Procedure : 2017/0122(COD)
Stadium plenaire behandeling
Documentencyclus : A9-0115/2020

Ingediende teksten :

A9-0115/2020

Debatten :

Stemmingen :

Aangenomen teksten :

P9_TA(2020)0185

<Date>{10/06/2020}10.6.2020</Date>
<NoDocSe>A9‑0115/2020</NoDocSe>
PDF 184kWORD 54k

<TitreType>ONTWERPAANBEVELING VOOR DE TWEEDE LEZING</TitreType>     <RefProcLect>***II</RefProcLect>

<Titre>over het standpunt van de Raad in eerste lezing met het oog op de vaststelling van een verordening van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Verordening (EG) nr. 561/2006 wat betreft de minimumeisen voor maximale dagelijkse en wekelijkse rijtijden, minimumonderbrekingen en dagelijkse en wekelijkse rusttijden, en Verordening (EU) nr. 165/2014 wat betreft positionering door middel van tachografen</Titre>

<DocRef>(05114/1/2020 – C9‑0104/2020 – 2017/0122(COD))</DocRef>


<Commission>{TRAN}Commissie vervoer en toerisme</Commission>

Rapporteur: <Depute>Henna Virkkunen</Depute>

ONTWERPWETGEVINGSRESOLUTIE VAN HET EUROPEES PARLEMENT
 BEKNOPTE MOTIVERING
 PROCEDURE VAN DE BEVOEGDE COMMISSIE
 HOOFDELIJKE EINDSTEMMING IN DE BEVOEGDE COMMISSIE

ONTWERPWETGEVINGSRESOLUTIE VAN HET EUROPEES PARLEMENT

over het standpunt van de Raad in eerste lezing met het oog op de vaststelling van een verordening van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Verordening (EG) nr. 561/2006 wat betreft de minimumeisen voor maximale dagelijkse en wekelijkse rijtijden, minimumonderbrekingen en dagelijkse en wekelijkse rusttijden, en Verordening (EU) nr. 165/2014 wat betreft positionering door middel van tachografen

(05114/1/2020 – C9‑0104/2020 – 2017/0122(COD))

(Gewone wetgevingsprocedure: tweede lezing)

Het Europees Parlement,

 gezien het standpunt van de Raad in eerste lezing (05114/1/2020 – C9‑0104/2020),

 gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité van 18 januari 2018[1],

 gezien het advies van het Comité van de Regio’s van 1 februari 2018[2],

 gezien het advies van de Commissie (COM(2020)0151),

 gezien zijn in eerste lezing geformuleerde standpunt[3] inzake het voorstel van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad (COM(2017)0277),

 gezien artikel 294, lid 7, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

 gezien het overeenkomstig artikel 74, lid 4, van zijn Reglement door de bevoegde commissie goedgekeurde voorlopig akkoord,

 gezien artikel 67 van zijn Reglement,

 gezien de aanbeveling voor de tweede lezing van de Commissie vervoer en toerisme (A9‑0115/2020),

1. hecht zijn goedkeuring aan het standpunt van de Raad in eerste lezing;

2. constateert dat de handeling is vastgesteld overeenkomstig het standpunt van de Raad;

3. verzoekt zijn Voorzitter de handeling samen met de voorzitter van de Raad overeenkomstig artikel 297, lid 1, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie te ondertekenen;

4. verzoekt zijn secretaris-generaal de handeling te ondertekenen, nadat is nagegaan of alle procedures naar behoren zijn uitgevoerd, en met de secretaris-generaal van de Raad zorg te dragen voor publicatie ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie;

5. verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en aan de Commissie alsmede aan de nationale parlementen.

 


 

BEKNOPTE MOTIVERING

1. Sociale wetgeving voor het wegvervoer

 

De sector wegvervoer is een belangrijke sector binnen het gemeenschappelijk vervoersbeleid, die werk biedt aan 11 miljoen personen en goed is voor bijna de helft van alle activiteiten in het goederenvervoer in de EU. Sociale wetgeving voor het wegvervoer heeft drie doelstellingen: (1) verbetering van de verkeersveiligheid, (2) voorkoming van concurrentieverstoring, en (3) verbetering van de arbeidsomstandigheden van bestuurders.

 

Verordening (EG) nr. 561/2006 geeft voorschriften voor de rijtijden, de onderbrekingen en de rusttijden van bestuurders in het wegvervoer van goederen en personen. Bij het proces van tenuitvoerlegging van deze verordening traden verschillende problemen aan het licht. Het gaat hierbij om uiteenlopende handhavingspraktijken in de verschillende lidstaten van de EU, de duidelijkheid van de tekst van de verordening, de grote speelruimte voor de lidstaten en de verschillende uitzonderingen die de verordening toelaat. Deze problemen zijn van invloed op de harmonisatie van het wegvervoer en op de rechtszekerheid, en beperken de mogelijkheid om het doel van de verordening te bereiken.

