Procedure : 2020/2023(INI)
Stadium plenaire behandeling
Documentencyclus : A9-0117/2020

Ingediende teksten :

A9-0117/2020

Debatten :

PV 17/06/2020 - 22
CRE 17/06/2020 - 22

Stemmingen :

Aangenomen teksten :

P9_TA(2020)0152

<Date>{13/06/2020}13.6.2020</Date>
<NoDocSe>A9-0117/2020</NoDocSe>
PDF 589kWORD 227k

<TitreType>VERSLAG</TitreType>

<Titre>over de aanbeveling van het Europees Parlement voor de onderhandelingen betreffende een nieuw partnerschap met het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland</Titre>

<DocRef>(2020/2023(INI))</DocRef>


<Commission>{AFET}Commissie buitenlandse zaken

Commissie internationale handel</Commission>

Rapporteurs: <Depute>Kati Piri, Christophe Hansen</Depute>

(Gezamenlijke commissieprocedure – Artikel 58 van het Reglement)

ONTWERPAANBEVELING VAN HET EUROPEES PARLEMENT
 TOELICHTING
 ADVIES VAN DE BEGROTINGSCOMMISSIE
 ADVIES VAN DE COMMISSIE ECONOMISCHE EN MONETAIRE ZAKEN
 ADVIES VAN DE COMMISSIE INTERNE MARKT EN CONSUMENTENBESCHERMING
 ADVIES VAN DE COMMISSIE VERVOER EN TOERISME
 ADVIES VAN DE COMMISSIE REGIONALE ONTWIKKELING
 ADVIES VAN DE COMMISSIE VISSERIJ
 ADVIES VAN DE COMMISSIE BURGERLIJKE VRIJHEDEN, JUSTITIE EN BINNENLANDSE ZAKEN
 ADVIES VAN DE COMMISSIE CONSTITUTIONELE ZAKEN
 ADVIES VAN DE COMMISSIE VERZOEKSCHRIFTEN
 BRIEF VAN DE COMMISSIE ONTWIKKELINGSSAMENWERKING
 BRIEF VAN DE COMMISSIE BEGROTINGSCONTROLE
 BRIEF VAN DE COMMISSIE WERKGELEGENHEID EN SOCIALE ZAKEN
 BRIEF VAN DE COMMISSIE MILIEUBEHEER, VOLKSGEZONDHEID EN VOEDSELVEILIGHEID
 BRIEF VAN DE COMMISSIE INDUSTRIE, ONDERZOEK EN ENERGIE
 BRIEF VAN DE COMMISSIE LANDBOUW EN PLATTELANDSONTWIKKELING
 BRIEF VAN DE COMMISSIE CULTUUR EN ONDERWIJS
 BRIEF VAN DE COMMISSIE JURIDISCHE ZAKEN
 INFORMATIE OVER DE GOEDKEURING IN DE BEVOEGDE COMMISSIE
 HOOFDELIJKE EINDSTEMMING IN DE BEVOEGDE COMMISSIE

ONTWERPAANBEVELING VAN HET EUROPEES PARLEMENT

voor de onderhandelingen betreffende een nieuw partnerschap met het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland

(2020/2023(INI))

Het Europees Parlement,

 gezien het Verdrag betreffende de Europese Unie (VEU) en het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU), en met name artikel 218, VWEU,

 gezien het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie,

 gezien Besluit (EU, Euratom) 2020/266 van de Raad van 25 februari 2020 houdende machtiging tot het openen van onderhandelingen met het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland over een nieuwe partnerschapsovereenkomst[1] en de richtlijnen die zijn vastgelegd in het bijbehorende addendum inzake de onderhandelingen voor een nieuw partnerschap met het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland, die openbaar zijn gemaakt,

 gezien zijn resoluties van 5 april 2017 over onderhandelingen met het Verenigd Koninkrijk na de kennisgeving van het voornemen van dat land om zich uit de Europese Unie terug te trekken[2], van 3 oktober 2017 over de stand van de onderhandelingen met het Verenigd Koninkrijk[3], van 13 december 2017 over de stand van de onderhandelingen met het Verenigd Koninkrijk[4], van 14 maart 2018 over het kader van de toekomstige betrekkingen tussen de EU en het VK[5], van 18 september 2019 over de stand van zaken van de terugtrekking van het VK uit de Europese Unie[6], van 15 januari 2020 over de uitvoering van en het toezicht op de bepalingen over burgerrechten in het terugtrekkingsakkoord[7], en van 12 februari 2020 over een voorgesteld mandaat voor onderhandelingen over een nieuw partnerschap met het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland[8],

 gezien de ontwerptekst van de overeenkomst inzake het nieuwe partnerschap met het Verenigd Koninkrijk van 18 maart 2020[9],

 gezien zijn wetgevingsresolutie van 29 januari 2020 over het ontwerp van besluit van de Raad betreffende de sluiting van het Akkoord inzake de terugtrekking van het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland uit de Europese Unie en de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie[10],

 gezien het Akkoord inzake de terugtrekking van het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland uit de Europese Unie en de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie[11] (“het terugtrekkingsakkoord”), en de begeleidende politieke verklaring waarin het kader wordt geschetst voor de toekomstige betrekkingen tussen de Europese Unie en het Verenigd Koninkrijk[12] (“de politieke verklaring”),

 gezien de adviezen van de Begrotingscommissie, de Commissie economische en monetaire zaken, de Commissie interne markt en consumentenbescherming, de Commissie vervoer en toerisme, de Commissie regionale ontwikkeling, de Commissie visserij, de Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken, de Commissie constitutionele zaken en de Commissie verzoekschriften,

 gezien de brieven van de Commissie ontwikkelingssamenwerking, de Commissie begrotingscontrole, de Commissie werkgelegenheid en sociale zaken, de Commissie milieubeheer, volksgezondheid en voedselveiligheid, de Commissie industrie, onderzoek en energie, de Commissie landbouw en plattelandsontwikkeling, de Commissie cultuur en onderwijs en de Commissie juridische zaken,

 gezien artikel 114, lid 4, en artikel 54 van zijn Reglement,

 gezien de gezamenlijke vergaderingen van de Commissie buitenlandse zaken en de Commissie internationale handel overeenkomstig artikel 58 van het Reglement,

 gezien het verslag van de Commissie buitenlandse zaken en de Commissie internationale handel (A9-0117/2020),

A. overwegende dat de politieke verklaring de maatstaf voor de onderhandelingen vormt en dat hierin de parameters zijn vastgesteld van een ambitieus, breed, diepgaand en flexibel partnerschap voor de handels- en economische samenwerking op basis van een alomvattende en evenwichtige vrijhandelsovereenkomst, wetshandhaving en strafrecht, buitenlands beleid, veiligheid en defensie en bredere samenwerkingsgebieden; overwegende dat het mandaat van de Europese Unie (EU), dat op 25 februari 2020 door de Raad op basis daarvan is goedgekeurd, het onderhandelingskader vormt waarmee wordt gestreefd naar een sterk en alomvattend partnerschap tussen de EU en het VK, dat een coherente structuur en een algemeen bestuurskader vormt; overwegende dat de EU de gefragmenteerde aanpak van het VK, waarmee het streeft te onderhandelen over een reeks afzonderlijke, op zichzelf staande overeenkomsten, niet zal accepteren;

B. overwegende dat het EU-mandaat gebaseerd is op de richtsnoeren van de Europese Raad van 23 maart 2018 en op de politieke verklaring;

C. overwegende dat er bij de onderhandelingen over het toekomstige partnerschap met het Verenigd Koninkrijk (VK) alleen van uit kan worden gegaan dat het terugtrekkingsakkoord en de drie protocollen daarbij daadwerkelijk en volledig worden uitgevoerd;

D. overwegende dat de EU haar inspanningen en vastberadenheid moet handhaven om een ambitieuze overeenkomst te sluiten zoals duidelijk is bepaald in de politieke verklaring, die op 17 oktober 2019 door beide partijen, waaronder de Britse premier, werd ondertekend, en in het mandaat van de EU; overwegende dat het VK sinds 31 januari 2020 geen lidstaat van de EU meer is;

E. overwegende dat de huidige tijdsdruk bij de onderhandelingen louter het gevolg is van de keuzes van het VK;

F. overwegende dat de toekomstige overeenkomst moet worden ingebed in een algemeen bestuurskader en dat het Hof van Justitie van de EU (HvJ-EU) de enige instantie moet zijn die verantwoordelijk is voor de interpretatie van het EU-recht;

G. overwegende dat de EU-wetgeving tijdens de overgangsperiode nog steeds van toepassing is op en in het VK, op alle beleidsgebieden, met uitzondering van bepalingen van de Verdragen en handelingen die voorafgaand aan de inwerkingtreding van het terugtrekkingsakkoord niet bindend waren voor en in het VK; overwegende dat de Europese Commissie op 14 mei 2020 een inbreukprocedure tegen het VK heeft ingeleid vanwege niet-naleving van de EU-regels inzake het vrije verkeer;

H. overwegende dat de terugtrekking van het VK uit de EU miljoenen burgers zal treffen: VK-burgers die in de EU wonen, reizen of werken, EU-burgers die in het VK wonen, reizen of werken, en ook mensen die geen burger van de EU of het VK zijn;

I. overwegende dat het VK als derde land niet dezelfde rechten en voordelen kan hebben en niet onder dezelfde verplichtingen kan vallen als een lidstaat, en dat de situatie in zowel de EU als het VK daarom aan het eind van de overgangsperiode aanzienlijk zal veranderen; overwegende dat de EU en het VK fundamentele beginselen en waarden delen; overwegende dat in de toekomstige partnerschapsovereenkomst rekening moet worden gehouden met de geografische nabijheid van het VK, de mate van onderlinge verwevenheid en de hoge mate van de bestaande afstemming op en onderlinge afhankelijkheid van de EU-regels; overwegende dat, zoals de EU vanaf het begin duidelijk heeft gemaakt, hoe meer voorrechten en rechten het VK wil krijgen, des te meer verplichtingen daaraan zullen worden gekoppeld;

J. overwegende dat de EU en het VK in de politieke verklaring zijn overeengekomen om in juni 2020 op hoog niveau bijeen te komen om de balans op te maken van de geboekte vooruitgang, teneinde overeenstemming te bereiken over maatregelen om de onderhandelingen over hun toekomstige betrekkingen voort te zetten;

K. overwegende dat de eenheid van de EU en haar lidstaten tijdens de onderhandelingen essentieel is om de belangen van de EU, met inbegrip van die van haar burgers zo goed mogelijk te verdedigen; overwegende dat de EU en haar lidstaten tijdens de onderhandelingen over en goedkeuring van het terugtrekkingsakkoord en daarna eensgezind zijn gebleven; overwegende dat deze eenheid wordt weerspiegeld in de goedkeuring van het onderhandelingsmandaat dat de EU-onderhandelaar en hoofd van de EU-taskforce Michel Barnier heeft gekregen, die op krachtige steun kan rekenen van de EU en haar lidstaten;

L. overwegende dat de EU en het VK in de politieke verklaring zijn overeengekomen dat de toekomstige betrekkingen gebaseerd moeten zijn op gedeelde waarden zoals de eerbiediging en bescherming van de mensenrechten en de fundamentele vrijheden, de democratische beginselen, de rechtsstaat, een op regels gebaseerde internationale orde, met inbegrip van het VN-Handvest en steun voor non-proliferatie, beginselen van ontwapening, vrede en veiligheid, duurzame ontwikkeling en milieubescherming, en dat deze waarden een essentiële voorwaarde zijn voor samenwerking in het kader van de politieke verklaring, die in bindende politieke clausules moeten worden verwoord en ook een kwestie van wederzijds vertrouwen zijn; overwegende dat, terwijl de EU gebonden blijft aan het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, de overeenkomst over de toekomstige betrekkingen afhankelijk moet worden gesteld van de voortdurende inzet van het VK voor de eerbiediging van het kader van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens (EVRM);

M. overwegende dat de COVID-19-pandemie een totaal onverwachte en ongekende nieuwe situatie heeft gecreëerd, die aanzienlijke gevolgen heeft voor het ritme en de efficiëntie van de onderhandelingen tussen de EU en het VK; overwegende dat beide partijen voorbereid moeten zijn op zeer ernstige veranderingen van hun economieën wanneer geen overeenkomst kan worden bereikt, die nog zullen worden verergerd door de COVID-19-pandemie en de verwachte economische gevolgen daarvan; overwegende dat een wereldwijde pandemie en de te verwachten geopolitieke, economische en sociale gevolgen hiervan de noodzaak versterken om de samenwerkingsmechanismen tussen partners en bondgenoten te verbeteren;

Algemene beginselen

1. betreurt dat na vier onderhandelingsronden geen echte vooruitgang is geboekt, met uitzondering van een zeer klein begin op een beperkt aantal gebieden; wijst op de aanzienlijke verschillen in de standpunten van de EU en het VK, onder meer met betrekking tot de reikwijdte en de juridische architectuur van de tekst waarover zal worden onderhandeld; maakt zich ernstig zorgen over de beperkte reikwijdte van het toekomstige partnerschap dat de regering van het VK beoogt, alsook over haar gefragmenteerde aanpak om enkel te onderhandelen over thema’s die in het belang zijn van het VK; herhaalt dat een dergelijke selectieve benadering voor de EU onaanvaardbaar is; wijst erop dat de voorstellen van het VK niet voldoen aan de verbintenissen die het VK is aangegaan in het kader van het terugtrekkingsakkoord en de politieke verklaring, waarmee het VK heeft ingestemd, en dat dit ook geldt voor zijn weigering om te onderhandelen over een overeenkomst inzake veiligheids- en defensieaangelegenheden; 

2. herhaalt dat de EU vasthoudt aan haar standpunt dat gelijktijdig tastbare vooruitgang moet worden geboekt op alle gebieden van de onderhandelingen, met inbegrip van het gelijke speelveld, visserij, interne veiligheid en bestuur, zoals uiteengezet in de politieke verklaring; benadrukt dat alle onderhandelingen ondeelbaar zijn en dat de EU niet te allen prijze een overeenkomst zal goedkeuren, en zeker geen vrijhandelsovereenkomst, zonder degelijke waarborgen voor een gelijk speelveld en een bevredigend akkoord inzake visserij; steunt de Commissie daarom volledig bij het verdedigen van de noodzaak van een alomvattend ontwerpakkoord zoals vanaf het begin voorgesteld door de EU, in plaats van in te stemmen met afzonderlijke overeenkomsten zoals voorgesteld door het VK;

3. dringt erop aan dat alle overeenkomsten inzake de nieuwe betrekkingen tussen de EU en het VK samenhangend zijn en afgestemd zijn op de geografische nabijheid van beide partijen alsook op de hoge mate van verwevenheid van hun economieën;

4. is ingenomen met de bekendmaking van de Britse ontwerpwetgevingsvoorstellen, ondanks de vertraging; merkt op dat veel van deze voorstellen, in tegenstelling tot de bewering van het VK dat het gebruikmaakt van bestaande precedenten, veel verder gaan dan wat de EU in de afgelopen jaren in andere vrijhandelsovereenkomsten is overeengekomen met derde landen; herinnert eraan dat een definitief akkoord gebaseerd moet zijn op een evenwicht tussen rechten en plichten;

5. is ingenomen met het feit dat er een hoge mate van overeenstemming bestaat tussen de onderhandelingsdoelstellingen die zijn verwoord in de resolutie van het Parlement van 12 februari 2020 en in Besluit (EU, Euratom) 2020/266 van de Raad van 25 februari 2020 houdende machtiging tot het openen van onderhandelingen met het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland over een nieuwe partnerschapsovereenkomst[13] (“de onderhandelingsrichtsnoeren”); benadrukt dat de Commissie de volledige steun van het Parlement geniet bij de onderhandelingen met het VK in overeenstemming met de onderhandelingsrichtsnoeren, aangezien alle drie de instellingen het in grote lijnen eens zijn met de doelstellingen die met deze onderhandelingen moeten worden bereikt;

6. is ingenomen met de ontwerptekst van de EU voor de overeenkomst inzake het nieuwe partnerschap met het VK, die op 18 maart 2020 is gepubliceerd en waarin een alomvattende overeenkomst wordt voorgesteld voor een diepgaand en nauw partnerschap, dat niet alleen de vrije handel in goederen en diensten beslaat, maar ook manieren om verstoringen en oneerlijke concurrentievoordelen te voorkomen, met inbegrip van die in verband met de landbouwsector, sanitaire en fytosanitaire normen (SPS) en staatssteun, en om te zorgen voor een gunstig klimaat voor de ontwikkeling van de handel en investeringen;

7. verzoekt de Commissie de onderhandelingen op transparante wijze te blijven voeren omdat dit goed is voor het onderhandelingsproces en voor de burgers en ondernemingen, aangezien zij zich zo beter kunnen voorbereiden op de tijd na de overgangsperiode; dringt er bij de Commissie op aan in dit verband een openbare raadpleging en een permanente dialoog met de sociale partners, het maatschappelijk middenveld en de nationale parlementen te waarborgen; is ingenomen met de praktijk van de Commissie om het Parlement regelmatig en tijdig informatie te verstrekken over de onderhandelingen, en verwacht dat deze praktijk wordt voortgezet, in overeenstemming met de informatie die wordt gedeeld met de lidstaten;

8. herinnert eraan dat elke toekomstige associatieovereenkomst tussen de EU en het VK krachtens artikel 217 VWEU (“de overeenkomst”) strikt in overeenstemming moet zijn met de volgende beginselen:

(i) een derde land mag niet dezelfde rechten en voordelen hebben en hoeft niet dezelfde verplichtingen na te komen als een lidstaat van de EU of een lid van de Europese Vrijhandelsassociatie (EVA) of de Europese Economische Ruimte (EER);

(ii) de bescherming van de volledige integriteit en de goede werking van de interne markt en de douane-unie, met name de ondeelbaarheid van de vier vrijheden, en de mate van samenwerking in de economische pijler moeten in overeenstemming zijn met de verplichtingen die zijn vastgesteld om de mobiliteit van personen te vergemakkelijken, zoals kunnen reizen zonder visum, de mobiliteit van onderzoekers, studenten, tijdelijke dienstverleners en zakelijke reizigers, en samenwerking op het gebied van sociale zekerheid;

(iii) behoud van de autonomie van de besluitvorming van de EU;

(iv) waarborging van de rechtsorde van de EU en van de rol van het HvJ-EU als enige orgaan dat bevoegd is voor de uitlegging van het Unierecht op dit gebied;

(v) blijvende naleving van de democratische beginselen, de mensenrechten en de fundamentele vrijheden, zoals met name omschreven in de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens, het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de bijbehorende protocollen, het Europees Sociaal Handvest, het Statuut van Rome inzake het Internationaal Strafhof en andere internationale mensenrechtenverdragen van de VN en de Raad van Europa, evenals de eerbiediging van het beginsel van de rechtsstaat; herinnert er met name aan dat de toekomstige betrekkingen afhankelijk moeten worden gesteld van de voortdurende inzet van het VK voor de eerbiediging van het kader van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens;

(vi) een gelijk speelveld, onder meer voor het bedrijfsleven, dat moet zorgen voor hoge gelijkwaardige normen op het gebied van sociale, arbeids-, milieu- en consumentenbescherming, de strijd tegen de klimaatverandering, alsook op het gebied van belastings-, mededingings- en staatssteunbeleid, onder meer door middel van een robuust en alomvattend kader voor toezicht op mededinging en staatssteun. Dit gelijk speelveld moet worden gewaarborgd door doeltreffende mechanismen voor geschillenbeslechting en handhaving, onder meer met betrekking tot het hoofdstuk inzake handel en duurzame ontwikkeling; herinnert er met name aan dat een toekomstige overeenkomst volledig afhankelijk moet worden gesteld van de eerbiediging van de Overeenkomst van Parijs, die is aangenomen in het kader van het Raamverdrag van de Verenigde Naties inzake klimaatverandering (de “Overeenkomst van Parijs”);

(vii) het voorzorgsbeginsel, het beginsel dat milieuaantasting bij voorrang aan de bron bestreden moet worden, en het beginsel dat de vervuiler betaalt;

(viii) vrijwaring van de overeenkomsten van de EU met derde landen en internationale organisaties, met inbegrip van de EER-overeenkomst, met behoud van het algemene evenwicht van deze betrekkingen;

(ix) waarborging van de financiële stabiliteit van de EU en de naleving en toepassing van haar stelsel inzake regulering en toezicht, en van de normen op dit gebied;

(x) een deugdelijk evenwicht van rechten en plichten, inclusief waar nodig passende financiële bijdragen;

(xi) de garantie van een goed en eerlijk resultaat voor alle lidstaten dat in het belang is van onze burgers;

9. onderstreept dat de hoofdonderhandelaar van de EU kan rekenen op de volledige en niet-aflatende steun van het Parlement bij het volhouden dat waarborgen voor een gelijk speelveld een cruciaal onderdeel van elke overeenkomst met het VK zijn en dat dit geen dogmatisme of ideologie van de EU is, maar een voorwaarde voor het vaststellen van een ambitieus en evenwichtig partnerschap met het VK en de instandhouding van het concurrentievermogen van de interne markt en EU-ondernemingen, evenals voor het handhaven en in de toekomst ontwikkelen van hoge niveaus van sociale, milieu- en consumentenbescherming;

10. eerbiedigt in dit opzicht de soevereiniteit van het VK, die de EU niet wil ondermijnen in het kader van de huidige onderhandelingen; herinnert er echter aan dat het VK nooit gelijk zal zijn aan andere derde landen vanwege zijn status als voormalige EU-lidstaat, de huidige volledige afstemming van de regelgeving en de aanzienlijke omvang van de handel tussen beide partijen, evenals de geografische nabijheid van de EU, die allemaal de noodzaak verklaren van sterke en robuuste bepalingen inzake een gelijk speelveld in de overeenkomst;

11. benadrukt dat de EU haar inspanningen moet voortzetten en zich moet blijven inzetten voor de sluiting van een overeenkomst, zoals zij altijd heeft aangegeven in de politieke verklaring en de onderhandelingsrichtsnoeren, ten aanzien van de volgende onderdelen: handels- en economische samenwerking, wetshandhaving en justitiële samenwerking in strafzaken, buitenlands beleid, veiligheid en defensie, en thematische samenwerkingsgebieden zoals de samenwerking op het gebied van duurzame ontwikkeling; dringt aan op een pragmatische en redelijke aanpak van beide partijen;

12. benadrukt dat het belangrijk is om volledig voorbereid te zijn op de terugtrekking van het VK uit de interne markt en de douane-unie aan het eind van de overgangsperiode, ongeacht het resultaat van de onderhandelingen; benadrukt dat de gevolgen nog ernstiger zullen zijn als er geen overeenstemming wordt bereikt; wijst er evenwel op dat de EU klaar is voor beide scenario’s;

13. is in dit verband ingenomen met de sectorspecifieke “gereedheidsmededelingen” van de Commissie, die ervoor moeten zorgen dat het bedrijfsleven in de EU klaar is voor de onvermijdelijke schok die de terugtrekking van het VK uit de interne markt teweeg zal brengen; dringt er bij de Commissie en de lidstaten op aan hun inspanningen op te voeren om de burgers en ondernemingen in de EU volledig te informeren over het risico dat de overgangsperiode verstrijkt voordat een overeenkomst is bereikt, om een passende voorbereiding op een dergelijke situatie mogelijk te maken;

14. benadrukt dat het belangrijk is de paraatheid en de noodmaatregelen ruim vóór het einde van de overgangsperiode te vergroten en naar behoren te financieren, met name voor het geval de onderhandelingen zouden vastlopen; onderstreept dat deze noodmaatregelen tijdelijk en unilateraal moeten zijn;

15. herhaalt zijn steun voor de onderhandelingsrichtsnoeren waarin is bepaald dat Gibraltar geen deel uitmaakt van het territoriale toepassingsgebied van de te sluiten overeenkomsten tussen de EU en het VK, en dat voor een eventuele afzonderlijke overeenkomst de voorafgaande goedkeuring van het Koninkrijk Spanje vereist is;

16. benadrukt het belang van de uitvoering van de bepalingen uit hoofde van het Protocol inzake Gibraltar met betrekking tot grensarbeiders, belastingheffing, het milieu en de visserij; verzoekt de Spaanse regering en de regering van het VK te waarborgen dat een zodanige samenwerking tot stand wordt gebracht dat deze kwesties kunnen worden aangepakt;

17. herinnert eraan dat het Gemengd Comité overeenkomstig artikel 132 van het terugtrekkingsakkoord een besluit kan vaststellen om de overgangsperiode na 31 december 2020 te verlengen;

Tenuitvoerlegging van het terugtrekkingsakkoord

18. herinnert eraan dat het wettelijk bindend terugtrekkingsakkoord het instrument is voor de uitvoering van de regelingen voor een ordelijke terugtrekking van het VK uit de EU, dat er niet opnieuw kan worden onderhandeld over het akkoord, en dat het enige doel van het Gemengd Comité EU-VK erin bestaat toezicht te houden op de uitvoering ervan; benadrukt dat de effectieve uitvoering van het terugtrekkingsakkoord als voorwaarde geldt voor, en een basiselement vormt om het vertrouwen te garanderen dat nodig is voor de succesvolle sluiting van een overeenkomst met het VK, en ook een lakmoesproef is voor de goede trouw die het VK voor het onderhandelingsproces heeft toegezegd;

19. dringt erop aan dat er zo spoedig mogelijk tastbare vooruitgang wordt geboekt en dat er solide garanties zijn dat het VK het terugtrekkingsakkoord vóór het einde van de overgangsperiode daadwerkelijk en in zijn geheel zal uitvoeren; benadrukt dat het toezicht op de uitvoering ervan een integrerend deel uitmaakt van de werkzaamheden van het Parlement, en herhaalt dat het Parlement overeenkomstig artikel 218, lid 10, VWEU, onmiddellijk en volledig op de hoogte moet worden gehouden van alle besprekingen en besluiten van het Gemengd Comité, en dat het waakzaam zal blijven en zijn prerogatieven volledig zal uitoefenen; herinnert in dit verband aan de toezegging van de voorzitter van de Europese Commissie tijdens de plenaire vergadering van het Parlement van 16 april 2019, alsook aan de verplichtingen die voortvloeien uit Besluit (EU) 2020/135 van de Raad van 30 januari 2020; verzoekt de medevoorzitters van het Gemengd Comité om burgers en maatschappelijke organisaties actief te betrekken bij zijn beraadslagingen;

20. wijst erop dat het terugtrekkingsakkoord voorziet in wederzijdse bescherming voor EU-burgers en burgers van het VK, evenals voor hun gezinsleden, en dat zij alle noodzakelijke informatie moeten krijgen met betrekking tot hun rechten en de stappen die zij moeten nemen om in hun land van vestiging te kunnen blijven wonen en werken, en binnen en naar hun land van vestiging te kunnen blijven reizen; herinnert eraan dat burgers voor wie de terugtrekking van het VK gevolgen heeft, zich moeten kunnen beroepen op tijdige en betrouwbare informatie over hun rechten en status, en dringt er bij zowel de lidstaten als het VK op aan prioriteit te geven aan deze kwestie;

21. herhaalt dat de rechten van burgers een absolute prioriteit blijven en is vastbesloten ervoor te zorgen dat deze rechten van zowel EU-burgers als burgers van het VK en van hun gezinnen uit hoofde van het terugtrekkingsakkoord gewaarborgd zijn; dringt er bij de EU en het VK op aan te streven naar een hoog niveau van mobiliteitsrechten in de toekomstige overeenkomst; betreurt het dat het VK tot dusver weinig ambitie aan de dag heeft gelegd met betrekking tot de mobiliteit van burgers, waarvan het VK en zijn burgers in het verleden hebben geprofiteerd;

22. uit zijn bezorgdheid over berichten dat EU-burgers die een voorlopige verblijfsstatus hebben de toegang tot sociale uitkeringen in het VK is ontzegd als gevolg van bureaucratische obstakels; benadrukt dat dergelijke situaties neerkomen op onrechtmatige discriminatie en ernstige gevolgen hebben, met name in tijden van grote economische en sociale onzekerheid;

23. benadrukt dat EU-burgers in het VK grote problemen ondervinden bij het verkrijgen van een vaste status, onder meer als gevolg van de COVID-19-pandemie; vindt dat het aantal gevallen waaraan een voorlopige verblijfsstatus is toegekend naar verhouding veel te hoog is ten opzichte van het aantal gevallen waaraan een vaste verblijfsstatus is toegekend; vraagt het Britse Ministerie van Binnenlandse Zaken met klem zich flexibel op te stellen wat betreft de aanvaarding van documenten die als bewijs moeten dienen dat aanvragers, zoals vereist, ten minste vijf jaar in het land hebben gewoond; is eveneens bezorgd over het feit dat aan de aanvragers geen fysiek bewijs wordt verstrekt van de status die aan hen is toegekend;

24. verzoekt de partijen toe te zien op de strikte tenuitvoerlegging van het Protocol inzake Ierland/Noord-Ierland, aangezien dit als voorwaarde geldt voor de succesvolle sluiting van een toekomstige overeenkomst; herinnert eraan dat dit protocol is ontworpen en goedgekeurd om het vredesproces te eerbiedigen en het Goede Vrijdagakkoord te handhaven, waarbij de afwezigheid van een harde grens op het eiland Ierland wordt gewaarborgd en tegelijkertijd de integriteit van de interne markt wordt beschermd, en dat het van cruciaal belang is voor het bedrijfsleven, met name de agrovoedingssector, voor de bescherming van burgers en het milieu en voor de biodiversiteit; benadrukt dat het vrije verkeer van EU-burgers en het vrije verkeer van diensten op het eiland Ierland belangrijk zijn om de schade aan de economie van het hele eiland te beperken, en wijst erop dat deze kwestie in een toekomstige overeenkomst moet worden opgenomen; dringt er bij de autoriteiten van het VK op aan ervoor te zorgen dat de rechten van de burgers in Noord-Ierland niet worden ingeperkt;

25. uit zijn bezorgdheid over het feit dat uit de openbare uitspraken van de regering van het VK een gebrek aan politieke wil blijkt om haar juridische verbintenissen op grond van het terugtrekkingsakkoord, namelijk die met betrekking tot grenscontroles in de Ierse Zee, volledig na te komen;

26. brengt in herinnering dat er voor het einde van de overgangsperiode belangrijke besluiten moeten worden genomen door het Gemengd Comité EU-VK over de tenuitvoerlegging van het Protocol inzake Ierland/Noord-Ierland;

27. hoopt dat de EU en het VK overeenstemming kunnen bereiken over alle institutionele afspraken, onder meer over de oprichting van een technisch bureau van de Europese Commissie in Belfast, ondanks de herhaalde weigering van de autoriteiten van het VK om toestemming te verlenen voor het openen van een dergelijk bureau; benadrukt dat het VK een gedetailleerd tijdschema moet presenteren en de nodige maatregelen moet nemen, zoals de voorbereiding van de uitvoering van het douanewetboek van de Unie en de invoering van douaneprocedures voor goederen die Noord-Ierland binnenkomen vanuit Groot-Brittannië, en ervoor zorgen dat alle nodige sanitaire en fytosanitaire controles en andere regelgevingscontroles kunnen worden uitgevoerd voor goederen die van buiten de EU Noord-Ierland binnenkomen, wat ook noodzakelijk is om duidelijkheid te scheppen voor het bedrijfsleven; 

28. benadrukt het belang van duidelijke regelgeving, transparante uitvoering en doeltreffende controlemechanismen om systeemrisico’s voor btw- en douanefraude, illegale handel (smokkel) of andere vormen van frauduleus misbruik van een potentieel onduidelijk rechtskader te voorkomen, onder meer door het verhoogde risico op onjuiste oorsprongsverklaringen en goederen die niet bestemd zijn voor de interne markt; verzoekt de Commissie regelmatig efficiënte controles uit te voeren en regelmatig verslag uit te brengen aan het Parlement over de situatie met betrekking tot de grenscontroles;

29. merkt op dat de term “goederen waarvan het risico bestaat dat die vervolgens naar de Unie worden gebracht”, zoals bedoeld in artikel 5 van het Protocol inzake Ierland/Noord-Ierland, afhankelijk is van latere besluiten van het Gemengd Comité, en dringt erop aan dat die besluiten onder de controle van het Europees Parlement vallen; vraagt volledig op de hoogte te worden gehouden van de toepassing van dat artikel en van eventuele voorstellen voor besluiten van het Gemengd Comité met betrekking tot de toepassing van dat artikel, zoals het opstellen van specifieke criteria op basis waarvan wordt besloten of goederen “een risico inhouden”, of van eventuele wijzigingen van eerdere door het Gemengd Comité genomen besluiten;

30. herinnert eraan dat het Verenigd Koninkrijk tot het eind van de overgangsperiode verplicht is onder meer bij te dragen aan de financiering van het Europees Defensieagentschap, het Instituut voor veiligheidsstudies van de Europese Unie en het Satellietcentrum van de Europese Unie, en aan de kosten van operaties in het kader van het gemeenschappelijk veiligheids- en defensiebeleid (GVDB) waar het aan deelneemt;

31. onderstreept dat het VK alle beperkende maatregelen en sancties van de EU ten uitvoer moet leggen die van kracht zijn of waartoe tijdens de overgangsperiode wordt besloten, de verklaringen en standpunten van de EU in derde landen en internationale organisaties moet ondersteunen en per geval moet kunnen deelnemen aan militaire operaties en civiele missies van de EU die zijn vastgesteld in het kader van het GVDB, zij het zonder leidende capaciteit, in het kader van een nieuwe deelnamekaderovereenkomst, met inachtneming van de besluitvormingsautonomie van de EU en de toepasselijke EU-besluiten en wetgeving, onder meer op het gebied van overheidsopdrachten en overdrachten op het gebied van defensie; verklaart dat deze samenwerking afhankelijk is van volledige naleving van het internationaal recht inzake de mensenrechten en het internationaal humanitair recht en de grondrechten van de EU;

Economisch partnerschap

Handel

32. stelt vast dat het Verenigd Koninkrijk ervoor heeft gekozen zijn toekomstige economische en handelspartnerschap met de EU vast te stellen op basis van een “brede vrijhandelsovereenkomst”, zoals vastgelegd in het op 27 februari 2020 door de Britse regering gepubliceerde document getiteld “The Future Relationship with the EU – The UK’s Approach to Negotiations” (De toekomstige betrekkingen met de EU – De onderhandelingsaanpak van het Verenigd Koninkrijk); benadrukt dat het Europees Parlement weliswaar positief staat tegenover constructieve onderhandelingen van de EU met het oog op een evenwichtige, ambitieuze en alomvattende vrijhandelsovereenkomst met het Verenigd Koninkrijk, maar dat een vrijhandelsovereenkomst vanwege zijn aard nooit kan neerkomen op “soepele” handel; is het eens met het in de onderhandelingsrichtsnoeren opgenomen en door alle 27 EU-lidstaten goedgekeurde standpunt dat het toepassingsgebied en de ambitie van een vrijhandelsovereenkomst die de EU zou kunnen aanvaarden, afhankelijk wordt gesteld van en direct moet worden gekoppeld aan de voorwaarde dat het Verenigd Koninkrijk instemt met omvattende, bindende en afdwingbare bepalingen met betrekking tot een gelijk speelveld, gezien de geografische nabijheid, de onderlinge economische afhankelijkheid en verbondenheid, de integratie van de markten, alsmede van de sluiting van een bilaterale visserijovereenkomst, als een integrerend onderdeel van het partnerschap; wijst er nogmaals op dat er geen handelsovereenkomst tussen de EU en het Verenigd Koninkrijk kan worden gesloten als hierin geen afspraken worden opgenomen over een volledige, duurzame, evenwichtige langetermijnovereenkomst inzake visserij, die voor het eind van de overgangsperiode wordt goedgekeurd en waarin wordt geregeld dat de betrokken partijen onder optimale voorwaarden toegang blijven krijgen tot elkaars wateren, rijkdommen en markten, overeenkomstig de beginselen van het gemeenschappelijk visserijbeleid (GVB);

33. merkt op dat ondanks het feit dat het Verenigd Koninkrijk stelt zich te baseren op bestaande precedenten, een groot aantal ontwerpwetsvoorstellen van het Verenigd Koninkrijk veel verder gaat dan andere door de EU in de afgelopen jaren overeengekomen vrijhandelsovereenkomsten met derde landen, bijvoorbeeld waar het financiële diensten betreft, de wederzijdse erkenning van beroepskwalificaties en conformiteitsbeoordelingen, de gelijkwaardigheid van de sanitaire en fytosanitaire regelingen, of de cumulatie van de oorsprongsregels; steunt het systeem van bilaterale cumulatie, dat het meest geschikt is aangezien het de integratie bevordert tussen de EU en het Verenigd Koninkrijk, veeleer dan met de derde landen waarmee de EU vrijhandelsovereenkomsten heeft afgesloten, en voorziet in een ad-hocmechanisme tegen “swap”-risico’s[14];

34. betreurt in dit opzicht ten zeerste dat het Verenigd Koninkrijk tot dusver heeft geweigerd, ondanks de toezegging die het had gedaan in de politieke verklaring, zich te buigen over bijvoorbeeld overheidsopdrachten, zeevervoer, alsook de bescherming van toekomstige geografische aanduidingen, met name omdat het Verenigd Koninkrijk sommige van deze onderwerpen wel had opgenomen in zijn onderhandelingsmandaten met de Verenigde Staten en Japan; betreurt voorts dat het Verenigd Koninkrijk tot dusver geen voorstel over kleine en middelgrote ondernemingen (kmo’s) heeft ingediend;

35. herinnert eraan dat de voortdurende gezamenlijke inzet voor een doelstelling van nulquota en nultarieven voor de handelsrelatie een essentiële voorwaarde blijft voor de tijdige sluiting van een overeenkomst binnen het extreem korte tijdsbestek dat het Verenigd Koninkrijk zelf voor deze onderhandelingen heeft bepaald, met name omdat in het verleden duidelijk is gebleken dat onderhandelingen waarbij tarieflijnen een voor een werden behandeld soms wel jaren kunnen duren; spreekt zijn bezorgdheid uit over het voornemen van de regering van het Verenigd Koninkrijk om van deze doelstelling af te stappen; wijst erop dat landbouwproducten waarschijnlijk het zwaarst zouden worden getroffen, aangezien de resterende niet-nultarieflijnen in vrijhandelsovereenkomsten doorgaans betrekking hebben op de landbouwsector; herhaalt in dit opzicht dat dit niets verandert aan de EU-eis van krachtige voorwaarden voor een gelijk speelveld, ongeacht of alle of een deel van de tarieflijnen wordt geschrapt; herhaalt dat in de bepalingen betreffende een gelijk speelveld ecologische, sociale en werkgelegenheidsnormen op lange termijn op een hoog equivalent niveau moeten worden gehandhaafd, waarbij vertrouwd wordt op passende en relevante EU- en internationale normen, en met inbegrip van passende mechanismen om een doeltreffende binnenlandse uitvoering te waarborgen, en met inbegrip van een solide en alomvattend kader voor concurrentie en staatssteun dat ongepaste verstoringen van het handelsverkeer en de concurrentie moet voorkomen, in plaats van uitsluitend naar subsidies te verwijzen, zoals het Verenigd Koninkrijk helaas doet;

36. moedigt de Commissie er in dit verband toe aan om de door deze onderhandelingen veroorzaakte dynamiek aan te grijpen om het concurrentievermogen van Europese ondernemingen en kmo’s te vergroten; benadrukt dat met de overeenkomst in zo nauw mogelijke samenwerking getracht moet worden toegang tot de markt en handelsbevordering mogelijk te maken om verstoringen van het handelsverkeer zo veel mogelijk te beperken; spoort de partijen ertoe aan om contactpunten voor kmo’s op te zetten en dringt in het algemeen aan op een stabiel, transparant en voorspelbaar rechtskader dat geen onevenredige belasting voor kmo’s met zich meebrengt;

37. benadrukt dat onderhandelingen voor een vrijhandelsovereenkomst die werkelijk de belangen van de EU dient, zich moeten richten op de verwezenlijking van de doelstellingen die zijn vastgelegd in de resolutie van het Parlement van 12 februari 2020 en met name paragraaf 14 daarvan, waarvan de bepalingen nog steeds volledig van kracht zijn; benadrukt daarenboven dat de volgende onderwerpen moeten worden behandeld:

(i) wederzijds voordelige markttoegang voor goederen, diensten, overheidsopdrachten, erkenning van beroepskwalificaties en productvoorschriften; onderstreept bovendien de noodzaak van stabiele, betrouwbare en duurzame waardeketens; 

(ii) beoordeling door de Commissie van de noodzaak van vrijwaringsclausules ter bescherming van de integriteit en stabiliteit van de interne markt van de EU tegen onder meer plotse stijgingen van de invoer, fraude met en omzeiling van maatregelen ter bescherming van de handel; 

(iii) verbintenissen inzake antidumping- en compenserende maatregelen die waar nodig verder gaan dan de regels van de Wereldhandelsorganisatie (WTO) op dit gebied, en verbintenissen en handhavingsmogelijkheden met betrekking tot concurrentie en staatssteun;

