Procedure : 2017/0121(COD)
Stadium plenaire behandeling
Documentencyclus : A9-0114/2020

Ingediende teksten :

A9-0114/2020

Debatten :

Stemmingen :

Aangenomen teksten :

P9_TA(2020)0184

<Date>{10/06/2020}10.6.2020</Date>
<NoDocSe>A9‑0114/2020</NoDocSe>
PDF 190kWORD 58k

<TitreType>ONTWERPAANBEVELING VOOR DE TWEEDE LEZING</TitreType>     <RefProcLect>***II</RefProcLect>

<Titre>over het standpunt van de Raad in eerste lezing met het oog op de vaststelling van een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van specifieke regels met betrekking tot Richtlijn 96/71/EG en Richtlijn 2014/67/EU wat betreft de detachering van bestuurders in de wegvervoersector en tot wijziging van Richtlijn 2006/22/EG wat betreft de handhavingsvoorschriften en Verordening (EU) nr. 1024/2012</Titre>

<DocRef>(05112/1/2020 – C9‑0106/2020 – 2017/0121(COD))</DocRef>


<Commission>{TRAN}Commissie vervoer en toerisme</Commission>

Rapporteur: <Depute>Kateřina Konečná</Depute>

ONTWERPWETGEVINGSRESOLUTIE VAN HET EUROPEES PARLEMENT
 BEKNOPTE MOTIVERING
 PROCEDURE VAN DE BEVOEGDE COMMISSIE
 HOOFDELIJKE EINDSTEMMING IN DE BEVOEGDE COMMISSIE

ONTWERPWETGEVINGSRESOLUTIE VAN HET EUROPEES PARLEMENT

over het standpunt van de Raad in eerste lezing met het oog op de vaststelling van een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van specifieke regels met betrekking tot Richtlijn 96/71/EG en Richtlijn 2014/67/EU wat betreft de detachering van bestuurders in de wegvervoersector en tot wijziging van Richtlijn 2006/22/EG wat betreft de handhavingsvoorschriften en Verordening (EU) nr. 1024/2012

(05112/1/2020 – C9‑0106/2020 – 2017/0121(COD))

(Gewone wetgevingsprocedure: tweede lezing)

Het Europees Parlement,

 gezien het standpunt van de Raad in eerste lezing (05112/1/2020 – C9‑0106/2020),

 gezien het gemotiveerde advies dat in het kader van protocol nr. 2 betreffende de toepassing van de beginselen van subsidiariteit en evenredigheid is uitgebracht door de Senaat van de Republiek Polen, en waarin wordt gesteld dat het ontwerp van wetgevingshandeling niet strookt met het subsidiariteitsbeginsel,

 gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité van 18 januari 2018[1],

 gezien het advies van het Comité van de Regio’s van 1 februari 2018[2],

 gezien het advies van de Commissie (COM(2020)0151),

 gezien zijn in eerste lezing geformuleerde standpunt[3] inzake het voorstel van de Commissie aan het Parlement en de Raad (COM(2017)0278),

 gezien artikel 294, lid 7, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

 gezien het overeenkomstig artikel 74, lid 4, van zijn Reglement door de bevoegde commissie goedgekeurde voorlopig akkoord,

 gezien artikel 67 van zijn Reglement,

 gezien de aanbeveling voor de tweede lezing van de Commissie vervoer en toerisme (A9‑0114/2020),

1. hecht zijn goedkeuring aan het standpunt van de Raad in eerste lezing;

2. constateert dat de handeling is vastgesteld overeenkomstig het standpunt van de Raad;

3. verzoekt zijn Voorzitter de handeling samen met de voorzitter van de Raad overeenkomstig artikel 297, lid 1, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie te ondertekenen;

4. verzoekt zijn secretaris-generaal de handeling te ondertekenen nadat is nagegaan of alle procedures naar behoren zijn uitgevoerd, en samen met de secretaris-generaal van de Raad zorg te dragen voor publicatie ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie;

5. verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en aan de Commissie alsmede aan de nationale parlementen.


BEKNOPTE MOTIVERING

1. De internationale wegvervoersmarkt

In de wegvervoersector draagt de sociale regelgeving van de Unie bij tot het realiseren van de beleidsdoelstellingen inzake betere arbeidsvoorwaarden voor bestuurders, eerlijke concurrentie tussen wegvervoerondernemingen en een betere verkeersveiligheid voor alle weggebruikers.