 

Om de problemen aan te pakken heeft de Commissie een aantal wetsvoorstellen geformuleerd met betrekking tot sociale en internemarktaspecten van het wegvervoer in de EU, als onderdeel van het pakket “Europa in beweging” voor een schone, concurrerende en geconnecteerde mobiliteit van 31 mei 2017. Dit pakket had tot doel om te zorgen voor eerlijke concurrentie, de regels te vereenvoudigen, de interne markt te beschermen en de rechten van werknemers in de vervoerssector te waarborgen.

 

2. Het voorstel van de Commissie

 

Het voorstel tot wijziging van Verordening (EG) nr. 561/2006 inzake rij- en rusttijden en Verordening (EU) nr. 165/2014 inzake tachografen heeft als algemeen doel sommige bepalingen te verduidelijken en een aantal regels aan te passen aan de veranderende behoeften van de sector. Daarnaast wordt sterk ingezet op slimme handhaving van de sociale regels in het wegvervoer.

 

Om dit doel te bereiken stelde de Commissie onder meer voor om

 

- meer flexibiliteit toe te staan bij de organisatie van de wekelijkse rusttijden, zodat bestuurders binnen een periode van vier weken twee opeenvolgende verkorte wekelijkse rusttijden kunnen nemen en gebruik kunnen maken van opgetelde wekelijkse rustperioden.

 

- te verduidelijken dat het een bestuurder niet is toegestaan om een wekelijkse rusttijd van 45 uur of meer te nemen in een voertuig, en dat de werkgever verplicht is voor een passend verblijf met geschikte slaapfaciliteiten en sanitaire voorzieningen te zorgen als de bestuurder zijn wekelijkse rusttijd niet op een privé-plaats naar keuze kan nemen. De bedoeling hiervan was om de arbeidsomstandigheden van bestuurders te verbeteren en ervoor te zorgen dat zij goede rustomstandigheden krijgen.

 

- vervoersondernemingen te verplichten de werkzaamheden van bestuurders zodanig te plannen dat die ten minste één keer binnen een periode van drie opeenvolgende weken naar huis terug kunnen keren om hun wekelijkse rust te nemen. Op die manier moest worden voorkomen dat bestuurders lange tijd in het buitenland werken, zonder de mogelijkheid te krijgen om regelmatig naar hun familie terug te keren.

 

- de functies van “slimme” tachografen te verbeteren, zodat de positie van voertuigen die voor grensoverschrijdend vervoer worden gebruikt, beter kan worden bepaald, en een verplichting voor bestuurders toe te voegen om, op de eerste geschikte stopplaats, de positie van hun voertuig te registreren in de tachograaf zodra zij een grens zijn overgestoken.

 

3. Interinstitutionele onderhandelingen

 

Na de vaststelling van het standpunt van het Parlement in eerste lezing op 4 april 2019 zijn er van oktober tot december 2019 onder het Finse voorzitterschap van de Raad interinstitutionele onderhandelingen gevoerd (met het oog op een vroegtijdig akkoord voor de tweede lezing). Na vier trialoogrondes, waaronder een aantal gezamenlijke, bereikte het onderhandelingsteam van het Parlement tijdens de laatste trialoog op 11 en 12 december 2019 een voorlopig akkoord met het voorzitterschap van de Raad.

 

De tekst van het voorlopige akkoord werd aan de Commissie vervoer en toerisme (TRAN) voorgelegd en op 21 januari 2020 goedgekeurd. Op basis van de goedkeuring door TRAN heeft de voorzitter van TRAN in haar brief aan de voorzitter van het Comité van permanente vertegenwoordigers (COREPER I) aangegeven dat zij de plenaire vergadering zal aanbevelen zonder wijzigingen in te stemmen met het standpunt van de Raad, mits dit overeenkomt met het voorlopig akkoord dat tussen de twee instellingen is bereikt. Na de verificatie door de juristen-vertalers heeft de Raad op 7 april 2020 via de schriftelijke procedure zijn standpunt in overeenstemming met het voorlopig akkoord formeel vastgesteld.