(iv) regels inzake de ontwikkeling en vergemakkelijking van digitale handel, die ongerechtvaardigde belemmeringen voor elektronische handel (inclusief eisen inzake gegevenslokalisatie) wegnemen, de regelgevingsautonomie van de EU handhaven en een open, veilige en betrouwbare online-omgeving voor bedrijven en consumenten waarborgen, op voorwaarde dat de onlinedetailhandelaren in het Verenigd Koninkrijk voldoen aan de relevante internemarktregels en op voorwaarde dat het Verenigd Koninkrijk een beschermingsniveau biedt dat in wezen overeenkomt met het door het rechtskader van de EU geboden beschermingsniveau, onder meer met betrekking tot verdere doorgifte aan derde landen;

(v) het baseren van alle SPS-maatregelen op risicobeoordelingen, met volledige inachtneming van het voorzorgsbeginsel;

(vi) over de in het terugtrekkingsakkoord verankerde bescherming van geografische aanduidingen (GA’s) kan niet worden onderhandeld; de toekomstige overeenkomst moet ook de na het einde van de overgangsperiode geregistreerde GA’s beschermen en handhaven;

(vii) opname van robuuste prudentiële uitzonderingsregelingen, om wettelijke garanties te bieden voor het recht van beide partijen om regels op te stellen in het openbaar belang;

(viii) herhaalt dat de gevolgen van de terugtrekking van het Verenigd Koninkrijk uit de EU op het vlak van gendergelijkheid moeten in aanmerking worden genomen, onder meer door een gelijk speelveld te verzekeren voor EU-maatregelen om de rol van vrouwen in de economie te beschermen en te bevorderen, bijvoorbeeld in de vorm van maatregelen ter bestrijding van de loonkloof tussen mannen en vrouwen;

(ix) verwezenlijking van de langetermijnklimaatdoelstellingen;

(x) verzoekt de Commissie en de lidstaten alle noodzakelijke voorbereidingen en maatregelen te treffen voor het geval het terugtrekkingsakkoord komt te vervallen zonder overeenkomst voor de toekomstige betrekkingen, en in het zonder de handels- en economische betrekkingen, die in werking treedt op 1 januari 2021, met inbegrip van noodmaatregelen om de schade voor getroffen werknemers en bedrijven zo veel mogelijk te beperken;

(xi) verzoekt de Commissie maatregelen voor te stellen die de gevolgen voor handelspartners van de Unie in derde landen, in het bijzonder ontwikkelingslanden, moeten beperken indien er geen overeenkomst met het Verenigd Koninkrijk wordt bereikt, aangezien de Britse invoer mogelijk een aanzienlijk deel van hun uitvoer naar de Europese Unie heeft uitgemaakt;

Gelijk speelveld

38. betreurt de onderhandelingspositie van het Verenigd Koninkrijk ten opzichte van de EU, waarbij tot nu toe geen gedetailleerde onderhandelingen over een gelijk speelveld zijn gevoerd; wijst erop dat dit standpunt niet in overeenstemming is met paragraaf 77 van de door de EU en het Verenigd Koninkrijk ondertekende politieke verklaring; dringt er derhalve bij de regering van het Verenigd Koninkrijk op aan zijn onderhandelingspositie onverwijld te herzien en zich constructief op te stellen in de onderhandelingen over een gelijk speelveld, aangezien het Europees Parlement verplicht is zijn goedkeuring te verlenen aan een handelsovereenkomst met het Verenigd Koninkrijk;

39. herhaalt dat, gezien de geografische nabijheid en de economische interdependentie van het Verenigd Koninkrijk met de EU, de breedte en de diepte van de overeenkomst over een gelijk speelveld van essentieel belang zal zijn voor het bepalen van de omvang van de algemene toekomstige betrekkingen tussen de EU en het Verenigd Koninkrijk; is daarom van mening dat er voor een gelijk speelveld moet worden gezorgd, dat overeenstemt met het ambitie- en liberaliseringsniveau van de overeenkomst voor convergentie van de regelgeving in lijn met de politieke verklaring, en dat de EU-normen moeten worden gewaarborgd als een voorwaarde om een “race naar de bodem” te voorkomen, evenals maatregelen met ongerechtvaardigde en onevenredig schadelijke gevolgen voor de handelsstromen, met het oog op een dynamische aanpassing; ook met betrekking tot staatssteun; benadrukt dat ervoor moet worden gezorgd dat het Verenigd Koninkrijk geen oneerlijk concurrentievoordeel krijgt door lager te gaan dan het vastgestelde beschermingsniveau en dat regelgevingsarbitrage door de marktdeelnemers moet worden voorkomen;

40. onderstreept nogmaals zijn vastberadenheid om in het kader van de toekomstige betrekkingen tussen de EU en het Verenigd Koninkrijk dumping in welke vorm dan ook te voorkomen; wijst erop dat een belangrijk resultaat van de onderhandelingen moet bestaan in de garantie van een gelijk speelveld, met als doel het concurrentievermogen, hoge sociale normen en duurzaamheidsnormen, onder meer in het kader van de strijd tegen de klimaatverandering, en de rechten van burgers en werknemers in de toekomst te behouden door middel van kordate verbintenissen, afdwingbare bepalingen en non-regressieclausules met het oog op een dynamische aanpassing op de volgende gebieden:

(i) concurrentie en staatssteun, alsook eventuele andere algemene of sectorspecifieke regulerende maatregelen, die ongepaste verstoringen van het handelsverkeer en de concurrentie moeten voorkomen en bepalingen inzake staatsbedrijven en bepalingen inzake maatregelen ter ondersteuning van de landbouwproductie moeten bevatten;

(ii) relevante belastingkwesties, waaronder de bestrijding van belastingontduiking en -ontwijking en het witwassen van geld, terrorismefinanciering alsmede financiële diensten;

(iii) volledige eerbiediging van de sociale en arbeidsnormen van het sociale model van de EU (met inbegrip van gelijkwaardige beschermingsniveaus en waarborgen tegen sociale dumping), ten minste op het huidige hoge niveau dat door de bestaande gemeenschappelijke normen wordt geboden;

(iv) milieubescherming en normen in verband met klimaatverandering, een verbintenis om de Klimaatovereenkomst van Parijs doeltreffend te blijven uitvoeren, en de bevordering van de doelstellingen van de VN inzake duurzame ontwikkeling (SDG’s);

(v) een hoog niveau van consumentenbescherming, onder meer met betrekking tot de sanitaire kwaliteit van producten in de voedingssector;

(vi) duurzame ontwikkeling;

41. wijst erop dat die bepalingen ervoor moeten zorgen dat de normen niet worden verlaagd, en zowel de EU als het Verenigd Koninkrijk in staat moeten stellen hun verbintenissen in de loop van de tijd te wijzigen om strengere normen vast te stellen of bijkomende gebieden op te nemen, met volledige inachtneming van het evenredigheids- en het noodzakelijkheidsbeginsel; benadrukt bovendien dat de verbintenissen en bepalingen afdwingbaar moeten zijn door middel van autonome tijdelijke maatregelen, een robuust mechanisme voor geschillenbeslechting op alle gebieden, en rechtsmiddelen, inclusief rechterlijk toezicht, om de Unie in staat te stellen als laatste redmiddel sancties te treffen, onder meer in verband met duurzame ontwikkeling met het oog op een dynamische aanpassing; onderstreept dat een gelijk speelveld een horizontaal mechanisme vereist, bijvoorbeeld een algemeen bestuurskader dat alle gebieden van samenwerking bestrijkt;

42. benadrukt met name de non-regressieclausules op de volgende gebieden: (i) arbeidsgrondrechten; (ii) normen voor gezondheid en veiligheid op het werk; (iii) billijke arbeidsvoorwaarden en arbeidsnormen; (iv) informatie- en raadplegingsrechten op bedrijfsniveau; en (v) herstructurering;

43. is van mening dat de strijd tegen de klimaatverandering, het tot staan brengen en ombuigen van het verlies aan biodiversiteit, de bevordering van duurzame ontwikkeling, het milieu en belangrijke gezondheidskwesties essentiële onderdelen van het beoogde partnerschap moeten zijn; merkt op dat de Commissie zich er in haar mededeling over de Europese Green Deal toe heeft verbonden de eerbiediging van de Overeenkomst van Parijs tot een essentieel onderdeel te maken van alle toekomstige omvattende handelsovereenkomsten;

44. benadrukt dat een aanpassingsclausule (“ratchet clause”) voor toekomstige beschermingsniveaus niet volstaat, aangezien die niet voorziet in een gelijk speelveld of stimulansen om de ambitieniveaus te verhogen; is overigens van mening dat indien de EU of het Verenigd Koninkrijk haar/zijn niveau van klimaat- of milieubescherming verhoogt, de andere partij ervoor moet zorgen dat haar normen en doelstellingen ten minste een gelijkwaardig niveau van klimaat- of milieubescherming bieden;

45. is er stellig van overtuigd dat het Verenigd Koninkrijk zich moet houden aan de zich binnen het acquis van de Unie en wereldwijd ontwikkelende normen op het gebied van belasting, antiwitwaswetgeving en terrorismefinanciering, met inbegrip van fiscale transparantie, de uitwisseling van informatie in belastingzaken en maatregelen tegen belastingontwijking, om een vruchtbare en op vertrouwen gebaseerde wederzijdse samenwerking te garanderen, en dat het de situaties moet aanpakken van zijn overzeese gebieden, de zones die onder zijn soevereiniteit vallen en zijn direct van de Kroon afhankelijke gebieden, en het feit dat deze de EU-criteria inzake goed bestuur en de EU-vereisten inzake transparantie niet naleven, in het bijzonder wat betreft de uitwisseling van informatie over belasting, belastingtransparantie, rechtvaardige belastingheffing, maatregelen tegen belastingontwijking en de normen van de OESO tegen grondslaguitholling en winstverschuiving; verzoekt de EU en het Verenigd Koninkrijk voorts vast te houden aan de normen van de Financiële-actiegroep; herinnert in verband met Gibraltar aan de onderhandelingsrichtsnoeren en de bepalingen die zijn geformuleerd in de ontwerpwettekst van de EU;

46. herhaalt de noodzaak om hoge normen, duidelijke traceerbaarheid, inspectiediensten van hoge kwaliteit en een gelijk speelveld te handhaven op het gebied van geneesmiddelen, medische hulpmiddelen, voedselveiligheid en etikettering, de gezondheid van dieren en planten, dierenwelzijn, en beleidsmaatregelen en normen op veterinair en fytosanitair gebied en op milieugebied;

47. verzoekt de Commissie te waarborgen dat bestaande en toekomstige beginselen en instrumenten in het kader van het sociale, milieu- en klimaatbeleid van de EU (bijvoorbeeld antidumpingmaatregelen, het Europees industrieel beleid, wetgeving in verband met de zorgvuldigheidsplicht, de EU- taxonomie voor duurzame investeringen, het beginsel “geen schade berokkenen”, het mechanisme voor koolstofcorrectie aan de grens, bekendmakingen in verband met duurzaamheid in de financiëledienstensector) niet juridisch kunnen worden betwist in het kader van de vrijhandelsovereenkomst tussen de EU en het Verenigd Koninkrijk noch in andere toekomstige handelsovereenkomsten;

Specifieke sectorale kwesties en thematische samenwerking

Interne markt

48. benadrukt dat toegang tot de interne markt van de EU alleen mogelijk is indien de EU-wetgeving betreffende de interne markt volledig in acht wordt genomen;

49. onderstreept dat dynamische onderlinge aanpassing van de regelgeving en bepalingen inzake robuust markttoezicht die helpen garanderen dat de productregels in acht worden genomen, onder meer op het gebied van de veiligheid en traceerbaarheid van producten, en die bijdragen tot de garantie van rechtszekerheid voor EU-bedrijven en een hoog niveau van bescherming voor EU-consumenten, een essentieel en onvervangbaar onderdeel moeten uitmaken van een toekomstige overeenkomst die is gericht op het tot stand brengen van een gelijk speelveld;

50. herhaalt dat een nieuwe overeenkomst sowieso betekent dat goederen aan douanecontroles en -verificaties zullen worden onderworpen vooraleer ze tot de interne markt kunnen worden toegelaten, en beklemtoont dat het essentieel is erop toe te zien dat goederen aan de regels van de interne markt voldoen;

51. onderstreept dat het belangrijk is nauwe en gestructureerde samenwerking te onderhouden inzake regelgevings- en toezichtkwesties, zowel op het politieke als het technische niveau en hierbij het regelgevingskader en de beslissingsautonomie van de EU te eerbiedigen;

52. benadrukt het belang van wederzijdse regelingen voor de erkenning van kwalificaties en diploma’s, en spoort beide partijen en in het bijzonder hun autoriteiten en beroepsorganisaties ertoe aan aanvullende gezamenlijke aanbevelingen betreffende de erkenning van beroepskwalificaties uit te werken en beschikbaar te stellen, met name in de context van de Partnerschapsraad;

Financiële diensten

53. is van mening dat de toekomstige overeenkomst specifieke bepalingen moet bevatten over samenwerking tussen de Europese toezichthoudende autoriteiten en de financiële toezichthoudende autoriteiten van het Verenigd Koninkrijk, met als doel de aanpassing op het vlak van regelgeving te bevorderen, toezichtkwesties en goede praktijken te delen, goede samenwerking te waarborgen en geïntegreerde kapitaalmarkten te behouden;

54. herinnert eraan dat paspoortrechten, die gebaseerd zijn op wederzijdse erkenning en geharmoniseerde prudentiële regels en toezichtsconvergentie in de interne markt, na het einde van de overgangsperiode niet langer van toepassing zullen zijn tussen de EU en het Verenigd Koninkrijk, aangezien het Verenigd Koninkrijk een derde land wordt; onderstreept dat toegang tot de financiële markt van de EU daarna gebaseerd moet zijn op het autonome gelijkwaardigheidskader van de EU; herinnert echter aan de beperkte reikwijdte van gelijkwaardigheidsbesluiten;

55. benadrukt dat de Commissie een beoordeling van de gelijkwaardigheid van de financiële regelgeving van het Verenigd Koninkrijk zal uitvoeren, en dat deze gelijkwaardigheid alleen kan worden toegekend als er sprake is van geheeld autonome besluitvorming en als het stelsel en de normen van het Verenigd Koninkrijk inzake regulering en toezicht geheel overeenkomen met die van de EU; dringt erop aan dat deze beoordeling zo snel mogelijk gebeurt, zodat aan de in de politieke verklaring opgenomen verbintenis wordt voldaan; herinnert eraan dat de EU de status van gelijkwaardigheid te allen tijde eenzijdig kan intrekken;

56. wijst erop dat in het Verenigd Koninkrijk een aanzienlijke hoeveelheid in euro luidende derivaten  wordt gecleard, wat mogelijk implicaties heeft voor de financiële stabiliteit van de Europese Unie;

Douane

57. neemt kennis van het voornemen van het Verenigd Koninkrijk om zijn huidige status met betrekking tot de interne markt en de douane-unie niet te verlengen; wijst er met klem op dat het belangrijk is de integriteit van de douane-unie en haar procedures te handhaven, aangezien deze de veiligheid en bescherming van de consumenten en de economische belangen van de EU en haar ondernemingen garanderen; beklemtoont dat meer investeringen nodig zijn in douanecontrolefaciliteiten aan de grenzen tussen de EU en het Verenigd Koninkrijk, en dat beide partijen, waar relevant en geëigend, nauwer moeten samenwerken en meer informatie met elkaar moeten uitwisselen, en eveneens de mogelijkheid moeten overwegen van een permanent bureau van de EU in Noord-Ierland dat zich bezighoudt met de naleving van de douanewetgeving;

58. benadrukt dat een toekomstige overeenkomst met het oog op het vergemakkelijken van grensoverschrijdende handel alomvattende mechanismen voor douanesamenwerking moet omvatten, alsook mechanismen voor samenwerking tussen douane- en markttoezichtautoriteiten; verzoekt de EU en het Verenigd Koninkrijk bovendien om, waar relevant en geëigend, te werken aan een vereenvoudiging van de vereisten en formaliteiten van de douaneprocedures voor handelaren en economische actoren, waaronder kmo’s;

59. benadrukt dat de EU en het Verenigd Koninkrijk moeten streven naar het behoud van een hoog niveau van convergentie van hun wetgeving en praktijken op het gebied van douane, met het oog op effectieve douanecontroles en clearing, handhaving van de douanewetgeving en bescherming van de financiële belangen van beide partijen, met de mogelijkheid om ten onrechte betaalde belastingen en heffingen terug te vorderen, en dat zij moeten zorgen vrijwaringsmaatregelen tegen systematische inbreuken op de toepasselijke douanewetgeving;

60. onderstreept dat het absoluut het beste zou zijn als het Verenigd Koninkrijk de huidige productenclassificatie op basis van het Geïntegreerd tarief van de Europese Gemeenschappen zou handhaven, teneinde met vereenvoudigde procedures te kunnen blijven werken en de regelgevingsdruk te reduceren;

Consumentenbeleid

61. benadrukt dat de huidige EU-normen inzake consumentenbescherming en de rechten van de burgers van de EU, zoals bedoeld in het acquis, in een toekomstige overeenkomst door beide partijen in stand moeten worden gehouden; is van oordeel dat de overeenkomst de consumenten in de EU een meerwaarde moet opleveren in de vorm van een zo robuust mogelijk kader ter bescherming van de consumentenrechten en ter handhaving van de verplichtingen voor handelaren;

62. is van mening dat het van het allergrootste belang is om de veiligheid van producten die worden ingevoerd vanuit het Verenigd Koninkrijk zodanig te garanderen dat deze producten in overeenstemming zijn met EU-normen;

63. beklemtoont het belang van samenwerking op het vlak van regelgeving en administratie, aangevuld, waar toepasselijk en nodig, met parlementair toezicht en toezeggingen ten aanzien van niet-verlaging, teneinde niet-tarifaire belemmeringen te elimineren, doelstellingen van openbaar belang te verwezenlijken, de belangen van de consumenten van de EU te verdedigen, waaronder het waarborgen van een veilige en betrouwbare online-omgeving voor consumenten en ondernemingen, en oneerlijke handelspraktijken aan te pakken;

Visserij

64. wijst er nogmaals op dat er geen brede overeenkomst tussen de EU en het Verenigd Koninkrijk kan worden gesloten als hierin geen volledige, evenwichtige langetermijnovereenkomst inzake visserij en visserijgerelateerde zaken wordt opgenomen, waarin wordt bevestigd dat de betrokken partijen onder optimale voorwaarden toegang blijven krijgen tot elkaars wateren, rijkdommen en markten en dat bestaande visserijactiviteiten kunnen blijven bestaan;

65. herinnert eraan dat beide partijen het meeste voordeel zullen halen uit de bescherming van gedeelde ecosystemen en een duurzaam beheer van de exploitatie ervan, uit de handhaving van de huidige wederzijdse toegang tot de wateren en visbestanden, met als doel de bestaande visserijactiviteiten te behouden, alsook uit de vaststelling van gemeenschappelijke, samenhangende, duidelijke en stabiele beginselen en regels, zodat er voor visserij- en aquacultuurproducten wederzijdse open toegang tot de markten wordt gecreëerd zonder dat dit economische of sociale spanningen veroorzaakt als gevolg van onevenwichtige concurrentie; dringt aan op de noodzaak van een overkoepelend bestuurskader met als doel te garanderen dat eventuele schendingen van bepalingen over wederzijdse toegang tot wateren en rijkdommen kunnen worden bestraft met een sanctie, zoals de schorsing van preferentiële tarieven voor Britse goederen op de EU-markt;

66. benadrukt dat de in bijlage FISH-2 (Toewijzing van vangstmogelijkheden) vastgelegde en momenteel toegepaste verdelingspercentages voor de visbestanden die door beide partijen worden gedeeld, in de overeenkomst moeten worden opgenomen, conform het geldende beginsel van relatieve stabiliteit;

67. dringt er bij de partijen op aan de bestaande quota-aandelen en de stabiele en onveranderlijke verdeling van visrechten te handhaven; benadrukt het belang van een langetermijnbeheer van rijkdommen op basis van de naleving van de GVB-beginselen, die tot dusver allemaal hebben bijgedragen tot een verbetering van de toestand van de visbestanden, hetgeen voordelig is voor de vloten van zowel de EU-lidstaten als het Verenigd Koninkrijk;

68. benadrukt dat de overeenkomst moet waarborgen dat technische maatregelen of beschermde mariene gebieden wederzijds, niet-discriminerend en evenredig zijn en niet worden gebruikt als een manier om EU-vaartuigen de facto te weren uit Britse wateren; hamert erop dat de overeenkomst niet mag leiden tot een bijstelling naar beneden toe van de sociale en milieunormen van de EU;

69. dringt er bij de Commissie op aan bepalingen in de tekst op te nemen over het voorkomen en bestrijden van illegale, ongemelde en ongereglementeerde visserij (IOO-visserij) binnen de wateren van de Unie en het Verenigd Koninkrijk;

70. dringt aan op passende samenwerkings- en raadplegingsmechanismen, een gezamenlijke, op wetenschap gebaseerde aanpak en waarborgen dat het Verenigd Koninkrijk blijft bijdragen aan de verzameling van gegevens over en de wetenschappelijke beoordeling van visbestanden als basis voor toekomstige besluiten voor gezamenlijk visserijbeheer in alle gedeelde zeebekkens; spoort de EU en het Verenigd Koninkrijk ertoe aan actief en loyaal te blijven samenwerken op het gebied van visserijcontrole en de strijd tegen IOO-visserij;

Burgerrechten en vrij verkeer van personen

71. stelt met spijt vast dat het Verenigd Koninkrijk heeft besloten om het beginsel van vrij verkeer van personen tussen de EU en het Verenigd Koninkrijk na de overgangsperiode niet langer toe te passen; vindt dat het toekomstige partnerschap ambitieuze bepalingen moet bevatten inzake het verkeer van personen, gebaseerd op volledige wederkerigheid en non-discriminatie tussen de lidstaten; wijst er nogmaals op dat de mate waarin het Verenigd Koninkrijk toegang heeft tot de interne markt van de EU, in verhouding moet staan tot zijn toezeggingen om de mobiliteit van mensen te vergemakkelijken; benadrukt dat de regeling voor het overstreken van de grenzen geen administratieve of financiële hindernissen mag opwerpen;

72. benadrukt dat er bijzondere aandacht moet worden besteed aan de noden van kinderen uit gemengde gezinnen waarin slechts één van de ouders een EU-burger is, en dat er moet worden voorzien in passende rechtsmechanismen voor het beslechten van geschillen tussen ouders, bijvoorbeeld bij een scheiding;

73. is van mening dat mobiliteitsovereenkomsten, met inbegrip van visumvrij reizen voor kort verblijf, gebaseerd moeten zijn op non-discriminatie tussen de lidstaten van de Unie en volledige wederkerigheid, en het EU-acquis inzake mobiliteit moeten omvatten, met name de regels inzake detachering van werknemers en coördinatie van de socialezekerheidsstelsels;

74. is van mening dat de verdere codificatie van de rechten van burgers door middel van juridisch bindende bepalingen een wezenlijk onderdeel moet vormen van de tekst van een toekomstige overeenkomst tussen de EU en het Verenigd Koninkrijk; is van mening dat hierin ook de situatie van grensarbeiders aan bod moet komen en dat hun bewegingsvrijheid op grond van de beginselen van non-discriminatie en wederkerigheid moet worden gegarandeerd; vraagt dat er wordt nagedacht over een betere regeling van de voorwaarden voor toegang en verblijf in het kader van onderzoek, studie, opleiding, vrijwilligerswerk, scholierenuitwisseling, educatieve projecten, au-pairactiviteiten en vrijwilligerswerk in het kader van het Europees Solidariteitskorps, en dat deze voorwaarden worden opgenomen in de toekomstige overeenkomst en niet aan interne regelgeving worden overgelaten; wijst erop dat de COVID-19-crisis heeft aangetoond dat essentiële sectoren in het Verenigd Koninkrijk, zoals de volksgezondheid en de landbouw, afhankelijk zijn van EU-werknemers, onder wie seizoenarbeiders;

Coördinatie op het gebied van arbeid, mobiliteit en sociale zekerheid

75. betreurt het dat de regering van het VK nog niet heeft voldaan aan haar toezegging om een nieuwe arbeidswet vast te stellen, en dringt er bij het VK op aan dit vóór het einde van de overgangsperiode te doen; wijst in dit verband met name op onlangs aangenomen EU-wetgevingshandelingen waarvan de omzettingstermijn in de overgangsperiode valt; benadrukt dat het uitermate belangrijk is te voorkomen dat er lacunes ontstaan waardoor de rechten van werknemers noch door het bestaande EU-recht, noch door de arbeidswet van het VK worden beschermd;

76. herinnert eraan dat de bestaande en toekomstige socialezekerheidsrechten van de betrokken personen in alle dimensies behouden moeten worden; verzoekt de onderhandelaars om in elk geval voorrang te geven aan de rechten van burgers die betrekking hebben op coördinatie op het gebied van sociale zekerheid en te voorzien in de voortdurende toepassing van de regels voor coördinatie op het gebied van sociale zekerheid in alle hoofdstukken;

77. betreurt echter dat er niet is voorzien in bijzondere bepalingen met betrekking tot werkloosheidsuitkeringen voor grensarbeiders, en moedigt de EU en het VK daarom aan te zorgen voor passende bepalingen met betrekking tot werkloosheidsuitkeringen voor grensarbeiders;

78. benadrukt het belang van een dynamische overeenkomst inzake coördinatie op het gebied van sociale zekerheid; benadrukt dat de bepalingen van de definitieve overeenkomst over de mobiliteit van personen passende en robuuste rechten inzake coördinatie op het gebied van sociale zekerheid moeten omvatten, in overeenstemming met de politieke verklaring;

Gegevensbescherming

79. benadrukt het belang van gegevensbescherming, als grondrecht en als cruciale randvoorwaarde voor de digitale economie; merkt op dat de Commissie volgens de jurisprudentie van het HvJ-EU het gegevensbeschermingskader van het VK pas adequaat kan verklaren als ze heeft aangetoond dat het VK een niveau van bescherming biedt dat “in grote lijnen overeenkomt” met het niveau waarin wordt voorzien in het EU-rechtskader, onder meer met betrekking tot verdere doorgifte aan derde landen;

80. herinnert eraan dat in de Britse gegevensbeschermingswet wordt voorzien in een algemene en ruime vrijstelling van de gegevensbeschermingsbeginselen en de rechten van betrokkenen voor de verwerking van persoonsgegevens voor immigratiedoeleinden; is bezorgd over het feit dat wanneer de gegevens van niet-Britse burgers in het kader van deze vrijstelling worden verwerkt, zij niet op dezelfde wijze worden beschermd als de gegevens van Britse burgers en niet in overeenstemming zouden zijn met Verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad[15]; is van mening dat het rechtskader van het VK inzake de bewaring van elektronische telecommunicatiegegevens niet aan de vereisten van het desbetreffende EU-acquis zoals uitgelegd door het HvJ-EU voldoet en momenteel dus niet voldoet aan de adequaatheidsvereiste;

81. onderstreept en verdedigt het standpunt dat het toekomstige partnerschap moet worden geschraagd door verbintenissen om de grondrechten te eerbiedigen, met inbegrip van passende bescherming van persoonsgegevens als noodzakelijke voorwaarde voor de beoogde samenwerking, en moet voorzien in automatische opschorting van de overeenkomst op het gebied van rechtshandhaving mocht het VK de nationale wetgeving tot uitvoering van het EVRM intrekken; verzoekt de Commissie bijzondere aandacht te besteden aan het rechtskader van het VK wanneer ze de adequaatheid ervan uit hoofde van het EU-recht beoordeelt; pleit ervoor dat rekening wordt gehouden met de jurisprudentie van het HvJ-EU op dit gebied, zoals de zaak Schrems, alsook de jurisprudentie van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM);

82. staat op het standpunt dat indien het VK zich niet uitdrukkelijk verbindt tot handhaving van het EVRM en evenmin de jurisdictie van het HvJ-EU aanvaardt, er geen overeenkomst mogelijk is op het gebied van justitiële en politiële samenwerking in strafzaken; betreurt dat het VK vooralsnog heeft geweigerd om harde garanties inzake grondrechten en individuele vrijheden te geven en eraan heeft vastgehouden de huidige normen te verlagen en af te wijken van overeengekomen mechanismen voor gegevensbescherming, onder meer door middel van grootschalige surveillance;

83. verzoekt de Commissie de bovengenoemde elementen in aanmerking te nemen bij de beoordeling van de adequaatheid van het rechtskader van het VK ten aanzien van het niveau van bescherming van persoonsgegevens, en ervoor te zorgen dat het VK de in deze resolutie genoemde problemen heeft opgelost voordat het Britse gegevensbeschermingsrecht in overeenstemming met het EU-recht als uitgelegd door het HvJ-EU kan worden verklaard; verzoekt de Commissie tevens het advies van het Europees Comité voor gegevensbescherming en de Europese Toezichthouder voor gegevensbescherming in te winnen;

Veiligheid, rechtshandhaving en justitiële samenwerking in strafzaken

84. herhaalt dat er op het gebied van veiligheid, rechtshandhaving en justitiële samenwerking in strafzaken tastbare vooruitgang moet zijn bereikt om te kunnen komen tot een overeenkomst over een alomvattende en efficiënte samenwerking die ten goede komt aan de veiligheid van de burgers van zowel de EU als het VK;

85. is sterk gekant tegen het verzoek van het VK om rechtstreekse toegang te krijgen tot de EU-informatiesystemen op het gebied van justitie en binnenlandse zaken; benadrukt nogmaals dat het VK, als derde land dat niet tot het Schengengebied behoort, geen rechtstreekse toegang mag krijgen tot de gegevens van EU-informatiesystemen; waarschuwt dat het delen van informatie met het VK, met inbegrip van persoonsgegevens, onderworpen moet zijn aan strikte waarborgen en controle- en toezichtsvoorwaarden, met inbegrip van een gelijkwaardig beschermingsniveau voor persoonsgegevens als hetgeen waarin voorzien is in het EU-recht;

86. wijst erop dat de wetgeving betreffende het Schengeninformatiesysteem (SIS) het uitdrukkelijke verbod inhoudt om derde landen toegang te verlenen tot het systeem, en dat het VK, als derde land, bijgevolg geen toegang mag krijgen tot het SIS; herinnert eraan dat de Raad op 5 maart 2020 een reeks aanbevelingen heeft uitgebracht naar aanleiding van ernstige tekortkomingen in de toepassing van het SIS door het VK en dat het VK in zijn antwoord blijk geeft van een geringe bereidheid deze aanbevelingen uit te voeren, in strijd met het EU-recht; is van mening dat de toekomstige samenwerking tussen de EU en het VK op het gebied van rechtshandhaving en justitiële samenwerking gebaseerd moet zijn op wederzijds vertrouwen; onderstreept dat een dergelijke samenwerking alleen kan worden overeengekomen als er robuuste regels inzake gegevensbescherming zijn vastgesteld en er krachtige handhavingsmechanismen zijn ingesteld;

87. wijst erop dat de geautomatiseerde uitwisseling van DNA-gegevens met het VK in het kader van het Prüm-mechanisme pas in 2019 van start is gegaan en dat de Raad op het punt staat een uitvoeringsbesluit vast te stellen op grond waarvan het VK zou kunnen deelnemen aan de geautomatiseerde uitwisseling van dactyloscopische gegevens; wijst er in dit verband op dat, in het kader van de bijzondere raadplegingsprocedure voor handelingen van de voormalige derde pijler, het Parlement op 13 mei 2020 het ontwerpbesluit van de Raad heeft verworpen vanwege zorgen over de volledige wederkerigheid van de uitwisseling van vingerafdrukgegevens, de gegevensbeschermingswaarborgen, alsook de zeer korte toepassingstermijn; verzoekt de Raad de argumenten van het Parlement voor de afwijzing zorgvuldig in beschouwing te nemen; herinnert de onderhandelaars eraan dat, indien vastgesteld, de besluiten van de Raad waarmee deze geautomatiseerde gegevensuitwisselingen worden toegestaan, aan het einde van de overgangsperiode aflopen; benadrukt dat er tijdig overeenstemming moet worden bereikt over nieuwe regelingen voor de toekomstige betrekkingen, gezien het belang van informatie-uitwisseling in de strijd tegen zware en georganiseerde grensoverschrijdende criminaliteit en terrorisme;

88. stelt bezorgd vast dat het onderhandelingsmandaat van het VK op belangrijke gebieden van justitiële samenwerking in strafzaken niet ambitieus genoeg is; is ervan overtuigd dat de EU en het VK een oplossing zouden kunnen vinden waardoor een meer ambitieuze samenwerking mogelijk is dan die in het kader van het Europees Verdrag betreffende uitlevering;

Migratie, asiel en grensbeheer

89. benadrukt dat overeenstemming moet worden bereikt over de voorwaarden voor samenwerking met betrekking tot migratie van personen die niet de nationaliteit van een van beide partijen bezitten, waarbij de grondrechten en de menselijke waardigheid worden geëerbiedigd en de bescherming van de meest kwetsbaren wordt erkend; herhaalt zijn verzoek ervoor te zorgen dat deze samenwerking op zijn minst regelingen omvat die de veilige en legale kanalen voor toegang tot internationale bescherming verbeteren, onder meer via gezinshereniging;

90. benadrukt de noodzaak van nauwe samenwerking tussen de partijen om mensensmokkel en mensenhandel te bestrijden, in overeenstemming met het internationaal recht, dat van toepassing blijft op de grens tussen de EU en het VK;

91. benadrukt dat het VK niet kan kiezen welke onderdelen van het EU-asiel- en migratieacquis het wenst te behouden;

92. benadrukt nogmaals de noodzaak van de goedkeuring van een plan voor gezinshereniging, dat gereed moet zijn om aan het einde van de overgangsperiode in werking te treden;

93. herinnert de onderhandelaars, in het kader van een dergelijk plan en ook meer in het algemeen, aan de verplichting van zowel de EU als het VK om alle kinderen op hun grondgebied te beschermen, in overeenstemming met het Verdrag van de Verenigde Naties inzake de rechten van het kind 1989 (UNCRC); verzoekt de lidstaten om, zodra het VK concrete voorstellen heeft gedaan, de Commissie een mandaat te verlenen om te onderhandelen over een plan voor gezinshereniging voor asielzoekers;

94. benadrukt het belang van een gecoördineerde aanpak door de EU van al deze kwesties, aangezien bilaterale regelingen tussen het VK en de afzonderlijke lidstaten met betrekking tot kwesties als gezinshereniging voor asielzoekers of vluchtelingen, herplaatsing of overname, negatieve gevolgen dreigen te hebben voor de samenhang van het asiel- en migratiebeleid van de EU; roept zowel de EU als het VK ertoe op te streven naar een evenwichtige en constructieve aanpak in al deze aangelegenheden;

Bestrijding van het witwassen van geld en de financiering van terrorisme

95. verzoekt de EU en het VK in de toekomstige partnerschapsovereenkomst bepalingen op te nemen over het beleid inzake de bestrijding van het witwassen van geld en de financiering van terrorisme (AML/CFT), met inbegrip van een mechanisme voor de uitwisseling van informatie; herinnert eraan dat de EU en het VK in de politieke verklaring hebben toegezegd dat zij wat betreft transparantie met betrekking tot uiteindelijk begunstigden verder zullen gaan dan de normen inzake AML/CFT van de Financiële-actiegroep en een einde zullen maken aan de anonimiteit in verband met het gebruik van virtuele valuta, onder meer door middel van cliëntenonderzoeksprocedures;

96. verzoekt de EU en het VK in de nieuwe partnerschapsovereenkomst specifieke bepalingen op te nemen over het toezicht op financiële en niet-financiële meldingsplichtige entiteiten in de context van het antiwitwaskader;

Belastingzaken

97. verzoekt de EU en het VK prioriteit te geven aan een gecoördineerde bestrijding van belastingontduiking en belastingontwijking; verzoekt de partijen schadelijke belastingpraktijken aan te pakken door samen te werken in het kader van de EU-Gedragscode inzake de belastingregeling voor ondernemingen; merkt op dat het VK volgens de Commissie hoog scoort wat betreft indicatoren die erop wijzen dat een land kenmerken heeft die door ondernemingen kunnen worden gebruikt om belastingen te ontwijken; pleit ervoor dat deze kwestie in de toekomstige overeenkomst specifiek aan de orde wordt gesteld; merkt op dat het VK aan het einde van de overgangsperiode als derde land zal worden beschouwd en door de Groep gedragscode inzake de belastingregeling voor ondernemingen zal worden beoordeeld aan de hand van de criteria die zijn vastgesteld voor de EU-lijst van niet-coöperatieve jurisdicties; dringt er bij de EU en het VK op aan volledige administratieve samenwerking te waarborgen om te zorgen voor de naleving van de btw-wetgeving en de bescherming en inning van btw-inkomsten;

De strijd tegen klimaatverandering en milieubescherming

98. is van mening dat het VK zich volledig moet aansluiten bij het huidige en toekomstige beleidskader van de EU inzake klimaat, met inbegrip van de herziene streefcijfers voor 2030, de streefcijfers voor 2040 en de trajecten voor het bereiken van klimaatneutraliteit in 2050;

99. is van mening dat het VK een systeem van koolstofbeprijzing moet toepassen met ten minste dezelfde reikwijdte en doeltreffendheid als dat waarin de EU-regeling voor de emissiehandel (EU-ETS) voorziet, en aan het einde van de overgangsperiode dezelfde beginselen moet toepassen met betrekking tot het gebruik van externe kredieten; is verder van mening dat, indien het VK verzoekt zijn eigen emissiehandelssysteem te koppelen aan de EU-ETS, de volgende twee voorwaarden moeten gelden om een dergelijk verzoek in overweging te nemen: het emissiehandelssysteem van het VK mag de integriteit van de EU-ETS niet ondermijnen, met name het evenwicht tussen rechten en verplichtingen, en moet de voortdurende toename van de reikwijdte en doeltreffendheid van de EU-ETS weerspiegelen; benadrukt dat er al een systeem van koolstofbeprijzing moet zijn vastgesteld en ingevoerd vóór de stemming in het Parlement over de goedkeuring van de ontwerpovereenkomst;

100. benadrukt hoe belangrijk het is te zorgen voor een passende monitoring en beoordeling van de lucht- en waterkwaliteit in het VK, naast de vaststelling van gemeenschappelijke normen en streefcijfers; benadrukt voorts hoe belangrijk het is dat het VK de emissiegrenswaarden en andere bepalingen die zijn afgesproken in het kader van Richtlijn (EU) 2016/2284 van het Europees Parlement en de Raad[16] uitvoert en handhaaft en op dynamische wijze in overeenstemming brengt met Richtlijn 2010/75/EU van het Europees Parlement en de Raad[17], met inbegrip van de actualiseringen van de referentiedocumenten voor de beste beschikbare technieken;

Volksgezondheid

101. benadrukt dat het VK pas kan worden opgenomen op de lijst van landen die goederen naar de EU mogen uitvoeren waarvoor sanitaire en fytosanitaire maatregelen gelden als het de EU-voorschriften voor die goederen volledig naleeft, met inbegrip van voorschriften met betrekking tot productieprocessen; benadrukt bovendien dat met name de oorsprongsregels voor levensmiddelen volledig moeten worden nageleefd en dat er duidelijke regels met betrekking tot de verwerking van levensmiddelen in het VK moeten worden vastgesteld om te voorkomen dat de EU-voorschriften worden omzeild, met name in het kader van mogelijke vrijhandelsovereenkomsten tussen het VK en andere landen;

102. benadrukt dat het VK zal moeten voldoen aan de EU-wetgeving inzake genetisch gemodificeerde organismen en gewasbeschermingsmiddelen; is van mening dat de partijen ernaar moeten streven het gebruik en de risico’s van pesticiden te verminderen; benadrukt dat beide partijen ernaar moeten streven het gebruik van antibiotica in de dierlijke productie terug te dringen en het gebruik ervan als groeibevorderaar moeten blijven verbieden en ongepast of onnodig menselijk gebruik moeten verminderen;

103. benadrukt dat het belangrijk is tekorten aan geneesmiddelen en medische hulpmiddelen te voorkomen; dringt er bij de nationale autoriteiten en belanghebbenden op aan ervoor te zorgen dat het proces voor de toewijzing van nationaal toegelaten geneesmiddelen aan het eind van de overgangsperiode is afgerond; verzoekt de EU en het VK op lange termijn samen te werken om vastgestelde en nieuwe bedreigingen voor de veiligheid van de volksgezondheid te voorkomen en op te sporen, zich erop voor te bereiden en erop te reageren; dringt er in dat verband op aan dat de EU en het VK blijven samenwerken om de COVID-19-pandemie doeltreffend te bestrijden; is van mening dat, indien een van de partijen geen adequate maatregelen neemt om een bedreiging van de volksgezondheid aan te pakken, de andere partij unilaterale maatregelen kan nemen om de volksgezondheid te beschermen;

104. benadrukt dat het belangrijk is de EU-wetgeving na te leven op het gebied van farmaceutische producten, medische hulpmiddelen en de veiligheid van chemische stoffen, met inbegrip van hormoonontregelende chemische stoffen, waarbij ononderbroken toegang tot geneesmiddelen en medische hulpmiddelen moet worden gegarandeerd, en onderstreept dat Britse bedrijven hoe dan ook aan dezelfde verplichtingen zullen worden onderworpen als bedrijven buiten de EER; benadrukt bovendien dat er strenge voorwaarden inzake sanitaire en fytosanitaire maatregelen moeten worden vastgesteld die verder gaan dan wat in WTO-verband is afgesproken, teneinde de interne markt van de EU en met name de consument te beschermen tegen risico’s die verband houden met de invoer of uitvoer van producten tussen de EU en het VK;

