezien het verslag van de Commissie betreffende de follow-up van de kwijting voor het begrotingsjaar 2017 (COM(2019)0334),

 gezien het jaarverslag van de Commissie aan de kwijtingsautoriteit over de in 2018 uitgevoerde interne controles (COM(2019)0350) en het bijbehorende werkdocument van de diensten van de Commissie (SWD(2019)0300),

 gezien het verslag van de Rekenkamer over de jaarrekeningen van het Uitvoerend Agentschap voor kleine en middelgrote ondernemingen voor het begrotingsjaar 2018, vergezeld van het antwoord van het Agentschap[24],

 gezien de verklaring van de Rekenkamer[25] voor het begrotingsjaar 2018 waarin de betrouwbaarheid van de rekeningen en de wettigheid en regelmatigheid van de onderliggende verrichtingen worden bevestigd, als bedoeld in artikel 287 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

 gezien de aanbeveling van de Raad van 18 februari 2020 over de aan de uitvoerende agentschappen te verlenen kwijting voor de uitvoering van de begroting voor het begrotingsjaar 2018 (05762/2020 – C9-0019/2020),

 gezien de artikelen 317, 318 en 319 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

 gezien artikel 106 bis van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie,

 gezien Verordening (EU, Euratom) nr. 966/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 25 oktober 2012 tot vaststelling van de financiële regels van toepassing op de algemene begroting van de Unie en tot intrekking van Verordening (EG, Euratom) nr. 1605/2002[26], en met name de artikelen 62, 164, 165 en 166,

 gezien Verordening (EU, Euratom) 2018/1046 van het Europees Parlement en de Raad van 18 juli 2018 tot vaststelling van de financiële regels van toepassing op de algemene begroting van de Unie, tot wijziging van Verordeningen (EU) nr. 1296/2013, (EU) nr. 1301/2013, (EU) nr. 1303/2013, (EU) nr. 1304/2013, (EU) nr. 1309/2013, (EU) nr. 1316/2013, (EU) nr. 223/2014, (EU) nr. 283/2014 en Besluit nr. 541/2014/EU en tot intrekking van Verordening (EU, Euratom) nr. 966/2012[27], en met name de artikelen 69, 260, 261 en 262,

 gezien Verordening (EG) nr. 58/2003 van de Raad van 19 december 2002 tot vaststelling van het statuut van de uitvoerende agentschappen waaraan bepaalde taken voor het beheer van communautaire programma's worden gedelegeerd[28], en met name artikel 14, lid 3,

 gezien Verordening (EG) nr. 1653/2004 van de Commissie van 21 september 2004 houdende een model voor het financieel reglement van de uitvoerende agentschappen overeenkomstig Verordening (EG) nr. 58/2003 van de Raad tot vaststelling van het statuut van de uitvoerende agentschappen waaraan bepaalde taken voor het beheer van communautaire programma's worden gedelegeerd[29], en met name artikel 66, eerste en tweede alinea,

 gezien Uitvoeringsbesluit 2013/771/EU van de Commissie van 17 december 2013 tot oprichting van het Uitvoerend Agentschap voor kleine en middelgrote ondernemingen en tot intrekking van de Besluiten 2004/20/EG en 2007/372/EG[30],

 gezien artikel 99 en bijlage V van zijn Reglement,

 gezien de verslagen van de Commissie buitenlandse zaken; de Commissie ontwikkelingssamenwerking; de Commissie werkgelegenheid en sociale zaken; de Commissie milieubeheer, volksgezondheid en voedselveiligheid; de Commissie vervoer en toerisme; de Commissie regionale ontwikkeling; de Commissie landbouw en plattelandsontwikkeling; de Commissie cultuur en onderwijs; de Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken en de Commissie rechten van de vrouw en gendergelijkheid,

 gezien het verslag van de Commissie begrotingscontrole (A9-0069/2020),

A. overwegende dat de Commissie overeenkomstig artikel 17, lid 1, van het Verdrag betreffende de Europese Unie de begroting uitvoert en de programma's beheert en dit overeenkomstig artikel 317 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie in samenwerking met de lidstaten doet onder haar eigen verantwoordelijkheid en overeenkomstig het beginsel van goed financieel beheer;

1. verleent de directeur van het Uitvoerend Agentschap voor kleine en middelgrote ondernemingen kwijting voor de uitvoering van de begroting van het Uitvoerend Agentschap voor het begrotingsjaar 2018;

2. formuleert zijn opmerkingen in de resolutie die een integrerend deel uitmaakt van de besluiten tot het verlenen van kwijting voor de uitvoering van de algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2018, afdeling III - Commissie en uitvoerende agentschappen, evenals in zijn resolutie van ... over de speciale verslagen van de Rekenkamer in de context van de verlening van kwijting aan de Commissie voor het begrotingsjaar 2018[31];

3. verzoekt zijn Voorzitter dit besluit, het besluit over het verlenen van kwijting voor de uitvoering van de algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2018, afdeling III – Commissie en de resolutie die een integrerend deel uitmaakt van deze besluiten, te doen toekomen aan de directeur van het Uitvoerend Agentschap voor kleine en middelgrote ondernemingen, de Raad, de Commissie en de Rekenkamer, en te zorgen voor publicatie ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie (L-serie).

 


 

4. ONTWERPBESLUIT VAN HET EUROPEES PARLEMENT

over het verlenen van kwijting voor de uitvoering van de begroting van het Uitvoerend Agentschap voor consumenten, gezondheid, landbouw en voeding voor het begrotingsjaar 2018

(2019/2055(DEC))

Het Europees Parlement,

 gezien de algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2018[32],

 gezien de geconsolideerde jaarrekening van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2018 (COM(2019)0316 – C9-0050/2019)[33],

 gezien de definitieve jaarrekening van het Uitvoerend Agentschap voor consumenten, gezondheid, landbouw en voeding voor het begrotingsjaar 2018[34],

 gezien het verslag van de Commissie betreffende de follow-up van de kwijting voor het begrotingsjaar 2017 (COM(2019)0334),

 gezien het jaarverslag van de Commissie aan de kwijtingsautoriteit over de in 2018 uitgevoerde interne controles (COM(2019)0350) en het bijbehorende werkdocument van de diensten van de Commissie (SWD(2019)0300),

 gezien het verslag van de Rekenkamer over de jaarrekening van het Uitvoerend Agentschap voor consumenten, gezondheid, landbouw en voeding voor het begrotingsjaar 2018, vergezeld van het antwoord van het Agentschap[35],

 gezien de verklaring van de Rekenkamer[36] voor het begrotingsjaar 2018 waarin de betrouwbaarheid van de rekeningen en de wettigheid en regelmatigheid van de onderliggende verrichtingen worden bevestigd, als bedoeld in artikel 287 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

 gezien de aanbeveling van de Raad van 18 februari 2020 over de aan de uitvoerende agentschappen te verlenen kwijting voor de uitvoering van de begroting voor het begrotingsjaar 2018 (05762/2020 – C9-0019/2020),

 gezien de artikelen 317, 318 en 319 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

 gezien artikel 106 bis van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie,

 gezien Verordening (EU, Euratom) nr. 966/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 25 oktober 2012 tot vaststelling van de financiële regels van toepassing op de algemene begroting van de Unie en tot intrekking van Verordening (EG, Euratom) nr. 1605/2002[37], en met name de artikelen 62, 164, 165 en 166,

 gezien Verordening (EU, Euratom) 2018/1046 van het Europees Parlement en de Raad van 18 juli 2018 tot vaststelling van de financiële regels van toepassing op de algemene begroting van de Unie, tot wijziging van Verordeningen (EU) nr. 1296/2013, (EU) nr. 1301/2013, (EU) nr. 1303/2013, (EU) nr. 1304/2013, (EU) nr. 1309/2013, (EU) nr. 1316/2013, (EU) nr. 223/2014, (EU) nr. 283/2014 en Besluit nr. 541/2014/EU en tot intrekking van Verordening (EU, Euratom) nr. 966/2012[38], en met name de artikelen 69, 260, 261 en 262,

 gezien Verordening (EG) nr. 58/2003 van de Raad van 19 december 2002 tot vaststelling van het statuut van de uitvoerende agentschappen waaraan bepaalde taken voor het beheer van communautaire programma's worden gedelegeerd[39], en met name artikel 14, lid 3,

 gezien Verordening (EG) nr. 1653/2004 van de Commissie van 21 september 2004 houdende een model voor het financieel reglement van de uitvoerende agentschappen overeenkomstig Verordening (EG) nr. 58/2003 van de Raad tot vaststelling van het statuut van de uitvoerende agentschappen waaraan bepaalde taken voor het beheer van communautaire programma's worden gedelegeerd[40], en met name artikel 66, eerste en tweede alinea,

 gezien Uitvoeringsbesluit 2013/770/EU van de Commissie van 17 december 2013 tot oprichting van het Uitvoerend Agentschap voor consumenten, gezondheid en voeding en tot intrekking van Besluit 2004/858/EG[41],

 gezien Uitvoeringsbesluit 2014/927/EU van de Commissie van 17 december 2014 tot wijziging van Uitvoeringsbesluit 2013/770/EU teneinde het “Uitvoerend Agentschap voor consumenten, gezondheid en voeding” om te vormen tot het “Uitvoerend Agentschap voor consumenten, gezondheid, landbouw en voeding”[42],

 gezien artikel 99 en bijlage V van zijn Reglement,

 gezien de verslagen van de Commissie buitenlandse zaken; de Commissie ontwikkelingssamenwerking; de Commissie werkgelegenheid en sociale zaken; de Commissie milieubeheer, volksgezondheid en voedselveiligheid; de Commissie vervoer en toerisme; de Commissie regionale ontwikkeling; de Commissie landbouw en plattelandsontwikkeling; de Commissie cultuur en onderwijs; de Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken en de Commissie rechten van de vrouw en gendergelijkheid,

 gezien het verslag van de Commissie begrotingscontrole (A9-0069/2020),

A. overwegende dat de Commissie overeenkomstig artikel 17, lid 1, van het Verdrag betreffende de Europese Unie de begroting uitvoert en de programma's beheert en dit overeenkomstig artikel 317 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie in samenwerking met de lidstaten doet onder haar eigen verantwoordelijkheid en overeenkomstig het beginsel van goed financieel beheer;

1. verleent de directeur van het Uitvoerend Agentschap voor consumenten, gezondheid, landbouw en voeding kwijting voor de uitvoering van de begroting van het Uitvoerend Agentschap voor het begrotingsjaar 2018;

2. formuleert zijn opmerkingen in de resolutie die een integrerend deel uitmaakt van de besluiten tot het verlenen van kwijting voor de uitvoering van de algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2018, afdeling III - Commissie en uitvoerende agentschappen, evenals in zijn resolutie van ... over de speciale verslagen van de Rekenkamer in de context van de verlening van kwijting aan de Commissie voor het begrotingsjaar 2018[43];

3. verzoekt zijn Voorzitter dit besluit, het besluit over het verlenen van kwijting voor de uitvoering van de algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2018, afdeling III – Commissie en de resolutie die een integrerend deel uitmaakt van deze besluiten, te doen toekomen aan de directeur van het Uitvoerend Agentschap voor consumenten, gezondheid, landbouw en voeding, de Raad, de Commissie en de Rekenkamer, en te zorgen voor publicatie ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie (L-serie).

 


 

5. ONTWERPBESLUIT VAN HET EUROPEES PARLEMENT

over het verlenen van kwijting voor de uitvoering van de begroting van het Uitvoerend Agentschap Europese Onderzoeksraad voor het begrotingsjaar 2018

(2019/2055(DEC))

Het Europees Parlement,

 gezien de algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2018[44],

 gezien de geconsolideerde jaarrekening van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2018 (COM(2019)0316 – C9-0050/2019)[45],

 gezien de definitieve jaarrekening van het Uitvoerend Agentschap Europese Onderzoeksraad voor het begrotingsjaar 2018[46],

 gezien het verslag van de Commissie betreffende de follow-up van de kwijting voor het begrotingsjaar 2017 (COM(2019)0334),

 gezien het jaarverslag van de Commissie aan de kwijtingsautoriteit over de in 2018 uitgevoerde interne controles (COM(2019)0350) en het bijbehorende werkdocument van de diensten van de Commissie (SWD(2019)0300),

 gezien het verslag van de Rekenkamer over de jaarrekeningen van het Uitvoerend Agentschap Europese Onderzoeksraad voor het begrotingsjaar 2018, vergezeld van het antwoord van het Agentschap[47],

 gezien de verklaring van de Rekenkamer[48] voor het begrotingsjaar 2018 waarin de betrouwbaarheid van de rekeningen en de wettigheid en regelmatigheid van de onderliggende verrichtingen worden bevestigd, als bedoeld in artikel 287 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

 gezien de aanbeveling van de Raad van 18 februari 2020 over de aan de uitvoerende agentschappen te verlenen kwijting voor de uitvoering van de begroting voor het begrotingsjaar 2018 (05762/2020 – C9-0019/2020),

 gezien de artikelen 317, 318 en 319 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

 gezien artikel 106 bis van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie,

 gezien Verordening (EU, Euratom) nr. 966/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 25 oktober 2012 tot vaststelling van de financiële regels van toepassing op de algemene begroting van de Unie en tot intrekking van Verordening (EG, Euratom) nr. 1605/2002[49], en met name de artikelen 62, 164, 165 en 166,

 gezien Verordening (EU, Euratom) 2018/1046 van het Europees Parlement en de Raad van 18 juli 2018 tot vaststelling van de financiële regels van toepassing op de algemene begroting van de Unie, tot wijziging van Verordeningen (EU) nr. 1296/2013, (EU) nr. 1301/2013, (EU) nr. 1303/2013, (EU) nr. 1304/2013, (EU) nr. 1309/2013, (EU) nr. 1316/2013, (EU) nr. 223/2014, (EU) nr. 283/2014 en Besluit nr. 541/2014/EU en tot intrekking van Verordening (EU, Euratom) nr. 966/2012[50], en met name de artikelen 69, 260, 261 en 262,

 gezien Verordening (EG) nr. 58/2003 van de Raad van 19 december 2002 tot vaststelling van het statuut van de uitvoerende agentschappen waaraan bepaalde taken voor het beheer van communautaire programma's worden gedelegeerd[51], en met name artikel 14, lid 3,

 gezien Verordening (EG) nr. 1653/2004 van de Commissie van 21 september 2004 houdende een model voor het financieel reglement van de uitvoerende agentschappen overeenkomstig Verordening (EG) nr. 58/2003 van de Raad tot vaststelling van het statuut van de uitvoerende agentschappen waaraan bepaalde taken voor het beheer van communautaire programma's worden gedelegeerd[52], en met name artikel 66, eerste en tweede alinea,

 gezien Uitvoeringsbesluit van de Commissie 2013/779/EU van 17 december 2013 tot oprichting van het Uitvoerend Agentschap Europese Onderzoeksraad en tot intrekking van Besluit 2008/37/EG[53],

 gezien artikel 99 en bijlage V van zijn Reglement,

 gezien de verslagen van de Commissie buitenlandse zaken; de Commissie ontwikkelingssamenwerking; de Commissie werkgelegenheid en sociale zaken; de Commissie milieubeheer, volksgezondheid en voedselveiligheid; de Commissie vervoer en toerisme; de Commissie regionale ontwikkeling; de Commissie landbouw en plattelandsontwikkeling; de Commissie cultuur en onderwijs; de Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken en de Commissie rechten van de vrouw en gendergelijkheid,

 gezien het verslag van de Commissie begrotingscontrole (A9-0069/2020),

A. overwegende dat de Commissie overeenkomstig artikel 17, lid 1, van het Verdrag betreffende de Europese Unie de begroting uitvoert en de programma's beheert en dit overeenkomstig artikel 317 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie in samenwerking met de lidstaten doet onder haar eigen verantwoordelijkheid en overeenkomstig het beginsel van goed financieel beheer;

1. verleent de directeur van het Uitvoerend Agentschap Europese Onderzoeksraad kwijting voor de uitvoering van de begroting van het uitvoerend agentschap voor het begrotingsjaar 2018;

2. formuleert zijn opmerkingen in de resolutie die een integrerend deel uitmaakt van de besluiten tot het verlenen van kwijting voor de uitvoering van de algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2018, afdeling III - Commissie en uitvoerende agentschappen, evenals in zijn resolutie van ... over de speciale verslagen van de Rekenkamer in de context van de verlening van kwijting aan de Commissie voor het begrotingsjaar 2018[54];

3. verzoekt zijn Voorzitter dit besluit, het besluit over het verlenen van kwijting voor de uitvoering van de algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2018, afdeling III – Commissie en de resolutie die een integrerend deel uitmaakt van deze besluiten, te doen toekomen aan de directeur van het Uitvoerend Agentschap Europese Onderzoeksraad, de Raad, de Commissie en de Rekenkamer, en te zorgen voor publicatie ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie (L-serie).

 


 

6. ONTWERPBESLUIT VAN HET EUROPEES PARLEMENT

over het verlenen van kwijting voor de uitvoering van de begroting van het Uitvoerend Agentschap onderzoek voor het begrotingsjaar 2018

(2019/2055(DEC))

Het Europees Parlement,

 gezien de algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2018[55],

 gezien de geconsolideerde jaarrekening van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2018 (COM(2019)0316 – C9-0050/2019)[56],

 gezien de definitieve jaarrekening van het Uitvoerend Agentschap onderzoek voor het begrotingsjaar 2018[57],

 gezien het verslag van de Commissie betreffende de follow-up van de kwijting voor het begrotingsjaar 2017 (COM(2019)0334),

 gezien het jaarverslag van de Commissie aan de kwijtingsautoriteit over de in 2018 uitgevoerde interne controles (COM(2019)0350) en het bijbehorende werkdocument van de diensten van de Commissie (SWD(2019)0300),

 gezien het verslag van de Rekenkamer over de jaarrekeningen van het Uitvoerend Agentschap onderzoek voor het begrotingsjaar 2018, vergezeld van het antwoord van het Agentschap[58],

 gezien de verklaring van de Rekenkamer[59] voor het begrotingsjaar 2018 waarin de betrouwbaarheid van de rekeningen en de wettigheid en regelmatigheid van de onderliggende verrichtingen worden bevestigd, als bedoeld in artikel 287 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

 gezien de aanbeveling van de Raad van 18 februari 2020 over de aan de uitvoerende agentschappen te verlenen kwijting voor de uitvoering van de begroting voor het begrotingsjaar 2018 (05762/2020 – C9-0019/2020),

 gezien de artikelen 317, 318 en 319 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

 gezien artikel 106 bis van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie,

 gezien Verordening (EU, Euratom) nr. 966/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 25 oktober 2012 tot vaststelling van de financiële regels van toepassing op de algemene begroting van de Unie en tot intrekking van Verordening (EG, Euratom) nr. 1605/2002[60], en met name de artikelen 62, 164, 165 en 166,

 gezien Verordening (EU, Euratom) 2018/1046 van het Europees Parlement en de Raad van 18 juli 2018 tot vaststelling van de financiële regels van toepassing op de algemene begroting van de Unie, tot wijziging van Verordeningen (EU) nr. 1296/2013, (EU) nr. 1301/2013, (EU) nr. 1303/2013, (EU) nr. 1304/2013, (EU) nr. 1309/2013, (EU) nr. 1316/2013, (EU) nr. 223/2014, (EU) nr. 283/2014 en Besluit nr. 541/2014/EU en tot intrekking van Verordening (EU, Euratom) nr. 966/2012[61], en met name de artikelen 69, 260, 261 en 262,

 gezien Verordening (EG) nr. 58/2003 van de Raad van 19 december 2002 tot vaststelling van het statuut van de uitvoerende agentschappen waaraan bepaalde taken voor het beheer van communautaire programma's worden gedelegeerd[62], en met name artikel 14, lid 3,

 gezien Verordening (EG) nr. 1653/2004 van de Commissie van 21 september 2004 houdende een model voor het financieel reglement van de uitvoerende agentschappen overeenkomstig Verordening (EG) nr. 58/2003 van de Raad tot vaststelling van het statuut van de uitvoerende agentschappen waaraan bepaalde taken voor het beheer van communautaire programma's worden gedelegeerd[63], en met name artikel 66, eerste en tweede alinea,

 gezien Uitvoeringsbesluit 2013/778/EU van de Commissie van 13 december 2013 tot oprichting van het Uitvoerend Agentschap onderzoek en tot intrekking van Besluit 2008/46/EG[64],

 gezien artikel 99 en bijlage V van zijn Reglement,

 gezien de verslagen van de Commissie buitenlandse zaken; de Commissie ontwikkelingssamenwerking; de Commissie werkgelegenheid en sociale zaken; de Commissie milieubeheer, volksgezondheid en voedselveiligheid; de Commissie vervoer en toerisme; de Commissie regionale ontwikkeling; de Commissie landbouw en plattelandsontwikkeling; de Commissie cultuur en onderwijs; de Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken en de Commissie rechten van de vrouw en gendergelijkheid,

 gezien het verslag van de Commissie begrotingscontrole (A9-0069/2020),

A. overwegende dat de Commissie overeenkomstig artikel 17, lid 1, van het Verdrag betreffende de Europese Unie de begroting moet uitvoeren en de programma's moet beheren en dit overeenkomstig artikel 317 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie moet doen in samenwerking met de lidstaten, onder haar eigen verantwoordelijkheid en overeenkomstig het beginsel van goed financieel beheer;

1. verleent de directeur van het Uitvoerend Agentschap onderzoek kwijting voor de uitvoering van de begroting van het uitvoerend agentschap voor het begrotingsjaar 2018;

2. formuleert zijn opmerkingen in de resolutie die een integrerend deel uitmaakt van de besluiten tot het verlenen van kwijting voor de uitvoering van de algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2018, afdeling III - Commissie en uitvoerende agentschappen, evenals in zijn resolutie van ... over de speciale verslagen van de Rekenkamer in de context van de verlening van kwijting aan de Commissie voor het begrotingsjaar 2018[65];

3. verzoekt zijn Voorzitter dit besluit, het besluit over het verlenen van kwijting voor de uitvoering van de algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2018, afdeling III – Commissie en de resolutie die een integrerend deel uitmaakt van deze besluiten, te doen toekomen aan de directeur van het Uitvoerend Agentschap onderzoek, de Raad, de Commissie en de Rekenkamer, en te zorgen voor publicatie ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie (L-serie).

 


 

7. ONTWERPBESLUIT VAN HET EUROPEES PARLEMENT

over het verlenen van kwijting voor de uitvoering van de begroting van het Uitvoerend Agentschap innovatie en netwerken voor het begrotingsjaar 2018

(2019/2055(DEC))

Het Europees Parlement,

 gezien de algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2018[66],

 gezien de geconsolideerde jaarrekening van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2018 (COM(2019)0316 – C9-0050/2019)[67],

 gezien de definitieve jaarrekening van het Uitvoerend Agentschap innovatie en netwerken voor het begrotingsjaar 2018[68],

 gezien het verslag van de Commissie betreffende de follow-up van de kwijting voor het begrotingsjaar 2017 (COM(2019)0334),

 gezien het jaarverslag van de Commissie aan de kwijtingsautoriteit over de in 2018 uitgevoerde interne controles (COM(2019)0350) en het bijbehorende werkdocument van de diensten van de Commissie (SWD(2019)0300),

 gezien het verslag van de Rekenkamer over de jaarrekeningen van het Uitvoerend Agentschap innovatie en netwerken voor het begrotingsjaar 2018, vergezeld van het antwoord van het Agentschap[69],

 gezien de verklaring van de Rekenkamer[70] voor het begrotingsjaar 2018 waarin de betrouwbaarheid van de rekeningen en de wettigheid en regelmatigheid van de onderliggende verrichtingen worden bevestigd, als bedoeld in artikel 287 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

 gezien de aanbeveling van de Raad van 18 februari 2020 over de aan de uitvoerende agentschappen te verlenen kwijting voor de uitvoering van de begroting voor het begrotingsjaar 2018 (05762/2020 – C9-0019/2020),

 gezien de artikelen 317, 318 en 319 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

 gezien artikel 106 bis van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie,

 gezien Verordening (EU, Euratom) nr. 966/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 25 oktober 2012 tot vaststelling van de financiële regels van toepassing op de algemene begroting van de Unie en tot intrekking van Verordening (EG, Euratom) nr. 1605/2002[71], en met name de artikelen 62, 164, 165 en 166,

 gezien Verordening (EU, Euratom) 2018/1046 van het Europees Parlement en de Raad van 18 juli 2018 tot vaststelling van de financiële regels van toepassing op de algemene begroting van de Unie, tot wijziging van Verordeningen (EU) nr. 1296/2013, (EU) nr. 1301/2013, (EU) nr. 1303/2013, (EU) nr. 1304/2013, (EU) nr. 1309/2013, (EU) nr. 1316/2013, (EU) nr. 223/2014, (EU) nr. 283/2014 en Besluit nr. 541/2014/EU en tot intrekking van Verordening (EU, Euratom) nr. 966/2012[72], en met name de artikelen 69, 260, 261 en 262,

 gezien Verordening (EG) nr. 58/2003 van de Raad van 19 december 2002 tot vaststelling van het statuut van de uitvoerende agentschappen waaraan bepaalde taken voor het beheer van communautaire programma's worden gedelegeerd[73], en met name artikel 14, lid 3,

 gezien Verordening (EG) nr. 1653/2004 van de Commissie van 21 september 2004 houdende een model voor het financieel reglement van de uitvoerende agentschappen overeenkomstig Verordening (EG) nr. 58/2003 van de Raad tot vaststelling van het statuut van de uitvoerende agentschappen waaraan bepaalde taken voor het beheer van communautaire programma's worden gedelegeerd[74], en met name artikel 66, eerste en tweede alinea,

 gezien Uitvoeringsbesluit 2013/801/EU van de Commissie van 23 december 2013 tot oprichting van het Uitvoerend Agentschap innovatie en netwerken en tot intrekking van Besluit 2007/60/EG, als gewijzigd bij Besluit 2008/593/EG[75],

 gezien artikel 99 en bijlage V van zijn Reglement,

 gezien de verslagen van de Commissie buitenlandse zaken; de Commissie ontwikkelingssamenwerking; de Commissie werkgelegenheid en sociale zaken; de Commissie milieubeheer, volksgezondheid en voedselveiligheid; de Commissie vervoer en toerisme; de Commissie regionale ontwikkeling; de Commissie landbouw en plattelandsontwikkeling; de Commissie cultuur en onderwijs; de Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken en de Commissie rechten van de vrouw en gendergelijkheid,

 gezien het verslag van de Commissie begrotingscontrole (A9-0069/2020),

A. overwegende dat de Commissie overeenkomstig artikel 17, lid 1, van het Verdrag betreffende de Europese Unie de begroting moet uitvoeren en de programma's moet beheren en dit overeenkomstig artikel 317 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie moet doen in samenwerking met de lidstaten, onder haar eigen verantwoordelijkheid en overeenkomstig het beginsel van goed financieel beheer;

1. verleent de directeur van het Uitvoerend Agentschap innovatie en netwerken kwijting voor de uitvoering van de begroting van het Uitvoerend Agentschap voor het begrotingsjaar 2018;

2. formuleert zijn opmerkingen in de resolutie die een integrerend deel uitmaakt van de besluiten tot het verlenen van kwijting voor de uitvoering van de algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2018, afdeling III - Commissie en uitvoerende agentschappen, evenals in zijn resolutie van ... over de speciale verslagen van de Rekenkamer in de context van de verlening van kwijting aan de Commissie voor het begrotingsjaar 2018[76];

3. verzoekt zijn Voorzitter dit besluit, het besluit over het verlenen van kwijting voor de uitvoering van de algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2018, afdeling III – Commissie en de resolutie die een integrerend deel uitmaakt van deze besluiten, te doen toekomen aan de directeur van het Uitvoerend Agentschap innovatie en netwerken, de Raad, de Commissie en de Rekenkamer, en te zorgen voor publicatie ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie (L-serie).

 


 

8. ONTWERPBESLUIT VAN HET EUROPEES PARLEMENT

over de afsluiting van de rekeningen van de algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2018, afdeling III – Commissie

(2019/2055(DEC))

Het Europees Parlement,

 gezien de algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2018[77],

 gezien de geconsolideerde jaarrekening van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2018 (COM(2019)0316 – C9-0050/2019)[78],

 gezien het verslag van de Commissie betreffende de follow-up van de kwijting voor het begrotingsjaar 2017 (COM(2019)0334),

 gezien het jaarlijks beheers- en prestatieverslag van de Commissie over de EU-begroting 2018 (COM(2019)0299),

 gezien het jaarverslag van de Commissie aan de kwijtingsautoriteit over de in 2018 uitgevoerde interne controles (COM(2019)0350) en het bijbehorende werkdocument van de diensten van de Commissie (SWD(2019)0300),

 gezien het jaarverslag van de Rekenkamer over de uitvoering van de begroting voor het begrotingsjaar 2018, tezamen met de antwoorden van de instellingen[79], en de speciale verslagen van de Rekenkamer,

 gezien de verklaring van de Rekenkamer[80] voor het begrotingsjaar 2018, waarin de betrouwbaarheid van de rekeningen en de wettigheid en regelmatigheid van de onderliggende verrichtingen worden bevestigd, overeenkomstig artikel 287 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

 gezien de aanbeveling van de Raad van 18 februari 2020 over de aan de Commissie te verlenen kwijting voor de uitvoering van de begroting voor het begrotingsjaar 2018 (05760/2020 – C9-0018/2020),

 gezien de artikelen 317, 318 en 319 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

 gezien artikel 106 bis van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie,

 gezien Verordening (EU, Euratom) nr. 966/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 25 oktober 2012 tot vaststelling van de financiële regels van toepassing op de algemene begroting van de Unie en tot intrekking van Verordening (EG, Euratom) nr. 1605/2002[81], en met name de artikelen 62, 164, 165 en 166,

 gezien Verordening (EU, Euratom) 2018/1046 van het Europees Parlement en de Raad van 18 juli 2018 tot vaststelling van de financiële regels van toepassing op de algemene begroting van de Unie, tot wijziging van Verordeningen (EU) nr. 1296/2013, (EU) nr. 1301/2013, (EU) nr. 1303/2013, (EU) nr. 1304/2013, (EU) nr. 1309/2013, (EU) nr. 1316/2013, (EU) nr. 223/2014, (EU) nr. 283/2014 en Besluit nr. 541/2014/EU en tot intrekking van Verordening (EU, Euratom) nr. 966/2012[82], en met name de artikelen 69, 260, 261 en 262,

 gezien Verordening (EG) nr. 58/2003 van de Raad van 19 december 2002 tot vaststelling van het statuut van de uitvoerende agentschappen waaraan bepaalde taken voor het beheer van communautaire programma's worden gedelegeerd[83], en met name artikel 14, leden 2 en 3,

 gezien artikel 99 en bijlage V van zijn Reglement,

 gezien de verslagen van de Commissie buitenlandse zaken; de Commissie ontwikkelingssamenwerking; de Commissie werkgelegenheid en sociale zaken; de Commissie milieubeheer, volksgezondheid en voedselveiligheid; de Commissie vervoer en toerisme; de Commissie regionale ontwikkeling; de Commissie landbouw en plattelandsontwikkeling; de Commissie cultuur en onderwijs; de Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken en de Commissie rechten van de vrouw en gendergelijkheid,

 gezien het verslag van de Commissie begrotingscontrole (A9-0069/2020),

1. hecht zijn goedkeuring aan de afsluiting van de rekeningen van de algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2018;

2. formuleert zijn opmerkingen in de resolutie die een integrerend deel uitmaakt van de besluiten tot het verlenen van kwijting voor de uitvoering van de algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2018, afdeling III - Commissie en uitvoerende agentschappen, evenals in zijn resolutie van ... over de speciale verslagen van de Rekenkamer in de context van de verlening van kwijting aan de Commissie voor het begrotingsjaar 2018[84];

3. verzoekt zijn Voorzitter dit besluit te doen toekomen aan de Raad, de Commissie, het Hof van Justitie van de Europese Unie, de Rekenkamer en de Europese Investeringsbank, alsmede aan de nationale parlementen en de nationale en regionale controle-instanties van de lidstaten, en te zorgen voor publicatie ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie (L-serie).


 

9. ONTWERPRESOLUTIE VAN HET EUROPEES PARLEMENT

met de opmerkingen die een integrerend deel uitmaken van de besluiten over het verlenen van kwijting voor de uitvoering van de algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2018, afdeling III – Commissie en uitvoerende agentschappen

(2019/2055(DEC))

Het Europees Parlement,

 gezien zijn besluit over het verlenen van kwijting voor de uitvoering van de algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2018, afdeling III - Commissie,

 gezien zijn besluiten over het verlenen van kwijting voor de uitvoering van de begrotingen van de uitvoerende agentschappen voor het begrotingsjaar 2018,

 gezien artikel 99 en bijlage V van zijn Reglement,

 gezien de verslagen van de Commissie buitenlandse zaken; de Commissie ontwikkelingssamenwerking; de Commissie werkgelegenheid en sociale zaken; de Commissie milieubeheer, volksgezondheid en voedselveiligheid; de Commissie vervoer en toerisme; de Commissie regionale ontwikkeling; de Commissie landbouw en plattelandsontwikkeling; de Commissie cultuur en onderwijs; de Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken en de Commissie rechten van de vrouw en gendergelijkheid,

 gezien het verslag van de Commissie begrotingscontrole (A9-0069/2020),

A. overwegende dat de uitgaven van de Unie in aanzienlijke mate bijdragen aan de verwezenlijking van beleidsdoelstellingen en gemiddeld 1,9 % van de overheidsuitgaven van de lidstaten vertegenwoordigen;

B. overwegende dat het Parlement bij het verlenen van kwijting aan de Commissie controleert of de middelen correct zijn besteed en of de beleidsdoelstellingen zijn verwezenlijkt;

Beleidsprioriteiten

1. benadrukt dat wanneer de Commissie in samenspraak met de lidstaten de begroting van de Unie ten uitvoer legt, ongeacht de wijze van uitvoering – gedeeld, direct of indirect beheer –, eerbiediging van de rechtsstaat een van de essentiële voorwaarden is voor de naleving van het beginselen van goed financieel beheer dat is vastgelegd in artikel 317 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU); alle actoren moeten ernaar streven de middelen op de meest transparante, doeltreffende en efficiënte wijze te gebruiken; is bezorgd over het financiële verlies als gevolg van algemene tekortkomingen met betrekking tot de rechtsstaat in een aantal lidstaten en blijft erbij dat de Unie in dergelijke gevallen in staat moet zijn passende maatregelen op te leggen, met inbegrip van opschorting, vermindering en beperking van toegang tot EU-financiering; verwelkomt derhalve het voorstel voor een verordening inzake de bescherming van de begroting van de Unie in geval van fundamentele tekortkomingen op het gebied van de rechtsstaat in de lidstaten, en roept ertoe op dit voorstel met prioriteit aan te nemen;

2. onderstreept dat, in de context van de schaarse financiële middelen binnen de EU‑begroting waarmee de toenemende prioriteiten en verantwoordelijkheden van de Unie moeten worden ondersteund, de bescherming van de financiële belangen van de Unie van het allergrootste belang is en dat op alle niveaus alles in het werk moet worden gesteld om fraude, corruptie en misbruik van EU-middelen te voorkomen en te bestrijden;

benadrukt dat de instelling van het EOM een fundamentele stap is op weg naar betere bescherming van de financiële belangen van de EU; betreurt de onderfinanciering en onderbezetting van het EOM in de opbouwfase en de onderschatting van zijn behoeften door de Commissie;

wijst erop dat het EOM tot 3 000 zaken per jaar moet afhandelen; benadrukt dat het EOM behoefte heeft aan 76 extra posten en 8 miljoen EUR, wil het tegen het einde van 2020, zoals beoogd, volledig operationeel zijn; spoort de Commissie aan een ontwerp van gewijzigde begroting voor te leggen; herhaalt dat het Parlement sterk gekant is tegen de personeelsinkrimping met 45 posten bij OLAF;

3. herinnert eraan dat de definitie van belangenconflicten verruimd is ingevolge artikel 61 van het Financieel Reglement, dat op 2 augustus 2018 in werking is getreden; verzoekt de Commissie, als hoedster van de Verdragen, alle vormen van belangenconflicten te bestrijden en stelselmatig een evaluatie te maken van de preventieve maatregelen die de lidstaten hebben genomen om deze te vermijden; vraagt de Commissie gemeenschappelijke richtsnoeren op te stellen voor het vermijden van belangenconflicten bij vooraanstaande politici; vraagt de Raad met klem gemeenschappelijke ethische normen aan te nemen ten aanzien van alle kwesties met betrekking tot belangenconflicten en te zorgen voor een gemeenschappelijk standpunt in alle lidstaten; benadrukt dat, gelet op de wijdverbreide problemen van belangenconflicten bij de verdeling van de landbouwfondsen van de EU, het ongewenst is dat leden van de Europese Raad, landbouwministers, functionarissen, of hun familieleden, beslissingen nemen over inkomenssteun;

4. is ingenomen met het voornemen van de Rekenkamer om een verificatiemethode te volgen, waarbij de Rekenkamer voldoende en passende informatie verzamelt om tot een conclusie te kunnen komen over de zekerheid die door de verantwoordelijke entiteit wordt uitgesproken; herinnert aan de vaststelling van de Rekenkamer dat de kwaliteit en de betrouwbaarheid van de nationale autoriteiten snel moeten worden verbeterd en dat in de verificatiemethode rekening moet worden gehouden met deze feiten; pleit ervoor dat de Rekenkamer zijn steekproefsgewijze controles aanvult met een risicogebaseerde benadering, zodat in haar verslagen over foutenpercentages meer rekening wordt gehouden met gebieden waar de problemen zich naar alle waarschijnlijkheid manifesteren;

5. verzoekt de Commissie daarom nauw met de lidstaten samen te werken om te garanderen dat de gegevens compleet, nauwkeurig en betrouwbaar zijn en daarbij rekening te houden met het doel om het “single audit”-model volledig ten uitvoer te leggen; verzoekt de Commissie om te zorgen dat er een transparante methode en consistente terminologie wordt gebruikt en om haar verslaglegging, met name ten aanzien van foutenpercentages, te stroomlijnen om zo verwarring en een gebrek aan transparantie te voorkomen;

6. stelt vast dat het een hele uitdaging is om te meten wat er is verwezenlijkt op het gebied van de prioriteiten, beleidsmaatregelen en programma’s van de Unie; stelt evenwel vast dat doeltreffende prestatiemonitoring van essentieel belang is om inzicht te krijgen in de situatie, nieuwe problemen op te sporen en corrigerende maatregelen te nemen wanneer de doelstellingen niet worden gehaald of wanneer de resultaten van bepaalde beleidsmaatregelen van de Unie een nadelig effect kunnen hebben op de verwezenlijking van de vastgestelde doelstellingen van andere beleidsmaatregelen;

7. verzoekt de Commissie om:

- de afstemming tussen de algemene doelstellingen op hoog niveau en de specifieke beleids- en programmadoelstellingen te verbeteren;

- striktere kernprestatie-indicatoren (KPI’s) vast te stellen die het effect en de resultaten van de uitgavenprogramma’s en -beleidsmaatregelen van de Unie weerspiegelen in plaats van de prestaties van de autoriteiten die deze uitvoeren;

- gebruik te maken van actuele informatie over prestaties, zodat de doelstellingen en indicatoren tijdig kunnen worden aangepast;

- meer nadruk te leggen op het algehele effect en de meerwaarde van EU-financiering, en niet alleen te kijken naar directe resultaten;

8. is ingenomen met het voornemen van de Rekenkamer om in haar jaarverslag de kwijtingsautoriteiten voor elk beleid van de Unie te voorzien van een beoordeling op het gebied van naleving en doeltreffendheid, waarbij zij de hoofdstukken van de begrotingsposten aanhoudt;

9. spoort de Commissie en de Rekenkamer aan het kwijtingsproces te versnellen naar n+1;

10. wijst andermaal op de noodzaak van nauwere samenwerking tussen de douanediensten van de lidstaten om te voorkomen dat de begrotingen van de Unie en de lidstaten worden geschaad, met name wat betreft btw-verliezen, elektronische handel en namaakproducten;

11. dringt er bij de Commissie op aan om, samen met de lidstaten, na te gaan hoe douanerechten doeltreffender kunnen worden geïnd en alle bedragen waarvan de betaling frauduleus is vermeden, kunnen worden teruggevorderd; alsook verbeteringen in overweging te nemen die kunnen worden aangebracht in de terugvordering van douane-inkomsten;

12. is bezorgd over het risico op onderwaardering van leveringen van goederen in het kader van elektronische handel vanuit derde landen en verzoekt de Commissie in de lidstaten voldoende controle- en toezichtsactiviteiten uit te voeren om te zorgen voor betere samenwerking;

13. stelt vast dat het Europees innovatiescorebord in de meeste lidstaten een positieve trend heeft laten zien in de afgelopen jaren;

14. verzoekt de Commissie meer aandacht te besteden aan de geografische verdeling van de onderzoeksmiddelen om zo bij te dragen aan het verspreiden van onderzoek van het hoogste niveau in de gehele Unie en aan het creëren van een gelijk speelveld voor groei en banen; stelt voor meer gebruik te maken van de structuurfondsen om innovatie en excellentie te bevorderen; onderstreept dat met de kaderprogramma’s alle fasen van onderzoek en innovatie moeten worden gefinancierd; brengt in herinnering dat fundamentele onderzoeksprojecten vaak alleen op langere termijn tastbare resultaten opleveren, maar toch onontbeerlijk zijn om excellent onderzoek en excellente innovatie in de EU te waarborgen, alsook om de beste wetenschappers aan te trekken; stelt met bezorgdheid vast dat de bescherming van de financiële belangen van de EU door sommige aan gezamenlijke onderzoeksprojecten deelnemende derde landen in gevaar wordt gebracht;