 

4. Voornaamste elementen van het akkoord

 

Het algemene akkoord dat het Europees Parlement met de Raad en de Commissie heeft bereikt is erop gericht de huidige sociale en internemarktregels van de EU op het gebied van wegvervoer verder te verbeteren. Met name is het volgende overeengekomen:

 

- Wat betreft de organisatie van de wekelijkse rustperiodes wordt de doelstelling van de Commissie gehandhaafd om meer flexibiliteit te bieden voor het goederenvervoer over lange afstand, en er tegelijkertijd voor te zorgen dat bestuurders regelmatig voor een langere rustperiode naar huis terugkeren. Deze mogelijkheid is voorzien als uitzondering op de huidige regel die slecht om de twee weken een verkorte rusttijd toelaat. Deze mogelijkheid blijft beperkt tot bestuurders in het internationaal goederenvervoer en wordt gekoppeld aan bepaalde voorwaarden, d.w.z. de twee opeenvolgende verkorte rusttijden moeten buiten de lidstaat van vestiging worden genomen, ze moeten vóór de volgende normale rusttijd worden gecompenseerd en de bestuurder moet om de drie weken naar huis terug kunnen keren.

 

- Wat betreft de regelmatige terugkeer van de bestuurder, wordt in het akkoord bepaald dat ondernemingen het werk van de bestuurders zodanig moeten plannen dat zij binnen elke periode van vier opeenvolgende weken kunnen terugkeren naar de exploitatievestiging van de werkgever waar de bestuurder normaal gesproken gestationeerd is, of naar zijn woonplaats. In een overweging wordt verduidelijkt dat “bestuurders vrij [zijn] te bepalen waar zij hun rusttijd willen doorbrengen”. De periode wordt teruggebracht tot drie weken indien de bestuurder twee opeenvolgende verkorte wekelijkse rusttijden heeft genomen.  Internationale bestuurders kunnen van deze bepaling profiteren, omdat het helpt voorkomen dat bestuurders lange tijd in het buitenland werken zonder de mogelijkheid te krijgen om naar hun familie terug te keren.

 

- Er wordt gezorgd voor meer flexibiliteit door de invoering van de mogelijkheid om de dagelijkse en wekelijkse rijdtijd in uitzonderlijke gevallen te overschrijden, om het zo mogelijk te maken de exploitatievestiging van de werkgever of zijn woonplaats te bereiken voor het nemen van een wekelijkse rusttijd. In dergelijke uitzonderlijke omstandigheden kan de bestuurder de rijtijd overschrijden met maximaal één uur, of met maximaal twee uur indien vóór het extra rijden een onderbreking van 30 minuten was genomen. Tevens wordt de flexibiliteit verbeterd door de bestuurder toe te staan trein- of veerbootreizen van 8 uur of langer te gebruiken voor de normale wekelijkse rusttijden, mits de bestuurder toegang heeft tot een slaapcabine.

 

- In het akkoord wordt het verbod op normale wekelijkse rusttijden in het voertuig gehandhaafd. Verder wordt ernaar gestreefd passende rustomstandigheden voor de bestuurders te garanderen door de Commissie opdracht te geven gedetailleerde normen te ontwikkelen voor veilige en beveiligde parkeerterreinen, d.w.z. door kwaliteitsnormen en een procedure voor de certificering van die parkeerterreinen vast te stellen.

 

- Een nieuw element is dat exploitanten van lichte bedrijfsvoertuigen van meer dan 2,5 ton in het bereik van de verordeningen worden opgenomen. Aangezien bedoelde bepaling alleen geldt voor voertuigen voor professioneel gebruik in het internationale vervoer, is het van toepassing op vervoersactiviteiten die een gelijk speelveld vereisen. Ook wordt de verkeersveiligheid bij het gebruik van dit type voertuigen voor internationaal vervoer voor rekening van derden verder verbeterd.

 

- Om de nieuwe sociale- en internemarktregelgeving op doeltreffende en efficiënte wijze te kunnen handhaven, voorziet het akkoord in de invoering van een nieuwe generatie “slimme” tachografen om de positie van voertuigen die voor grensoverschrijdend vervoer worden gebruikt, beter te kunnen bepalen. Tevens wordt gepleit voor een ambitieus maar realistisch tijdschema voor de invoering van deze nieuwe technologie. Het tijdschema is opgesteld voor zowel nieuwe voertuigen (twee jaar vanaf de datum van goedkeuring van de technische specificaties) als voor de bestaande vloot (aanpassing drie jaar na de datum van vaststelling van de technische specificaties voor alle voertuigen met een andere tachograaf dan een slimme tachograaf van de 1ste generatie; aanpassing vier jaar na de datum van vaststelling van de technische specificaties voor alle voertuigen met een slimme tachograaf van de 1ste generatie).

 

 

5. Aanbeveling

 

Aangezien het standpunt van de Raad in eerste lezing overeenkomt met het in de interinstitutionele onderhandelingen bereikte akkoord, beveelt de rapporteur aan om er zonder verdere wijzigingen mee in te stemmen.