Tot de belangrijkste op het wegvervoer toepasselijke sociale regelgeving behoren de bepalingen van Richtlijn 2002/15/EG[4] betreffende de organisatie van de arbeidstijd van bestuurders, de minimumvereisten voor handhaving als uiteengezet in Richtlijn 2006/22/EG, regels voor rijtijden, onderbrekingen en rusttijden krachtens Verordening (EG) nr. 561/2006[5] en bepalingen inzake de terbeschikkingstelling van werknemers zoals vastgesteld in Richtlijn 96/71/EG[6] en inzake de uitvoering van Richtlijn 2014/67/EU[7]. Die rechtshandelingen maken deel uit van bredere inspanningen om de arbeidsomstandigheden van bestuurders te verbeteren, eerlijke concurrentie tussen ondernemers te waarborgen en de veiligheid op de Europese wegen te verbeteren, en om een evenwicht te verzekeren tussen de sociale bescherming van bestuurders en de vrijheid van ondernemers om grensoverschrijdende diensten te verlenen.

2. Het voorstel van de Commissie

Op 31 mei 2017 heeft de Commissie een “Mobiliteitspakket I” aangenomen. Doel hiervan is te zorgen voor eerlijke concurrentie, de bestaande regels te vereenvoudigen, de interne markt van de EU te behouden en de rechten van werknemers in deze sector te waarborgen. Als onderdeel van dit eerste mobiliteitspakket heeft de Commissie voorgesteld om specifieke regels voor detachering in het wegvervoer vast te stellen.

Het voorstel van de Commissie heeft tot doel een evenredige en adequate toepassing van de detacheringsregels te waarborgen, de handhaving te versterken en de administratieve samenwerking tussen de lidstaten op een meer gestructureerde en efficiënte manier te laten verlopen.

3. Interinstitutionele onderhandelingen

Na de vaststelling van het standpunt van het Parlement in eerste lezing op 4 april 2019 zijn er van oktober tot december 2019 onder het Finse voorzitterschap van de Raad interinstitutionele onderhandelingen gevoerd (met het oog op een vroegtijdig akkoord voor de tweede lezing). Na vier trialoogrondes, waaronder een aantal gezamenlijke, bereikte het onderhandelingsteam van het Parlement tijdens de laatste trialoog die begon op 11 december 2019 een voorlopig akkoord met het voorzitterschap van de Raad.

De tekst van het voorlopig akkoord werd aan de Commissie vervoer en toerisme (TRAN) voorgelegd en op 21 januari 2020 goedgekeurd. Op basis van de goedkeuring door TRAN heeft de voorzitter van TRAN in haar brief aan de voorzitter van het Comité van permanente vertegenwoordigers (COREPER I) aangegeven dat zij de plenaire vergadering zal aanbevelen zonder wijzigingen in te stemmen met het standpunt van de Raad, mits dit overeenkomt met het voorlopig akkoord dat tussen de twee instellingen is bereikt. Na de verificatie door de juristen-vertalers heeft de Raad op 7 april 2020 via de schriftelijke procedure zijn standpunt in overeenstemming met het voorlopig akkoord formeel vastgesteld.

4. Voornaamste elementen van het akkoord

Het algemene akkoord dat het Parlement met de Raad heeft bereikt hield een verdere versterking van het voorstel in, om evenwichtige voorwaarden voor eerlijke concurrentie en een gedegen handhaving te waarborgen. Met name is het volgende overeengekomen:

Vrijstellingen van de detacheringsregeling voor werknemers in het internationaal wegvervoer

Belangrijke elementen van het akkoord hebben betrekking op de invoering van een vrijstelling van de algemene detacheringsregels vanwege de hoge mate van mobiliteit, en op de reikwijdte van die vrijstelling.

De vrijstellingen van detacheringsregels omvatten met name “bilaterale vervoersactiviteiten”, in zowel goederen- als personenvervoer, en bieden zeer weinig ruimte voor extra vervoersgerelateerde stops. Daarnaast wordt verduidelijkt dat er bij internationaal vervoer in doorvoer over het grondgebied van een lidstaat geen sprake is van detachering. Verder zijn verduidelijkingen opgenomen met betrekking tot gecombineerd vervoer. Bij andere vervoersactiviteiten, waaronder cabotage, is wel sprake van detachering.

Hoewel de Raad voorstelde de vrijstelling verder uit te breiden tot activiteiten voor eigen rekening, verdedigde het Parlement met succes de beperking van de vrijstelling tot de situatie waarin er een dienstencontract bestaat tussen de werkgever die de bestuurder uitzendt en een partij die in de lidstaat van ontvangst actief is.

Daarnaast wordt verduidelijkt dat onderbroken aanwezigheden van een bestuurder in een lidstaat van ontvangst niet cumuleren tot een langdurige detachering.

Exploitanten uit derde landen

De Raad stemde in met het standpunt van het Parlement dat het aanscherpen van de detacheringsregels voor EU-bestuurders ondernemers uit derde landen die toegang hebben tot de EU-markt voor het wegvervoer geen concurrentievoordeel mag opleveren.