15. herhaalt zijn bezorgdheid over het feit dat het hoge niveau van niet-afgewikkelde vastleggingen voornamelijk te wijten is aan de late start van de financiering van projecten en programma’s van de financiële vooruitzichten voor de periode 2014-2020 en de trage tenuitvoerlegging van de Europese structuur- en investeringsfondsen; verzoekt de respectieve lidstaten vaart te zetten achter de uitvoering van de cohesiebeleidsprogramma’s en de daarmee samenhangende betalingen, zonder de nodige controles te versoepelen, alsook om de transparantie voor aanvragers te vergroten en de complexiteit te verminderen, om de duur van de uitvoeringsperiode te verkorten; spoort de Commissie aan voor te stellen om terug te keren naar de n+2-regel; roept de Commissie op nauw toezicht te houden op de uitvoering door de lidstaten in het geval van ondermaatse uitvoering of lage absorptiepercentages;

16. wijst op het cruciale belang van het cohesiebeleid en de ESI-fondsen voor het terugdringen van de ongelijkheden tussen lidstaten en regio’s, het bevorderen van economische groei en werkgelegenheid, het bestrijden van armoede en sociale uitsluiting en zodoende het verbeteren van het dagelijks leven van de Europese burger;

17. nodigt de Commissie uit om samen met nationale, regionale of lokale overheden de technische ondersteuning (opleidingssessies, communicatie enz.) uit te breiden om zo tot betere absorptiepercentages te komen;

18. stelt vast dat overeenkomstig het recht van de Unie de begunstigden van de rechtstreekse betalingen in het kader van het GLB de landbouwers zijn die de grond bewerken; verzoekt de Commissie ervoor te zorgen dat er regels worden vastgesteld om te voorkomen dat subsidies van de Unie worden verstrekt aan ontvangers die de grond in kwestie hebben verkregen met illegale of frauduleuze middelen, zoals in sommige lidstaten is opgemerkt; onderstreept met het oog op de gevallen die in Slowakije en Italië door OLAF zijn gerapporteerd, dat de Commissie met voorstellen moet komen die duidelijk aangeven dat lease- of eigendomscontracten met betrekking tot grond zijn gebaseerd op de rechtsstaat, en dat de nationale wetgeving met betrekking tot rechten van werknemers, met inbegrip van rechten met betrekking tot inkomsten van werknemers in de landbouw, wordt nageleefd; verzoekt de Commissie in samenwerking met de nationale agentschappen te komen met een gestandaardiseerd en openbaar toegankelijk formaat (met inachtneming van het desbetreffende uitspraak van het Europees Hof van Justitie) om de eindbegunstigden van het GLB te onthullen;

19. is uitermate bezorgd naar aanleiding van recent onderzoek door de Italiaanse autoriteiten dat 5,5 miljoen EUR fraude aan het licht bracht en waaruit blijkt dat diverse maffia-achtige organisaties de EU-landbouwsubsidies misbruiken voor criminele doeleinden, waarbij eerlijke boeren worden bedreigd als deze deel willen nemen aan veilingen van staatsgrond en de nationale arbeidswetgeving aan de laars wordt gelapt; is van mening dat de georganiseerde misdaad de financiële belangen van de EU ondermijnt en het geld van belastingbetalers in de hele EU misbruikt en verzoekt de Commissie de nodige maatregelen te nemen om te voorkomen dat EU-middelen in criminele netwerken terechtkomen; onderstreept de behoefte aan een betere uitwisseling van informatie op nationaal niveau en tussen het nationale en het Unieniveau om snel de criminele organisaties te identificeren die illegale winsten trachten te maken; verzoekt de Commissie om de controlesystemen te versterken om herhaling hiervan te voorkomen; roept de Commissie op om de kwijtingsautoriteit op de hoogte te houden van alle nieuwe ontwikkelingen;

20. roept de Commissie op in de toegewezen middelen een beter genderevenwicht en een genderbewuste benadering van begroten te bevorderen;

21. spoort de Commissie aan te streven naar de digitalisering van haar diensten;

22. roept de Commissie op te streven naar administratieve vereenvoudiging met als doel het voor kleine structuren zoals kmo’s aantrekkelijk te maken om deel te nemen aan de EU-programma’s of openbare aanbestedingen;

23. dringt er bij de Commissie op aan om op het niveau van de Unie een specifiek klachtenmechanisme voor te stellen ter ondersteuning van landbouwers of begunstigden die worden geconfronteerd met bijvoorbeeld landroof, wangedrag van nationale autoriteiten, druk van criminele structuren of georganiseerde misdaad, of personen die zijn onderworpen aan dwangarbeid of slavenarbeid, en hen in de gelegenheid te stellen snel een klacht in te dienen bij de Commissie, die de Commissie onverwijld moet onderzoeken;

24. merkt tot zijn spijt op dat in sommige lidstaten het merendeel van de directe betalingen uit hoofde van het GLB in handen komt van een kleine groep ontvangers; keurt de vestiging van oligarchische structuren in sommige lidstaten ten zeerste af; is uitermate bezorgd over het feit dat de leden van deze oligarchische structuren met name EU‑middelen op het gebied van landbouw en cohesie gebruiken om hun eigen machtspositie te versterken; is van mening dat EU-middelen juist ten goede moeten komen aan de meerderheid van de EU-burgers;

25. maakt zich grote zorgen over recente meldingen over landbouwfondsen die naar verluidt ten goede komen aan oligarchische structuren; herhaalt dat hier sprake is van een zeer onrechtvaardige situatie voor de belastingbetalers van de EU en met name kleine boeren en plattelandsgemeenschappen; roept de Commissie op om een voorstel in te dienen tot wijziging van het GLB en de cohesieregels om tot een eerlijkere verdeling van EU-middelen te komen en daarmee een scheve verdeling te voorkomen waarbij een kleine minderheid van begunstigden (natuurlijke en rechtspersonen) het overgrote merendeel van de EU-subsidies op beide gebieden opstrijkt; acht het nodig de MFK-regels te wijzigen teneinde een situatie te vermijden waarin een natuurlijk persoon die diverse bedrijven bezit, de mogelijkheid heeft gedurende één termijn van het MFK uit hoofde van het GLB en het cohesiebeleid EU-subsidies te ontvangen die in totaal in de honderden miljoenen lopen;

26. neemt nota van de transparantievereisten voor het cohesiebeleid en het GLB, die de verantwoordelijke autoriteiten van de lidstaten verplichten in overeenstemming met de regels van gedeeld beheer een voor het publiek beschikbare lijst van eindbegunstigden bij te houden; roept de lidstaten op deze gegevens op een geharmoniseerde manier te publiceren en te zorgen voor de interoperabiliteit van de informatie; vraagt de Commissie deze gegevens te verzamelen en bijeen te voegen en lijsten van de vijftig grootste begunstigden van elk fonds in elke lidstaat te publiceren, alsook de 50 grootste begunstigden van het GLB en het cohesiebeleid (natuurlijke en rechtspersonen) in alle lidstaten, om een exact overzicht te krijgen van de verdeling van de EU-subsidies;

27. verzoekt de Commissie om, met volledige naleving van het beginsel van gedeeld beheer,

- een geharmoniseerd en gestandaardiseerd informatiesysteem voor de lidstaten in te voeren waarin zij informatie kunnen verstrekken over de eindbegunstigden van EU-middelen op het gebied van landbouw en cohesie; benadrukt dat in de informatie over eindbegunstigden de economische eigenaren van de vennootschappen (natuurlijke en rechtspersonen) moeten worden vermeld;

- een voorstel in te dienen voor een verordening tot instelling van een IT-systeem dat uniforme en gestandaardiseerde rapportering in real-time door de autoriteiten van de lidstaten mogelijk maakt en interoperabel is met de systemen in de lidstaten, teneinde meer transparantie en betere samenwerking tussen de Commissie en de lidstaten te waarborgen en de controleerbaarheid van de betalingen verder te verbeteren, en in het bijzonder bij te dragen tot een snellere opsporing van systeemfouten en misbruik;

- de lidstaten te ondersteunen bij het ontwikkelen van hun IT-systemen en de aanpassing daarvan aan het nieuwe rapportagesysteem;

- de kwaliteit en de volledigheid van de door de lidstaten verstrekte gegevens te monitoren;

- ervoor te zorgen dat de moderne gedigitaliseerde systemen de efficiëntie en de tijdigheid verbeteren en de administratieve belasting verminderen;

28. beseft dat het ontwerp en de instelling van een dergelijk IT-systeem tijd zullen vergen; erkent ten volle dat het verstrekken van informatie over begunstigen in gedeeld beheer onder de verantwoordelijkheid van de lidstaten valt; vraagt tegelijk een snellere en transparantere uitwisseling van informatie en gegevens in verband met EU-subsidies op het gebied van cohesie en GLB; verzoekt de Commissie aan de kwijtingsautoriteit een lijst toe te sturen van de 50 grootste individuele ontvangers (natuurlijke personen als economisch eigenaren van een of meerdere vennootschappen) per lidstaat alsook een lijst van de 50 grootste ontvangers (zowel natuurlijke personen en rechtspersonen als natuurlijke personen als eigenaren van meerdere vennootschappen) van alle EU‑subsidies in alle lidstaten samen; verzoekt de Commissie deze informatie jaarlijks te verstrekken aan de kwijtingsautoriteit;

29. verzoekt de Commissie om in haar voorstellen voor het MFK en de Europese Green Deal rekening te houden met de kritische conclusies van de Rekenkamer over het gebrek aan efficiëntie en doeltreffendheid van de vergroening van de GLB-regeling;

30. maakt zich met name zorgen over de alarmerende informatie van de kant van de pers en de ngo’s over de dramatische situatie van de meest kwetsbare migranten in de hotspots, met name kindmigranten en vrouwelijke vluchtelingen; verzoekt de Commissie om in samenwerking met de autoriteiten van de lidstaten specifieke maatregelen te nemen om misbruik van EU-middelen te voorkomen en misbruik en mensenhandel te vermijden, en om ervoor te zorgen dat de EU-middelen worden gebruikt om de grondrechten te beschermen;

31. stelt vast dat om het beleid van de Unie in derde landen uit te voeren, steeds meer gebruik wordt gemaakt van financiële instrumenten en trustfondsen die parallel lopen met de begroting van de Unie en benadrukt dat dit het niveau van verantwoordingsplicht en transparantie inzake het optreden van de Unie dreigt te ondermijnen; dringt erop aan dat de Commissie ervoor zorgt dat externe steun slechts wordt verstrekt indien de rechtsstaat en de mensenrechten worden gerespecteerd in de ontvangende landen; benadrukt met name dat moet worden gewaarborgd dat met de middelen van de Unie geen enkele vorm van gedwongen of kinderarbeid ondersteund wordt; is bezorgd over recente persverslagen van projecten in Eritrea waarin beschuldigingen worden geuit; dringt er bij de Commissie op aan snel te reageren op deze aantijgingen en tijdig terug te rapporteren aan de kwijtingsautoriteit;

32. is ingenomen met het voortreffelijke werk van de Rekenkamer, waarvan de werkzaamheden en speciale verslagen een cruciaal hulpmiddel vormen voor Europese transparantie en goed bestuur; neemt nota van alle aanbevelingen van de Rekenkamer in zijn speciale verslagen van 2018 en roept de Europese instellingen op deze snel uit te voeren;

Betrouwbaarheidsverklaring van de Rekenkamer

33. is ingenomen met het feit dat de Rekenkamer de rekeningen voor 2018 betrouwbaar vindt, wat al sinds 2007 het geval is, en dat zij vaststelt dat de ontvangsten in 2018 geen materiële fouten vertoonden;

34. stelt met tevredenheid vast dat de onderliggende vastleggingen bij de rekeningen voor het per 31 december 2018 afgesloten begrotingsjaar op alle materiële punten wettig en regelmatig zijn;

35. is ingenomen met de positieve tendens in het door de Rekenkamer vastgestelde meest waarschijnlijke foutenpercentage voor betalingen ten opzichte van dat van de voorbije jaren, namelijk dat de betalingen in 2018 een meest waarschijnlijk foutenpercentage vertonen van 2,6 %[85];

36. stelt vast dat de Rekenkamer voor de derde keer op rij in 26 jaar een oordeel met beperking heeft afgegeven (in plaats van een afkeurend oordeel) over de wettigheid en regelmatigheid van de onderliggende betalingen bij de rekeningen, hetgeen volgens de Rekenkamer laat zien dat de materiële fouten hoofdzakelijk beperkt waren tot uitgaven in het kader van vergoedingen, die ongeveer de helft van de controlepopulatie uitmaken;

37. betreurt ten zeerste dat de betalingen voor het 26e jaar op rij materiële fouten vertoonden omdat de toezicht- en controlesystemen slechts gedeeltelijk efficiënt zijn; benadrukt dat de lidstaten over voldoende informatie beschikken om een aanzienlijk deel van de fouten te voorkomen, op te sporen en te corrigeren alvorens de uitgaven in te dienen bij de Commissie, en dat als deze informatie zou zijn gebruikt, het geschatte foutenpercentage aanzienlijk lager zou uitvallen; roept de Commissie op de nodige instrumenten in te voeren om de foutenopsporing door de autoriteiten in de lidstaten verder te verbeteren;

38. merkt op dat de Rekenkamer het foutenpercentage van betalingen op basis van kostenvergoedingen op 4,5 % raamt (tegenover 3,7 % in 2017 en 4,8 % in 2016), terwijl het foutenpercentage van op rechten gebaseerde betalingen[86] onder de materialiteitsdrempel van 2 % lag, enkele regelingen voor plattelandsontwikkeling buiten beschouwing gelaten; betreurt dat het foutenpercentage voor op rechten gebaseerde betalingen niet duidelijk is gekwantificeerd;

39. wijst erop dat de Rekenkamer het hoogste geschatte foutenpercentage heeft vastgesteld voor de uitgaven in het kader van “economische, sociale en territoriale cohesie” (5,0 %), terwijl het laagste materiële foutenpercentage in de uitgaven voor “concurrentievermogen voor groei en banen” gelijk was aan de materialiteitsdrempel (2,0 %);

40. wijst erop dat de Rekenkamer van oordeel is dat onderzoeksuitgaven nog steeds een gebied zijn met een hoger risico en de belangrijkste bron van fouten in de rubriek concurrentievermogen;

41. merkt op dat de Rekenkamer in 2018 specifieke foutenpercentages heeft verstrekt voor vier rubrieken van het MFK: “Concurrentievermogen”, “Cohesie”, “Natuurlijke hulpbronnen”, en “Administratieve uitgaven”;

42. wijst erop dat de Rekenkamer voor 2018 een foutenpercentage per beleidsterrein heeft vermeld maar geen foutenpercentage heeft geraamd voor de uitgavengebieden van de MFK-rubrieken 3 (“Veiligheid en burgerschap”) en 4 (“Europa als wereldspeler”); verzoekt de Rekenkamer te overwegen of het nemen van een representatieve steekproef voor de controle van deze twee rubrieken nuttig zou kunnen zijn voor de beoordeling van financiële transacties; merkt voorts op dat de Rekenkamer geen specifieke foutenpercentages heeft vastgesteld met betrekking tot de plattelandsontwikkeling en de markttransacties in het kader van het GLB, en evenmin afzonderlijke foutenpercentages voor het Europees Sociaal Fonds, het Europees Fonds voor Regionale Ontwikkeling en het Cohesiefonds; stelt voor dat de Rekenkamer overweegt zijn steekproefstrategie te herzien om te zorgen voor een betere vergelijkbaarheid van de jaarresultaten;

43. betreurt dat de Rekenkamer geen foutenpercentage heeft geraamd voor de uitgavengebieden van de MFK-rubrieken 3 (“Veiligheid en burgerschap”) en 4 (“Europa als wereldspeler”); is van mening dat, hoewel de bedragen van deze rubrieken relatief laag zijn, het gaat om beleidsterreinen van bijzonder politiek belang; benadrukt dat het nemen van een representatieve steekproef voor de controle van deze twee rubrieken van wezenlijk belang is om een grondige en onafhankelijke beoordeling van de financiële transacties mogelijk te maken, en om een beter toezicht te waarborgen op het gebruik van EU-middelen door het Europees Parlement, en roept de Rekenkamer op om in haar volgende jaarverslagen gegevens op te nemen over het foutenpercentage van de betalingen;

44. merkt op dat de Rekenkamer verrichtingen ter waarde van in totaal 120,6 miljard EUR heeft gecontroleerd en dat “Natuurlijke hulpbronnen” het grootste deel van de totale populatie uitmaakt (48 %), terwijl het aandeel van het MFK 1b “Cohesie” relatief klein is (ongeveer 20 %); betreurt deze verdeling van de controlepopulatie in het licht van het zeer hoge foutenpercentage met betrekking tot cohesie; stelt voor dat de Rekenkamer zowel het aandeel van de totale EU-uitgaven als de foutengerelateerde risico’s overweegt wanneer een beslissing wordt genomen over de verdeling van het volgende controleaandeel van de algehele populatie;

45. is verbaasd over het besluit van de Rekenkamer dat “Natuurlijke hulpbronnen” het grootste deel van de totale controlepopulatie van de Rekenkamer voor haar jaarlijkse financiële en nalevingscontrole moet uitmaken, terwijl de rechtstreekse betalingen van het GLB niet foutgevoelig zijn; merkt echter op dat op het gebied van directe betalingen diverse gevallen van belangenconflicten, georganiseerde misdaad en corruptie openbaar zijn gemaakt, gevolgd door controles van de Commissie; vraagt de Commissie en de lidstaten om adequate maatregelen te treffen om gevallen die het GLB in gevaar brengen te voorkomen en op te lossen;

46. wijst erop dat de controlepopulatie van de Rekenkamer voor “Cohesie” verschilde van de voorgaande jaren en bestond uit saldobetalingen voor de periode 2007-2013 en uitgaven die werden gedekt door op jaarlijkse basis door de Commissie aanvaarde rekeningen voor de periode 2014-2020; veronderstelt dat dit betekent dat de Rekenkamer de verrichtingen heeft getoetst waarvoor alle relevante corrigerende maatregelen op lidstaatniveau waren uitgevoerd; betreurt het dat ondanks deze controlebenadering er nog altijd een zeer hoog foutenpercentage van 5 % is vastgesteld;

47. wijst erop dat, net als in voorgaande jaren susidiabiliteitsfouten (namelijk niet-subsidiabele kosten in kostendeclaraties en niet-subsidiabele projecten, activiteiten of begunstigden) de grootste bijdrage leverden aan het voor 2018 geschatte foutenpercentage voor uitgaven met een hoog risico;

48. wijst erop dat de impact van fouten inzake subsidiabiliteit evenwel kleiner was dan in 2017 (2018: 68 %, 2017: 93 %); betreurt het dat de Rekenkamer in 2018 een aanzienlijk hoger aantal fouten aantrof met betrekking tot openbare aanbestedingen, regels inzake staatssteun en procedures voor de toekenning van subsidies; roept de Commissie op deze categorieën fouten nauwlettend in de gaten te houden en te beoordelen of ze een risico vormen voor de vrije mededinging of zelfs wijzen op mogelijke gevallen van corruptie; wijst erop dat de Commissie in dit laatste geval er niet voor terug moet deinzen om corrigerende maatregelen te nemen en het Europees Openbaar Ministerie in te lichten;

49. verzoekt de Commissie de strategische kaders voor de uitvoering van de EU-begroting te stroomlijnen en te vereenvoudigen en zodoende de verantwoordingsplicht voor de resultaten te versterken en de duidelijkheid en transparantie voor alle belanghebbenden te vergroten;

Jaarlijks beheers- en prestatieverslag: beheersresultaten

Betrouwbaarheid van door de Commissie verstrekte gegevens

50. betreurt het dat de Rekenkamer het jaarlijks beheers- en prestatieverslag (AMPR) niet heeft gecontroleerd; wijst er echter op dat de Rekenkamer een aantal jaarlijkse activiteitenverslagen (JAV’s) heeft onderzocht, en met name die van DG AGRI, DG DEVCO, DG ECHO, DG NEAR, DG EMPL en DG REGIO;

51. wijst erop dat de Commissie in het hoofdstuk over het samenvattend verslag over het financieel beheer van het AMPR melding maakt van een geschat risico bij betaling van 1,7 %, en bevestigt dat het risico bij betaling “het dichtst bij het meest waarschijnlijke foutenpercentage van de Europese Rekenkamer ligt”(zie blz. 152 van het AMPR 2018, COM(2019) 0299);

52. stelt vast dat de Commissie er in 2018 op wees dat de vooruitgang vooral te danken was aan de goede score van de familie van cohesiefondsen, die op 1,1 % lag (zie AMPR 2017, blz. 77)[87]; stelt met verbazing vast dat voor hetzelfde kalenderjaar 2017 DG REGIO in zijn jaarlijkse activiteitenverslag over 2018 (op blz. 70) melding maakt van een ander foutenpercentage van 1,95 %;

53. wijst erop dat de directeur-generaal van DG EMPL in zijn JAV over 2018 op blz. 83 heeft verklaard dat:

- de directeuren-generaal van de DG’s REGIO en EMPL hadden besloten om in de JAV’s 2017 het risico te ramen met een prognose van een voorlopig restfoutenpercentage voor de uitgaven van het kalenderjaar 2017, die zij nog niet hadden aanvaard en gevalideerd;

- de Rekenkamer van mening is dat de JAV’s nog verder moeten worden gestroomlijnd en afgestemd op het nieuwe controle- en zekerheidskader. Het nieuwe controle- en zekerheidskader houdt in dat de Commissie bijna twee jaar nodig heeft vanaf het eind van de betrokken boekhoudkundige periode voordat zij voor het eerst haar conclusie over de betrouwbaarheid van het door de auditautoriteit berekende restfoutenpercentage voor een bepaald boekjaar kan geven”;

54. vraagt de Commissie ervoor te zorgen dat het jaarlijks beheers- en prestatieverslag volledig betrouwbaar is en niet uitgaat van prognoses;

55. stelt vast dat inzake externe betrekkingen DG NEAR en DG DEVCO in hun JAV’s restfoutenpercentages (RFP) gebruiken die berekend zijn door externe ondernemingen in desbetreffende studies;

56. merkt op dat voor de berekening van het RFP enkel wordt uitgegaan van contracten die tussen 1 september 2017 en 31 augustus 2018 zijn gesloten (kader 9.5 van het jaarverslag van de Rekenkamer voor 2018) en waarop alle controles en verificaties zijn toegepast;

57. benadrukt dat de restfoutenpercentages van DG DEVCO en DG NEAR niet alleen betrekking hebben op betalingen die in 2018 zijn verricht;

58. herinnert eraan dat DG HOME in verband met het Fonds voor asiel, migratie en integratie/Fonds voor interne veiligheid in 2018 heeft opgemerkt dat het “alleen het restfoutenpercentage vermeldt aangezien de nationale auditautoriteiten volgens de rechtsgrondslag niet verplicht zijn om de vastgestelde foutenpercentages aan DG HOME te melden (zie het antwoord op vraag 14, hoorzitting Avramopoulos van 18 oktober 2018); constateert derhalve dat het vermelde foutenpercentage het restfoutenpercentage is, dat wil zeggen het geschatte foutenpercentage verminderd met bedragen die overeenkomen met eventuele corrigerende maatregelen die tot een daadwerkelijke vermindering van de risicoblootstelling hebben geleid[88];

59. deelt de mening van de Rekenkamer (punt 6.74 van het jaarverslag van de Rekenkamer over 2018) dat de Commissie in het AMPR een geschat risico bij betaling presenteert voor “Economische, sociale en territoriale cohesie” maar dat dit percentage betrekking heeft op uitgaven die nog niet de volledige controlecyclus hebben doorlopen; ziet tot zijn spijt dat dit betekent dat de Commissie het foutenpercentage voor cohesie evalueert op basis van pure schattingen die worden afgezet tegen het boekjaar 2017-2018, en niet op basis van echte cijfers die zijn geverifieerd voor het boekjaar 2018 zelf;

60. benadrukt dat de Rekenkamer om die reden heeft vastgesteld dat de door de Commissie in haar AMPR verstrekte gegevens betreffende de sociale en territoriale cohesie niet betrouwbaar zijn (zie het jaarverslag van de Rekenkamer voor 2018, 6.74);

61. benadrukt voorts dat, aangezien de foutenpercentages die de Commissie op het gebied van cohesie, externe betrekkingen en een aantal van de interne beleidsterreinen heeft vastgesteld, op het restrisico gebaseerd zijn, het niet gerechtvaardigd is om het risico bij betaling dat de Commissie in haar AMPR vermeldt, te vergelijken met het geschatte foutenpercentage van de Rekenkamer;

62. wijst erop dat, indien het door de Commissie meegedeelde risico bij betaling reeds financiële correcties omvat, het corrigerend vermogen van de Unie kan worden overschat; moet helaas constateren dat dit een effect op de betrouwbaarheid kan hebben;

63. betreurt het dat de geconstateerde fouten wijzen op aanhoudende tekortkomingen in de regelmatigheid van de door de beheersautoriteiten gedeclareerde uitgaven en dat de Rekenkamer tekortkomingen heeft vastgesteld in de wijze waarop de toezichthoudende autoriteiten steekproeven nemen;

64. is van mening dat als de gedelegeerde ordonnateurs bij de bekendmaking van de specifieke gebieden van hun uitgaven waarvoor zij een voorbehoud maken, verwijzen naar de materialiteitsdrempel van 2 %, uitgedrukt als een RFP, uiteindelijk het gevaar bestaat dat zij de begroting van de Unie niet voldoende beschermen;

65. vindt het jammer dat de schattingen van het percentage onregelmatige uitgaven door de afzonderlijke directoraten-generaal niet gebaseerd zijn op een consistente methode;

66. wijst erop dat in de jaarlijkse activiteitenverslagen van de DG’s en het AMPR een complexe en onsamenhangende terminologie wordt gebruikt die het moeilijk maakt de gerapporteerde resultaten tussen verschillende de DG’s en in de loop der tijd te vergelijken;

67. wijst er met name op dat de Rekenkamer van mening is dat de Commissie in de JAV’s van de DG’s REGIO en EMPL ten minste 13 verschillende percentages noemt voor de twee programmeringsperioden als maatstaf voor de uitgaven waaraan risico is verbonden; een zo groot aantal percentages leidt tot onduidelijkheid en mogelijke verwarring over de relevantie ervan en de geboden zekerheid (DG EMPL JAV 2018, blz. 83);

68. stelt vast dat de Commissie in haar AMPR voor 2018 de term “foutenpercentage bij afsluiting” gebruikt in plaats van te verwijzen naar het begrip RFP zoals in 2017; merkt op dat dit het risico bij betaling is minus de geraamde toekomstige correcties en terugvorderingen die naar verwachting door beheerders van Uniemiddelen worden uitgevoerd met betrekking tot uitgaven over 2018 tijdens de volgende jaren van de huidige programma’s; wijst erop dat dit foutenpercentage slechts een raming is;

69. stelt vast dat volgens het AMPR voor de begroting van de Unie in 2018 (COM(2019)0299) 30 gedelegeerde ordonnateurs een onvoorwaardelijke betrouwbaarheidsverklaring verstrekten (idem in 2017), terwijl 20 betrouwbaarheidsverklaringen (idem in 2017) werden verstrekt met 40 punten van voorbehoud (tegenover 38 in 2017 en 37 in 2016) voor 2018;

70. wijst erop dat de Commissie 40 punten van voorbehoud voor 2018 heeft bekendgemaakt, waarvan 2 nieuwe en 38 terugkomende punten van voorbehoud; merkt op dat vijf terugkomende punten van voorbehoud zijn bijgewerkt, van gekwantificeerd naar niet-gekwantificeerd (of omgekeerd) of omwille van een wijziging van de reikwijdte, en dat voor alle punten van voorbehoud het effect op de uitgaven voor 2018 is (her)berekend; merkt daarom op dat het risicobedrag bij verslaglegging voor de uitgaven van 2018 ten aanzien waarvan punten van voorbehoud gelden, wordt geschat op 1 078 miljoen EUR (vergeleken met 1 053 miljoen EUR in 2017, 1 621 miljoen EUR in 2016 en 1 324 miljoen EUR in 2015);

71. betreurt het dat ondanks verbeteringen van de analysemethode van de effecten van corrigerende maatregelen, de Commissie niet het risico heeft kunnen wegnemen dat dit effect te hoog wordt ingeschat; wijst erop dat in een dergelijk geval alle in het AMPR vermelde RFP’s onbetrouwbaar zijn;

72. wijst er met name op dat voor meer dan driekwart van de uitgaven in 2018 de directoraten-generaal van de Commissie hun schattingen van het risicobedrag baseren op door de nationale autoriteiten verstrekte gegevens, hoewel uit de JAV’s van de betrokken directoraten-generaal van de Commissie (DG AGRI, DG REGIO en DG EMPL) blijkt dat de kwaliteit en de betrouwbaarheid van de controles van diverse lidstaten nog steeds een probleem zijn;

73. herhaalt zijn verzoek aan de Commissie en de lidstaten om deugdelijke procedures in te voeren om de timing, de herkomst en de bedragen van corrigerende maatregelen te bevestigen en om informatie te verstrekken waarmee het jaar waarin de betaling is verricht, het jaar waarin de betrokken fout is opgespoord en het jaar waarin terugvorderingen of financiële correcties zijn bekendgemaakt in de toelichtingen bij de rekeningen zoveel mogelijk op elkaar worden afgestemd;

74. constateert dat OLAF tussen 2012 en 2018 in totaal in 208 gevallen aanbevelingen heeft gedaan waarover de nationale autoriteiten geen beslissingen hebben genomen[89]; wijst erop dat in sommige lidstaten zelfs in de meerderheid van de gevallen de aanbevelingen van OLAF niet zijn gevolgd door maatregelen van de autoriteiten in die lidstaten, hetgeen zou kunnen leiden tot directe schade voor de financiële belangen van de Europese Unie en haar burgers;

75. wijst met bezorgdheid op de negen gevallen van vermoedelijke fraude waarover de Rekenkamer OLAF in 2018 heeft ingelicht;

76. verzoekt de Commissie de praktijken en methoden van de DG’s te vereenvoudigen en te harmoniseren om volledig te kunnen voldoen aan de vereisten van artikel 247 van het Financieel Reglement en met name lid 1, onder b), waarin het volgende is bepaald: “... het jaarlijkse beheers- en prestatieverslag [...] bevat informatie over de belangrijkste governanceregelingen in de Commissie, alsmede: i) een raming van het foutenpercentage in de uitgaven van de Unie op basis van een consistente methode en een raming van de toekomstige correcties; [...]”

77. verzoekt de Commissie overeenkomstig artikel 247 van het Financieel Reglement haar werkwijze af te stemmen op de door de Rekenkamer gebruikte methode en de begrotingsautoriteit slechts één foutenpercentage te verstrekken dat overeenkomt met het risico bij betaling (foutenpercentage bij betaling); verzoekt de Commissie de raming van de toekomstige correcties afzonderlijk bekend te maken (restfoutenpercentage); dringt er bij de Commissie op aan bij alle DG’s een consistente terminologie te hanteren ten aanzien van de verslaglegging van deze twee ramingen; pleit ervoor dat de voortgang ten aanzien van de desbetreffende kwestie vóór 30 juni 2021 wordt voorgelegd aan het Parlement;

78. verzoekt de Commissie de nodige maatregelen te nemen om van de lidstaten betrouwbare gegevens te krijgen over het foutenpercentage bij betaling; vraagt de Commissie om tijdig de nodige aanpassingen te maken in het geval er tekortkomingen worden ontdekt in de controles van de lidstaten;

79. verzoekt de Commissie alle nodige maatregelen te nemen om van de lidstaten betrouwbare gegevens te krijgen over het foutenpercentage bij betaling;

80. verzoekt de Rekenkamer om:

a)  in haar jaarverslag beide onderdelen van het AMPR te onderzoeken en te evalueren; en

b)  na te gaan of in de JAV’s van de DG’s de materialiteitsdrempel die wordt gehanteerd om het voorbehoudsmechanisme in gang te zetten, niet moet worden aangegeven als risico bij betaling in plaats van als RFP;

Financieel en begrotingsbeheer

81. merkt op dat zowel de vastleggings-, als de betalingskredieten op de definitieve begroting 2018 bijna volledig zijn gebruikt: 99,5 %, respectievelijk 98,6 %;

82. wijst erop dat er in 2018 sprake was van een aanzienlijke stijging van het aantal betalingsaanvragen van de lidstaten voor de Europese structuur- en investeringsfondsen (ESI-fondsen);

83. vindt het zorgwekkend dat voornamelijk als gevolg van vertragingen aanzienlijke bedragen aan niet-gebruikte jaarlijkse voorfinanciering in het kader van de ESI-fondsen terug naar de begroting van de Unie zijn gevloeid: 8,1 miljard EUR in 2018 (in vergelijking met 5,4 miljard EUR in 2017), resulterend in aanzienlijk hogere bestemmingsontvangsten in die twee jaar;

84. beklemtoont dat in 2018:

- er geen behoefte was aan bijkomende betalingen, en de 5,3 miljard EUR aan beschikbare overkoepelende marge voor betalingen (OMB) van de voorgaande jaren niet nodig was,

- de 5,3 miljard EUR niet kon worden overgedragen naar volgende jaren omdat de maxima van de OMB van 2019 en 2020 reeds waren bereikt,

- een aanvullend bedrag van 11,2 miljard EUR aan betalingskredieten dat in 2018 niet was gebruikt evenmin naar 2019 of 2020 kon worden overgedragen;

85. geeft aan dat volgens de prognose van de Rekenkamer (zie de paragrafen 2.15 en 2.16 van het verslag van de Rekenkamer) tegen 2020 in totaal wel eens een bedrag van 44,9 miljard EUR onbenut zou kunnen blijven; geeft aan dat de flexibiliteit die door de OMB wordt gegeven, ophoudt met het huidige MFK in 2020;

86. vindt het een reden tot zorg dat:

- de niet-afgewikkelde vastleggingen verder zijn toegenomen en aan het eind van 2018 281,2 miljard EUR bedroegen (tegen 267,3 miljard EUR in 2017), en dat ze de afgelopen zeven jaar (sinds 2011, het corresponderende jaar van het vorige MFK) met 36 % (73,7 miljard EUR) zijn gestegen,

- volgens de langetermijnraming van de Commissie (COM(2018)0687) de niet-afgewikkelde vastleggingen zullen stijgen tot 313,8 miljard EUR in 2023, wat dicht bij de projecties van de Rekenkamer ligt;

87. is uitermate bezorgd over het feit dat de niet-afgewikkelde vastleggingen in 2018 zijn blijven stijgen tot een nieuwe recordhoogte; dit vormt een ernstig risico; verzoekt de Commissie om, met het oog op het terugdringen van de huidige en verdere niet-afgewikkelde vastleggingen, haar financiële prognoses te verbeteren en, waar nodig, landen te helpen bij het vinden van subsidiabele projecten, met name projecten met een duidelijke Europese meerwaarde;

88. brengt in herinnering dat het hoge niveau van de niet-afgewikkelde vastleggingen voornamelijk wordt veroorzaakt door de langzame uitvoering van de ESI-fondsen, maar ook door het jaarlijkse verschil tussen de vastleggingen en de betalingen, en door de toenemende omvang van de begroting van de Unie (zie de snelle evaluatie van de Rekenkamer, “Niet-afgewikkelde vastleggingen in de EU-begroting nader bekeken”);

89. deelt de bezorgdheid van de Rekenkamer over het grote gevaar dat in de eerste jaren van het nieuwe MFK wel eens niet voldoende betalingskredieten beschikbaar zouden kunnen zijn voor alle te verrichten betalingen, en denkt dat dit met name het geval zou kunnen zijn in 2021, het eerste jaar van het MFK voor de periode 2021-2027 (zie paragraaf 2.20 van het verslag van de Rekenkamer);

90. merkt op dat het risico op onvoldoende betalingskredieten nog groter is gezien het feit dat de uitvoering van de ESI-fondsen zelfs nog meer vertraging heeft opgelopen dan in het voorgaande MFK; wijst er in dit opzicht op dat in negen van de dertien lidstaten die sinds 2004 zijn toegetreden tot de Unie, de niet-afgewikkelde vastleggingen meer dan 15 % van hun jaarlijkse overheidsuitgaven vertegenwoordigen en dat in het geval er niet voldoende betalingskredieten beschikbaar zijn om alle bedragen te voldoen, dit tot ernstige financiële en politieke problemen kan leiden zowel in de landen zelf als in de gehele EU;

91. stelt vast dat volgens de Rekenkamer: de absorptie van de ESI-fondsen van de lidstaten over de hele linie lager was dan in het corresponderende jaar van het vorige MFK (zie de paragrafen 2.22 t/m 2.24 van het jaarverslag van de Rekenkamer);

92. wijst er met name op dat de absorptie tijdens het huidige MFK alleen in Bulgarije, Luxemburg, Oostenrijk, Roemenië en Finland sneller verloopt dan tijdens het voorgaande MFK;

93. geeft aan dat het aantal garanties met steun van de begroting van de Unie de afgelopen jaren is toegenomen en dat dit voornamelijk toe te schrijven is aan de toevoeging van de garanties van het Europees Fonds voor strategische investeringen en het Europees Fons voor duurzame ontwikkeling; merkt op dat andere garanties de aan de EIB toegekende garanties in het kader van het mandaat voor externe leningen en de garanties van de Unie in het kader van kredietverlening omvatten, hetgeen in hoofdzaak leningen aan de lidstaten zijn;

94. maakt zich er zorgen over dat de toename van het aantal garanties betekent dat de begroting van de Unie wordt blootgesteld aan een groter risico, dat wil zeggen het door de Commissie verwachte niveau van verliezen dat door de garantiefondsen wordt gedekt, die in het kader van het nieuwe MFK in een gemeenschappelijk voorzieningsfonds bijeen zullen worden gebracht;

95. geeft aan dat de Unie de afgelopen jaren steeds meer gebruik heeft gemaakt van aan de EIB-groep ter beschikking gestelde financiële instrumenten en begrotingsgaranties, en dat er sprake is van een complexe verhouding tussen de EIB-groep en de begroting van de Unie, alsook dat de EIB-groep regelingen inzake het afleggen van verantwoording heeft die verschillen van die van de instellingen van de Unie;

96. merkt op dat de verrichtingen van de EIB-groep die niet uit de begroting van de Unie worden gefinancierd maar gericht zijn op dezelfde doelstellingen van de Unie, op dit moment niet onder het controlemandaat van de Rekenkamer vallen; merkt op dat dit betekent dat de Rekenkamer geen volledig beeld kan geven van de verhouding tussen de verrichtingen van de EIB-groep en de begroting van de Unie; ondersteunt met name het verzoek van de Rekenkamer om de niet aan de EU-begroting gerelateerde verrichtingen van de EIB te mogen controleren; verzoekt om bij de verlenging van de tripartiete overeenkomst tussen de Commissie, de EIB en de Rekenkamer, die in 2020 moet plaatsvinden, bepalingen op te nemen die de Rekenkamer meer toegang geven tot de controle van de verrichtingen van de EIB met het oog op een betere extern toezicht; verzoekt de EIB-groep voorts te zorgen voor een hoger niveau van transparantie van: de economische activiteiten, het gebruik van de EU-begrotingsgarantie, de additionaliteit van de verrichtingen van de EIB en de mogelijke toekomstige plannen voor een dochteronderneming op het gebied van ontwikkeling bij de EIB; dringt aan op een memorandum van overeenstemming tussen de EIB en het Europees Parlement om de toegang van het Parlement tot documenten en gegevens van de EIB met betrekking tot strategische richtsnoeren en financieringsbeleid te verbeteren, teneinde de verantwoordingsplicht van de bank te versterken;

97. bekrachtigt de voornaamste aanbevelingen in hoofdstuk 2 van het jaarverslag 2018 van de Rekenkamer;

98. verzoekt de Commissie maatregelen te nemen om ongepaste druk op het niveau van de betalingskredieten in de eerste jaren van het MFK voor de programmeringsperiode 2021-2027 te vermijden; vindt dat deze maatregelen gericht moeten zijn op:

a) het verbeteren van de nauwkeurigheid van de ramingen van de betalingsbehoeften;

b) het doen van een verzoek aan de begrotingsautoriteit om:

i) te zorgen voor een goed evenwicht tussen de gebudgetteerde vastleggings- en betalingskredieten voor het volgende MFK middels verhoging van de betalingskredieten, aanpassing van de vastleggingsregels, of verlaging van de vastleggingskredieten;

i) daarbij rekening te houden met de mogelijkheid van een hoog bedrag aan betalingsaanvragen in 2021 en 2022, en met het feit dat ongebruikte betalingskredieten niet naar het volgende MFK kunnen worden overgedragen;

c) het vergemakkelijken van de tijdige vaststelling van wettelijke kaders en het bevorderen van een vroegtijdige planning van programma’s door de lidstaten;

99. verzoekt de Commissie erop toe te zien dat zodra het gemeenschappelijk voorzieningsfonds is opgericht voor doeltreffend beheer en actuele monitoring van de blootstelling van de begroting van de Unie aan de daaraan verbonden garanties wordt gezorgd; verzoekt de Commissie in dit verband haar berekening van het effectieve voorzieningspercentage te baseren op een voorzichtige methodologie die stoelt op erkende goede praktijken;

100. verzoekt de Commissie de begrotingsautoriteit jaarlijks in kennis te stellen van het totaalbedrag en de uitsplitsing van de fondsen die van de begroting van de Unie zijn overgeboekt voor door de EIB-groep beheerde financieringsinstrumenten, alsook informatie te verstrekken over de mate van uitvoering van deze fondsen;

Resultaten behalen met de begroting van de Unie

101. beklemtoont dat het doel van de informatie over prestaties is aan te geven of de doelstellingen van het beleid en de programma’s van de Unie doelmatig en doeltreffend worden verwezenlijkt; is van oordeel dat indien er verbeteringen nodig zijn, de informatie over prestaties moet worden gebruikt om het proces voor het ontwerpen van de noodzakelijke corrigerende maatregelen te onderbouwen en om de uitvoering ervan continu te monitoren;

102. juicht het toe dat de Rekenkamer in 2018 de door de Commissie openbaar gemaakte informatie over prestaties heeft geanalyseerd, en met name aandacht heeft besteed aan de prestatie-indicatoren in:

- de programmaverklaringen bij de ontwerpbegroting voor 2019,

- het prestatieoverzicht van de programma’s in het kader van de begroting van de Unie voor de periode 2014-2020, dat voor het eerst in mei 2018 is gepubliceerd;