Vervoer

105. benadrukt dat het partnerschap dat wordt beoogd op basis van de nauwe economische banden en gemeenschappelijke belangen, moet zorgen voor ononderbroken en onbelemmerde connectiviteit voor alle vervoerwijzen, op voorwaarde van wederkerigheid, en een gelijk speelveld moet waarborgen, met name wat sociale, werkgelegenheids- en milieunormen en passagiersrechten betreft; wijst erop dat ook de specifieke situatie van de Kanaaltunnel aan bod moet komen, met name in verband met de veiligheidsregeling en de verlening van vergunningen;

106. is van mening dat de toekomstige samenwerking met het VK gericht moet zijn op vervoersprojecten van gemeenschappelijk belang en goede voorwaarden voor grensoverschrijdende handel en voor bedrijven moet aanmoedigen, die kmo’s in staat stellen en helpen bijkomende administratieve lasten te vermijden;

107. is van mening dat moet worden bekeken of het VK kan deelnemen aan grensoverschrijdende onderzoeks- en ontwikkelingsprogramma’s van de EU op het gebied van vervoer, op basis van gemeenschappelijke belangen;

108. herinnert eraan hoe belangrijk het is dat de Commissie de enige EU-onderhandelaar is tijdens de onderhandelingen en wijst erop dat de lidstaten geen bilaterale onderhandelingen mogen aanknopen; dringt er echter bij de Commissie op aan om in de definitieve algemene overeenkomst rekening te houden met de belangen van elke lidstaat;

109. benadrukt dat rechten en privileges ook verplichtingen met zich meebrengen en dat het toegangsniveau tot de interne EU-markt volledig in overeenstemming moet zijn met de mate van convergentie van de regelgeving en met de verbintenissen die zijn overeengekomen ter waarborging van een gelijk speelveld voor open en eerlijke concurrentie op basis van de gemeenschappelijke minimumnormen die van toepassing zijn in de EU;

110. herinnert eraan dat de luchtvaart de enige vervoerwijze is waarvoor geen juridisch vangnet in het kader van de WTO voorhanden is in het geval er voor het einde van de overgangsperiode geen overeenstemming wordt bereikt;

111. is van mening dat het beoogde partnerschap een ambitieus en uitgebreid hoofdstuk over het luchtvervoer moet omvatten dat de strategische belangen van de EU waarborgt en passende bepalingen bevat inzake markttoegang, investeringen en operationele en commerciële flexibiliteit (bv. codesharing), met inachtneming van evenwichtige rechten en verplichtingen, en nauwe samenwerking moet omvatten op het gebied van veiligheid van de luchtvaart en luchtverkeersbeheer;

112. benadrukt dat het eventueel toestaan van sommige elementen die deel uitmaken van de zogenoemde “vijfde vrijheid” (vrijheid van luchtverkeer) een beperkte reikwijdte moeten hebben en dat hier overeenkomstige verplichtingen in het belang van de EU tegenover moeten staan;

113. merkt op dat het huidige kader van de Europese Conferentie van Ministers van Verkeer, dat gebaseerd is op een beperkt aantal vergunningen, niet geschikt is voor de betrekkingen tussen de EU en het VK, gezien het volume aan goederen dat tussen de EU en het VK over de weg wordt vervoerd; benadrukt in dat verband dat er passende maatregelen moeten worden genomen om gevaar voor de openbare orde en een verstoring van de verkeersstromen van wegvervoerders en exploitanten van touringcar- en autobusdiensten te voorkomen; onderstreept in dit verband dat het belangrijk is te zorgen voor betere directe zeeroutes tussen Ierland en het vasteland, teneinde de afhankelijkheid van de “landbrug” via het VK te verminderen;

114. benadrukt dat goederenvervoerders uit het VK niet dezelfde rechten en voordelen kunnen genieten als goederenvervoerders uit de EU waar het gaat om goederenvervoer over de weg;

115. is van mening dat het beoogde partnerschap het recht op doorvoer moet inhouden met betrekking tot verplaatsingen van een geladen of ongeladen voertuig van het grondgebied van de ene partij naar het grondgebied van dezelfde partij via het grondgebied van de andere partij;

116. is van mening dat het beoogde partnerschap een gelijk speelveld moet omvatten op het gebied van met name werk-, rij- en rusttijden, detachering van bestuurders, tachografen, voertuiggewichten en -afmetingen, gecombineerd vervoer en opleiding van personeel, alsook specifieke bepalingen om een vergelijkbaar beschermingsniveau voor exploitanten en bestuurders te waarborgen;

117. dringt erop aan prioriteit toe te kennen aan de vlotte doorstroming van de maritieme handel tussen de EU en het VK en het vrije verkeer van passagiers, zeevarenden en personeel op zee en aan wal; benadrukt in dit verband dat de EU en het VK ervoor moeten zorgen dat er passende grens- en douanesystemen voorhanden zijn om vertragingen en verstoringen te voorkomen;

Cultuur en onderwijs

118. is van oordeel dat in de overeenkomst duidelijk moet worden gemaakt dat culturele en taalkundige diversiteit zullen worden gehandhaafd in overeenstemming met het Unesco-Verdrag betreffende de bescherming en de bevordering van de diversiteit van cultuuruitingen;

119. is ingenomen met de duidelijke verklaring in de onderhandelingsrichtsnoeren dat de toekomstige betrekkingen tussen de EU en het VK ook dialoog en uitwisseling op het gebied van onderwijs en cultuur moeten omvatten; verzoekt de Commissie rekening te houden met de specifieke aard van de culturele sector bij de onderhandelingen over de desbetreffende mobiliteitsbepalingen; stelt bovendien bezorgd vast dat de bepalingen betreffende de toegang en het tijdelijk verblijf van natuurlijke personen voor zakelijke doeleinden, zoals uiteengezet in de door de Commissie gepubliceerde ontwerpovereenkomst, niet aan de behoeften van de culturele en creatieve sector voldoen en een belemmering kunnen vormen voor de voortzetting van culturele uitwisseling;

120. staat onvoorwaardelijk achter de heldere bepaling in de onderhandelingsrichtsnoeren dat audiovisuele diensten geen onderdeel mogen uitmaken van het toepassingsgebied van het economisch partnerschap, en vraagt de Commissie met klem vast te houden aan haar standpunt;

121. benadrukt dat de toegang tot de markt voor audiovisuele diensten in de Unie alleen kan worden gewaarborgd als Richtlijn 2010/13/EU van het Europees Parlement en de Raad[18] volledig ten uitvoer wordt gelegd, zodat beide partijen dezelfde heruitzendingsrechten kunnen genieten; wijst erop dat inhoud die uit het VK afkomstig is, ook na de overgangsperiode nog altijd onder de categorie “Europese werken” zal vallen, zolang werken uit derde landen en uit niet-EER-landen die partij zijn bij de Overeenkomst inzake grensoverschrijdende televisie van de Raad van Europa onder het quotum voor “Europese werken” worden gerekend;

122. is ingenomen met de opname van kwesties die verband houden met de teruggave van onrechtmatig weggenomen cultuurgoederen aan het land van herkomst; benadrukt het belang van voortzetting van de samenwerking met het VK op dat gebied;

Kader voor financieel beheer en controle

123. dringt erop aan het toegangsrecht van de diensten van de Commissie, de Europese Rekenkamer, het Europees Bureau voor fraudebestrijding (OLAF) en het Europees Openbaar Ministerie te waarborgen en te eerbiedigen, evenals het toetsingsrecht van het Parlement; herinnert eraan dat het HvJ-EU moet worden erkend als de bevoegde rechtbank voor gevallen betreffende de naleving en uitlegging van het EU-recht;

Deelname aan programma’s van de Unie

124. beveelt de Commissie aan bijzondere aandacht te besteden aan de volgende toepasselijke beginselen en voorwaarden met betrekking tot zowel de deelname aan programma’s van de Unie als horizontale regelingen en governance:

(a) de nodige actie te ondernemen om ervoor te zorgen dat in de algemene beginselen en voorwaarden voor deelname aan EU-programma’s die worden vastgesteld in het kader van het beoogde partnerschap onder meer wordt opgenomen dat het VK verplicht is een eerlijke en passende financiële bijdrage te leveren aan alle programma’s waaraan het deelneemt, zowel wat betreft de kosten voor deelname als de operationele bijdrage;

(b) ervoor te zorgen dat voor elke deelname van het VK aan een programma als algemene regel geldt dat wordt voldaan aan de toepasselijke standaardvoorwaarden voor de deelname van derde landen, en dat deelname geldt voor de volledige duur en alle onderdelen van het programma in kwestie, tenzij gedeeltelijke deelname gerechtvaardigd is uit bijvoorbeeld vertrouwelijkheidsoverwegingen; te zorgen voor voorspelbaarheid voor in de EU gevestigde deelnemers aan EU-programma’s, en stabiliteit te waarborgen wat begrotingstoewijzingen betreft;

(c) ervoor te zorgen dat deelname van het VK aan EU-programma’s geen globale netto-overdracht van de EU-begroting naar het VK met zich meebrengt, en dat de EU de deelname van het VK aan een programma eenzijdig kan opschorten of beëindigen indien niet aan de voorwaarden voor deelname is voldaan of indien het VK zijn financiële bijdrage niet betaalt;

(d) ervoor te zorgen dat in de overeenkomst met het VK de nodige bepalingen worden opgenomen om financiële onregelmatigheden, fraude, witwassen van geld en andere strafbare feiten die de financiële belangen van de Unie schaden aan te pakken, en te waarborgen dat de financiële belangen van de EU worden beschermd;

125. acht het van bijzonder belang dat het VK volgens de algemene beginselen inzake deelname van derde landen aan Unieprogramma’s deelneemt aan met name grensoverschrijdende, culturele, ontwikkelings-, onderwijs- en onderzoeksprogramma’s als Erasmus+, Creatief Europa, Horizon, de Europese Onderzoeksraad, het LIFE-programma, het trans-Europees vervoersnetwerk (TEN-T), de Connecting Europe Facility (CEF), het gemeenschappelijk Europees luchtruim (SES), Interreg, gezamenlijke technologie-initiatieven als Clean Sky I en II, het ATM-onderzoek voor het gemeenschappelijk Europees luchtruim (Sesar), het Consortium voor een Europese onderzoeksinfrastructuur (ERIC), Galileo, Copernicus, het Europees overlaysysteem voor geostationaire navigatie (Egnos), het ondersteuningskader voor ruimtebewaking en -monitoring (SST), alsook publiek-private partnerschappen;

126. verwacht dat de overeenkomst ook iets zegt over de betrekkingen van het VK met Euratom en het ITER-project, en over de gevolgen van een terugtrekking voor de activa en passiva; verwacht dat het VK zich daarnaast houdt aan de hoogste normen inzake nucleaire veiligheid, beveiliging en stralingsbescherming;

127. is van mening dat het VK voor de periode 2021-2027 moet bijdragen aan de cohesiefondsen indien het uiteindelijk toch de interne markt wenst te betreden, net als de EER-landen;

128. is van mening dat in de nieuwe overeenkomst rekening moet worden gehouden met de behoeften van de EU-regio’s die getroffen worden door de terugtrekking van het VK uit de EU;

129. benadrukt dat het van het grootste belang is dat het programma voor vrede en verzoening 2014-2020 (PEACE) in Noord-Ierland en de Ierse grensregio’s wordt voorgezet en autonoom wordt beheerd door het orgaan voor speciale EU-programma’s;

130. is van oordeel dat samenwerking met betrekking tot kwesties van wederzijds belang tussen de ultraperifere regio’s en overzeese landen en gebieden van de EU enerzijds, en de overzeese landen en gebieden van het VK (LGO’s) anderzijds, met name het Caribisch gebied en de gebieden in de Stille Oceaan, moet worden voortgezet; pleit voor specifieke bepalingen om toekomstige gezamenlijke projecten in het kader van het Europees Ontwikkelingsfonds en de cohesiefondsen, in voorkomend geval, mogelijk te maken; onderstreept dat het noodzakelijk is een passend niveau van steun te behouden voor de overige LGO’s;

131. onderstreept dat het Solidariteitsfonds van de Europese Unie (EUSF), door financiële middelen beschikbaar te stellen via de EU-begroting, een tastbare uiting van solidariteit is wanneer zich ernstige gevolgen voor onder meer de economie van een of meer regio’s van de EU of van een land dat kandidaat is voor toetreding, voordoen;

132. onderstreept dat de deelname aan programma’s gekoppeld moet worden aan aanverwant beleid, bijvoorbeeld op het gebied van het klimaat en cybervraagstukken;

133. is van oordeel dat een akkoord over samenwerking op energiegebied, in overeenstemming met het algemene akkoord over de toekomstige betrekkingen en stoelend op robuuste governance en een ‘level playing field’, in het belang van beide partijen zou zijn;

134. benadrukt dat de continuïteit van de interne markt voor elektriciteit op het eiland Ierland na de terugtrekking van het VK alleen kan worden gewaarborgd indien het energie-acquis van de EU in Noord-Ierland van toepassing blijft;

135. vindt dat het VK een belangrijke partner in het EU-ruimtebeleid moet blijven en onderstreept dat in de onderhandelingen aandacht moet worden besteed aan de toekomstige toegang van het VK tot het ruimteprogramma van de EU, met inachtneming van de belangen van de EU en in overeenstemming met het toepasselijke wettelijke kader voor de participatie van derde landen daarin;

Intellectuele eigendom

136. benadrukt dat de voorgenomen overeenkomst krachtige, afdwingbare maatregelen moet bevatten betreffende de erkenning en een hoog niveau van bescherming van geografische aanduidingen en intellectuele-eigendomsrechten, zoals auteursrechten en naburige rechten, handelsmerken en industriële ontwerpen, octrooien en bedrijfsgeheimen, op basis van het huidige en toekomstige rechtskader van de EU; is van mening dat de toekomstige overeenkomst ook de mogelijkheid moet omvatten van nauwe bilaterale samenwerking tussen het Bureau voor intellectuele eigendom van de Europese Unie (EUIPO) en de bureaus voor intellectuele eigendom in het VK;

Vennootschapsrecht

137. merkt op dat het, om een verlaging van de normen te voorkomen en juridische status in het VK en de EU te garanderen, wenselijk is dat de voorgenomen overeenkomst minimale gemeenschappelijke normen omvat met betrekking tot het opzetten en uitvoeren van verrichtingen, de bescherming van aandeelhouders, schuldeisers en werknemers, rapportage van ondernemingen en audit- en transparantieregels, alsmede wederzijdse erkenning van rechterlijke beslissingen met betrekking tot herstructurering en faillissement of insolventie;

Justitiële samenwerking in burgerlijke zaken, inclusief familiezaken

138. benadrukt dat justitiële samenwerking in burgerlijke zaken van het grootste belang is om te zorgen voor toekomstige handels- en zakelijke interactie tussen burgers en ondernemingen en voor zekerheid en voldoende bescherming van partijen bij grensoverschrijdende transacties en andere activiteiten; is van mening dat derhalve zorgvuldig moet worden nagegaan of het verdrag van Lugano een passende oplossing kan zijn die de EU in staat zou stellen het algemene evenwicht van haar betrekkingen met derde landen en internationale organisaties te handhaven, dan wel of een nieuwe oplossing, die kan zorgen voor een “dynamische aanpassing” tussen de twee partijen, passender is;

139. benadrukt dat in de voorgenomen overeenkomst met name een zinnige, algemene oplossing moet worden gevonden voor huwelijkskwesties, kwesties in verband met ouderlijke verantwoordelijkheid en andere familierechtelijke kwesties; merkt in dit verband op dat alle bepalingen in de voorgenomen overeenkomst die betrekking hebben op wederzijdse handhaving met betrekking tot familiezaken, niet alleen gebaseerd moeten zijn op het beginsel van wederzijds vertrouwen in rechtsstelsels, maar ook op het bestaan van bepaalde constitutionele waarborgen en gemeenschappelijke normen op het gebied van grondrechten;

Ontwikkelingssamenwerking en humanitaire hulp

140. merkt op dat het VK een van de grootste bilaterale donoren ter wereld blijft en wijst erop dat de EU in een geest van partnerschap de kansen op samenwerking met het VK moet aangrijpen; betreurt dat de terugtrekking van het VK uit de EU lacunes zal achterlaten in het globale beleid van de EU voor ontwikkelingssamenwerking en humanitaire hulp;

141. benadrukt de centrale rol van de EU en het VK om gemeenschappelijke uitdagingen aan te pakken via het ontwikkelingsbeleid en humanitaire hulp; onderstreept hoe belangrijk in dit opzicht het streven naar beleidscoherentie voor ontwikkeling is;

142. onderstreept het belang van een sterk partnerschap waarin de op rechten gebaseerde benadering centraal staat, waarbij wordt gezorgd voor de voortzetting van de verbintenissen en samenwerking op het gebied van de verwezenlijking van de duurzameontwikkelingsdoelstellingen, mensenrechten, de uitbanning van armoede en de uitvoering van de Overeenkomst van Parijs; onderstreept ook het belang van een geharmoniseerde respons op humanitaire crises en de fundamentele beginselen van humanitaire hulp;

143. is ervan overtuigd dat het post-Cotonou-partnerschap en de strategie EU-Afrika kunnen worden versterkt door doeltreffend met het VK samen te werken en voort te bouwen op de sterke aanwezigheid van het VK in Afrika, het Caribisch gebied en het gebied van de Stille Oceaan (ACS); benadrukt dat de EU, het VK en de ACS-landen op alle niveaus moeten samenwerken, in overeenstemming met de beginselen van partnerschap, solidariteit en complementariteit;

Buitenlands en veiligheidsbeleid

144. merkt op dat in de op 27 februari 2020 gepubliceerde onderhandelingsdoelstellingen van het VK wordt verklaard dat het buitenlands beleid slechts zal worden bepaald in het kader van een bredere vriendschappelijke dialoog en samenwerking tussen het Verenigd Koninkrijk en de EU, en dat dit belangrijke gebied wordt gedegradeerd tot een niet geïnstitutionaliseerde relatie die in een later stadium zal worden overeengekomen;

145. betreurt dat dit in strijd is met de bepalingen van de politieke verklaring, die een ambitieus, breed, diepgaand en flexibel partnerschap op het gebied van buitenlands beleid, veiligheid en defensie beoogt en pleit voor de totstandkoming van een breed, alomvattend en evenwichtig toekomstig veiligheidspartnerschap tussen de EU en het VK, en waarmee het VK heeft ingestemd;

146. herinnert aan het standpunt van de EU dat buitenlands beleid, veiligheid en defensie deel moeten uitmaken van een brede overeenkomst die de toekomstige betrekkingen tussen de EU en het VK regelt;

147. betreurt het feit dat het Verenigd Koninkrijk geen ambitie toont wat betreft de betrekkingen met de EU op het gebied van buitenlands beleid, veiligheid en defensie en dat deze gebieden uitdrukkelijk niet onder het Britse mandaat vielen en daarom geen deel uitmaken van de elf onderhandelingstafels;

148. herinnert eraan dat de EU en het VK beginselen, waarden en belangen delen; benadrukt dat het in het belang van beide partijen is om een ambitieuze, nauwe en duurzame samenwerking in stand te houden waarbij de autonomie van de EU wordt geëerbiedigd in de vorm van een gemeenschappelijk kader inzake het buitenlands en veiligheidsbeleid op basis van artikel 21 VEU en op de volgende rekening wordt gehouden met het VN-Handvest en de NAVO:

(a) de bevordering van vrede;

(b) een gezamenlijke aanpak van gemeenschappelijke uitdagingen op het gebied van veiligheid en mondiale stabiliteit, ook in het Europese nabuurschap;

(c) de bevordering van een op regels gebaseerd internationaal bestel;

(d) de consolidatie van de democratie en rechtsstaat;

(e) de bescherming van de mensenrechten en de fundamentele vrijheden;

(f) de bevordering van wereldwijde welvaart, duurzame ontwikkeling, de bestrijding van klimaatverandering en beperking van het verlies aan biodiversiteit;

149. merkt op dat een sterk geïntegreerde en gecoördineerde internationale samenwerking tussen het VK en de EU een groot voordeel zou opleveren voor zowel beide partijen als voor de hele wereldorde aangezien zij vergelijkbare benaderingen hanteren met betrekking tot effectief multilateralisme, het waarborgen van vrede, veiligheid en duurzaamheid en het verdedigen en toepassen van de mensenrechten; stelt voor om een dergelijke coördinatie te regelen aan de hand van een platform voor systematisch overleg en coördinatie op hoog niveau inzake vraagstukken van het buitenlands beleid; onderstreept het belang en de toegevoegde waarde van interparlementaire samenwerking inzake mondiale vraagstukken;

150. benadrukt dat gemeenschappelijke maatregelen om de uitdagingen op het gebied van het buitenlands, veiligheids- en defensiebeleid aan te pakken, zoals terrorisme, cyberoorlogvoering, crisis in het nabuurschap, de eerbiediging van de mensenrechten, desinformatiecampagnes en hybride dreigingen voor beide partijen noodzakelijk zijn; moedigt doeltreffende, tijdige en wederzijdse dialoog, overleg. coördinatie en de uitwisseling van informatie en inlichtingen aan; onderworpen aan democratische controle door de instellingen van het VK en de EU; herinnert eraan dat de uitwisseling van gerubriceerde informatie binnen een specifiek kader moet worden georganiseerd;

151. benadrukt dat het VK vanaf het einde van de overgangsperiode een derde land zal worden zonder specifiek kader voor betrekkingen, hetgeen belangrijke gevolgen zal hebben voor de bestaande samenwerking op het gebied van het buitenlands en veiligheidsbeleid;

152. verzoekt zowel de EU als het VK de internationale vrede en stabiliteit te versterken, onder meer door gezamenlijke strategieën te ontwikkelen om de vredeshandhaving van de VN te bevorderen; verzoekt beide partijen een cultuur van vrede en dialoog te bevorderen als middel voor conflictpreventie, conflictbeheersing en conflictoplossing, vrouwenrechten en genderrechten; is er voorstander van de bestaande samenwerking op deze gebieden voort te zetten; pleit voor systematische preferentiële samenwerking tijdens vredeshandhavingsoperaties; pleit voor betere samenwerking tussen de EU en het VK betreffende aangelegenheden in verband met democratische ontwikkeling, hervormingsprocessen en de democratische parlementaire praktijk in derde landen, met inbegrip van verkiezingswaarneming;

153. wijst op het grote belang van de EU bij een dergelijk partnerschap inzake buitenlandse zaken en veiligheid, gezien de wederzijdse voordelen die voortvloeien uit de permanente zetel van het VK en Frankrijk in de Veiligheidsraad, de sterk presterende diplomatieke diensten van het VK en de EU-lidstaten, en het feit dat het VK de sterkste strijdkrachten van Europa heeft;

154. stelt voor om het toekomstige partnerschap te baseren op een zeer nauwe en regelmatige samenwerking en coördinatie in de VN, met name in de Veiligheidsraad en de Mensenrechtenraad;

155. beklemtoont het onderlinge belang van veiligheid en ontwikkeling; spoort zowel de EU als het VK ertoe aan nauw samen te werken aan duurzame ontwikkeling en humanitaire hulp; herinnert beide partijen eraan dat het belangrijk is de verbintenis na te komen om 0,7 % van het bruto nationaal inkomen (bni) te besteden aan hulp voor ontwikkelingslanden en het beginsel van beleidscoherentie voor ontwikkeling te ondersteunen; is van mening dat zowel het partnerschap na afloop van de overeenkomst van Cotonou als de strategie van de EU voor Afrika kunnen profiteren van een effectieve samenwerking met het VK waarbij hoge sociale normen en hoge normen inzake mensenrechten en milieubescherming worden gehanteerd om de doelstellingen voor duurzame ontwikkeling te bereiken en de Overeenkomst van Parijs uit te voeren;

156. is van mening dat het in het wederzijds belang van het VK en de EU is – en dat dit door hun geografische nabijheid nog duidelijker wordt – om samen te werken bij de ontwikkeling van doeltreffende en werkelijk interoperabele defensiecapaciteit, ook binnen het Europees Defensieagentschap, waarvoor een administratieve regeling moet worden getroffen, en om de zeer waardevolle partnerschappen binnen de NAVO en de EU-programma’s voor defensie en externe veiligheid, de Galileo-programma’s voor cyberveiligheid en de bestrijding van doelgerichte desinformatiecampagnes en cyberaanvallen voort te zetten zoals de huidige COVID-19-pandemie heeft geïllustreerd; herinnert eraan dat voor de deelname aan de door de overheid gereguleerde dienst Galileo een specifieke overeenkomst zowel mogelijk als noodzakelijk is; wijst er voorts op dat het VK zich bij het toekomstige Europees Defensiefonds zou kunnen aansluiten onder de voorwaarden voor derde landen; verzoekt zowel de EU als het VK een gezamenlijke aanpak te ontwikkelen voor de normalisatie van defensietechnologie;

157. verwacht dat het VK de bestaande samenwerking en informatie-uitwisseling tussen de nationale autoriteiten op het gebied van cyberbeveiliging kan voortzetten;

158. herinnert eraan dat er momenteel in het Verenigd Koninkrijk een aantal beperkende maatregelen (sanctieregelingen) van kracht zijn in het kader van de EU-wetgeving; erkent het effectieve gebruik van sancties voor mensenrechten, democratie en de rechtsstaat overeenkomstig het Handvest van de Verenigde Naties; onderstreept dat het VK na zijn terugtrekking nog steeds verplicht zal zijn VN-sanctieregelingen toe te passen en verzoekt het VK zijn sanctiebeleid te blijven afstemmen met de EU; roept voorts op tot de instelling van een deugdelijk coördinatiemechanisme voor sancties tussen beide partijen, en nauwe samenwerking inzake sancties op mondiale fora, om het effect ervan zo groot mogelijk te maken en ervoor te zorgen dat er sprake is van convergentie en dat de wederzijdse belangen bij de bevordering van gemeenschappelijke waarden worden nagestreefd en behartigd;

159. moedigt het VK aan deel te nemen aan de relevante agentschappen van de Unie en een prominente rol op zich te nemen tijdens crisisbeheersingsacties en GVDB-missies en -operaties, waaronder humanitaire missies en reddingsoperaties, conflictpreventie en vredeshandhaving, militair advies en bijstand en stabilisatie na conflicten, alsmede bij projecten in het kader van de permanente gestructureerde samenwerking (PESCO), wanneer het tot deelname wordt uitgenodigd, en beklemtoont dat die deelname moet afhangen van strikte voorwaarden waarbij de autonome besluitvorming van de EU en de soevereniteit van het VK worden geëerbiedigd, evenals het beginsel van evenwichtige rechten en verplichtingen, gebaseerd moet zijn op daadwerkelijke wederkerigheid, en een billijke en passende financiële bijdrage moet omvatten; verzoekt de Commissie en de Europese Dienst voor extern optreden het Parlement regelmatig op de hoogte te brengen van de politieke dialoogvoering met het VK en van de belangrijkste aspecten van de informatie-uitwisseling over het GVDB en de crisisbeheersing;

160. wijst erop dat doeltreffende internationale regelingen inzake wapencontrole, ontwapening en non-proliferatie een hoeksteen vormen van de mondiale en Europese veiligheid; herinnert aan het belang van een coherente en geloofwaardige Europese strategie voor multilaterale onderhandelingen op mondiaal niveau en inzake regionale maatregelen op het gebied van de-escalatie en vertrouwensopbouw; herinnert aan de belangrijke rol die het VK heeft gespeeld in de ontwikkeling en vaststelling van die normen, instellingen en organisaties; verzoekt het VK in verband met deze beleidsterreinen een gezamenlijke strategie te ontwikkelen met de EU, die in het bijzonder overeenkomt met de VN-agenda voor ontwapening; verzoekt het VK zich ertoe te verplichten te blijven voldoen aan de criteria die equivalent zijn aan die van Gemeenschappelijk Standpunt 2008/944/CFSP[19] en samen met de EU de universele en strikte uitvoering te bevorderen van het Wapenhandelsverdrag, het Non-proliferatieverdrag (NPV) en de verlenging van het New START-verdrag;

161. benadrukt het grote belang van consulaire en diplomatieke samenwerking tussen de EU en het Verenigd Koninkrijk, aangezien dit een efficiënte bijstand aan elkaars burgers zou waarborgen en zowel het Verenigd Koninkrijk als de EU de mogelijkheid zou bieden om hun burgers consulaire bescherming te bieden in derde landen waar een van beide partijen geen diplomatieke vertegenwoordiging heeft, overeenkomstig artikel 20, lid 2, onder c), van het VWEU;

162. wijst op het feit dat tijdens de COVID-19-pandemie het belang van militaire capaciteit en middelen is gebleken, aangezien de Europese strijdkrachten een cruciale rol spelen in de ondersteuning van civiele inspanningen om de pandemie onder controle te krijgen terwijl ze hun kerntaken vervullen; beklemtoont dat deze pandemie het belang heeft aangetoond van strategische autonomie van de EU en van Europese samenwerking op het gebied van defensie om de Europese bevolking in noodsituaties te beschermen en de weerbaarheid van de lidstaten te bevorderen; is van mening dat er mechanismen moeten worden vastgesteld die snelle samenwerking tussen de Unie en het Verenigd Koninkrijk mogelijk maken wanneer zich in de toekomst crises van een soortgelijke aard en omvang voordoen; is van mening dat uit de COVID-19-pandemie lessen kunnen worden geleerd en dat de Europese militaire gezondheidsdiensten daartoe een netwerk voor informatie-uitwisseling en ondersteuning moeten opzetten om brede Europese weerbaarheid in nood- en crisissituaties te bevorderen; is van mening dat de deelname van het VK aan een dergelijk toekomstig Europees militair medisch netwerk, in voorkomend geval, voor beide partijen voordelig zou zijn;

Institutionele bepalingen en governance

163. wijst erop dat de gehele overeenkomst met het Verenigd Koninkrijk als derde land, met inbegrip van bepalingen inzake gelijke concurrentievoorwaarden, specifieke sectorale kwesties en thematische samenwerkingsgebieden en visserij, de totstandbrenging van een enkel samenhangend en solide governancesysteem als overkoepelend kader moet omvatten, dat het gezamenlijke permanente toezicht op en het beheer van het akkoord omvat, alsmede transparante mechanismen voor de beslechting van geschillen, naleving en de handhaving, waar nodig met sancties en voorlopige maatregelen met betrekking tot de interpretatie en de toepassing van de bepalingen van de overeenkomst;

164. is van mening dat een enkel, alomvattend en horizontaal governancemechanisme moet worden toegepast op de toekomstige relatie met het VK in zijn geheel, met inbegrip van eventuele aanvullende overeenkomsten die mogelijk op een later tijdstip worden gesloten, waarbij de samenhang met de bepalingen van het terugtrekkingsakkoord wordt gewaarborgd en ondoelmatigheden worden vermeden; wijst erop dat het mechanisme voor geschillenbeslechting degelijk moet zijn en moet voorzien in geleidelijke sancties en corrigerende maatregelen wanneer blijkt dat een van de partijen de overeenkomst schendt en dat dit mechanisme moet zorgen voor doeltreffende, snel uitvoerbare oplossingen die een ontradend effect sorteren; benadrukt dat het Europees Parlement waakzaam blijft ten aanzien van de tenuitvoerlegging van alle bepalingen; herinnert eraan dat het VK als voormalige lidstaat belangrijke institutionele samenwerkings- en dialoogstructuren met de EU heeft opgebouwd die van pas kunnen komen bij de operationalisering van deze horizontale regelingen; herhaalt dat de EU van het VK een hoger ambitieniveau verwacht op het gebied van governance om een solide toekomstig partnerschap te kunnen opbouwen;

165. wijst erop dat het absoluut noodzakelijk is dat in dit governancesysteem, met eerbiediging van de autonomie van beide partijen, de autonomie van de besluitvorming en de wettelijke en justitiële orde van de EU ten volle behouden blijven, inclusief de rol van het Europees Parlement en de Raad als medewetgevers van het EU-recht en inclusief de rol van het HvJ-EU als enige instantie die het EU-recht en het EU-Handvest van de grondrechten interpreteert; is van mening dat voor bepalingen op basis van concepten van het Unierecht, in de governanceregeling moet worden voorzien in verwijzing naar het HvJ-EU;

166. is verheugd over het voorstel om een parlementaire partnervergadering op te richten voor leden van het Europees Parlement en van het parlement van het VK, die het recht zal hebben om informatie te ontvangen van de partnerschapsraad en daaraan aanbevelingen te doen, en beklemtoont dat de overeenkomst moet voorzien in de rechtsgrondslag voor bepalingen die de institutionele oprichting van dat orgaan mogelijk maken;

167. eist dat de rol van het Parlement in verband met de tenuitvoerlegging van de bepalingen inzake regelgevingssamenwerking wordt geëerbiedigd, zodat het zijn politieke toezicht naar behoren kan uitoefenen, en eist bovendien dat zijn rechten en prerogatieven als medewetgever worden gewaarborgd; herinnert aan het recht van het Parlement om in kennis te worden gesteld van de afspraken over de herziening van de overeenkomst;

168. benadrukt dat de overeenkomst als geheel bepalingen moet omvatten over de dialoog met het maatschappelijk middenveld, de betrokkenheid van belanghebbenden en de raadpleging van beide partijen, in overeenstemming met punt 125 van de politieke verklaring, hetgeen in het bijzonder sociale partners moet omvatten, met inbegrip van organisaties en werknemersorganisaties die zowel EU-burgers die in het VK wonen en werken als burgers van het VK in de EU vertegenwoordigen; dringt aan op de oprichting van interne adviesgroepen om toezicht te houden op de tenuitvoerlegging van de overeenkomst;

169. steunt de verdere deelname van het VK als waarnemer van een derde land zonder stemrecht aan niet-regelgevende agentschappen zoals die op het gebied van vervoer, milieu of werkgelegenheid, evenals mogelijke samenwerkingsovereenkomsten van het VK met soortgelijke regelgevende instanties zoals het Europees Agentschap voor chemische stoffen, het Europees Agentschap voor de veiligheid van de luchtvaart en het Europees Agentschap voor maritieme veiligheid, om gegevens, goede praktijken en wetenschappelijke kennis uit te wisselen; herhaalt zijn verzoek aan de Commissie de mogelijke toekomstige praktische samenwerking tussen de autoriteiten van het VK en de EU-agentschappen op het gebied van justitie en binnenlandse zaken te overwegen, en daarbij rekening te houden met de status van het VK als derde land dat niet tot het Schengengebied behoort en als belangrijke partner in de strijd tegen terrorisme en georganiseerde misdaad;

°

° °

170. verzoekt zijn Voorzitter deze aanbeveling te doen toekomen aan de Commissie en, ter informatie, aan de Raad, de regeringen en parlementen van de lidstaten en de regering en het parlement van het Verenigd Koninkrijk van Groot- Brittannië en Noord-Ierland.

TOELICHTING

 

Algemene context en rol van het Parlement

 

In het kader van de lopende onderhandelingen over een partnerschapsovereenkomst met een voormalige lidstaat en ondanks de zware crisis waarmee de wereld geconfronteerd wordt in de vorm van de COVID-19-pandemie, blijft het Europees Parlement vastbesloten om de rol te vervullen die hem door de Verdragen is toegekend met betrekking tot de onderhandelingen over internationale overeenkomsten. De artikelen 207 en 218 van het Verdrag betreffende de werking van de EU schrijven voor dat de goedkeuring van het Parlement vereist is voor de sluiting van een internationale overeenkomst tussen de EU en een derde land. Om deze instemming te waarborgen moet het Parlement bij het onderhandelingsproces worden betrokken door regelmatig en volledig op de hoogte te worden gehouden.

 

Op 31 januari 2020 verliet het VK de EU met de rechtszekerheid en duidelijkheid die wordt geboden door het terugtrekkingsakkoord, dat betrekking heeft op drie fundamentele scheidingskwesties: burgerrechten, de Ierse grens en de afwikkeling van de verplichtingen van het VK tegenover de EU. Deze kwesties zijn voor het Parlement vanaf het begin van de onderhandelingen van groot belang geweest, samen met de verduidelijking van de status van de internationale verbintenissen die het VK als lidstaat is aangegaan, de garantie van rechtszekerheid voor rechtspersonen en de rol van het Hof van Justitie van de EU. Het Parlement blijft zich inzetten voor een passend parlementair toezicht op de tenuitvoerlegging van de bepalingen van het terugtrekkingsakkoord.

 

Gezien de ongekende complexiteit en het belang van de onderhandelingen met een voormalige lidstaat heeft het Parlement een speciaal orgaan opgericht om de inbreng en de reactie van het Parlement op de onderhandelingen te coördineren - de “UK Coordination Group” (UKCG). Deze groep wordt geleid door de voorzitter van de Commissie buitenlandse zaken (AFET) en bestaat verder uit de voorzitter van de Commissie internationale handel (INTA), de voorzitter van de Subcommissie veiligheid en defensie (SEDE), de INTA-rapporteur en de AFET-rapporteur voor de toekomstige betrekkingen tussen de EU en het VK, een vertegenwoordiger van elke fractie en de voorzitter van de Conferentie van commissievoorzitters (CCC).

 

Onderbouwing van de aanbevelingen

 

Deze uit hoofde van artikel 114 van het Reglement van het Parlement opgestelde aanbevelingen inzake de onderhandelingen over een nieuw partnerschap tussen de EU en het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland, die zijn opgesteld door de twee co-rapporteurs van de commissies AFET en INTA als bevoegde commissies, komen op een zeer belangrijk moment in de onderhandelingen. Naar aanleiding van de resolutie van het Parlement van 12 februari 2020 en de formele start van de onderhandelingen begin maart is het Parlement van plan deze aanbevelingen aan te nemen door middel van een definitieve plenaire stemming in juni, vóór de conferentie op hoog niveau en de Europese Raad in juni, die de balans zal opmaken van de voortgang van de onderhandelingen.

 

Vanwege de hoge mate van complexiteit van de onderhandelingen is de zeer waardevolle deskundigheid van de gespecialiseerde commissies van het Parlement van het grootste belang voor de inhoud van deze tekst. Daarom voorzien deze aanbevelingen ook in de volledige betrokkenheid van de medeadviserende commissies in overeenstemming met de parlementaire procedures en worden ze voorbereid met de betrokkenheid van de fracties binnen de UKCG. Hun deskundigheid was absoluut cruciaal bij de beoordeling van het economische partnerschap, waarbij de nadruk lag op handel en gelijke concurrentievoorwaarden, maar ook op het toekomstige partnerschap op specifieke gebieden: visserij, gegevensbescherming, klimaatverandering en milieu, volksgezondheid en voedselveiligheid, burgerrechten, financiële aspecten, vervoer, energie, met inbegrip van civiele kernenergie, veiligheid en buitenlandse zaken en de deelname van het VK aan programma’s van de Unie.

 

Wat de inhoud betreft, hebben de aanbevelingen betrekking op een reeks belangrijke onderwerpen, zoals de algemene beginselen, de uitvoering van het terugtrekkingsakkoord, het economisch partnerschap, de handel en het gelijke speelveld, de specifieke sectorale vraagstukken, buitenlandse zaken en veiligheid, maar ook belangrijke governanceaspecten. Het verslag bevat de beoordeling door het Parlement van zowel de tenuitvoerlegging van het terugtrekkingsakkoord als de voortgang van de onderhandelingen, en kan daarom dienen als input van het Parlement voor de conferentie op hoog niveau en de bijeenkomst van de Europese Raad in juni. Het is ook belangrijk te onderstrepen dat het Parlement met deze aanbevelingen zijn krachtige steun en waardering uitspreekt voor het constructieve werk van de VK-taskforce van de Commissie onder leiding van de hoofdonderhandelaar van de EU, Michel Barnier. De EU staat eensgezind achter haar hoofdonderhandelaar en moet dat ook in de toekomst blijven doen.

 

Over de uitvoering van het terugtrekkingsakkoord en het Gemengd Comité

 

Een belangrijk deel van deze aanbevelingen is gericht op het belang van parlementair controle op de tenuitvoerlegging van het terugtrekkingsakkoord, met name als het gaat om de rechten van de burgers en het Protocol inzake Ierland en Noord-Ierland. Het onderhandelingsstandpunt van de Commissie houdt onder meer in dat er een rechtstreeks verband bestaat tussen een goede uitvoering van het terugtrekkingsakkoord en de betrouwbaarheid van het Verenigd Koninkrijk bij de onderhandelingen over de toekomstige betrekkingen.

 

Daarom zijn de aanbevelingen positief over het werk van het Gemengd Comité, dat namens de EU wordt geleid door de vicevoorzitter van de Commissie, Maroš Šefčovič. Het Gemengd Comité is een zeer belangrijk platform dat toezicht houdt op de tenuitvoerlegging van het terugtrekkingsakkoord. In dat verband is een passende parlementaire beoordeling ook essentieel voor het welslagen van het werk van het Gemengd Comité en zijn zes gespecialiseerde commissies. Op alle belangrijke gebieden zijn voldoende garanties nodig dat de uitvoering van het terugtrekkingsakkoord goed verloopt. Deze garanties moeten vóór het einde van de overgangsperiode worden ontvangen.