Overeenkomstig artikel 1, lid 4, van Richtlijn 96/71/EG, mogen ondernemingen die gevestigd zijn in een land dat geen lidstaat is, geen gunstiger behandeling krijgen dan in een lidstaat gevestigde ondernemingen. Bevestigd werd dat dat beginsel ook moet gelden voor de specifieke regels betreffende de detachering van bestuurders. Bovendien moeten de lidstaten hun verplichting om in de Unie gevestigde ondernemingen niet te discrimineren naleven, ook wanneer de voorwaarden voor toegang tot de Uniemarkt in het kader van de CEMT worden overeengekomen. De Unie moet ook in het kader van de AETR-overeenkomst onderhandelen met het doel om deze in overeenstemming te brengen met de nieuwe controle-instrumenten (slimme tachografen).

Administratieve voorschriften voor detachering, controle en handhaving

Vervoerondernemers zullen het informatiesysteem interne markt (IMI) van de Commissie kunnen en moeten gebruiken om detacheringsverklaringen en opgevraagde informatie te sturen. Deze geharmoniseerde procedure zal op zichzelf staande nationale informatiesystemen overbodig maken.

Wat de controlebepalingen betreft wordt een onderscheid gemaakt tussen controles langs de weg en controles na de detachering. De arbeidsovereenkomst en de loonstroken van de bestuurder kunnen na de detachering rechtstreeks worden opgevraagd bij de vervoerondernemer. Tijdens de fase van controle na de detachering zal het IMI-systeem het centrale communicatiemiddel voor de vervoerondernemer zijn, en een lidstaat kan de sociale partners hierbij betrekken.

De Raad stemde in met het vereiste van het Parlement om sancties in te voeren op inbreuken tegen de voorschriften van de lex specialis, en actoren in de logistieke keten te straffen indien zij op de hoogte zijn of zouden moeten zijn van de inbreuken. Tot slot aanvaardde de Raad ook een bepaling inzake “slimme handhaving” die de lidstaten ertoe verplicht de controle op detacheringsregels te integreren in een algemene controlestrategie.

Transparantie over arbeidsvoorwaarden en -omstandigheden

De Raad stemde in met het verzoek van het Parlement om een speciale regel op te nemen die de lidstaat van ontvangst ertoe verplicht transparantie te verschaffen over zijn arbeidsvoorwaarden en -omstandigheden, ook die welke in bepaalde collectieve overeenkomsten zijn vastgelegd.

Opname van Richtlijn 2002/15/EG in handhavingsnormen voor sociale wetgeving

Bij Richtlijn 2006/22/EG werden Unienormen voor de controle en de handhaving van voorschriften inzake rijtijden, onderbrekingen en rusttijden, en van voorschriften inzake tachografen ingevoerd. Richtlijn 2002/15/EG was echter buiten het toepassingsgebied van deze richtlijn gehouden. Het akkoord bevat verschillende aspecten van die richtlijn, zoals: de nationale controlesystemen, het minimumaantal controles, de nationale risicoclassificatiesystemen, of de uitwisseling van informatie.

Herziene handhavingsnormen voor sociale wetgeving

Er zijn twee wijzigingen ingevoerd ter verbetering van het risicoclassificatiesysteem: ten eerste zal de Commissie een gemeenschappelijke formule voor de risicobeoordeling van een onderneming invoeren, en ten tweede zal de nationale informatie over risicoclassificatie beschikbaar zijn voor de controleautoriteiten in de hele EU, ook bij wegcontroles.

Bevoegdheden van de Commissie

Het akkoord voorziet in twee bevoegdheden voor gedelegeerde handelingen, betreffende het actualiseren van de bijlagen, en in drie nieuwe bevoegdheden voor uitvoeringshandelingen, namelijk wat betreft een gemeenschappelijke formule voor risicoclassificatie, een gemeenschappelijke aanpak voor het registreren en controleren van periodes waarin “andere werkzaamheden” worden verricht, en de ontwikkeling van de functies van het IMI-communicatiemiddel dat moet worden gebruikt voor detacheringsverklaringen.

Omzetting en toetsing

De lidstaten dienen de richtlijn binnen 18 maanden na de inwerkingtreding ervan om te zetten. Een evaluatie door de Commissie van de uitvoering van de richtlijn, en met name van de bijzondere bepalingen inzake gedetacheerde bestuurders, is gepland voor eind 2025.

5. Aanbeveling

De rapporteur is van mening dat met het compromis een evenwichtig resultaat is bereikt. Aangezien het standpunt van de Raad overeenkomt met het in de interinstitutionele onderhandelingen bereikte akkoord, beveelt de rapporteur aan om er zonder verdere wijzigingen mee in te stemmen.