103. is van oordeel dat nalevings- en prestatiecontroles twee zijden van dezelfde munt zijn; merkt op dat het met elkaar verbinden van de twee dimensies, dat wil zeggen het beoordelen van de geboekte resultaten én het garanderen van de wettigheid en regelmatigheid van de uitgaven, de kwijtingsautoriteiten de mogelijkheid zou moeten geven voor Uniale meerwaarde te zorgen en toezicht uit te oefenen op de begroting van de Commissie;

104. betreurt het eens te meer dat de jaarlijkse activiteitenverslagen van de directeuren-generaal van de Commissie geen door hen ondertekende verklaring bevatten over de kwaliteit van de gerapporteerde gegevens over de prestaties, en dat het college van commissarissen bijgevolg door het jaarlijks beheers- en prestatieverslag over de begroting van de Unie goed te keuren de algehele politieke verantwoordelijkheid voor het beheer van de Uniebegroting op zich neemt, maar niet voor de informatie over de prestaties en resultaten;

105. is ingenomen met en stelt groot belang in het voornemen van de Rekenkamer zijn beoordeling van de prestaties van de uitgaven van de Unie in zijn jaarverslag te actualiseren, en met name voor elke MFK-rubriek een hoofdstuk over naleving en prestaties op te nemen;

106. juicht het toe dat de Rekenkamer in hoofdstuk 3 van zijn jaarverslag 2018 onder het kopje “Resultaten behalen met de begroting van de Unie” een samenvatting heeft opgenomen van de belangrijkste speciale verslagen die in het jaar in kwestie zijn gepubliceerd, uitgesplitst naar MFK-rubriek; merkt op dat uit de gepubliceerde antwoorden op de verslagen van de Rekenkamer blijkt dat de gecontroleerde entiteiten in 2018 78 % van de 388 aanbevelingen van de Rekenkamer hebben geaccepteerd (in vergelijking met 68 % in 2017), en dat in 18 % van de gevallen slechts enkele aspecten van de aanbevelingen zijn opgevolgd, en dat er dus nog altijd sprake is van serieuze onvolkomenheden; merkt op dat slechts 6 % van de aanbevelingen niet is uitgevoerd;

107. is bezorgd dat in sommige lidstaten de administratieve capaciteit mogelijkerwijs onvoldoende is;

108. is er bezorgd over dat de gegevens in de programmaverklaringen doen vermoeden dat slechts mondjesmaat vooruitgang wordt geboekt bij het verwezenlijken van de prestatiedoelstellingen, hetgeen toe te schrijven is aan de late en trage start van zowel de cohesie- als de plattelandsontwikkelingsprogramma’s;

109. beklemtoont dat de Rekenkamer aangeeft dat de indicatoren niet altijd een goed beeld geven van de werkelijke vooruitgang;

110. stelt vast dat zowel de berekening van de vooruitgang in de richting van de doelstelling ten opzichte van de uitgangswaarde, als de berekening van de vooruitgang in de richting van de doelstelling als gerapporteerd door de Commissie in het prestatie-overzicht van de programma’s (PPO) met omzichtigheid moet worden behandeld omdat veel indicatoren niet goed zijn gekozen en/of de vooruitgang voor een aantal indicatoren niet kon worden berekend; stelt vast dat bij bijna de helft van alle indicatoren het niet mogelijk was de vooruitgang ten opzichte van de uitgangswaarde te berekenen;

111. stelt bezorgd vast dat voor sommige programma’s de beschikbare gegevens van onvoldoende kwaliteit waren en dat sommige programma’s doelstellingen hebben die onvoldoende ambitieus zijn;

112. verzoekt de Commissie eraan te werken dat in de programmaverklaringen indicatoren worden opgenomen die:

a) door middel van een beter evenwicht tussen input, output, resultaten en impact relevantere informatie verstrekken over hetgeen er met de uitgavenprogramma’s van de Unie is bereikt,

b) duidelijk verband houden met de uit de uitgavenprogramma’s van de Unie gefinancierde maatregelen,

c) weergeven hetgeen er met de uitgavenprogramma’s van de Unie is bereikt in plaats van de prestaties van de Commissie en andere uitvoeringsorganen, en

d) betrekking hebben op de programmadoelstellingen;

113. verzoekt de Commissie met het oog op het berekenen van de vooruitgang ten opzichte van de uitgangswaarde voor alle programma’s prestatiekaders voor te stellen met de hieronder bedoelde kenmerken voor prestatie-indicatoren, alsook om, indien zij dit voor een bepaalde indicator niet zinvol acht, haar keuze in de programmaverklaringen toe te lichten:

a) kwantitatieve uitgangswaarden, met vermelding van het jaartal van de uitgangswaarde,

b) kwantitatieve mijlpalen,

c) kwantitatieve streefdoelen, met vermelding van het jaartal voor het streefdoel,

d) gegevens betreffende het vereiste kwaliteitsniveau, zodat de vooruitgang vanaf de uitgangswaarde in de richting van het streefdoel gemakkelijk kan worden berekend;

114. verzoekt de Commissie te proberen tijdig prestatiegegevens te ontvangen voor alle prestatie-indicatoren, bijvoorbeeld door nieuwe rapportage-instrumenten in te voeren op onlineplatforms;

115. verzoekt de Commissie de streefcijfers en doelstellingen van de doelprogramma’s, met inbegrip van benchmarks, te documenteren, zodat de begrotingsautoriteit kan beoordelen hoe ambitieus ze zijn en welke resultaten zijn geboekt op weg naar verwezenlijking van de doelstellingen;

116. benadrukt het belang van strikt toezicht op de mogelijke risico’s van corruptie en fraude in het geval van grootschalige infrastructuurprojecten; verzoekt de Commissie zorgvuldige en onafhankelijke ex-ante- en ex-postbeoordelingen te verrichten met betrekking tot het te financieren project;

117. verzoekt de Commissie het PPO verder te verbeteren, in het bijzonder door:

a) gebruik te maken van één methode voor het berekenen van de vooruitgang ten opzichte van de uitgangswaarde en, indien zij dit voor een bepaalde indicator niet mogelijk acht, haar benadering in het PPO toe te lichten,

b) uit te leggen op basis waarvan de prestatie-indicatoren voor elk programma zijn gekozen;

118. verzoekt de Commissie om de lidstaten te blijven ondersteunen zodat zowel de kwaliteit als de kwantiteit van de controles wordt verbeterd, en om goede praktijken met betrekking tot fraudebestrijding te delen;

Ontvangsten

Het jaarverslag 2018 van de Rekenkamer

119. is er verheugd over dat de Rekenkamer vaststelt dat het foutenpercentage bij ontvangsten niet hoog was en dat de met de ontvangsten verband houdende systemen in grote lijnen goed functioneren;

120. merkt op dat DG Begroting voor het derde jaar op rij een voorbehoud heeft gemaakt inzake de waarde van de door het Verenigd Koninkrijk geïnde traditionele eigen middelen (TEM) omdat het land had nagelaten ontweken douanerechten op textiel- en schoeiselimport ter beschikking van de begroting van de Unie te stellen;

121. is er bezorgd over dat de reikwijdte van het voorbehoud van de Rekenkamer zo is uitgebreid dat de mogelijke TEM-verliezen van andere lidstaten als gevolg van bovengenoemde onderwaardering, die nog niet geraamd zijn, er ook onder vallen;

122. betreurt het dat nadat het Verenigd Koninkrijk in 2011 gevraagd was risicoprofielen vast te stellen voor ondergewaardeerde importen van textiel en schoeisel uit China het ruim zeven jaar voordat de Commissie een inbreukprocedure inleidde;

123. verwelkomt het dat de Commissie in 2018 een met redenen omkleed advies aan het Verenigd Koninkrijk heeft doen toekomen waarin het de totale verliezen (hoofdsom plus rente) voor de begroting van de Unie op 2,8 miljard EUR berekent, en dat de Commissie het dossier in maart 2019 naar het Hof van Justitie heeft doorverwezen;

124. betreurt het dat bij de beoordeling door de Rekenkamer is gebleken dat de essentiële interne TEM-controles binnen de Commissie slechts ten dele doeltreffend waren;

125. vindt het zorgwekkend dat de Rekenkamer tekortkomingen heeft vastgesteld in de Spaanse controlesystemen voor het verzamelen van de maandelijkse overzichten van geïnde douanerechten;

126. vindt het zorgwekkend dat de Rekenkamer heeft vastgesteld dat er in de willekeurige steekproef van drie geselecteerde landen tekortkomingen zijn bij het beheer van vastgestelde, maar nog niet geïnde rechten; merkt op dat het bij deze tekortkomingen voornamelijk gaat om vertragingen bij dwanginvordering van douaneschulden en laattijdige boeking of afschrijving van schulden in het boekhoudsysteem; stelt vast dat er tekortkomingen zijn in de verificaties door de Commissie van de TEM-overzichten van de lidstaten;

127. betreurt het dat - in 2018 - het programma van de Commissie voor het inspecteren van de doeltreffendheid van de systemen van de lidstaten voor het innen, melden en beschikbaar maken van het correcte TEM-bedrag onvoldoende geschraagd werd door een gestructureerde en gedocumenteerde risicobeoordeling, en dat de lidstaten in het kader van het programma niet werden gerangschikt op basis van risico, en dat het programma ook geen overzicht van de impact en de waarschijnlijkheid van risico’s omvatte;

128. vindt het een bron van zorg dat de Commissie na ontvangst van de maandelijkse of driemaandelijkse TEM-overzichten geen systematische analyse van ongebruikelijke wijzigingen in de overzichten verrichtte en ook geen relevante informatie verzamelde over de redenen voor deze wijzigingen;

129. geeft aan dat het aantal punten van voorbehoud inzake bni en btw over het geheel genomen ongewijzigd blijft, terwijl het aantal openstaande punten inzake TEM met 14 % is toegenomen[90];

130. betreurt het dat bij het onderzoek van de Rekenkamer naar geselecteerde openstaande punten inzake TEM met financiële impact enige vertraging bij de follow-up en afsluiting van deze punten door de Commissie aan het licht is gekomen; merkt daarnaast op dat de Rekenkamer heeft vastgesteld dat 27 % van de openstaande punten al meer dan vijf jaar openstaat;

131. stelt vast dat btw goed is voor 12 % van de inkomsten voor de begroting van de Unie ten belope van 145 miljard EUR in 2018; beklemtoont in dit verband dat de Commissie de btw-kloof, dat wil zeggen het verschil tussen de verwachte btw-inkomsten voor de begroting van de lidstaten en de daadwerkelijke geïnde btw in de nationale schatkist, becijferd heeft op 137,5 miljard EUR in 2017[91]; wijst erop dat de btw-kloof btw-verliezen betreft die vooral de nationale begrotingen treffen, en dat de verliezen het gevolg kunnen zijn van insolventies, faillissementen, administratieve fouten, fiscale optimalisatie en ook mogelijke illegale/frauduleuze activiteiten;

132. stelt bezorgd vast dat de Commissie in 2018 een algemeen voorbehoud heeft gemaakt bij de bni-raming van Frankrijk omdat dat land onvoldoende informatie had verstrekt over de samenstelling van zijn bni;

133. merkt op dat de Commissie van de vijf aanbevelingen van de Rekenkamer in zijn jaarverslag 2015 er slechts één volledig, één gedeeltelijk en drie voor wat de meeste aspecten betreft heeft geïmplementeerd;

134. verzoekt de Commissie een meer gestructureerde en beter gedocumenteerde risicobeoordeling bij de TEM-inspectieplanning te gebruiken, inclusief een analyse van het risiconiveau voor elke lidstaat en van de risico’s die verband houden met het opstellen van de A- en de B-boekhouding;

135. verzoekt de Commissie de reikwijdte van de maandelijkse en driemaandelijkse controles van de TEM-overzichten van de A- en de B-boekhouding te verruimen door een diepgaandere analyse van de ongebruikelijke wijzigingen te verrichten om te waarborgen dat er snel wordt gereageerd op mogelijke anomalieën;

136. bevestigt opnieuw zijn standpunt inzake de hervorming van het EU-stelsel van eigen middelen, dat een zeer positieve inkomstencomponent vormt van het MFK-pakket 2021-2027; verwelkomt derhalve de voorgestelde introductie van drie nieuwe vormen van eigen middelen van de EU en de vereenvoudiging van de huidige op btw gebaseerde eigen middelen voor het MFK 2021-2027[92];

Speciaal verslag nr. 12/2019 van de Rekenkamer: Elektronische handel: voor veel uitdagingen op het gebied van de inning van btw en douanerechten moet nog een oplossing worden gevonden

137. stelt vast dat er zijn geen ramingen beschikbaar zijn van verliezen op het niveau van de Unie van btw op grensoverschrijdende dienstverlening, maar dat de Commissie de verliezen op leveringen van goederen van geringe waarde uit derde landen op wel 5 miljard EUR per jaar schat;

138. onderstreept de rol van de lidstaten bij de uitvoering van overeenkomsten voor administratieve samenwerking, de doeltreffendheid van controles, de handhaving van gegevensverzameling en de monitoring van de naleving van het regelgevingskader door handelaren;

139. is zich ervan bewust dat het handhaven van btw-inning een nationale bevoegdheid is;

140. benadrukt hoe enorm belangrijk het is om gebruik te maken van informatie-uitwisseling tussen de lidstaten en met derde landen;

141. verzoekt de lidstaten om meer informatie over eventuele frauduleuze bedrijven en transacties uit te wisselen via Eurofisc;

142. roept de belastingautoriteiten van de lidstaten op om hun controle-activiteiten met betrekking tot het mini-éénloketsysteem te versterken[93];

143. dringt er bij de Commissie op aan om toereikende controle- en monitoringactiviteiten in de lidstaten te verrichten;

144. is bezorgd over het risico op onderwaardering van leveringen van goederen in het kader van elektronische handel vanuit derde landen; is ingenomen met de stappen die zijn genomen om het probleem van btw-fraude bij elektronische handel op te lossen;

145. roept op tot een snelle goedkeuring van de voorgestelde wetgeving inzake btw voor elektronische handel om de zwakke punten in de regeling voor afstandsverkopen aan te pakken;

146. verzoekt OLAF om het Parlement te informeren over het resultaat van zijn onderzoek in het kader van de elektronische handel naar de invoer van kleding met een geringe waarde en naar de vermeende invoer van mogelijk gevoelige goederen met luchtvervoer via elektronische handelstransacties;

Concurrentievermogen voor groei en banen

147. stelt vast dat subrubriek 1a van het MFK, “Concurrentievermogen voor groei en banen”, goed is voor 13,7 %, oftewel 21,4 miljard EUR, van de begroting van de Unie; geeft aan dat van dit bedrag 11,7 miljard EUR (54,3 %) wordt gebruikt voor onderzoek en innovatie, 2,4 miljard EUR (11,1 %) voor onderwijs, opleiding, jeugd en sport, 2,2 miljard EUR (10,4 %) voor vervoer en energie, 1,5 miljard EUR (7,2 %) voor ruimte, en de rest voor andere acties;

Bijdragen tot het verwezenlijken van de EU 2020-doelstellingen

148. toont zich tevreden dat het Europees innovatiescorebord in de meeste lidstaten van de EU, en met name in Malta, Nederland en Spanje, en met Zweden nog altijd als lijstaanvoeder, een positieve trend laat zien;

149. vindt het overigens jammer dat de meeste lidstaten er nog niet in slagen te voldoen aan de doelstelling om 3 % van het bruto binnenlands product (bbp) aan onderzoek en ontwikkeling te besteden; wijst erop dat DG O&I hiervoor drie hoofdredenen identificeert, te weten a) tekortschietende publieke en particuliere investeringen in O&I, b) de beperkte kwaliteit en doeltreffendheid van de nationale systemen voor onderzoek en innovatie, en c) marktfalen in verband met besluiten van bedrijven met betrekking tot investeringen in O&I;

150. is ingenomen dat het niveau van participatie van kmo’s in het luik “leiderschap op het gebied van ontsluitende en industriële technologieën” en de pijler “maatschappelijke uitdagingen” van het programma Horizon 2020 opnieuw hoger was dan waarop met het programma wordt ingezet, hetgeen aangeeft dat de aanzienlijke inspanningen om kmo’s voor het programma te interesseren en de vereenvoudigingen die met het oog daarop zijn aangebracht, inderdaad vruchten afwerpen;

151. is er ook verheugd over dat het aandeel nieuwkomers bij Horizon 2020 61,4 % is, waarmee de benchmark van 55 % voor 2018 ruimschoots wordt gehaald;

152. betreurt het dat het aandeel van de bijdrage van de Unie aan klimaatacties uit hoofde van Horizon 2020 niet de daarvoor bepaalde streefdoelen voor klimaat- en duurzaamheidsuitgaven haalt, en derhalve ook niet voor de gehele periode 2014-2020 van het MFK; benadrukt dat naar aanleiding van de verbintenis van de EU op grond van de Overeenkomst van Parijs en met het oog op de Europese Green Deal klimaatgerelateerde uitgaven zonder verdere vertraging aanzienlijk moeten worden opgeschroefd;

Reikwijdte en aanpak van de controle

153. stelt vast dat de Rekenkamer gekeken heeft naar een steekproef van 130 transacties, die zo was opgezet dat deze representatief is voor alle soorten uitgaven binnen deze MFK-subrubriek: 81 transacties op het gebied van onderzoek en innovatie (22 onder het zevende kaderprogramma en 59 onder Horizon 2020), en 49 transacties in het kader van andere programma’s en activiteiten, in het bijzonder Erasmus+ en de faciliteit voor Europese verbindingen en ruimteprogramma’s, met begunstigden in 19 lidstaten en 4 derde landen;

154. is verheugd dat de Rekenkamer schat dat het foutenpercentage voor de hele rubriek 1a van het MFK 2,0 % bedraagt en dat dit cijfer lager is dan in de voorgaande twee jaren, toen het geraamde foutenpercentage net boven de 4 % lag;

155. betreurt evenwel dat in acht gevallen van kwantificeerbare fouten van de begunstigden de vergoedingsaanvraag voldoende informatie bevatte op basis waarvan de Commissie, de nationale autoriteiten of een onafhankelijke controleur de fouten hadden kunnen voorkomen of opsporen en corrigeren voordat de uitgaven werden geaccepteerd; stelt vast dat indien de Commissie alle beschikbare informatie goed had gebruikt het geschatte foutenpercentage voor dit hoofdstuk 0,3 % lager zou zijn geweest;

156. stelt vast dat, net als in de voorgaande jaren, een groot aantal kwantificeerbare fouten betrekking had op personeelskosten; geeft aan dat veel fouten ook te maken hadden met kosten voor apparatuur en infrastructuurvoorzieningen;

157. was er verbaasd over dat de verificaties vooraf van de bijdrage van de Unie aan grote onderzoekinfrastructuurprogramma’s niet alleen tijdrovend en duur zijn (kosten voor personeel en reiskosten), maar vaak ook nauwelijks gewicht in de schaal legden wat het voorkomen van fouten aangaat;

158. neemt er kennis van dat de Rekenkamer de controledossiers (werkdocumenten en ondersteunende documentatie) bij de gemeenschappelijke auditdienst en de particuliere auditbedrijven heeft gecontroleerd, en in elf gevallen aanvullende audits moest verrichten, voornamelijk om aanvullende ondersteunende documentatie te verzamelen of vanwege discrepanties in de werkdocumenten;

159. maakt zich zorgen over de methodologische fouten die de Rekenkamer heeft vastgesteld bij de berekening van het foutenpercentage bij het programma Horizon 2020: “Het doel van de controles achteraf is een maximale dekking van de aanvaarde kosten, maar ze hebben zelden betrekking op alle kosten. Het foutenpercentage wordt berekend als een aandeel van alle aanvaarde kosten in plaats van het daadwerkelijk gecontroleerde bedrag. Dit betekent dat de noemer in de foutenberekening hoger is, waardoor het foutenpercentage te laag is. Indien de fouten die werden aangetroffen, systematisch zijn, wordt de fout geëxtrapoleerd en dit compenseert deels het bovengenoemde te lage percentage. Aangezien niet-systematische fouten niet worden geëxtrapoleerd, blijft het totale foutenpercentage echter te laag.”[94];

160. stelt vast dat DG O&I een berekening heeft gemaakt van de foutenpercentages bij het zevende kaderprogramma en Horizon 2020:

- het gemeenschappelijke representatieve foutenpercentage bij het zevende kaderprogramma, berekend op meerjarige basis, bedroeg iets meer dan 5 %, het restfoutenpercentage wordt geschat op 3,36 %;

- het restfoutenpercentage bij de onderzoeks- en innovatiesector bedroeg 2,22 % (2,24 % bij DG O&I), en ongeveer 2,45 % (2,48 % bij DG O&I) indien met de ontwerpcontroleverslagen rekening wordt gehouden;

161. stelt vast dat bij DG O&I het totale geschatte risicobedrag bij betaling voor de in 2018 verrichte betalingen tussen de 97,6 en de 101,1 miljoen EUR ligt; stelt vast dat het totale risicobedrag bij afsluiting voor de uitgaven 2018 tussen de 69,1 en de 72,7 miljoen EUR ligt, d.w.z. 2,21 tot 2,33 % van de totale uitgaven;

162. geeft aan dat de concepten “risicobedrag bij betaling” en “risicobedrag bij afsluiting” met het oog op de auditexercitie 2018 zijn geïntroduceerd;

163. is verheugd dat de bevindingen van de Rekenkamer (op basis van de MFK-subrubriek) en de Commissie vergelijkbaar zijn;

Financieel beheer en interne controles

164. wijst erop dat met betrekking tot de betalingen ter vergoeding van kostendeclaraties in het kader van het zevende kaderprogramma een horizontaal voorbehoud is gehandhaafd;

165. verduidelijkt dat DG O&I in 2018 56 % (in vergelijking met 58 % in 2017) van zijn begroting uitgedrukt in betalingen rechtstreeks heeft beheerd en dat 44 % van de betalingen aan andere, speciaal daarvoor aangewezen organen is toevertrouwd en door hen is verricht;

166. neemt er kennis van dat DG O&I 15,05 % van zijn begroting 2018 aan de EIB/EIF heeft toevertrouwd voor Innovfin, dat Innovfin beoogt onderzoek en innovatie te ondersteunen middels financiële instrumenten, en dat het in 2018 aan de EIB/EIF overgehevelde bedrag 472,9 miljoen EUR bedroeg;

167. is van oordeel dat de Rekenkamer controles moet verrichten van alle programma’s, acties en projecten van de EIB-groep waaraan medefinanciering wordt toegekend met middelen van de begroting van de Unie;

168. vindt het zorgwekkend dat hoewel 4 740 van de 4 934 projecten van de financieringsperiode 2007-2013 zijn afgesloten er nog altijd een achterstand is bij vastleggingen (de zogenaamde RAL) ten belope van 157,3 miljoen EUR en dat de Commissie niet kan aangeven wanneer deze weggewerkt zal zijn[95];

169. wijst met bezorgdheid op de zeer onevenwichtige verdeling van middelen onder onderzoekers in de lidstaten uit hoofde van Horizon 2020;

170. geeft aan dat 64,26 % van de begroting van de huidige programmeringsperiode (2014-2020) is uitgevoerd;

171. spoort DG O&I aan door te gaan met haar vereenvoudigingsinspanningen in overeenstemming met Speciaal Verslag nr. 28/2018, evenwel zonder te raken aan de rechtszekerheid en zonder van controles achteraf over te stappen op controles vooraf;

172. is van oordeel dat DG O&I meer aandacht zou moeten besteden aan het meten van de Uniale meerwaarde van investeringen in onderzoek en innovatie; benadrukt dat prestatiemetingen ten aanzien van onderzoek en innovatie niet alleen moeten uitgaan van resultaten op korte termijn en geldelijke indicatoren, maar ook rekening moeten houden met de specifieke aard van onderzoek; spoort de Commissie aan manieren te ontwikkelen om op transparante wijze de ondersteuning van onderzoeks- en innovatieprojecten met een hoog risico te verbeteren;

173. beveelt ten zeerste aan dat DG O&I meer aandacht besteedt aan het meten van de Uniale meerwaarde van investeringen in onderzoek en innovatie;

HUAWEI

174. is ervan op de hoogte dat dochterondernemingen van HUAWEI aanvragen voor medefinanciering van de Unie onder het programma Horizon 2020 hebben ingediend;

175. wijst er in dit verband op dat aan deelnemers uit Brazilië, China, India, Mexico en Rusland niet langer financiering onder Horizon 2020 is toegekend[96];

176. geeft aan dat in de Horizon 2020-regels voor de deelname aan acties en de verspreiding van resultaten ook staat dat de Commissie het recht heeft niet akkoord te gaan met de overdracht van eigendomsrechten of de toekenning van exclusieve vergunningen die afgegeven zijn in een derde land dat niet aan Horizon 2020 deelneemt;

177. neemt er nota van dat het Europees Bureau voor fraudebestrijding informatie over vermeende inbreuken heeft geanalyseerd en heeft besloten een nieuwe evaluatie te verrichten;

178. constateert met bezorgdheid het gevaar van opzettelijk misbruik van EU-middelen door derde landen bij gezamenlijke onderzoeksprojecten; herinnert eraan dat deze derde landen net als de lidstaten de regels inzake integriteit en bescherming van de financiële belangen van de EU moeten naleven;

Uitvoerend Agentschap onderwijs, audiovisuele media en cultuur (EACEA)

179. maakt zich zorgen over de vaststelling van de Rekenkamer dat het systeem voor interne controles van dit agentschap op een aantal punten aanzienlijke verbeteringen behoeft, en over het feit dat de Commissie voor het tweede achtereenvolgende jaar een voorbehoud bij het systeem heeft gemaakt;

Aanbevelingen

180. verzoekt DG O&I om:

- gevolg te geven aan de aanbevelingen van de Rekenkamer met betrekking tot deze subrubriek,

- de 26 openstaande aanbevelingen van de internecontroledienst op zo kort mogelijke termijn uit te voeren,

- meer aandacht te besteden aan en meer ambitie aan de dag te leggen wat het bevorderen van klimaatacties (een KPI) betreft,

- bijzonder waakzaam te zijn wat betreft de inachtneming van de Horizon 2020-regels voor de deelname aan acties en de verspreiding van resultaten,

- een evenwichtiger verdeling onder de lidstaten van de middelen in het kader van Horizon 2020 aan te moedigen en lidstaten en onderzoekers nader te ondersteunen, met name bij de aanvraag van middelen;

- al haar voorstellen voor landenspecifieke aanbevelingen in het kader van het Europees Semester in zijn jaarlijks activiteitenverslag te publiceren,

- de manier waarop de verificatie vooraf van grote onderzoeksinfrastructuurprojecten wordt verricht, te heroverwegen, teneinde deze efficiënter en doeltreffender te maken,

- samen met het EACEA, en ten laatste in juli 2020, verslag uit te brengen aan de bevoegde commissie van het Parlement over de hervormingen die zijn geïmplementeerd om de situatie te verbeteren,

- in het bijzonder aandacht te besteden aan de distributie van fondsen door de projectcoördinator aan de begunstigde,

- te investeren in het meten van de prestaties en van de Uniale meerwaarde;

181. verzoekt de Rekenkamer in zijn jaarverslag meer aandacht te besteden aan de prestaties, waarvoor de speciale verslagen een nuttige informatiebron zijn; verwelkomt in dit verband de voorstellen die op 19 november in Luxemburg zijn gepresenteerd tijdens het bezoek van de commissie Begrotingscontrole;

Economische, sociale en territoriale cohesie

182. neemt kennis van de informatie van de Rekenkamer dat subrubriek 1b van het MFK, “Economische, sociale en territoriale cohesie”, goed is voor 34,8 %, oftewel 54,5 miljard EUR, van de jaarlijkse begroting van de Unie; stelt verder vast dat hiervan 30,1 miljard EUR (55,1 %) naar het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling (EFRO) is gegaan, 9,3 miljard EUR (17 %) naar het Cohesiefonds, 13,9 miljard EUR (25,6 %) naar het Europees Sociaal Fonds, en de rest naar andere acties;

183. stelt vast dat DG REGIO voor 2018 verslag doet van de betaling van 39,5 miljard EUR, hetgeen overeenkomt met een uitvoeringspercentage van 98,52 % van de geautoriseerde betalingskredieten voor 2018, en dat DG EMPL verslag doet van de betaling van 14,6 miljard EUR, een uitvoeringspercentage van 94,42 %;

Bijdragen tot het verwezenlijken van de EU 2020-doelstellingen

184. neemt nota van hetgeen de Commissie opmerkt met betrekking tot KPI’s, met name dat:

- bij “banen, groei en investeringen” elke uitgegeven euro 2,7 EUR bijkomende groei van het bruto binnenlands product(bbp) heeft gegenereerd, en dat als gevolg hiervan tijdens de laatste programmeringsperiode ongeveer 1,3 miljoen banen zijn gecreëerd,

- bij “versterking van onderzoek, technologische ontwikkelingen en innovatie” het geraamde aantal projecten voor samenwerking tussen bedrijven en onderzoeksinstituten, afgaand op het aantal projecten dat eind 2017 was geselecteerd, bijna is verdubbeld,

- bij “concurrentievermogen van kmo’s” het geraamde aantal ondernemingen dat steun ontvangt, afgaand op het aantal projecten dat eind 2017 was geselecteerd, met 40 % is toegenomen,

- bij “koolstofarme economie” het geraamde aantal projecten, afgaand op het aantal projecten dat eind 2017 was geselecteerd, meer dan verdubbeld is, en dat de doelstelling voor eind 2023 van 6 708 megawatt aan bijkomende capaciteit nu reeds voor 69,2 % is gerealiseerd;

185. merkt op dat de verordening houdende gemeenschappelijke bepalingen voor de periode 2014-2020 (Verordening (EU) nr. 1303/2013, artikel 71) geen bepalingen bevat waarin het bereiken van resultaten en de duurzaamheid daarvan worden gedefinieerd als criteria voor de duurzaamheid van productieve investeringen uit hoofde van het EFRO; neemt nota van de opmerkingen van de Rekenkamer over de duurzaamheid[97] en de kwaliteit van deze investeringen, en herhaalt zijn pleidooi voor opname van het bereiken van resultaten als kernoverweging bij de evaluatie van de duurzaamheid van een project, zodat de mate kan worden beoordeeld waarin positieve economische ontwikkelingen aan een beter algemeen economisch klimaat of aan financiering van de Unie zijn toe te schrijven;

Reikwijdte en aanpak van de controle

186. neemt er nota van dat de Rekenkamer een steekproef van 220 verrichtingen heeft onderzocht die statistisch representatief is voor alle soorten uitgaven binnen de MFK-subrubriek 1b die de auditautoriteiten al eerder hadden gecontroleerd;

187. stelt met bezorgdheid vast dat de Rekenkamer bij deze 220 verrichtingen 36 fouten heeft geïdentificeerd en gekwantificeerd die door de auditautoriteiten over het hoofd waren gezien; rekening houdend met de 60 eerder door de auditautoriteiten aangetroffen fouten en de door de programma-autoriteiten toegepaste correcties (ter waarde van in totaal 314 miljoen EUR voor beide programmeringsperioden tezamen) schat de Rekenkamer het foutenpercentage op 5,0 %;

188. stelt vast dat de Commissie het niet eens is met de beoordeling van de Rekenkamer van drie belangrijke fouten in verband met de programmeringsperiode 2014-2020, en van twee fouten in verband met de programmeringsperiode 2007-2013; stelt vast dat de Commissie refereert aan een uiteenlopende interpretatie van toepasselijke nationale of Unievoorschriften die van invloed is op het berekende foutenpercentage[98];

189. stelt vast dat de voornaamste fouten verband hielden met niet-subsidiabele kosten (37) en openbare aanbestedingen (18), gevolgd door het ontbreken van essentiële ondersteunende documentatie (3);

190. merkt daarnaast op dat tot aan het einde van het boekjaar 2016-2017 2,9 miljard EUR aan voorschotten was betaald aan financieringsinstrumenten, waarvan 2,3 miljard EUR tussen 1 juli 2016 en 30 juni 2017 werd gedeclareerd (17 % van het totale bedrag dat aan Uniale medefinanciering was betaald); stelt vast dat tijdens het boekjaar 2016-2017 1,3 miljard EUR (43 %) aan eindontvangers is uitbetaald;

191. vraagt de Commissie om de kwijtingsautoriteit te informeren over wie profiteert van de rente die wordt ontvangen over de 1,6 miljard EUR die nog niet aan de begunstigden is betaald en om deze informatie vanaf nu op te nemen in haar jaarlijkse rapportage;

192. merkt op dat de controle van de Rekenkamer betrekking had op uitbetalingen aan vijf financiële instrumenten (twee van de programmeringsperiode 2014-2020 en drie van de programmeringsperiode 2007-2013); merkt op dat de Rekenkamer gekeken heeft naar 30 garanties en 100 leningen voor deze vijf instrumenten op het niveau van de financiële intermediairs en heeft vastgesteld dat in 14 gevallen (die verband hielden met drie van de door de Rekenkamer gecontroleerde instrumenten) sprake was van niet-subsidiabele uitbetalingen aan eindbegunstigden; stelt vast dat deze niet-subsidiabele leningen of niet-subsidiabele eindontvangers betroffen, alsook geannuleerde uitbetalingen die de lidstaten ten onrechte als betaald hadden geregistreerd;

193. neemt er nota van dat DG REGIO - na afronding van de controlecyclus op nationaal niveau en van de Commissie - een restfoutenpercentage van in totaal 1,96 % voor het boekjaar 2016-2017 heeft bevestigd, gebaseerd op al het destijds beschikbare controlemateriaal en hangende bezwaarprocedures (voorzichtige benadering); stelt vast dat DG REGIO tegelijkertijd schatte dat het bevestigde percentage maximaal 2,74 % zou kunnen bedragen;

194. neemt met bezorgdheid nota van de enorme verschillen tussen de geraamde foutenpercentages van de Rekenkamer en van de Commissie;

195. stelt verder vast dat de Commissie voor 2018 twee nieuwe concepten heeft geïntroduceerd: “risicobedrag bij betaling”[99] en “risicobedrag bij afsluiting”;

196. wijst erop dat het “risicobedrag bij betaling” berust op de rekeningen die de lidstaten doorgeven na aftrek van de financiële correcties; merkt op dat het er derhalve veel van weg heeft dat de Commissie niet over informatie uit de eerste hand beschikt over het risicobedrag bij betaling;

197. wijst er daarnaast op dat het “risicobedrag bij afsluiting” een extrapolatie is op basis van de ervaring van de Commissie;

198. verwijst in dit verband naar artikel 247, lid 1, onder b), i), dat bepaalt dat de Commissie een raming van het foutenpercentage in de uitgaven van de Unie op basis van een consistente methode en een raming van de toekomstige correcties moet overleggen;

199. acht het zorgwekkend dat de Rekenkamer concludeert dat op dit moment als gevolg van de onvolkomenheden van het steekproefonderzoek van de auditautoriteiten, de tekortschietende auditdocumentatie en wijze waarop met fouten wordt omgegaan, slechts in beperkte mate kan worden vertrouwd op het werk van de diverse beheerautoriteiten; drukt zijn bezorgdheid uit over het feit dat de Rekenkamer niet kan vertrouwen op het foutenpercentage dat is gepresenteerd door de Commissie omdat dit uitgaat van uitgaven die nog niet de volledige controlecylcus hebben ondergaan en waarvan het bedrag niet gelijk is aan het bedrag aan uitgaven dat door de Rekenkamer wordt gecontroleerd;

200. acht het onbevredigend dat de Rekenkamer en de Commissie elk hun eigen methodologie gebruiken voor het vormen van een mening over de wettigheid en regelmatigheid van de financiële transacties; stelt vast dat zij als gevolg hiervan wat het restfoutenpercentage betreft tot verschillende resultaten komen: ˃ 2 % (DG EMPL & DG REGIO), 5 % (Rekenkamer); vraagt de Rekenkamer om in dit verband geen restfoutenpercentage te verstrekken, maar een foutenpercentage bij betalingen (vóór toepassing van correcties), teneinde de kwaliteit van de evaluatie en de controle door het Parlement te verbeteren;

201. stelt daarnaast vast dat de twee instellingen over een andere gegevensbank beschikken: de Rekenkamer volgt een jaarlijkse benadering, terwijl de Commissie in 2018 uitsluitend de rekeningen van 2016-2017 kon controleren en een meerjarige benadering hanteert;

Financieel beheer en interne controles

202. stelt vast dat DG REGIO in de huidige programmeringsperiode 30 voorbehouden heeft gemaakt voor 30 operationele programma’s; stelt vast dat 18 voorbehouden voor de programmeringsperiode 2007-2013 nog altijd golden;

203. merkt op dat DG REGIO eind 2018 verslag heeft gedaan van de afronding van 99 % van de actieplannen met maatregelen gericht op het voldoen aan de ex-antevoorwaarden en dat de niet-afgeronde actieplannen in 2018 zijn afgenomen tot 6 (8 in 2017); merkt met bezorgdheid op dat twee opschortingsbesluiten zijn genomen en twee aankondigingen van schorsingen zijn verstuurd voor plannen die niet zijn afgerond, waardoor de tijdige uitvoering van de operationele programma’s waarvan de meerderheid de milieusector betreft, mogelijk in het gedrang komt;

204. verzoekt de Commissie om de procedure en de documenten die nodig zijn om toegang te krijgen tot de financiering daadwerkelijk te vereenvoudigen, zonder daarbij afbreuk te doen aan de beginselen van controle en toezicht;

205. vindt het zorgwekkend dat er vertragingen zijn bij de uitvoering van de Structuurfondsen en dat de situatie zelfs slechter is dan op het vergelijkbare moment van de vorige programmeringsperiode; stelt vast dat het gemiddelde absorptiepercentage op dit moment onder de 40 % ligt, terwijl het op het vergelijkbare moment van de vorige programmeringsperiode (2007-2013) onder de 60 % lag[100];

206. stelt vast dat DG REGIO in zijn jaarlijkse activiteitenverslag voor 2018 aangeeft dat momenteel wordt gepland 18 miljard EUR van het EFRO en het Cohesiefonds, hetgeen neerkomt op 7,2 % van het totaal aan toewijzingen, via financiële instrumenten ter beschikking te stellen;

207. betreurt het dat het jaarverslag 2018 “Financiële instrumenten onder de ESI-fondsen” pas in januari 2020 is gepubliceerd; constateert dat eind 2018 de uit de ESI-fondsen aan financiële instrumenten toegewezen bijdragen, 16,9 miljard EUR bedroegen, dat 7 miljard EUR uit de ESI-fondsen is uitgekeerd aan financiële instrumenten (ongeveer 41 %) en een bedrag van 3,7 miljard EUR is geïnvesteerd in eindbegunstigden; verzoekt de Commissie het jaarverslag 2019 uiterlijk oktober 2020 te publiceren, zodat de bevindingen daarvan in het kwijtingsverslag voor 2019 kunnen worden opgenomen;

208. wijst nogmaals op zijn verzoek om nationale controleautoriteiten in staat stellen de financieringsinstrumenten in de Uniebegroting te controleren, het aantal financieringsinstrumenten te verminderen en strengere rapportageregels in te voeren voor fondsbeheerders, met inbegrip van de EIB-groep en andere internationale financiële instellingen, inzake prestaties en bereikte resultaten, met het oog op het vergroten van de transparantie en de verantwoordingsplicht[101];

209. benadrukt dat meer transparantie, verbeterde verantwoordingsplicht en betere verslaglegging over prestaties en duurzaamheid vereist zijn voor financiële instrumenten die worden uitgevoerd binnen en buiten de Unie; roept de Commissie op ervoor te zorgen dat haar tegenhangers die financiële instrumenten uitvoeren met steun van de EU-begroting, de grootst mogelijke transparantie en verantwoordingsplicht waarborgen;

210. benadrukt dat financieringsinstrumenten subsidies kunnen aanvullen, maar niet mogen vervangen[102];

211. is ernstig bezorgd dat de achterstand bij vastleggingen aan het eind van de programmeringsperiode aanzienlijk groter zal uitpakken dan aan het eind van de vorige periode, waarmee mogelijk een volgende betalingscrisis zou ontstaan;

212. merkt op dat DG REGIO, wat het boekjaar 2016-2017 betreft, heeft bevestigd dat het door de controleautoriteiten gerapporteerde restfoutenpercentage (inclusief, in een aantal gevallen, aanpassingen zonder materiële gevolgen) voor 135 operationele programma’s onder de materialiteitsdrempel ligt, en dat 29 moesten worden bijgesteld tot boven de 2 %;

213. stelt verder vast dat DG REGIO akkoord is gegaan met 242 van de 258 gecertificeerde rekeningen voor het boekjaar 2017/2018; stelt vast dat DG REGIO met 16 rekeningen niet akkoord is gegaan; beklemtoont in dit verband dat de Rekenkamer de rekeningen voor die periode niet heeft gecontroleerd, aangezien de verificaties niet waren afgerond;

214. merkt op dat wat het structuur- en het cohesiebeleid betreft de grootste blootstelling aan fraude voorkomt bij infrastructuur (34 %), milieu (13 %) en onderzoek (13 %), en dat de fraudegevallen betrekking hebben op de aanbestedingsregels (52 %), onregelmatige uitgaven (14 %) en belangenconflicten (8 %);

Ernstige onregelmatigheden en misbruik van fondsen in lidstaten

215. stelt vast dat het definitieve controleverslag van DG REGIO over Tsjechië is gelekt naar de media zonder dat daarvoor toestemming verkregen was; heeft er kennis van genomen dat de Commissie uitgebreide controles van de toepassing van het Unie- en het nationale recht heeft uitgevoerd, en daarbij niet alleen grondig de regelmatigheid van de verrichtingen, maar ook de naleving van de EU- en nationale wetgeving inzake belangenconflicten heeft gecontroleerd; merkt op dat de Commissie de bevoegde commissie van het Parlement tijdens een vergadering achter gesloten deuren in december 2019 op de hoogte heeft gesteld van de voortgang van de controles die zijn verricht door DG REGIO en DG EMPL; verzoekt de Commissie om de kwijtingsautoriteit en de bevoegde commissie (s) van het Parlement zonder onnodige vertraging op de hoogte te houden van nieuwe ontwikkelingen en te zorgen voor een passende follow-up van de bevindingen;