 

 

 

ADVIES VAN DE BEGROTINGSCOMMISSIE (05.4.2020)

<CommissionInt>aan de Commissie buitenlandse zaken en de Commissie internationale handel</CommissionInt>


<Titre>inzake aanbevelingen voor de onderhandelingen over een nieuw partnerschap met het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland</Titre>

<DocRef>(2020/2023(INI))</DocRef>Rapporteur voor advies: <Depute>Nicolae Ştefănuță</Depute>

Artikel 56 van het Reglement

 

 

 

SUGGESTIES

De Begrotingscommissie verzoekt de Commissie buitenlandse zaken en de Commissie internationale handel, die ten principale bevoegd zijn, onderstaande suggesties in hun ontwerpresolutie op te nemen:

A. overwegende dat een derde land niet dezelfde rechten kan hebben en dezelfde voordelen kan genieten als een lidstaat; overwegende dat de Unie de deelname van het VK aan Unieprogramma’s moet overwegen, rekening houdend met de strategische en financiële belangen van de Unie en haar burgers; overwegende dat bij elk besluit over deelname van het VK aan dergelijke programma’s rekening gehouden moet worden met alle relevante aspecten van het beoogde partnerschap, aangezien dat partnerschap een coherente structuur moet vormen; overwegende dat het VK al zijn financiële verplichtingen moet nakomen die in het kader van het terugtrekkingsakkoord zijn overeengekomen;

B. overwegende dat elke deelname van het VK aan programma’s van de Unie moet voldoen aan alle relevante regels en mechanismen en deelnemingsvoorwaarden, zoals vastgesteld in de desbetreffende rechtsgrondslagen; overwegende dat daarom onder meer een redelijk evenwicht moet worden gewaarborgd wat betreft bijdragen en voordelen van het VK en dat het VK, als derde land, geen beslissingsbevoegdheid kan genieten ten aanzien van de programma’s; overwegende dat er zoveel mogelijk duidelijkheid moet zijn over de mate van betrokkenheid van het VK bij programma’s;

C. overwegende dat het VK, indien de overgangsperiode wordt verlengd, als derde land wordt beschouwd wat betreft de uitvoering van de Unieprogramma’s en -activiteiten in het kader van het volgende MFK, en een financiële bijdrage aan de EU-begroting betaalt, waarvan het bedrag zal worden vastgesteld door het bij het terugtrekkingsakkoord ingestelde gemengd comité;

D. overwegende dat de financiële belangen van de Unie beschermd dienen te worden, onder meer door audits en onderzoeken uit te laten voeren door de diensten van de Commissie, het Europees Bureau voor fraudebestrijding (OLAF), het Europees Openbaar Ministerie (EOM), de Europese Rekenkamer en het Europees Parlement, door middel van zijn controlerecht;

E. overwegende dat de Unie en het VK in de politieke verklaring hebben herinnerd aan hun gezamenlijk voornemen om een toekomstig Peace Plus-programma op te zetten, met behoud van de huidige financieringsverhoudingen voor het toekomstige programma;

F. overwegende dat het VK in zijn mandaat stelt dat het deelname aan onderdelen van het Erasmus+-programma op tijdelijke basis zal overwegen;

1. beveelt aan dat de Commissie:

(a) de nodige actie onderneemt om ervoor te zorgen dat in de algemene beginselen en voorwaarden voor de deelname aan programma’s van de Unie die worden vastgesteld in het kader van het beoogde partnerschap onder meer wordt opgenomen dat het VK verplicht is een eerlijke en passende financiële bijdrage te leveren aan alle programma’s waaraan het deelneemt, zowel wat betreft de kosten voor deelname als de operationele bijdrage;

(b) ervoor zorgt dat voor elke deelname van het VK aan een programma als algemene voorwaarde wordt gesteld dat het VK deelneemt aan het volledige programma, tenzij gedeeltelijke deelname gerechtvaardigd is uit bijvoorbeeld vertrouwelijkheidsoverwegingen, en deelneemt voor de volledige duur van het programma in kwestie; niet toestaat dat het VK deelneemt aan slechts delen van het Erasmus+-programma of voor een periode die korter is dan de volledige duur van het programma in het MFK, en zorgt voor voorspelbaarheid voor in de Unie gevestigde deelnemers aan Unieprogramma’s en voor stabiliteit met betrekking tot de begrotingstoewijzingen;

(c) voorstellen doet voor regelingen om de samenwerking tussen de autoriteiten van het VK en de EU-agentschappen ten uitvoer te leggen, rekening houdend met het feit dat het VK als derde land geen enkele beslissingsbevoegdheid over de Unie-agentschappen zal hebben;

(d) ervoor zorgt dat de deelname van het VK aan Unieprogramma’s geen netto-overdrachten van de Uniebegroting naar het VK met zich meebrengt, en dat de Unie de deelname van het VK aan de programma’s van de Unie eenzijdig kan opschorten of beëindigen indien niet aan de voorwaarden voor deelname is voldaan of indien het VK zijn financiële bijdrage niet betaalt;

(e) ervoor zorgt dat in het Verdrag met het VK de nodige bepalingen worden opgenomen om financiële onregelmatigheden, fraude, witwassen van geld en andere strafbare feiten die de financiële belangen van de Unie schaden, aan te pakken;

(f) alle mogelijke scenario’s, waaronder verlenging van de overgangsperiode en de daaruit voortvloeiende financiële verplichtingen van het VK, in kaart brengt en hiervoor voorbereidingen treft, om goed financieel beheer van de begroting van de Unie te waarborgen.


INFORMATIE OVER DE GOEDKEURING IN DE ADVISERENDE COMMISSIE

Datum goedkeuring

4.5.2020

 

 

 

Uitslag eindstemming

+:

–:

0:

38

0

3

Bij de eindstemming aanwezige leden

Rasmus Andresen, Clotilde Armand, Robert Biedroń, Anna Bonfrisco, Olivier Chastel, Lefteris Christoforou, David Cormand, Paolo De Castro, José Manuel Fernandes, Eider Gardiazabal Rubial, Valentino Grant, Elisabetta Gualmini, Francisco Guerreiro, Valerie Hayer, Eero Heinäluoma, Niclas Herbst, Monika Hohlmeier, Mislav Kolakušić, Moritz Körner, Joachim Kuhs, Zbigniew Kuźmiuk, Ioannis Lagos, Hélène Laporte, Pierre Larrouturou, Janusz Lewandowski, Margarida Marques, Siegfried Mureşan, Victor Negrescu, Andrey Novakov, Jan Olbrycht, Dimitrios Papadimoulis, Karlo Ressler, Bogdan Rzońca, Nicolae Ştefănuță, Nils Torvalds, Nils Ušakovs, Johan Van Overtveldt, Rainer Wieland, Angelika Winzig

Bij de eindstemming aanwezige vaste plaatsvervangers

Damian Boeselager, Petros Kokkalis

 


 

HOOFDELIJKE EINDSTEMMING IN DE ADVISERENDE COMMISSIE

 

+

ECR

Zbigniew Kuźmiuk, Johan Van Overtveldt, Bogdan Rzońca,

GUE/NGL

Petros Kokkalis, Dimitrios Papadimoulis

ID

Hélène Laporte

 

PPE

Lefteris Christoforou, José Manuel Fernandes, Niclas Herbst, Monika Hohlmeier, Janusz Lewandowski, Siegfried Mureşan, Andrey Novakov, Jan Olbrycht, Karlo Ressler, Rainer Wieland, Angelika Winzig

 

 

 

RENEW

Clotilde Armand, Olivier Chastel, Valerie Hayer, Moritz Körner

Nicolae Ştefănuță, Nils Torvalds

 

S&D

Robert Biedroń, , Paolo De Castro, Eider Gardiazabal Rubial, Elisabetta Gualmini,

Eero Heinäluoma, Pierre Larrouturou, Margarida Marques, Victor Negrescu

Nils Ušakovs

 

 

 

VERTS/ALE

Rasmus Andresen, David Cormand, Francisco Guerreiro, Damian Boeselager

 

NI

Ioannis Lagos

 

 

-

 

 

 

 

0

ID

Anna Bonfrisco, Valentino Grant, Joachim Kuhs

 

 

Verklaring van de gebruikte tekens:

+ : voor

- : tegen

0 : onthouding

 


 

 

 

ADVIES VAN DE COMMISSIE ECONOMISCHE EN MONETAIRE ZAKEN (25.5.2020)

<CommissionInt>aan de Commissie buitenlandse zaken</CommissionInt>


<Titre>inzake aanbevelingen voor de onderhandelingen over een nieuw partnerschap met het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland</Titre>

<DocRef>(2020/2023(INI))</DocRef>

Rapporteur voor advies: <Depute>Pedro Silva Pereira</Depute>

 



SUGGESTIES

De Commissie economische en monetaire zaken verzoekt de bevoegde Commissie buitenlandse zaken onderstaande suggesties in haar ontwerpresolutie op te nemen:

1. herinnert aan zijn resoluties van 15 januari 2020 over de uitvoering van en het toezicht op de bepalingen over burgerrechten in het terugtrekkingsakkoord[20] en van 12 februari 2020 over het voorgestelde mandaat voor onderhandelingen over een nieuw partnerschap met het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland[21]; neemt kennis van het feit dat de onderhandelingen over de toekomstige betrekkingen zich nog in een zeer vroeg stadium bevinden en onderstreept dat de COVID-19-crisis grote gevolgen heeft voor dit proces en het tijdschema ervan;

2. benadrukt dat de volledige tenuitvoerlegging van het terugtrekkingsakkoord, met inbegrip van het Protocol inzake Noord-Ierland, dat waarborgt dat er geen harde grens op het eiland Ierland komt, een voorwaarde is en een basiselement vormt voor een nieuw partnerschap tussen de EU en het VK; uit in zijn bezorgdheid over het feit dat uit de uitspraken van de regering van het VK een gebrek aan politieke wil blijkt om haar juridische verbintenissen op grond van het terugtrekkingsakkoord, namelijk die met betrekking tot grenscontroles in de Ierse Zee, volledig na te komen; stelt vast dat in het Gemengd Comité met betrekking tot deze kwestie geen concrete garanties zijn gegeven; onderstreept dat wederzijds vertrouwen tussen de partijen essentieel is in deze onderhandelingen;

3. merkt op dat de EU en het VK naaste buren blijven en veel gemeenschappelijke belangen zullen houden; benadrukt dat de economieën van de EU en het VK in hoge mate geïntegreerd zijn en onderling afhankelijk zijn; herinnert eraan dat het VK na zijn vertrek uit de EU nog steeds een van de naaste bondgenoten van de EU, een NAVO-partner en een belangrijke handelspartner is; dringt er daarom op aan dat alle overeenkomsten inzake de nieuwe betrekkingen tussen de EU en het VK rekening houden met de status van het VK als derde land, samenhangend zijn en afgestemd zijn op de geografische nabijheid van beide partijen en op de hoge mate van verwevenheid van hun economieën; herinnert eraan dat de politieke verklaring, die gebaseerd is op de bestaande unieke betrekkingen, als basis dient voor een ambitieus, breed, diep en flexibel partnerschap;

4. is verheugd over het feit dat de Commissie een uitgebreid wetgevingsvoorstel voor een nieuw partnerschap heeft ingediend en gepubliceerd, dat in grote lijnen in overeenstemming is met haar onderhandelingsmandaat en de resolutie van het Parlement; verzoekt de Commissie transparantie te blijven betrachten met de medewetgevers, de financiëledienstensector en consumenten, en betreurt ten zeerste dat de regering van het VK heeft geweigerd een vergelijkbaar niveau van transparantie te accepteren; benadrukt dat duidelijkheid en zekerheid van cruciaal belang zijn voor de bedrijfscontinuïteit en de naadloze verstrekking van diensten aan consumenten en wanneer het gaat om het voorkomen van marktvolatiliteit;

5. merkt op dat er in dit aanvankelijke stadium van de onderhandelingen sprake is van aanzienlijke verschillen in de standpunten van de partijen, onder meer met betrekking tot de reikwijdte en de juridische architectuur van de te onderhandelen tekst; maakt zich ernstig zorgen over de beperkte reikwijdte van het toekomstige partnerschap dat de regering van het VK voor zich ziet en wijst erop dat de voorstellen van het VK achterblijven bij de toezeggingen die het land heeft gedaan in het kader van het terugtrekkingsakkoord en de politieke verklaring;

6. is van mening dat het gezien de geografische nabijheid en de huidige economische onderlinge afhankelijkheid van het VK en de EU in het wederzijds belang van beide partijen is om een ambitieus en betrouwbaar nieuw economisch partnerschap tot stand te brengen dat het grootst mogelijke aantal sectoren omvat; onderstreept dat in ieder geval een gelijk speelveld moet worden gewaarborgd en dat de EU-normen moeten worden gewaarborgd om een “race naar de bodem” en het creëren van oneerlijke concurrentievervalsende voordelen of andere verschillen in regelgeving te voorkomen; benadrukt dat openbare aanbestedingsprocedures wederzijds open moeten blijven als randvoorwaarde voor een daadwerkelijk gelijk speelveld tussen de partijen; is van mening dat een nieuw kader eerlijke mededinging, de rechten van werknemers, de financiële stabiliteit van de EU, de bescherming van investeerders en consumenten, transparantie bij de bevordering van en steun die wordt verleend aan kennisindustrieën, de integriteit van de interne markt en de verbintenissen ter bestrijding van klimaatverandering waardoor wordt gegarandeerd dat het huidige niveau van bescherming en normen niet worden afgezwakt, moet waarborgen; benadrukt dat het resulterende kader duidelijk en transparant moet zijn en geen onevenredige belasting mag veroorzaken voor micro-, kleine en middelgrote ondernemingen (kmo’s); verzoekt de partijen de behoeften en belangen van deze ondernemingen in het toekomstig akkoord te beschermen, in het bijzonder met betrekking tot de vergemakkelijking van de toegang tot de markt, met inbegrip van, maar niet beperkt tot, de verenigbaarheid van technische normen en gestroomlijnde douaneprocedures; merkt in het bijzonder op dat de economie in grensgebieden in Ierland door de afwezigheid van de volledige reeks bepalingen voor een gelijk speelveld mogelijk wordt verstoord, in het bijzonder wat sociale en arbeidsnormen betreft; onderstreept dat het belangrijk is nauwe en gestructureerde samenwerking te onderhouden inzake regelgevings- en toezichtskwesties, zowel op het politieke als het technische niveau en hierbij het regelgevingskader en de beslissingsautonomie van de EU te eerbiedigen;

7. is van mening dat het toekomstig partnerschap een hoog niveau van milieu-, arbeids- en sociale bescherming moet waarborgen en toekomstige initiatieven om dit beschermingsniveau te verhogen, niet mag ondermijnen; steunt in dit verband de clausule over non-regressie van het niveau van klimaatbescherming en spoort beide partijen aan de maatregelen te versterken en samen te werken inzake kwesties die betrekking hebben op duurzame productie en consumptie, het bevorderen van de circulaire economie en het stimuleren van groene en sociaal inclusieve groei; is verheugd over de toezegging van de partijen om uiterlijk in 2050 de doelstelling van klimaatneutraliteit van de gehele economie te verwezenlijken en hun beleid in overeenstemming te brengen met de doelstellingen die zijn vastgelegd in de VN-doelstellingen inzake duurzame ontwikkeling en in de Overeenkomst van Parijs; pleit voor een regelmatige beleidsdialoog om de uitvoering van de Overeenkomst van Parijs en de doelstellingen inzake duurzame ontwikkeling te monitoren;

8. pleit voor robuuste en omvattende garanties op het gebied van mededinging, toezicht op staatssteun, staatsbedrijven, kartelbestrijding en toezicht op fusies, teneinde een gelijk speelveld voor het VK en de EU te garanderen en te handhaven en oneerlijke mededinging en de verstoring van het handelsverkeer te voorkomen en te verbieden; benadrukt dat het noodzakelijk is vast te houden aan strenge gemeenschappelijke normen in het mededingingsrecht en wat betreft het toezicht op staatssteun; benadrukt dat het noodzakelijk is de bescherming van investeerders en consumenten, de integriteit van de interne markt en de afstemming van het VK met de EU-regels voor mededinging en staatssteun te waarborgen; pleit voor doeltreffende handhaving en de mogelijkheid van corrigerende maatregelen zoals beschreven in de EU-verdragen;

9. is van oordeel dat de dialoog van de EU met het VK over regelgeving en toezicht in de context van financiële diensten gevoerd moet worden op basis van een vrijwillige regelgevingsdialoog tussen beleidsmakers, regelgevende instanties en toezichthouders, teneinde afstemming van de regelgeving te bevorderen en zorgen en optimale werkwijzen op het gebied van toezicht te delen, waaronder die met betrekking tot nieuwe innovatieve diensten en kwesties van wederzijds belang; is van mening dat het toekomstig akkoord specifieke bepalingen moet bevatten over samenwerking tussen de Europese toezichthoudende autoriteiten en de financiële toezichthoudende autoriteiten van het VK, zodat regelmatig kennis wordt gegeven van wijzigingen met betrekking tot het wettelijke kader en de uitvoering daarvan; erkent dat het financiële ecosysteem van de EU zeer verweven is met de diensten die door in het VK gevestigde banken en marktinfrastructuren worden verleend; is van mening dat inspanningen moeten worden verricht om de vlotte samenwerking te behouden, voor een gelijk speelveld te zorgen en verschillen in regelgeving inzake financiële diensten in het VK te beperken en zo geïntegreerde kapitaalmarkten en de toegang voor Europese financiële instellingen tot passende marktinfrastructuren in het VK te behouden;

10. herinnert eraan dat paspoortrechten, die gebaseerd zijn op wederzijdse erkenning en geharmoniseerde prudentiële regels en toezichtsconvergentie in de interne markt, na het einde van de overgangsperiode niet langer van toepassing zullen zijn tussen de EU en het VK, aangezien het VK een derde land wordt; onderstreept dat toegang tot de Europese financiële markt daarna gebaseerd moet zijn op het autonome gelijkwaardigheidskader van de EU; herinnert echter aan de beperkte reikwijdte van gelijkwaardigheidsbesluiten; benadrukt dat om prudentiële redenen en voor het waarborgen van de financiële stabiliteit aanvullende specifieke maatregelen en vereisten kunnen worden vastgesteld en behouden; onderstreept het toekomstige partnerschap met het VK robuuste prudentiële uitzonderingsregelingen moet omvatten om wettelijke garanties te bieden voor het recht van beide partijen om regels op te stellen in het openbaar belang;

11. benadrukt dat EU-wetgeving de mogelijkheid biedt om regels van derde landen als gelijkwaardig te beschouwen op basis van een proportionele en op risico gebaseerde analyse; benadrukt dat gelijkwaardigheidsbeoordelingen een technisch proces zijn dat gebaseerd moet zijn op duidelijke, objectieve en transparante criteria; herinnert aan zijn standpunt in het verslag over betrekkingen tussen de EU en derde landen met betrekking tot de regulering van en het toezicht op financiële diensten dat gelijkwaardigheidsbesluiten inzake financiële diensten moeten worden genomen in de vorm van gedelegeerde handelingen; merkt in dit verband op dat de Commissie een beoordeling van de gelijkwaardigheid van de financiële regelgeving van het VK zal uitvoeren en dat alleen gelijkwaardigheid kan worden toegekend als het stelsel en de normen inzake regulering en toezicht van het VK gelijkwaardig zijn aan die van de EU, zodat een gelijk speelveld wordt gewaarborgd; is verheugd dat de partijen in de politieke verklaring waarin het kader wordt geschetst voor de toekomstige betrekkingen tussen de EU en het VK hebben verklaard dat zij zich zullen inspannen om de gelijkwaardigheidsbeoordelingen voor het einde van juni 2020 te voltooien; verzoekt beide partijen zich te blijven inspannen om deze doelstelling te behalen; is van mening dat in het geval gelijkwaardigheid is verleend aan het VK, moet worden gepoogd deze gelijkwaardigheid te behouden, maar herinnert eraan dat de EU de status van gelijkwaardigheid op ieder moment unilateraal kan intrekken;

12. wijst erop dat de veranderingen van het gelijkwaardigheidskader voor investeringsondernemingen die zijn ingevoerd bij Verordening (EU) 2019/2033 van het Europees Parlement en de Raad van 27 november 2019 betreffende prudentiële vereisten voor beleggingsondernemingen[22] inhouden dat de Europese Autoriteit voor effecten en markten “de ontwikkelingen op het gebied van regulering en toezicht, de handhavingspraktijken en andere relevante marktontwikkelingen in derde landen [moet monitoren]”; merkt op dat dergelijke bepalingen als blauwdruk kunnen dienen voor een doeltreffend monitoringsysteem;

13. herinnert eraan dat een aanzienlijke hoeveelheid van in euro’s luidende derivaten in het Verenigd Koninkrijk werd gecleard, wat mogelijk implicaties heeft voor de financiële stabiliteit van de Europese Unie; is verheugd over de nieuwe toezichtsregeling die is ingevoerd bij Verordening (EU) 2019/2099 van het Europees Parlement en de Raad van 23 oktober 2019 wat betreft de procedures en betrokken autoriteiten voor de vergunningverlening aan CTP’s en de vereisten voor de erkenning van CTP’s uit derde landen[23]; verzoekt het onlangs opgerichte Comité voor toezicht op centrale tegenpartijen gebruik te maken van de bij deze verordening verleende bevoegdheden om de financiële stabiliteit in de EU te waarborgen en verzoekt de Commissie een vergelijkbare benadering te overwegen voor andere in het Verenigd Koninkrijk gevestigde gebieden op het gebied van marketing, clearing of bij het overnemen van euro’s luidende financiële instrumenten;

14. wijst er opnieuw op dat het belangrijk is te zorgen voor een kader voor snelle samenwerking en informatie-uitwisseling tussen de EU en het VK bij het voorkomen, opsporen en bestraffen van het witwassen van geld en het financieren van terrorisme, en een gelijk speelveld te handhaven; verzoekt de partijen in de toekomstige partnerschapsovereenkomst bepalingen op te nemen over het beleid inzake de bestrijding van witwassen en de financiering van terrorisme (AML/CFT), met inbegrip van een mechanisme voor de uitwisseling van informatie; herinnert eraan dat de EU en het VK in de politieke verklaring hebben toegezegd dat zij wat betreft de transparantie met betrekking tot uiteindelijke begunstigden verder zullen gaan dan de normen inzake AML/CFT van de Financiële-actiegroep en een einde zullen maken aan de anonimiteit in verband met het gebruik van virtuele valuta zullen, onder meer door middel van cliëntenonderzoeksprocedures; onderstreept dat het VK de internationale normen moet naleven en zich moet blijven houden aan EU-regelgeving en aan de zich ontwikkelende normen daarvan op het gebied van de bestrijding van witwassen, waardoor in sommige opzichten strengere normen worden gesteld wat betreft bescherming en meer transparantie wordt vereist dan door de huidige internationale normen; herinnert aan het bestaan van een EU-lijst van derde landen die strategische tekortkomingen vertonen in hun kader voor de bestrijding van het witwassen van geld en de bestrijding van terrorismefinanciering en verzoekt het VK na de overgangsperiode zich continu aan het EU-kader inzake AML/CFT te verbinden;

15. is ingenomen met de vereisten die worden genoemd in artikel LAW.AML.130 en artikel LAW.AML.131 van de ontwerptekst van de Commissie van 18 maart 2020 over het nieuwe partnerschap met het Verenigd Koninkrijk[24] wat betreft de transparantie over uiteindelijke begunstigden met betrekking tot juridische entiteiten en juridische constructies; herinnert eraan dat het voor beide partijen van het grootste belang is ervoor te zorgen dat de informatie die is opgeslagen in centrale registers beschikbaar is volgens dezelfde normen die zijn vervat in Richtlijn (EU) 2018/843 van het Europees Parlement en de Raad van 30 mei 2018 inzake de voorkoming van het gebruik van het financiële stelsel voor het witwassen van geld of terrorismefinanciering[25], vooral in verband met overweging 42 daarvan over het begrip “legitiem belang”;

16. verzoekt beide partijen in de nieuwe partnerschapsovereenkomst specifieke bepalingen op te nemen over het toezicht op financiële en niet-financiële meldingsplichtige entiteiten in de context van het antiwitwaskader; herinnert aan de mededeling van de Commissie getiteld “Naar een betere toepassing van het kader voor de bestrijding van het witwassen van geld en het financieren van terrorisme” (COM(2019) 0360) en haar verslag over de beoordeling van recente vermeende gevallen van het witwassen van geld waarbij EU-kredietinstellingen betrokken zijn, waarin werd geconcludeerd dat het antiwitwastoezicht van de EU grotendeels ontoereikend was;

17. is van mening dat het vrije verkeer van EU-onderdanen – met inbegrip van toekomstige grensarbeiders – en het vrije verkeer van diensten op het eiland Ierland belangrijk zijn om schade aan de economie van het hele eiland te voorkomen en dat deze kwestie in een toekomstig akkoord moet worden opgenomen;

18. beveelt gezien de toenemende digitalisering van de handel, waaronder diensten, aan dat de partijen als onderdeel van het governanceraamwerk van het nieuwe partnerschap bepalingen overeenkomen voor het faciliteren van digitale handel, het aanpakken van ongerechtvaardigde belemmeringen voor de handel via elektronische middelen en voor het waarborgen van een open, veilige en betrouwbare online-omgeving voor ondernemingen en consumenten; benadrukt dat deze bepalingen de noodzakelijke gegevensstromen moeten faciliteren, behoudens uitzonderingen voor legitieme doelstellingen van overheidsbeleid, waarbij deze bepalingen de regels van de EU voor de bescherming van persoonsgegevens niet mogen ondermijnen en aan passende rechterlijke toetsing onderworpen moeten zijn;

19. benadrukt dat aanzienlijke investeringen nodig zullen zijn in douanecontrolefaciliteiten aan de grenzen tussen de EU en het VK en het toekomstige akkoord alomvattende mechanismen voor douanesamenwerking moet omvatten teneinde de grensoverschrijdende handel te vergemakkelijken;

20. is van oordeel dat in een toekomstig akkoord duidelijke mechanismen moeten worden opgenomen om te zorgen voor doeltreffende uitvoering, handhaving en geschillenbeslechting met betrekking tot wetgeving inzake de bovengenoemde gebieden; is ingenomen met het feit dat volgens het door de Commissie ingediende ontwerp van juridische overeenkomst het Hof van Justitie van de Europese Unie bevoegd zal zijn bij wijze van bindende prejudiciële beslissing uitspraak te doen over de uitlegging van een begrip van het recht van de EU of een vraag over de uitlegging van een bepaling van het recht van de EU;

21. verzoekt de EU en het VK zich sterk ervoor in te zetten dat ook in de overzeese gebiedsdelen van het VK, de zones die onder de soevereiniteit van het VK vallen en zijn direct van de Kroon afhankelijke gebieden wordt voldaan aan de criteria voor goed fiscaal bestuur in overeenstemming met de huidige en de zich ontwikkelende internationale en Europese normen, in het bijzonder wat betreft de uitwisseling van informatie over belasting, belastingtransparantie, rechtvaardige belastingheffing, maatregelen tegen belastingontwijking en de normen van de OESO tegen grondslaguitholling en winstverschuiving; verzoekt de partijen voorts vast te houden aan de normen van de Financiële-actiegroep;

22. verzoekt de partijen prioriteit te geven aan de gecoördineerde bestrijding van belastingontwijking en belastingontduiking; verzoekt de partijen schadelijke belastingpraktijken aan te pakken door samen te werken in het kader van de EU-Gedragscode inzake de belastingregeling voor ondernemingen; wijst in dit verband op het landverslag van de Commissie voor het VK in het kader van het Europees semester van 2020, waarin het stelsel van het VK voor dividendbelasting en het grote aantal bilaterale belastingverdragen van het VK kenmerken zijn die door ondernemingen kunnen worden gebruikt voor agressieve belastingplanning; merkt op dat er voor het VK volgens de Commissie veel indicatoren zijn die erop wijzen dat een land kenmerken heeft die door ondernemingen kunnen worden gebruik voor belastingontwijking; pleit ervoor dat deze kwestie in het toekomstig akkoord specifiek aan de orde wordt gesteld en wordt beschreven hoe het VK deze situatie in de toekomst zal verbeteren; merkt op dat het VK aan het einde van de overgangsperiode als derde land zal worden beschouwd en door de Groep gedragscode (belastingregeling ondernemingen) zal worden beoordeeld aan de hand van de criteria die zijn vastgesteld voor de EU-lijst van niet-coöperatieve jurisdicties; verzoekt de partijen volledige administratieve samenwerking te waarborgen om te zorgen voor de naleving van de btw-wetgeving en de bescherming en inning van btw-inkomsten;

23. is verheugd over de toezegging van het VK dat het vasthoudt aan de tenuitvoerlegging van DAC 6[26]; verzoekt de partijen ervoor te zorgen dat de bepalingen die zijn opgenomen in de verschillende richtlijnen over verplichte automatische uitwisseling van inlichtingen op belastinggebied (DAC[27], DAC 2[28], DAC 3[29], DAC 4[30], DAC 5[31]) over inkomen, financiële rekeningen, fiscale rulings, verslaglegging per land en de uiteindelijke begunstigde van kracht blijven; beveelt aan dat de partijen een speciaal platform oprichten voor het onderhouden van administratieve samenwerking teneinde te zorgen voor de voortzetting van de informatie-uitwisseling en de coördinatie van toekomstige voorstellen voor informatie-uitwisseling, bijvoorbeeld voor online-platforms;

24. verzoekt de partijen ervoor te zorgen dat hun respectieve belastingbeleid de verwezenlijking van de in de Overeenkomst van Parijs beschreven doelstellingen ondersteunt en verzoekt de partijen samen te werken in het kader van een toekomstig EU-mechanisme voor koolstofcorrectie aan de grens, in het bijzonder om enige vorm van dubbele belastingheffing te voorkomen terwijl de milieudoelstellingen van een EU-mechanisme voor koolstofcorrectie aan de grens worden verwezenlijkt;

25. wijst erop dat het Gemengd Comité in overeenstemming met artikel 132 van het terugtrekkingsakkoord een besluit kan vaststellen tot verlenging van de overgangsperiode; is van mening dat een mogelijke verlenging van de overgangsperiode serieus moet worden overwogen in het licht van de resterende verschillen en de gevolgen van de COVID-19-crisis, teneinde te bekijken of meer tijd nodig is om de onderhandelingen over een integraal toekomstig partnerschap af te ronden en tegelijkertijd de rechten van burgers, de rechtszekerheid en de economische en financiële stabiliteit te waarborgen; herhaalt zijn standpunt dat vanwege de complexiteit van de onderhandelingen en de beperkte tijdsspanne een reëel risico bestaat van een “cliff-edge”-scenario voor economische gebieden waarin de noodmaatregelen of het internationale kader geen toereikend rechtskader vormen om ernstige verstoringen te voorkomen; is van oordeel dat zowel de EU als het VK er belang bij hebben dat hun toekomstige betrekkingen ordelijk worden geregeld;

26. wijst erop dat de liquiditeit van de obligatiemarkt van de lidstaten en de wisselliquiditeit van de nationale valuta van lidstaten die niet tot de eurozone behoren, afhankelijk zijn van de door investeringsbanken in het VK aangeboden infrastructuur; merkt op dat er een grote noodzaak bestaat bovengenoemde kwestie in aanmerking te nemen bij de onderhandelingen over het nieuwe partnerschap tussen de EU en het VK, aangezien het in veel rechtsstelsels in de EU verboden is de primaire handel in staatsobligaties in derde landen te verrichten;

27. is van mening dat de brexit een nieuw momentum kan creëren voor het bevorderen van het project van de kapitaalmarktenunie, wat kan bijdragen tot de verstrekking van leningen aan de reële economie, in het bijzonder voor kmo’s, het delen van particuliere risico’s verder kan vergemakkelijken, de behoefte aan publieke risicodeling kan terugdringen en de financiering via banken kan completeren.


INFORMATIE OVER DE GOEDKEURING IN DE ADVISERENDE COMMISSIE

Datum goedkeuring

20.5.2020

 

 

 

Uitslag eindstemming

+:

–:

0:

48

3

9

Bij de eindstemming aanwezige leden

Gunnar Beck, Marek Belka, Isabel Benjumea Benjumea, Stefan Berger, Gilles Boyer, Francesca Donato, Derk Jan Eppink, Engin Eroglu, Markus Ferber, Jonás Fernández, Raffaele Fitto, Frances Fitzgerald, José Manuel García-Margallo y Marfil, Luis Garicano, Valentino Grant, José Gusmão, Enikő Győri, Eero Heinäluoma, Danuta Maria Hübner, Stasys Jakeliūnas, Herve Juvin, Othmar Karas, Billy Kelleher, Ondřej Kovařík, Georgios Kyrtsos, Aurore Lalucq, Aušra Maldeikienė, Pedro Marques, Costas Mavrides, Jörg Meuthen, Csaba Molnár, Siegfried Mureşan, Caroline Nagtegaal, Luděk Niedermayer, Lefteris Nikolaou-Alavanos, Piernicola Pedicini, Lídia Pereira, Kira Marie Peter-Hansen, Sirpa Pietikäinen, Dragoș Pîslaru, Evelyn Regner, Antonio Maria Rinaldi, Alfred Sant, Joachim Schuster, Ralf Seekatz, Pedro Silva Pereira, Paul Tang, Cristian Terheş, Irene Tinagli, Ernest Urtasun, Inese Vaidere, Johan Van Overtveldt, Stéphanie Yon-Courtin, Marco Zanni, Roberts Zīle

Bij de eindstemming aanwezige vaste plaatsvervangers

Karima Delli, Chris MacManus, Ville Niinistö, Mikuláš Peksa, Mick Wallace

 


 

HOOFDELIJKE EINDSTEMMING IN DE ADVISERENDE COMMISSIE

48

+

ECR

Johan Van Overtveldt

GUE/NGL

José Gusmão, Chris MacManus, Mick Wallace

NI

Piernicola Pedicini

PPE

Isabel Benjumea Benjumea, Stefan Berger, Markus Ferber, Frances Fitzgerald, José Manuel García-Margallo y Marfil, Enikő Győri, Danuta Maria Hübner, Othmar Karas, Georgios Kyrtsos, Aušra Maldeikienė, Siegfried Mureşan, Luděk Niedermayer, Lídia Pereira, Sirpa Pietikäinen, Ralf Seekatz, Inese Vaidere

Renew

Gilles Boyer, Engin Eroglu, Luis Garicano, Billy Kelleher, Ondřej Kovařík, Caroline Nagtegaal, Dragoș Pîslaru, Stéphanie Yon-Courtin

S&D

Marek Belka, Jonás Fernández, Eero Heinäluoma, Aurore Lalucq, Pedro Marques, Costas Mavrides, Csaba Molnár, Evelyn Regner, Alfred Sant, Joachim Schuster, Pedro Silva Pereira, Paul Tang, Irene Tinagli

Verts/ALE

Karima Delli, Stasys Jakeliūnas, Ville Niinistö, Mikuláš Peksa, Kira Marie Peter-Hansen, Ernest Urtasun

 

3

-

ID

Gunnar Beck, Herve Juvin, Jörg Meuthen

 

9

0

ECR

Derk Jan Eppink, Raffaele Fitto, Cristian Terheş, Roberts Zīle

ID

Francesca Donato, Valentino Grant, Antonio Maria Rinaldi, Marco Zanni

NI

Lefteris Nikolaou-Alavanos

 

Verklaring van de gebruikte tekens:

+ : voor

- : tegen

0 : onthouding

 

 


 

 

ADVIES VAN DE COMMISSIE INTERNE MARKT EN CONSUMENTENBESCHERMING (28.5.2020)

<CommissionInt>aan de Commissie buitenlandse zaken en de Commissie internationale handel</CommissionInt>


<Titre>inzake de aanbevelingen voor de onderhandelingen over een nieuw partnerschap met het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland</Titre>

<DocRef>(2020/2023(INI))</DocRef>

Rapporteur voor advies: <Depute>Kris Peeters</Depute>

 

 

SUGGESTIES

De Commissie interne markt en consumentenbescherming verzoekt de bevoegde Commissie buitenlandse zaken en de bevoegde Commissie internationale handel onderstaande suggesties in hun ontwerpresolutie op te nemen:

A. overwegende dat een akkoord met het VK wat rechten en plichten betreft evenwichtig moet zijn, de integriteit en de goede werking van de interne markt en de douane-unie van de EU en de ondeelbaarheid van de vier vrijheden volledig moet eerbiedigen, en voor een gelijk speelveld voor ondernemingen en een hoog niveau van consumentenbescherming moet zorgen; overwegende dat een niet-lidstaat van de Unie, die niet dezelfde verplichtingen hoeft na te komen als een lidstaat, ook niet dezelfde rechten en voordelen kan genieten als een lidstaat;

B. overwegende dat toegang tot de interne markt van de EU alleen mogelijk is indien de desbetreffende internemarktwetgeving volledig in acht wordt genomen; overwegende dat de consumentenbescherming in de EU wordt gewaarborgd door middel van een uitgebreid Europees rechtskader;

C. overwegende dat de Unie de belangrijkste handelsmacht ter wereld is, met de grootste interne markt, en fungeert als belangrijke stuwende kracht achter economische welvaart; overwegende dat de uitvoer van de EU-27 naar het VK in 2019 318,1 miljard EUR bedroeg, en de invoer in de EU-27 vanuit het VK 193,7 miljard EUR;

D. overwegende dat de termijn voor de afsluiting van de onderhandelingen over een nieuw partnerschap met het VK ambitieus is, de onderhandelingen zeer complex zijn, en de ongekende crisis als gevolg van de Covid-19-pandemie en de daaruit voortvloeiende opschorting van de onderhandelingen de situatie nog lastiger maken;

1. benadrukt nogmaals met klem dat het terugtrekkingsakkoord door beide partijen in al zijn onderdelen volledig moet worden uitgevoerd, en dat dit in belangrijke mate bepalend kan zijn voor de vraag of de onderhandelingen over het toekomstige akkoord te goeder trouw zullen kunnen plaatsvinden;

2. is van oordeel dat zowel de EU, als het VK er belang bij hebben middels het toekomstige akkoord tot ambitieuze, alomvattende en evenwichtige betrekkingen te komen;

3. benadrukt dat alle instellingen, lidstaten, ondernemingen en burgers van de EU zich moeten voorbereiden op een nieuw partnerschap met het VK aan het eind van de overgangsperiode;

4. onderstreept dat een akkoord met het VK de ambitieuze en evenwichtige reeks maatregelen die in de afgelopen vijf jaar door de Commissie zijn voorgesteld, zoals de strategie voor de interne markt, de kapitaalmarktenunie, de strategie voor een digitale interne markt en de Europese digitale strategie, niet mag ondermijnen;

Interne markt

5. wijst er in het bijzonder op dat het toekomstige akkoord regelingen inzake markttoegang voor goederen en diensten, openbare aanbestedingen en de erkenning van beroepskwalificaties moet omvatten, alsook inzake productregels, op voorwaarde dat sprake is van een gelijk speelveld;

6. is van mening dat de Unie een volledig operationele interne markt nodig heeft die de verspreiding van groene, innovatieve oplossingen aanmoedigt om te komen tot een koolstofvrije en circulaire economie en dat het toekomstige akkoord met het VK in lijn moet zijn met deze doelstelling;

7. beklemtoont dat een derde land in geen geval dezelfde rechten kan hebben en dezelfde voordelen kan genieten als een lidstaat; wijst erop dat de rechten en privileges die aan de toegang tot de interne markt verbonden zijn, gepaard gaan met strenge verplichtingen om de regels van de interne markt volledig te eerbiedigen en na te leven; herhaalt in dit verband dat een evenwichtig, ambitieus en alomvattend toekomstig akkoord alleen mogelijk is indien voor ondernemingen en consumenten een gelijk speelveld tot stand wordt gebracht, in concreto door middel van de bepaling, de goede uitvoering en de doeltreffende handhaving van robuuste garanties, met het oog op het behoud van equivalente normen en dynamische onderlinge afstemming;

8. onderstreept dat dynamische onderlinge afstemming van de regelgeving en bepalingen inzake robuust markttoezicht die helpen garanderen dat de productregels in acht worden genomen een essentieel en onvervangbaar onderdeel van een toekomstig akkoord moeten uitmaken, gericht op het tot stand brengen van een gelijk speelveld; beklemtoont dat rechtszekerheid voor EU-ondernemingen, in combinatie met een hoog niveau van bescherming van EU-consumenten middels doeltreffend markttoezicht, traceerbaarheid van producten en samenwerking tussen markttoezichtautoriteiten op dit gebied, kan bijdragen tot de totstandbrenging van een gelijk speelveld; benadrukt verder dat een gelijk speelveld een horizontaal mechanisme behoeft, zoals een alomvattend kader voor governance voor alle gebieden waarop wordt samengewerkt, teneinde te zorgen voor doeltreffende uitvoering, monitoring, handhaving en geschilbeslechting door naar behoren uitgeruste nationale autoriteiten via doeltreffende administratieve en gerechtelijke procedures; geeft aan dat een dergelijk horizontaal mechanisme de autonomie van de besluitvormingsprocessen en de rechtsorde van de EU volledig moet eerbiedigen, en de Unie passende instrumenten moet bieden om zich tegen een eventuele niet-eerbiediging door het VK te verweren;