PROCEDURE VAN DE BEVOEGDE COMMISSIE

Titel

Handhavingsvoorschriften en specifieke regels voor de terbeschikkingstelling van bestuurders in de wegvervoersector

Document- en procedurenummers

05112/1/2020 – C9-0106/2020 – 2017/0121(COD)

Datum eerste lezing EP – P-nummer

4.4.2019 T8-0339/2019

Voorstel van de Commissie

COM(2017)0278 - C8-0170/2017

Datum bekendmaking ontvangst standpunt van de Raad in eerste lezing

17.4.2020

Bevoegde commissie

 Datum bekendmaking

TRAN

17.4.2020

 

 

 

Rapporteurs

 Datum benoeming

Kateřina Konečná

10.7.2017

 

 

 

Behandeling in de commissie

28.4.2020

 

 

 

Datum goedkeuring

8.6.2020

 

 

 

Uitslag eindstemming

+:

–:

0:

30

19

0

Bij de eindstemming aanwezige leden

Magdalena Adamowicz, Andris Ameriks, José Ramón Bauzá Díaz, Izaskun Bilbao Barandica, Marco Campomenosi, Ciarán Cuffe, Jakop G. Dalunde, Johan Danielsson, Andor Deli, Karima Delli, Anna Deparnay-Grunenberg, Ismail Ertug, Gheorghe Falcă, Giuseppe Ferrandino, Mario Furore, Søren Gade, Isabel García Muñoz, Elsi Katainen, Kateřina Konečná, Elena Kountoura, Julie Lechanteux, Bogusław Liberadzki, Peter Lundgren, Benoît Lutgen, Elżbieta Katarzyna Łukacijewska, Marian-Jean Marinescu, Tilly Metz, Giuseppe Milazzo, Cláudia Monteiro de Aguiar, Caroline Nagtegaal, Jan-Christoph Oetjen, Philippe Olivier, Rovana Plumb, Tomasz Piotr Poręba, Dominique Riquet, Dorien Rookmaker, Massimiliano Salini, Sven Schulze, Vera Tax, Barbara Thaler, István Ujhelyi, Petar Vitanov, Elissavet Vozemberg-Vrionidi, Lucia Vuolo, Roberts Zīle, Kosma Złotowski

Bij de eindstemming aanwezige vaste plaatsvervangers

Leila Chaibi, Roman Haider, Henna Virkkunen

Datum indiening

10.6.2020

 


HOOFDELIJKE EINDSTEMMING IN DE BEVOEGDE COMMISSIE

30

+

ECR

Peter Lundgren

GUE/NGL

Leila Chaibi, Kateřina Konečná, Elena Kountoura

ID

Marco Campomenosi, Roman Haider, Julie Lechanteux, Philippe Olivier, Lucia Vuolo

NI

Mario Furore

PPE

Henna Virkkunen, Benoît Lutgen, Giuseppe Milazzo, Massimiliano Salini, Sven Schulze, Barbara Thaler, Elissavet Vozemberg‑Vrionidi

Renew

José Ramón Bauzá Díaz, Izaskun Bilbao Barandica, Søren Gade, Elsi Katainen, Caroline Nagtegaal, Jan‑Christoph Oetjen, Dominique Riquet

S&D

Johan Danielsson, Ismail Ertug, Giuseppe Ferrandino, Isabel García Muñoz, Vera Tax

Verts/ALE

Jakop G. Dalunde

 

19

-

ECR

Tomasz Piotr Poręba, Roberts Zīle, Kosma Złotowski

NI

Dorien Rookmaker

PPE

Magdalena Adamowicz, Andor Deli, Gheorghe Falcă, Marian‑Jean Marinescu, Cláudia Monteiro de Aguiar, Elżbieta Katarzyna Łukacijewska

S&D

Andris Ameriks, Bogusław Liberadzki, Rovana Plumb, István Ujhelyi, Petar Vitanov

Verts/ALE

Ciarán Cuffe, Karima Delli, Anna Deparnay‑Grunenberg, Tilly Metz

 

0

0

 

 

 

 

 

Verklaring van de gebruikte tekens:

+ : voor

- : tegen

0 : onthouding

 

 

[1] PB C 197 van 8.6.2018, blz. 45.

[2] PB C 176 van 23.5.2018, blz. 57.

[3] Aangenomen teksten van 4.4.2019, P8_TA(2019)0339.

[4] PB L 80 van 23.3.2002, blz. 35.

[5] PB L 102 van 11.4.2006, blz. 1.

[6] PB L 18 van 21.1.1997, blz. 1.

[7] PB L 159 van 28.5.2014, blz. 11.

Laatst bijgewerkt op: 25 juni 2020Juridische mededeling - Privacybeleid