216. betreurt het dat, volgens een eerste indicatie, de controleurs, wat de regionale en de cohesiefondsen betreft, ernstige tekortkomingen bij de werking van de beheers- en controlesystemen hebben vastgesteld en derhalve een financiële correctie van bijna 20 % hebben voorgesteld; vraagt de Commissie om kritisch te beoordelen of die gevallen stelselmatig misbruik van EU-middelen betreffen; verwacht van de Commissie dat zij een passend mechanisme invoert om toekomstige tekortkomingen te vermijden;

217. betreurt ook de eerste aanwijzingen dat de controleurs van de Commissie zeer ernstige gevallen van belangenconflicten hebben vastgesteld waarbij de Tsjechische regering betrokken is; heeft er evenwel kennis van genomen dat voor februari 2017 de Tsjechische nationale wetgeving inzake belangenconflicten het toekennen van publieke middelen aan overheidsfunctionarissen niet strafbaar stelde; stelt vast dat voor 2018 tot dusverre geen uitgaven zijn gedeclareerd; verwacht dat de Commissie er alles aan doet om het proces doelmatig en tijdig af te ronden en alle vereiste corrigerende maatregelen volledig uitvoert; dringt er in het licht van de ernstige zorgen over belangenconflicten die ten aanzien van de Tsjechische regering zijn geconstateerd tijdens de door de Commissie verrichte controles, bij de Commissie op aan het Europees Parlement en de Europese Raad volledig over de situatie te informeren;

218. is ingenomen met het feit dat de Commissie de desbetreffende commissie van het Parlement heeft laten weten dat DG REGIO voor een bedrag van meer dan 1,5 miljard EUR financiële correcties heeft verricht met betrekking tot programma’s van de periode 2007-2013 in Hongarije vanwege vastgestelde onregelmatigheden, en dat deze de volgende programma’s betreffen:

- 2007HU161PO001  Economische ontwikkeling  275 miljoen EUR

- 2007HU161PO002  Milieu en energie   254 miljoen EUR

- 2007HU161PO007 Vervoer   371 miljoen EUR

- 2007HU161PO008  Sociale infrastructuur   120 miljoen EUR

- 7 regionale operationele programma’s  473 miljoen EUR

- 2007HU161PO010  Implementatie   75 miljoen EUR

219. erkent de voortreffelijke controlewerkzaamheden van de Rekenkamer bij het opsporen van systeemrisico’s en bronnen van fouten; verwelkomt de opgelegde financiële correcties; constateert met bezorgdheid dat het behoorlijk wat tijd vergt om onrechtmatig uitgekeerde middelen terug te vorderen; roept de Commissie op de kwijtingsautoriteit uitgebreider op de hoogte te brengen van haar bevindingen ten aanzien van systeemrisico’s en oligarchische structuren;

220. betreurt het dat de controleurs van de Commissie ten aanzien van de ESI-fondsen ernstige tekortkomingen bij de werking van de beheers- en controlesystemen hebben vastgesteld met betrekking tot de controle van procedures voor overheidsopdrachten;

221. herinnert eraan dat een vaste financiële correctie van 10 % is toegepast met betrekking tot alle operationele programma’s;

222. brengt de financiële correctie van 25 % in herinnering ten aanzien van de kaderovereenkomsten in de watersector binnen het operationele programma inzake milieu en energie-efficiëntie als gevolg van onregelmatigheden met overheidsopdrachten;

223. brengt de vaste financiële correctie van 10 % in herinnering ten aanzien van het operationele programma inzake territoriale ontwikkeling en ontwikkeling van nederzettingen als gevolg van tekortkomingen tijdens de selectie van projecten;

224. merkt verder op dat DG REGIO nog niet begonnen is met de voorbereiding van de afsluiting van de programma’s inzake elektronische administratie, hetgeen impliceert dat er eventueel nog meer correcties volgen;

225. merkt met bezorgdheid op dat de hoeveelheid onregelmatigheden wijst op het feit dat er een systemisch probleem is binnen de operationele programma’s van Hongarije die teruggaat tot 2007; roept de Commissie op het Parlement en het algemene publiek in kennis te stellen van haar eigen beoordeling over de redenen achter deze mate van onregelmatigheden; wijst erop dat de forfaitaire boete van 10 % voor wanbeheer van operationele programma’s geen langetermijnoplossing is voor de grote hoeveelheid opgespoorde onregelmatigheden en dat zonder verbeterde en adequate controle- en toezichtmechanismen dit percentage niet zal afnemen;

226. verzoekt de Commissie voor de hierboven bedoelde programma’s een duidelijk tijdspad vast te stellen vanaf het begin van het project tot de inning van de middelen, met uitleg over de verschillende stadia;

227. verzoekt de Commissie aan te geven hoe de teruggevorderde bedragen zullen worden opgenomen in de begroting, aangezien ze betrekking hebben op programma’s van de vorige programmeringsperiode (2007-2013);

228. herhaalt zijn standpunt vóór de invoering van een mechanisme waarbij lidstaten die de in artikel 2 van het Verdrag betreffende de Europese Unie verankerde waarden niet eerbiedigen, hiervan aanzienlijke juridische en financiële gevolgen kunnen ondervinden;

Aanbevelingen

229. verzoekt de Commissie om:

- meer informatie te verschaffen over de impact en de duurzaamheid van de Unie-investeringen, teneinde duidelijk te maken wat de Uniale meerwaarde van de gespendeerde financiële middelen is,

- meer te doen ter verbetering van de huidige controle- en verificatiekaders, teneinde tot één auditketen te komen,

- in haar jaarlijks beheers- en prestatieverslag een cijfer op te nemen betreffende het foutenpercentage bij betaling (voordat dit op nationaal niveau wordt gecorrigeerd) en een raming van de toekomstige correctie,

- haar samenwerking met de Rekenkamer voort te zetten teneinde de controlemethodes en de interpretatie van wetsteksten verder af te stemmen,

 - al haar voorstellen voor landenspecifieke aanbevelingen in het kader van het Europees Semester te publiceren,

- meer aandacht te besteden en meer technische steun te verlenen aan de lidstaten waarvan de beheers- en controlesystemen slechts gedeeltelijk of niet betrouwbaar zijn, wanneer er sprake is van een toegenomen risico op fraude en corruptie met betrekking tot de middelen, en met name aan die lidstaten die niet aangesloten zijn bij het Europees Openbaar Ministerie,

- er bij de lidstaten met klem op aan te dringen zich aan te sluiten bij het EOM,

- speciale aandacht te besteden aan kaderovereenkomsten die worden toegekend via procedures voor overheidsopdrachten, aangezien daaraan gerelateerde fraude en corruptie een toegenomen risico voor de financiële belangen van de Unie vormen,

- zo snel mogelijk de achterstand bij vastleggingen weg te werken,

 - de automatische vrijmaking voor de programmeringsperiode 2021-2017 te reduceren van n+3 jaar naar n+2 jaar, teneinde de lidstaten ertoe te bewegen om de programma’s snel ten uitvoer te leggen,

- naar aanleiding van de door de Rekenkamer vastgestelde fouten financiële correcties aan te brengen, overeenkomstig de relevante wettelijke bepalingen,

- in de jaarlijkse activiteitenverslagen te specificeren op welke wijze de bedragen in verband met de lidstaten en de Commissie opgelegde financiële correcties zijn hergebruikt, met name in die gevallen waarin sprake was van fraude, corruptie of overige criminele activiteit,

- in de jaarlijkse activiteitenverslagen te specificeren wanneer en op welke wijze de door de lidstaten en de Commissie opgelegde financiële correcties achteraf zijn hergebruikt door de desbetreffende lidstaten,

- onverwijld het jaarverslag 2020 “Financiële instrumenten onder de ESI-fondsen” te publiceren,

- de transparantie te vergroten door het zoeken naar winnende inschrijvers op TED, de website van de EU voor elektronische overheidsopdrachten, mogelijk te maken,

- alle lidstaten aan te sporen het IT-programma ARACHNE te gebruiken voor het identificeren en aanpakken van frauderisico’s,

- de lidstaten nadere steun en sturing te verlenen aan de hand van haar diverse mechanismen, waaronder de technische ondersteuning die de Commissie tot haar beschikking heeft alsook de speciale taskforce, om zo de bestuurlijke capaciteit voor absorptie van EU-middelen te versterken en voor een soepele transitie van de huidige naar de volgende programmeringsperiode te zorgen,

-  de boekhoudkundige perioden van de Structuurfondsen gelijk te trekken met die van de Rekenkamer,

-  erop toe te zien dat de inhouding van 10 % op de tussentijdse betalingen in de programmeringsperiode 2021-2027 wordt gehandhaafd en dat, in gevallen waar de programma’s geacht worden een hoog risico voor de financiële belangen van de Unie te vormen, de ingehouden bedragen alleen worden vrijgegeven wanneer alle verificaties zijn afgerond, en de bevoegde beheersautoriteit tijdig van de situatie op de hoogte te brengen,

-  gezamenlijke richtsnoeren op te stellen voor belangenconflicten van hooggeplaatste politici, samen met de lidstaten effectieve rechtsinstrumenten te ontwikkelen om te verhinderen dat oligarchen gemakkelijk EU-middelen uit het Cohesiefonds kunnen ontvangen,

-  invoering van direct beheer in plaats van gedeeld beheer te overwegen voor het nieuwe MFK in het geval van opzettelijk misbruik van middelen;

230. verzoekt de Rekenkamer in zijn jaarverslag meer aandacht te besteden aan de prestaties, waarvoor de speciale verslagen een nuttige informatiebron zijn; verwelkomt in dit verband de voorstellen die in november 2019 door de Rekenkamer zijn gepresenteerd tijdens het bezoek aan de Commissie begrotingscontrole;

Natuurlijke hulpbronnen

Naleving

231. stelt vast dat de Rekenkamer voor het begrotingsjaar 2018 een geschat foutenpercentage van in totaal 2,4 % voor de rubriek “Natuurlijke hulpbronnen” heeft vastgesteld, hetgeen nog steeds boven de materialiteitsdrempel van 2 % ligt;

232. benadrukt dat ingewikkelde subsidiabiliteitscriteria het risico op fouten bij plattelandsontwikkeling, marktmaatregelen, visserij, milieu en klimaatmaatregelen verhogen; stelt vast dat circa een kwart van de begroting voor “Natuurlijke hulpbronnen” deze gebieden bestrijkt;

233. stelt vast dat een kwart van de 156 door de Rekenkamer geteste betalingen in gebieden met een hoger risico fouten vertoonde en dat de belangrijkste oorzaken van de fouten verband hielden met subsidiabiliteitsvoorwaarden, aanbestedings- of toekenningsregels, en onjuiste informatie over oppervlakten;

234. stelt met tevredenheid vast dat de Rekenkamer met betrekking tot de begrotingsmiddelen die overeenkomen met de rechtstreekse betalingen in het kader van het ELGF (72 % van de rubriek natuurlijke hulpbronnen) schat dat het foutenpercentage op dit gebied onder de materialiteitsdrempel van 2 % ligt;

235. wijst erop dat bij 81 % van de 95 rechtstreekse betalingen die door de Rekenkamer gecontroleerd zijn, geen fouten zijn vastgesteld, en dat de meeste fouten betrekking hadden op betalingen die iets te hoog waren (minder dan 5 %), wat met name veroorzaakt werd doordat landbouwers onjuiste informatie over oppervlakten verstrekten;

236. benadrukt dat de positieve resultaten op het gebied van de rechtstreekse betalingen in het kader van het ELGF hoofdzakelijk het gevolg waren van de kwaliteit van het geïntegreerd beheers- en controlesysteem, het landbouwpercelenidentificatiesysteem, de Geo-Spatial Aid Application en de voorlopige kruiscontroles van aanvragen van landbouwers;

237. stelt vast dat de Rekenkamer van oordeel is dat de door de Commissie in haar AMPR voorgelegde cijfers overeenkomen met haar controlebevindingen;

238. wijst erop dat DG AGRI in 2018 evaluatiebezoeken aan 17 certificerende instanties heeft gebracht en heeft vastgesteld dat bij de meeste ervan verbeteringen noodzakelijk waren en dat dus slechts in beperkte mate kon worden vertrouwd op het werk van het merendeel van de bezochte certificerende instanties wat betreft de controle van de wettigheid en regelmatigheid; wijst er in het bijzonder op dat met name met betrekking tot de steekproefmethode en de omvang van de subsidiabiliteitscontroles tekortkomingen zijn vastgesteld;

Prestatie

239. stelt vast dat de maatregelen in het kader van plattelandsontwikkeling over het algemeen zijn uitgevoerd zoals gepland en dat de lidstaten de redelijkheid van de kosten hebben gecontroleerd;

240. wijst erop dat bij sommige projecten de administratie dankzij vereenvoudigde kostenopties, zoals forfaitaire bedragen of vaste percentages, mogelijk kan worden vereenvoudigd en de kosten onder controle gehouden kunnen worden;

241. betreurt het dat de nationale autoriteiten weinig gebruik hebben gemaakt van vereenvoudigde kostenopties, ook al hadden deze nuttig kunnen zijn bij circa een derde van de door de Rekenkamer bezochte projecten; neemt echter nota van de inspanningen van DG AGRI om de lidstaten te helpen de moeilijkheden en problemen op te lossen die zij bij de invoering van vereenvoudigde kostenopties ervaren;

242. stelt met bezorgdheid vast dat de Rekenkamer nog altijd zwakke punten ontdekt bij het gebruik van resultaatindicatoren met betrekking tot het gemeenschappelijk monitoring- en evaluatiekader voor het GLB (GMEK);

243. betreurt het in het bijzonder dat de Rekenkamer heeft vastgesteld dat bijna een derde van de maatregelen op het gebied van plattelandsontwikkeling geen relevante resultaatindicator in het GMEK had, en dat de indicatoren daar waar zij waren vastgesteld niet altijd verband hielden met de doelstellingen van de aandachtsgebieden;

244. beveelt aan dat:

- de Commissie een beoordeling maakt van de doeltreffendheid van de maatregelen van de lidstaten om de onderliggende oorzaken van fouten aan te pakken, en indien nodig nadere richtsnoeren vaststelt,

- de certificerende instanties hun procedures verbeteren zodat de Commissie ten volle gebruik kan maken van hun werkzaamheden als haar primaire bron van zekerheid over de regelmatigheid van de GLB-uitgaven,

- de Commissie de door de Rekenkamer ontdekte tekortkomingen in het gemeenschappelijk monitoring- en evaluatiekader aanpakt in het kader van haar voorstel voor het nieuwe GLB;

KPI’s

245. herinnert eraan dat een van de belangrijkste doelstellingen van het GLB is om landbouwers inkomensstabiliteit te bieden, het behoud en het scheppen van werkgelegenheid te ondersteunen en groei en investeringen op het hele grondgebied van de Unie te stimuleren;

246. verneemt met grote bezorgdheid uit het jaarlijks activiteitenverslag over 2018 van DG AGRI dat, net als de jaren ervoor, het landbouwfactorinkomen per voltijdwerker in reële termen is hersteld, maar dat het inkomen over het algemeen achterligt bij de inkomens in de totale economie; verzoekt de Commissie deze toestand met de grootst mogelijke ernst aan te pakken, gezien de gevolgen van algemeen lagere inkomens voor landbouwers, met name in minder ontwikkelde plattelandsgebieden;

247. stelt vast dat de werkgelegenheid in de plattelandsgebieden van de Unie inmiddels met 67,7 % hoger ligt dan het niveau van voor de crisis in 2008;

248. wijst erop dat de KPI betreffende de arbeidsparticipatie op het platteland niet uitsluitend wordt bepaald door de GLB-factor;

249. verneemt met grote bezorgdheid uit het jaarlijks activiteitenverslag over 2018 van DG AGRI dat het aantal arbeidskrachten in onder het GLB vallende gebieden gestaag is afgenomen, van 11 595 (1 000 arbeidsjaareenheden) in 2008 tot 9 363 (1 000 arbeidsjaareenheden) in 2017 (bladzijde 22);

250. neemt ter kennis dat de Commissie heeft meegedeeld dat de tendens positief is wat betreft de KPI voor het minimumpercentage grond met specifieke milieupraktijken;

251. onderstreept evenwel dat de Commissie in werkdocument van de diensten 2018/478 (final) op pagina 55 en 56 heeft geconcludeerd dat niettegenstaande de doelstellingen van de vergroenende maatregelen zoals geformuleerd in de verordening rechtstreekse betalingen, milieu- en klimaatdoelstellingen in het algemeen geen belangrijke factor zijn geweest bij de implementatiekeuzes van de lidstaten; lidstaten geen gebruikmaken van die flexibiliteit om de voordelen voor het milieu en het klimaat te maximaliseren; besluiten eerder ingegeven lijken te zijn door administratieve kwesties en landbouwoverwegingen, waaronder de wens om de landbouwpraktijken zo min mogelijk te verstoren[103];

252. betreurt het dat de Rekenkamer, net als in eerdere verslagen, opnieuw tekortkomingen heeft vastgesteld bij het gebruik van resultaatindicatoren, waaronder gebrekkige kwaliteit van de resultaatindicatoren[104]; benadrukt dat de voorgestelde verschuiving naar een op prestaties gebaseerd GLB alleen kan worden gerealiseerd als er een uitgebreide reeks gemeenschappelijke resultaatindicatoren wordt ontwikkeld en deze indicatoren gedegen worden toegepast;

253. verzoekt de Commissie ervoor te zorgen dat de financiering van het GLB in overeenstemming is met de doelstellingen van de Europese Green Deal en de Overeenkomst van Parijs;

254. is met name teleurgesteld dat de Commissie heeft moeten concluderen dat de algemene effecten van de vergroeningsmaatregelen, zoals die momenteel worden toegepast, op de bedrijfsvoering in de landbouw en op het milieu/klimaat onzeker maar vrij beperkt lijken te zijn, hoewel er verschillen tussen de lidstaten bestaan, en dat de gewasdiversificatiemaatregel ertoe heeft geleid dat de diversiteit van de verbouwde gewassen met circa 0,8 % van de cultuurgrond is toegenomen[105];

255. wijst erop dat met de vergroening van het GLB haar oorspronkelijke doel van betere milieuprestaties niet is bereikt en het GLB een inkomenssteunregeling is gebleven omdat er nog steeds op basis van betalingen per hectare wordt gewerkt; herinnert eraan dat volgens Speciaal verslag nr. 21/2017 van de Europese Rekenkamer dit een groot risico op buitenkanseffect en dubbele financiering inhoudt;

256. wijst er met bezorgdheid op dat de uitstoot van broeikasgassen door de landbouw tussen 1990 en 2010 weliswaar aanzienlijk is verminderd, maar dat deze tendens onderbroken is en de uitstoot op het tijdstip van invoering van de vergroeningsmaatregelen (dus 2017 ten opzichte van 2016) weer is toegenomen (zie het antwoord op schriftelijke vraag nr. 9);

Eerlijkere toewijzing van GLB-middelen

257. benadrukt dat grotere landbouwbedrijven met een hoger inkomen in tijden van door inkomensschommelingen veroorzaakte crises niet noodzakelijkerwijs evenveel steun nodig hebben voor de stabilisering van hun inkomen als kleinere bedrijven, aangezien zij kunnen profiteren van mogelijke schaalvoordelen waardoor ze waarschijnlijk weerbaarder zijn; is voorts van mening dat de Commissie stappen moet ondernemen om ervoor te zorgen dat de GLB-middelen op een evenwichtige wijze worden verdeeld, zodat de betalingen per hectare met toenemende grootte van het landbouwbedrijf/de onderneming afnemen;

258. dringt erop aan dat in het nieuwe uitvoeringssysteem een specifieke resultaatindicator “herverdeling over kleinere landbouwbedrijven” wordt vastgesteld;

259. dringt er bij de Commissie op aan erop toe te zien dat de GLB-middelen eerlijk worden toegewezen aan actieve landbouwers en niet leiden tot grondtransacties waarvan een selecte groep politieke insiders, dikwijls oligarchen genoemd, profiteert; verzoekt de Commissie schending, omzeiling en onbedoelde gevolgen van de huidige GLB-toewijzingsregels te inventariseren; wijst op het belang van een transparant en sterk governancesysteem en dringt er verder bij de Commissie op aan haar inspanningen ter voorkoming en opsporing van fraude op te voeren;

260. is bezorgd over recente berichten van vermeende gevallen van belangenconflicten op hoog niveau en landroof in een aantal lidstaten; stelt vast dat het wat het grondbezit betreft, in de eerste plaats de taak van de betrokken instanties van de lidstaten is om op te treden en de nodige systemen in te voeren om fraude te voorkomen; benadrukt dat OLAF en het EOM moeten worden benaderd bij elke aantijging of verdenking van fraude en misbruik of wanbeheer van EU-middelen; wijst in dit verband op het belang van een transparant en sterk governancesysteem en dringt er verder bij de Commissie op aan haar inspanningen ter voorkoming en opsporing van fraude op te voeren;

261. neemt kennis van het voorstel van de Commissie voor een nieuw uitvoeringsmodel dat een plafonnering met een degressief mechanisme bevat om ervoor te zorgen dat de GLB-middelen op een evenwichtige wijze worden verdeeld, zodat de betalingen per hectare met toenemende grootte van het landbouwbedrijf/de onderneming afnemen; is van mening dat een bovengrens, met de invoering van arbeidscompensatie vóór plafonnering onvoldoende is om een eerlijkere toewijzing van rechtstreekse betalingen te waarborgen; staat ook achter het idee van een herverdelingsmechanisme; dringt er bij de Commissie op aan een voorstel voor een maximumbedrag aan rechtstreekse betalingen per natuurlijke persoon als uiteindelijke gerechtigde van een of meer vennootschappen toe te voegen; beklemtoont dat het in één MFK-periode onmogelijk zou moeten zijn meer dan 100 miljoen EUR aan EU-subsidies te ontvangen;

Voorbehoud van de directeur-generaal van DG AGRI

262. sluit zich aan bij het voorbehoud dat de directeur-generaal van DG AGRI in het jaarlijks activiteitenverslag over 2018 (op bladzijde 145) heeft gemaakt;

Tsjechië

263. neemt kennis van het feit dat (zie de antwoorden op schriftelijke vragen nr. 3 en nr. 18, gesteld tijdens de hoorzitting van CONT met de directeur-generaal van DG AGRI op 17 oktober 2019):

- de Commissie momenteel vermeende belangenconflicten in Tsjechië onderzoekt op grond van artikel 61 van het Financieel Reglement. In januari-februari 2019 hebben diverse diensten van de Commissie (DG AGRI/DG REGIO/DG EMPL) een gecoördineerde controle uitgevoerd. DG AGRI heeft de investeringsmaatregelen in het kader van plattelandsontwikkeling gecontroleerd;

- het onderzoek van de Commissie loopt, en dat er als voorzorgsmaatregel en totdat de situatie is opgehelderd geen betalingen uit de Uniebegroting in het kader van de ESI-fondsen worden gedaan aan bedrijven die direct dan wel indirect eigendom zijn van premier Babiš en die mogelijk een rol spelen bij het vermeende belangenconflict;

- de Commissie – in het kader van het Landbouwfonds voor plattelandsontwikkeling – geen bedragen aan de Tsjechische autoriteiten vergoedt voor Agrofert-projecten die mogelijk een rol spelen bij het vermeende belangenconflict;

264. is bezorgd dat (zie het antwoord op schriftelijke vraag nr. 3, gesteld tijdens de hoorzitting van CONT met de directeur-generaal van DG AGRI op 17 oktober 2019):

265. verzoekt de Commissie bij niet-naleving van de regels passende maatregelen te nemen ter bescherming van de Uniebegroting, met inbegrip van corrigerende maatregelen met terugwerkende kracht, mits hierin wordt voorzien;

266. verzoekt de Commissie nauwgezet toezicht te houden op het actuele proces in Tsjechië en met name te letten op betalingen aan bedrijven die momenteel direct dan wel indirect eigendom zijn van de premier of van andere leden van de Tsjechische regering;

267. verzoekt de Commissie nauwlettend toezicht te houden op het proces van terugvordering van misbruikte middelen en erop toe te zien dat Tsjechië juridische stappen neemt om corrigerende maatregelen af te dwingen tegen degenen die verantwoordelijk zijn voor het misbruik van middelen van de Unie;

268. verzoekt de Commissie om de bevoegde commissie van het Parlement en het grote publiek onverwijld op de hoogte te brengen van alle bevindingen van de controles, in volledige overeenstemming met de beginselen van transparantie en rechtszekerheid, die tot de grondbeginselen van de rechtsstaat behoren; verzoekt de Commissie de bevoegde commissie van het Parlement te informeren indien eventuele belangenconflicten van de Tsjechische regering blijven voortduren nadat de controles officieel zijn afgerond, of indien de Tsjechische autoriteiten op politieke en andere niet-juridische gronden bezwaar maken tegen de toepassing van corrigerende maatregelen;

269. verzoekt de Commissie de politieke situatie in Tsjechië zorgvuldig te onderzoeken om te beoordelen of de beginselen van de rechtsstaat volledig geëerbiedigd worden en alle redelijke stappen te ondernemen om de rechtsstaat te beschermen als een van de hoofdbeginselen van de Unie indien dit beginsel wordt bedreigd;

Slowakije

270. verzoekt de Commissie de antwoorden nauwkeurig te onderzoeken die zij in augustus 2019 van de Slowaakse autoriteiten heeft ontvangen over de wettelijke maatregelen die zij nemen ter verbetering van de correctheid en de transparantie van het “landregister” (kadaster), over het gevolg dat is gegeven aan de fraudebeschuldigingen, over de terugvorderingen alsook over een nieuwe, door het Slowaakse betaalorgaan (APA) toegepaste methode voor de behandeling van dubbele claims;

271. verzoekt de Commissie het Parlement tijdig te blijven informeren over de ontwikkelingen van de dossiers in Tsjechië en in Slowakije;

Hongarije

272. neemt ter kennis dat in het geval van Hongarije na de uitkomsten van de door OLAF doorgevoerde onderzoeken, de controles van DG AGRI van 2015 en 2017 een systematisch ontbrekende verificatie van belangenconflicten bij openbare aanbestedingsprocedures in het kader van het plattelandsontwikkelingsprogramma 2007-2013 aan het licht hebben gebracht,

273. is ingenomen met het feit dat:

- de Commissie heeft besloten financiële correcties van in totaal circa 6,5 miljoen EUR toe te passen;

- de Hongaarse autoriteiten hebben toegezegd de situatie voor de programmeringsperiode 2014-2020 te verhelpen, met inbegrip van de benoeming van een accountantskantoor dat de openbare aanbestedingsprocessen zal controleren;

274. verzoekt DG AGRI nauwlettend toe te zien op de situatie in Hongarije en tijdig verslag uit te brengen aan het Parlement over de genomen maatregelen;

Landroof

275. stelt met bezorgdheid vast dat de Commissie in haar antwoord op schriftelijke vraag nr. 41, die tijdens de hoorzitting van CONT van 17 oktober 2019 werd gesteld aan de directeur-generaal van DG AGRI, als volgt verklaart: “Overeenkomstig de EU-wetgeving heeft degene die de grond bewerkt aanspraak op betaling. De door een begunstigde vermelde percelen moeten op een bepaalde, door een lidstaat vastgestelde referentiedatum, ter beschikking staan van de landbouwer (...). Wanneer de grond onder dwang is ingenomen, betreft dit een rechtsstatelijke kwestie waarop het justitieel apparaat van de lidstaat dient te reageren. De Commissie kan, indien nodig, de lidstaat bijstaan. Bepaalde lidstaten hebben begunstigden verzocht te bewijzen dat zij gerechtigd zijn de grond te bewerken. Andere hebben dit niet gedaan. Het is de taak van de lidstaten deze kwestie te regelen”;

276. maakt zich grote zorgen over ernstige aantijgingen van landroof, soms met de steun van oligarchische structuren en in sommige lidstaten mogelijk met de hulp van regeringen en overheidsinstanties; verzoekt de Commissie gemeenschappelijke richtsnoeren op te stellen voor belangenconflicten van hooggeplaatste politici; dringt er bij de Commissie en de lidstaten op aan effectieve rechtsinstrumenten te ontwikkelen om de rechtsstaat te eerbiedigen en te verhinderen dat oligarchen gemakkelijk Unie-middelen uit landbouwfondsen kunnen ontvangen; is ingenomen met de maatregelen die de Commissie heeft genomen om bijvoorbeeld het landbouwpercelenidentificatiesysteem in sommige lidstaten te verbeteren en om de onpartijdigheid van de activiteiten van betaalorganen en controle-instanties te bevorderen;

277. betreurt het dat uit het antwoord van de Commissie blijkt dat de eerbiediging van de rechtsstaat voor de diensten van DG AGRI een kwestie is die voornamelijk de lidstaten aangaat;

278. verzoekt de Commissie een voorstel in te dienen tot wijziging van de GLB-regels zodat geen middelen van de Unie worden uitbetaald wanneer de grond onder dwang is ingenomen, op onwettige of frauduleuze wijze is verkregen of wanneer een valse verklaring over de eigendom van de grond is afgegeven, mogelijk zonder medeweten van de eigenaren of – in geval van staatsgrond – van de betreffende overheidsinstanties;

279. verzoekt de Commissie een mechanisme in te voeren dat de getroffen landbouwers/begunstigden in de gelegenheid stelt om een klacht in te dienen bij de Commissie in geval van landroof, en ervoor zorgt dat zij kunnen gebruikmaken van adequate beschermingsmechanismen;

280. verzoekt de Commissie de rechtsstatelijkheid in alle lidstaten consequent te waarborgen en ervoor te zorgen dat het rechtsbestel in staat is onafhankelijk te functioneren, zodat onafhankelijk onderzoek van rechtszaken kan plaatsvinden; is ingenomen met de toepassing van mogelijke strengere voorwaarden voor GLB-financiering;

281. verzoekt de Commissie de wetgeving en beleidsmaatregelen van de lidstaten ter voorkoming van landroof te evalueren en analyseren en richtsnoeren inzake beste praktijken op te stellen; verzoekt de lidstaten goede wetgevingspraktijken te hanteren, gericht op een beperking van landroof; dringt er bij de Commissie op aan haar inspanningen ter voorkoming en opsporing van fraude op te voeren; dringt er bij de lidstaten op aan om samen met de Commissie een passend rechtsinstrument op EU‑niveau te ontwikkelen om landroof te voorkomen;

282. herinnert aan het standpunt van het Parlement[106] in verband met de concentratie van landbouwgrond en herhaalt zijn oproep aan de Commissie om een waarnemingspost op te richten voor het verzamelen van informatie en gegevens over concentratie en bezit van landbouwgrond in de hele Unie; roept de Commissie op gebruik te maken van de systemen en databanken waarover zij beschikt, en deze te combineren om te bepalen wie de uiteindelijke begunstigden zijn in het geval van landbouwbedrijven die deel uitmaken van een grotere bedrijfsstructuur; neemt nota van de ontwikkeling van een ondernemingsregister voor de hele Unie, waarbij landbouwbedrijven aan een unieke bedrijfsidentificatiecode op EU-niveau worden gekoppeld, om de uiteindelijke bestemming van de GLB-middelen beter te kunnen vaststellen;

Betalingsregeling voor jonge landbouwers

283. is ermee ingenomen dat volgens het antwoord van de Commissie op schriftelijke vraag nr. 39, “voorlopige gegevens erop wijzen dat het totale aantal begunstigden in aanvraagjaar 2018 met circa 28 % is toegenomen, van 364 153 tot 466 006. Het totaalbedrag is verhoogd met 53 %, van 390 miljoen EUR in 2017 tot 600 miljoen EUR in 2018” (gegevens AGRIVIEW);

284. betreurt het feit dat, wat de steun aan jonge landbouwers via de plannen voor plattelandsontwikkeling betreft, de Rekenkamer in Speciaal verslag nr. 10/2017 concludeerde dat de maatregelen over het algemeen gebaseerd zijn op een vage behoeftenbeoordeling en dat er geen werkelijke coördinatie is tussen betalingen in het kader van pijler 1 en steun in het kader van pijler 2 aan jonge landbouwers;

285. verzoekt de Commissie gehoor te geven aan de aanbevelingen van de Rekenkamer over de programmeringsperiode na 2020 en in het bijzonder een duidelijke interventielogica aan te nemen voor de beleidsinstrumenten waarmee generatievernieuwing in de landbouw wordt aangepakt (of de lidstaten verplichten om die in overeenstemming met de bepalingen inzake gedeeld beheer aan te geven); stelt voor dat de interventielogica het volgende moet omvatten:

- een degelijke beoordeling van de behoeften van jonge landbouwers,

- een beoordeling van de behoeften waarin beleidsinstrumenten van de Unie kunnen voorzien en de behoeften waarin het beleid van de lidstaten beter tegemoet kan komen, alsmede een analyse van de vormen van steun (bijv. rechtstreekse betalingen, forfaitair bedrag, financiële instrumenten) die het meest geschikt zijn om te voorzien in de vastgestelde behoeften,

- een definitie van Smart-doelstellingen, waarin de verwachte resultaten van beleidsinstrumenten wat betreft het verwachte generatievernieuwingspercentage en de bijdrage tot de levensvatbaarheid van de ondersteunde landbouwbedrijven expliciet en kwantificeerbaar worden gemaakt;

Europa als wereldspeler

De bevindingen van de Rekenkamer

286. is ingenomen met de positieve ontwikkeling van de restfoutenpercentages (RFP), zoals vastgesteld in de desbetreffende studies die zijn uitgevoerd in opdracht van DG DEVCO en DG NEAR[107];

287. verneemt naar aanleiding van de RFP-studie van DG NEAR met bezorgdheid van de Rekenkamer dat:

- er ruimte is voor verbetering van de beoordelingsmarge die de controleurs hebben voor schattingen van fouten in afzonderlijke verrichtingen,

- het aantal verrichtingen waarvoor geen gegevensgerichte toetsing was verricht omdat er volledig werd vertrouwd op eerdere controlewerkzaamheden is in 2018 verdubbeld ten opzichte van 2017,

- een te groot vertrouwen in door anderen uitgevoerde controlewerkzaamheden ertoe kan leiden dat de belangrijkste doelstelling van de RFP-studie niet wordt behaald omdat dit invloed heeft op het RFP;

288. stelt in verband met de RFP-studie van DG DEVCO met grote bezorgdheid vast dat:

- de RFP-studie geen assurance-opdracht of controle vormt,

- de RFP-contractant een aanzienlijke interpretatiemarge heeft en dat de RFP-studieovereenkomst enkel per jaar wordt gesloten, waardoor de contractant en de gehanteerde aanpak elk jaar kunnen veranderen,

- de Rekenkamer tekortkomingen heeft vastgesteld, zoals het zeer geringe aantal controles ter plaatse van verrichtingen, de onvolledige controles van openbare aanbestedingsprocedures en oproepen tot het indienen van voorstellen, en het geschatte foutenpercentage,

- de Rekenkamer fouten en inconsistenties aan het licht heeft gebracht bij de berekening en extrapolatie van afzonderlijke fouten,

- de Rekenkamer fouten heeft opgemerkt in de werkdocumenten van de contractant, zoals rekenkundige fouten, en het feit dat de controles niet alle subsidiabiliteitscriteria met betrekking tot uitgaven omvatten,

- in geval van geen gegevensgerichte toetsing vanwege vertrouwen in eerdere controles, de vastgestelde fouten niet worden geëxtrapoleerd naar het niet-getoetste deel van de uitgaven, wat het foutenpercentage verlaagt;

289. neemt ter kennis dat de Rekenkamer het aantal gecontroleerde verrichtingen in 2018 onvoldoende achtte om het foutenpercentage te kunnen schatten, en dat zij dit besluit heeft genomen in overeenstemming met haar algemene strategie om de gegevensgerichte toetsingen te reduceren en zich ten dele te baseren op het zogeheten “werk van anderen”; stelt voor dat de Rekenkamer het aantal gecontroleerde verrichtingen verhoogt om voor het hoofdstuk “Europa als wereldspeler” een raming van het foutenpercentage te kunnen geven;

290. betreurt het dat de Rekenkamer het aantal gecontroleerde verrichtingen in 2018 onvoldoende achtte om het foutenpercentage te kunnen schatten, en dat zij dit besluit heeft genomen in overeenstemming met haar algemene strategie om de gegevensgerichte toetsingen te reduceren en zich ten dele te baseren op het zogeheten “werk van anderen”;

291. wijst erop dat van de 58 door de Rekenkamer onderzochte verrichtingen er 11 fouten vertoonden, en dat de Rekenkamer 5 kwantificeerbare fouten heeft vastgesteld die financiële gevolgen hadden voor het uit de begroting van de Unie te betalen bedrag;

292. stelt met bezorgdheid vast dat – ondanks goede scores wat betreft het foutenpercentage – DG DEVCO in zijn jaarlijks activiteitenverslag over 2018:

- erop wijst dat 4,64 % van het totale in 2018 gecontroleerde bedrag van de subsidies onder direct beheer door externe controleurs is aangemerkt als niet-subsidiabel (zie bladzijde 57),

- vermeldt dat 3,77 % van het bedrag in indirect beheer in begunstigde landen niet-subsidiabel is (zie bladzijde 66);

293. betreurt het feit dat de Rekenkamer bij twee internationale organisaties, het Kinderfonds van de Verenigde Naties en het Wereldvoedselprogramma, een gebrek aan medewerking bij het tijdig overleggen van essentiële bewijsstukken heeft vastgesteld;

294.  betreurt het dat de Rekenkamer heeft vastgesteld dat, ondanks de inspanningen om terugvorderingen van voorfinanciering, geannuleerde invorderingsopdrachten en ontvangen rente buiten de berekening te houden, de betrouwbaarheid van de cijfers van 2018 voor DG ECHO wordt ondermijnd door niet-opgespoorde fouten die leidden tot overschatting van het corrigerend vermogen van het DG;

295. wijst erop dat het eerste voorbehoud dat is opgenomen in het jaarlijks activiteitenverslag over 2018 van DG DEVCO betrekking heeft op subsidies die DG NEAR beheert in opdracht van DG DEVCO, en dat de reikwijdte van dit voorbehoud in zowel 2017 als in 2018 aanzienlijk werd beperkt, hetgeen gedeeltelijk kwam doordat het restfoutenpercentage drie opeenvolgende jaren onder de materialiteitsdrempel lag;

296. stelt met grote bezorgdheid vast dat, gelet op de beperkingen van de RFP-studie, de beperkte reikwijdte van het eerste voorbehoud onvoldoende gerechtvaardigd is;

297. spreekt opnieuw zijn steun uit voor de multimedia-activiteiten van de Commissie, die bijdragen tot onafhankelijke berichtgeving over Unie-aangelegenheden in de media en tot bevordering van een Europese openbare ruimte; is echter sterk verontrust door de conclusies van de snelle evaluatie van Euronews door de Europese Rekenkamer, waaruit blijkt dat de financiële steun van de Unie aan Euronews transparantie en verantwoording mist en dat de monitoring- en controlesystemen niet solide genoeg zijn; dringt er derhalve bij de Commissie op aan aan alle door de Rekenkamer geformuleerde bezwaren tegemoet te komen en haar aanpak van de samenwerking met Euronews te herzien; dringt er bovendien bij de Commissie op aan om de transparantie en verantwoordingsplicht bij het gebruik van de begroting voor multimedia-acties in het algemeen te vergroten, met name door het creëren van specifieke begrotingslijnen voor de verschillende acties, en om het gebruik van de begrotingslijn volledig te evalueren;

Toezichtsverslag externe steun

298. betreurt opnieuw dat de door de hoofden van de Uniedelegaties opgestelde toezichtverslagen externe steun (EAMR’s) niet als bijlage bij de jaarlijkse activiteitenverslagen van DG DEVCO en DG NEAR voor 2018 zijn gevoegd, zoals voorgeschreven in artikel 76, lid 3, van het Financieel Reglement;

299. is ingenomen met het standpunt van de Commissie[108] dat de leden en de medewerkers van het Parlement, de Raad en de Rekenkamer het EAMR langs alle wegen (e-mail, fotokopieën) onderling kunnen uitwisselen, en dat er geen verplichting bestaat om het verslag in een beveiligde ruimte in te zien;

Meer transparantie en een strategischer aanpak van het beleid inzake ontwikkelingssamenwerking

300. wijst erop dat de bundeling van middelen van het EOF, de begroting van de Unie en andere donoren in trustfondsen niet tot gevolg mag hebben dat voor ontwikkelings- en samenwerkingsbeleid bestemde middelen de beoogde begunstigden niet bereiken;

301. stelt vast dat om het beleid van de Unie in derde landen uit te voeren, steeds meer gebruik wordt gemaakt van financiële mechanismen die parallel lopen met de begroting van de Unie en benadrukt dat dit het niveau van verantwoordingsplicht en transparantie inzake het optreden van de Unie dreigt te ondermijnen; dringt erop aan dat de Commissie ervoor zorgt dat externe steun slechts wordt verstrekt indien de rechtstaat en de mensenrechten worden gerespecteerd in de landen van ontvangst; benadrukt met name dat moet worden gewaarborgd dat met de middelen van de Unie geen gedwongen kinderarbeid ondersteund wordt en dat er geen EU-middelen worden gebruikt om tekstboeken en onderwijsmateriaal te financieren die aanzetten tot religieuze radicalisering, intolerantie, etnisch geweld en martelaarschap onder kinderen;

302. maakt zich zorgen over het feit dat problematisch materiaal nog steeds niet uit Palestijnse schoolboeken is verwijderd en dat nog steeds niet effectief is opgetreden tegen haatzaaierij en geweld in schoolboeken; staat erop dat de lonen van leraren en ambtenaren in de onderwijssector die met middelen uit EU-fondsen zoals Pegase worden gefinancierd, gebruikt worden om lesmateriaal samen te stellen en te onderwijs te geven waarin de Unesco-normen van vrede, tolerantie, samenleven en geweldloosheid weerspiegeld worden, in overeenstemming met het besluit van de ministers van Onderwijs van de Unie van 17 maart 2015 in Parijs en het besluit van het Europees Parlement van 18 april 2018 over het verlenen van kwijting voor de uitvoering van de algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2016, afdeling III – Commissie (2017/2136(DEC));