9. herhaalt dat het toekomstige akkoord sowieso betekent dat goederen aan douanecontroles en -verificaties zullen worden onderworpen vooraleer ze tot de interne markt kunnen worden toegelaten, en beklemtoont dat het essentieel is erop toe te zien dat goederen aan de regels van de interne markt en de desbetreffende productregels voldoen;

10. benadrukt dat, waar relevant en geëigend, in de onderhandelingen over het internemarkthoofdstuk van het akkoord inzake facilitering van markttoegang rekening moet worden gehouden met de behoeften en belangen van Europese kmo’s; spoort de partijen daarnaast aan contactpunten voor kmo’s op te richten, en dringt aan op een stabiel en voorspelbaar algemeen wettelijk kader;

11. vindt het essentieel dat de regelingen bepalingen omvatten inzake markttoegang en nationale behandeling volgens de regels van het gastland, teneinde te verzekeren dat dienstverleners van de EU door het VK niet worden gediscrimineerd, waaronder met betrekking tot vestiging; benadrukt dat EU-burgers op grond van de nieuwe regelingen de mogelijkheid zouden moeten hebben om voor hun werk, en met het oog op het verlenen van diensten, tijdelijk naar het VK te reizen en daar tijdelijk te verblijven;

12. benadrukt dat het akkoord ook ambitieuze en passende regelingen moet omvatten voor het vergemakkelijken van de elektronische handel en gegevensstromen- en uitwisseling, het aanpakken van ongerechtvaardigde belemmeringen voor de handel via elektronische middelen, en voor het waarborgen van een open, veilige en betrouwbare online-omgeving voor ondernemingen en consumenten, op voorwaarde dat de onlinedetailhandelaren uit het VK zich aan de desbetreffende regels van de interne markt houden; dringt er in dit verband op aan deze regelingen af te stemmen op de algemene verordening gegevensbescherming;

13. beklemtoont dat de markten voor openbare aanbestedingen eveneens open moeten blijven, zowel in de EU als in het VK, teneinde te blijven bijdragen aan de essentiële grensoverschrijdende goederenstromen en dienstverlening, op voorwaarde dat er voor elk relevant aspect een gelijk speelveld tot stand wordt gebracht; betreurt het dat de sector openbare aanbestedingen in het onderhandelingsmandaat van het VK niet wordt genoemd, en dringt in dit verband aan op de opname van aanvullende bepalingen die zorgen voor wederkerige toegang tot de markten voor openbare aanbestedingen voor beide partijen, die moeten worden opgesteld in volledige overeenstemming met het EU-acquis;

Douane

14. neemt kennis van de intentie van het VK om niet te streven naar de voortzetting van zijn huidige status ten opzichte van de interne markt en de douane-unie, en van het belang dat het VK heeft bij een nauwe economische samenwerking na het verlaten van de EU; wijst er met klem op dat het belangrijk is de integriteit van de douane-unie en haar procedures te handhaven, aangezien deze de veiligheid en bescherming van de consumenten en de economische belangen van de EU en de ondernemingen van de EU garanderen; beklemtoont dat meer investeringen nodig zijn in douanecontrolefaciliteiten aan de grenzen tussen de EU en het VK, en dat beide partijen, waar relevant en geëigend, nauwer moeten samenwerken en meer informatie met elkaar moeten uitwisselen;

15. merkt op dat het grote aantal niet-tarifaire belemmeringen, de discrepanties tussen de niveaus en de kwaliteit van de controles, en de verschillen in douaneprocedures en het sanctiebeleid bij de punten van binnenkomst van de EU in de douane-unie vaak leiden tot een verstoring van de handelsstromen en de integriteit van de Europese interne markt in gevaar brengen;

16. benadrukt dat de volledige tenuitvoerlegging van de regelingen voor de Ierse grens voor ondernemingen en om de omleiding van handelsstromen en mogelijke schade aan de economie van het hele eiland te voorkomen, cruciaal is, en dat artikel 12 van het Protocol betreffende Ierland/Noord-Ierland volledig moet worden toegepast; onderstreept verder dat het gespecialiseerd comité voor de noodzakelijke zekerheid moet zorgen ten aanzien van de aspecten in het Protocol, en met name artikel 12, betreffende de toepassing, monitoring en handhaving van het Protocol, dat te goeder trouw moet worden uitgevoerd;

17. benadrukt dat elk toekomstig akkoord met het oog op het vergemakkelijken van grensoverschrijdende handel alomvattende mechanismen voor douanesamenwerking moet omvatten, alsook mechanismen voor samenwerking tussen douane- en markttoezichtautoriteiten; verzoekt de partijen daarnaast om, waar relevant en geëigend, te werken aan vereenvoudiging van de vereisten en formaliteiten van de douaneprocedures voor handelaren en economische actoren, waaronder voor kmo’s;

18. dringt erop aan dat de Commissie waarborgt dat douanecontroles in de gehele EU aan dezelfde normen voldoen, door middel van een mechanisme voor rechtstreekse uniforme douanecontroles, in samenwerking met de lidstaten en in volledige overeenstemming met het subsidiariteitsbeginsel;

19. onderstreept dat de nieuwe regelingen op douanegebied (en op andere gebieden) voor de producenten en de handelaren van de EU net zulke gunstige voorwaarden moeten omvatten als die waar hun collega’s in het VK aanspraak op kunnen maken;

20. onderstreept dat het absoluut het beste zou zijn als het VK de huidige productenclassificatie op basis van het Geïntegreerd tarief van de Europese Gemeenschappen zou handhaven, teneinde de procedures eenvoudig te houden en de regelgevingsdruk te reduceren;

Consumentenbeleid

21. benadrukt dat de EU-normen inzake consumentenbescherming en de rechten van de burgers zoals bedoeld in het EU-acquis in een toekomstig akkoord door beide partijen in stand moeten worden gehouden; is van oordeel dat het akkoord de consumenten in de EU een meerwaarde moet opleveren in de vorm van een zo robuust mogelijk kader voor de bescherming van consumentenrechten en handhaving van de verplichtingen voor handelaren;

22. acht het van het allergrootste belang om de veiligheid van producten die vanuit het VK worden ingevoerd zodanig te garanderen dat deze producten in overeenstemming zijn met de EU-normen;

23. beklemtoont dat samenwerking op het vlak van regelgeving en administratieve samenwerking, in combinatie met, waar relevant en geëigend, parlementair toezicht en toezeggingen inzake non-regressie, zoals met andere derde landen, belangrijk is teneinde niet-tarifaire belemmeringen te elimineren, doelstellingen van openbaar belang te verwezenlijken, de belangen van de consumenten van de EU te verdedigen, waaronder het waarborgen van een veilige en betrouwbare online-omgeving voor consumenten en ondernemingen, en oneerlijke handelspraktijken aan te pakken;

24. beklemtoont dat het - als resultaat van het toekomstige akkoord - in het belang van zowel de EU, als het VK is om op het gebied van consumentenbescherming en markttoegang potentiële negatieve gevolgen voor de tastbare verworvenheden voor consumenten op terreinen als digitale diensten, passagiersrechten, de handel in medische apparatuur, het Europees noodnummer (112) en het interoperabele EU-brede eCall-systeem, de aanpak van ongerechtvaardigde geoblocking, de strijd tegen namaak, en de bescherming van geografische aanduidingen, te vermijden; benadrukt dat de EU en het VK, door samen te werken, het debat op internationaal niveau kunnen beïnvloeden, waaronder om te zorgen voor een veilige en betrouwbare online-omgeving voor consumenten en ondernemingen.

 

***


 

INFORMATIE OVER DE GOEDKEURING IN DE ADVISERENDE COMMISSIE

Datum goedkeuring

20.5.2020

 

 

 

Uitslag eindstemming

+:

–:

0:

38

1

4

Bij de eindstemming aanwezige leden

Andrus Ansip, Alessandra Basso, Brando Benifei, Adam Bielan, Hynek Blaško, Biljana Borzan, Vlad-Marius Botoş, Dita Charanzová, Deirdre Clune, David Cormand, Petra De Sutter, Evelyne Gebhardt, Sandro Gozi, Maria Grapini, Svenja Hahn, Virginie Joron, Eugen Jurzyca, Arba Kokalari, Marcel Kolaja, Kateřina Konečná, Andrey Kovatchev, Jean-Lin Lacapelle, Maria-Manuel Leitão-Marques, Adriana Maldonado López, Antonius Manders, Leszek Miller, Dan-Ștefan Motreanu, Kris Peeters, Anne-Sophie Pelletier, Miroslav Radačovský, Christel Schaldemose, Andreas Schwab, Tomislav Sokol, Kim Van Sparrentak, Marion Walsmann, Marco Zullo

Bij de eindstemming aanwezige vaste plaatsvervangers

Jordi Cañas, Maria da Graça Carvalho, Tsvetelina Penkova, Jiří Pospíšil, Dominik Tarczyński, Evžen Tošenovský, Edina Tóth

 


 

 

HOOFDELIJKE EINDSTEMMING IN DE ADVISERENDE COMMISSIE

38

+

ECR

GUE/NGL

NI

EPP

Renew

S&D

Verts/ALE

Adam Bielan, Eugen Jurzyca, Dominik Tarczyński, Evžen Tošenovský

Kateřina Konečná

Miroslav Radačovský, Marco Zullo

Maria da Graça Carvalho, Deirdre Clune, Arba Kokalari, Andrey Kovatchev, Antonius Manders, Dan‑Ștefan Motreanu, Kris Peeters, Jiří Pospíšil, Andreas Schwab, Tomislav Sokol, Edina Tóth, Marion Walsmann

Andrus Ansip, Vlad‑Marius Botoş, Dita Charanzová, Sandro Gozi, Svenja Hahn, Jordi Cañas

Brando Benifei, Biljana Borzan, Evelyne Gebhardt, Maria Grapini, Maria Leitão‑Marques, Adriana Maldonado López, Leszek Miller, Tsvetelina Penkova, Christel Schaldemose

David Cormand, Petra De Sutter, Marcel Kolaja, Kim Van Sparrentak

 

1

-

ID

Hynek Blaško

 

4

0

GUE/NGL

ID

Anne‑Sophie Pelletier

Alessandra Basso, Virginie Joron, Jean‑Lin Lacapelle

 

Verklaring van de gebruikte tekens:

+ : voor

- : tegen

0 : onthouding

 


 

 

ADVIES VAN DE COMMISSIE VERVOER EN TOERISME (29.5.2020)

<CommissionInt>aan de Commissie buitenlandse zaken en de Commissie internationale handel</CommissionInt>


<Titre>inzake de aanbevelingen voor de onderhandelingen over een nieuw partnerschap met het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland</Titre>

<DocRef>(2020/2023(INI))</DocRef>

Rapporteur voor advies: <Depute>Johan Danielsson</Depute>

 

SUGGESTIES

De Commissie vervoer en toerisme verzoekt de Commissie buitenlandse zaken en de Commissie internationale handel, als bevoegde commissies, onderstaande suggesties in hun ontwerpresolutie op te nemen:

 gezien zijn resolutie van 12 februari 2020 over het voorgestelde mandaat voor onderhandelingen over een nieuw partnerschap met het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland[32],

 gezien het besluit van de Raad betreffende het mandaat voor de onderhandelingen met het Verenigd Koninkrijk van 13 februari 2020[33],

 gezien het akkoord inzake de terugtrekking van het Verenigd Koninkrijk uit de Unie van 24 januari 2020 en de politieke verklaring over het kader voor de toekomstige betrekkingen[34],

 gezien de ontwerptekst van de overeenkomst inzake het nieuwe partnerschap met het Verenigd Koninkrijk van 19 maart 2020[35],

Horizontale kwesties

1. benadrukt dat het beoogde partnerschap, dat is vormgegeven op basis van de nauwe economische banden tussen het VK en de EU en hun gemeenschappelijke belangen, moet zorgen voor de continuïteit van onbelemmerde connectiviteit voor alle vervoerwijzen, op voorwaarde van wederkerigheid, en een gelijk speelveld moet waarborgen, met name wat sociale, werkgelegenheids- en milieunormen betreft;

2. herhaalt dat het VK als derde land niet dezelfde rechten en voordelen kan genieten als een lidstaat; is van mening dat de toekomstige samenwerking met het VK vervoersprojecten van gemeenschappelijk belang moet omvatten en dat zij goede grensoverschrijdende handel en zakelijke voorwaarden moet aanmoedigen; benadrukt dat deze voorwaarden kleine en middelgrote ondernemingen moeten faciliteren en ondersteunen, en ervoor moeten zorgen dat zij geen bijkomende administratieve lasten hoeven te dragen;

3. is van mening dat de deelname van het VK aan grensoverschrijdende onderzoeks- en ontwikkelingsprogramma’s van de EU op het gebied van vervoer moet worden overwogen op basis van gemeenschappelijke belangen;

4. wijst erop dat het belangrijk is dat de Commissie de enige EU-onderhandelaar is tijdens de onderhandelingen en dat de lidstaten geen bilaterale onderhandelingen mogen aanknopen; dringt er echter bij de Commissie op om in de definitieve algemene overeenkomst rekening te houden met de belangen van elke lidstaat;

5. benadrukt dat rechten en privileges ook verplichtingen met zich meebrengen en dat het toegangsniveau tot de eengemaakte EU-markt volledig in overeenstemming moet zijn met de mate van convergentie van de regelgeving en met de verbintenissen die zijn overeengekomen ter waarborging van een gelijk speelveld voor open en eerlijke concurrentie en gebaseerd moet zijn op de gemeenschappelijke minimumnormen die van kracht zijn in de EU-27;

6. steunt de onderhandelingsrichtsnoeren, waarin is bepaald dat Gibraltar niet wordt opgenomen in het territoriale toepassingsgebied van de tussen de EU en het VK te sluiten overeenkomsten en dat voor elke afzonderlijke overeenkomst voorafgaande toestemming van het Koninkrijk Spanje vereist is;

Luchtvaart

7. herinnert eraan dat luchtvaart de enige vervoersvorm is waarvoor geen juridisch vangnet bestaat in het kader van de WTO als voor het einde van de overgangsperiode geen overeenstemming wordt bereikt;

8. is van mening dat het beoogde partnerschap een ambitieus en uitgebreid hoofdstuk over het luchtvervoer moet omvatten dat de strategische belangen van de EU waarborgt en passende bepalingen bevat inzake markttoegang, investeringen en operationele en commerciële flexibiliteit (bv. codesharing), rekening houdend met evenwichtige rechten en verplichtingen;

9. is van mening dat het beoogde partnerschap een gelijk speelveld moet omvatten op het gebied van staatssteun, passagiersrechten, sociale rechten, veiligheid, beveiliging en milieubescherming;

10. benadrukt dat tegenover het eventueel toestaan van sommige elementen die deel uitmaken van de zogenoemde “vijfde vrijheid” (vrijheid van luchtverkeer) overeenkomstige verplichtingen moeten staan in het belang van de Unie;

11. benadrukt dat het beoogde partnerschap nauwe samenwerking moet omvatten op het gebied van veiligheid van de luchtvaart en luchtverkeersbeheer; is van mening dat deze samenwerking de EU niet mag belemmeren bij het bepalen van het beschermingsniveau dat zij passend acht voor de veiligheid en het milieu;

12. onderstreept het feit dat het belangrijk is dat de Britse burgerluchtvaartautoriteit en het Agentschap voor de veiligheid van de luchtvaart van de Europese Unie in de toekomst nauw samenwerken, en dat het VK betrokken wordt bij de huidige en toekomstige programma’s voor luchtverkeersbeheer (air traffic management, ATM), zoals het ATM-onderzoek voor het gemeenschappelijk Europees luchtruim, om de interoperabiliteit van de infrastructuur te waarborgen en te zorgen voor een veiligere en efficiëntere werking van het luchtverkeer in Europa;

13. is van mening dat samenwerking met het VK in het kader van het EU-ruimtevaartprogramma moet worden overwogen wanneer dit in het belang van de Unie is;

Weg

14. herhaalt dat een eventuele overeenkomst over het goederenvervoer over de weg een integrerend deel moet uitmaken van een brede vrijhandelsovereenkomst;

15. merkt op dat het huidige kader van de Europese Conferentie van Ministers van Verkeer, dat gebaseerd is op een beperkt aantal vergunningen, niet geschikt is voor de betrekkingen tussen de EU en het VK, gezien het volume aan goederen dat tussen de EU-27 en het VK over de weg wordt vervoerd; benadrukt in verband hiermee dat passende maatregelen moeten worden genomen om gevaar voor de openbare orde en een verstoring van de verkeersstromen van wegvervoerders en exploitanten van touringcar- en autobusdiensten te voorkomen; onderstreept daarom het feit dat het belangrijk is om te zorgen voor betere directe zeeroutes tussen Ierland en het vasteland, teneinde de afhankelijkheid te verminderen van de landverbinding via het VK;

16. benadrukt dat goederenvervoerders uit het VK niet hetzelfde niveau van rechten en voordelen kunnen genieten als goederenvervoerders uit de Unie waar het gaat om goederenvervoer over de weg;

17. is van mening dat het beoogde partnerschap het recht op doorvoer moet inhouden in verband met verplaatsingen van een geladen of ongeladen voertuig van het grondgebied van de ene partij naar het grondgebied van dezelfde partij via het grondgebied van de andere partij;

18. is van mening dat het beoogde partnerschap een gelijk speelveld moet omvatten op het gebied van werk, rij- en rusttijden, de detachering van bestuurders, tachografen, voertuiggewichten en -afmetingen, gecombineerd vervoer en opleiding van personeel, alsmede specifieke bepalingen om een vergelijkbaar beschermingsniveau voor exploitanten en bestuurders te waarborgen;

19. benadrukt dat in het beoogde partnerschap, met betrekking tot het personenvervoer met touringcars en autobussen, rekening moet worden gehouden met de multilaterale Interbus-overeenkomst[36] en het protocol bij die overeenkomst; verwacht dat in de toekomstige overeenkomst rekening wordt gehouden met het het feit dat het belangrijk is om te zorgen voor de vergroening van de sector door de invoering van alternatieve brandstoffen en oplaadinfrastructuur;

Spoor

20. benadrukt dat het beoogde partnerschap de specifieke situatie van de Kanaaltunnel moet omvatten, met name in verband met de veiligheidsregeling, de verlening van vergunningen en passagiersrechten;

Zeevervoer en zeehavens

21. benadrukt dat het beoogde partnerschap moet zorgen voor wederkerige en gelijke markttoegang voor de internationale zeevervoersector, met inbegrip van maar niet beperkt tot de offshoresector en binnenlandse handel, met een passend gelijk speelveld op het gebied van veiligheid, beveiliging en milieu, alsook op sociaal gebied, tussen de havens van de EU en het VK, zonder aantasting van de reeds bestaande strenge EU-normen op deze gebieden; benadrukt dat het partnerschap een gemeenschappelijke aanpak moet omvatten met betrekking tot het mondiale beleidskader van de Internationale Maritieme Organisatie, de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling, de Internationale Arbeidsorganisatie en de WTO;

22. dringt erop aan dat de vlotte doorstroming van de maritieme handel tussen de EU en het VK en het vrije verkeer van passagiers, zeevarenden en personeel op zee en op het land een prioriteit is; benadrukt in verband hiermee dat de EU en het VK ervoor moeten zorgen dat passende grens- en douanesystemen voorhanden zijn om vertragingen en verstoringen te voorkomen;

23. benadrukt het feit dat het belangrijk is dat op doeltreffende wijze wordt samengewerkt en dat informatie wordt uitgewisseld tussen het Europees Agentschap voor maritieme veiligheid en het Maritime and Coastguard Agency van het VK.

 


INFORMATIE OVER DE GOEDKEURING IN DE ADVISERENDE COMMISSIE

Datum goedkeuring

28.5.2020

 

 

 

Uitslag eindstemming

+:

–:

0:

47

1

1

Bij de eindstemming aanwezige leden

Magdalena Adamowicz, Andris Ameriks, José Ramón Bauzá Díaz, Izaskun Bilbao Barandica, Marco Campomenosi, Ciarán Cuffe, Jakop G. Dalunde, Johan Danielsson, Andor Deli, Karima Delli, Anna Deparnay-Grunenberg, Ismail Ertug, Gheorghe Falcă, Giuseppe Ferrandino, Mario Furore, Søren Gade, Isabel García Muñoz, Jens Gieseke, Elsi Katainen, Kateřina Konečná, Julie Lechanteux, Peter Lundgren, Benoît Lutgen, Elżbieta Katarzyna Łukacijewska, Marian-Jean Marinescu, Tilly Metz, Giuseppe Milazzo, Cláudia Monteiro de Aguiar, Caroline Nagtegaal, Jan-Christoph Oetjen, Philippe Olivier, Rovana Plumb, Dominique Riquet, Dorien Rookmaker, Massimiliano Salini, Sven Schulze, Vera Tax, Barbara Thaler, István Ujhelyi, Petar Vitanov, Elissavet Vozemberg-Vrionidi, Lucia Vuolo, Roberts Zīle, Kosma Złotowski

Bij de eindstemming aanwezige vaste plaatsvervangers

Josianne Cutajar, Clare Daly, Roman Haider, Anne-Sophie Pelletier, Robert Roos

 


 

HOOFDELIJKE EINDSTEMMING IN DE ADVISERENDE COMMISSIE

47

+

ECR

Peter Lundgren, Robert Roos, Roberts Zīle,

GUE/NGL

Clare Daly, Kateřina Konečná, Anne‑Sophie Pelletier

ID

Marco Campomenosi, Roman Haider, Julie Lechanteux, Philippe Olivier, Lucia Vuolo

PPE

Magdalena Adamowicz, Andor Deli, Gheorghe Falcă, Jens Gieseke, Elżbieta Katarzyna Łukacijewska, Benoît Lutgen, Marian-Jean Marinescu, Giuseppe Milazzo, Cláudia Monteiro de Aguiar, Massimiliano Salini, Sven Schulze, Barbara Thaler, Elissavet Vozemberg-Vrionidi

RENEW

José Ramón Bauzá Díaz, Izaskun Bilbao Barandica, Søren Gade, Elsi Katainen, Caroline Nagtegaal, Jan‑Christoph Oetjen, Dominique Riquet

S&D

Andris Ameriks, Josianne Cutajar, Johan Danielsson, Ismail Ertug, Giuseppe Ferrandino, Isabel García Muñoz, Rovana Plumb, Vera Tax, István Ujhelyi, Petar Vitanov

VERTS/ALE

Ciarán Cuffe, Jakop G. Dalunde, Karima Delli, Anna Deparnay‑Grunenberg, Tilly Metz

NI

Mario Furore

 

1

-

NI

Dorien Rookmaker

 

1

0

ECR

Kosma Złotowski

 

 

Verklaring van de gebruikte tekens:

+ : voor

- : tegen

0 : onthoudingen

 


 

 

 

ADVIES VAN DE COMMISSIE REGIONALE ONTWIKKELING (13.5.2020)

<CommissionInt>aan de Commissie buitenlandse zaken en de Commissie internationale handel</CommissionInt>


<Titre>inzake de aanbevelingen voor de onderhandelingen over een nieuw partnerschap met het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland</Titre>

<DocRef>(2020/2023(INI))</DocRef>

Rapporteur voor advies: <Depute>Pascal Arimont</Depute>

 

 

SUGGESTIES

De Commissie regionale ontwikkeling verzoekt de bevoegde Commissie buitenlandse zaken en de bevoegde Commissie internationale handel onderstaande suggesties in hun ontwerpresolutie op te nemen:

A. overwegende dat het cohesiebeleid van zwaarwegend belang is voor het bevorderen van de solidariteit tussen de regio’s van de EU en van de mogelijkheden om gebruik te maken van de kansen die de interne markt biedt; overwegende dat het VK, indien het besluit om als lid toegang te krijgen tot de interne markt, een financiële bijdrage moet leveren aan solidariteit en cohesie, en het horizontale beleid moet respecteren, onder meer op het gebied van de opwarming van de aarde, klimaatverandering, milieu, landbouw en visserij, zoals het geval is voor landen van de Europese Economische Ruimte (EER);

B. overwegende dat veel regio’s van de EU nadelige gevolgen zullen ondervinden van de invoering van nieuwe belemmeringen op het gebied van handel en het verkeer van personen tussen de EU en het VK, met name de regio’s die een land- of zeegrens delen met het VK, en om die reden behoefte zullen hebben aan extra steun uit de cohesiefondsen;

C. overwegende dat de bescherming van grensoverschrijdende economische activiteit bijzonder belangrijk is, en dat grensarbeiders die pendelen tussen de EU en het VK moeten kunnen blijven werken;

D. overwegende dat het VK weliswaar een derde land is, maar dat het goed zou zijn om de Interreg-programma’s tussen regio’s in de EU en het VK voort te zetten;

E. overwegende dat de cohesiemiddelen van speciaal belang zijn voor Noord-Ierland en de Ierse grensregio’s; overwegende dat het PEACE-programma een belangrijke rol heeft gespeeld bij de verzoening van gemeenschappen en de vredesopbouw, en door middel van grensoverschrijdende activiteiten duizenden mensen met elkaar in contact heeft gebracht, onder meer door de ontwikkeling van kleine en middelgrote ondernemingen, gemeenschapsgerichte organisaties die projecten leiden gericht op verzoening en cultureel begrip, en grensoverschrijdende projecten gericht op vaardigheden, leren en opleiding, te ondersteunen;

F. overwegende dat dankzij het ontwikkelings- en cohesiebeleid van de EU vruchtbare samenwerking tot stand is gekomen tussen de overzeese gebieden van de EU en die van het VK, en dat dit in de toekomst moet worden voortgezet;

G. overwegende dat de terugtrekking van het VK zonder dat een akkoord zou worden bereikt over de toekomstige betrekkingen met de EU zeer schadelijke gevolgen zou hebben en een aanzienlijke last voor de openbare financiën van de EU zou opleveren; overwegende dat het niet bereiken van een akkoord over de toekomstige betrekkingen tussen de EU en het VK de toepassing van het solidariteitsbeginsel zou rechtvaardigen; overwegende dat het Parlement reeds zijn goedkeuring heeft gehecht aan het toepassen van het solidariteitsbeginsel in een dergelijk geval;

1. is van mening dat, indien het Verenigd Koninkrijk geen volwaardig deelnemer van de interne markt wordt, het geen middelen mag ontvangen uit de cohesiefondsen, behalve voor projecten die overeenkomstig de oprichtingsverordeningen van deze fondsen zijn toegelaten; is van mening dat het Verenigd Koninkrijk voor de periode 2021-2027 moet bijdragen aan de cohesiefondsen indien het uiteindelijk toch de interne markt wenst te betreden;

2. is van mening dat in het nieuwe akkoord rekening moet worden gehouden met de behoeften van de regio’s die gevolgen ondervinden van de brexit, met name de regio’s die een land- of zeegrens met het VK delen, zoals de grensregio’s van Ierland en Zuid-Spanje en de kustregio’s aan het Kanaal, de Atlantische Oceaan en de Noordzee; herinnert eraan dat de gevolgen van de brexit voor kleine en middelgrote ondernemingen die actief zijn in regio’s die een land- of zeegrens met het VK delen in kaart moeten worden gebracht;

3. herinnert aan het belang van eerlijke arbeidsmobiliteit; dringt erop aan dat de toekomstige overeenkomst bepalingen bevat inzake de voortgezette bescherming van de inkomens van grensarbeiders, onder meer voor nieuwe arbeidsbetrekkingen, met name voor grensarbeiders die over de Ierse grens werken of pendelen tussen het VK en België, Frankrijk of Nederland;

4. wijst erop dat de grensoverschrijdende en transnationale programma’s die worden gefinancierd via Interreg een cruciale rol spelen bij het stimuleren van samenwerking tussen regio’s en burgers in de verschillende lidstaten, en stelt voor om de Interregprogramma’s toegankelijk te houden voor het VK en voor de landen die samen het VK vormen, mits een passende financiële bijdrage wordt geleverd; herinnert eraan dat via de Interreg-programma’s tevens ondersteuning wordt geboden aan inclusieve beleidsmaatregelen en strategieën om groeiende ongelijkheid in grensoverschrijdende gemeenschappen te voorkomen;

5. benadrukt de belangrijke rol van het EU-cohesiebeleid voor Noord-Ierland, met name wat betreft hulp bij de opbouw van kansarme stedelijke en plattelandsgebieden, de strijd tegen klimaatverandering en het leggen van grensoverschrijdende contacten en contacten tussen gemeenschappen in het kader van het vredesproces; benadrukt dat het van het grootste belang is dat het PEACE-programma in Noord-Ierland en de Ierse grensregio’s wordt voorgezet, en autonoom wordt beheerd door het orgaan voor speciale EU-programma’s;

6. is van oordeel dat samenwerking tussen de ultraperifere regio’s en overzeese landen en gebieden van de EU enerzijds, en de overzeese gebieden van het VK anderzijds, met name het Caraïbisch gebied en de gebieden in de Stille Oceaan, moet worden voortgezet; pleit voor specifieke bepalingen om toekomstige gezamenlijke projecten in het kader van het Europees Ontwikkelingsfonds en de cohesiefondsen, in voorkomend geval, mogelijk te maken;

7. onderstreept dat het Solidariteitsfonds van de Europese Unie (EUSF), door financiële middelen beschikbaar te stellen via de EU-begroting, een tastbare uiting van solidariteit is wanneer zich ernstige gevolgen voor onder meer de economie van een of meer regio’s van de EU of van een land dat kandidaat is voor toetreding, voordoen; herinnert eraan dat het toepassingsbereik van het EUSF uitgebreid moet worden, zodat het ook gebruikt kan worden voor het financieren van een deel van de extra overheidsuitgaven die gedaan moeten worden ter voorbereiding op of volgend op het einde van de overgangsperiode zonder dat een aansluitend akkoord over de toekomstige betrekkingen tussen het VK en de EU is bereikt, zoals reeds is gebeurd in het kader van de aanpak van de COVID-19-crisis; vraagt de Commissie een voorstel ter zake in te dienen, aansluitend bij het eerder gedane voorstel voor het opvangen van de gevolgen van het niet ratificeren van het terugtrekkingsakkoord, door het Parlement aangenomen op 24 oktober 2019[37];

8. verzoekt de Commissie voorbereidingen te treffen voor de gevolgen van een no-deal-scenario indien het VK niet om verlenging van de overgangsperiode vraagt.

 


INFORMATIE OVER DE GOEDKEURING IN DE ADVISERENDE COMMISSIE

Datum goedkeuring

12.5.2020

 

 

 

Uitslag eindstemming

+:

–:

0:

38

0

5

Bij de eindstemming aanwezige leden

François Alfonsi, Mathilde Androuët, Pascal Arimont, Adrian-Dragoş Benea, Tom Berendsen, Erik Bergkvist, Stéphane Bijoux, Andrea Cozzolino, Corina Crețu, Rosa D’Amato, Tamás Deutsch, Christian Doleschal, Francesca Donato, Raffaele Fitto, Chiara Gemma, Cristian Ghinea, Mircea-Gheorghe Hava, Krzysztof Hetman, Peter Jahr, Manolis Kefalogiannis, Ondřej Knotek, Constanze Krehl, Elżbieta Kruk, Cristina Maestre Martín De Almagro, Pedro Marques, Nora Mebarek, Martina Michels, Andżelika Anna Możdżanowska, Niklas Nienaß, Andrey Novakov, Younous Omarjee, Alessandro Panza, Tsvetelina Penkova, Caroline Roose, André Rougé, Vincenzo Sofo, Irène Tolleret, Valdemar Tomaševski, Monika Vana

Bij de eindstemming aanwezige vaste plaatsvervangers

Vlad-Marius Botoş, Daniel Buda, Sandro Gozi, Simone Schmiedtbauer

 


HOOFDELIJKE EINDSTEMMING IN DE ADVISERENDE COMMISSIE

38

+

ECR

Raffaele Fitto, Elżbieta Kruk, Andżelika Anna Możdżanowska, Valdemar Tomaševski

GUE/NGL

Martina Michels, Younous Omarjee

NI

Rosa D'Amato, Chiara Gemma

PPE

Pascal Arimont, Tom Berendsen, Daniel Buda, Tamás Deutsch, Christian Doleschal, Mircea-Gheorghe Hava, Krzysztof Hetman, Peter Jahr, Manolis Kefalogiannis, Andrey Novakov, Simone Schmiedtbauer

RENEW

Stéphane Bijoux, Vlad-Marius Botoş, Cristian Ghinea, Sandro Gozi, Ondrej Knotek, Irène Tolleret

S&D

Adrian-Dragoş Benea, Erik Bergkvist, Andrea Cozzolino, Corina Crețu, Constanze Krehl, Cristina Maestre Martín De Almagro, Pedro Marques, Nora Mebarek, Tsvetelina Penkova

VERTS/ALE

François Alfonsi, Niklas Nienaß, Caroline Roose, Monika Vana

 

0

-

 

 

 

5

0

ID

Mathilde Androuët, Francesca Donato, Alessandro Panza, André Rougé, Vincenzo Sofo

 

Verklaring van de gebruikte tekens:

+ : voor

- : tegen

0 : onthouding

 

 

 


 

 

ADVIES VAN DE COMMISSIE VISSERIJ (26.5.2020)

<CommissionInt>aan de Commissie buitenlandse zaken en de Commissie internationale handel</CommissionInt>


<Titre>inzake aanbevelingen voor de onderhandelingen over een nieuw partnerschap met het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland</Titre>

<DocRef>(2020/2023(INI))</DocRef>

Rapporteur voor advies: <Depute>François-Xavier Bellamy</Depute>

 

SUGGESTIES

De Commissie visserij verzoekt de Commissie buitenlandse zaken en de Commissie internationale handel, als bevoegde commissies, onderstaande suggesties in hun ontwerpresolutie op te nemen:

A. overwegende dat de lopende onderhandelingen van doorslaggevend belang zullen zijn voor de toekomst van de lidstaten en het Verenigd Koninkrijk (VK), en dat visserij, het beheer van de levende rijkdommen van de zee en de instandhouding en het herstel van mariene ecosystemen in dat verband een cruciale plaats innemen; overwegende dat de visserijsector direct en indirect honderden duizenden banen vertegenwoordigt, een inkomensbron is voor veel kustgebieden en kustgemeenschappen – die te kampen hebben met demografische neergang – een bijdrage levert aan de voorziening van veilig en gezond voedsel aan miljoenen consumenten, en een sterk ecologisch model bevordert;

B. overwegende dat het gemeenschappelijk visserijbeleid (GVB) al bijna vijftig jaar lang in alle betrokken lidstaten betere voorwaarden creëert voor de ontwikkeling van de visserij en het duurzame beheer van rijkdommen; overwegende dat het bijgevolg noodzakelijk is om naar aanleiding van de terugtrekking van het VK uit de EU een overeenkomst te sluiten waarmee zowel de economische levensvatbaarheid van de visserijsector en de voortzetting van bestaande visserijactiviteiten, als de instandhouding van soorten en de bescherming van de biodiversiteit worden gewaarborgd;

C. overwegende dat Verordening (EU) 2017/2403 van 12 december 2017 inzake het duurzame beheer van externe vissersvloten[38] een belangrijke stap vooruit was op het gebied van transparantie en verantwoordingsplicht in de mondiale visserij, en dat dit moet worden weerspiegeld in de toekomstige overeenkomst;

D. overwegende dat de bestaande historische, geografische en ecosystemische banden tussen de EU en het VK een sterke onderlinge afhankelijkheid creëren tussen beide partijen, zowel wat activiteiten op het gebied van visserij en aquacultuur en de sectoren van de verwerking van en handel in die producten betreft, als met betrekking tot de bescherming van gedeelde mariene ecosystemen; overwegende dat het VK en de EU momenteel 97 visbestanden delen waarvoor totale toegestane vangsten (TAC’s) gelden; overwegende dat de afwezigheid van een overeenkomst gezien die omstandigheden onmiddellijke en aanzienlijke schade zou aanrichten voor alle betrokken belanghebbenden en uiteindelijk ook voor de burgers van de EU en het VK en de gedeelde mariene ecosystemen; overwegende dat elke overeenkomst er bovendien op gericht moet zijn economische ontwrichting te voorkomen voor de vissers van de Unie en het VK die visserijactiviteiten uitoefenen in de wateren van het VK;

1. wijst er nogmaals op dat er geen brede overeenkomst – ook niet over handel – tussen de EU en het VK kan worden gesloten als hierin geen volledige, evenwichtige langetermijnovereenkomst inzake visserij en visserijgerelateerde zaken wordt opgenomen, waarin wordt bevestigd dat de betrokken partijen onder optimale voorwaarden toegang blijven krijgen tot elkaars wateren, rijkdommen en markten en dat de bestaande visserijactiviteiten kunnen blijven bestaan;

2. stelt nogmaals dat de overeenkomst inzake visserij rechtstreeks gekoppeld moet zijn aan de lopende onderhandelingen over een economisch partnerschap, met name wat handel betreft, en hier dus niet los van mag staan; benadrukt dat de kwestie van vrije toegang tot de wateren en havens niet los kan worden gezien van de kwestie van vrije handel en de toegang van Britse visserijproducten tot de EU-markt;

3. herinnert eraan dat vissen noch verontreiniging stoppen aan politieke grenzen en zich zullen blijven verspreiden over alle zeebekkens; benadrukt dat ecosystemen met elkaar verbonden zijn;

4. herinnert eraan dat beide partijen het meeste voordeel zullen halen uit de bescherming van gedeelde ecosystemen en een duurzaam beheer van de exploitatie ervan, uit de handhaving van de huidige wederzijdse toegang tot de wateren en visbestanden, met als doel de bestaande visserijactiviteiten te behouden, alsook uit de vaststelling van gemeenschappelijke, samenhangende, duidelijke en stabiele beginselen en regels, zodat er voor visserij- en aquacultuurproducten wederzijdse open toegang tot de markten wordt gecreëerd zonder dat dit economische of sociale spanningen veroorzaakt als gevolg van onevenwichtige concurrentie; dringt erop aan een vrijwaringsclausule op te nemen in de toekomstige overeenkomst waarin vermeld staat dat eventuele schendingen van de clausules over wederzijdse toegang tot de wateren en rijkdommen een schorsing van preferentiële tarieven voor Britse goederen op de EU-markt tot gevolg zullen hebben;

5. benadrukt dat bijlage FISH-2 (Toewijzing van vangstmogelijkheden) van het voorstel voor de ontwerpovereenkomst de verdelingspercentages voor de visbestanden die door beide partijen zullen worden gedeeld moet vermelden die momenteel worden toegepast, volgens het geldende beginsel van relatieve stabiliteit; merkt op dat het feit dat de percentages van de visbestanden die door beide partijen moeten worden gedeeld niet zijn ingevuld, kan worden beschouwd als een initiële concessie aan het VK, waarmee de doelstellingen van het huidige mandaat worden verlaagd;

6. dringt er bij de partijen op aan de bestaande quota-aandelen en de stabiele en onveranderlijke verdeling van visrechten te handhaven; benadrukt het belang van een langetermijnbeheer van rijkdommen op basis van naleving van GVB-beginselen als maximale duurzame opbrengst (MDO) en de technische maatregelen, de regionale beheersinstrumenten zoals de meerjarige beheersplannen voor de Noordzee en de westelijke wateren, en de kaderrichtlijn mariene strategie, die tot dusver allemaal hebben bijgedragen tot een verbetering van de toestand van de visbestanden, ten voordele van de vloten van zowel de EU-lidstaten als het VK;

7. wijst erop dat het VK betrokken was bij het opstellen en uitvoeren van de meerjarige plannen voor elk zeebekken, met name voor de Noordzee en de westelijke wateren, dat die meerjarige plannen zijn opgesteld met de toenmalige lidstaten in gedachten, met inbegrip van het VK, en dat de vastgestelde doelstellingen stroken met de beste beschikbare wetenschappelijke kennis en het GVB;

8. herhaalt dat de volledige uitvoering van het GVB aanzienlijke positieve resultaten heeft opgeleverd, zowel door het optrekken van het aantal visbestanden dat binnen de MDO wordt geëxploiteerd, als door de manier waarop de meerjarige plannen hebben bijgedragen aan biologische en economische duurzaamheid, ten voordele van de betrokken visserijgemeenschappen;

9. benadrukt dat de overeenkomst moet waarborgen dat technische maatregelen of beschermde mariene gebieden wederzijds, niet-discriminerend en evenredig zijn en niet worden gebruikt als een manier om EU-vaartuigen de facto te weren uit Britse wateren; benadrukt dat bij de totstandbrenging van beschermde mariene gebieden alle belanghebbenden, met inbegrip van de Europese vissers, moeten worden betrokken bij de governance en de monitoring van deze gebieden, in overeenstemming met de aanbevelingen van de Internationale Unie voor behoud van de natuur; hamert erop dat de overeenkomst niet mag leiden tot een afvlakking van de sociale en milieunormen van de EU;

10. dringt er bij de Commissie op aan bepalingen in de tekst op te nemen over het voorkomen en bestrijden van illegale, ongemelde en ongereglementeerde visserij (IOO-visserij) binnen de wateren van de Unie en het Verenigd Koninkrijk;

11. benadrukt dat Britse visserij- en aquacultuurproducten die op de interne markt komen, moeten voldoen aan dezelfde milieu-, sociale, sanitaire en fytosanitaire normen als de visserij- en aquacultuurproducten van de EU, teneinde een gelijk speelveld te waarborgen tussen de visserij- en aquacultuurproducten van het VK en de EU en de Europese consument te beschermen;

12. dringt aan op passende samenwerkings- en raadplegingsmechanismen, een gezamenlijke, op wetenschap gebaseerde aanpak en waarborgen dat het VK blijft bijdragen aan de verzameling van gegevens over en de wetenschappelijke beoordeling van visbestanden als basis voor toekomstige besluiten voor gezamenlijk visserijbeheer in alle gedeelde zeebekkens; spoort de partijen ertoe aan actief en loyaal te blijven samenwerken op het gebied van visserijcontrole en de strijd tegen IOO-visserij;

13. neemt kennis van het voornemen van het VK om met Noorwegen een afzonderlijke kaderovereenkomst inzake visserij te sluiten; herinnert eraan dat Noorwegen deel uitmaakt van de Europese Economische Ruimte (EER) en de Europese Vrijhandelsassociatie (EVA), hetgeen rechten en plichten met zich meebrengt in verband met de visserijsector en visserijproducten wat toegang tot onder andere de EU-markt betreft;

14. onderstreept hoe belangrijk het is in de overeenkomst een verwijzing op te nemen naar de verplichting tot samenwerking in het kader van de kuststaten, zoals bepaald uit hoofde van het internationaal recht, hetgeen van essentieel belang is voor visserijbeheersmaatregelen en de duurzaamheid van gedeelde visbestanden;

15. is van mening dat de bepalingen van een overeenkomst inzake visserij moeten worden ondersteund door geschillenbeslechtingsmechanismen en dat ze herstelmaatregelen moeten omvatten die deel uitmaken van een algemeen beheer van de governance van de toekomstige betrekkingen tussen de EU en het VK;

16. herinnert aan het streven om uiterlijk op 1 juli 2020 een overeenkomst inzake visserij te sluiten; stelt met spijt vast dat de crisis in verband met het coronavirus, of de uitbraak van COVID-19, het normale verloop van de onderhandelingen tussen het VK en de EU heeft verstoord; verzoekt de partijen daarom zich flexibel op te stellen en zo snel mogelijk een besluit te nemen over een verlenging van de overgangsperiode overeenkomstig artikel 132 van het terugtrekkingsakkoord, teneinde de sector zekerheid te bieden;

17. is van mening dat in het geval er een verlenging van de overgangsperiode wordt afgesproken, ook de huidige verdeling van TAC’s en quota moet worden verlengd, zodat de visserijsector rechtszekerheid wordt geboden;

18. dringt er bij de Commissie en de lidstaten echter op aan zich voor te bereiden op alle scenario’s – zowel een verlenging van de overgangsperiode als een scenario zonder akkoord – en de noodzakelijke maatregelen uit te werken om de sector te ondersteunen, samen met een passend regelgevingskader voor elk van deze scenario’s;

19. doet tot slot een oproep aan de onderhandelende partijen om alles in het werk te stellen om zo snel mogelijk tot een akkoord te komen over de bepalingen inzake visserij van een eventuele overeenkomst tussen het VK en de EU, zodat deze op tijd voorhanden zijn om te worden gebruikt voor de vaststelling van de vangstmogelijkheden voor het eerste jaar na de overgangsperiode.