 


PROCEDURE VAN DE BEVOEGDE COMMISSIE

Titel

Wijziging van Verordening (EG) nr. 561/2006 wat betreft de minimumeisen voor maximale dagelijkse en wekelijkse rijtijden, minimumonderbrekingen en dagelijkse en wekelijkse rusttijden, en Verordening (EU) 165/2014 wat betreft positionering door middel van tachografen

Document- en procedurenummers

05114/1/2020 – C9-0104/2020 – 2017/0122(COD)

Datum eerste lezing EP – P-nummer

4.4.2019 T8-0340/2019

Voorstel van de Commissie

COM(2017)0277 - C8-0167/2017

Datum bekendmaking ontvangst standpunt van de Raad in eerste lezing

17.4.2020

Bevoegde commissie

 Datum bekendmaking

TRAN

17.4.2020

 

 

 

Rapporteurs

 Datum benoeming

Henna Virkkunen

18.7.2019

 

 

 

Vervangen rapporteurs

Henna Virkkunen

Behandeling in de commissie

28.4.2020

 

 

 

Datum goedkeuring

8.6.2020

 

 

 

Uitslag eindstemming

+:

–:

0:

33

15

1

Bij de eindstemming aanwezige leden

Magdalena Adamowicz, Andris Ameriks, José Ramón Bauzá Díaz, Izaskun Bilbao Barandica, Marco Campomenosi, Ciarán Cuffe, Jakop G. Dalunde, Johan Danielsson, Andor Deli, Karima Delli, Anna Deparnay-Grunenberg, Ismail Ertug, Gheorghe Falcă, Giuseppe Ferrandino, Mario Furore, Søren Gade, Isabel García Muñoz, Elsi Katainen, Kateřina Konečná, Elena Kountoura, Julie Lechanteux, Bogusław Liberadzki, Peter Lundgren, Benoît Lutgen, Elżbieta Katarzyna Łukacijewska, Marian-Jean Marinescu, Tilly Metz, Giuseppe Milazzo, Cláudia Monteiro de Aguiar, Caroline Nagtegaal, Jan-Christoph Oetjen, Philippe Olivier, Rovana Plumb, Tomasz Piotr Poręba, Dominique Riquet, Dorien Rookmaker, Massimiliano Salini, Sven Schulze, Vera Tax, Barbara Thaler, István Ujhelyi, Petar Vitanov, Elissavet Vozemberg-Vrionidi, Lucia Vuolo, Roberts Zīle, Kosma Złotowski

Bij de eindstemming aanwezige vaste plaatsvervangers

Leila Chaibi, Roman Haider, Henna Virkkunen

Datum indiening

10.6.2020

 


HOOFDELIJKE EINDSTEMMING IN DE BEVOEGDE COMMISSIE

33

+

ECR

Peter Lundgren

GUE/NGL

Leila Chaibi, Kateřina Konečná, Elena Kountoura

ID

Marco Campomenosi, Roman Haider, Julie Lechanteux, Philippe Olivier, Lucia Vuolo

NI

Mario Furore

PPE

Benoît Lutgen, Giuseppe Milazzo, Massimiliano Salini, Sven Schulze, Henna Virkkunen, Elissavet Vozemberg‑Vrionidi

Renew

José Ramón Bauzá Díaz, Izaskun Bilbao Barandica, Søren Gade, Elsi Katainen, Caroline Nagtegaal, Jan‑Christoph Oetjen, Dominique Riquet

S&D

Johan Danielsson, Ismail Ertug, Giuseppe Ferrandino, Isabel García Muñoz, Vera Tax

Verts/ALE

Ciarán Cuffe, Jakop G. Dalunde, Karima Delli, Anna Deparnay‑Grunenberg, Tilly Metz

 

15

-

ECR

Tomasz Piotr Poręba, Roberts Zīle, Kosma Złotowski

NI

Dorian Rookmaker

PPE

Magdalena Adamowicz, Andor Deli, Gheorghe Falcă, Marian‑Jean Marinescu, Barbara Thaler, Elżbieta Katarzyna Łukacijewska

S&D

Andris Ameriks, Bogusław Liberadzki, Rovana Plumb, István Ujhelyi, Petar Vitanov

 

1

0

PPE

Cláudia Monteiro de Aguiar

 

Verklaring van de gebruikte tekens:

+ : voor

- : tegen

0 : onthouding

 

 

[1] PB C 197 van 8.6.2018, blz. 45.

[2] PB C 176 van 23.5.2018, blz. 57.

[3]  Aangenomen teksten van 4.4.2019, P8_TA(2019)0340.

Laatst bijgewerkt op: 24 juni 2020Juridische mededeling - Privacybeleid