303. merkt op dat de Commissie Uniemiddelen mag aanwenden voor veiligheidsdoeleinden met het oog op efficiëntere ontwikkelingssamenwerking en dat moet worden gezorgd voor een duidelijke rechtsgrondslag en volledige transparantie van de gefinancierde maatregelen;

304. uit zijn bezorgdheid over het feit dat controleurs vanwege veiligheidsrisico’s in veel landen, zoals in Libië, dikwijls niet in staat zijn te verifiëren of de begunstigden van Uniemiddelen strenge mensenrechtennormen naleven; verzoekt de Commissie erop toe te zien dat er via het EUTF geen middelen uit het EOF en de EU-begroting worden toegekend aan projecten die worden uitgevoerd door regeringstroepen en lokale troepen (milities) die betrokken zijn bij ernstige mensenrechtenschendingen, met name in landen als Libië en Sudan; verzoekt de Commissie te overwegen de EU-hulp stop te zetten indien haar onafhankelijke controleurs het effectieve gebruik van de EU-middelen in die landen niet kunnen controleren;

305. betreurt de beperkte rol die het Parlement speelt bij het toezicht op en de governance van het EUTF; beschouwt het als cruciaal dat het Parlement toezicht kan houden op de activiteiten van het operationeel comité[109];

306. herinnert eraan dat de mogelijkheid voor de Commissie om trustfondsen van de Unie op te richten en te beheren is bedoeld:

- ter versterking van de internationale rol van de Europese Unie, alsook ter vergroting van de zichtbaarheid en de efficiëntie van haar externe optreden en ontwikkelingssteun,

- om te zorgen voor een sneller besluitvormingsproces bij de keuze van de uit te voeren maatregelen, hetgeen bij acties in en na noodsituaties van cruciaal belang is,

- om te zorgen voor een hefboomwerking met betrekking tot aanvullende middelen voor extern optreden, en

- om door het bundelen van middelen de coördinatie tussen verschillende donoren van de Unie op geselecteerde interventiegebieden te vergroten,

- om de beheerders van het trustfonds strategische prioriteiten en richtsnoeren te bieden, toegespitst op het bereiken van tastbare resultaten en effecten;

307. benadrukt dat door het toenemende gebruik van andere financiële mechanismen om Uniebeleid uit te voeren in combinatie met de begrotingsrisico’s van de Unie, het risico bestaat dat het niveau van verantwoording en transparantie wordt ondermijnd, omdat de regelingen inzake verslaglegging, controle en openbaar toezicht niet op elkaar zijn afgestemd;

Aanbevelingen

308. verzoekt de Commissie om:

- stappen te ondernemen zodat internationale organisaties explicieter op de verplichting worden gewezen om de Rekenkamer op verzoek alle bescheiden en inlichtingen te doen toekomen die nodig zijn voor de vervulling van haar taak, zoals bepaald in de Verdragen,

- de RFP-methodologie van DG NEAR en DG DEVCO zodanig aan te passen dat besluiten om volledig te vertrouwen op eerdere controlewerkzaamheden worden beperkt, nauwlettend toe te zien op de toepassing ervan en alle door de Rekenkamer geconstateerde tekortkomingen te verhelpen,

- de berekening van DG ECHO van het corrigerend vermogen 2019 te herzien door terugvorderingen van niet-uitgegeven voorfinanciering buiten de berekening te houden,

- in haar begeleidend schrijven bij het toezichtverslag externe steun erop te wijzen dat de lidstaten en de medewerkers van het Parlement deze documenten langs alle wegen (e-mail, fotokopieën) onderling kunnen uitwisselen, en dat er geen verplichting bestaat om deze documenten in een beveiligde ruimte in te zien,

- te overwegen trustfondsen die niet in staat zijn een significante bijdrage van andere donoren aan te trekken of die hun doelstellingen of streefdoelen niet verwezenlijken, stop te zetten,-  geregeld en systematisch na te gaan of de potentiële gevolgen van gefinancierde activiteiten en projecten voor de grondrechten worden geïdentificeerd en effectief beperkt,

- te waarborgen dat met de middelen van de Unie geen gedwongen kinderarbeid ondersteund wordt,

- ervoor te zorgen dat alle derde entiteiten EU-middelen uitsluitend gebruiken om schoolboeken en lesmateriaal te verschaffen die een weerspiegeling zijn van de gemeenschappelijke waarden en volledig in overeenstemming zijn met de Unesco-normen ter bevordering van vrede, tolerantie en samenleven in het onderwijs,

- ervoor te zorgen dat er geen Uniemiddelen worden gebruikt voor andere doeleinden dan de aangewezen terreinen,

- gedetailleerde informatie te verstrekken over de besluiten die in dat operationele comité worden genomen, en ervoor te zorgen dat het Parlement vertegenwoordigd is tijdens de vergaderingen ervan[110];

309. dringt erop aan dat de Commissie bij het vaststellen van de prioriteiten voor externe steun een functionerende rechtsstaat en de eerbiediging van de mensenrechten in het begunstigde land als belangrijke criteria hanteert; dringt erop aan dat de Commissie het gebruik van Uniemiddelen door derde entiteiten grondig controleert om er zeker van te zijn dat geen middelen worden aangewend voor of gekoppeld aan doelen of vorm van terrorisme en/of religieuze en politieke radicalisering;

Speciaal verslag nr. 35/2018 van de Rekenkamer: Transparantie van door ngo’s uitgevoerde Uniemiddelen: meer inspanning nodig

310. is zich bewust van de belangrijke rol die onafhankelijke ngo’s spelen, zowel binnen als buiten de Unie; erkent de cruciale bijdrage die het maatschappelijk middenveld wereldwijd levert aan de bevordering en verdediging van de mensenrechten, de ontwikkeling en bescherming van de democratie en de verlening van humanitaire bijstand; houdt rekening met het feit dat sommige ngo’s werkzaam zijn onder zeer moeilijke of gevaarlijke omstandigheden of in gebieden waar hun bijdrage onontbeerlijk is; het bevorderen van sociale inclusie en werkgelegenheid, het waarborgen van de toegang tot onderwijs, gezondheidszorg en het bijdragen aan de bescherming van het milieu en de bestrijding van corruptie;

311. stelt vast dat de Commissie 1,7 % van de Uniebegroting en 6,8 % van de Europese Ontwikkelingsfondsen uitvoert via ngo’s;

312. verzoekt de Commissie een geharmoniseerde definitie van ngo’s voor te stellen die in overeenstemming is met de wetgevingen van de lidstaten;

313. wijst erop dat transparantie een van de begrotingsbeginselen is die zijn vastgelegd in het Financieel Reglement; volgens dit beginsel moet de Commissie op passende en tijdige wijze informatie over de ontvangers van EU-middelen beschikbaar stellen;

314. erkent dat vergelijkbare tekortkomingen als deze die bij de ngo’s zijn vastgesteld, relevant zijn voor alle EU-begunstigden, zoals particuliere ondernemingen, overheidsinstanties enz.;

315. benadrukt dat de Rekenkamer vijf elementen betreffende de aanwending van Uniemiddelen door ngo’s heeft vastgesteld waarover de Commissie onvoldoende transparant is:

- de onbetrouwbaarheid van de indeling van ngo’s in het boekhoudsysteem van de Commissie (ABAC),

- het gebrek aan transparantie bij de selectie van ngo’s voor de uitvoering van een programma,

- het gebrek aan adequate informatie over de middelen van ngo’s en de door hen uitgevoerde activiteiten,

- het gebrek aan betrouwbaarheid van de openbaar gemaakte informatie over daadwerkelijke betalingen of over entiteiten die middelen ontvangen via getrapte subsidiëring,

- de ontoereikendheid van de door de organen van de Verenigde Naties verstrekte informatie over opdrachten die aan ngo’s waren gegund;

316. stelt vast dat de meeste aanbevelingen van de Rekenkamer inmiddels verwerkt zijn in het Financieel Reglement zoals aangenomen in 2018 en dat de Commissie het merendeel van de aanbevelingen van de Rekenkamer intussen heeft uitgevoerd; verzoekt de Commissie de nadruk te leggen op de uitvoering van de aanbevelingen die op alle EU-begunstigden van toepassing zijn, in overeenstemming met het Financieel Reglement en de beginselen van non-discriminatie;

317. verzoekt de Commissie snel richtsnoeren en sterke criteria te ontwikkelen om ngo’s in haar boekhoudsysteem te kunnen identificeren en de door de aanvragers zelf verstrekte gegevens te verifiëren;

318. merkt op dat er voor alle DG’s verschillende registratiesystemen bestaan om aanvragers van Uniemiddelen te registreren; dringt er bij de Commissie op aan om één toegangspunt te creëren, teneinde samenhang te verzekeren met de gegevens in het systeem voor financiële transparantie, en criteria en richtsnoeren op te stellen voor de definitie van ngo’s en andere categorieën van begunstigden;

319. verzoekt de Commissie om ngo’s of andere aanvragers uit te sluiten die herhaaldelijk of opzettelijk onjuiste verklaringen over fouten uit het verleden voorleggen, en deze grondiger te controleren;

320. is ingenomen met de vereenvoudigingsinspanningen in het nieuwe Financieel Reglement, zoals de invoering van voorafgaande pijlerbeoordelingen, en verzoekt de Europese Commissie in de verschillende diensten de toepasselijke regels van het Financieel Reglement op een consistente manier uit te leggen, met name wat betreft getrapte subsidiëring, en daarbij rekening te houden met specifieke kenmerken van de sectoren;

321. verzoekt de Commissie de in haar systeem voor financiële transparantie bekendgemaakte informatie te standaardiseren en nauwkeuriger te maken en daarbij erop toe te zien dat alle begunstigden met wie de Unie een overeenkomst heeft gesloten, tegen midden 2021 worden bekendgemaakt, samen met de aan hen toegewezen bedragen;

322. betreurt het dat de Commissie niet heeft gecontroleerd of de organen van de Verenigde Naties informatie openbaar maken over subsidies die door de Unie gefinancierd worden; eist dat de Commissie deze controles op consequente wijze uitvoert;

323. verzoekt de Commissie om de verzamelde informatie te verbeteren door in de verschillende systemen voor subsidiebeheer de mogelijkheid in te bouwen om de door alle begunstigden en niet alleen door de hoofdbegunstigde ontvangen financiering te registreren, zodat deze informatie kan worden geanalyseerd en verwerkt, en is in dit kader ingenomen met de nakende lancering van OPSYS als tool voor de externe financieringsinstrumenten van de EU;

324. herhaalt het dringende verzoek aan de Commissie om uitvoering te geven aan de rechterlijke uitspraken van zowel het Hof van Justitie[111] als het Permanent Hof van Arbitrage[112] en de status van IMG als internationale organisatie volledig te erkennen;

325. verzoekt de Commissie bij de kwijtingsautoriteit zo snel mogelijk verslag uit te brengen over de genomen maatregelen;

Veiligheid en burgerschap

De bevindingen van de Rekenkamer

326. is ingenomen met het feit dat de Rekenkamer voor het derde achtereenvolgende jaar in haar jaarverslag een afzonderlijk hoofdstuk over veiligheid en burgerschap heeft opgenomen; neemt ter kennis dat in de conclusies van de Rekenkamer geen specifiek foutenpercentage voor dit uitgaventerrein wordt aangegeven, aangezien dit slechts circa 2 % van de totale Uniebegroting bestrijkt;

327. wijst erop dat het openbaar en politiek belang van dit terrein beduidend hoger is dan zijn financiële aandeel; verzoekt de Rekenkamer te overwegen om bijkomende verrichtingen te controleren en een geraamd foutenpercentage voor het hoofdstuk “Veiligheid en burgerschap” te verstrekken;

328. wijst erop dat er volgens de Rekenkamer nog speelruimte bestaat voor een betere aanwending van EU-middelen in deze programmeringsperiode door erop toe te zien dat de lidstaten uitsluitend de kosten van maatregelen vergoeden wanneer aan alle voorwaarden voor betaling is voldaan, of dat opdrachten slechts dan gegund worden wanneer alle selectie- en gunningscriteria juist en coherent geëvalueerd zijn;

329. stelt vast dat de lidstaten het uitvoeringspercentage van hun nationale programma’s in het kader van het AMIF en het ISF aanzienlijk hebben verhoogd; toont zich evenwel bezorgd over het feit dat de waarde van ongebruikte bedragen blijft stijgen, waardoor de druk op nationale autoriteiten kan toenemen naarmate het einde van programma’s nadert;

330. stelt vast dat de controle door de Rekenkamer van de beheers- en controlesystemen van zeven[113] autoriteiten in de lidstaten die verantwoordelijk zijn voor de uitvoering van de nationale programma’s in het kader van het AMIF en het ISF, aan het licht heeft gebracht dat zij over het algemeen over voldoende controles beschikten om te voldoen aan de vereisten van de verordeningen, ook al werden een aantal zwakke punten ontdekt (jaarverslag van de Rekenkamer over 2018, punt 8.10); merkt op dat dit ook gold voor de interne procedures van DG HOME voor de evaluatie van subsidieaanvragen en de goedkeuring van betalingsaanvragen (jaarverslag van de Rekenkamer over 2018, punt 8.13);

331. verzoekt de Commissie erop toe te zien dat zij, bij het uitvoeren van administratieve controles van betalingsaanvragen, systematisch gebruikmaakt van alle documentatie waarom zij begunstigden van subsidies heeft gevraagd, om de wettigheid en regelmatigheid van de aanbestedingsprocedures die deze begunstigden hebben georganiseerd naar behoren te onderzoeken;

332. verzoekt de Commissie de autoriteiten van de lidstaten die verantwoordelijk zijn voor de nationale AMIF/ISF-programma’s op te dragen om, bij de uitvoering van administratieve controles van betalingsaanvragen, adequate controles uit te voeren van de wettigheid en regelmatigheid van de aanbestedingsprocedures die door de begunstigden van de fondsen zijn georganiseerd;

333. merkt met bezorgdheid op over prestatie dat de Rekenkamer er in haar jaarverslag over 2018 (punten 8.19 en 8.20) op wijst dat de lidstaten niet altijd de geëigende indicatoren op projectniveau gebruiken; als gevolg daarvan kan de uitwerking van de gefinancierde projecten niet accuraat gemeten worden;

Het jaarlijks activiteitenverslag van DG HOME over 2018

334. is ermee ingenomen dat de Commissie de nadruk legt op de ontwikkeling van een gestructureerd systeem voor hervestiging dat kwetsbare mensen die internationale bescherming behoeven legale en veilige mogelijkheden biedt om de Unie binnen te komen;

335. betreurt het feit dat de huidige toestand in enkele door de Unie gecofinancierde hotspots niet overeenkomt met optimale praktijken en normen, met name wat betreft de voedselvoorziening en gezondheidszorg;

336. betreurt het feit dat DG HOME geen kernprestatie-indicatoren heeft vastgesteld voor de situatie van de meest kwetsbare migranten en met name minderjarige migranten en migrantenvrouwen en -meisjes, teneinde misbruik en mensenhandel te voorkomen; betreurt dat systematisch gebruik wordt gemaakt van bewaring;

Voorbehoud

337. betreurt het feit dat het zo lang duurt om de in Duitsland in 2013 vastgestelde problemen op te lossen, aangezien de omvang van het voorbehoud niet groot is;

338. is bezorgd over de aanzienlijke tekortkomingen die in de beheers- en controlesystemen van het Europees Ondersteuningsbureau voor asielzaken (EASO) zijn geconstateerd en die de vaststelling van een voorbehoud om redenen van eventuele reputatieschade rechtvaardigden;

339. neemt kennis van het voorbehoud dat de directeur-generaal van DG HOME heeft gemaakt in het jaarlijks activiteitenverslag van DG HOME over 2018 (bladzijde 108);

Aanbevelingen

340. beveelt aan dat:

- de Rekenkamer in haar jaarverslag een afzonderlijk hoofdstuk opneemt over veiligheid en burgerschap,

- DG HOME een KPI invoert voor de situatie van de meest kwetsbare migranten en met name minderjarige migranten en migrantenvrouwen en -meisjes, teneinde misbruik en mensenhandel te voorkomen,

- de Commissie de lidstaten ertoe verplicht om in de jaarrekeningen van hun nationale AMIF/ISF-programma’s de gerapporteerde bedragen op te splitsen in terugvorderingen, voorfinanciering en daadwerkelijk verrichte uitgaven, en

- de daadwerkelijke uitgaven per fonds vanaf 2018 worden vermeld in de jaarlijkse activiteitenverslagen van de directoraten-generaal van de Commissie;

Speciaal verslag nr. 20/2019 van de Rekenkamer: Informatiesystemen ter ondersteuning van grenstoezicht – een sterk instrument, maar meer aandacht nodig voor tijdige en volledige gegevens

341. is ingenomen met het feit dat de door de Rekenkamer onderzochte systemen van de lidstaten naar haar zeggen over het algemeen goed zijn ontworpen om grenscontroles gemakkelijker te maken en dat de bezochte lidstaten[114] over het algemeen handelden binnen het toepasselijke rechtskader;

342. neemt met bezorgdheid ter kennis dat de Rekenkamer in Speciaal verslag nr. 20/2019 heeft vastgesteld dat:

- de componenten van het nationale Schengeninformatiesysteem II (SIS II) en het Visuminformatiesysteem (VIS) in bepaalde landen voor efficiëntere grenscontroles zorgen dan in andere landen,

- er sprake was van lange vertragingen bij de uitvoering van IT-oplossingen voor het Europees grensbewakingssysteem (Eurosur) en de persoonsgegevens van passagiers (PNR), zowel op Unie- als op nationaal niveau, hierdoor konden grenswachters en andere autoriteiten geen gebruik maken van de beoogde voordelen van deze systemen,

- de lidstaten veel tijd nodig hebben om de in het Schengenevaluatiemechanisme vastgestelde tekortkomingen te verhelpen, dit komt doordat bindende termijnen ontbreken voor de goedkeuring van evaluatieverslagen en de uitvoering van corrigerende maatregelen,

- meer dan de helft van de grenswachters die deelnamen aan de enquête van de Rekenkamer op een bepaald moment mensen had toegestaan de grens te overschrijden zonder de informatiesystemen te hebben geraadpleegd,

- er een verschil bestaat tussen het aantal afgegeven en het aantal gecontroleerde visa,

- er in de wetgevingshandelingen betreffende de Europese informatiesystemen weinig verwezen wordt naar de controle van de gegevenskwaliteit,

- het Agentschap van de Europese Unie voor het operationeel beheer van grootschalige IT-systemen op het gebied van vrijheid, veiligheid en recht (eu‑LISA) weliswaar geautomatiseerde maandelijkse kwaliteitscontroles uitvoert van de in SIS II opgenomen gegevens, maar dat de resultaten alleen voor de betrokken lidstaten beschikbaar zijn en dat het agentschap en de Commissie de vooruitgang die de afzonderlijke landen hebben geboekt bij het aanpakken van problemen met de gegevenskwaliteit derhalve niet kunnen evalueren,

- noch eu-LISA, noch de Commissie beschikt over handhavingsbevoegdheden om ervoor te zorgen dat de lidstaten problemen met de gegevenskwaliteit tijdig verhelpen,

- grenswachters niet altijd tijdige en volledige gegevens uit de informatiesystemen verkrijgen,

- behalve voor Eurodac er over het algemeen geen verplichte termijnen voor het invoeren van gegevens zijn. Eurosur moet bijvoorbeeld voorzien in realtime-informatie over de situatie aan de grenzen, hoewel enkele van de landen die onder de controle van de Rekenkamer vielen, inderdaad in real time informatie in Eurosur invoeren, doen andere landen dit maar één keer per week,

- er sinds het begin van Eurodac in 2003 geen enkel jaar was waarin alle lidstaten de vereiste informatie tijdig verzonden,

- een vertraagde verzending ertoe kan leiden dat het verkeerde land wordt aangemerkt als het land dat verantwoordelijk is voor de verwerking van het asielverzoek;

343. verzoekt de Commissie om:

- het gebruik van opleidingsomgevingen voor SIS II en VIS snel te bevorderen,

- te zorgen voor een snellere correctie van tekortkomingen die tijdens Schengenevaluaties aan het licht komen,

- afwijkingen bij visacontroles te analyseren en de procedures voor de controle van de gegevenskwaliteit te verbeteren,

- vertragingen bij de invoer van gegevens te beperken,

- de connectiviteit tussen de vijf bestaande informatiesystemen te verbeteren zodat de doorgifte van gegevens correct en op tijd gebeurt,

- voortdurende goede praktijken en goed gedrag aan te moedigen bij de levering en ondersteuning van de informatiesystemen;

Speciaal verslag nr. 24/2019: Asiel, herplaatsing en terugkeer van migranten: tijd om de inspanningen op te voeren en de kloof tussen doelstellingen en resultaten te dichten

344. stelt met bezorgdheid vast dat de Rekenkamer in Speciaal verslag nr. 24/2019 heeft geconcludeerd:

- dat er met de tenuitvoerlegging van asielprocedures in Griekenland en Italië nog altijd lange verwerkingstijden en bottlenecks gemoeid zijn,

- net als in de rest van de Unie keren vanuit Griekenland en Italië weinig migranten terug,

- dat er geen gegevens worden verzameld over de effectiviteit van de terugkeerprocedures en dat er geen indicatoren zijn die de duurzaamheid van de terugkeer meten, zoals het aantal teruggekeerde migranten die proberen terug te komen naar de Unie of het succes van de AVRR-pakketten voor re-integratie,

- de registratie en het nemen van vingerafdrukken van migranten in de hotspots waren weliswaar aanzienlijk verbeterd sinds de controle door de Rekenkamer in 2017 (Speciaal verslag nr. 6/2017), maar de streefdoelen van de tijdelijke noodregelingen voor herplaatsing werden niet behaald, waardoor de druk op de Griekse en Italiaanse asielstelsels niet doeltreffend werd verlicht,

- dat hoewel 20 door de Rekenkamer onderzochte steunmaatregelen van de Unie in Griekenland en Italië voldeden aan de vastgestelde behoeften,zij intrinsieke tekortkomingen bleven vertonen, de streefdoelen van de meeste projecten niet volledig werden behaald en het kader voor prestatiebeheer laat en zonder streefdoelen was opgezet, dat er bovendien onvoldoende prestatiegegevens beschikbaar waren,

- dat de capaciteit om asielzaken te verwerken in zowel Griekenland als Italië was toegenomen, maar deze nog steeds ontoereikend was om de toenemende achterstand in Griekenland aan te pakken,

- dat, omdat er in Italië minder nieuwe aanvragen worden ingediend, de achterstand bij asiel- en terugkeerprocedures afneemt, maar er onvoldoende capaciteit is om het hoge aantal beroepen tegen de eerste beslissing te behandelen,

- dat er veel minder migranten daadwerkelijk terugkeren dan er terugkeerbesluiten worden genomen, zowel in Griekenland en Italië als in de EU in haar geheel, dat dit onder meer het gevolg is van de tijd die nodig is voor de behandeling van asielzaken, onvoldoende capaciteit van de detentiecentra, moeizame samenwerking met het land van herkomst van de migrant, of het eenvoudigweg onderduiken van migranten zodra het besluit wordt genomen om hen terug te sturen;

345. verzoekt de Commissie en de agentschappen om:

- de opgedane kennis te gebruiken om voort te bouwen op ervaringen voor een eventueel toekomstig vrijwillig herplaatsingsmechanisme en nieuwe en voor alle lidstaten aanvaardbare maatregelen voor te stellen om toekomstige noodsituaties die vergelijkbaar zijn met de migratiecrisis van 2015 doeltreffend aan te pakken,

- het beheer van de noodhulp en nationale programma’s in het kader van het Fonds voor asiel, migratie en integratie te versterken,

- de operationele ondersteuning van het EASO aan de lidstaten voor asielprocedures te versterken,

- de ondersteuning van terugkeer door Frontex en de detachering van deskundigen in hotspots aan te passen,

- het beheer van de nationale asielstelsels te versterken,

- nationale terugkeerprocedures te blijven ondersteunen, alsook het verzamelen van prestatiegegevens over de terugkeerprocedures als hulp bij beleidsvorming, prestatiebeoordeling en onderzoek;

346. verzoekt de Commissie om:

- de werking van het hotspotsysteem te verbeteren, zodat mensen waardig worden opgevangen en het beheer van de nieuwkomers efficiënt verloopt,

- nauwlettend toezicht te houden op de efficiëntie van de door Frontex doorgevoerde maatregelen, zodat de buitengrenzen van de Europese Unie beter beschermd kunnen worden,

- de effectiviteit van de grensbewaking van de buitengrenzen van de EU te versterken en de samenwerking met de nationale autoriteiten te intensiveren,

- de nodige maatregelen te nemen zodat de diepere oorzaken van migratie worden aangepakt,

- maakt zich grote zorgen over het ontoereikend terugkeerbeleid naar derde landen, hoewel dit een topprioriteit is. Het terugkeerbeleid en de strijd tegen illegale migratie zijn immers van essentieel belang om een efficiënt migratiebeleid en een echt partnerschap met derde landen te ontwikkelen,

- bijstand te verlenen aan de landen van herkomst, zodat potentiële migranten de gevaarlijke reis naar Europa niet kunnen kiezen, de hulp aan de landen van herkomst te verhogen en de levensomstandigheden en perspectieven van de plaatselijke bevolking te verbeteren en de strijd tegen mensenhandelaren die misbruik en kwetsbaarheid uitbuiten, te bestrijden;

Europees Fonds voor strategische investeringen (EFSI)

347. neemt met bezorgdheid kennis van de opmerkingen van de Rekenkamer dat in de gerapporteerde ramingen van de gemobiliseerde investeringen geen rekening wordt gehouden met het feit dat sommige verrichtingen van het Europees Fonds voor strategische investeringen (EFSI) andere EIB-verrichtingen en financieringsinstrumenten van de EU vervingen of het feit dat een deel van de EFSI-ondersteuning besteed werd aan projecten die hadden kunnen worden gefinancierd uit andere publieke of particuliere bronnen, zij het tegen andere voorwaarden;

348. betreurt de bevindingen van de Rekenkamer dat hoewel de EFSI-steun de EIB in staat heeft gesteld haar volume van kredietverleningsactiviteiten met een hoger risico ten opzichte van 2014 te verviervoudigen, de waarde van deze ondertekende financiële verrichtingen lager is dan verwacht;

349. onderschrijft de aanbevelingen van de Rekenkamer om:

-  het gerechtvaardigde gebruik van EIB-producten met een hoger risico in het kader van het EFSI te bevorderen,

-  complementariteit tussen de financieringsinstrumenten van de EU en de EU-begrotingsgaranties aan te moedigen,

-  beter na te gaan of potentiële EFSI-projecten hadden kunnen worden gefinancierd uit andere bronnen,

-  een betere raming van de gemobiliseerde investeringen te maken,

-  de geografische spreiding van de door het EFSI ondersteunde investeringen te verbeteren;

350. is van mening dat een diepgaander onderzoek naar de voorlopige behoeften in verschillende sectoren van primair belang is om i) investeringstekorten en -belemmeringen in verschillende lidstaten of regio’s op te sporen, ii) de aard en de omvang van marktfalen adequaat te beoordelen en iii) de meest geschikte aanpak/programma’s te ontwikkelen om deze investeringstekorten te beperken;

351. dringt aan op een objectief overzicht van de additionaliteit en de toegevoegde waarde van de EFSI-projecten, alsook van de samenhang ervan met het beleid van de Unie of andere EIB-verrichtingen, zodat ze meer beleidsgestuurd dan vraaggestuurd worden;

352. herinnert eraan dat er duidelijke en toegankelijke informatie moet worden verstrekt over de economische, sociale en milieueffecten en de toegevoegde waarde van door het EFSI gefinancierde projecten; benadrukt dat de additionaliteitsbeoordeling van alle door het EFSI ondersteunde projecten naar behoren moet worden gedocumenteerd;

Speciaal verslag nr. 15/2019 van de Rekenkamer: Uitvoering bij de Commissie van het pakket van 2014 ter hervorming van het Statuut: grote besparingen maar niet zonder gevolgen voor het personeel

353. betreurt het dat de Commissie de kwijtingsautoriteit geen nauwkeurige gegevens over het aantal burn-outs verstrekt; stelt echter wel vast dat de Commissie een “fit-op-het-werk”-strategie heeft ingevoerd, met inbegrip van een instrument voor de monitoring van gezondheid met rapportage over verzuim en de oorzaken daarvan, alle maatregelen om een goed beheer van afwezigheid te bewerkstelligen, en een nieuwe afdeling voor medische controle[115]; is derhalve van mening dat de Commissie over alle nodige instrumenten beschikt om burn-outs op te sporen, aan te pakken, te monitoren en erover te rapporteren en deze te onderscheiden van gevallen van langdurig ziekteverzuim; verzoekt de Commissie om in het kader van de kwijtingsprocedure aan de Commissie begrotingscontrole van het Parlement gegevens over burn-outs te verstrekken; betreurt in dit verband de antwoorden op vervolgvragen door de Commissie, die het groter aantal gevallen van ziekte- en langdurig verzuim bij vrouwen lijkt toe te schrijven aan “een aantal ernstige ziekten of aandoeningen die met name vrouwen treffen” en aan “de maatschappelijke trends [...] dat vrouwen doorgaans een groter deel van de familiale verantwoordelijkheden op zich nemen, zoals de zorg voor zieke kinderen en familieleden”[116];

354. maakt zich zorgen over het toenemend probleem van het verschil in koopkracht voor EU-ambtenaren met standplaats in Luxemburg; neemt kennis van de bevindingen in de door AIRINC[117] op verzoek van de Commissie uitgevoerde studie die de ongelijkheid bevestigt en deze heeft becijferd op 10,5 % (dus boven de drempel van 5 % zoals vastgesteld in het Statuut), vooral ten gevolge van de kosten van levensonderhoud in Luxemburg; beseft dat de Commissie geen wetgevingsvoorstel zal kunnen opstellen betreffende de aanpassingscoëfficiënten voor de afronding van het verslag over de salarismethode, dat uiterlijk 31 maart 2022 gereed moet zijn; dringt er echter intussen bij de Commissie op aan de haalbaarheid en reikwijdte te onderzoeken van de tijdelijke gerichte maatregelen die in het AIRINC-verslag zijn opgenomen, met name de invoering van een systeem van huisvestingstoelagen;

355. neemt met bezorgdheid kennis van de opmerkingen van de Rekenkamer over het pakket van 2014 ter hervorming van het Statuut[118]; is ingenomen met de aanbevelingen van de Rekenkamer en de bereidheid van de Commissie om deze uit te voeren; steunt het standpunt dat in deze kwestie werd ingenomen door zijn Commissie begrotingscontrole[119] ; betreurt het dat het hervormingspakket van 2014 een zeer negatief effect heeft op een aantal cruciale aspecten van de personele middelen binnen de EU-instellingen en bijgevolg op hun aantrekkelijkheid als werkgever, dit allemaal met het oog op onzekere besparingen; waarschuwt voor de ernstige gevolgen die bezuinigingen op de administratie of personeelsreducties in de toekomst kunnen hebben voor het ambtenarenapparaat van de Europese Unie en voor de uitvoering van het beleid van de Unie;

356. herinnert de Commissie aan zijn verzoek om in het kader van de kwijting voor 2017 een zo gedegen mogelijke en actuele analyse uit te voeren van de impact van het ontwerp van open ruimten[120]; neemt nota van de mededeling “The workplace of the future in the European Commission”[121] en is, in het bijzonder, verheugd over het beginsel op basis waarvan “getroffen personeelsleden zouden moeten worden betrokken bij elke fase van het ontwerp en de realisering van de nieuwe werkplek”; betreurt het dat het begrip welzijn van het personeel, dat in de mededeling wordt gehanteerd, geen rekening houdt met psychologische aandoeningen, zoals angst, stress of burn-out, waarbij de werkplek een belangrijke rol speelt; beklemtoont dat er behoefte is aan een algemene analyse als basis voor een beoordeling per geval voordat belangrijke toekomstige regelingen over kantoren in de Commissie worden vastgesteld, waarbij het betrokken personeel altijd moet worden betrokken;

Administratie

Bevindingen van de Rekenkamer

357. neemt ter kennis dat de controle-informatie van de Rekenkamer er over het geheel genomen op wijst dat de uitgaven aan “administratie” geen materieel foutenpercentage vertoonden;

358. toont zich uiterst bezorgd dat de Rekenkamer een groter aantal tekortkomingen op het gebied van interne controle van het beheer van de gezinstoelagen voor personeelsleden ontdekt heeft dan in voorgaande jaren, en betreurt het dat het PMO niet voldoende op de nauwkeurige en tijdige actualisering van personeelsdossiers heeft toegezien om te waarborgen dat de grondslag die wordt gehanteerd voor de berekeningen van salarissen en toelagen juist is;

359. uit zijn ernstige bezorgdheid over het feit dat de Rekenkamer tekortkomingen heeft vastgesteld in de door de Commissie georganiseerde aanbestedingsprocedures ter verhoging van de veiligheid van mensen en gebouwen, maar stelt vast dat deze tekortkomingen grotendeels het resultaat waren van de dringende noodzaak om contracten te sluiten;

360. verzoekt de Commissie een transparantere aanstellingsprocedure te gebruiken voor alle functies en in het bijzonder de managementfuncties; verzoekt de Commissie duidelijkheid te verschaffen over eerdere aanstellingsprocedures die transparantie en verantwoording missen;

361. verzoekt de Commissie zo spoedig mogelijk haar systemen voor het beheer van wettelijke gezinstoelagen te verbeteren door de persoonlijke situatie van personeelsleden vaker te controleren en consistentiecontroles inzake de opgave van toelagen die worden ontvangen uit andere bronnen aan te scherpen, met name wanneer lidstaten hervormingen van systemen voor gezinstoelagen doorvoeren;

362. stelt vast dat de gendergelijkheid bij het personeel blijft verbeteren; herinnert aan de ongelijke vertegenwoordiging van mannen en vrouwen in managementfuncties;

363. wijst erop dat volgens de schriftelijke antwoorden tien lidstaten sterk ondervertegenwoordigd waren in de functies van rang AD5 tot AD8. De betrokken lidstaten waren: Denemarken, Duitsland, Ierland, Frankrijk, Luxemburg, Nederland, Oostenrijk, Portugal, Finland en Zweden; stelt bezorgd vast dat ambtenarenfuncties bij de instellingen voor ambtenaren uit sommige lidstaten wellicht niet aantrekkelijk zijn, waardoor het moeilijk is een geografisch evenwicht te bereiken;

364. stelt vast dat een toenemend aantal entiteiten uit het transparantieregister is verwijderd; wijst echter op het belang van de follow-up van natuurlijke en rechtspersonen die uit het transparantieregister zijn geschrapt; verzoekt de Commissie meer aandacht te besteden aan validering en merkt op dat er meer middelen nodig zijn voor steekproefsgewijze controles van de entiteiten in het transparantieregister;

365. verzoekt de Commissie een evaluatie uit te voeren tot herziening van de huidige interne mechanismen ter bescherming van klokkenluiders, waaronder de bepalingen om de bekendheid bij alle personeelsleden te verhogen en de opleidingen voor leidinggevenden die meldingen ontvangen; verzoekt de Europese instellingen om hun respectieve personeelsregels ter bescherming van klokkenluiders te harmoniseren;

Gedragscode voor commissarissen

366. herinnert eraan dat het Parlement in 2018 werd geattendeerd op het feit dat de secretaris-generaal van de Commissie de mogelijkheid heeft overwogen om commissarissen na afloop van hun mandaat nieuwe faciliteiten (kantoren, IT-uitrusting, chauffeur) ter beschikking te stellen om de in de gedragscode opgenomen strengere bepalingen inzake de afkoelingsperiode van commissarissen te compenseren;

367. stelt vast dat commissaris Hahn in zijn antwoord op schriftelijke vraag nr. 64 ter voorbereiding op de hoorzitting van CONT van 5 december 2019 heeft verklaard:

“Voormalige leden van de Commissie, en in het bijzonder voormalige voorzitters, zijn nog altijd ambassadeurs van de EU, zowel in Europa als daarbuiten. De meesten van hen zullen de verworvenheden van de Unie na het verstrijken van hun mandaat blijven verdedigen en onder de aandacht brengen, bijvoorbeeld wanneer zij worden uitgenodigd te spreken op conferenties of deel te nemen aan publieke debatten over Europa en de rol van de Commissie.