 


INFORMATIE OVER DE GOEDKEURING IN DE ADVISERENDE COMMISSIE

Datum goedkeuring

25.5.2020

 

 

 

Uitslag eindstemming

+:

–:

0:

24

1

1

Bij de eindstemming aanwezige leden

Clara Aguilera, Pietro Bartolo, François-Xavier Bellamy, Izaskun Bilbao Barandica, Isabel Carvalhais, Rosanna Conte, Rosa D’Amato, Fredrick Federley, Giuseppe Ferrandino, João Ferreira, Søren Gade, Francisco Guerreiro, Anja Hazekamp, Niclas Herbst, France Jamet, Pierre Karleskind, Predrag Fred Matić, Francisco José Millán Mon, Cláudia Monteiro de Aguiar, Grace O’Sullivan, Manuel Pizarro, Caroline Roose, Bert-Jan Ruissen, Annie Schreijer-Pierik, Ruža Tomašić, Peter van Dalen, Theodoros Zagorakis

Bij de eindstemming aanwezige vaste plaatsvervangers

Catherine Chabaud, Gabriel Mato, Elżbieta Rafalska

 


 

HOOFDELIJKE EINDSTEMMING IN DE ADVISERENDE COMMISSIE

24

+

ECR

Bert-Jan Ruissen, Ruža Tomašić

ID

Rosanna Conte, France Jamet

PPE

François-Xavier Bellamy, Niclas Herbst, Francisco José Millán Mon, Cláudia Monteiro de Aguiar, Annie Schreijer-Pierik, Peter van Dalen, Theodoros Zagorakis

Renew

Izaskun Bilbao Barandica, Fredrick Federley, Søren Gade, Pierre Karleskind

S&D

Clara Aguilera, Pietro Bartolo, Isabel Carvalhais, Giuseppe Ferrandino, Predrag Fred Matić, Manuel Pizarro

Verts/ALE

Francisco Guerreiro, Grace O'Sullivan, Caroline Roose

 

1

-

GUE/NGL

Anja Hazekamp

 

1

0

GUE/NGL

João Ferreira

 

Verklaring van de gebruikte tekens:

+ : voor

- : tegen

0 : onthouding

 

 

 


 

 

 

ADVIES VAN DE COMMISSIE BURGERLIJKE VRIJHEDEN, JUSTITIE EN BINNENLANDSE ZAKEN (26.5.2020)

<CommissionInt>aan de Commissie buitenlandse zaken </CommissionInt><CommissionInt>

en de Commissie internationale handel


</CommissionInt><Titre>inzake aanbevelingen voor de onderhandelingen over een nieuw partnerschap met het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland</Titre>

<DocRef>(2020/2023(INI))</DocRef>

Rapporteur voor advies: <Depute>Loránt Vincze</Depute>

 

 

SUGGESTIES

De Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken verzoekt de bevoegde Commissie buitenlandse zaken en de bevoegde Commissie internationale handel onderstaande suggesties in hun ontwerpresolutie op te nemen:

A. Inhoud van de voorgenomen overeenkomst, kernwaarden en governance

1. is ingenomen met de op 18 maart 2020 door de Europese Commissie gepubliceerde ontwerptekst van de overeenkomst inzake het nieuwe partnerschap met het Verenigd Koninkrijk, waarin een brede overeenkomst wordt voorgesteld die alle samenwerkingsgebieden en een overkoepelend institutioneel kader omvat; herhaalt zijn standpunt dat een definitieve overeenkomst één enkel, coherent governancekader moet bieden met inbegrip van een doeltreffende handhaving en een degelijk mechanisme voor geschillenbeslechting, ter voorkoming van een proliferatie van bilaterale overeenkomsten;

2. benadrukt dat het beoogde partnerschap gebaseerd moet zijn op de gedeelde waarden en beginselen van democratie, rechtsstaat en de eerbiediging van de mensenrechten, die in bindende politieke clausules moeten worden verwoord, net zoals wederzijds vertrouwen; benadrukt dat terwijl de EU gebonden blijft aan het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, de overeenkomst over de toekomstige betrekkingen de voortdurende inzet van het VK voor de eerbiediging van het kader van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens (EVRM) moet omvatten;

3. is ingenomen met de bepalingen van de ontwerptekst van de overeenkomst die tot doel hebben de autonomie van de rechtsorde van de EU te handhaven, met inbegrip van de rol van het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJ-EU) als hoogste instantie voor de uitlegging van het EU-recht; benadrukt dat aanvaarding van een dergelijke rol een noodzakelijke voorwaarde is voor de toekomstige samenwerking;

B. Vooruitgang van de onderhandelingen

 

4. spreekt zijn bezorgdheid uit over de vooruitgang van de onderhandelingen, waaronder de annulering van twee onderhandelingsronden die tijdens de COVID-19-lockdownperiode waren gepland alsmede de hervatting van de onderhandelingen vanaf 20 april; merkt op dat, volgens de informatie die is ontvangen van de taskforce Betrekkingen met het Verenigd Koninkrijk van de Europese Commissie, ondanks een eerste bespreking op het gebied van veiligheid, rechtshandhaving en justitiële samenwerking in strafzaken, gegevensbescherming en burgerrechten, alsook op het gebied van irreguliere migratie en asiel, die plaatsvond tijdens de tweede ronde van de onderhandelingen, geen duidelijke vooruitgang is geboekt; wijst erop dat, in overeenstemming met artikel 132 van het terugtrekkingsakkoord, het Gemengd Comité vóór 1 juli 2020 eenmalig kan besluiten de overgangsperiode te verlengen; neemt in aanmerking dat de Britse regering tijdens de tweede onderhandelingsronde heeft benadrukt dat zij niet van plan is om een verlenging van de overgangsperiode aan te vragen; is er in het geheel niet gerust op dat de onderhandelingen over alle essentiële zaken voor het einde van het jaar kunnen worden afgerond, met name gezien de huidige context van de COVID-19-pandemie en de beperkte vooruitgang die tot dusverre is geboekt; verzoekt de onderhandelende partijen alles in het werk te stellen om op alle gebieden van de onderhandelingen, met inbegrip van de moeilijkste gebieden, vooruitgang te boeken en een alomvattende onderhandelingsstrategie vast te stellen;

 

C. Burgerrechten en mobiliteitsregelingen

 

5. neemt kennis van de besprekingen binnen het Gemengd Comité EU-VK, dat is opgericht in het kader van het terugtrekkingsakkoord, en de komende vergadering van de gespecialiseerde commissie over burgerrechten; verzoekt de medevoorzitters van het Gemengd Comité om burgers en maatschappelijke organisaties actief te betrekken in dit verband; verzoekt het Parlement volledig op de hoogte te stellen van alle door het Gemengd Comité gehouden besprekingen en genomen besluiten; is bezorgd dat, volgens de meest recente statistieken[39] over de EU-vestigingsregeling, die op 21 mei 2020 door het Britse ministerie van Binnenlandse Zaken werden gepubliceerd, tot 30 april 2020 in totaal 3 220 100 aanvragen zijn afgehandeld waarvan slechts in 58 % van de gevallen een vaste verblijfsstatus is toegekend en in 41 % een voorlopige verblijfsstatus; wijst nogmaals op het verzoek[40] van het Parlement, in verband met de verblijfsstatusregelingen in zowel het VK als in de lidstaten, om niet‑discriminerende, gebruiksvriendelijke, transparante en kosteloze regelingen, die een declaratoir karakter hebben en om verstrekking van fysieke documenten die gelden als bewijs van status; herinnert eraan dat EU-burgers die een voorlopige status hebben, in het kader van het terugtrekkingsakkoord dezelfde behandeling moeten krijgen als de burgers van het VK, ook wat de toegang tot uitkeringen en het gezondheidszorgstelsel betreft; verzoekt het Gemengd Comité en de Commissie de relevante ontwikkelingen te monitoren; merkt op dat er weinig vooruitgang is geboekt met betrekking tot de oproep van het Parlement om kwesties in verband met de EU-vestigingsregeling aan te pakken, met name wat betreft de toegankelijkheid van de toepassing, de onafhankelijkheid van de toezichthoudende autoriteit en de mogelijke gevolgen voor burgers van de Unie van het niet halen van de termijn, alsook de toepasselijkheid van de EU-vestigingsregeling van het VK voor burgers van de EU-27 in Noord-Ierland die geen VK-burgerschap in het kader van het Goede Vrijdagakkoord hebben aangevraagd, en de noodzaak om alle onderdelen van het Goede Vrijdagakkoord volledig in acht te nemen, zoals vermeld in het terugtrekkingsakkoord; dringt er bij de autoriteiten van het VK op aan ervoor te zorgen dat de rechten van de burgers in Noord-Ierland niet worden ingeperkt; benadrukt dat deze kwesties aan het einde van de overgangsperiode volledig moeten zijn opgelost en geëvalueerd, als voorwaarde voor een toekomstige overeenkomst; erkent de zorgen die het Verenigd Koninkrijk heeft geuit in verband met de uitvoering door bepaalde lidstaten van het terugtrekkingsakkoord met betrekking tot de burgerrechten, met name de transparantie en gebruiksvriendelijkheid van de verblijfsstatusregelingen en de ondersteuning van kwetsbare personen; is ingenomen met de bekendmaking door de Commissie van haar leidraad ter ondersteuning van de nationale autoriteiten bij de correcte uitvoering van het tweede deel van het terugtrekkingsakkoord over burgerrechten; verzoekt de Commissie om in dit verband nauwgezet toezicht te houden op de naleving in de lidstaten;

6. dringt er bij de onderhandelende partijen op aan de burgerrechten die gegarandeerd worden in het kader van het terugtrekkingsakkoord, zowel voor EU-burgers als voor burgers van het VK, en voor hun gezin, volledig te eerbiedigen en toe te passen; dringt er bij de onderhandelende partijen op aan te streven naar een hoog niveau van mobiliteitsrechten in de toekomstige overeenkomst; betreurt het dat het VK tot dusver weinig ambitie aan de dag heeft gelegd met betrekking tot de mobiliteit van burgers, waarvan het VK en zijn burgers in het verleden hebben geprofiteerd; is van mening dat toekomstige overeenkomsten inzake mobiliteit, met inbegrip van visumvrij reizen voor kort verblijf, gebaseerd moeten zijn op non‑discriminatie tussen de lidstaten en volledige wederkerigheid; is meer in het algemeen van mening dat de verdere concretisering van de rechten van burgers door middel van juridisch bindende bepalingen een hoeksteen en een onlosmakelijk onderdeel moet vormen van de tekst van een toekomstige internationale overeenkomst tussen de EU en het VK; benadrukt dat dit de situatie moet omvatten van grensarbeiders, van wie het vrije verkeer moet worden gegarandeerd, op basis van non-discriminatie en wederkerigheid; wijst in dit verband op de situatie van Gibraltar, waar de rechten van ingezetenen en met name die van werkenden die de wederzijdse grenzen overschrijden, moeten worden gewaarborgd, gezien de controverse tussen Spanje en het Verenigd Koninkrijk met betrekking tot de soevereiniteit over het grondgebied; wijst in dit verband op de desbetreffende resoluties en besluiten van de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties, die door het Parlement en de Europese Raad zijn onderschreven; is van mening dat de voorwaarden voor binnenkomst en verblijf in het kader van onderzoek, studie, stages, vrijwilligerswerk, scholierenuitwisseling, educatieve projecten, au-pairactiviteiten en vrijwilligerswerk in het kader van het Europees Solidariteitskorps, deel moeten uitmaken van de toekomstige overeenkomst en niet mogen worden overgelaten aan interne regelgeving, waarbij de noodzaak van een gecoördineerde aanpak van de kant van de Unie en haar lidstaten wordt benadrukt; benadrukt dat de gelijke behandeling van burgers van alle EU-lidstaten op dit gebied volledig moet worden gewaarborgd; herinnert eraan dat de COVID-19-crisis heeft aangetoond dat essentiële sectoren in het VK, zoals de volksgezondheid en de landbouw, afhankelijk zijn van EU-werknemers, waaronder seizoenarbeiders;

D. Gegevensbescherming

 

7. benadrukt het belang van gegevensbescherming, zowel als grondrecht als cruciale randvoorwaarde voor de digitale economie; herinnert aan zijn standpunt[41] dat de Commissie volgens de jurisprudentie van het HvJ-EU[42] moet aantonen dat het VK een niveau van bescherming biedt dat “in grote lijnen overeenkomt” met het niveau dat binnen de Unie wordt gewaarborgd, waaronder met betrekking tot verdere doorgifte aan derde landen, voordat ze het gegevensbeschermingskader van het VK passend kan verklaren;

8. herinnert eraan dat in de Britse gegevensbeschermingswet wordt voorzien in een algemene en ruime vrijstelling van de gegevensbeschermingsbeginselen en de rechten van betrokkenen voor de verwerking van persoonsgegevens voor immigratiedoeleinden; is bezorgd over het feit dat wanneer de gegevens van niet-Britse burgers in het kader van deze vrijstelling worden verwerkt, zij niet op dezelfde wijze worden beschermd als Britse burgers; is van mening dat deze vrijstelling in strijd zou zijn met de AVG; is bovendien van mening dat het rechtskader van het VK inzake de bewaring van elektronische telecommunicatiegegevens niet aan de vereisten van het desbetreffende EU-acquis zoals uitgelegd door het HvJ-EU[43] voldoet en momenteel dus niet voldoet aan het adequaatheidsvereiste; is ernstig bezorgd over de schriftelijke verklaring van de Britse premier van 3 februari 2020 over de betrekkingen tussen het VK en de EU[44] waarin wordt verklaard dat het VK in de toekomst afzonderlijk en onafhankelijk beleid zal ontwikkelen op gebieden als gegevensbescherming;

9. onderstreept dat in de door de Raad op 25 februari[45] vastgestelde richtsnoeren voor de onderhandelingen, duidelijk wordt gesteld dat het toekomstige partnerschap “dient te worden geschraagd door toezeggingen om de grondrechten te eerbiedigen, met inbegrip van passende bescherming van persoonsgegevens als noodzakelijke voorwaarde voor de beoogde samenwerking” en dient “te voorzien in automatische beëindiging van de samenwerking op het gebied van rechtshandhaving en justitiële samenwerking in strafzaken indien het Verenigd Koninkrijk het Europees Verdrag voor de rechten van de mens (EVRM) zou opzeggen” en “automatische opschorting, mocht het Verenigd Koninkrijk de nationale wetgeving tot uitvoering van het EVRM intrekken”, en wordt benadrukt dat “het ambitieniveau van de in het kader van het veiligheidspartnerschap beoogde samenwerking op rechtshandhavings- en justitieel gebied zal afhangen van het niveau van bescherming van persoonsgegevens in het Verenigd Koninkrijk” (punt 118);

10. herhaalt dat in bovengenoemde onderhandelingsrichtsnoeren ook is bepaald dat “het veiligheidspartnerschap dient te voorzien in nauwe samenwerking op het gebied van rechtshandhaving en justitiële samenwerking met betrekking tot het voorkomen, onderzoeken, opsporen en vervolgen van strafbare feiten, rekening houdend met de toekomstige status van het Verenigd Koninkrijk als derde land dat niet tot Schengen behoort en niet voorziet in vrij verkeer van personen” (punt 117);

11. is bezorgd over het feit dat het VK tijdens de eerste onderhandelingsronde (2-5 maart 2020) voor de toekomstige partnerschapsovereenkomst meegedeeld heeft dat het, wat de justitiële en politiële samenwerking in strafzaken betreft, zich niet zal verbinden tot handhaving van het EVRM en evenmin de bevoegdheid van het HvJ-EU zal aanvaarden; betreurt het dat aan dit laatste standpunt tijdens de tweede onderhandelingsronde is vastgehouden; staat op het standpunt dat indien het VK zich niet uitdrukkelijk verbindt tot handhaving van het EVRM en evenmin de jurisdictie van het HvJ-EU aanvaardt, als enige instelling die bevoegd is om het EU-recht uit te leggen, er geen overeenkomst mogelijk is op het gebied van justitiële en politiële samenwerking in strafzaken; neemt tevens kennis van de verklaringen van de onderhandelaar van de EU, de heer Barnier, naar aanleiding van de tweede onderhandelingsronde, waarin wordt opgemerkt dat het Verenigd Koninkrijk tijdens deze tweede ronde heeft geweigerd om harde garanties inzake grondrechten en individuele vrijheden te geven en eraan heeft vastgehouden de huidige normen te verlagen en af te wijken van overeengekomen mechanismen voor gegevensbescherming, en daarmee de omvang van het toekomstige veiligheidspartnerschap ernstig beperkt[46];

12. is van mening dat er bijzondere aandacht moet worden besteed aan het rechtskader van het VK met betrekking tot nationale veiligheid en de verwerking van persoonsgegevens door rechtshandhavingsautoriteiten; herinnert eraan dat grootschalige surveillanceprogramma’s zoals dat van het VK, niet in overeenstemming zijn met het EU-recht; pleit ervoor dat rekening wordt gehouden met de jurisprudentie van het HvJ-EU op dit gebied, zoals de zaak Schrems, alsook de jurisprudentie van het Europees Hof van de Rechten van de Mens;

13. verzoekt de Commissie de bovengenoemde elementen in aanmerking te nemen bij de beoordeling van de passendheid van het rechtskader van het Verenigd Koninkrijk ten aanzien van het niveau van bescherming van persoonsgegevens, en ervoor te zorgen dat het Verenigd Koninkrijk de in deze resolutie genoemde problemen heeft opgelost voordat het Britse gegevensbeschermingsrecht, in overeenstemming met het Unierecht, zoals uitgelegd door het Hof van Justitie, kan worden verklaard; verzoekt de Commissie ook het advies van het Europees Comité voor gegevensbescherming en de Europese Toezichthouder voor gegevensbescherming in te winnen, en deze organen te voorzien van alle relevante informatie en passende termijnen om hun rol te vervullen; benadrukt dat een adequaatheidsbesluit geen voorwerp van onderhandelingen tussen het VK en de EU mag zijn, aangezien dit besluit verband houdt met de bescherming van een grondrecht dat wordt erkend door het EVRM, het Handvest en de EU-Verdragen;

E. Veiligheid, rechtshandhaving en justitiële samenwerking in strafzaken

 

14. betreurt het dat de onderhandelingen op het gebied van veiligheid, rechtshandhaving en justitiële samenwerking in strafzaken geen aanzienlijke vooruitgang hebben geboekt tijdens de in april plaatsgevonden tweede ronde; herhaalt dat tijdens de volgende onderhandelingsronde op dit gebied tastbare vooruitgang moet worden bereikt om tot een overeenkomst over een alomvattende en efficiënte samenwerking te kunnen komen;

15. herhaalt zijn oproep aan de onderhandelende partijen om, gezien de geografische nabijheid en het feit dat de EU en het VK blootgesteld zijn aan dezelfde risico’s, te streven naar doeltreffende samenwerkingsregelingen op het gebied van rechtshandhaving, die doeltreffend zijn en ten goede komen aan de veiligheid van de burgers van beide partijen, rekening houdend met het feit dat het VK een derde land is dat niet tot het Schengengebied behoort, waardoor het niet dezelfde rechten en faciliteiten kan genieten als een lidstaat; onderstreept dat afzonderlijke, op zichzelf staande overeenkomsten de juridische samenhang op het gebied van rechtshandhaving en justitiële samenwerking in strafzaken ondermijnen; dringt er bij de Commissie op aan zich te houden aan haar onderhandelingsrichtsnoeren en te streven naar één allesomvattende overeenkomst;

16. is ernstig bezorgd over het verzoek van het VK om rechtstreekse toegang te krijgen tot de EU-informatiesystemen op het gebied van justitie en binnenlandse zaken en een status te behouden in de agentschappen op het gebied van justitie en binnenlandse zaken die weinig verschilt van de status van de lidstaten; benadrukt nogmaals dat het VK, als derde land dat niet tot het Schengengebied behoort, geen rechtstreekse toegang kan hebben tot de gegevens van de EU-informatiesystemen en geen deel kan uitmaken van de managementstructuren van de EU-agentschappen op het gebied van vrijheid, veiligheid en recht; waarschuwt dat het delen van informatie met het VK, met inbegrip van persoonsgegevens, onderworpen moet zijn aan strikte waarborgen en controle- en toezichtsvoorwaarden, inclusief een gelijkwaardig beschermingsniveau voor persoonsgegevens als hetgeen waarin voorzien is in het EU-recht;

17. herinnert eraan dat het Schengeninformatiesysteem (SIS) is opgezet als een instrument ter compensatie van de opheffing van de grenscontroles in het Schengengebied; wijst erop dat in de SIS-wetgeving de toegang van derde landen tot het systeem uitdrukkelijk wordt verboden; benadrukt dat het VK als derde land geen toegang tot het SIS kan hebben; herinnert eraan dat het VK in 2015 is begonnen met de toepassing van een aantal bepalingen van het Schengenacquis in verband met het SIS op het gebied van politiële samenwerking[47] en dat ernstige tekortkomingen zijn vastgesteld in de toepassing ervan door het VK en dat deze nog steeds niet zijn verholpen; herinnert eraan dat de Raad op 5 maart een reeks aanbevelingen heeft uitgebracht betreffende de uit de evaluatie van 2017 naar voren komende ernstige tekortkomingen in de toepassing van het Schengenacquis op het gebied van SIS door het VK en dat het VK in zijn antwoord blijk geeft van een geringe bereidheid deze aanbevelingen uit te voeren; is van mening dat de toekomstige samenwerking tussen de EU en het VK op het gebied van rechtshandhaving en justitiële samenwerking moeten zijn gebaseerd op wederzijds vertrouwen; is derhalve van mening dat eerst een volledige oplossing moet zijn gevonden voor de overtredingen in verband met het gebruik van het SIS en het vermeende verzuim om de gegevens over 75 000 strafrechtelijke veroordelingen overeenkomstig Kaderbesluit 2009/315/JBZ van de Raad aan andere lidstaten door te geven, voordat er sprake kan zijn van een akkoord over de regelingen voor de toekomstige samenwerking tussen de EU en het VK op het gebied van rechtshandhaving en justitiële samenwerking[48]; onderstreept dat een dergelijke samenwerking alleen kan worden overeengekomen als robuuste regels zijn vastgesteld en stevige handhavingsmechanismen tot stand gekomen zijn;

18. wijst erop dat de geautomatiseerde uitwisseling van DNA-gegevens met het VK in het kader van het Prüm-mechanisme pas in 2019 van start is gegaan en dat de Raad op het punt staat een uitvoeringsbesluit vast te stellen op grond waarvan het Verenigd Koninkrijk zou kunnen deelnemen aan de geautomatiseerde uitwisseling van dactyloscopische gegevens; wijst in dit verband erop dat op 13 mei 2020, in het kader van de bijzondere raadplegingsprocedure voor handelingen van de voormalige derde pijler, het Parlement het ontwerpbesluit van de Raad heeft verworpen vanwege zorgen over de volledige wederkerigheid van de uitwisseling van vingerafdrukgegevens, de gegevensbeschermingswaarborgen, alsook de zeer korte toepassingstermijn; verzoekt de Raad de argumenten van het Parlement voor de afwijzing zorgvuldig in beschouwing te nemen; herinnert de onderhandelaars eraan dat, indien vastgesteld, de besluiten van de Raad waarmee deze geautomatiseerde gegevensuitwisselingen worden toegestaan, aan het einde van de overgangsperiode aflopen; benadrukt dat er tijdig overeenstemming moet worden bereikt over nieuwe regelingen voor de toekomstige betrekkingen, gezien het belang van informatie-uitwisseling in de strijd tegen zware en georganiseerde grensoverschrijdende criminaliteit en terrorisme; is van mening dat de toekomstige relatie niet moet worden bepaald door de regels die tijdens de overgangsperiode worden toegepast; benadrukt dat de overeenkomst op het beginsel van wederkerigheid moet zijn gebaseerd;

19. is bezorgd dat het onderhandelingsmandaat van het VK op belangrijke gebieden van justitiële samenwerking in strafzaken, zoals bepalingen ter bestrijding van witwassen en terrorismefinanciering, niet ambitieus genoeg is; benadrukt dat een gelijk speelveld op het gebied van de bestrijding van witwassen essentieel is voor een definitief akkoord; is ervan overtuigd dat de onderhandelende partijen een oplossing zouden kunnen vinden waardoor een meer ambitieuze samenwerking mogelijk is dan die in het kader van het Verdrag van de Raad van Europa inzake uitlevering;

F. Migratie, asiel en grensbeheer

20. benadrukt dat overeenstemming moet worden bereikt over de voorwaarden voor samenwerking met betrekking tot de irreguliere migratie van personen die niet de nationaliteit van een van beide partijen bezitten, waarbij de grondrechten en de menselijke waardigheid worden geëerbiedigd en de bescherming van de meest kwetsbaren wordt erkend; herhaalt zijn verzoek ervoor te zorgen dat deze samenwerking op zijn minst regelingen omvat die de veilige en legale kanalen voor toegang tot internationale bescherming verbeteren, onder meer via gezinshereniging;

21. benadrukt de noodzaak van nauwe samenwerking tussen de partijen om mensensmokkel en mensenhandel te bestrijden, in overeenstemming met het internationaal recht, dat van toepassing blijft op de grens tussen het VK en de EU; verzoekt de onderhandelende partijen om de mogelijke rol van Europol en de Europese grens- en kustwacht te verduidelijken in de context van een dergelijke samenwerking;

22. neemt kennis van de verklaring van de Commissie over asiel (bijlage D bij het Besluit van de Raad houdende machtiging tot het openen van de onderhandelingen), waarin wordt bepaald dat de Commissie, op verzoek van het Verenigd Koninkrijk en indien dit in het belang van de EU is, een dialoog met het Verenigd Koninkrijk over samenwerking op het gebied van asiel zal overwegen, na advies te hebben ingewonnen van het Coreper; benadrukt dat het VK niet kan kiezen welke onderdelen van het EU-asiel- en immigratieacquis het wenst te behouden;

23. benadrukt nogmaals de noodzaak van de goedkeuring van een plan voor gezinshereniging, dat gereed moet zijn om aan het einde van de overgangsperiode in werking te treden, teneinde lacunes met humanitaire gevolgen te voorkomen en het recht op het familie- en gezinsleven van asielzoekers te eerbiedigen, overeenkomstig artikel 8 van het EVRM, dat zowel in het VK als in de EU van toepassing blijft;

24. als onderdeel van een dergelijk plan, en meer in het algemeen, worden de onderhandelaars herinnerd aan de verplichting van zowel de EU-27 als het VK om alle kinderen op hun grondgebied te beschermen, ongeacht hun status, hun relatie of hun familiebanden, met inbegrip van niet-begeleide minderjarigen, en om ervoor te zorgen dat alle kinderen toegang hebben tot hun recht op bescherming, gezinsleven en welzijn in het licht van hun belangen, overeenkomstig het Verdrag van de Verenigde Naties inzake de rechten van het kind 1989 (UNCRC); neemt kennis van de toezegging van het VK om te onderhandelen over gezinshereniging voor minderjarige asielzoekers; verzoekt de lidstaten om, zodra het VK concrete voorstellen heeft gedaan, de Commissie een mandaat te verlenen om te onderhandelen over een plan voor gezinshereniging voor asielzoekers;

25. benadrukt het belang van een gecoördineerde aanpak door de EU van al deze kwesties, aangezien bilaterale regelingen tussen het VK en de afzonderlijke lidstaten met betrekking tot kwesties als gezinshereniging voor asielzoekers of vluchtelingen, herplaatsing of overname, negatieve gevolgen kunnen hebben voor de samenhang van het asiel- en migratiebeleid van de EU; roept beide onderhandelende partijen op te streven naar een evenwichtige en constructieve aanpak in al deze aangelegenheden, met inbegrip van legale kanalen en overnameovereenkomsten voor onderdanen van derde landen, waarbij voorrang wordt gegeven aan de noodzaak om internationale bescherming te bieden aan degenen die dat nodig hebben en bijzondere aandacht te besteden aan de meest kwetsbaren, een aanpak waartoe beide partijen zich hebben verplicht;

G. Samenwerking met agentschappen op het gebied van justitie en binnenlandse zaken

26. herhaalt zijn verzoek om de toekomstige praktische samenwerking tussen de autoriteiten van het VK en de EU-agentschappen op het gebied van justitie en binnenlandse zaken te verduidelijken, en daarbij rekening te houden met de status van het VK als derde land dat niet tot het Schengengebied behoort en als belangrijke partner in de strijd tegen terrorisme en georganiseerde criminaliteit; verzoekt de onderhandelende partijen te streven naar nauwe strategische en operationele samenwerking op het gebied van rechtshandhaving en strafrechtspleging, en daarbij de technische en juridische beperkingen van dergelijke samenwerking in acht te nemen.


INFORMATIE OVER DE GOEDKEURING IN DE ADVISERENDE COMMISSIE

Datum goedkeuring

25.5.2020

 

 

 

Uitslag eindstemming

+:

–:

0:

52

8

7

Bij de eindstemming aanwezige leden

Magdalena Adamowicz, Malik Azmani, Katarina Barley, Pietro Bartolo, Nicolas Bay, Vladimír Bilčík, Vasile Blaga, Ioan-Rareş Bogdan, Patrick Breyer, Saskia Bricmont, Joachim Stanisław Brudziński, Jorge Buxadé Villalba, Damien Carême, Caterina Chinnici, Clare Daly, Marcel de Graaff, Lena Düpont, Cornelia Ernst, Laura Ferrara, Nicolaus Fest, Jean-Paul Garraud, Sylvie Guillaume, Andrzej Halicki, Balázs Hidvéghi, Evin Incir, Sophia in ‘t Veld, Lívia Járóka, Marina Kaljurand, Assita Kanko, Fabienne Keller, Peter Kofod, Moritz Körner, Alice Kuhnke, Jeroen Lenaers, Juan Fernando López Aguilar, Lukas Mandl, Nuno Melo, Nadine Morano, Javier Moreno Sánchez, Nicola Procaccini, Emil Radev, Paulo Rangel, Terry Reintke, Diana Riba i Giner, Ralf Seekatz, Birgit Sippel, Martin Sonneborn, Sylwia Spurek, Tineke Strik, Ramona Strugariu, Annalisa Tardino, Dragoş Tudorache, Milan Uhrík, Tom Vandendriessche, Bettina Vollath, Jadwiga Wiśniewska, Elena Yoncheva, Javier Zarzalejos

Bij de eindstemming aanwezige vaste plaatsvervangers

Malin Björk, Ondřej Kovařík, Nathalie Loiseau, Jan-Christoph Oetjen, Sira Rego, Domènec Ruiz Devesa, Isabel Santos, Loránt Vincze, Isabel Wiseler-Lima

 


HOOFDELIJKE EINDSTEMMING IN DE ADVISERENDE COMMISSIE

52

+

PPE

Magdalena Adamowicz , Vladimír Bilčík, Vasile Blaga, Ioan-Rareş Bogdan, Lena Düpont, Andrzej Halicki, Lívia Járóka, Jeroen Lenaers, Lukas Mandl, Nuno Melo, Emil Radev, Paulo Rangel, Ralf Seekatz, Loránt Vincze, Isabel Wiseler-Lima, Javier Zarzalejos

S&D

Katarina Barley, Pietro Bartolo, Caterina Chinnici, Sylvie Guillaume, Evin Incir, Marina Kaljurand, Juan Fernando López Aguilar, Javier Moreno Sánchez, Domènec Ruiz Devesa, Isabel Santos, Birgit Sippel, Sylwia Spurek, Bettina Vollath, Elena Yoncheva

Renew

Malik Azmani, Sophie In’t Veld, Fabienne Keller, Moritz Körner, Ondřej Kovařík, Nathalie Loiseau, Jan-Christophe Oetjen, Ramona Strugariu, Ioan-Dragos Tudorache

VERTS/ALE

Patrick Breyer, Saskia Bricmont, Damien Carême, Alice Kuhnke, Terry Reintke, Diana Riba I Giner, Tineke Strik

GUE/NGL

Malin Björk, Clare Daly, Cornelia Ernst, Sira Rego

NI

Laura Ferrara, Martin Sonneborn

 

8

-

ID

Nicolas Bay, Marcel De Graaff, Nicolaus Fest, Jean- Paul Garraud, Peter Kofod, Annalisa Tardino, Tom Vandendriessche

NI

Milan Uhrík

 

7

0

PPE

Balázs Hidvéghi, Nadine Morano

ECR

Joachim Stanisław Brudziński, Jorge Buxadé Villalba, Assita Kanko, Nicola Procaccini, Jadwiga Wiśniewska

 

Verklaring van de gebruikte tekens:

+ : voor

- : tegen

0 : onthouding

 


 

 

 

ADVIES VAN DE COMMISSIE CONSTITUTIONELE ZAKEN (27.5.2020)

<CommissionInt>aan de Commissie buitenlandse zaken en de Commissie internationale handel</CommissionInt>


<Titre>inzake de aanbevelingen voor de onderhandelingen over een nieuw partnerschap met het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland</Titre>

<DocRef>(2020/2023(INI))</DocRef>

Rapporteur voor advies: <Depute>Danuta Maria Hübner</Depute>

 

 

SUGGESTIES

De Commissie constitutionele zaken verzoekt de Commissie buitenlandse zaken en de Commissie internationale handel, als bevoegde commissies, onderstaande suggesties in hun ontwerpresolutie op te nemen:

Voor de tenuitvoerlegging van het terugtrekkingsakkoord

1. wijst op de resolutie van het Europees Parlement van 15 januari 2020 over de uitvoering van en het toezicht op de bepalingen over burgerrechten in het terugtrekkingsakkoord[49] en herinnert eraan dat de volledige tenuitvoerlegging van het terugtrekkingsakkoord nog altijd de hoogste prioriteit heeft; benadrukt dat de volledige tenuitvoerlegging van het terugtrekkingsakkoord, met inbegrip van het Protocol inzake Ierland/Noord-Ierland, een essentiële voorwaarde is voor en ten grondslag ligt aan het vertrouwen in een vruchtbaar toekomstig partnerschap tussen de Europese Unie en het Verenigd Koninkrijk; toont zich in dit verband bezorgd over het feit dat de Britse regering, ondanks haar toezegging om het Goede Vrijdagakkoord te beschermen en haar verplichtingen uit hoofde van het Protocol inzake Ierland/Noord-Ierland evenals haar verplichtingen uit hoofde van het terugtrekkingsakkoord betreffende de rechten van burgers na te komen, openbare verklaringen heeft gedaan waaruit blijkt dat het haar aan politieke wil ontbreekt om haar juridische verbintenissen krachtens het terugtrekkingsakkoord, onder meer met betrekking tot de controle van goederen in de Ierse Zee, volledig na te leven;

2. wijst erop dat de naleving van verdragen een fundamenteel beginsel vormt van elke rechtsorde, en in het bijzonder van de internationale rechtsorde; beklemtoont dat de stabiliteit van en het vertrouwen in de betrekkingen tussen de Europese Unie en het Verenigd Koninkrijk afhankelijk zijn van de eerbiediging, door beide partijen, van de beginselen van het bindende terugtrekkingsakkoord en de politieke verklaring van de EU en het VK, alsook van het feit dat deze te goeder trouw ten uitvoer moet worden gelegd om verstoringen te voorkomen en burgers en economische actoren juridische zekerheid te bieden;

3. maakt zich zorgen over het toepassingsproces met betrekking tot de vestigingsregeling van de Europese Unie; merkt in dit verband op dat er volgens de meest recente statistieken over de vestigingsregeling van februari 2020, die op 19 maart 2020 door het Britse ministerie van Binnenlandse Zaken werden gepubliceerd, tot 29 februari 2020 in totaal meer dan 3,3 miljoen (3 343 700) aanvragen zijn ingediend en dat aan 58 % van deze aanvragen een vaste verblijfsstatus is toegekend en aan 41 % een voorlopige verblijfsstatus;

4. vindt dat het aantal gevallen waaraan een voorlopige verblijfsstatus is toegekend naar verhouding te hoog is ten opzichte van het aantal gevallen waaraan een vaste verblijfsstatus is toegekend; vraagt het Britse Ministerie van Binnenlandse Zaken met klem zich flexibel op te stellen wat betreft de aanvaarding van documenten die als bewijs moeten dienen dat aanvragers, zoals vereist, ten minste vijf jaar in het land hebben gewoond; is eveneens bezorgd over het feit dat aan de aanvragers geen fysiek bewijs wordt verstrekt van de status die aan hen is toegekend; verzoekt de Europese Commissie de verblijfsstatus van EU-burgers die tot kwetsbare en achtergestelde groepen behoren te bestuderen en na te gaan of de rechten van deze burgers in dit verband zijn geëerbiedigd; toont zich bezorgd over het feit dat burgers met een voorlopige verblijfsstatus ook moeten aantonen dat ze verblijfsrecht genieten om toegang te krijgen tot uitkeringen; herinnert eraan dat het welslagen van de toekomstige betrekkingen tussen de EU en het VK bovendien afhankelijk is van de correcte tenuitvoerlegging van de bepalingen van het terugtrekkingsakkoord met betrekking tot de rechten van Europese burgers in het VK;

5. verzoekt de partijen toe te zien op de strikte tenuitvoerlegging van het Protocol inzake Ierland/Noord-Ierland; waarschuwt dat het uit hoofde van artikel 164 van het terugtrekkingsakkoord opgerichte Gemengd Comité EU-VK niet kan worden gebruikt als forum voor het heronderhandelen van de voorwaarden van het protocol of andere delen van het terugtrekkingsakkoord;

6. neemt kennis van de eerste bijeenkomst van het Gemengd Comité EU-VK van 30 maart 2020, waarbij is gekeken naar de stand van zaken met betrekking tot de tenuitvoerlegging van het terugtrekkingsakkoord, en met name van het Protocol inzake Ierland/Noord-Ierland en van het gedeelte over de rechten van de burgers; benadrukt dat de Europese Commissie naar aanleiding van deze bijeenkomst te kennen heeft gegeven dat er dringend een gedetailleerd tijdschema moet worden voorgelegd en dat onverwijld moet worden overgegaan tot de invoering van de nodige maatregelen, waaronder maatregelen ter voorbereiding van de invoering van douaneprocedures voor goederen die Noord-Ierland binnenkomen vanuit het Verenigd Koninkrijk en maatregelen ter waarborging van de uitvoering van alle sanitaire en fytosanitaire controles, evenals andere regelgevingscontroles, van goederen die Noord-Ierland binnenkomen vanuit derde landen;

 7. brengt in herinnering dat er voor het einde van de overgangsperiode belangrijke besluiten moeten worden genomen door het Gemengd Comité EU-VK over de tenuitvoerlegging van het Protocol inzake Ierland/Noord-Ierland; hoopt dat prioriteit zal worden toegekend aan de werkzaamheden van de uit hoofde van het terugtrekkingsakkoord op te richten zes gespecialiseerde comités voor de belangrijkste gebieden van de tenuitvoerlegging van het akkoord, en met name van het gespecialiseerd comité voor het Protocol inzake Ierland/Noord-Ierland; is verheugd over de eerste bijeenkomst van het gespecialiseerd comité voor het Protocol inzake Ierland/Noord-Ierland van 30 april 2020, na afloop waarvan de Europese Commissie heeft opgemerkt dat de uitwisselingen dringend moeten worden opgevolgd met tastbare maatregelen; hoopt dat de EU en het VK overeenstemming kunnen bereiken over alle institutionele afspraken, waaronder over de oprichting van een technisch bureau van de Europese Commissie in Belfast;

 8. wijst erop dat het terugtrekkingsakkoord voorziet in wederzijdse bescherming voor EU-burgers en Britse burgers, evenals voor hun gezinsleden; pleit ervoor dat zowel EU-burgers als Britse burgers alle nodige informatie ontvangen met betrekking tot hun rechten en de procedures die ze moeten volgen om te kunnen blijven wonen en werken in het land waar zij wonen en om van en naar dit land te kunnen blijven reizen; herhaalt dat de rechten van burgers een absolute prioriteit blijven en pleit voor de instandhouding van de in het kader van het terugtrekkingsakkoord gewaarborgde rechten, zowel voor burgers uit de EU als voor burgers uit het VK, evenals voor hun gezinnen; herinnert aan de toezegging om toezicht te houden op de tenuitvoerlegging van deel twee van het terugtrekkingsakkoord door de EU-27 en wijst er nogmaals op dat het van cruciaal belang is om de bescherming van de rechten van Britse burgers die in de EU-27 wonen op consequente, edelmoedige wijze te benaderen;

9. verwacht dat het Parlement volledig en onmiddellijk op de hoogte wordt gesteld van alle door het Gemengd Comité gehouden discussies en genomen besluiten; herinnert in dit verband aan de verplichtingen die voortvloeien uit Besluit (EU) 2020/135 van de Raad van 30 januari 2020 betreffende de sluiting van het Akkoord inzake de terugtrekking van het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland uit de Europese Unie en de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie[50], en met name artikel 2, lid 3, waarin is bepaald dat het Parlement in staat moet worden gesteld om gedurende het gehele proces van het Gemengd Comité zijn prerogatieven als instelling onverkort uit te oefenen;

10. beklemtoont dat het Parlement krachtens artikel 218, lid 10, VWEU, het recht heeft om ten volle te worden geïnformeerd in iedere fase van de tenuitvoerlegging van door de EU gesloten internationale overeenkomsten, en dus ook van het terugtrekkingsakkoord; herinnert in dit verband aan de toezegging die de voorzitter van de Europese Commissie tijdens de plenaire vergadering van het Parlement van 16 april 2019 heeft gedaan, om het Parlement nauw bij het proces te betrekken en bij de werkzaamheden van het Gemengd Comité terdege rekening te houden met zijn mening, en om alleen besluiten te nemen met volledige inachtneming van het standpunt van het Parlement, dat immers voortvloeit uit een groot aantal interne en openbare raadplegingen en dialogen met maatschappelijke organisaties, deskundigen, nationale parlementen en andere belanghebbenden;

11. herhaalt dat het Parlement waakzaam blijft ten aanzien van de tenuitvoerlegging van alle bepalingen van het terugtrekkingsakkoord en de politieke verklaring van de EU en het VK;

Voor de onderhandelingen over een nieuw partnerschap tussen de EU en het VK – institutionele bepalingen en beheer

12. is ingenomen met de op 18 maart 2020 door de Europese Commissie gepubliceerde ontwerptekst van de overeenkomst inzake het nieuwe partnerschap met het Verenigd Koninkrijk (hierna “de ontwerptekst van de overeenkomst”), die in grote lijnen overeenkomt met haar onderhandelingsmandaat en de resolutie van het Europees Parlement, en waarin een brede overeenkomst wordt voorgesteld voor een diepgaand en hecht partnerschap, een overkoepelend institutioneel kader en daadkrachtige, op regels gebaseerde, afdwingbare bepalingen inzake geschillenbeslechting, met inbegrip van het lopend beheer van en toezicht op de overeenkomst, alsook afspraken op het gebied van geschillenbeslechting, handhaving en naleving; is van mening dat de Commissie door een ontwerptekst van de overeenkomst voor te leggen een wildgroei van bilaterale overeenkomsten uit de weg gaat, die vanwege de complexiteit en onvolledigheid die met een dergelijk systeem gepaard gaan onvermijdelijk tot tekortkomingen zou leiden;

13. is van mening dat de ontwerptekst van de overeenkomst voorziet in een robuust, transparant, samenhangend en flexibel beheerssysteem dat op zijn beurt voorziet in geschillenbeslechtingsmechanismen voor doeltreffende, snel uitvoerbare, afschrikkende maatregelen die volledig in verhouding staan tot het ongekende karakter van het beoogde brede partnerschap;

14. is ingenomen met de bepalingen van de ontwerptekst van de overeenkomst die tot doel hebben de autonomie van de rechtsorde van de EU te handhaven, met inbegrip van de rol van het Hof van Justitie van de Europese Unie als hoogste instantie voor de uitlegging van het EU-recht;

15. dringt erop aan dat alle overeenkomsten inzake de nieuwe betrekkingen tussen de EU en het VK samenhangend zijn en enerzijds zijn afgestemd op de geografische nabijheid van en de grensoverschrijdende, plaatselijke samenwerking tussen de partijen, en anderzijds op de hoge mate van verwevenheid van hun economieën; verwerpt in dit verband praktijken waarbij selectief elementen uit verschillende juridische en handelskaders worden geplukt die van toepassing zijn in het kader van de betrekkingen van de EU met andere derde landen; herinnert er verder aan dat de integriteit van de eengemaakte markt moet worden geëerbiedigd en dat het toepassingsgebied en de diepgang van het toekomstige partnerschap tussen de EU en het VK afhankelijk zullen zijn van de mate waarin wordt gezorgd voor een degelijk gelijk speelveld;

16. acht het uitblijven van een brede overeenkomst omdat wordt uitgeweken naar verschillende sectorale overeenkomsten verwerpelijk, aangezien dergelijke duplicatie in de toekomst zou leiden tot ondoelmatigheden in de tenuitvoerlegging van de overeenkomst;

17. neemt kennis van het op 27 februari 2020 door de Britse regering gepubliceerde document getiteld “The Future Relationship with the EU – The UK’s Approach to Negotiations” (De toekomstige betrekkingen met de EU – De onderhandelingsaanpak van het VK); betreurt ten zeerste dat de Britse regering weigert haar wetsteksten openbaar te maken of zelfs ook maar te delen met het Europees Parlement en de Europese Raad, wat blijk geeft van een ernstig gebrek aan transparantie; vraagt de taskforce Betrekkingen met het Verenigd Koninkrijk met klem transparantie te waarborgen en zich hard te maken voor de openbaarmaking van de volledige onderhandelingsposities om ervoor te zorgen dat het Parlement de onderhandelingen over het partnerschap goed en met kennis van zaken kan volgen; wijst erop dat de voorstellen van het VK achterblijven bij de toezeggingen die het land heeft gedaan in het kader van het terugtrekkingsakkoord en de politieke verklaring; verwerpt echter de door de Britse regering voorgestelde, gefragmenteerde aanpak, waarbij onderdelen zoals subsidies, mededingingsbeleid, handel en arbeid, handel en milieu, en belastingheffing niet in het geschillenbeslechtingsmechanisme van de overeenkomst worden opgenomen en aparte overeenkomsten worden voorgesteld met specifieke bestuursmechanismen op het gebied van onder andere rechtshandhaving en justitiële samenwerking in strafzaken, en nucleaire samenwerking, alsook mechanismen voor de beslechting van politieke geschillen in verband met de uitwisseling van gegevens voor rechtshandhavingsdoeleinden, en operationele samenwerking tussen rechtshandhavingsinstanties;

18. brengt in herinnering dat het toekomstige partnerschap alleen kan worden gesloten met de volledige betrokkenheid en definitieve instemming van het Europees Parlement;

19. dringt erop aan dat wordt gestreefd naar een overkoepelend kader met een horizontaal beheerssysteem voor de toekomstige betrekkingen met het VK als geheel; herinnert eraan dat het VK als voormalige lidstaat belangrijke institutionele samenwerkings- en dialoogstructuren met de EU heeft opgebouwd die van pas kunnen komen bij de operationalisering van deze horizontale regelingen;

20. merkt voorts op dat de ontwerptekst van de overeenkomst, in overeenstemming met de standaardpraktijk van de EU voor het sluiten van vrijhandelsovereenkomsten, voorziet in uitzonderingen en op maat gesneden geschillenbeslechtingsmechanismen op bepaalde gebieden, alsook in diplomatieke middelen voor de uitlegging en toepassing van het gedeelte van de ontwerptekst van de overeenkomst over buitenlands beleid, veiligheid en defensie, en daarmee voldoende flexibiliteit biedt binnen één samenhangend, overkoepelend kader; is ingenomen met het feit dat de aanvullende overeenkomsten die mogelijk op een later tijdstip zullen worden gesloten, een integraal onderdeel zullen uitmaken van de algehele, bilaterale betrekkingen in het kader van de overeenkomst en de institutionele bepalingen daarvan, zoals bepaald in deel vijf van de ontwerptekst van de overeenkomst;

21. is verheugd over het voorstel om een partnerschapsraad op te richten, die zal worden bijgestaan door vijftien gespecialiseerde comités die verantwoordelijk zullen zijn voor de belangrijkste gebieden die onder de overeenkomst vallen, en die belast zal zijn met het toezicht op en de facilitering van de tenuitvoerlegging en toepassing van de overeenkomst en eventuele aanvullende overeenkomsten ter waarborging van het gezamenlijke, permanente toezicht op en het beheer van de overeenkomst;

22. pleit ervoor in de toekomstige overeenkomst ambitieuze bepalingen op te nemen met betrekking tot het verkeer van personen; is ingenomen met de verbintenissen op het gebied van de mensenrechten die in de ontwerptekst van de overeenkomst zijn opgenomen, waaronder met betrekking tot de eerbiediging van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens; beklemtoont dat deze verbintenissen, evenals de inachtneming van de uitspraken van Europees Hof voor de Rechten van de Mens, moeten worden geformaliseerd; herhaalt dat de toekomstige justitiële en politiële samenwerking tussen de EU en het VK, alsook de samenwerking tussen de partijen op het gebied van asiel- en migratiebeleid, met deze geformaliseerde verbintenissen moeten stroken;

23. beklemtoont dat in de overeenkomst duidelijke bepalingen moeten worden opgenomen ter ondersteuning van de doelstellingen van artikel 21 VEU, onder meer betreffende een op regels gebaseerde internationale orde, de rechtsstaat en de bevordering van democratie, met bijzondere aandacht voor de bescherming van de waarden, de grondrechten, de fundamentele belangen, de veiligheid, de onafhankelijkheid en de integriteit van de EU in haar geheel;

24. is verheugd over het voorstel om een parlementaire partnervergadering op te richten voor leden van het Europees Parlement en van het parlement van het Verenigd Koninkrijk, die het recht zal hebben om informatie te ontvangen van de partnerschapsraad en aanbevelingen ter zake te doen;

25. benadrukt dat samenwerking tussen de parlementsleden van de EU en het VK van groot belang is; erkent de positieve bijdrage die vóór de terugtrekking van het VK uit de EU op interparlementaire EU-fora is geleverd door Britse parlementsleden; verheugt zich op de voortzetting van de parlementaire betrekkingen met het parlement van het Verenigd Koninkrijk;

26. is van oordeel dat formele afspraken, zoals afspraken over de parlementaire partnervergadering en de betrokkenheid van maatschappelijke organisaties bij de tenuitvoerlegging van de overeenkomst via de voorgestelde interne adviesgroepen en het forum voor het maatschappelijk middenveld, aanzienlijk kunnen bijdragen aan de legitimiteit en transparantie van de tenuitvoerlegging van de toekomstige overeenkomst en de toekomstige ontwikkeling van het partnerschap;

27. is van oordeel dat de verdere details over de werking van het forum voor het maatschappelijk middenveld, en met name over de organisatie van de dialoog en het overleg tussen het forum en de partnerschapsraad, moeten worden verduidelijkt;

28. eist dat de rol van het Parlement in verband met de tenuitvoerlegging van de bepalingen inzake regelgevingssamenwerking, naast zijn eventuele rol in het kader van de parlementaire partnervergadering, wordt geëerbiedigd, zodat het zijn politieke toezicht naar behoren kan uitoefenen, en eist bovendien dat zijn rechten en prerogatieven als medewetgever worden gewaarborgd; is van oordeel dat het recht van het Parlement om in kennis te worden gesteld van de afspraken over de herziening van de overeenkomst en van eventuele aanvullende overeenkomsten, alsook over het toezicht op de tenuitvoerlegging daarvan, in verhouding moet staan tot het ongekende karakter van het beoogde partnerschap;

 29. wijst erop dat in artikel 184 van het terugtrekkingsakkoord is bepaald dat de Europese Unie en het Verenigd Koninkrijk, te goeder trouw en met volledige eerbiediging van hun respectieve rechtsordes, alles in het werk moeten stellen om de nodige stappen te nemen om via onderhandelingen spoedig tot de overeenkomsten inzake hun toekomstige betrekkingen te komen; merkt met bezorgdheid op dat er in dit stadium van de onderhandelingen nog altijd sterke verdeeldheid heerst tussen de partijen, onder meer met betrekking tot het toepassingsgebied en de juridische vormgeving van de tekst waarover zal worden onderhandeld; betreurt in dit verband dat het VK niet bereid is om zich over een groot aantal kritieke kwesties te buigen; is bovendien bezorgd dat de COVID-19-pandemie negatieve gevolgen zal hebben voor het tijdschema voor de afronding van de onderhandelingen over een integraal toekomstig partnerschap voor het einde van de overgangsperiode op 31 december 2020; waarschuwt dat deze factoren het risico op een “cliff edge”-scenario (een abrupte beëindiging van de betrekkingen) vergroten, waarbij het gebrek aan overeenstemming over een integraal toekomstig partnerschap ten bate van een soepele overgang en het uitblijven van de nodige institutionele afspraken de reeds door de COVID-19-crisis aangerichte economische schade zal verergeren; wijst er in dit verband nogmaals op dat het Gemengd Comité overeenkomstig artikel 132 van het terugtrekkingsakkoord een besluit kan vaststellen tot verlenging van de overgangsperiode tot na 31 december 2020; herinnert eraan dat dit besluit uiterlijk op 1 juli 2020 moet worden genomen.

INFORMATIE OVER DE GOEDKEURING IN DE ADVISERENDE COMMISSIE

Datum goedkeuring

26.5.2020

 

 

 

Uitslag eindstemming

+:

–:

0:

25

1

1

Bij de eindstemming aanwezige leden

Gerolf Annemans, Gabriele Bischoff, Geert Bourgeois, Fabio Massimo Castaldo, Leila Chaibi, Włodzimierz Cimoszewicz, Pascal Durand, Daniel Freund, Charles Goerens, Esteban González Pons, Sandro Gozi, Maria Grapini, Brice Hortefeux, Paulo Rangel, Antonio Maria Rinaldi, Domènec Ruiz Devesa, Helmut Scholz, Pedro Silva Pereira, Antonio Tajani, László Trócsányi, Guy Verhofstadt, Loránt Vincze, Rainer Wieland

Bij de eindstemming aanwezige vaste plaatsvervangers

François Alfonsi, Brando Benifei, Jorge Buxadé Villalba, Markéta Gregorová

 


HOOFDELIJKE EINDSTEMMING IN DE ADVISERENDE COMMISSIE

25

+

ECR

Geert Bourgeois, Jorge Buxadé Villalba

GUE/NGL

Leila Chaibi, Helmut Scholz

NI

Fabio Massimo Castaldo

PPE

Esteban González Pons, Brice Hortefeux, Paulo Rangel, Antonio Tajani, László Trócsányi, Loránt Vincze, Rainer Wieland

RENEW

Pascal Durand, Charles Goerens, Sandro Gozi, Guy Verhofstadt

S&D

Brando Benifei, Gabriele Bischoff, Włodzimierz Cimoszewicz, Maria Grapini, Domènec Ruiz Devesa, Pedro Silva Pereira

VERTS/ALE

François Alfonsi, Daniel Freund, Markéta Gregorová

 

 

 

1

-

ID

Gerolf Annemans

 

 

 

1

0

ID

Antonio Maria Rinaldi

 

 

 


 

 

 

ADVIES VAN DE COMMISSIE VERZOEKSCHRIFTEN (30.4.2020)

<CommissionInt>aan de Commissie buitenlandse zaken en de Commissie internationale handel</CommissionInt>


<Titre>inzake de aanbevelingen voor de onderhandelingen over een nieuw partnerschap met het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland</Titre>

<DocRef>(2020/2023(INI))</DocRef>

Rapporteur voor advies: <Depute>Gheorghe Falcă</Depute>

 

 

SUGGESTIES

De Commissie verzoekschriften verzoekt de Commissie buitenlandse zaken en de Commissie internationale handel, die ten principale bevoegd zijn, onderstaande suggesties in hun ontwerpresolutie op te nemen:

1. herinnert aan het grondbeginsel van de bescherming van de rechten van de burgers; benadrukt voorts dat het ons doel moet zijn zo nauw mogelijke betrekkingen tussen de Britse burgers en de burgers van de EU te behouden;

2. benadrukt dat de terugtrekking van het Verenigd Koninkrijk uit de Europese Unie het Verenigd Koninkrijk niet ontslaat van zijn verantwoordelijkheden om de rechten van EU-burgers te waarborgen, zoals die worden gegarandeerd door het terugtrekkingsakkoord tussen de EU en het VK ("het akkoord"); merkt op dat het akkoord bepalingen bevat voor het waarborgen van de status en de rechten die uit het recht van de Unie voortvloeien voor de betrokken burgers en gezinnen in de EU en het VK; verzoekt de Commissie ervoor te zorgen dat deze bepalingen worden opgenomen in het toekomstige partnerschap tussen de EU en het Verenigd Koninkrijk;

3. herinnert eraan dat het akkoord de rechten beschermt van EU-burgers en hun gezinsleden die hun recht op vrij verkeer in het VK overeenkomstig het EU-recht vóór het einde van de overgangsperiode hebben uitgeoefend en die daarna in het VK blijven wonen, alsmede de rechten van Britse burgers die datzelfde recht uitoefenen in een lidstaat van de EU-27; wijst er nogmaals op dat dit beginsel moet worden nageleefd door de openbare instanties in zowel het Verenigd Koninkrijk als de Unie;

4. herinnert eraan dat elke EU-burger die in het Verenigd Koninkrijk verblijft, het recht heeft een verzoekschrift in te dienen bij het Europees Parlement overeenkomstig artikel 227 van het VWEU, het recht heeft deel te nemen aan het Europees burgerinitiatief (ECI) en het recht heeft zich na afloop van de overgangsperiode (naar verwachting 31 december 2020) tot de Ombudsman te wenden;

5. verzoekt de Ombudsman om de voortzetting van de werkzaamheden die van start zijn gegaan ten tijde van de onderhandelingen over het terugtrekkingsakkoord, met als doel ervoor te zorgen dat de onderhandelingen over een toekomstig partnerschap tussen de EU en het Verenigd Koninkrijk transparant verlopen;

6. herinnert eraan dat Britse burgers die in de EU wonen het recht om deel te nemen aan het ECI zullen verliezen, maar na afloop van de overgangsperiode (naar verwachting 31 december 2020) het recht zullen behouden om een verzoekschrift bij het Parlement in te dienen;

7. wijst erop dat het belangrijk is dat het gastland ervoor zorgt dat de administratieve procedure voor het aanvragen van de verblijfsstatus soepel, transparant en eenvoudig verloopt, dat onnodige rompslomp wordt vermeden en dat de procedure de EU-burgers niet te veel geld kost;

8. is van mening dat de COVID-19-pandemie een keerpunt vormt in de politieke, economische en sociale werkelijkheid van de Europese Unie en het Verenigd Koninkrijk, en zal leiden tot een wereldwijde recessie en een herstructurering van onze manier van leven, met als gevolg dat het moeilijk is vooruitgang te boeken in de onderhandelingen over de toekomstige betrekkingen tussen beide partijen;

9. is van mening dat het door het Britse ministerie van Binnenlandse Zaken voorgestelde systeem ("de registratieprocedure") waarbij onderdanen van de EU-27 de verblijfsstatus moeten aanvragen, niet zo transparant en eenvoudig is als het zou moeten zijn; vindt dat dit systeem onnodige en onredelijke administratieve rompslomp met zich brengt voor burgers van de EU-27; is van mening dat het systeem moet worden veranderd in een automatische registratieprocedure, aangezien dit de enige manier is om administratieve rompslomp te verhinderen en te waarborgen dat het statuut en de rechten van de EU-burgers worden erkend; herhaalt dat de Commissie en de Raad moeten garanderen dat de door het Britse ministerie van Binnenlandse Zaken voorgestelde registratieprocedure in overeenstemming is met de EU-normen voor het waarborgen van wederkerigheid en gelijke behandeling van burgers van het VK en burgers van de EU-27;

10. dringt aan op de noodzaak van een onafhankelijke toezichthoudende autoriteit (Independent Monitoring Authority, IMA) om toe te zien op de toepassing van het akkoord, om ervoor te zorgen dat de verbintenissen worden nagekomen en om rechtszekerheid te scheppen in het leven van de burgers van de EU-27/EER en hun gezinnen in het Verenigd Koninkrijk;

11. spreekt zijn bezorgdheid uit over de huidige tenuitvoerlegging van de vestigingsregeling van de EU en over de mogelijke gevolgen voor wie zich niet binnen de gestelde termijn aanmeldt; spreekt zijn bezorgdheid uit over het taalgebruik van het Britse ministerie van Binnenlandse Zaken over mogelijke uitzettingen van EU-burgers en het ontbreken van maatregelen om kwetsbare burgers te helpen; uit zijn bezorgdheid over het feit dat sommige burgers van de EU-27 hun verblijfsstatus nog niet hebben kunnen verkrijgen via de vastgestelde procedures;

12. benadrukt dat er bijzondere aandacht moet worden besteed aan de noden van kinderen uit gemengde gezinnen waarin slechts één van de ouders een EU-burger is; benadrukt de noodzaak om te voorzien in passende rechtsmechanismen voor het beslechten van geschillen tussen ouders, bijvoorbeeld bij een scheiding, op zodanige wijze dat burgers van de EU-lidstaten niet worden gediscrimineerd en hun recht op contact met het kind niet wordt beperkt;

13. stelt met spijt vast dat het Verenigd Koninkrijk heeft besloten dat het beginsel van vrij verkeer van personen tussen de Unie en het Verenigd Koninkrijk na de overgangsperiode niet langer van toepassing is; vindt dat het toekomstige partnerschap ambitieuze bepalingen moet bevatten inzake het verkeer van personen, gebaseerd op volledige wederkerigheid en non-discriminatie tussen de lidstaten; wenst te benadrukken dat de rechten met betrekking tot het vrije verkeer van personen hand in hand gaan met de andere drie vrijheden; wijst er nogmaals op dat de toegang van het Verenigd Koninkrijk tot de interne markt afhankelijk moet worden gemaakt van de naleving door het VK van het beginsel van het vrije verkeer van personen; benadrukt dat de regeling voor het overstreken van de grenzen geen administratieve of financiële hindernissen mag opwerpen;

14. is van mening dat mobiliteitsovereenkomsten, met inbegrip van visumvrij reizen voor kort verblijf, gebaseerd moeten zijn op non-discriminatie tussen de lidstaten van de Unie en volledige wederkerigheid; is voorts van mening dat dergelijke overeenkomsten het EU-acquis inzake mobiliteit moeten omvatten, met name met betrekking tot werknemers, in het bijzonder de regels inzake detachering van werknemers en coördinatie van de socialezekerheidsstelsels;

15. herinnert eraan dat de instandhouding van het vervoer per vliegtuig, per spoor, over zee en over de weg tussen het Verenigd Koninkrijk en de EU van essentieel belang is voor het behoud van banen in sectoren als het personen- en goederenvervoer en het toerisme; benadrukt dat er doeltreffende mechanismen moeten worden gevonden om de rechten van passagiers in het grensoverschrijdende verkeer te beschermen, met name in het geval van annuleringen of vertragingen, ongeacht het vervoermiddel;

16. vraagt dat er wordt nagedacht over een betere regeling van de voorwaarden voor toegang en verblijf voor doeleinden zoals onderzoek, studie, opleiding en jongerenuitwisselingen. betreurt daarom dat de Britse autoriteiten hebben verklaard dat het Verenigd Koninkrijk zich wil terugtrekken uit mobiliteitsprogramma’s zoals Erasmus+; verzoekt de Commissie het Verenigd Koninkrijk toe te staan te blijven deelnemen aan EU-programma’s die de burgers van de EU en van het Verenigd Koninkrijk ten goede komen, met inachtneming van de nodige financiële verplichtingen;

 

 


INFORMATIE OVER DE GOEDKEURING IN DE ADVISERENDE COMMISSIE

Datum goedkeuring

30.4.2020

 

 

 

Uitslag eindstemming

+:

–:

0:

28

0

4

Bij de eindstemming aanwezige leden

Alex Agius Saliba, Andris Ameriks, Anna-Michelle Asimakopoulou, Margrete Auken, Jordan Bardella, Alexander Bernhuber, Markus Buchheit, Ryszard Czarnecki, Eleonora Evi, Agnès Evren, Gheorghe Falcă, Emmanouil Fragkos, Mario Furore, Gianna Gancia, Alexis Georgoulis, Peter Jahr, Radan Kanev, Cristina Maestre Martín De Almagro, Dolors Montserrat, Ulrike Müller, Sira Rego, Frédérique Ries, Alfred Sant, Massimiliano Smeriglio, Cristian Terheş, Loránt Vincze, Thomas Waitz, Stefania Zambelli, Tatjana Ždanoka, Kosma Złotowski

Bij de eindstemming aanwezige vaste plaatsvervangers

Jarosław Duda, Marie-Pierre Vedrenne

 


HOOFDELIJKE EINDSTEMMING IN DE ADVISERENDE COMMISSIE

28

+

ECR

Ryszard Czarnecki, Emmanouil Fragkos, Kosma Złotowski

GUE/NGL

Alexis Georgoulis, Sira Rego

NI

Eleonora Evi, Mario Furore

PPE

Anna-Michelle Asimakopoulou, Alexander Bernhuber, Jarosław Duda, Agnès Evren, Gheorghe Falcă, Peter Jahr, Radan Kanev, Dolors Montserrat, Loránt Vincze

RENEW

Ulrike Müller, Frédérique Ries, Marie-Pierre Vedrenne

S-D

Alex Agius Saliba, Andris Ameriks, Cristina Maestre Martín De Almagro, Alfred Sant, Massimiliano Smeriglio, Cristian Terheş

Vers/ALEt

Margrete Auken, Thomas Waitz, Tatjana Ždanoka

 

0

-

-

-

 

4

0

ID

Jordan Bardella, Markus Buchheit, Gianna Gancia, Stefania Zambelli

 

Verklaring van de gebruikte tekens:

+ : voor

- : tegen

0 : onthouding 

 

 


 

 

BRIEF VAN DE COMMISSIE ONTWIKKELINGSSAMENWERKING

De heer David McAllister

Voorzitter

Commissie buitenlandse zaken

BRUSSEL

 

De heer Bernd Lange

Voorzitter

Commissie internationale handel

BRUSSEL

 

Betreft: <Titre>Advies inzake de aanbevelingen voor de onderhandelingen over een nieuw partnerschap met het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland</Titre> <DocRef>(2020/2023(INI))</DocRef>

Geachte voorzitter,

In het kader van bovengenoemde procedure is de Commissie ontwikkelingssamenwerking ermee belast een advies uit te brengen aan uw commissies. Zij heeft per schriftelijke procedure besloten dat advies in briefvorm uit te brengen.

De Commissie ontwikkelingssamenwerking heeft de kwestie tijdens haar vergadering van 21 april 2020 onderzocht. Tijdens die vergadering heeft zij besloten de Commissie buitenlandse zaken en de Commissie internationale handel, als bevoegde commissies, te verzoeken onderstaande suggesties in hun ontwerpresolutie op te nemen.

Hoogachtend,

Tomas Tobé

SUGGESTIES

1. merkt op dat het VK een van de grootste bilaterale donoren ter wereld blijft en wijst erop dat de EU in een geest van partnerschap de kansen op samenwerking met het VK moet aangrijpen; betreurt dat de brexit lacunes zal achterlaten in de globale ontwikkelingssamenwerking en humanitaire hulp van de EU, niet alleen wat begroting, personele middelen en expertise betreft, maar ook op het gebied van beleidsdialoog met kandidaat-lidstaten, nabuurschapslanden en derde landen; is er echter van overtuigd dat beide partijen baat zullen hebben bij de voortzetting van de donorcoördinatie en de gezamenlijke programmering, en moedigt participatie van het VK in EU-programma’s aan, op voorwaarde dat alle relevante regels en mechanismen en voorwaarden voor deelname in acht worden genomen; dringt erop aan maatschappelijke organisaties de mogelijkheid te geven een bijdrage te leveren aan de voorwaarden en definities voor toekomstige samenwerking tussen de EU en het VK;

 

2. onderstreept dat interne maatregelen nodig zijn om bovengenoemde lacunes te dichten en voor een toereikende begroting te zorgen voor de externe financiële instrumenten in het kader van het meerjarig financieel kader, en dat gebruik moet worden gemaakt van bestaande instrumenten inzake doeltreffendheid van ontwikkelingshulp om meer en betere dingen te doen met de resterende middelen; benadrukt tegelijkertijd dat strategische investeringen door de particuliere sector moeten worden aangemoedigd, met inachtneming van de internationale en EU-normen op sociaal en milieugebied en inzake de bescherming van de mensenrechten, ter verwezenlijking van de duurzameontwikkelingsdoelstellingen (SDG’s), dat moet worden gezorgd voor een betere zichtbaarheid en gezamenlijke boodschap, en dat moet worden gestreefd naar een sterke EU-stem; wijst op de toezegging om het streefcijfer van 0,7 % ODA/bni te behalen en op het belang van ondersteuning van het beginsel van beleidscoherentie voor ontwikkeling (PCD);

 

3. benadrukt de centrale rol van de EU en het VK om gemeenschappelijke uitdagingen aan te pakken via het ontwikkelingsbeleid en ontwikkelingshulp, bijvoorbeeld door aandacht te besteden aan de onderliggende oorzaken van migratie, klimaatverandering, bedreigingen voor de grondrechten zoals de vrijheid van godsdienst en levensovertuiging en gendergelijkheid, de bescherming van groeperingen die zich inzetten voor mensenrechten en religieuze gemeenschappen en van groeperingen die de belangen en rechten verzekeren van kwetsbare bevolkingsgroepen als personen met een handicap, ouderen, vrouwen en kinderen in gebieden die door conflicten worden getroffen, inheemse volkeren, LGBTI’s en de vertegenwoordigers van kwetsbare, gediscrimineerde en gemarginaliseerde gemeenschappen;

 

4. onderstreept het belang van een sterk partnerschap waarin de op rechten gebaseerde benadering centraal staat, waarbij wordt gezorgd voor de voortzetting van de verbintenissen en samenwerking op het gebied van de verwezenlijking van de duurzameontwikkelingsdoelstellingen, mensenrechten, de uitbanning van armoede en de uitvoering van de Overeenkomst van Parijs; onderstreept voorts het belang van een geharmoniseerde respons op humanitaire crises en de fundamentele beginselen van humanitaire hulp, waarbij het comparatieve voordeel van samenwerking op belangrijke strategische geografische en thematische gebieden wordt gewaarborgd;

 

5. is ervan overtuigd dat het post-Cotonou-partnerschap en de strategie EU-Afrika kunnen worden versterkt door doeltreffend met het VK samen te werken en voort te bouwen op de sterke aanwezigheid van het land in Afrika, het Caribisch gebied en het gebied van de Stille Oceaan (ACS); wijst erop dat de markten van de EU en het VK voor producten uit ontwikkelingslanden belangrijk zijn, met name voor de ACS-landen; benadrukt dat de EU, het VK en de ACS-landen op alle niveaus moeten samenwerken, in overeenstemming met de beginselen van partnerschap, solidariteit en complementariteit; neemt kennis van het voornemen van de Britse regering om aan de ontwikkelingslanden genereuze preferenties te blijven aanbieden; verzoekt de Commissie de potentiële effecten van deze toekomstige handelsregelingen op de huidige economische partnerschapsovereenkomsten met ACS-landen te beoordelen; is van oordeel dat het gemeenschappelijk handelsbeleid, met inbegrip van de desbetreffende bepalingen in de toekomstige handelsovereenkomst, moet zorgen voor een zo groot mogelijke continuïteit van de handel voor ontwikkelingslanden in hun betrekkingen met de EU en het VK;

 

6. onderstreept dat het noodzakelijk is na de brexit een passend niveau van steun te behouden voor de overige landen en gebieden overzee (LGO’s), en dringt aan op het behoud van de samenwerking met voormalige Britse LGO’s met betrekking tot kwesties van wederzijds belang, met name in het kader van programma’s voor regionale samenwerking;

 

7. onderstreept hoe belangrijk de toekomstige samenwerking tussen de EU en het VK bij het streven naar beleidscoherentie voor ontwikkeling is om handelscontinuïteit in stand te houden, de effecten van klimaatverandering aan te pakken, in ontwikkelingslanden de visserijsector te ontwikkelen en de biodiversiteit te beschermen, en hoge sociale normen en normen ter bescherming van het milieu te bevorderen, met het oog op het terugdringen van armoede;

 

8. wijst op de positieve bijdrage van het gemeenschappelijk visserijbeleid aan de ontwikkeling van de visserijsector en het beheer van visbestanden in ontwikkelingslanden.


 

BRIEF VAN DE COMMISSIE BEGROTINGSCONTROLE

De heer David McAllister

Voorzitter, Commissie buitenlandse zaken

De heer Bernd Lange

Voorzitter, Commissie internationale handel

Brussel

Betreft: <Titre>Bijdrage van de Commissie begrotingscontrole met aanbevelingen voor een nieuw partnerschap met het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland</Titre> <DocRef>(2020/2023(|INI)</DocRef>

Geachte heer McAllister, geachte heer Lange,

De Commissie begrotingscontrole heeft besloten een advies in briefvorm uit te brengen inzake bovengenoemd onderwerp.

De Commissie begrotingscontrole verzoekt de Commissie buitenlandse zaken en de Commissie internationale handel als bevoegde commissies rekening te houden met de volgende overwegingen en aanbevelingen bij de voorbereiding van de resolutie van het Europees Parlement van juni.

Namens de Commissie begrotingscontrole zou ik u zeer erkentelijk zijn als u ervoor kan zorgen dat in de resolutie van het Parlement rekening wordt gehouden met het standpunt en de overwegingen van onze commissie betreffende de genoemde punten.

 

Hoogachtend,

 

 

 

 

Monika Hohlmeier

SUGGESTIES

A. overwegende dat een sterke toekomstige relatie duidelijke en efficiënte bepalingen moet omvatten die een goed financieel beheer door beide partijen mogelijk maken en die gebaseerd moeten zijn op een passende governancestructuur, waarbij niet mag worden toegestaan dat de bescherming van de financiële belangen van de EU op het spel wordt gezet;

B. overwegende dat de brexit gevolgen zal hebben voor belangrijke handelsroutes tussen de Europese Unie en het Verenigd Koninkrijk, de toeleveringsketen van goederen en economische actoren (onder meer zakenpartners, leveranciers, tussenpersonen en vervoerders);

C. overwegende dat de regelingen voor douanesamenwerking en handelsbevordering voor beide partijen van cruciaal belang zullen zijn om een soepele en legitieme bilaterale handel mogelijk te maken en de financiële belangen en het regelgevingskader van elke partij te beschermen;

D. overwegende dat het zakendoen met het Verenigd Koninkrijk na de brexit complexer zal worden wat betreft douane- en btw-procedures, aangezien het verkeer van goederen binnen de EU of naar/van een derde land veranderingen op het gebied van douane, btw en accijnzen met zich zal brengen;

E. overwegende dat het van het grootste belang is de integriteit van de eengemaakte EU-markt en van de douane-unie te vrijwaren, alsook alle garanties die deze bieden voor de bestrijding van fraude en illegale handel;

F. overwegende dat er twee markten en twee afzonderlijke rechtsordes naast elkaar zullen bestaan en dat dit operationele risico’s kan inhouden; overwegende dat de Britse douane in dit verband twee soorten maatregelen zal hebben voor producten die Noord-Ierland binnenkomen: i) de regels en tarieven van het Verenigd Koninkrijk toepassen op alle producten van oorsprong uit derde landen die niet voor de Europese markt bestemd zijn, en ii) de regels en tarieven van de EU toepassen op alle andere producten die uit derde landen of uit het VK afkomstig zijn en voor de eengemaakte EU-markt bestemd zijn, en tevens controles op deze producten uitvoeren;

G. overwegende dat de Britse autoriteiten ten aanzien van Noord-Ierland daar namens de EU btw en douanerechten zouden innen en deze vervolgens zouden doorbetalen aan de EU;

H. overwegende dat de grensregio van Noord-Ierland en Ierland, naast de meer algemene fondsen van het cohesiebeleid, in het bijzonder baat heeft gehad bij speciale grens- en gemeenschapsoverschrijdende programma’s, waaronder het PEACE-programma voor Noord-Ierland; overwegende dat deze programma’s een doorslaggevende bijdrage aan het vredesproces in de grensregio van Noord-Ierland en Ierland en aan de ondersteuning van het Goede Vrijdagakkoord hebben geleverd, en de verbroedering tussen de gemeenschappen blijven ondersteunen;

Kader voor financieel beheer en controle

1. acht het van essentieel belang dat tijdens de onderhandelingen voldoende en duidelijke regels voor de controle van de EU worden vastgesteld, evenals regels voor een goed financieel beheer en voor de verantwoordingsplicht van het VK;

2. roept er daarom toe op bijzondere aandacht te besteden aan de toepasselijke beginselen en voorwaarden met betrekking tot zowel de deelname aan programma’s van de Unie als horizontale regelingen en governance; dringt er met name op aan dat de volgende fundamentele beginselen duidelijk moeten worden geformuleerd en overeengekomen:

 i) elke deelname van het VK aan bepaalde programma’s van de Unie is onderworpen aan de standaardvoorwaarden die van toepassing zijn op de deelname van derde landen, die duidelijk moeten zijn vastgesteld in de desbetreffende programma’s en instrumenten van de Unie;

 ii) er moeten robuuste/solide bindende voorschriften en waarborgen zijn met betrekking tot de bescherming van de financiële belangen van de Unie en een goed financieel beheer voor de EU- en Euratom-programma’s en de gemeenschappelijke ondernemingen waaraan het Verenigd Koninkrijk deelneemt, met name met betrekking tot de controle, de audit en de inspecties van de uitvoering van de gefinancierde programma’s en onderzoeken in geval van fraude;

3. dringt erop aan het toegangsrecht van de diensten van de Commissie, de Europese Rekenkamer, OLAF en het Europees Openbaar Ministerie en het toetsingsrecht van het Europees Parlement te waarborgen en te eerbiedigen; herinnert eraan dat het Hof van Justitie van de Europese Unie moet worden erkend als de bevoegde rechtbank voor gevallen betreffende de eerbiediging en interpretatie van het EU-recht;

Uitvoering van het Protocol inzake Ierland en Noord-Ierland

4. wijst erop dat het terugtrekkingsakkoord voor de brexit, en met name het Protocol inzake Ierland en Noord-Ierland, een operationele oplossing biedt om een harde grens op het eiland Ierland te vermijden en tevens een nieuw “instemmingsmechanisme” in het leven roept voor de toepassing op lange termijn van de relevante EU-regelgeving in Noord-Ierland, onder meer met betrekking tot de afstemming van de regelgeving op het gebied van goederen, douane en btw;

5. merkt op dat Noord-Ierland afgestemd zal blijven op een beperkt aantal EU-regels, met name met betrekking tot goederen, en dat het douanewetboek van de Unie van toepassing zal zijn op goederen die Noord-Ierland binnenkomen, waardoor douanecontroles op het eiland Ierland worden vermeden;

6. benadrukt het belang van duidelijke rechtsregels, transparante uitvoering en doeltreffende controlemechanismen om systeemrisico’s voor btw- en douanefraude of ander frauduleus misbruik van een potentieel onduidelijke oplossing te voorkomen;

7. waarschuwt ervoor dat, tenzij er in het kader van het nieuwe partnerschap duidelijke wettelijke en transparante regels en controlemechanismen zijn vastgesteld en worden toegepast met betrekking tot de dubbele douaneregeling op basis van de regels van de EU en het VK, er een risico bestaat op een eventuele toename van de mogelijkheden voor fraude, smokkel van goederen, namaak en ontwijking van tarieven;

8. is verder van mening dat bijzondere waakzaamheid geboden is bij controles en inspecties van goederen die Noord-Ierland binnenkomen via andere delen van het Verenigd Koninkrijk en afkomstig zijn uit andere derde landen en bestemd zijn voor invoer op de eengemaakte EU-markt;

9. herinnert aan het vaste en vaak herhaalde standpunt van het Europees Parlement om te zorgen voor een beter personeelsbestand en voor adequate en geavanceerde uitrusting voor de bevoegde douanediensten en autoriteiten, met inbegrip van passende regelingen voor EU-ambtenaren in Noord-Ierland; uit zijn bezorgdheid over de herhaalde weigering van de Britse autoriteiten om toestemming te verlenen voor het openen van een permanent kantoor voor EU-ambtenaren in Belfast;

10. dringt aan op een grondige beoordeling van de risico’s die zich tijdens de uitvoering kunnen voordoen, met name wat betreft de bestrijding van douane- en btw-fraude en illegale handel (smokkel); acht het noodzakelijk om aan de hand van risicocriteria rekening te houden met kwesties als de herkomst en eindbestemming van goederen, de juiste kwantificering van de waarde van de goederen, de definitie van de aard van de goederen (het soort goederen), alsook om te zorgen voor voldoende controlemonsters en het aantal monsters te verhogen voor goederen die vatbaarder zijn voor illegale handel of smokkel; is bezorgd over het potentieel verhoogde risico op meer illegale invoer van goederen met een onjuiste oorsprongsverklaring of van niet voor de eengemaakte markt bestemde producten die de EU binnenkomen, waardoor de financiële belangen van de Unie worden geschaad;

Douanesamenwerking en wederzijdse administratieve bijstand

 

11. acht het van essentieel belang dat bij de onderhandelingen voorrang wordt gegeven aan de vaststelling van duidelijke regels inzake douanekwesties, met name douanecontroles;

12. dringt erop aan, aangezien douaneprocedures zeer complex zijn, bij de onderhandelingen te voorzien in zowel harde verbintenissen als noodzakelijke vrijwaringsmaatregelen om degelijke controles en de correcte inning van de btw en douanerechten te waarborgen;

13. is van mening dat een efficiënte douanesamenwerking tussen de EU en het VK een betrouwbare praktische regeling moet bieden met een duidelijke rechtsgrond voor een doeltreffende en transparante samenwerking tussen de douaneautoriteiten van de EU en het VK op het terrein in Noord-Ierland;

14. benadrukt dat een doeltreffende samenwerking tussen de partijen op het gebied van douane en handelsbevordering in hoge mate de convergentie van hun douanewetgeving en -praktijken moet behouden met het oog op effectieve douanecontroles en clearing, handhaving van de douanewetgeving en bescherming van de financiële belangen van de partijen, met de mogelijkheid om ten onrechte betaalde belastingen en heffingen terug te vorderen;

15. dringt ook aan op betere administratieve samenwerking tussen de partijen op het gebied van btw en wederzijdse bijstand, onder meer voor de invordering van schuldvorderingen die verband houden met belastingen en heffingen, met name op het gebied van i) de uitwisseling van informatie over douanewetgeving, de uitvoering en de doeltreffendheid van douanecontroleprocedures, ii) de zekerheid van de toeleveringsketen, en iii) de beoordeling en het beheer van risico’s;

16. dringt in het kader van de toekomstige handelsovereenkomst aan op stevige douaneregelingen en speciale maatregelen voor het beheer van de preferentiële tariefbehandeling en voor de toepassing van de vrijstelling van douanerechten voor bepaalde goederen die in Noord-Ierland worden ingevoerd;

17. is voorstander van het opnemen, als standaardpraktijk, van tijdige bepalingen betreffende wederzijdse administratieve bijstand op het gebied van douane en aanverwante zaken, als onderdeel van de toepassing en de controle inzake de preferentiële behandeling;

18. benadrukt dat beide partijen kunnen rekenen op een snel en objectief samenwerkings- en raadplegingssysteem voor de bestrijding van douaneovertredingen in de douanewetgeving, met inbegrip van een mechanisme voor het tijdelijk opschorten van de preferentiële tariefbehandeling voor een bepaald goed of een bepaalde handelstransactie waarbij sprake is van een systematische inbreuk op de toepasselijke douanewetgeving;

Impact van het cohesiebeleid van de EU in het VK en Noord-Ierland

 

19. erkent de belangrijke rol die het EU-cohesiebeleid heeft vervuld voor het bewaren van de vrede in Noord-Ierland en voor het bevorderen van de verzoening tussen de gemeenschappen;

20. benadrukt het belang van een oplossing voor de regio die ervoor zorgt dat het belangrijke werk voor vredesopbouw wordt voortgezet;

21. is ervan overtuigd dat het in het belang van het Verenigd Koninkrijk, Ierland en de hele Europese Unie zou zijn door te gaan met het gezamenlijk financieren van het PEACE-programma voor Noord-Ierland en het INTERREG V-A-programma voor Noord-Ierland, Ierland en Schotland, om een vreedzame en voorspoedige ontwikkeling van deze regio’s te ondersteunen;

22. is ingenomen met de voorstellen om een mogelijke opvolger voor de financieringsprogramma’s PEACE IV en INTERREG voor de periode na 2020 te onderzoeken, en is met name ingenomen met de intentie van de Commissie om deze programma’s te blijven financieren in het kader van het volgende meerjarig financieel kader.