Overeenkomstig soortgelijke regelingen in nationale besturen en andere instellingen heeft de Commissie op haar vergadering van 30 oktober 2019 besloten om voormalige Commissievoorzitters in staat te stellen om op geëigende wijze representatieve functies te vervullen na het verstrijken van hun mandaat. Daarom moeten voormalige voorzitters toegang hebben tot bepaalde zeer beperkte middelen, bijvoorbeeld logistieke ondersteuning, zoals een kantoor, en bepaalde andere vormen van bijstand. Voormalige Commissieleden zullen logistieke ondersteuning ontvangen in de vorm van een “bureau de passage”, en worden door de Commissie van bepaald communicatiemateriaal voorzien. Reeds in de gedragscode wordt in artikel 11, lid 1, eerste zin, aan deze verplichting herinnerd.[...]”;

368. is van mening dat de Commissie de status van bijzonder adviseur van de Commissie transparanter moet maken, waarbij zij diens taken en opdrachten duidelijk definieert en het Parlement alle informatie doet toekomen over de financiële gevolgen van haar besluit van 30 oktober 2019;

369. wijst de Commissie erop dat de Commissieleden onderworpen zijn aan transparantieverplichtingen met betrekking tot bijeenkomsten die zij houden met organisaties of als zelfstandige werkzame personen, dat leden van de Commissie en leden van hun kabinetten volledig transparant moeten handelen, dat zij alleen bijeenkomsten mogen hebben met organisaties of als zelfstandige werkzame personen die zijn opgenomen in het transparantieregister en dat zij informatie over die bijeenkomsten openbaar moeten maken in overeenstemming met Besluit 2014/839/EU van de Commissie;

370. verzoekt de Commissie ervoor te zorgen dat voormalige Commissieleden na de afkoelingsperiode geen gebruik meer kunnen maken van de faciliteiten die hun geboden werden op grond van het besluit van 30 oktober 2019, en dat zij evenmin gebruik kunnen blijven maken van de faciliteiten in het geval zij een andere rol krijgen toebedeeld;

371. benadrukt dat voormalige Commissieleden na neerlegging van het ambt gebonden blijven aan de plicht tot integriteit en discretie, overeenkomstig artikel 245 VWEU;

372. verzoekt de Commissie de naleving af te dwingen van de bestaande juridisch bindende regels van de gedragscode wat betreft draaideurconstructies voor zowel de Commissie als haar agentschappen;

EOM

373. merkt op dat volgens artikel 3 van de EOM-verordening het EOM is ingesteld als orgaan van de Europese Unie, terwijl het EOM in de begroting 2020 wordt voorgesteld als een agentschap in de rubriek “Commissie”; maakt zich zorgen dat deze toestand de vereiste onafhankelijkheid van het EOM niet afdoend waarborgt en verzoekt de Commissie het EOM in de begroting op te nemen als orgaan in de toekomstige rubriek 7 (Administratie) samen met de andere organen en instellingen in plaats van in de toekomstige rubriek 2 (Commissie) samen met de agentschappen op het gebied van justitie en binnenlandse zaken; vraagt dat de Commissie rekening houdt met de raming van het aantal nieuwe zaken en het aantal lopende zaken dat door het EOM aan de instellingen is gepresenteerd, om een realistische begroting en personeelsformatie vast te stellen; maakt zich grote zorgen dat met de huidige begrotingsplanning het EOM in november 2020 niet volledig operationeel zal kunnen zijn;

Europese scholen

374. stelt vast dat de Rekenkamer in overeenstemming met het Financieel Reglement voor de Europese scholen de geconsolideerde jaarrekeningen voor het begrotingsjaar 2018, de rekeningen van het Centraal Bureau en de interne controlesystemen (aanwerving, aanbestedingen en betalingen) van twee van de scholen (Bergen en Varese) heeft gecontroleerd; neemt ter kennis dat de Rekenkamer de werkzaamheden van de externe controleur van de scholen heeft gecontroleerd, die de rekeningen en interne controlesystemen van zeven scholen vóór de consolidatie heeft gecontroleerd;

375. betreurt het ten zeerste dat de Rekenkamer niet kon bevestigen dat het financieel beheer van de scholen in 2018 in overeenstemming met het Financieel Reglement en de bijbehorende uitvoeringsvoorschriften is uitgevoerd;

376. stelt met name vast dat de controle door de Rekenkamer van de interne controlesystemen van het Centraal Bureau en van de twee geselecteerde scholen tekortkomingen aan het licht bracht in de controleomgeving, de betalingssystemen, de aanbestedingsprocedures en de documentatie van aanwervingsprocedures; merkt tevens op dat de Rekenkamer heeft vastgesteld dat de regels inzake personeelsaanwerving niet werden nageleefd;

377. onderschrijft de belangrijkste aanbevelingen die de Rekenkamer doet in haar jaarverslag over de Europese scholen en verzoekt in het bijzonder de raad van bestuur, het Centraal Bureau en de scholen om onmiddellijk actie te ondernemen en de tekortkomingen in hun boekhoudkundige procedures en in het betalingssysteem aan te pakken; en om degenen die betrokken zijn bij de opstelling van de rekeningen scholing en ondersteuning te blijven bieden;

378. herhaalt dat het Parlement van mening is dat een “algemene herziening” van het systeem van Europese scholen dringend noodzakelijk is; verzoekt de Commissie – als lid maar ook als grootste contribuant – om niet alleen sturing en ondersteuning te bieden aan de Europese scholen binnen de huidige administratieve en governancestructuur, maar ook toezicht te houden op de opvolging van de aanbevelingen van de Rekenkamer en de dienst Interne Audit van de Commissie;

379. dringt erop aan dat de scholen hun procedures op het gebied van aanwerving, aanbestedingen en betalingen verbeteren en vraagt dat het Parlement uiterlijk op 30 juni 2020 wordt ingelicht over de geboekte vooruitgang;

380. is ernstig verontrust over het rapport van Human Rights Watch over de toegankelijkheid van Europese scholen[122] voor kinderen met een handicap, waarin de nadruk wordt gelegd op de problemen waarmee zij nog steeds worden geconfronteerd, en waaruit blijkt dat aan kinderen met een handicap geen volledig inclusief onderwijs wordt geboden;

381. roept de Europese scholen op zich ertoe te verbinden inclusief onderwijs aan te bieden, in het beleid en de praktijk;

382. roept de Commissie, als belangrijkste financier van de Europese scholen belast met de uitvoering door de EU van het UNCRPD, op om het noodzakelijke hervormingsproces te bevorderen;

Ervaringen opgedaan met het MFK voor de programmeringsperiode 2014 tot 2020

383. toont zich bezorgd dat de programmeringsperiode voor het nieuwe MFK vertraagd van start zou kunnen gaan, zoals ook het geval was bij het lopende MFK; merkt op dat de omvang van de Europese Green Deal werd vastgesteld voordat het nieuwe voorstel voor het MFK bekend werd gemaakt; dringt er bij de lidstaten en de Raad op aan prioriteiten en een strategie te bespreken en deze vast te stellen, zodat zij zo spoedig mogelijk met het Parlement in onderhandeling kunnen treden over het MFK;

384. is van mening dat overheidsbegrotingen pas moeten worden vastgesteld nadat duidelijke politieke doelstellingen zijn gesteld en exacte politieke maatregelen zijn geformuleerd;

385. verzoekt de Commissie erop toe te zien dat de financiële planning van de Unie voor de programmeringsperiode 2021 tot 2027 voldoende rekening houdt met alle later vastgestelde doelen; benadrukt dat het Parlement voorstelt om nieuwe prioriteiten op te nemen in het MFK en binnen het MFK een flexibele omgang met onvoorziene gebeurtenissen mogelijk te maken;

386. verzoekt de Commissie de belangrijkste uitgangspunten die schuilgaan achter het nieuwe MFK-voorstel te expliciteren in een omvattend financieel plan; wijst erop dat de belangrijkste doelstelling van een dergelijk plan zou zijn om de cijfers van het MFK voor de programmeringsperiode 2021-2027 in hun juiste economische en financiële context te plaatsen;

387. spreekt nogmaals zijn bezorgdheid uit dat een vertraging in de vaststelling van het MFK 2021-2027 en de daaraan gekoppelde rechtsgrondslag voor de uitvoering ervan, opnieuw kan leiden tot een vertraging in de uitvoering van de EU-uitgavenprogramma’s aan het begin van de nieuwe programmeringsperiode; verzoekt de Commissie en de lidstaten alle nodige maatregelen te nemen om een vlotte start van de nieuwe programmeringsperiode te verzekeren;

388. is van mening dat informatie van goede kwaliteit kan bijdragen aan snellere en betere besluitvorming;

389. is verheugd dat de Commissie een uitgaventoetsing heeft verricht die alle belangrijke programma’s in het kader van het MFK voor de programmeringsperiode 2014-2020 bestrijkt, en dat daarbij beoogd werd een strategische toetsing (die zich hoofdzakelijk concentreerde op de vaststelling van prioriteiten van de programma’s al naar gelang hun meerwaarde en overeenstemming met de doelstellingen van de Unie) te combineren met een doelmatigheidstoetsing (waarbij getracht werd de uitvoering van bestaande programma’s te verbeteren door mogelijkheden voor stroomlijning en synergieën, vereenvoudiging van de administratieve regelgeving, verbetering van flexibiliteit en een sterkere prestatiegerichtheid te onderzoeken); is van mening dat de Commissie periodieke toetsingen met betere KPI’s moet verrichten;

390. is ingenomen met het feit dat de Rekenkamer de analyse van de Commissie met betrekking tot de doelmatigheid van de uitgaven overtuigend acht;

391. stelt vast dat de uitgaventoetsing sterke argumenten levert vóór maatregelen ter vereenvoudiging van programma’s, stroomlijning van de begroting en vergroting van de financiële flexibiliteit; merkt op dat de uitgaventoetsing onbenutte synergieën tussen verschillende programma’s aan het licht heeft gebracht, alsook mogelijkheden om gelijksoortige programma’s op verschillende beleidsterreinen samen te voegen;

392. stelt vast dat ook de uitgaventoetsing voorbeelden van onnodig ingewikkelde, inconsistente regels levert die vaak leiden tot misverstanden en niet-subsidiabele kosten;

393. toont zich bezorgd dat in de uitgaventoetsing wordt geconcludeerd dat het succes van de inspanningen met het oog op vereenvoudiging tot dusver beperkt blijft;

394. dringt aan op vereenvoudiging overal waar dit mogelijk is, bijvoorbeeld door meer gebruik te maken van vereenvoudigde kostenopties en forfaitaire bedragen als optie voor begunstigden, door gangbare boekhoudpraktijken te gebruiken, en één enkele controleaanpak in te voeren; wijst erop dat het overgrote deel van de Uniesubsidies ten goede moet komen aan de burgers, en dat kmo’s en familiale of kleine en middelgrote landbouwbedrijven het meest van de subsidies moeten profiteren; wijst er eveneens op dat de in de huidige programmeringsperiode 2014-2020 gemaakte fouten in het nieuwe MFK verholpen moeten worden, met name door verbeteringen op het gebied van regionale ontwikkeling en cohesie;

395. wijst erop dat verdere vereenvoudiging zowel op programmeringsniveau kan worden gerealiseerd door het aantal voorschriften te beperken en onnodige veranderingen te vermijden, die onzekerheid, achterstanden en fouten kunnen veroorzaken, als op het niveau van de effectieve uitvoering, door de administratieve belasting voor instanties en begunstigden terug te dringen en de middelen toegankelijker te maken;

396. is ingenomen met het feit dat de Commissie voor de programmeringsperiode 2021-2027 voorstelt het aantal uitgavenprogramma’s met een derde terug te brengen en regels aan de hand van een gemeenschappelijk rulebook coherenter te maken;

397. is ervan overtuigd dat alle onnodige en ingewikkelde regels, vereisten en procedures in het gemeenschappelijk rulebook geschrapt moeten worden om werkelijke vereenvoudiging te realiseren; is van mening dat het rulebook niet slechts een consolidatie moet zijn van de bestaande afzonderlijke rulebooks in een grote bundel;

398. beschouwt consolidatie niet als doel op zich maar als middel om het optreden van de Unie efficiënter te maken, zodat kleine entiteiten meer kans maken om begunstigden te worden; verzoekt de Commissie dan ook, wanneer zij regels opstelt voor Unieprogramma’s, een evenwicht te vinden tussen eenvoudige tenuitvoerlegging en effectiviteit bij het bereiken van de doelstellingen van de Unie en transparantie;

399. stelt met bezorgdheid vast dat uit de uitgaventoetsing tevens blijkt dat de flexibiliteitsmechanismen onvoldoende in staat waren om noodsituaties tijdens de huidige periode op te vangen; dringt aan op veranderingen, zodat de algehele flexibiliteit wordt verhoogd en er voldoende kredieten voor onvoorziene gebeurtenissen beschikbaar zijn;

400. betreurt het dat de Rekenkamer heeft vastgesteld dat de strategische aspecten van de uitgaventoetsing minder overtuigend waren, zoals de Europese meerwaarde van de uitgavenprogramma’s en hun overeenstemming met doelstellingen van de Unie;

401. is evenals de Commissie de mening toegedaan dat bij elke discussie over de toekomstige begroting van de Unie Europese meerwaarde centraal moet staan;

402. neemt ter kennis dat de Commissie het concept “Europese meerwaarde” als leidend beginsel voor de uitgaventoetsing heeft vastgelegd; verwacht van de Commissie dat zij een solide en helder gedefinieerd concept van “Europese meerwaarde” toepast;

403. is van mening dat het concept “Europese meerwaarde” en de beginselen van subsidiariteit en evenredigheid bij elkaar horen;

404. is ervan overtuigd dat het concept “Europese meerwaarde” niet alleen voor de toewijzing van middelen noodzakelijk is, maar ook om uitgavenprogramma’s te ontwikkelen en te evalueren;

405. is van mening dat uitsluitend programma’s met een zeer hoge Europese meerwaarde volledig door de Unie gefinancierd moeten worden; stelt voor de financiering van programma’s met een gemiddelde tot hoge Europese meerwaarde te beperken, en geen financiering te verstrekken voor programma’s met een lage Europese meerwaarde;

406. houdt eraan vast dat alle vastgelegde middelen optimaal aangewend en besteed moeten worden in overeenstemming met de beginselen van goed financieel beheer, zodat zij maximaal effect sorteren;

407. ondersteunt de idee om de Uniebegroting sterker te verbinden met de landenspecifieke aanbevelingen, die opgesteld zijn in het kader van de beginselen inzake economisch bestuur ter stimulering van groeibevorderende structurele hervormingen in de lidstaten; benadrukt dat de aanbevelingen zich moeten richten naar het subsidiariteitsbeginsel en wezenlijke, systemische kwesties centraal moeten stellen, zoals verbetering van het concurrentievermogen, versterking van de sociale en economische cohesie, zakelijke kansen, culturele diversiteit, strijd tegen armoede en sociale exclusie, en veiligstelling van de werkgelegenheid;

408. roept op tot verbetering van het beheer van de fondsen, waarbij de effectiviteit van de controles vergroot wordt – deze moeten ook betrekking hebben op de in geval van systematisch misbruik van Uniemiddelen vastgestelde maatregelen;

409. benadrukt dat de controles ter voorkoming van misbruik van Uniemiddelen geïntensiveerd moeten worden overeenkomstig het proportionaliteitsbeginsel; verlangt sterkere controles door de Unie waar de Rekenkamer ernstige tekortkomingen van de kwaliteit en betrouwbaarheid van de nationale controle-instanties heeft vastgesteld; wijst erop dat de Rekenkamer een volledig falen van de nationale controle-instanties zou moeten aanduiden en dat het MFK voor de programmeringsperiode 2021-2027 de Commissie mechanismen moet bieden voor het beheer van de toewijzing van middelen;

410. onderstreept dat het Uniebeleid zichtbaarder moet worden; benadrukt dat alle wettelijke bepalingen inzake informatie en communicatie grondig ten uitvoer gelegd moeten worden, zodat gezorgd wordt voor transparantie en verdere verbreiding van de successen die met de middelen zijn geboekt;

411. wijst erop dat financiële instrumenten altijd maatwerk moeten zijn en subsidies moeten aanvullen, zodat ter plaatse zoveel mogelijk resultaat geboekt wordt; benadrukt dat meer synergie met ander beleid en instrumenten tot stand gebracht moet worden, zodat de investeringen maximaal effect sorteren; is van mening dat ook op een kostenefficiënte manier betere resultaten kunnen worden behaald;

412. acht het essentieel dat de uitgavenprogramma’s van de Unie uitgerust worden met robuuste en wederzijds coherente prestatiekaders die zijn afgestemd op de strategische doelstellingen van de Unie en het MFK voor de programmeringsperiode 2021-2027;

413. merkt op dat het belangrijk is het monitoren van prestaties en de effectbeoordeling van de financiering binnen het nieuwe MFK verder te verbeteren; is van mening dat de operationele en politieke verantwoordingsplicht met betrekking tot de aanwending van middelen op een regelmatige basis ondersteund kan worden door een reeks indicatoren en instrumenten voor benchmarking;

414. stelt vast dat de doelstellingen van de programma’s voor de periode 2021-2027 in de bijlage bij de mededeling over het MFK de vorm hebben van verhalende taakomschrijvingen; betreurt het dat de doelstellingen niet gekwantificeerd en niet specifiek zijn;

415. verwacht dat in de betreffende sectorale wetgeving of programmeringsdocumenten (ook op het niveau van de lidstaten of op regionaal niveau) omvattende modellen voor interventielogica met specifieke doelen en overeenkomstige informatieve indicatoren voor output, resultaat en effect worden ontwikkeld;

416. benadrukt dat openbare controlemandaten voor alle typen financiering van Uniebeleid op Unieniveau en op nationaal niveau moeten worden ingesteld; onderstreept dat de Rekenkamer moet worden benoemd tot controleur van organen die zijn opgericht om Uniebeleid ten uitvoer te leggen, waaronder organen van de Unie alsook uit hoofde van overeenkomsten buiten de rechtsorde van de Unie opgerichte organen.

Adviezen van de commissies

Buitenlandse Zaken

417. merkt met betrekking tot het instrument voor pretoetredingssteun (IPA II) op dat de aanhoudende tekortkomingen in bestuurlijke capaciteit van de toetredingslanden leiden tot een gebrek aan absorptiecapaciteit onder indirect beheer; wijst erop dat, zoals in het speciaal verslag van de Rekenkamer van 2018 over IPA-steun aan Turkije wordt opgemerkt, vooruitgang op gevoelige gebieden als de rechtsstaat en het maatschappelijk middenveld niet alleen afhankelijk is van IPA-middelen, maar in de eerste plaats van de politieke wil van de autoriteiten; merkt met bezorgdheid op dat fundamentele waarden zoals persvrijheid en onpartijdigheid van de rechtspraak nauwelijks aan de orde zijn gesteld in het kader van de IPA-middelen voor Turkije; is van mening dat het nu belangrijker is dan ooit dat de Commissie gebruikmaakt van conditionaliteit om hervormingen in de prioritaire sectoren te ondersteunen op het gebied van bijvoorbeeld de rechtsstaat en het bestuur in Turkije;

418. verwelkomt de invoering in 2018 van de eerste maatregelen voor capaciteitsopbouw in het kader van het gewijzigde instrument voor bijdrage aan stabiliteit en vrede (IcSP); benadrukt dat deze acties moeten plaatsvinden in het kader van een algemeen hervormingsproces van de veiligheidssector; dringt aan op een betere follow-up van stabilisatieacties op korte termijn via uit het IcSP of andere instrumenten gefinancierde acties op langere termijn;

419. neemt kennis van de analytische evaluatie van de Europese defensie door de Rekenkamer en staat achter haar aanbevelingen; verzoekt de Commissie als hoedster van de Verdragen om de samenhang te waarborgen van alle defensie-inspanningen van de Unie ter uitvoering van een Unieoptreden in het kader van het GVDB (PESCO, EDIDP, EDF, CARD enz.) en om interoperabiliteit en synergieën met de NAVO te verzekeren;

420. verzoekt de Commissie de wettigheid te beoordelen van de ontheffing van het Europees Parlement van zijn begrotingstaak door middel van de besluiten van de Raad tot instelling van het EDA en PESCO; herinnert eraan dat ter zake in artikel 45, lid 2, en artikel 46, lid 2, VEU is bepaald dat de besluiten met gekwalificeerde meerderheid van stemmen moeten worden vastgesteld, zonder vetobepaling; herinnert eraan dat ontheffing van het Europees Parlement van zijn begrotingstaak krachtens artikel 42 VEU alleen mogelijk is voor de beleidsuitgaven en een besluit van de Raad met eenparigheid van stemmen vereist; onderstreept dat de Raad nooit een dergelijk besluit heeft genomen;

421. onderstreept dat het gebruik van de middelen van de Faciliteit voor vluchtelingen in Turkije nauwlettend moet worden gemonitord om te verzekeren dat deze middelen inderdaad terechtkomen bij vluchtelingenprojecten en niet worden gebruikt voor andere doeleinden; dringt er bij de Commissie op aan regelmatig verslag uit te brengen aan de begrotingsautoriteit over de verenigbaarheid van de gefinancierde acties met de onderliggende rechtsgrondslag;

Ontwikkeling en samenwerking

422. dringt er bij de Unie en haar lidstaten op aan om bij het nastreven van de doelstelling om een ondernemingsvriendelijk klimaat tot stand te brengen voor particuliere investeerders in ontwikkelingslanden in het kader van het Europees Fonds voor duurzame ontwikkeling, af te zien van de ondersteuning van praktijken die belastingontduiking door transnationale ondernemingen en personen in de hand werken; benadrukt bovendien het risico van schulden doordat de Unie steeds vaker voor blending kiest, met name in Afrika bezuiden de Sahara en de landen van het Caribisch gebied, die slechts over beperkte inkomsten beschikken waarmee zij hun schulden kunnen aflossen; verzoekt de Unie en haar lidstaten belastingontduiking, agressieve belastingontwijking en schadelijke belastingconcurrentie doeltreffend en consistent aan te pakken, in lijn met het beginsel van beleidscoherentie voor ontwikkeling;

Werkgelegenheid en sociale zaken

423. stelt vast, voor wat het Europees Sociaal Fonds (ESF), het jongerenwerkgelegenheidsinitiatief (YEI) en het Fonds voor Europese hulp aan de meest behoeftigen (FEAD) betreft, dat drie ESF-/YEI-programma’s voor het VK, Italië en Hongarije en één FEAD-programma voor Italië onderbroken zijn, met de onderbreking in 2018 van verschillende betalingen tot gevolg; merkt op dat er 33 waarschuwingsbrieven zijn verstuurd naar de betrokken lidstaten;

424. onderkent dat het aantal waarschuwingsbrieven en onderbrekingen in 2018 aanzienlijk is toegenomen ten opzichte van het vorige jaar vanwege het toegenomen aantal zekerheidspakketten dat in februari 2018 is ontvangen en de resultaten van de nalevingsgerichte controles die gedurende het jaar zijn uitgevoerd;

425. herinnert eraan dat er nog steeds tien aanbevelingen van speciale verslagen zijn (één van Speciaal verslag nr. 16/2016 (“Onderwijsdoelstellingen van de EU: programma’s zijn op elkaar afgestemd, maar er zijn tekortkomingen in de prestatiemeting”), twee van Speciaal verslag nr. 14/2016 (“EU-beleidsinitiatieven en financiële steun voor de integratie van de Roma: het afgelopen decennium is er aanzienlijke vooruitgang geboekt, maar ter plaatse zijn extra inspanningen nodig”) en zeven van Speciaal verslag nr. 6/2018 (“Vrij verkeer van werknemers – de fundamentele vrijheid is gewaarborgd, maar de mobiliteit van werknemers zou gebaat zijn bij een doelgerichter inzet van EU‑middelen”) die nog moeten worden uitgevoerd, en dat de meeste hiervan eigenlijk uiterlijk 31 december 2019 hadden moeten worden uitgevoerd; neemt in het bijzonder nota van Speciaal verslag nr. 14/2016, waarin wordt vermeld dat de meeste projecten werden uitgevoerd zoals gepland, maar de criteria voor “beste praktijken” die bijdragen tot een succesvolle integratie van de Roma niet altijd werden toegepast en de monitoring van de projectprestaties moeilijk was; herinnert eraan dat het gebrek aan deugdelijke gegevens niet alleen met betrekking tot projecten een probleem is, maar ook voor de beleidsvorming op EU- en nationaal niveau; betreurt dat deze situatie mogelijk niet verandert als er niet snel maatregelen worden genomen;

426. herinnert aan de bevindingen van Speciaal verslag nr. 05/2019 van de Europese Rekenkamer (“FEAD-Fonds voor Europese hulp aan de meest behoeftigen: waardevolle steun, maar de bijdrage van het fonds aan terugdringing van armoede is nog niet vastgesteld”), en met name aan de conclusie van de Rekenkamer dat het FEAD armoede helpt bestrijden door middel van voedselhulp (83 % van de begroting van het FEAD) en daarnaast ook innovatieve socialebeleidselementen omvat die de lidstaten mogelijkheden bieden om sociale inclusie te bevorderen;

427. wijst er eveneens op dat uit de beschikbare gegevens in Speciaal verslag nr. 05/2019 van de Rekenkamer blijkt dat het fonds in bijna iedere lidstaat een merkbaar effect heeft en dat de maatregelen van het FEAD op het gebied van voedsel, materiële hulp en sociale inclusie een verschil maken voor de meest behoeftigen, ook voor wie op een andere manier van de gewone sociale bijstand is uitgesloten of onmiddellijke steun nodig heeft; benadrukt voorts dat volgens voedselbanken één derde van het voedsel dat zij verstrekken, wordt gefinancierd door het FEAD, en dat het FEAD hen minder afhankelijk maakt van de ongelijkmatige stroom van donaties en hen daardoor in staat stelt de herverdeling van bepaalde voedingsmiddelen beter te plannen;

428. stelt evenwel vast dat de bijdrage van het FEAD tot het terugdringen van armoede nog niet kwantitatief is aangetoond, dit als gevolg van tekortkomingen in het toezicht op het FEAD en een gebrek aan EU-brede gegevens, en wijst erop dat de Commissie de verzamelde gegevens moet verbeteren om het relatieve belang van het FEAD als instrument voor Europese solidariteit en ter bestrijding van de sociale verdeeldheid in de Unie beter te illustreren;

429. merkt op dat in het tussentijdse evaluatieverslag over het FEAD meerdere tekortkomingen in de uitvoering van het fonds zijn vastgesteld, en dat de Rekenkamer heeft aanbevolen het fonds meer te richten op degenen die het hardst steun nodig hebben; wijst er eveneens op dat in het tussentijdse evaluatieverslag werd geoordeeld dat de uitvoering van en het toezicht op begeleidende maatregelen beter kunnen worden benut;

430. herinnert eraan dat de beheersautoriteiten volgens de conclusies van Speciaal verslag nr. 06/2019 van de Rekenkamer (“De aanpak van fraude bij EU-cohesie-uitgaven: de beheersautoriteiten moeten de opsporing, reactie en coördinatie versterken”) de opsporing van, reactie op en coördinatie inzake fraude nog altijd moeten versterken, hoewel er al verbeteringen zijn in de wijze waarop de beheersautoriteiten frauderisico’s in het kader van de cohesiefondsen van de Unie (waaronder het ESF) identificeren en preventieve maatregelen uitwerken;

431. stelt vast dat volgens de Commissie uit de tussentijdse evaluatie van het EaSI-programma is gebleken dat de doelstellingen van dit programma nog steeds relevant zijn en dat het programma effectief de relevante belanghebbenden bereikt, resultaten van goede kwaliteit oplevert en zijn doelstellingen verwezenlijkt, in het bijzonder in het licht van de huidige problematische sociaaleconomische context in de nasleep van de financiële en economische crisis; merkt eveneens op dat de drie pijlers van het programma (Progress, Eures en Microfinanciering en sociaal ondernemerschap) weliswaar onafhankelijk lijken te functioneren, maar dat er een aantal gebieden is geïdentificeerd waarvoor meer efficiëntie mogelijk is (middels synergieën);

432. merkt in het bijzonder op dat in de tussentijdse evaluatie van het EaSI-programma werd gewezen op een aantal manieren om de uitvoering van het programma te verbeteren, in het bijzonder door eenvoudiger procedures, betere interne consistentie, meer flexibiliteit, een focus op groepen die specifieke steun nodig hebben en koppelingen met andere fondsen, en spoort de Commissie aan tot actie op dit gebied; dringt er met name op aan dat het ESF+ in het kader van het EaSI-onderdeel een reeks verbeteringen in deze richting moet omvatten;

Milieu

433. beklemtoont dat het aandeel van betalingen dat de wettelijke termijnen overschreed 8,20 % bedroeg van de in 2018 door DG ENV verrichte betalingen (5,85 % in 2017, 3,92 % in 2016); betreurt het in het bijzonder dat de vertragingen bij de betalingen in het kader van het LIFE-programma in 2018 hoger lagen (10,3 %) dan in 2017 (5,8 %) en 2016 (3,9 %);

434. merkt op dat DG ENV in zijn jaarlijkse activiteitenverslag 2018 een gemiddeld resterend foutenpercentage van 0,09 % aangeeft, waarmee de materialiteitsdrempel van 2 % niet werd overschreden;

435. wijst erop dat DG ENV in zijn jaarlijkse activiteitenverslag benadrukt dat de voorwaarden van het externaliseringsbesluit voor samenwerking met het Uitvoerend Agentschap voor kleine en middelgrote ondernemingen (EASME) wat personeel aangaat, doen vermoeden dat de personeelssituatie binnen DG ENV wat aan het LIFE-programma gerelateerde activiteiten betreft zeer nijpend is, hetgeen betekent dat de werkmethoden en -regelingen binnen dit DG misschien nog eens tegen het licht moeten worden gehouden;

436. is verheugd dat in 2018 slechts 0,93 % van alle betalingen van DG CLIMA na het verstrijken van de wettelijke termijnen werden verricht (3,9 % in 2017);

437. onderstreept dat DG CLIMA en DG BUDG zorg dragen voor het toezicht op de doelstelling van 20 % klimaatmainstreaming in het MFK, en dat DG CLIMA andere DG’s ondersteunt bij de integratie van klimaatactie in hun werkzaamheden; verwelkomt het feit dat in 2018 20,1 % van de begroting van de Unie aan klimaatgerelateerde activiteiten is uitgegeven, maar betreurt het dat er aan het begin van 2019 nog steeds van werd uitgegaan dat de begroting van de Unie slechts 19,7 % voor de huidige MFK-periode zou “leveren”;

438. vindt het uitermate zorgwekkend dat het voorbehoud op grond van reputatie-, juridische, financiële en institutionele gronden in verband met significante veiligheidsrisico’s die bij de instandhouding en de werking van het Unieregister van het EU-emissiehandelssysteem (EU ETS) zijn vastgesteld, zoals aangegeven in de jaarlijkse activiteitenverslagen sinds 2010 en bekrachtigd in de risicobeoordelingsexercitie 2018, in het jaarlijkse activiteitenverslag van DG CLIMA voor 2018 wordt herhaald; betreurt de abnormale duur van dit voorbehoud; verzoekt de Commissie dit probleem zo snel mogelijk op te lossen;

Volksgezondheid, voedselveiligheid, diergezondheid en dierenwelzijn, en de gezondheid van planten

439. onderstreept dat op het gebied van volksgezondheid openbare aanbestedingen het voornaamste instrument voor financieel beheer vormen, en dat de vastleggings- en de betalingskredieten in 2018 volledig zijn gebruikt; wijst erop dat op het gebied van voedsel en voedselveiligheid de begroting in belangrijke mate wordt uitgevoerd middels directe subsidies aan de lidstaten, en dat de uitvoeringspercentages voor wat de vastleggings- en de betalingskredieten betreft 99,0 %, respectievelijk 98,6 % bedroegen;

440. merkt op dat DG SANTE in zijn jaarlijkse activiteitenverslag 2018 een gemiddeld resterend foutenpercentage van 1,9 % aangeeft, waarmee de materialiteitsdrempel van 2 % niet werd overschreden;

441. vindt het zorgwekkend dat het aandeel van door DG SANTE op tijd verrichte betalingen in verband met subsidiebeheer tussen 2016 en 2018 gedaald is van 97 % naar 83 %;

442. wijst op de uitdagingen die DG SANTE in zijn jaarlijks activiteitenverslag identificeert in verband met de uitvoering van het derde gezondheidsprogramma 2014-2020 van de Unie (het “gezondheidsprogramma”); merkt op dat deze uitdagingen verband houden met het huidige financieringsmechanisme van het gezondheidsprogramma, dat alleen in projectgeoriënteerde financiering voorziet en een negatieve impact kan hebben op de houdbaarheid van de acties op de lange termijn, alsook met de complexiteit van sommige mechanismen van het programma, zoals gemeenschappelijk met de lidstaten ondernomen acties, hetgeen ertoe leidt dat soms veel tijd verstrijkt tussen de oorspronkelijke planning van de activiteit en het moment waarop deze daadwerkelijk van start gaat; neemt nota van de conclusies betreffende antimicrobiële resistentie in Speciaal Verslag nr. 21/2019 van de Europese Rekenkamer, die aangeven dat het werk van de Commissie en de agentschappen tot enige verbetering hebben geleid, bijvoorbeeld bij diergeneeskundige en voedselgerelateerde aspecten; betreurt evenwel dat volgens hetzelfde verslag weinig erop duidt dat de gezondheidslast van antimicrobiële resistentie in de Unie is verminderd;

Vervoer en toerisme

443. is ingenomen met het feit dat de blendingoproep voor de CEF – Vervoer van 2017 in 2018 werd voltooid met een innoverende benadering, waarbij een totale indicatieve begroting van 1,35 miljard EUR aan EU-subsidies ter beschikking werd gesteld, in combinatie met financiering uit het Europees Fonds voor strategische investeringen (EFSI), de Europese Investeringsbank, nationale stimuleringsbanken of particuliere investeerders; acht het noodzakelijk een beoordeling achteraf van deze projecten uit te voeren om de doeltreffendheid van deze innoverende aanpak te beoordelen; merkt op dat de tweede deadline voor het indienen van voorstellen in april 2018, met de nadruk op projecten in verband met innovatie en nieuwe technologieën, met name op het gebied van alternatieve brandstoffen, ter ondersteuning van het beleid van de Commissie inzake schone mobiliteit, heeft geresulteerd in de selectie van 35 projecten met in totaal 404,8 miljoen EUR aan CEF-financiering; wijst erop dat de begunstigden beter bekend moeten worden gemaakt met de subsidiabiliteitsregels van de CEF, met name door een duidelijk onderscheid te maken tussen uitvoeringscontracten en onderaannemingscontracten; merkt op dat het in het kader van een financieringsinstrument bestede bedrag niet het enige prestatiecriterium is, en verzoekt de Commissie een gedegener beoordeling uit te voeren van de successen van met EU‑middelen gefinancierde vervoersprojecten en van hun meerwaarde en resultaatgerichte uitgaven;

444. merkt op dat in het vijfde jaar van de huidige programmeringsperiode 2014-2020 slechts ongeveer 23 % van de oorspronkelijk toegekende middelen, in januari 2019 tot betalingen had geleid, waardoor de volledige tenuitvoerlegging van de CEF ter discussie werd gesteld; herhaalt dat het, om een grote opeenhoping te voorkomen van betalingsachterstanden, vrijmakingen en terugvloeiing van middelen aan het einde van de programmeringsperiode, met onvoldoende tijd om de middelen te heroriënteren naar andere projecten, van essentieel belang is dat het INEA de technische en financiële uitvoering van projecten nauwlettend in het oog houdt zodat tijdig doeltreffende corrigerende maatregelen kunnen worden genomen; herhaalt de aanbevelingen van de Rekenkamer aan de Commissie en het INEA om te zorgen voor meer samenhang en transparantie van de procedures voor de selectie van projecten, betere voorwaarden te scheppen voor een tijdige uitvoering van de programma’s en het prestatiekader aan te passen met het oog op een betere monitoring van de projectresultaten;

445. is ingenomen met Speciaal verslag nr. 30/2018 van de Rekenkamer, waarin wordt geconcludeerd dat in de EU-verordeningen de belangrijkste vormen van openbaar vervoer aan bod komen, wat het EU-kader voor passagiersrechten uniek in de wereld maakt; betreurt echter de conclusie van de Rekenkamer dat veel passagiers onvoldoende op de hoogte waren van hun rechten en vaak niet kregen waar ze recht op hadden vanwege problemen met de handhaving ervan; herhaalt daarom het verzoek van de Rekenkamer om de samenhang, inzichtelijkheid en doeltreffendheid van het EU-kader voor passagiersrechten te verbeteren, actie te ondernemen om effectievere en transparantere voorlichtingscampagnes te bevorderen en de nationale handhavingsinstanties te voorzien van bijkomende instrumenten om de passagiersrechten te handhaven;

446. herhaalt zijn verzoek aan de Commissie om, gezien de talrijke financieringsbronnen, een gemakkelijke toegang – in de vorm van één loket – tot projecten te bieden om de burgers in staat te stellen de ontwikkelingen en de financiering van infrastructuur die door EU-fondsen en het EFSI wordt medegefinancierd, duidelijk te volgen; dit loket moet beschikken over uitgebreide coördinerende bevoegdheden, waarbij de normen op EU-niveau zullen prevaleren, met een meertalige dimensie, waardoor het mogelijk wordt alle milieueffectbeoordelingen te beheren; merkt op dat de absorptie van de EFSI-middelen in het vijfde jaar van het meerjarig financieel kader 2014-2020 opnieuw trager is verlopen dan gepland; benadrukt dat de vastgestelde fouten zich situeren op het niveau van de begunstigde, zodat meer richtsnoeren nodig zijn met betrekking tot de subsidiabiliteit van kosten;

447. benadrukt dat het vervoersinfrastructuurbeleid een duidelijke kans biedt om de synergieën tussen de civiele en defensiebehoeften en het TEN-V te vergroten; is verheugd over de toevoeging van een pijler inzake militaire mobiliteit aan het TEN-V-beleid door de goedkeuring van het actieplan in maart 2018 en het voorstel van de Commissie om in het kader van de CEF-begroting voor de periode 2021-2027 een nieuw budget op te nemen voor militaire mobiliteit van 6,5 miljard EUR; benadrukt het feit dat een analyse moet worden uitgevoerd van de verschillen tussen de militaire en de TEN-V-vereisten voor het uitvoeren van infrastructuurprojecten in verband met de aanleg van pijplijnen voor tweeërlei gebruik die kunnen worden ondersteund in het kader van de CEF 2021-2027 en die het TEN-V kunnen versterken; herhaalt dat deze ontwikkeling de strategische rol weerspiegelt die het TEN-V speelt bij de integratie van de infrastructuur van de Unie om te komen tot een snelle en naadloze mobiliteit op het hele continent evenals bij de versterking van onze responscapaciteit bij noodsituaties zoals humanitaire crises, natuurrampen of civiele noodsituaties, waardoor de interne markt verder wordt ontwikkeld;

448. is ingenomen met de start van nieuwe projecten die gericht zijn op stedelijke mobiliteit, efficiënte logistiek en infrastructuur, inclusief de haven van de toekomst, met een waarde van ongeveer 105 miljoen EUR, als gevolg van de oproep tot het indienen van voorstellen van 2017 in het kader van het Horizon 2020-programma; is ingenomen met de goedkeuring van het driejarige werkprogramma voor de periode 20182020 van Horizon 2020 voor vervoer; herhaalt de aanbeveling van de Rekenkamer om een EU‑havenontwikkelingsplan voor kernhavens op te stellen en het aantal kernhavens te herzien;

Regionale ontwikkeling

449. benadrukt dat onregelmatigheden bij de uitvoering van de begroting van de Europese Unie niet automatisch fraude inhouden en dat een grondige analyse van de controleresultaten vereist is alvorens financiële correcties toe te passen ten laste van de begunstigden; verzoekt de Commissie haar fraudebestrijdingsstrategie uit te voeren en de lidstaten te blijven steunen en bijstaan bij de uitvoering van fraudebestrijdingsmaatregelen, met inbegrip van het analyseren van door de lidstaten gemelde onregelmatigheden in het kader van de Europese structuur- en investeringsfondsen (ESI-fondsen);

450. verzoekt de Commissie de redenen voor de lage benuttingspercentages in bepaalde regio’s grondig te analyseren, specifieke oplossingen te zoeken voor de structurele problemen die aan deze onevenwichtigheden ten grondslag liggen, en meer technische bijstand ter plekke te bieden; benadrukt dat flexibiliteit en eenvoudiger regels de ESI‑fondsen efficiënter en doeltreffender kunnen maken;

451. verzoekt de Commissie en de Raad in de eerste helft van 2020 te komen met een actieplan om de uitvoering van de ESI-fondsen tijdens de huidige programmeringsperiode te versnellen, met duidelijke stimulansen voor een doeltreffende absorptie van de beschikbare middelen, teneinde de strategische doelstellingen van de Unie kracht bij te zetten, met name de economische, sociale en territoriale samenhang en, overeenkomstig de doelstellingen van de Overeenkomst van Parijs, de strijd tegen klimaatverandering;

Landbouw en plattelandsontwikkeling

452. verzoekt de Rekenkamer een speciaal verslag op te stellen over landroof en de mogelijke gevolgen daarvan voor het GLB;

453. herinnert de Commissie eraan dat er een aanzienlijk verschillen bestaan wat soorten fouten betreft, bijvoorbeeld tussen onopzettelijke nalatigheden en gevallen van fraude; brengt in herinnering dat de meeste begunstigden kleine en middelgrote landbouwbedrijven zijn en dat complexe regelgeving het risico op onopzettelijke nalatigheden vergroot, hetgeen ook in aanmerking moet worden genomen bij de raming van het werkelijke foutenpercentage;

454. wijst erop dat een goede uitvoering van de GLB-interventies nauw verband houdt met de naleving door de begunstigden van de verbintenissen die op het niveau van de Unie zijn aangegaan; benadrukt dat nationale politieke kortetermijnbelangen in de hand worden gewerkt en er een grotere kans is op verdere misstanden – waarbij het van kwaad tot erger kan gaan – nu de lidstaten meer flexibiliteit aan de dag mogen leggen bij de toekenning van GLB-subsidies; dringt er bijgevolg bij de Commissie op aan hernationalisering van het GLB te voorkomen, met name van het systeem om te controleren of individuele begunstigden de regels naleven om in aanmerking te kunnen komen voor steun, zodat de Unie haar geloofwaardigheid inzake het beheer van een van de belangrijkste domeinen van haar overheidsbeleid behoudt;

Cultuur en onderwijs

455. is ingenomen met de conclusie van Speciaal verslag nr. 22/2018 van de Europese Rekenkamer over mobiliteit in het kader van Erasmus+, dat het programma een positief effect heeft op de houding van deelnemers ten aanzien van de Unie en daarmee verschillende vormen van Europese meerwaarde genereert; onderstreept niettemin dat er verdere inspanningen moeten worden geleverd om te zorgen dat de indicatoren en doelstellingen op één lijn komen te liggen en benadrukt dat het aanvraag- en verslagleggingsproces moet worden vereenvoudigd;

456. is verheugd over het positieve effect dat het Erasmus+-programma heeft op de bevordering van de integratie van mensen uit kansarme milieus, zoals aangegeven in Speciaal verslag nr. 22/2018 van de Rekenkamer; is van oordeel dat de definiëring, verslaglegging en monitoring op dit gebied moeten worden verbeterd ter waarborging van de inclusiviteit van het Erasmus+-programma, alsook van het Europees Solidariteitskorps en Creatief Europa;

457. is van mening dat meer financiering ter beschikking moet worden gesteld voor Erasmus+ en Creatief Europa, gezien het succes van deze programma’s en de meerwaarde die ze opleveren;

458. neemt kennis van het besluit van de Commissie om de desbetreffende middelen te herschikken, aangezien de garantiefaciliteit voor studentenleningen niet de verwachte resultaten heeft opgeleverd;

459. wijst erop dat het programma “Creatief Europa” ten opzichte van 2017 meer succes heeft behaald (31 % voor het subprogramma Cultuur en 48 % voor het subprogramma MEDIA), maar benadrukt niettemin dat er meer financiering nodig is om daadwerkelijk iets te doen aan deze nog altijd onbevredigende resultaten;

460. verzoekt het Uitvoerend Agentschap onderwijs, audiovisuele media en cultuur (EACEA) het aanvraagproces te vereenvoudigen en aan de doelgroepen aan te passen om de programma’s toegankelijker te maken;

461. merkt op dat tijdens de tweede fase van een controle van het subsidiebeheer in het kader van Erasmus+ en Creatief Europa aan het licht is gekomen dat het internecontrolesysteem van het EACEA nog altijd aanzienlijk moet worden verbeterd; verzoekt het EACEA alle nodige corrigerende maatregelen te treffen om ervoor te zorgen dat de uitvoering van de programma’s van de hoogste kwaliteit getuigt;

462.  vestigt de aandacht op de problemen waarvoor de Europese scholen zich gesteld zullen zien in de periode dat het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland (het “Verenigd Koninkrijk”) zich uit de Unie terugtrekt en verzoekt de Commissie en de Europese scholen in dit verband verslag uit te brengen bij de Commissie cultuur en onderwijs over de manier waarop zij voornemens zijn na de terugtrekking van het Verenigd Koninkrijk uit de Unie eersteklas Engels onderwijs te blijven verzorgen op de Europese scholen;

463. onderstreept dat te weinig vrouwen (31 %) middenkaderfuncties bekleden bij het EACEA; verzoekt het agentschap in 2020 de doelstelling van 40 % te verwezenlijken;

Justitie, vrijheid en binnenlandse zaken

464. is verheugd over het speciaal verslag van de Rekenkamer over de steun van de Unie aan de lidstaten bij hun inspanningen om radicalisering tegen te gaan[123], onder andere gefinancierd door het Fonds voor interne veiligheid (ISF) en het programma “Justitie”; deelt de mening van de Rekenkamer dat de Commissie het kader voor de algemene coördinatie van door de EU gefinancierde maatregelen voor de aanpak van radicalisering moet verbeteren, de praktische ondersteuning van beroepsbeoefenaren en beleidsmakers in de lidstaten moet vergroten en het kader voor de beoordeling van resultaten moet verbeteren;

465. is verheugd dat de Rekenkamer geen ernstige tekorten heeft kunnen vaststellen in de goedkeuringsprocedures van de Commissie met betrekking tot het Fonds voor asiel, migratie en integratie (AMIF) en het ISF, en dat zij akkoord gaat met de goedkeuringsbesluiten van de Commissie; betreurt echter dat drie van de achttien door de Rekenkamer gecontroleerde verrichtingen fouten bevatten, waarbij één verrichting onder gedeeld beheer in het kader van het AMIF een foutenpercentage van 9,4 % vertoonde; spoort de Commissie ertoe aan de door de Rekenkamer vastgestelde systemische tekortkomingen aan te pakken, zoals het gebrek aan controles achteraf van ondersteunende documenten in het geval van voorafgaande administratieve controles van betalingsaanvragen; roept de lidstaten ertoe op de controles van de door de begunstigden van de fondsen georganiseerde aanbestedingsprocedures in verband met de wettigheid en regelmatigheid van die procedures te verbeteren;

Rechten van de vrouw en gendergelijkheid

466. benadrukt dat de rechten van de vrouw en een gendergelijkheidsperspectief op alle beleidsterreinen in acht moeten worden genomen en moeten worden gewaarborgd; pleit daarom opnieuw voor de toepassing van genderbudgettering in alle stadia van de begrotingsprocedure, met inbegrip van de uitvoering van de begroting en de beoordeling van deze uitvoering;

467. betreurt de tendens van de afgelopen jaren om de Uniemiddelen voor de bestrijding van alle vormen van geweld tegen vrouwen en meisjes te verlagen en herhaalt zijn verzoek om de middelen voor de specifieke doelstelling “Daphne” te verhogen; pleit opnieuw voor een apart begrotingsonderdeel voor de specifieke doelstelling “Daphne” in het kader van het programma “Rechten, gelijkheid en burgerschap”; neemt ter kennis welke voortgang wordt geboekt bij de ontwikkeling van een enquête die in de hele Unie zal worden afgenomen aan de hand van een gemeenschappelijke methode en vragenlijst, met behulp waarvan regelmatig vergelijkbare gegevens over gendergerelateerd geweld verzameld kunnen worden in alle lidstaten; verwacht nog in 2019 kennis te zullen nemen van de eerste uitkomsten van de testfase van de enquête, zodat de enquête volgens planning vanaf 2020-2021 van start kan gaan;

468. verzoekt om onderzoek naar de synergieën tussen deze interne en externe programma’s van de Unie om te zorgen voor een coherente en continue benadering van het beleid binnen en buiten de Unie, bijvoorbeeld ten aanzien van genitale verminking van vrouwen.


 

 

ADVIES VAN DE COMMISSIE BUITENLANDSE ZAKEN (21.1.2020)

<CommissionInt>aan de Commissie begrotingscontrole</CommissionInt>


<Titre>inzake het verlenen van kwijting voor de uitvoering van de algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2018, afdeling III – Commissie en uitvoerende agentschappen</Titre>

<DocRef>(2019/2055(DEC))</DocRef>

Rapporteur voor advies: <Depute>Vangelis Meimarakis</Depute>

 

 

SUGGESTIES

De Commissie buitenlandse zaken verzoekt de bevoegde Begrotingscommissie onderstaande suggesties in haar ontwerpresolutie op te nemen:

1. wijst erop dat de Europese Rekenkamer (“de Rekenkamer”) voor 2018 geen geschat foutenpercentage heeft berekend voor de uitgaven in het kader van rubriek 4; staat volledig achter de aanbevelingen van de Rekenkamer; benadrukt met name dat de Rekenkamer alle relevante documenten moet kunnen inzien om haar werkzaamheden uit te kunnen voeren, ook wanneer middelen worden uitbetaald via internationale organisaties; staat achter de aanbeveling van de Rekenkamer om de verplichting voor internationale organisaties om de nodige documenten over te leggen, te versterken;

2. neemt kennis van Speciaal verslag nr. 32/2018 van de Rekenkamer (“Noodtrustfonds van de Europese Unie voor Afrika: flexibel, maar een gebrek aan gerichtheid”); roept de Commissie op om onverwijld tegemoet te komen aan de nog openstaande aanbevelingen; benadrukt dat ervoor moet worden gezorgd dat de via het EU-trustfonds gefinancierde projecten complementair zijn aan de acties in het kader van andere EU‑instrumenten en de acties die door de lidstaten of andere donoren worden gefinancierd; merkt op dat de bijdragen van de lidstaten en andere donoren laag zijn, wat de reden voor het gebruik van een EU-trustfonds onderuithaalt;

3. prijst de inspanningen van het maatschappelijk middenveld in de hele wereld om de mensenrechten te bevorderen en te verdedigen, vooral in een tijd waarin steeds minder ruimte is voor het maatschappelijk middenveld en het universele karakter van de mensenrechten in twijfel wordt getrokken; wijst op Speciaal verslag nr. 35/2018 van de Rekenkamer (“Transparantie van door ngo’s uitgevoerde EU-middelen: meer inspanningen nodig”); benadrukt dat de Rekenkamer heeft vastgesteld dat de selectie door de Commissie van door ngo’s geleide projecten op het gebied van extern optreden over het algemeen transparant is en dat de Commissie over het algemeen gegevens over humanitaire en ontwikkelingshulp heeft gerapporteerd in overeenstemming met de internationale transparantienormen; merkt echter op dat de Rekenkamer in haar verslag heeft vastgesteld dat de Commissie de transparantie met betrekking tot de uitvoering van EU-middelen door ngo’s nog kan verbeteren; benadrukt dat ngo’s aan dezelfde transparantievereisten moeten voldoen als andere begunstigden; roept de Commissie ertoe op om in overeenstemming met de aanbevelingen van de Rekenkamer haar systeem voor het nasporen van door ngo’s uitgevoerde middelen te verbeteren en de correcte toepassing van de regels en procedures te waarborgen en te controleren, zodat er ook een beoordeling kan worden gemaakt van de kosten die door alle uitvoerende actoren zijn gedeclareerd; is in dit verband verheugd over de lancering, in maart 2019, van EU Aid Explorer, een openbare website die alle gepubliceerde gegevens over externe steun van de EU-instellingen en de lidstaten bevat; benadrukt dat het belangrijk is dat de EU in het komende meerjarig financieel kader (MFK) meer steun verleent aan maatschappelijke organisaties;

4. merkt met betrekking tot het instrument voor pretoetredingssteun (IPA II) op dat de aanhoudende tekortkomingen in bestuurlijke capaciteit van de toetredingslanden leiden tot een gebrek aan absorptiecapaciteit onder indirect beheer; wijst erop dat, zoals in het Speciaal verslag van de Rekenkamer van 2018 over IPA-steun aan Turkije wordt opgemerkt, vooruitgang op gevoelige gebieden als de rechtsstaat en het maatschappelijk middenveld niet alleen afhankelijk is van IPA-middelen, maar in de eerste plaats van de politieke wil van de autoriteiten; merkt met bezorgdheid op dat fundamentele waarden zoals persvrijheid en onpartijdigheid van de rechtspraak nauwelijks aan de orde zijn gesteld in het kader van de IPA-middelen voor Turkije; is van mening dat het nu belangrijker is dan ooit dat de Commissie gebruikmaakt van conditionaliteit om hervormingen in de prioritaire sectoren te ondersteunen op het gebied van bijvoorbeeld de rechtsstaat en het bestuur in Turkije;

5. verwelkomt de invoering in 2018 van de eerste maatregelen voor capaciteitsopbouw in het kader van het gewijzigde instrument voor bijdrage aan stabiliteit en vrede (IcSP); benadrukt dat deze acties moeten plaatsvinden in het kader van een algemeen hervormingsproces van de veiligheidssector; dringt aan op een betere follow-up van stabilisatieacties op korte termijn via uit het IcSP of andere instrumenten gefinancierde acties op langere termijn;

6. neemt kennis van de analytische evaluatie van de Europese defensie door de Rekenkamer en staat achter haar aanbevelingen; verzoekt de Commissie als hoedster van de Verdragen om de samenhang te waarborgen van alle defensie-inspanningen van de Unie ter uitvoering van een Unieoptreden in het kader van het GVDB (PESCO, EDIDP, EDF, CARD enz.) en om interoperabiliteit en synergieën met de NAVO te verzekeren; is van mening dat een concurrerende Europese industriële en technologische defensiebasis, de versterking van de militaire vermogens van de lidstaten en de vorming van een Europese defensie-unie een van de hoofddoelstellingen van de Unie moeten zijn in het volgende MFK; dringt aan op meer onafhankelijke en openbaar beschikbare beoordelingen van de civiele en niet-civiele veiligheids- en militaire maatregelen van de EU, met name militaireopleidingsmissies van de EU, capaciteitsopbouw van militaire actoren in derde landen (CBDSD via IcSP) en maatregelen op het gebied van grens- en migratiebeheer;

7. verzoekt de Commissie de wettigheid te beoordelen van de ontheffing van het Europees Parlement van zijn begrotingstaak door middel van de besluiten van de Raad tot instelling van het EDA en PESCO; herinnert eraan dat ter zake in artikel 45, lid 2, en artikel 46, lid 2, VEU is bepaald dat de besluiten met gekwalificeerde meerderheid van stemmen moeten worden vastgesteld, zonder vetobepaling; herinnert eraan dat ontheffing van het Europees Parlement van zijn begrotingstaak krachtens artikel 42 VEU alleen mogelijk is voor de beleidsuitgaven en een besluit van de Raad met eenparigheid van stemmen vereist; onderstreept dat de Raad nooit een dergelijk besluit heeft genomen;

8. onderstreept dat het gebruik van de middelen van de Faciliteit voor vluchtelingen in Turkije nauwlettend moet worden gemonitord om te verzekeren dat deze middelen inderdaad terechtkomen bij vluchtelingenprojecten en niet worden gebruikt voor andere doeleinden; dringt er bij de Commissie op aan regelmatig verslag uit te brengen aan de begrotingsautoriteit over de verenigbaarheid van de gefinancierde acties met de onderliggende rechtsgrond;

9. is bezorgd over het gebrek aan zichtbaarheid van de door de EU gefinancierde projecten en benadrukt dat de zichtbaarheid moet worden verbeterd en dat de complementariteit van de financieringsinstrumenten van de EU moet worden versterkt;

10. betreurt het gebrek aan flexibiliteit in de administratieve en financiële/begrotingsprocedures met betrekking tot civiele GVDB-missies; herhaalt zijn standpunt dat de Commissie specifieke aanbestedingsregels moet invoeren voor de crisisbeheersingsmaatregelen uit hoofde van het GVDB, om zo het snelle, soepele verloop van operaties te bevorderen.

 


INFORMATIE OVER DE GOEDKEURING IN DE ADVISERENDE COMMISSIE

Datum goedkeuring

21.1.2020

 

 

 

Uitslag eindstemming

+:

–:

0:

49

10

2

Bij de eindstemming aanwezige leden

Maria Arena, Petras Auštrevičius, Traian Băsescu, Phil Bennion, Lars Patrick Berg, Reinhard Bütikofer, Tanja Fajon, Anna Fotyga, Michael Gahler, Kinga Gál, Giorgos Georgiou, Nathan Gill, Raphaël Glucksmann, Klemen Grošelj, Bernard Guetta, Márton Gyöngyösi, Sandra Kalniete, Dietmar Köster, Stelios Kouloglou, Andrius Kubilius, Ilhan Kyuchyuk, David Lega, Nathalie Loiseau, Jaak Madison, Claudiu Manda, Thierry Mariani, David McAllister, Vangelis Meimarakis, Sven Mikser, Francisco José Millán Mon, Urmas Paet, Demetris Papadakis, Kostas Papadakis, Tonino Picula, Kati Piri, Giuliano Pisapia, Catherine Rowett, Isabel Santos, Jacek Saryusz-Wolski, Andreas Schieder, Irina Von Wiese, Witold Jan Waszczykowski, Charlie Weimers, Isabel Wiseler-Lima, Salima Yenbou, Željana Zovko

Bij de eindstemming aanwezige vaste plaatsvervangers

Attila Ara-Kovács, Loucas Fourlas, Sunčana Glavak, Markéta Gregorová, Robert Hajšel, Martin Horwood, Arba Kokalari, Hannah Neumann, Luisa Porritt, Paulo Rangel, Tineke Strik, Javier Zarzalejos

Bij de eindstemming aanwezige plaatsvervangers (art. 209, lid 7)

Costas Mavrides, Mikuláš Peksa, Geoffrey Van Orden

 


HOOFDELIJKE EINDSTEMMING IN DE ADVISERENDE COMMISSIE

49

+

NI

Márton Gyöngyösi

PPE

Traian Băsescu, Loucas Fourlas, Michael Gahler, Kinga Gál, Sunčana Glavak, Sandra Kalniete, Arba Kokalari, Andrius Kubilius, David Lega, David McAllister, Vangelis Meimarakis, Francisco José Millán Mon, Paulo Rangel, Isabel Wiseler-Lima, Javier Zarzalejos, Željana Zovko

RENEW

Petras Auštrevičius, Phil Bennion, Klemen Grošelj, Bernard Guetta, Martin Horwood, Ilhan Kyuchyuk, Nathalie Loiseau, Urmas Paet, Luisa Porritt, Irina Von Wiese

S&D

Attila Ara-Kovács, Maria Arena, Tanja Fajon, Raphaël Glucksmann, Robert Hajšel, Dietmar Köster, Claudiu Manda, Costas Mavrides, Sven Mikser, Demetris Papadakis, Tonino Picula, Kati Piri, Giuliano Pisapia, Isabel Santos, Andreas Schieder

VERTS/ALE

Reinhard Bütikofer, Markéta Gregorová, Hannah Neumann, Mikuláš Peksa, Catherine Rowett, Tineke Strik, Salima Yenbou

 

10

-

ECR

Anna Fotyga, Jacek Saryusz-Wolski, Geoffrey Van Orden, Witold Jan Waszczykowski, Charlie Weimers

GUE/NGL

Giorgos Georgiou, Stelios Kouloglou

ID

Jaak Madison

NI

Nathan Gill, Kostas Papadakis

 

2

0

ID

Lars Patrick Berg, Thierry Mariani

 

 

Stemcorrecties

+

 

-

Thierry Mariani

0

 

 

Verklaring van de gebruikte tekens:

+ : voor

- : tegen

0 : onthouding

 


 

 

ADVIES VAN DE COMMISSIE ONTWIKKELINGSSAMENWERKING (23.1.2020)

<CommissionInt>aan de Commissie begrotingscontrole</CommissionInt>


<Titre>inzake het verlenen van kwijting voor de uitvoering van de algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2018, afdeling III - Commissie en uitvoerende agentschappen</Titre>

<DocRef>(2019/2055(DEC))</DocRef>

Rapporteur voor advies: <Depute>Charles Goerens</Depute>

 

SUGGESTIES

De Commissie ontwikkelingssamenwerking verzoekt de bevoegde Commissie begrotingscontrole onderstaande suggesties in haar ontwerpresolutie op te nemen:

1. herinnert eraan dat de rechtmatigheid van de Unie-uitgaven een centraal beginsel van goed financieel beheer is;

2. benadrukt dat de ambitie van de Unie om samen met haar partnerlanden een “partnerschap van gelijken” tot stand te brengen, impliceert dat het “eigendomsbeginsel” volledig in acht wordt genomen, in overeenstemming met de internationale verbintenis van de Unie wat de doeltreffendheid van ontwikkelingshulp betreft; herhaalt zijn zorgen aangaande het gebruik van ontwikkelingsgeld voor andere doeleinden dan ontwikkelingsdoelstellingen, en onderstreept dat financiering die niet voldoet aan de criteria voor officiële ontwikkelingshulp afkomstig moet zijn van andere bronnen dan het instrument voor ontwikkelingssamenwerking (DCI); dringt er met name bij de Unie en haar lidstaten op aan af te zien van het opleggen van voorwaarden om steun toe te kennen met betrekking tot migratie en handelshervormingen, hetgeen in strijd is met de beginselen inzake de doeltreffendheid van ontwikkelingshulp; onderstreept dat mensenrechtennormen in alle samenwerkingsverbanden in het kader van het DCI moeten worden gewaarborgd, en dringt erop aan dat de Unie de oorzaken van armoede aanpakt en gelijke kansen bevordert om armoede op de lange termijn met succes terug te dringen;

3. betreurt het dat, ondanks het streven van de Unie naar duurzaamheid en haar inspanningen om de doelstellingen voor duurzame ontwikkeling van de Verenigde Naties (SDG’s) te verwezenlijken, uit speciaal verslag nr. 7/2019 van de Rekenkamer blijkt dat de Commissie geen verslag uitbrengt over of toezicht uitoefent op de wijze waarop de begroting en de beleidsmaatregelen van de Unie bijdragen tot duurzame ontwikkeling en de verwezenlijking van de SDG’s; merkt op dat de Commissie onlangs een discussienota heeft gepubliceerd waarin scenario’s voor een duurzaam Europa worden geschetst; betreurt echter dat in dit document geen kloofanalyse is opgenomen van wat de Unie qua begroting, beleid en wetgeving nog meer moet doen, en ook niet wordt onderzocht in welke mate de uitgavenprogramma’s van de Unie bijdragen aan de tenuitvoerlegging van de SDG’s;

4. is ingenomen met het feit dat, tot in 2018, 20,3 % van de door de Unie gefinancierde samenwerking en ontwikkelingshulp tot doel had de klimaatverandering te bestrijden; herinnert aan zijn standpunt dat dit in de toekomst echter meer dan verdubbeld moet worden, zodat ten minste 45 % van de financiering uit het voorgestelde instrument voor nabuurschapsbeleid, ontwikkeling en internationale samenwerking (NDICI) voor 2021-2027 wordt toegewezen aan klimaat- en milieudoelstellingen; roept in dit verband op tot een verbeterde toegang tot hernieuwbare energie en investeringen op het vlak van milieutechnologie, alsook tot het delen van kennis, de ontwikkeling van duurzame toeleveringsketens en de verdere ontwikkeling van de circulaire economie, internationale partnerschappen voor duurzaam land-, bos-, water- en hulpbronnengebruik, en investeringen in civiele bescherming en vroegtijdige waarschuwingssystemen;

5. is ingenomen met het gebruik van begrotingssteun in het algemeen om de ontwikkelingslanden te ondersteunen bij hun inspanningen met het oog op hervormingen en de verwezenlijking van de SDG’s; dringt er echter bij de Commissie op aan de bijdrage van de begrotingssteun van de Unie tot de verwezenlijking van de SDG’s duidelijker te beoordelen, met name wat SDG 10 betreft (verlaagde ongelijkheid), en voor sterkere controlemechanismen te zorgen met betrekking tot het optreden van de ontvangende landen inzake corruptie, de eerbiediging van de mensenrechten, de rechtsstaat en de democratie; herinnert eraan dat de mobilisatie van binnenlandse middelen centraal staat bij duurzame financiering van ontwikkeling en een van de vijf belangrijkste uitdagingen op ontwikkelingsgebied vormt die met begrotingssteun moeten worden aangepakt; verzoekt de Commissie een handels- en investeringsbeleid vast te stellen dat in overeenstemming is met deze doelstelling, wat onder meer impliceert dat tegemoet gekomen moet worden aan de bezwaren van de minst ontwikkelde landen tegen economische partnerschapsovereenkomsten, namelijk de uitholling van inkomsten als gevolg van de afschaffing van douanerechten, en dat gezorgd moet worden voor een eerlijke verdeling van de heffingsbevoegdheid bij onderhandelingen over belastings- en investeringsverdragen met ontwikkelingslanden, met name wat de herverdeling van belastinginkomsten uit natuurlijke hulpbronnen betreft;

6. dringt aan op meer verantwoordingsplicht en efficiëntie in de uitgaven van de Unie voor ontwikkeling, aangezien ontwikkelingsresultaten niet enkel gedefinieerd moeten worden, maar ook gecontroleerd en gemonitord in de zin van tastbare resultaten en de impact op ontwikkeling;

7. dringt er bij de Unie en haar lidstaten op aan om bij het nastreven van de doelstelling om een ondernemingsvriendelijk klimaat tot stand te brengen voor particuliere investeerders in ontwikkelingslanden in het kader van het Europees Fonds voor duurzame ontwikkeling, af te zien van de ondersteuning van praktijken die belastingontduiking door transnationale ondernemingen en personen in de hand werken; benadrukt bovendien het risico van schulden doordat de Unie steeds vaker voor blending kiest, met name in Afrika bezuiden de Sahara en de landen van het Caribisch gebied, die slechts over beperkte inkomsten beschikken waarmee zij hun schulden kunnen aflossen; verzoekt de Unie en haar lidstaten belastingontduiking, agressieve belastingontwijking en schadelijke belastingconcurrentie doeltreffend en consistent aan te pakken, in lijn met het beginsel van beleidscoherentie voor ontwikkeling;

8. is erover verheugd dat de commissaris voor Internationale Partnerschappen onder meer toegezegd heeft het Europees Parlement te betrekken bij het toezicht op de trustfondsen van de Unie, de transparantie met betrekking tot de ontwikkelingssamenwerking van de Unie en de benutting van middelen in dat verband te verbeteren, en de samenhang van de verschillende beleidsmaatregelen van de Unie te verzekeren.

 


INFORMATIE OVER DE GOEDKEURING IN DE ADVISERENDE COMMISSIE

Datum goedkeuring

22.1.2020

 

 

 

Uitslag eindstemming

+:

–:

0:

18

2

0

Bij de eindstemming aanwezige leden

Hildegard Bentele, Dominique Bilde, Udo Bullmann, Catherine Chabaud, Charles Goerens, Mónica Silvana González, Pierrette Herzberger-Fofana, György Hölvényi, Martin Horwood, Rasa Juknevičienė, Lukas Mandl, Erik Marquardt, Norbert Neuser, Michèle Rivasi, Marc Tarabella, Tomas Tobé, Miguel Urbán Crespo, Bernhard Zimniok

Bij de eindstemming aanwezige vaste plaatsvervangers

Stéphane Bijoux, Patrizia Toia

 

 


 

HOOFDELIJKE EINDSTEMMING IN DE ADVISERENDE COMMISSIE

18

+

GUE/NGL

Miguel Urbán Crespo

PPE

Hildegard Bentele, György Hölvényi, Rasa Juknevičienė, Lukas Mandl, Tomas Tobé

RENEW

Stéphane Bijoux, Catherine Chabaud, Charles Goerens, Martin Horwood

S&D

Udo Bullmann, Mónica Silvana González, Norbert Neuser, Marc Tarabella, Patrizia Toia

VERTS/ALE

Pierrette Herzberger-Fofana, Erik Marquardt, Michèle Rivasi

 

2

-

ID

Dominique Bilde, Bernhard Zimniok

 

0

0

 

 

 

Verklaring van de gebruikte tekens:

+ : voor

- : tegen

0 : onthouding

 

 

 


 

 

 

ADVIES VAN DE COMMISSIE WERKGELEGENHEID EN SOCIALE ZAKEN (23.1.2020)

<CommissionInt>aan de Commissie begrotingscontrole</CommissionInt>


<Titre>inzake het verlenen van kwijting voor de uitvoering van de algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2018, afdeling III - Commissie en uitvoerende agentschappen</Titre>

<DocRef>(2019/2055(DEC))</DocRef>

Rapporteur voor advies: <Depute>Tomáš Zdechovský</Depute>

 

 

SUGGESTIES

De Commissie werkgelegenheid en sociale zaken verzoekt de bevoegde Commissie begrotingscontrole onderstaande suggesties in haar ontwerpresolutie op te nemen:

1. herinnert eraan dat 2018 het voorlaatste jaar van het lopende meerjarig financieel kader (MFK) was en dat alle financieringsprogramma’s inmiddels volledig operationeel zijn;

2. stelt met bezorgdheid vast dat er vertraging is opgelopen voor een aanzienlijk bedrag aan betalingsaanvragen, die dus in de komende jaren zullen worden ingediend, en dat dit het gebruik van voorfinanciering en niet-afgewikkelde vastleggingen heeft beïnvloed en gevolgen zal hebben voor de betalingsbehoeften bij het begin van het volgende MFK; erkent dat de Europese Commissie maatregelen neemt om ongewenste druk op het niveau van de betalingskredieten in de eerste jaren van het MFK 2021-2027 te vermijden;

3. verheugt zich over het feit dat de auditautoriteiten in 2018 voor het eerst fouten hebben kunnen opsporen aan de hand van een tussen de Commissie en de lidstaten overeengekomen gemeenschappelijke methode, en dat de meest opgespoorde onregelmatigheden niet-subsidiabele uitgaven en aanbestedingsprocedures betreffen; wijst erop dat het totale geschatte foutenpercentage voor uitgaven uit de begroting van de Unie de afgelopen jaren gestaag is verbeterd (4,4 % in 2014; 3,8 % in 2015; 3,1 % in 2016; 2,4 % in 2017 en 2,6 % in 2018);

4. is verheugd dat de Europese Commissie een groot gedeelte van de follow-up-aanbevelingen van de Rekenkamer heeft opgevolgd en steunt het voornemen van de Rekenkamer om, overeenkomstig haar strategie voor de periode 2018-2020, follow-up te geven aan alle aanbevelingen van de doelmatigheidscontroles die zij drie jaar eerder aan de Commissie heeft gedaan;

OPMERKINGEN OVER MFK-SUBRUBRIEK 1B: “ECONOMISCHE, SOCIALE EN TERRITORIALE SAMENHANG”

Algemene opmerkingen

5. benadrukt dat het cohesiebeleid van de EU belangrijk is voor het ondersteunen van de tenuitvoerlegging van de Europese pijler van sociale rechten en het bijstaan van de lidstaten en regio’s bij het aangrijpen van nieuwe kansen en het aanpakken van uitdagingen zoals de globalisering, werkloosheid, veranderingen in het bedrijfsleven, de digitalisering en omscholing;

6. merkt op dat de Europese Rekenkamer in 2018 een aanzienlijke toename heeft vastgesteld van de aanvragen door de lidstaten om betaling uit de Europese structuur- en investeringsfondsen (ESI-fondsen), waaronder het Europees Sociaal Fonds, voornamelijk vanwege het relatief lage niveau van verzoeken om betaling uit de ESI-fondsen in de beginjaren van de programma’s voor de periode 2014-2020; merkt tegelijkertijd op dat de absorptie van ESI-middelen nog steeds trager verloopt dan gepland — een fenomeen dat eerder heeft bijgedragen tot een verhoging van de nog af te wikkelen vastleggingen voor de ESI-fondsen; betreurt deze vertragingen bij de uitvoering van de ESI-fondsen, die het gebruik van voorfinanciering en niet-afgewikkelde vastleggingen tijdens het laatste jaar van het huidige MFK zullen blijven beïnvloeden en eveneens gevolgen zullen hebben voor de behoeften aan betalingskredieten in het volgende MFK; verzoekt de Commissie de oorzaken van het lage absorptieniveau te onderzoeken en gepaste maatregelen te nemen, zoals een vereenvoudiging van de nieuwe regels voor de periode na 2020, met als doel ongewenste druk op het niveau van de kredieten in de eerste jaren van het volgende MFK 2021-2027 te voorkomen en onnodig ingewikkelde en/of belastende voorschriften die geen toegevoegde waarde bieden voor het EU-beleid te vermijden;

7. maakt zich ernstig zorgen over het hoge geschatte foutenpercentage (5,0 %) binnen het beleidsgebied “Economische, sociale en territoriale samenhang”, dat veel hoger ligt dan de materialiteitsdrempel van 2 %; benadrukt dat het nieuwe controle- en zekerheidskader werd ontworpen om te waarborgen dat de jaarlijkse restfoutenpercentages onder de 2 % blijven;

8. merkt op dat er nog steeds zwakheden bestaan met betrekking tot de regelmatigheid van de door de beheersautoriteiten gedeclareerde uitgaven, en dat er ondanks recente verbeteringen nog steeds sprake is van tekortkomingen en niet opgespoorde of niet gecorrigeerde fouten; benadrukt in dit verband dat de auditautoriteiten een cruciale rol vervullen in het zekerheids- en controlekader voor de cohesie-uitgaven;

9. erkent dat de uitgaven van de Unie op dit beleidsgebied worden gedomineerd door kostenvergoedingen, met andere woorden door risicovolle uitgaven waar ingewikkelder regels bij te pas komen dan voor sommige andere beleidsgebieden het geval is; stelt eveneens vast dat de complexiteit voor begunstigden vaak wordt veroorzaakt doordat nationale subsidiabiliteitscriteria verder gaan dan wat is voorgeschreven door de EU-wetgeving; herinnert eraan dat het geschatte foutenpercentage van uitgaven met een hoog risico volgens de bevindingen van de Rekenkamer 4,5 % bedraagt;

10. benadrukt dat het relatief hoge geschatte foutenpercentage op dit beleidsgebied, dat met 3 procentpunt is toegenomen ten opzichte van het voorgaande jaar, hiervan een gevolg is, en dat dit beleidsgebied in 2018 het grootste aandeel van het geschatte foutenpercentage voor uitgaven met een hoog risico omvatte (43 % van alle fouten);

11. is tevens bezorgd over het feit dat DG EMPL bij de raming van het risico (1,8 % van de uitgaven voor 2018 die onder de bevoegdheid van DG EMPL vallen, hetzij 247 miljoen EUR) het onregelmatigheidspercentage voor 2018 heeft onderschat, aldus de Rekenkamer;

12. onderschrijft de conclusies van de Rekenkamer dat verdere verbeteringen noodzakelijk zijn, met name ten aanzien van de uitvoering van het kader door beheersautoriteiten, auditautoriteiten en de Commissie om het hoge foutenpercentage in de toekomst te verminderen;

13. benadrukt ook dit jaar dat er dringend doeltreffende maatregelen nodig zijn om deze foutenbronnen te beperken en tegelijkertijd een hoog prestatieniveau te bereiken, en dringt er bij de Commissie op aan de aanbevelingen van de Rekenkamer op dit beleidsgebied snel uit te voeren; verzoekt de Commissie met name om een betere uitvoering van passende controlemaatregelen die erop gericht zijn te verhinderen dat programma's kunnen worden afgesloten met materiële onregelmatige uitgaven, en dringt er bij de auditautoriteiten op aan de gemelde zwakheden aan te pakken en in de toekomst beter gebruik te maken van het zekerheidsmodel van de Commissie, en met name regelmatige controles uit te voeren op het niveau van de financieel intermediairs;

14. stelt vast, voor wat het Europees Sociaal Fonds (ESF), het jongerenwerkgelegenheidsinitiatief (YEI) en het Fonds voor Europese hulp aan de meest behoeftigen (FEAD) betreft, dat drie ESF-/YEI-programma’s voor het VK, Italië en Hongarije en één FEAD-programma voor Italië onderbroken zijn, met de onderbreking in 2018 van verschillende betalingen tot gevolg; merkt op dat er 33 waarschuwingsbrieven zijn verstuurd naar de betrokken lidstaten;

15. onderkent dat het aantal waarschuwingsbrieven en onderbrekingen in 2018 aanzienlijk is toegenomen ten opzichte van het vorige jaar vanwege het toegenomen aantal zekerheidspakketten dat in februari 2018 is ontvangen en de resultaten van de nalevingsgerichte controles die gedurende het jaar zijn uitgevoerd;

ESF

 16. brengt in herinnering dat het Europees Sociaal Fonds (ESF) en het Jongerenwerkgelegenheidsinitiatief (Youth Employment Initiative - YEI) gericht zijn op het bevorderen van een hoog niveau van werkgelegenheid, onderwijs en opleiding en op het scheppen van meer en betere banen, onder meer door de focus van het YEI op regio’s met een hoge jeugdwerkloosheid; benadrukt dat het YEI daarom de komende jaren politieke en financiële steun moeten blijven ontvangen van de Europese, nationale en regionale instellingen bij de verwezenlijking van zijn doelstellingen, en verheugt zich in dit verband over de toezegging van de Europese Commissie om van het YEI een permanent instrument voor de bestrijding van jeugdwerkloosheid te maken;

17. herinnert eraan dat de Rekenkamer in Speciaal verslag nr. 5/2017 (“Jeugdwerkloosheid – heeft het EU-beleid een verschil gemaakt?”) heeft vastgesteld dat, hoewel er vooruitgang was geboekt met de uitvoering van de jongerengarantie in een aantal lidstaten en er enkele resultaten waren bereikt, de situatie achterbleef bij de aanvankelijke verwachtingen die waren gewekt bij de inwerkingstelling van de jongerengarantie; wijst er eveneens op dat de heroriëntatie van ESF-middelen weliswaar is verwezenlijkt, conform de aanbevelingen van Speciaal verslag nr. 17/2015 van de Rekenkamer (“Steun van de Commissie voor jongerenactieteams: heroriëntatie van ESF-middelen verwezenlijkt, maar onvoldoende aandacht voor resultaten”), maar dat er meer de klemtoon moet worden gelegd op resultaten;

18. herhaalt bijgevolg dat de procedures voor financieel beheer en de rapportagevereisten binnen het YEI en de jongerengarantie verbeterd moeten worden en meer moeten worden gericht op de jongeren die het verst van onderwijs, opleiding en werkgelegenheid af staan;

19. herinnert eraan dat er nog tien aanbevelingen van speciale verslagen zijn (één van Speciaal verslag nr. 16/2016 (“Onderwijsdoelstellingen van de EU: programma’s zijn op elkaar afgestemd, maar er zijn tekortkomingen in de prestatiemeting”), twee van Speciaal verslag nr. 14/2016 (“EU-beleidsinitiatieven en financiële steun voor de integratie van de Roma: het afgelopen decennium is er aanzienlijke vooruitgang geboekt, maar ter plaatse zijn extra inspanningen nodig”) en zeven van Speciaal verslag nr. 6/2018 (“Vrij verkeer van werknemers – de fundamentele vrijheid is gewaarborgd, maar de mobiliteit van werknemers zou gebaat zijn bij een doelgerichter inzet van EU-middelen”)) die nog moeten worden uitgevoerd, en dat de meeste hiervan eigenlijk hadden moeten worden uitgevoerd tegen 31 december 2019; neemt in het bijzonder nota van Speciaal verslag nr. 14/2016, waarin wordt vermeld dat de meeste projecten werden uitgevoerd zoals gepland, maar de criteria voor “beste praktijken” die bijdragen tot een succesvolle integratie van de Roma niet altijd werden toegepast en de monitoring van de projectprestaties moeilijk was; herinnert eraan dat het gebrek aan deugdelijke gegevens niet alleen met betrekking tot projecten een probleem is, maar ook voor de beleidsvorming op EU- en nationaal niveau; betreurt dat deze situatie mogelijk niet verandert als er niet snel maatregelen worden genomen;

FEAD

20. is van oordeel dat geëngageerd optreden van de EU voor de meest behoeftigen van het grootste belang is, aangezien in de Europese Unie gemiddeld nog steeds meer dan een op de vijf personen en een op de vier kinderen risico loopt op armoede of sociale uitsluiting;

21. herinnert aan de bevindingen van Speciaal verslag nr. 05/2019 van de Europese Rekenkamer (“FEAD-Fonds voor Europese hulp aan de meest behoeftigen: waardevolle steun, maar de bijdrage van het fonds aan terugdringing van armoede is nog niet vastgesteld”), en met name aan de conclusie van de Rekenkamer dat het FEAD armoede helpt bestrijden door middel van voedselhulp (83 % van de begroting van het FEAD) en daarnaast ook innovatieve socialebeleidselementen omvat die de lidstaten mogelijkheden bieden om sociale inclusie te bevorderen;

22. wijst er eveneens op dat uit de beschikbare gegevens in Speciaal verslag nr. 05/2019 van de Rekenkamer blijkt dat het fonds in bijna iedere lidstaat een merkbaar effect heeft en dat de maatregelen van het FEAD op het gebied van voedsel, materiële hulp en sociale inclusie een verschil maken voor de meest behoeftigen, ook voor wie op een andere manier van de gewone sociale bijstand is uitgesloten of onmiddellijke steun nodig heeft; benadrukt voorts dat volgens voedselbanken één derde van het voedsel dat zij verstrekken, wordt gefinancierd door het FEAD, en dat het FEAD hen minder afhankelijk maakt van de ongelijkmatige stroom van donaties en hen daardoor in staat stelt de herverdeling van bepaalde voedingsmiddelen beter te plannen;

23. steunt dan ook het FEAD, dat tot doel heeft de ergste vormen van armoede in de EU te verlichten, zoals voedselgebrek, dakloosheid en kinderarmoede;

24. stelt evenwel vast dat de bijdrage van het FEAD tot het terugdringen van armoede nog niet kwantitatief is aangetoond, dit als gevolg van tekortkomingen in het toezicht op het FEAD en een gebrek aan EU-brede gegevens, en wijst erop dat de Commissie de verzamelde gegevens moet verbeteren om het relatieve belang van het FEAD als instrument voor Europese solidariteit en ter bestrijding van de sociale verdeeldheid in de Unie beter te illustreren;

25. merkt op dat in het tussentijdse evaluatieverslag over het FEAD meerdere zwakheden in de uitvoering van het fonds zijn vastgesteld, en dat de Rekenkamer heeft aanbevolen het fonds meer te richten op degenen die het hardst steun nodig hebben; wijst er eveneens op dat in het tussentijdse evaluatieverslag werd geoordeeld dat de uitvoering van en het toezicht op begeleidende maatregelen beter kunnen worden benut;

Bestrijding van potentiële fraude

26. benadrukt dat openbare aanbestedingen gedurende de hele financieringscyclus strenger geverifieerd moeten worden;

27. herinnert eraan dat de beheersautoriteiten volgens de conclusies van Speciaal verslag nr. 06/2019 van de Europese Rekenkamer (“De aanpak van fraude bij EU-cohesie-uitgaven: de beheersautoriteiten moeten de opsporing, reactie en coördinatie versterken”) de opsporing van, reactie op en coördinatie inzake fraude nog altijd moeten versterken, hoewel er al verbeteringen zijn in de wijze waarop de beheersautoriteiten frauderisico’s in het kader van de cohesiefondsen van de Unie (waaronder het ESF) identificeren en preventieve maatregelen uitwerken;

28. neemt nota van de inspanningen die de Europese Commissie en de lidstaten op dit gebied hebben verricht en spoort hen aan het risicobeoordelingsinstrument Arachne verder te ontwikkelen met de actieve deelname van de lidstaten; verzoekt de lidstaten daarom zo veel mogelijk gebruik te maken van de Arachne-databank teneinde frauduleus en onregelmatig gebruik van EU-middelen te voorkomen;

OPMERKINGEN OVER MFK-SUBRUBRIEK 1A “CONCURRENTIEVERMOGEN VOOR GROEI EN BANEN”

Algemene opmerkingen

29. brengt in herinnering dat de meeste uitgaven onder subrubriek 1a rechtstreeks door de Commissie worden beheerd en plaatsvinden in de vorm van subsidies aan particuliere of publieke begunstigden die aan projecten deelnemen;

30. stelt met tevredenheid vast dat het geschatte foutenpercentage op het gebied van “Concurrentievermogen voor groei en banen” 2,0 % bedraagt, wat een aanzienlijke daling betekent ten opzichte van 2017 (4,2 %) en 2016 (4,1 %), en merkt op dat de meeste fouten verband hielden met de uitgaven voor onderzoek, terwijl de fouten voor andere uitgaven beperkt blijven; neemt nota van de inspanningen van de Commissie om het foutenpercentage te verbeteren, dat lager is dan in de afgelopen twee jaar, en wijst opnieuw op het belang van de uitgavenprogramma’s in het hoofdstuk concurrentievermogen, die een belangrijke rol spelen bij het bevorderen van een inclusieve samenleving, het bevorderen van groei en het creëren van werkgelegenheid in de EU;

EaSI

31. stelt vast dat volgens de Commissie uit de tussentijdse evaluatie van het EaSI-programma is gebleken dat de doelstellingen van dit programma nog steeds relevant zijn en dat het programma effectief de relevante belanghebbenden bereikt, resultaten van goede kwaliteit oplevert en zijn doelstellingen verwezenlijkt, in het bijzonder in het licht van de huidige problematische sociaaleconomische context in de nasleep van de financiële en economische crisis; merkt eveneens op dat de drie pijlers van het programma (Progress, Eures en Microfinanciering en sociaal ondernemerschap) weliswaar onafhankelijk lijken te functioneren, maar dat er een aantal gebieden is geïdentificeerd waarvoor meer efficiëntie mogelijk is (middels synergieën);

32. merkt in het bijzonder op dat in de tussentijdse evaluatie van het EaSI-programma werd gewezen op een aantal manieren om de uitvoering van het programma te verbeteren, in het bijzonder door eenvoudiger procedures, betere interne consistentie, meer flexibiliteit, een focus op groepen die specifieke steun nodig hebben en koppelingen met andere fondsen, en spoort de Commissie aan tot actie op dit gebied; dringt er met name op aan dat het ESF+ in het kader van het EaSI-onderdeel een reeks verbeteringen in deze richting moet omvatten;

Agentschappen

33. is verheugd dat de Commissie in 2018 voor het eerst een horizontale evaluatie heeft uitgevoerd van de agentschappen van de Europese Commissie die werkzaam zijn op het gebied van werkgelegenheid en sociale zaken (namelijk Eurofound, Cedefop, EU-OSHA en ETF), ter aanvulling van de herziening van de oprichtingsverordeningen van de drie tripartiete agentschappen (Eurofound, Cedefop en EU-OSHA); stelt tevreden vast dat de evaluatie een zeer positief evaluatieverslag over de relevantie, doeltreffendheid, efficiëntie, coherentie en meerwaarde van de agentschappen bevestigt, evenals de noodzaak van meer samenwerking met het oog op de benutting van synergieën; onderstreept voorts dat transparantie en bekendheid van de burger met het bestaan van de agentschappen van essentieel belang zijn voor de democratische verantwoordingsplicht van de agentschappen; is van oordeel dat de bruikbaarheid en het gebruiksgemak van de middelen en gegevens van het agentschap van het hoogste belang zijn; dringt daarom aan op een beoordeling van de manier waarop de middelen en gegevens momenteel worden gepresenteerd en beschikbaar worden gesteld, en van de mate waarin burgers van oordeel zijn dat deze gemakkelijk te identificeren, te herkennen en te gebruiken zijn;

34. is verheugd over de oprichting van de Europese Arbeidsautoriteit (ELA) en benadrukt dat voor voldoende financiering moet worden gezorgd voor de oprichting van deze autoriteit; dringt erop aan dat deze financiering niet mag worden verwezenlijkt door de toewijzingen voor andere agentschappen voor werkgelegenheid en sociale zaken en andere begrotingslijnen te herverdelen, en niet mag leiden tot een vermindering van de middelen en capaciteiten van Eures; onderstreept daarom dat er voor zowel de ELA als Eures duidelijke en afzonderlijke begrotingslijnen behouden moet blijven;

CONCLUSIE

35. is ingenomen met het feit dat de Commissie in 2018 vier thematische evaluaties heeft opgezet (over de ondersteuning van werkgelegenheid voor jongeren, over ESF-steun voor werkgelegenheid en mobiliteit, over ESF-steun voor onderwijs en opleiding en over ESF-steun voor sociale inclusie);

36. erkent dat de aanbeveling van de Rekenkamer — in navolging waarvan de Commissie bij al haar activiteiten consistent en in overeenstemming met de richtsnoeren voor betere regelgeving de termen input, output, resultaat en impact moet gebruiken — slechts in bepaalde opzichten ten uitvoer is gelegd, en dringt er bij de Commissie op aan te streven naar de volledige uitvoering van deze aanbeveling;

37. verzoekt de Commissie in het algemeen om zo snel mogelijk alle resterende aanbevelingen van de Rekenkamer uit te voeren en, op langere termijn, om vanaf 2021 bij de uitvoering van acties in het kader van het nieuwe ESF+ rekening te houden met de aanbevelingen van de Rekenkamer.

 


INFORMATIE OVER DE GOEDKEURING IN DE ADVISERENDE COMMISSIE

Datum goedkeuring

22.1.2020

 

 

 

Uitslag eindstemming

+:

–:

0:

46

4

1

Bij de eindstemming aanwezige leden

Marc Angel, Gabriele Bischoff, Vilija Blinkevičiūtė, Milan Brglez, Jane Brophy, Sylvie Brunet, David Casa, Leila Chaibi, Özlem Demirel, Jarosław Duda, Estrella Durá Ferrandis, Lucia Ďuriš Nicholsonová, Loucas Fourlas, Cindy Franssen, Helmut Geuking, Elisabetta Gualmini, Alicia Homs Ginel, Agnes Jongerius, Ádám Kósa, Stelios Kympouropoulos, Katrin Langensiepen, Elena Lizzi, Radka Maxová, Lefteris Nikolaou-Alavanos, Matthew Patten, Kira Marie Peter-Hansen, Alexandra Louise Rosenfield Phillips, Dragoş Pîslaru, Manuel Pizarro, Miroslav Radačovský, Dennis Radtke, Elżbieta Rafalska, Guido Reil, Daniela Rondinelli, Monica Semedo, Eugen Tomac, Romana Tomc, Yana Toom, Nikolaj Villumsen, Marianne Vind, Maria Walsh, Stefania Zambelli, Tatjana Ždanoka, Tomáš Zdechovský

Bij de eindstemming aanwezige vaste plaatsvervangers

Alex Agius Saliba, Marc Botenga, Antonius Manders, Bill Newton Dunn, Sara Skyttedal, Marie-Pierre Vedrenne, Anna Zalewska

 


HOOFDELIJKE EINDSTEMMING IN DE ADVISERENDE COMMISSIE

46

+

ECR

Lucia Ďuriš Nicholsonová, Helmut Geuking, Elżbieta Rafalska, Anna Zalewska

GUE/NGL

Marc Botenga, Leila Chaibi, Özlem Demirel, Nikolaj Villumsen

NI

Miroslav Radačovský, Daniela Rondinelli

PPE

David Casa, Jarosław Duda, Loucas Fourlas, Cindy Franssen, Ádám Kósa, Stelios Kympouropoulos, Antonius Manders, Dennis Radtke, Sara Skyttedal, Eugen Tomac, Romana Tomc, Maria Walsh, Tomáš Zdechovský

RENEW

Jane Brophy, Sylvie Brunet, Radka Maxová, Bill Newton Dunn, Dragoş Pîslaru, Monica Semedo, Yana Toom, Marie-Pierre Vedrenne

S&D

Alex Agius Saliba, Marc Angel, Gabriele Bischoff, Vilija Blinkevičiūtė, Milan Brglez, Estrella Durá Ferrandis, Elisabetta Gualmini, Alicia Homs Ginel, Agnes Jongerius, Manuel Pizarro, Marianne Vind

VERTS/ALE

Katrin Langensiepen, Kira Marie Peter-Hansen, Alexandra Louise Rosenfield Phillips, Tatjana Ždanoka

 

4

-

ID

Elena Lizzi, Guido Reil, Stefania Zambelli

NI

Lefteris Nikolaou-Alavanos

 

1

0

NI

Matthew Patten

 

Verklaring van de gebruikte tekens:

+ : voor

- : tegen

0 : onthouding

 


 

 

 

ADVIES VAN DE COMMISSIE MILIEUBEHEER, VOLKSGEZONDHEID EN VOEDSELVEILIGHEID (22.1.2020)

<CommissionInt>aan de Commissie begrotingscontrole</CommissionInt>


<Titre>inzake het verlenen van kwijting voor de uitvoering van de algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2018, afdeling III - Commissie en uitvoerende agentschappen</Titre>

<DocRef>(2019/2055(DEC))</DocRef>

Rapporteur voor advies: <Depute>Pascal Canfin</Depute>

 

 

 

SUGGESTIES

De Commissie milieubeheer, volksgezondheid en voedselveiligheid verzoekt de bevoegde Commissie begrotingscontrole onderstaande suggesties in haar ontwerpresolutie op te nemen:

1. is tevreden over de algemene uitvoering door de Commissie in 2018 van de begrotingsonderdelen met betrekking tot milieu, klimaatbeleid, volksgezondheid en voedselveiligheid;

2. is tevreden over het werk van de vijf gedecentraliseerde agentschappen die onder haar mandaat vallen en die technische, wetenschappelijke of beheerstaken uitvoeren die de instellingen van de Unie in staat stellen beleid te formuleren en ten uitvoer te leggen op het gebied van milieu, klimaat, volksgezondheid en voedselveiligheid, alsook over de wijze waarop de begroting van die agentschappen is uitgevoerd; beklemtoont dat, gezien de omvang van de op ons afkomende uitdagingen, de agentschappen en DG’s van de Commissie die zich met milieu, klimaat, volksgezondheid en voedselveiligheid bezighouden over voldoende financiële middelen moeten beschikken en dat nog meer bezuinigingen of zelfs gelijkblijvende begrotingen domino-effecten zullen hebben voor de kwaliteit van leven van de Europese burgers;

3. stelt vast dat de Rekenkamer, in zijn jaarverslag over de uitvoering van de begroting voor het begrotingsjaar 2018, opnieuw een significant aantal fouten heeft vastgesteld bij de uitgaven voor plattelandsontwikkeling, de marktmaatregelen van het Europees Landbouwgarantiefonds, visserij, en milieu en klimaatmaatregelen, er verder aan herinnert dat voor de uitgaven op deze gebieden ingewikkelde subsidiabiliteitscriteria gelden en de aandacht vestigt op het soort fouten dat kan worden gemaakt, zoals niet in aanmerking komende begunstigden, activiteiten of gedeclareerde kosten; wijst erop dat zes van de 251 transacties in het monster dat gebruikt is voor het ramen van het foutenpercentage op het gebied van “natuurlijke hulpbronnen” (2,4 %) verband hielden met milieu, klimaatmaatregelen en visserij; wijst erop dat de Rekenkamer geen raming heeft gemaakt van het algemene foutenpercentage voor rubriek 3, waaronder ook de uitgaven voor gezondheid, voedsel en voedselveiligheid vallen;

Milieu en klimaatmaatregelen

4. geeft in het bijzonder aan dat DG ENV in 2018 456 personeelsleden had en een budget van EUR 469,02 miljoen;

5. wijst erop dat de uitvoeringspercentages van de vastleggings- en de betalingskredieten in 2018 99,8 %, respectievelijk 97,7 % bedroegen;

6. beklemtoont dat het aandeel van betalingen dat de wettelijke deadlines overschreed 8,20 % bedroeg van de in 2018 door DG ENV verrichte betalingen (5,85 % in 2017, 3,92 % in 2016); betreurt het in het bijzonder dat de vertragingen bij de betalingen in het kader van het LIFE-programma in 2018 hoger lagen (10,3 %) dan in 2017 (5,8 %) en 2016 (3,9 %);

7. merkt op dat DG ENV in zijn jaarlijkse activiteitenverslag 2018 een gemiddeld resterend foutenpercentage van 0,09 % aangeeft, waarmee de materialiteitsdrempel van 2 % niet werd overschreden;

8. wijst erop dat DG ENV in zijn jaarlijkse activiteitenverslag benadrukt dat de voorwaarden van het externaliseringsbesluit voor samenwerking met het Uitvoerend Agentschap voor kleine en middelgrote ondernemingen (EASME) wat personeel aangaat, doen vermoeden dat de personeelssituatie binnen DG ENV wat aan het LIFE‑programma gerelateerde activiteiten betreft zeer nijpend is, hetgeen betekent dat de werkmethoden en -regelingen binnen dit DG misschien nog eens tegen het licht moeten worden gehouden;

9. merkt in het bijzonder op dat DG CLIMA in 2018 over een budget van EUR 131,9 miljoen beschikte (onder de titel “klimaatactie” van de begroting van de Unie), en over een personeelsbestand van 200; wijst erop dat de uitvoeringspercentages van de vastleggings- en de betalingskredieten onder die titel 99,77 %, respectievelijk 92,04 % bedroegen;

10. juicht het toe dat in 2018 slechts 0,93 % van alle betalingen van DG CLIMA na het verstrijken van de wettelijke deadlines werden verricht (3,9 % in 2017);

11. onderstreept dat DG CLIMA en DG BUDG zorg dragen voor het toezicht op de doelstelling van 20 % klimaatmainstreaming in het meerjarig financieel kader (MFK), en dat DG CLIMA andere DG’s ondersteunt bij de integratie van klimaatactie in hun werkzaamheden; verwelkomt het feit dat in 2018 20,1 % van de begroting van de Unie aan klimaatgerelateerde activiteiten is uitgegeven, maar betreurt dat er aan het begin van 2019 nog steeds van werd uitgegaan dat de begroting van de Unie slechts 19,7 % voor de huidige MFK-periode zou “leveren”;

12. verzoekt de Commissie een monitoringsysteem op te zetten voor de passende en tijdige implementatie van de klimaatmainstreamingsdoelstelling voor het MFK 2021-2027, en wijst erop dat als gevolg van de late start van het huidige MFK de klimaatmainstreamingsdoelstelling in de eerste twee jaar niet kon worden gerealiseerd; beklemtoont dat de Unie ervoor moet zorgen dat deze doelstelling wordt gerealiseerd, teneinde bij te dragen aan de uitvoering van de Overeenkomst van Parijs;

13. verzoekt de Commissie het Europees Parlement elk jaar een rapport voor te leggen met een gedetailleerd overzicht van de bijdrage die elke begrotingspost levert aan de doelstelling van klimaatmainstreaming, teneinde het toezicht te vergemakkelijken;

14. vindt het uitermate zorgwekkend dat het voorbehoud op grond van reputatie-, juridische, financiële en institutionele gronden in verband met significante veiligheidsrisico’s die bij de instandhouding en de werking van het Unieregister van het EU-emissiehandelssysteem (EU ETS) zijn vastgesteld, zoals aangegeven in de jaarlijkse activiteitenverslagen sinds 2010 en bekrachtigd in de risicobeoordelingsexercitie 2018, in het jaarlijkse activiteitenverslag van DG CLIMA voor 2018 wordt herhaald; betreurt de abnormale duur van dit voorbehoud; verzoekt de Commissie dit probleem zo snel mogelijk op te lossen;

Volksgezondheid, voedselveiligheid, diergezondheid en dierenwelzijn, en de gezondheid van planten

15. merkt op dat DG SANTE in 2018 een begroting ten belope van EUR 484,9 miljoen heeft uitgevoerd;

16. onderstreept dat op het gebied van volksgezondheid openbare aanbestedingen het voornaamste instrument voor financieel beheer vormen, en dat de vastleggings- en de betalingskredieten in 2018 volledig zijn gebruikt; geeft aan dat op het gebied van voedsel en voedselveiligheid de begroting in belangrijke mate wordt uitgevoerd middels directe subsidies aan de lidstaten, en dat de uitvoeringspercentages voor wat de vastleggings- en de betalingskredieten betreft 99,0 %, respectievelijk 98,6 % bedroegen;

17. merkt op dat DG SANTE in zijn jaarlijkse activiteitenverslag 2018 een gemiddeld resterend foutenpercentage van 1,9 % aangeeft, waarmee de materialiteitsdrempel van 2 % niet werd overschreden;

18. vindt het zorgwekkend dat het aandeel van door DG SANTE op tijd verrichte betalingen in verband met subsidiebeheer tussen 2016 en 2018 gedaald is van 97 % naar 83 %;

19. benadrukt dat DG SANTE in 2018 778 personeelsleden had (in vergelijking met 780 in 2017);

20. wijst op de uitdagingen die DG SANTE in zijn jaarlijks activiteitenverslag identificeert in verband met de uitvoering van het derde gezondheidsprogramma 2014-2020 van de Unie (het “programma”); merkt op dat deze uitdagingen verband houden met het huidige financieringsmechanisme van het gezondheidsprogramma, dat alleen in projectgeoriënteerde financiering voorziet en een negatieve impact kan hebben op de houdbaarheid van de acties op de lange termijn, alsook met de complexiteit van sommige mechanismen van het programma, zoals gemeenschappelijk met de lidstaten ondernomen acties, hetgeen ertoe leidt dat soms veel tijd verstrijkt tussen de oorspronkelijke planning van de activiteit en het moment waarop deze daadwerkelijk van start gaat; neemt nota van de conclusies betreffende antimicrobiële resistentie in Speciaal Verslag nr. 21/2019 van de Europese Rekenkamer, die aangeven dat het werk van de Commissie en de agentschappen tot enige verbetering hebben geleid, bijvoorbeeld bij diergeneeskundige en voedselgerelateerde aspecten; betreurt evenwel dat volgens hetzelfde verslag weinig erop duidt dat de gezondheidslast van antimicrobiële resistentie in de Unie is verminderd;

21. wijst met klem op de uitdagingen die DG SANTE in zijn jaarlijks activiteitenverslag identificeert op het vlak van de uitvoering van het gemeenschappelijk financieel kader 2014-2020 wat de voedselketen aangaat, zoals het gebrek aan toegang tot een crisisreservefaciliteit en het ontbreken van een methode voor het beoordelen van dieren, planten en producten die vernietigd moeten worden in het kader van ziektebeheersmaatregelen;

22. is op basis van de beschikbare gegevens en het uitvoeringsverslag van oordeel dat de Commissie kwijting kan worden verleend voor de uitgaven op het gebied van milieu- en klimaatbeleid, volksgezondheid en voedselveiligheid voor het begrotingsjaar 2018.

 


INFORMATIE OVER DE GOEDKEURING IN DE ADVISERENDE COMMISSIE

Datum goedkeuring

21.1.2020

 

 

 

Uitslag eindstemming

+:

–:

0:

58

6

9

Bij de eindstemming aanwezige leden

Margrete Auken, Simona Baldassarre, Marek Paweł Balt, Aurelia Beigneux, Monika Beňová, Malin Björk, Delara Burkhardt, Pascal Canfin, Sara Cerdas, Mohammed Chahim, Miriam Dalli, Seb Dance, Esther de Lange, Marco Dreosto, Bas Eickhout, Eleonora Evi, Agnès Evren, Fredrick Federley, Pietro Fiocchi, Andreas Glück, Catherine Griset, Jytte Guteland, Teuvo Hakkarainen, Anja Hazekamp, Martin Hojsík, Pär Holmgren, Jan Huitema, Yannick Jadot, Petros Kokkalis, Athanasios Konstantinou, Ewa Kopacz, Joanna Kopcińska, Peter Liese, Sylvia Limmer, César Luena, Anthea McIntyre, Tilly Metz, Silvia Modig, Alessandra Moretti, Dan-Ştefan Motreanu, Ljudmila Novak, Rory Palmer, Jutta Paulus, Rovana Plumb, Stanislav Polčák, Jessica Polfjärd, María Soraya Rodríguez Ramos, Rob Rooken, Silvia Sardone, Christine Schneider, Günther Sidl, Ivan Vilibor Sinčić, Nicolae Ştefănuță, Nils Torvalds, Edina Tóth, Véronique Trillet-Lenoir, Caroline Voaden, Alexandr Vondra, Mick Wallace, Michal Wiezik, Anna Zalewska

Bij de eindstemming aanwezige vaste plaatsvervangers

Maria Arena, Hildegard Bentele, Catherine Chabaud, Martin Häusling, Lídia Pereira, Alexandra Louise Rosenfield Phillips, Sirpa Pietikäinen, Christel Schaldemose, Tiemo Wölken

Bij de eindstemming aanwezige plaatsvervangers (art. 209, lid 7)

Krzysztof Hetman, Aušra Maldeikienė, Christel Schaldemose

 


HOOFDELIJKE EINDSTEMMING IN DE ADVISERENDE COMMISSIE

58

+

GUE/NGL

Malin Björk, Anja Hazekamp, Petros Kokkalis, Silvia Modig, Mick Wallace

NI

Eleonora Evi

PPE

Hildegard Bentele, Agnès Evren, Krzysztof Hetman, Ewa Kopacz, Esther de Lange, Peter Liese, Aušra Maldeikienė, Dan-Ştefan Motreanu, Ljudmila Novak, Lídia Pereira, Sirpa Pietikäinen, Stanislav Polčák, Jessica Polfjärd, Christine Schneider, Edina Tóth, Michal Wiezik, Juan Ignacio Zoido Álvarez

RENEW

Pascal Canfin, Catherine Chabaud, Fredrick Federley, Andreas Glück, Martin Hojsík, Jan Huitema, María Soraya Rodríguez Ramos, Nicolae Ştefănuță, Nils Torvalds, Véronique Trillet-Lenoir, Caroline Voaden

S&D

Maria Arena, Marek Paweł Balt, Monika Beňová, Delara Burkhardt, Sara Cerdas, Mohammed Chahim, Miriam Dalli, Seb Dance, Jytte Guteland, César Luena, Alessandra Moretti, Rory Palmer, Rovana Plumb, Christel Schaldemose, Günther Sidl, Tiemo Wölken

VERTS/ALE

Margrete Auken, Bas Eickhout, Martin Häusling, Pär Holmgren, Yannick Jadot, Tilly Metz, Jutta Paulus, Alexandra Louise Rosenfield Phillips

 

6

-

ECR

Rob Rooken

ID

Simona Baldassarre, Aurelia Beigneux, Marco Dreosto, Catherine Griset, Silvia Sardone

 

9

0

ECR

Pietro Fiocchi, Joanna Kopcińska, Anthea McIntyre, Alexandr Vondra, Anna Zalewska

ID

Teuvo Hakkarainen, Sylvia Limmer

NI

Athanasios Konstantinou, Ivan Vilibor Sinčić

 

Verklaring van de gebruikte tekens:

+ : voor

- : tegen

0 : onthouding

 

 


 

 

 

ADVIES VAN DE COMMISSIE VERVOER EN TOERISME (22.1.2020)

<CommissionInt>aan de Commissie begrotingscontrole</CommissionInt>


<Titre>inzake het verlenen van kwijting voor de uitvoering van de begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2018, afdeling III - Commissie en uitvoerende agentschappen</Titre>

<DocRef>(2019/2055(DEC))</DocRef>

Rapporteur voor advies: <Depute>Cláudia Monteiro de Aguiar</Depute>

 

 

SUGGESTIES

De Commissie vervoer en toerisme verzoekt de bevoegde Commissie begrotingscontrole onderstaande suggesties in haar ontwerpresolutie op te nemen:

1. is ingenomen met de conclusie van de Rekenkamer dat de geconsolideerde rekeningen van de Europese Unie voor het jaar 2018 betrouwbaar zijn en dat de onderliggende verrichtingen bij de rekeningen van de Unie voor het begrotingsjaar 2018 op alle materiële punten wettig en regelmatig zijn, behalve voor uitgaven met een hoog risico (voornamelijk uitgaven op basis van terugbetaling, die onderworpen zijn aan complexe regels), waar een geschat foutenpercentage wordt vastgesteld van 4,5 %; stelt vast dat het geschatte totale foutenpercentage van 2,6 % boven de materialiteitsdrempel van de Rekenkamer (2 %) ligt;

2. merkt op dat in 2018 4 248 miljoen EUR aan vastleggingskredieten en 2 454 miljoen EUR aan betalingskredieten beschikbaar waren voor vervoerbeleid, met inbegrip van de financieringsfaciliteit voor Europese verbindingen (Connecting Europe Facility, CEF), beveiliging van het vervoer, passagiersrechten, vervoersagentschappen, en onderzoek en innovatie in verband met vervoer (Horizon 2020); merkt voorts op dat 3 708,4 miljoen EUR aan vastleggingskredieten en 1 950,5 miljoen EUR aan betalingskredieten die waren goedgekeurd voor de CEF – Vervoer (hoofdstuk 06 02) en Horizon 2020 (vervoergerelateerd onderzoek en innovatie - hoofdstuk 06 03), door het Uitvoerend Agentschap innovatie en netwerken (INEA) werden beheerd;

3. is ingenomen met het feit dat de blendingoproep voor de CEF – Vervoer van 2017 in 2018 werd voltooid met een innoverende benadering, waarbij een totale indicatieve begroting van 1,35 miljard EUR aan EU-subsidies ter beschikking werd gesteld, in combinatie met financiering uit het Europees Fonds voor strategische investeringen (EFSI), de Europese Investeringsbank, nationale stimuleringsbanken of particuliere investeerders; acht het noodzakelijk een beoordeling achteraf van deze projecten uit te voeren om de doeltreffendheid van deze innoverende aanpak te beoordelen; merkt op dat de tweede deadline voor het indienen van voorstellen in april 2018, met de nadruk op projecten in verband met innovatie en nieuwe technologieën, met name op het gebied van alternatieve brandstoffen, ter ondersteuning van het beleid van de Commissie inzake schone mobiliteit, heeft geresulteerd in de selectie van 35 projecten met in totaal 404,8 miljoen EUR aan CEF-financiering; wijst erop dat de begunstigden beter bekend moeten worden gemaakt met de subsidiabiliteitsregels van de CEF, met name door een duidelijk onderscheid te maken tussen uitvoeringscontracten en onderaannemingscontracten; merkt op dat het in het kader van een financieringsinstrument bestede bedrag niet het enige prestatiecriterium is, en verzoekt de Commissie een gedegener beoordeling uit te voeren van de successen van met EU-middelen gefinancierde vervoersprojecten en van hun meerwaarde en resultaatgerichte uitgaven;

4. verzoekt de Europese TEN-V-coördinatoren een grondige beoordeling te verrichten van de voltooide projecten en de verbeteringen langs de TEN-V-corridors die tijdens de huidige programmeringsperiode zijn uitgevoerd, en deze beoordeling aan het Parlement en de Commissie voor te leggen; verzoekt de Commissie voorts een nieuw resultaatgericht mechanisme voor te stellen, met inbegrip van technische bijstand en planning op korte, middellange en lange termijn, om de meerwaarde van de Europese fondsen te vergroten en ervoor te zorgen dat de lidstaten in 2030 en 2050 de termijnen voor de voltooiing van respectievelijk het kernnetwerk en het uitgebreide netwerk halen;

5. is ingenomen met de goedkeuring van een wijziging in het meerjarig werkprogramma van de CEF op 19 april 2018, waarbij een totaal indicatief bedrag van 450 miljoen EUR ter beschikking werd gesteld voor de oproep tot het indienen van voorstellen voor 2018 in het kader van het algemene budget van de CEF – Vervoer, ter ondersteuning van projecten van gemeenschappelijk belang met betrekking tot de horizontale doelstellingen van digitalisering van het vervoer, verkeersveiligheid en multimodaliteit; herinnert aan het belang van de coördinatie van werkprogramma’s, om de synergieën tussen de sectoren vervoer, energie en telecommunicatie te benutten; is verheugd over de goedkeuring van een financieringsbesluit tot vaststelling van het jaarlijks werkprogramma van de CEF, op grond waarvan het INEA de oproep tot het indienen van voorstellen in het kader van de CEF – Vervoer voor 2019 kon publiceren, die betrekking had op financiële bijstand door middel van subsidies voor projecten van gemeenschappelijk belang met betrekking tot grensoverschrijdende trajecten, verbindingen met en de ontwikkeling van zeehavens en de beperking van de gevolgen van het lawaai en de trillingen van het goederenvervoer per spoor, met terbeschikkingstelling van een indicatief bedrag van 100 miljoen EUR; herinnert eraan dat het om concrete voordelen in de vervoerssector te bereiken nodig is de begroting goed te beheren en deze aan relevante en geschikte investeringsprojecten te besteden die vervolgens tijdig moeten worden uitgevoerd;

6. merkt op dat in het vijfde jaar van de huidige programmeringsperiode 2014-2020 slechts ongeveer 23 % van de oorspronkelijk toegekende middelen, in januari 2019 tot betalingen had geleid, waardoor de volledige tenuitvoerlegging van de CEF ter discussie werd gesteld; herhaalt dat het, om een grote opeenhoping ter voorkomen van betalingsachterstanden, vrijmakingen en terugvloeiing van middelen aan het einde van de programmeringsperiode, met  onvoldoende tijd om de middelen te heroriënteren naar andere projecten, van essentieel belang is dat het INEA de technische en financiële uitvoering van projecten nauwlettend in het oog houdt zodat tijdig doeltreffende corrigerende maatregelen kunnen worden genomen; herhaalt de aanbevelingen van de Rekenkamer aan de Commissie en het INEA om te zorgen voor meer samenhang en transparantie van de procedures voor de selectie van projecten, betere voorwaarden te scheppen voor een tijdige uitvoering van de programma’s en het prestatiekader aan te passen met het oog op een betere monitoring van de projectresultaten;

7. is ingenomen met Speciaal verslag nr. 30/2018 van de Rekenkamer, waarin wordt geconcludeerd dat in de EU-verordeningen de belangrijkste vormen van openbaar vervoer aan bod komen, wat het EU-kader voor passagiersrechten uniek in de wereld maakt; betreurt echter de conclusie van de Rekenkamer dat veel passagiers onvoldoende op de hoogte waren van hun rechten en vaak niet kregen waar ze recht op hadden vanwege problemen met de handhaving ervan; herhaalt daarom het verzoek van de Rekenkamer om de samenhang, inzichtelijkheid en doeltreffendheid van het EU-kader voor passagiersrechten te verbeteren, actie te ondernemen om effectievere en transparantere bewustmakingscampagnes te bevorderen en de nationale handhavingsinstanties te voorzien van bijkomende instrumenten om de passagiersrechten te handhaven;

8. stelt vast dat de Rekenkamer in 2018 een evaluatie heeft uitgevoerd van de betalingen in verband met mobiliteit en vervoer als onderdeel van het hoofdstuk “Concurrentievermogen voor groei en banen” in het kader van de betrouwbaarheidsverklaring voor 2017; is ingenomen met de conclusie dat het restfoutenpercentage van de CEF – Vervoer en van de voorloper hiervan, het TEN-V-programma, de belangrijkste onderdelen van de mobiliteits- en vervoersbetalingen, minder dan 1 % bedraagt; merkt op dat het testen van de verrichtingen voor het gehele hoofdstuk “Concurrentievermogen voor groei en banen” een geschat totaal foutenpercentage heeft opgeleverd van 4,2 %, hetgeen boven de materialiteitsdrempel ligt;

9. herhaalt zijn verzoek aan de Commissie om, gezien de talrijke financieringsbronnen, een gemakkelijke toegang – in de vorm van één loket – tot projecten te bieden om de burgers in staat te stellen de ontwikkelingen en de financiering van infrastructuur die door EU‑fondsen en het EFSI wordt medegefinancierd, duidelijk te volgen; dit loket moet beschikken over uitgebreide coördinerende bevoegdheden, waarbij de normen op EU‑niveau zullen prevaleren, met een meertalige dimensie, waardoor het mogelijk wordt alle milieueffectbeoordelingen te beheren; merkt op dat de absorptie van de EFSI-middelen in het vijfde jaar van het meerjarig financieel kader 2014-2020 opnieuw trager is verlopen dan gepland; benadrukt dat de vastgestelde fouten zich situeren op het niveau van de begunstigde, zodat meer richtsnoeren nodig zijn met betrekking tot de subsidiabiliteit van kosten;

10. stelt vast dat het aantal financieringsinstrumenten aanzienlijk is toegenomen, waardoor nieuwe mogelijkheden voor gecombineerde financiering in de vervoerssector ontstaan, maar waardoor er ook een ingewikkeld web van regelingen rond de EU-begroting is ontstaan; vreest dat deze instrumenten naast de EU-begroting de mate van verantwoording en transparantie kunnen ondermijnen, omdat verslaglegging, controle en publieke toetsing niet op elkaar zijn afgestemd; verzoekt de Commissie te onderzoeken hoe het begrotingssysteem van de Unie kan worden hervormd, en met name hoe kan worden bewerkstelligd dat de financieringsregels niet ingewikkelder zijn dan noodzakelijk is voor het verwezenlijken van de beleidsdoelstellingen van de Unie en voor het waarborgen van verantwoordingsplicht, transparantie en controleerbaarheid;

11. is ingenomen met de uitvoering van de aanbevelingen van de dienst Interne audit aan DG MOVE met betrekking tot het toezicht op Shift2Rail en het systeem voor de monitoring van het beleid inzake de beveiliging van de luchtvaart en de zeevaart;

12. benadrukt het feit dat het belangrijk is hooggespecialiseerd personeel aan te werven om te zorgen voor technische deskundigheid in DG MOVE en het INEA, die nodig is om hun veeleisende taken aan te kunnen;

13. benadrukt dat het vervoersinfrastructuurbeleid een duidelijke kans biedt om de synergieën tussen de civiele en defensiebehoeften en het TEN-V te vergroten; is verheugd over de toevoeging van een pijler inzake militaire mobiliteit aan het TEN-V-beleid door de goedkeuring van het actieplan in maart 2018 en het voorstel van de Commissie om in het kader van de CEF-begroting voor de periode 2021-2027 een nieuw budget op te nemen voor militaire mobiliteit van 6,5 miljard EUR; benadrukt het feit dat een analyse moet worden uitgevoerd van de verschillen tussen de militaire en de TEN-V-vereisten voor het uitvoeren van infrastructuurprojecten in verband met de aanleg van pijplijnen voor tweeërlei gebruik die kunnen worden ondersteund in het kader van de CEF 2021-2027 en die het TEN-V kunnen versterken; herhaalt dat deze ontwikkeling de strategische rol weerspiegelt die het TEN-V speelt bij de integratie van de infrastructuur van de Unie om te komen tot een snelle en naadloze mobiliteit op het hele continent evenals bij de versterking van onze responscapaciteit bij noodsituaties zoals humanitaire crises, natuurrampen of civiele noodsituaties, waardoor de interne markt verder wordt ontwikkeld;

14. is ingenomen met de start van nieuwe projecten die gericht zijn op stedelijke mobiliteit, efficiënte logistiek en infrastructuur, inclusief de haven van de toekomst, met een waarde van ongeveer 105 miljoen EUR, als gevolg van de oproep tot het indienen van voorstellen van 2017 in het kader van het Horizon 2020-programma; is ingenomen met de goedkeuring van het driejarige werkprogramma voor de periode 2018-2020 van Horizon 2020 voor vervoer; herhaalt de aanbeveling van de Rekenkamer om een EU‑havenontwikkelingsplan voor kernhavens op te stellen en het aantal kernhavens te herzien;

15. is van mening dat de toeristische sector zeer nauw verbonden is met de vervoerssector; herhaalt daarom zijn verzoek om in toekomstige begrotingen van de Unie een begrotingslijn op te nemen voor toerisme, om acties te ondersteunen ter ontwikkeling van een duurzame toeristische sector;

16. spoort de Commissie aan om samen met de lidstaten een jaarlijks overzicht te publiceren van de vervoers- en toerismeprojecten die met middelen uit het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling (EFRO) en het Cohesiefonds medegefinancierd zijn, zoals ook gebeurt bij de CEF;

17. stelt voor dat het Parlement met betrekking tot de sectoren waarvoor de Commissie vervoer en toerisme verantwoordelijk is, de Commissie kwijting verleent voor de uitvoering van de algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2018.

 


INFORMATIE OVER DE GOEDKEURING IN DE ADVISERENDE COMMISSIE

Datum goedkeuring

21.1.2020

 

 

 

Uitslag eindstemming

+:

–:

0:

40

8

1

Bij de eindstemming aanwezige leden

Scott Ainslie, Izaskun Bilbao Barandica, David Bull, Marco Campomenosi, Ciarán Cuffe, Johan Danielsson, Andor Deli, Anna Deparnay-Grunenberg, Ismail Ertug, Gheorghe Falcă, Giuseppe Ferrandino, Søren Gade, Isabel García Muñoz, Jens Gieseke, Kateřina Konečná, Elena Kountoura, Julie Lechanteux, Bogusław Liberadzki, Peter Lundgren, Benoît Lutgen, Elżbieta Katarzyna Łukacijewska, Marian-Jean Marinescu, Tilly Metz, Cláudia Monteiro de Aguiar, June Alison Mummery, Caroline Nagtegaal, Jan-Christoph Oetjen, Philippe Olivier, Dominique Riquet, Vera Tax, Barbara Thaler, Petar Vitanov, Elissavet Vozemberg-Vrionidi, Lucia Vuolo, Roberts Zīle, Kosma Złotowski

Bij de eindstemming aanwezige vaste plaatsvervangers

Clotilde Armand, Leila Chaibi, Angel Dzhambazki, Markus Ferber, Maria Grapini, Pierre Karleskind, Andrey Novakov, Catherine Rowett, Henna Virkkunen

Bij de eindstemming aanwezige plaatsvervangers (art. 209, lid 7)

Tiziana Beghin, Elena Lizzi, Juozas Olekas, Tsvetelina Penkova

 


HOOFDELIJKE EINDSTEMMING IN DE ADVISERENDE COMMISSIE

40

+

ECR

Angel Dzhambazki, Roberts Zīle, Kosma Złotowski

GUE/NGL

Leila Chaibi, Kateřina Konečná, Elena Kountoura

PPE

Andor Deli, Gheorghe Falcă, Markus Ferber, Jens Gieseke, Elżbieta Katarzyna Łukacijewska, Benoît Lutgen, Marian-Jean Marinescu, Cláudia Monteiro de Aguiar, Andrey Novakov, Barbara Thaler, Henna Virkkunen, Elissavet Vozemberg-Vrionidi

RENEW

Clotilde Armand, Izaskun Bilbao Barandica, Søren Gade, Pierre Karleskind, Caroline Nagtegaal, Jan-Christoph Oetjen, Dominique Riquet

S&D

Johan Danielsson, Ismail Ertug, Giuseppe Ferrandino, Isabel García Muñoz, Maria Grapini, Bogusław Liberadzki, Juozas Olekas, Tsvetelina Penkova, Vera Tax, Petar Vitanov

VERTS/ALE

Scott Ainslie, Ciarán Cuffe, Anna Deparnay-Grunenberg, Tilly Metz, Catherine Rowett

 

8

-

ECR

Peter Lundgren

ID

Marco Campomenosi, Julie Lechanteux, Elena Lizzi, Philippe Olivier, Lucia Vuolo

NI

David Bull, June Alison Mummery

 

1

0

NI

Tiziana Beghin

 

Verklaring van de gebruikte tekens:

+ : voor

- : tegen

0 : onthouding

 

 


 

 

 

ADVIES VAN DE COMMISSIE REGIONALE ONTWIKKELING (22.1.2020)

<CommissionInt>aan de Commissie begrotingscontrole</CommissionInt>


<Titre>inzake het verlenen van kwijting voor de uitvoering van de algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2018, afdeling III - Commissie en uitvoerende agentschappen</Titre>

<DocRef>(2019/2055(DEC))</DocRef>

Rapporteur voor advies: <Depute>Josianne Cutajar</Depute>

 

 

SUGGESTIES

De Commissie regionale ontwikkeling verzoekt de bevoegde Commissie begrotingscontrole onderstaande suggesties in haar ontwerpresolutie op te nemen:

1. merkt op dat, zoals vermeld in het jaarverslag van de Rekenkamer voor het begrotingsjaar 2018, het geschatte foutenpercentage voor de uitgaven voor “Economische, sociale en territoriale cohesie” is gestegen van 3 % in 2017 tot 5 % in 2018; betreurt dat de positieve trend van de laatste jaren is omgeslagen, ook al lag het gecontroleerde bedrag op dit gebied in 2018 (23,8 miljard EUR) aanzienlijk hoger dan in 2017 (8,0 miljard EUR); waarschuwt voor een groter risico op fouten aan het einde van het huidige meerjarig financieel kader (MFK) als gevolg van de druk om middelen snel op te nemen gezien de kans dat er minder EU-financiering beschikbaar zal zijn;

2. benadrukt dat onregelmatigheden bij de uitvoering van de begroting van de Europese Unie niet automatisch fraude inhouden en dat een grondige analyse van de controleresultaten vereist is alvorens financiële correcties toe te passen op de begunstigden; verzoekt de Commissie haar fraudebestrijdingsstrategie uit te voeren en de lidstaten te blijven steunen en bijstaan bij de uitvoering van fraudebestrijdingsmaatregelen, met inbegrip van het analyseren van door de lidstaten gemelde onregelmatigheden in het kader van de Europese structuur- en investeringsfondsen (ESI-fondsen);

3. neemt er kennis van dat deze onregelmatigheden, zowel op het gebied van subsidies als op het gebied van de veel minder gecontroleerde financieringsinstrumenten, voornamelijk te wijten zijn aan terugbetalingen van niet-subsidiabele projecten, begunstigden, activiteiten en kosten (44 %), alsook aan inbreuken op de regels inzake de interne markt en staatssteun (40 %) en het ontbreken van ondersteunende documentatie (11 %), maar ook aan de lage totale niveaus van vergoedingen en betalingen van het voorgaande jaar en aan het feit dat er minder financieringsinstrumenten in de controle waren opgenomen; benadrukt dat fouten met betrekking tot openbare aanbestedingen, regels inzake staatssteun en procedures voor de toekenning van subsidies in 2018 een grotere bijdrage leverden aan het door de Rekenkamer geschatte foutenpercentage voor uitgaven met een hoog risico; wijst erop dat de vergoeding van btw, zoals aangegeven in het jaarverslag van de Rekenkamer voor 2018, foutgevoelig is en niet altijd leidt tot een optimale benutting van middelen van de Unie, die kan worden bereikt door de regels verder te vereenvoudigen; merkt op dat sommige lidstaten niet voldoen aan de verplichting om begunstigden uiterlijk negentig dagen na het betalingsverzoek de volledige overheidsbijdrage te betalen;

4. wijst erop dat risicovolle uitgaven vaak onderworpen zijn aan complexe regels en subsidiabiliteitsvoorwaarden; betreurt dat sommige lidstaten en regio’s moeilijkheden ondervinden bij de aanwending van de middelen; is het met de Rekenkamer eens dat eenvoudiger nationale subsidiabiliteitsregels deze oorzaak van fouten en de administratieve lasten voor de begunstigden kunnen helpen verkleinen; stipt aan dat een vereenvoudiging van de regels niet alleen een hoge mate van transparantie oplevert, maar ook een aanzienlijke bijdrage kan leveren aan een doeltreffender gebruik van de middelen; dringt aan op een doeltreffender betrokkenheid van lokale en regionale overheden bij het opstellen van specifieke nationale regels voor de uitvoering van de cohesiefondsen; verzoekt de Rekenkamer en de nationale auditautoriteiten aanbevelingen inzake de vereenvoudiging van de regels te doen en vereenvoudigingscontroles uit te voeren;

5. benadrukt de belangrijke rol die nationale auditautoriteiten, samen met de Rekenkamer, spelen bij het toezicht op de benutting van de ESI-fondsen; pleit voor een verbetering van de controlemethoden op nationaal niveau; verzoekt de Commissie te zorgen voor minder afwijkende interpretaties van de nationale of Unievoorschriften die van toepassing zijn wanneer men het oneens is met de evaluatie in het jaarverslag van de Rekenkamer betreffende de aard van de fouten, om in de toekomst dergelijke situaties en verschillende interpretaties van de geldende voorschriften te voorkomen;

6. benadrukt dat het absorptiepercentage van de ESI-fondsen nog steeds lager ligt dan gepland en eind 2018 slechts 27,3 % bedroeg, wat zelfs lager is dan het absorptiepercentage van 33,4 % eind 2011, zijnde het overeenkomstige jaar van het vorige MFK; waarschuwt dat deze situatie zou kunnen leiden tot gehaaste uitgaven aan het einde van de programmeringsperiode, wat de verwezenlijking van de doelstellingen van het cohesiebeleid in gevaar dreigt te brengen;

7. verzoekt de Commissie de redenen voor de lage benuttingspercentages in bepaalde regio’s grondig te analyseren, specifieke oplossingen te zoeken voor de structurele problemen die aan deze onevenwichtigheden ten grondslag liggen, en meer technische bijstand ter plekke te bieden; benadrukt dat flexibiliteit en eenvoudiger regels de ESI-fondsen efficiënter en doeltreffender kunnen maken;

8. stipt aan dat het lage absorptiepercentage niet alleen te wijten is aan de methode van annulering van kredieten (de “n+3-regel”), maar ook aan de late goedkeuring van het noodzakelijke wetgevingskader voor de uitvoering van het cohesiebeleid; onderstreept hoe belangrijk het is spoedig tot een politiek akkoord tussen de instellingen te komen met betrekking tot het MFK voor de periode 2021-2027 en de verordeningen inzake het cohesiebeleid, om te voorkomen dat de uitvoering van de ESI-fondsen andermaal vertraging oploopt en er achterstand bij toekomstige betalingsaanvragen ontstaat; verzoekt de Commissie en de Raad in de eerste helft van 2020 te komen met een actieplan om de uitvoering van de ESI-fondsen tijdens de huidige programmeringsperiode te versnellen, met duidelijke stimulansen voor een doeltreffende absorptie van de beschikbare middelen, teneinde de strategische doelstellingen van de Unie kracht bij te zetten, met name de economische, sociale en territoriale samenhang en, overeenkomstig de doelstellingen van de Overeenkomst van Parijs, de strijd tegen klimaatverandering;

9. wijst andermaal op het belang van betrouwbare, op kwalitatief hoogwaardige gegevens gebaseerde prestatiemeetsystemen om het besluitvormingsproces te verbeteren, en verzoekt de Commissie te werken aan de verdere ontwikkeling en harmonisering van controlemethoden om de verschillende prestatiemeetsystemen van de nationale autoriteiten beter op elkaar af te stemmen; dringt erop aan een bredere reeks indicatoren in te zetten om zicht te krijgen op het partnerschapsbeginsel, waarop de uitgaven voor het cohesiebeleid zijn gebaseerd, alsook op de relevante horizontale dimensies ervan, zoals financiële prestaties, gendergelijkheid, non-discriminatie en duurzame ontwikkeling, zonder nieuwe administratieve lasten te veroorzaken; wijst erop dat de gegevensverzameling onverwijld moet worden aangepast aan elke wijziging van de administratieve stelsels (zoals de NUTS-nomenclatuur);

10. meent dat de Unie steeds meer gebruik is gaan maken van financieringsinstrumenten en begrotingsgaranties aan de Europese Investeringsbankgroe