 

 

 

 

 

 

Kopie: LEGI Unit

 

 

 


 

 

BRIEF VAN DE COMMISSIE WERKGELEGENHEID EN SOCIALE ZAKEN

De heer David McAllister

Voorzitter van de Commissie buitenlandse zaken

15E201

 

De heer Bernd Lange

Voorzitter van de Commissie internationale handel

12G301

 

Betreft: <Titre>Aanbevelingen van EMPL voor de onderhandelingen over een nieuw partnerschap met het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland</Titre> <DocRef>(2020/2023(INI))</DocRef>

 

Geachte voorzitters,

 

In het kader van bovengenoemde procedure heeft de Commissie werkgelegenheid en sociale zaken besloten een schriftelijk advies toe te doen komen aan uw commissies.

De Commissie werkgelegenheid en sociale zaken heeft de kwestie tijdens haar vergadering van 26 mei 2020 onderzocht. Op die vergadering heeft zij besloten de Commissie buitenlandse zaken en de Commissie internationale handel, als bevoegde commissies, te verzoeken onderstaande suggesties in hun resolutie op te nemen.

Hoogachtend,

Lucia Ďuriš Nicholsonová

 

 

SUGGESTIES

A. overwegende dat de terugtrekking van het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland (“VK”) uit de Europese Unie (“EU”) en de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie (“de terugtrekking”) miljoenen burgers zal treffen: burgers van het VK die in de Unie wonen, reizen of werken, EU-burgers die in het VK wonen, reizen of werken, en mensen die geen burger van de Unie of het VK zijn;

B. overwegende dat derde landen, die niet dezelfde verplichtingen hoeven na te komen als lidstaten, ook niet dezelfde rechten en voordelen kunnen genieten als lidstaten;

C. overwegende dat de EU sinds 2008 in haar handelsovereenkomsten met derde landen bepalingen inzake arbeidsnormen opneemt in de hoofdstukken over handel en duurzame ontwikkeling;

D. overwegende dat in de begeleidende politieke verklaring bij het Akkoord inzake de terugtrekking van het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland uit de Europese Unie en de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie van 19 oktober 2019 en het protocol inzake Noord-Ierland (“het terugtrekkingsakkoord”) het kader wordt geschetst voor de toekomstige betrekkingen tussen de EU en het VK, door de parameters vast te stellen voor een ambitieus, breed, diep en flexibel partnerschap, dat samenwerking op het gebied van handel en economie bestrijkt, en dat op een brede en evenwichtige vrijhandelsovereenkomst is gebaseerd;

E. overwegende dat in artikel 184 van het terugtrekkingsakkoord is bepaald dat de EU en het VK, te goeder trouw en met volledige eerbiediging van hun respectieve rechtsordes, alles in het werk moeten stellen om de nodige stappen te nemen om via onderhandelingen spoedig tot de in de politieke verklaring genoemde akkoorden inzake hun toekomstige betrekkingen te komen en de relevante procedures voor de bekrachtiging of sluiting van die akkoorden te volgen, teneinde te waarborgen dat die akkoorden, voor zover mogelijk, vanaf het eind van de overgangsperiode van toepassing zijn;

F. overwegende dat de Europese Raad onderhandelingsrichtsnoeren heeft aangenomen zodat onderhandelingen van start konden gaan met het oog op de vaststelling van een overkoepelend kader voor de toekomstige betrekkingen, dat in de politieke verklaring moest worden uitgewerkt;

G. overwegende dat de EU en het VK (de partijen) geografische buren en wederzijds economisch afhankelijk en verbonden zijn, en dat er een groot aantal EU-burgers in het VK en een groot aantal burgers van het VK in de EU zijn gevestigd; overwegende dat het beoogde partnerschap tussen de EU en het VK bijgevolg breed moet zijn, en een vrijhandelsovereenkomst moet omvatten, alsook een bredere sectorale samenwerking waar dat in het belang van de Unie en van haar burgers is;

H. overwegende dat dit partnerschap met name tot doel moet hebben een vrijhandelsovereenkomst tot stand te brengen die, middels solide toezeggingen, waarborgt dat er geen tarieven, geen quota, en geen dumping zullen zijn, ook niet wat sociale en arbeidsnormen betreft;

I. overwegende dat deze afspraken verstoringen van het handelsverkeer en oneerlijke concurrentievoordelen dienen te voorkomen, om duurzame en langdurige betrekkingen tussen de partijen te waarborgen; overwegende dat het beoogde partnerschap bijgevolg gebaseerd moet zijn op strenge normen en een evenwicht tussen rechten en plichten, teneinde de ondeelbaarheid van de vier vrijheden te eerbiedigen en een duurzaam gelijk speelveld te waarborgen;

J. overwegende dat het beoogde partnerschap dus gemeenschappelijke hoge sociale en arbeidsnormen moet handhaven, en ook de normen moet omvatten die in de loop der tijd worden ontwikkeld met de sociale en arbeidsnormen en ‑rechten van de EU als referentiepunt;

K. overwegende dat het beoogde partnerschap de partijen ertoe moet binden hun respectieve beschermingsniveaus verder te verbeteren, teneinde gelijkwaardige hoge sociale en arbeidsnormen en gelijke concurrentievoorwaarden te handhaven;

L. overwegende dat, gezien het gelijke speelveld waartoe de partijen zich in de politieke verklaring hebben verbonden, het beoogde partnerschap er met name voor moet zorgen dat het door de wet, regelgeving en praktijk geboden niveau van sociale en arbeidsbescherming niet wordt verlaagd ten opzichte van het niveau van de gemeenschappelijke normen die aan het eind van de overgangsperiode van toepassing zijn in de EU en het VK met betrekking tot minstens de volgende gebieden: arbeidsgrondrechten; gezondheid en veiligheid op het werk, met inbegrip van het voorzorgsbeginsel; billijke arbeidsvoorwaarden en arbeidsnormen, informatie, raadpleging en rechten op bedrijfsniveau, en herstructurering; overwegende dat het beoogde partnerschap ook de sociale dialoog tussen werknemers en werkgevers en hun respectieve organisaties en regeringen moet beschermen en bevorderen, en de dialoog met het maatschappelijk middenveld moet aanmoedigen;

M. overwegende dat in dit verband het beginsel van non-regressie van het huidige en toekomstige niveau van sociale en arbeidsbescherming van essentieel belang is, zoals bepaald in de ontwerptekst van de Commissie voor de overeenkomst over het nieuwe partnerschap met het Verenigd Koninkrijk;

N. overwegende dat het beoogde partnerschap dient te waarborgen dat het Verenigd Koninkrijk zijn toezeggingen, alsook zijn wetten, zijn regelgeving en de praktijken waarin deze toezeggingen tot uiting komen, daadwerkelijk handhaaft, middels nationale autoriteiten die over voldoende middelen beschikken, een doeltreffend systeem van arbeidsinspecties en doeltreffende administratieve en gerechtelijke procedures;

O. overwegende dat de mobiliteitsregeling volledig wederkerig moet zijn, en er geen sprake mag zijn van discriminatie tussen de lidstaten; overwegende dat het beoogde partnerschap ook moet voorzien in een uitgebreide en diepgaande coördinatie inzake sociale zekerheid;

P. overwegende dat het beoogde partnerschap passende regelingen voor geschillenbeslechting en de handhaving van die regelingen moet omvatten, en met name moet voorzien in de oprichting van een bestuursorgaan dat verantwoordelijk is voor het beheer van en het toezicht op de tenuitvoerlegging en de werking van het beoogde partnerschap, teneinde de beslechting van geschillen te vergemakkelijken; overwegende dat het belangrijk is dat de sociale partners, in voorkomend geval, betrokken worden bij de procedure voor de beslechting van geschillen;

R. overwegende dat het Hof van Justitie van de Europese Unie de enige rechtsprekende autoriteit voor het recht van de Unie moet blijven;

S. overwegende dat de regering van het VK, alvorens de “European Union (Withdrawal Agreement) Act 2020” (de “Wet van 2020 inzake terugtrekking uit de EU”) aan te nemen, een aantal bepalingen heeft geschrapt die een beperkte nationale wettelijke bescherming voor de rechten van de door de EU afgeleide werknemers zouden hebben geboden, en zich ertoe heeft verbonden deze bepalingen in een komende arbeidswet opnieuw in te voeren; overwegende dat het voorstel voor deze wet nog niet is ingediend;

T. overwegende dat de COVID-19-pandemie invloed heeft gehad op het proces en het tijdschema van de onderhandelingen;

Algemene aanbevelingen

1. herinnert eraan dat een derde land in geen geval dezelfde rechten kan hebben en dezelfde voordelen kan genieten als een lidstaat; herinnert er anderzijds aan dat zowel de EU als het VK er belang bij hebben middels het toekomstige partnerschapsakkoord tot ambitieuze, alomvattende en evenwichtige betrekkingen te komen; is van mening dat een dergelijk akkoord alleen tot stand kan komen als een gelijk speelveld, zoals geschetst in de politieke verklaring, wordt gewaarborgd door middel van solide verbintenissen en afdwingbare bepalingen inzake verschillende normen; benadrukt met name dat de rechten van werknemers en sociale normen krachtens het EU-acquis in geen geval negatief mogen worden beïnvloed door toekomstige vrijhandelsovereenkomsten;

2. is ingenomen met de brede ontwerptekst van de Commissie voor de overeenkomst over het nieuwe partnerschap met het Verenigd Koninkrijk (“ontwerpovereenkomst”) van 18 maart 2020, die grotendeels in overeenstemming is met de politieke verklaring, het onderhandelingsmandaat en de resolutie van het Parlement van 12 februari 2020 over het voorgestelde mandaat voor onderhandelingen over een nieuw partnerschap met het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland; betreurt ten zeerste dat het mandaat van het VK, in vergelijking, onvoldoende is uitgewerkt; betreurt tevens dat de tekstvoorstellen die het VK over bepaalde onderwerpen had gedaan, tot 19 mei vertrouwelijk zijn gebleven;

3. betreurt ten zeerste dat het VK weigert om in de toekomstige vrijhandelsovereenkomst op te nemen dat het arbeidsrecht onder het geschillenbeslechtingsmechanisme zou vallen waarin de overeenkomst voorziet, en niet specifieert welk geschillenbeslechtingsmechanisme dan wél van toepassing zou zijn op dit gebied; herinnert eraan dat voor alle onderdelen van de overeenkomst in mechanismen voor de beslechting van geschillen moet zijn voorzien;

4. betreurt het dat de regering van het VK nog niet heeft voldaan aan haar toezegging om een nieuwe arbeidswet aan te nemen, en dringt er bij het VK op aan dit vóór het einde van de overgangsperiode te doen; benadrukt dat het uitermate belangrijk is te vermijden dat lacunes ontstaan wanneer de rechten van werknemers niet worden beschermd door het bestaande Unierecht, noch door de arbeidswet van het VK; herinnert eraan dat de sociale en arbeidsnormen in de arbeidswet van het VK niet statisch mogen zijn, maar direct moeten aansluiten op eventuele verbeteringen van de sociale en arbeidsnormen in de EU, teneinde een gelijk speelveld tussen de EU en het VK te waarborgen;

5. wijst in dit verband met name op de onlangs aangenomen wetgevingshandelingen van de Unie waarvan de omzettingstermijn in de overgangsperiode ligt, zoals de herziening van de detacheringsrichtlijn, de richtlijn betreffende het evenwicht tussen werk en privéleven voor ouders en mantelzorgers en de richtlijn betreffende transparante en voorspelbare arbeidsvoorwaarden in de Europese Unie, en herhaalt dat de volledige en correcte uitvoering van deze wetgevingshandelingen absoluut noodzakelijk is;

6. moedigt het VK aan om, net als Noorwegen[51], in de hoedanigheid van waarnemend derde land zonder besluitvormingsbevoegdheid te blijven participeren in de agentschappen die onder de bevoegdheid van de Commissie werkgelegenheid van het Parlement vallen, zoals de Europese Stichting tot verbetering van de levens- en arbeidsomstandigheden, aangezien dit beide partijen in staat zou stellen gegevens, beste praktijken en methodologieën uit te wisselen; moedigt het VK ook sterk aan om samen te werken met de Europese Arbeidsautoriteit (overeenkomstig artikel 17, lid 6, en artikel 42 van Verordening (EG) nr. 2019/1149) en de Administratieve Commissie uit hoofde van Verordening 883/2004/EG;

7. herhaalt dat, overeenkomstig punt 125 van de politieke verklaring, de dialoog met het maatschappelijk middenveld moet worden aangemoedigd met betrekking tot alle aspecten van de overeenkomst, en dat met name organisaties betrokken moeten worden die EU-burgers vertegenwoordigen die in het VK wonen en werken, en burgers van het VK die in de Unie wonen en werken (organisaties van jongeren en burgers en werknemersorganisaties);

8. betreurt het dat het VK en de lidstaten onvoldoende inspanningen hebben geleverd om de burgers bewust te maken van de gevolgen van de terugtrekking van het VK uit de EU, en spoort beide partijen met klem aan gerichte informatiecampagnes op te zetten of deze campagnes op te drijven, teneinde alle burgers die onder het terugtrekkingsakkoord vallen te informeren over hun rechten en over mogelijke wijzigingen in hun status, met inbegrip van de toepassing van de regels inzake de coördinatie van de sociale zekerheid; herinnert eraan dat burgers voor wie de terugtrekking van het VK gevolgen heeft, zich moeten kunnen beroepen op tijdige en betrouwbare informatie over hun rechten en status, en dringt er bij zowel de lidstaten als het VK op aan prioriteit te geven aan deze kwestie;

9. benadrukt dat de lidstaten meer inspanningen moeten leveren om hun aanvraagprocedures en de termijn voor het nemen van maatregelen te specificeren, teneinde rechtszekerheid bieden aan burgers van het VK die in de lidstaten wonen, via een constitutief of declaratoir systeem;

Tenuitvoerlegging van het terugtrekkingsakkoord

10. benadrukt het belang van een doeltreffende uitvoering van het terugtrekkingsakkoord, onder meer voor het behoud van de integriteit van de eengemaakte markt en de douane-unie; benadrukt dat de overeenkomst over de toekomstige betrekkingen van toepassing moet zijn zonder afbreuk te doen aan het terugtrekkingsakkoord; benadrukt dat EU-burgers in het VK aanzienlijke problemen ondervinden bij het verkrijgen van een vaste status, en dat degenen aan wie een voorlopige status is toegekend, minder rechten hebben dan burgers van het VK inzake de toegang tot bepaalde uitkeringen;

11. benadrukt dat de volledige tenuitvoerlegging van het terugtrekkingsakkoord en de eerbiediging van de toezeggingen uit de politieke verklaringen, in woord én daad, grondvoorwaarden en basisfundamenten zijn voor het toekomstige partnerschap tussen de EU en het VK; betreurt het feit dat uit de uitspraken van de regering van het VK een gebrek aan politieke wil blijkt om haar juridische verbintenissen op grond van het terugtrekkingsakkoord en de politieke verklaring volledig na te komen; onderstreept dat vertrouwen tussen de partijen essentieel is in deze onderhandelingen;

12. wijst op het belang van de wederzijdse erkenning van kwalificaties en diploma’s tussen de EU en het VK, en benadrukt de noodzaak van passende regelingen in dit verband; herinnert aan de ambitie van het VK om het erkenningsmechanisme voor onderdanen van derde landen te verbeteren; dringt er bij de onderhandelaars op aan te kiezen voor erkenningsmechanismen die de normen in stand houden zonder nieuwe belemmeringen te creëren; roept de onderhandelaars op ervoor te zorgen dat de erkenning van kwalificaties en diploma’s niet beperkt blijft tot het “land van uitgifte”, wat belemmeringen zou creëren voor Britse burgers die van een lidstaat naar een andere lidstaat verhuizen;

Gelijk speelveld

13. maakt sterk bezwaar tegen het feit dat het onderhandelingsmandaat van het VK niet de term “level playing field” (gelijk speelveld) omvat; merkt tegelijkertijd op dat de regering van het Verenigd Koninkrijk verklaart dat zij de facto de hoogste sociale en arbeidsnormen zal handhaven, maar daarbij beklemtoont dat zij niet instemt met juridische verplichtingen die verder gaan dan de verbintenissen die de EU met landen als Canada, Japan en Zuid-Korea is aangegaan; herinnert er echter aan dat de toezeggingen in de andere vrijhandelsovereenkomsten van de EU onvoldoende waarborgen bieden voor het partnerschap tussen de EU en het VK, aangezien geen ander land buiten de EU tariefvrije en quotavrije toegang tot de interne markt heeft, en dat de geografische nabijheid, het feit dat vele Britse burgers in de EU zijn gevestigd en omgekeerd, en het volume van de handel tussen de EU en het VK een strikt gelijk speelveld vereisen en dus verdergaande verbintenissen dan die welke zijn gevraagd voor vrijhandelsovereenkomsten tussen de EU en Canada, Japan of Zuid-Korea; verwerpt in dit verband praktijken waarbij selectief elementen uit verschillende juridische en handelskaders worden geplukt die van toepassing zijn in het kader van de betrekkingen van de EU met andere derde landen;

14. herhaalt dat het, met het oog op het behoud van de integriteit van de EU en haar interne markt, de douane-unie en de ondeelbaarheid van de vier vrijheden, van cruciaal belang is te verzekeren dat de omvang van de quota en van de rechtenvrije toegang tot ‘s werelds grootste interne markt in overeenstemming is met de mate van convergentie van de regelgeving en met de verbintenissen die zijn aangegaan ter waarborging van een gelijk speelveld voor open en eerlijke concurrentie, met het oog op een dynamische afstemming; onderstreept dat hiervoor een combinatie van substantiële regels en maatregelen vereist is, met inbegrip van non-regressieclausules en mechanismen voor een doeltreffende uitvoering, handhaving en geschillenbeslechting; onderstreept dat een goed klachtenmechanisme moet zijn verzekerd voor burgers en niet-gouvernementele organisaties met betrekking tot de handhaving van arbeidsnormen;

15. benadrukt met name de non-regressieclausules op de volgende gebieden, zoals bepaald in artikel LPFS.2.27: i) arbeidsgrondrechten , ii) normen voor gezondheid en veiligheid op het werk, iii) billijke arbeidsvoorwaarden en arbeidsnormen, iv) informatie- en raadplegingsrechten op bedrijfsniveau, en v) herstructurering; is ingenomen met artikel LPFS.2.28, dat het pad effent voor dynamische aanpassingen; wijst met name op het voorstel van de Commissie om de Partnerschapsraad de bevoegdheid te geven de verbintenissen aan te passen wanneer de sociale en arbeidsnormen wijzigen;

16. herinnert eraan dat elke toekomstige vrijhandelsovereenkomst die gericht is op nultarieven en nulquota bijgevolg moet worden geschraagd door robuuste juridische verbintenissen die een gelijk speelveld met open en eerlijke concurrentie waarborgen, ook wat sociale en arbeidsnormen betreft, teneinde te voorkomen dat een “race naar de bodem” plaatsvindt of dat oneerlijke concurrentievoordelen mogelijk zijn door lager te gaan dan het vastgestelde beschermingsniveau of andere verschillen in regelgeving;

17. staat daarom volledig achter wat in titel III (gelijk speelveld en duurzaamheid) van de ontwerpovereenkomst, en met name hoofdstuk 5 daarvan (sociale en arbeidsbescherming), is bepaald, in overeenstemming met de politieke verklaring;

18. steunt het door de Commissie voorgestelde systeem voor governance, samenwerking, monitoring en handhaving en conflictoplossing, met name wat betreft arbeidsinspecties en administratieve en gerechtelijke procedures, met inbegrip van de beschikbaarstelling van rechtsmiddelen, en de rol van de Partnerschapsraad en van de gespecialiseerde commissie voor gelijke concurrentievoorwaarden en duurzaamheid;

19. is verheugd over het voorstel om een parlementaire partnervergadering op te richten voor leden van het Europees Parlement en van het parlement van het VK, die het recht zal hebben om informatie te ontvangen van de partnerschapsraad en aanbevelingen ter zake te doen; wijst tevens op de noodzaak om de uitvoering en toepassing van het terugtrekkingsakkoord in detail te blijven volgen via de VK-coördinatiegroep, en vraagt de behoefte aan het opzetten van een systeem voor geschillenbeslechting op EU-niveau verder tegen het licht te houden;

20. benadrukt dat het geen overeenkomst zal goedkeuren waarbij de rol van het Hof van Justitie van de Europese Unie inzake kwesties met betrekking tot Uniewetgeving rechtstreeks of onrechtstreeks zou worden verzwakt;

Mobiliteit en coördinatie op het gebied van de sociale zekerheid

21. herinnert eraan dat burgers van het VK die in de EU zijn gevestigd, evenals EU-burgers die in het VK zijn gevestigd, momenteel uit hoofde van het terugtrekkingsakkoord onder de regels inzake de coördinatie van de sociale zekerheid vallen en daardoor worden beschermd, met betrekking tot uitkeringen bij ziekte, moederschaps- en daarmee gelijkgestelde vaderschapsuitkeringen, invaliditeitsuitkeringen, uitkeringen bij ouderdom, uitkeringen aan nabestaanden, uitkeringen bij arbeidsongevallen en beroepsziekten, uitkeringen bij overlijden, werkloosheidsuitkeringen, uitkeringen bij vervroegde uittreding en gezinsbijslagen;

22. herinnert eraan dat de bestaande en toekomstige socialezekerheidsrechten van de betrokken personen in alle dimensies behouden moeten worden; herinnert aan de krachtige eis van getroffen burgers, zowel in de EU als in het VK, om hun rechten te beschermen; verzoekt de onderhandelaars om, met betrekking tot de coördinatie op het gebied van de sociale zekerheid, steeds voorrang te geven aan de rechten van deze burgers;

23. stelt vast dat titel XI, “De mobiliteit van natuurlijke personen”, tot doel heeft mobiliteitsregelingen tussen de partijen vast te stellen, de volledige wederkerigheid van deze regelingen en van non-discriminatie tussen de lidstaten te waarborgen, en de coördinatie van de socialezekerheidsstelsels van de partijen te garanderen; merkt op dat voor korte verblijven van maximaal 90 dagen wordt voorzien in wederzijdse vrijstelling van de visumplicht, maar dat beide partijen een visum kunnen eisen voor burgers die een bezoldigde bezigheid verrichten; is ingenomen met artikel MOBI.5, dat voorziet in wederzijdse voorwaarden voor toegang, langdurig verblijf en rechten van burgers van de EU en het VK die zich bezighouden met onderzoek, studies, een opleiding of jongerenuitwisselingsprogramma, alsook, in voorkomend geval, hun familieleden;

24. is ingenomen met het feit dat artikel MOBI.6 en het Protocol betreffende de coördinatie van de socialezekerheidsstelsels van de ontwerpovereenkomst voorzien in de voortgezette toepassing van de regels voor de coördinatie van de sociale zekerheid in een aantal takken (bijvoorbeeld uitkeringen bij ziekte, invaliditeit, ouderdom, arbeidsongevallen en beroepsziekten); betreurt echter ten zeerste dat er geen bijzondere bepalingen bestaan met betrekking tot werkloosheidsuitkeringen voor grensarbeiders, en moedigt de partijen daarom aan te zorgen voor passende bepalingen met betrekking tot werkloosheidsuitkeringen voor deze groep, teneinde de rechten van grensarbeiders te beschermen; roept de onderhandelaars op om te voorzien in de voortgezette toepassing van de regels voor de coördinatie op het gebied van de sociale zekerheid in alle hoofdstukken;

25. betreurt ook dat artikel MOBI.6 van de ontwerpovereenkomst enkel voorziet in de mogelijkheid, en niet in de verplichting, dat de Partnerschapsraad het Protocol betreffende de coördinatie van de socialezekerheidsstelsels wijzigt;

26. benadrukt het belang van een dynamische overeenkomst inzake de coördinatie van de sociale zekerheid, waarbij het VK zijn wetgeving zou moeten aanpassen aan wijzigingen van de EU-wetgeving inzake de coördinatie van de sociale zekerheid (bv. de komende verordening tot wijziging van Verordening (EG) nr. 883/2004 betreffende de coördinatie van de socialezekerheidsstelsels en Verordening (EG) nr. 987/2009 tot vaststelling van de procedure voor Uitvoeringsverordening (EG) nr. 883/2004); benadrukt dat de bepalingen van de definitieve overeenkomst over de mobiliteit van personen passende en robuuste rechten inzake de coördinatie van de sociale zekerheid moeten omvatten, in overeenstemming met de politieke verklaring;

27. dringt aan op een efficiënte procedure voor geschillenbeslechting in gevallen waarin er onduidelijkheid bestaat over de bevoegde autoriteit;

28. benadrukt dat een goede gegevensuitwisseling onontbeerlijk is voor de toepassing van de coördinatie tussen de EU en het VK op het gebied van de sociale zekerheid; moedigt het VK dan ook aan deel te nemen aan de elektronische uitwisseling van gegevens over de sociale zekerheid;

29. dringt er bij de partijen op aan afspraken te maken over de voortzetting van wederzijdse participatie en financiële investeringen in het Erasmus+-programma, in overeenstemming met de bepalingen van de politieke verklaring inzake deelname aan programma’s van de Unie, met name wat betreft stages voor studenten in het beroepsonderwijs en studenten, leerlingen en pas afgestudeerden uit het beroepsonderwijs en de beroepsopleidingen; benadrukt dat aanvragers uit zowel de EU als het VK voldoende van tevoren op de hoogte moeten worden gebracht van de voorwaarden en tijdschema’s voor deelname aan deze programma’s na de overgangsperiode;

Conclusie

30. betreurt dat er in dit stadium van de onderhandelingen sprake is van aanzienlijke verschillen in de standpunten van de partijen, onder meer met betrekking tot de reikwijdte en de juridische architectuur van de te onderhandelen overeenkomst; maakt zich ernstig zorgen over de beperkte reikwijdte van het toekomstige partnerschap dat de regering van het VK beoogt, en wijst erop dat de voorstellen van het VK achterblijven bij de toezeggingen die het land heeft gedaan in het kader van de politieke verklaring; merkt op dat, gezien de huidige COVID-19-pandemie, het voeren en afronden van de onderhandelingen een uitdaging is; dringt er bij het VK op aan snel en constructief samen te werken met de EU om vóór het einde van de overgangsperiode tot een partnerschapsovereenkomst te komen die een ambitieuze, brede en evenwichtige relatie en een gelijk speelveld weerspiegelt, overeenkomstig alle toezeggingen die in het kader van de politieke verklaring zijn gedaan.


 

 

BRIEF VAN DE COMMISSIE MILIEUBEHEER, VOLKSGEZONDHEID EN VOEDSELVEILIGHEID

De heer David McAllister

Voorzitter

Commissie buitenlandse zaken

De heer Bernd Lange

Voorzitter

Commissie internationale handel

BRUSSEL

Betreft: <Titre>Advies inzake aanbevelingen voor de onderhandelingen over een nieuw partnerschap met het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland</Titre> <DocRef>(2020/2023(INI))</DocRef>

Geachte voorzitters,

In het kader van bovengenoemde procedure is de Commissie milieubeheer, volksgezondheid en voedselveiligheid ermee belast een advies uit te brengen aan uw commissie en aan de Commissie internationale handel. Op haar vergadering van 11 maart 2020 heeft zij besloten dat advies in briefvorm uit te brengen.

De Commissie milieubeheer, volksgezondheid en voedselveiligheid heeft de kwestie op haar vergadering van 4 mei 2020 behandeld. Op die vergadering heeft zij besloten de Commissie buitenlandse zaken en de Commissie internationale handel, als bevoegde commissies, te verzoeken onderstaande suggesties in hun ontwerpresolutie op te nemen.

Hoogachtend,

Pascal Canfin

 

SUGGESTIES

Algemene opmerkingen op het gebied van milieubeheer, volksgezondheid en voedselveiligheid

1. herhaalt dat het vastbesloten is een zo nauw mogelijke relatie met het Verenigd Koninkrijk tot stand te brengen; benadrukt evenwel dat een overeenkomst met het Verenigd Koninkrijk niet tegen elke prijs mag worden gesloten; herhaalt zijn steun voor een ruime en ambitieuze vrijhandelsovereenkomst zonder enige beperking op in- of uitvoer en met nultarieven en nulquota, maar alleen als het Verenigd Koninkrijk zich verbindt tot “nuldumping”; benadrukt met name dat de strijd tegen de klimaatverandering, het tot staan brengen en ombuigen van het verlies aan biodiversiteit, de bevordering van duurzame ontwikkeling, het milieu en belangrijke gezondheidskwesties essentiële onderdelen van het beoogde partnerschap moeten zijn;

2. is ervan overtuigd dat een basisvoorwaarde voor elke met het Verenigd Koninkrijk bereikte overeenkomst de eerbiediging van de Overeenkomst van Parijs moet zijn; merkt op dat de Commissie zich er in haar mededeling over de Europese Green Deal toe heeft verbonden de eerbiediging van de Overeenkomst van Parijs tot een essentieel onderdeel te maken van alle toekomstige omvattende handelsovereenkomsten; is verder van mening dat beide partijen niet alleen het Raamverdrag van de Verenigde Naties inzake klimaatverandering moeten handhaven, maar ook de VN-doelstellingen inzake duurzame ontwikkeling, het Verdrag inzake biologische diversiteit en het Verdrag van de Verenigde Naties ter bestrijding van woestijnvorming; benadrukt dat de eerbiediging van deze internationale overeenkomsten bindend en afdwingbaar moet zijn;

3. benadrukt dat het belangrijk is de paraatheid en de noodmaatregelen ruim vóór het einde van de overgangsperiode te vergroten, met name voor het geval de onderhandelingen zouden vastlopen; benadrukt dat de paraatheidsacties naar behoren moeten worden gefinancierd en dat prioriteit moet worden verleend aan de gezondheids- en veiligheidsaspecten van paraatheid en noodmaatregelen, met name ten aanzien van geneesmiddelen en medische hulpmiddelen;

Gelijk speelveld en duurzaamheid

4. merkt op dat de Europese Green Deal de ambitie van de EU op het gebied van klimaat en milieu zal vergroten en dat de beleidsinstrumenten als gevolg daarvan zullen worden aangepast; is van mening dat dit kan leiden tot verschillen tussen de economie van de EU en die van het VK; is van mening dat beide partijen hun respectieve niveaus van klimaat- en milieubescherming prioritair moeten optrekken; benadrukt dat een aanpassingsclausule (“ratchet clause”) voor toekomstige beschermingsniveaus niet volstaat, aangezien die niet voorziet in een gelijk speelveld of stimulansen om de ambitieniveaus te verhogen; is overigens van mening dat indien een van beide partijen haar niveau van klimaat- of milieubescherming verhoogt, de andere partij ervoor moet zorgen dat haar normen en doelstellingen ten minste een gelijkwaardig niveau van klimaat- of milieubescherming bieden; benadrukt dat de bescherming van de natuur en de biodiversiteit, via de vogelrichtlijn[52] en de habitatrichtlijn[53], een essentieel onderdeel is van het gelijke speelveld en van cruciaal belang is om de klimaatverandering te beperken;

5. is van mening dat vóór de stemming in het Parlement over het al dan niet goedkeuren van de ontwerpovereenkomst betreffende het nieuwe partnerschap tussen de Europese Unie en het Verenigd Koninkrijk, het VK een goed werkend systeem moet hebben voor doeltreffend toezicht op de binnenlandse handhaving van de wetgeving en praktijken van het VK door een onafhankelijke instantie die over voldoende middelen beschikt; benadrukt dat het belangrijk is dat die onafhankelijke instantie het recht heeft gerechtelijke stappen te ondernemen, onder meer tegen de overheid, bij een bevoegde rechterlijke instantie in een passende gerechtelijke procedure, met het oog op een adequate voorziening in rechte, met inbegrip van sancties;

6. wijst op het grote aantal inbreukprocedures, zowel vroeger als nu, dat de Commissie op milieugebied tegen het VK heeft ingeleid, onder meer met betrekking tot de lucht- en waterkwaliteit, en onderstreept het risico van achteruitgang op dit gebied; benadrukt dat het belangrijk is dat het VK administratieve en gerechtelijke procedures instelt om overheidsinstanties en particulieren in staat te stellen tijdig actie te ondernemen tegen schendingen van de milieuwetgeving en te voorzien in rechtsmiddelen, met inbegrip van voorlopige maatregelen, om ervoor te zorgen dat de sancties doeltreffend, evenredig en ontradend zijn en daadwerkelijk een afschrikkend effect hebben;

7. betuigt zijn steun aan het door de Commissie gepresenteerde systeem voor samenwerking, monitoring, handhaving en conflictoplossing, alsook aan de rol van de partnerschapsraad; wijst op de noodzaak om op EU-niveau een controlesysteem op te zetten dat het Parlement en de Raad in staat stelt via de Commissie een systeem voor geschillenbeslechting te activeren wanneer zij van oordeel zijn dat het VK de overeenkomst niet naleeft; benadrukt dat het systeem voor geschillenbeslechting moet voorzien in geleidelijke sancties en corrigerende maatregelen wanneer blijkt dat een van de partijen de overeenkomst schendt; benadrukt dat het geen overeenkomst zal goedkeuren waarbij de rol van het Hof van Justitie van de Europese Unie inzake kwesties met betrekking tot EU-wetgeving rechtstreeks of onrechtstreeks zou worden verzwakt;

Bestrijding van de klimaatverandering

8. benadrukt dat het belangrijk is de bestrijding van de klimaatverandering in het hoofdstuk “Gelijk speelveld en duurzaamheid” van de overeenkomst te behouden;

9. is van mening dat het Verenigd Koninkrijk zich volledig moet aansluiten bij het huidige en toekomstige beleidskader van de EU inzake klimaat, met inbegrip van de herziene streefcijfers voor 2030, de streefcijfers voor 2040 en de trajecten voor het bereiken van klimaatneutraliteit tegen 2050, alsook bij de verbintenissen die zijn aangegaan in het kader van de Overeenkomst van Parijs;

10. uit met betrekking tot de streefcijfers voor 2030 zijn bezorgdheid over elementen in het ontwerp van het Britse geïntegreerd nationaal energie- en klimaatplan (NECP), waarbij de Commissie in haar beoordeling heeft aangegeven dat de belangrijkste drijvende krachten achter het energie- en klimaatbeleid van het VK koolstofbudgetten zijn en het niet duidelijk is of de bestaande en geplande beleidsmaatregelen, waarin enkel de sectoren vervoer en gebouwen worden bestreken, volstaan voor de verwezenlijking van de doelstellingen van de verordening inzake de verdeling van de inspanningen[54] en voor de “geen debet”-toezegging uit hoofde van de verordening inzake landgebruik, verandering in landgebruik en bosbouw[55], waarin is bepaald dat de geboekte emissies niet hoger mogen zijn dan de geboekte verwijderingen; verzoekt het Verenigd Koninkrijk zijn laatste NECP, dat voor eind 2019 gevraagd was, in te dienen;

11. is van mening dat het Verenigd Koninkrijk een systeem van koolstofbeprijzing moet toepassen met ten minste dezelfde reikwijdte en doeltreffendheid als dat waarin de EU‑regeling voor de handel in broeikasgasemissierechten (EU-ETS) voorziet, en dezelfde beginselen moet toepassen met betrekking tot het gebruik van buitenlandse credits aan het einde van de overgangsperiode; is verder van mening dat, indien het Verenigd Koninkrijk verzoekt zijn eigen ETS te koppelen aan de EU-ETS, de volgende twee voorwaarden voor de behandeling van een dergelijk verzoek moeten gelden: de ETS van het VK mag de integriteit van de EU-ETS niet ondermijnen, met name het evenwicht tussen rechten en verplichtingen, en moet de voortdurende toename van de reikwijdte en de doeltreffendheid van de EU-ETS weerspiegelen;

12. wijst erop dat het belangrijk is dat beide partijen hun streefcijfers voor 2030 optrekken als een noodzakelijke stap in de richting van hun streven naar decarbonisatie tegen 2050; benadrukt dat er al een systeem van koolstofbeprijzing moet worden vastgesteld en ingevoerd vóór de stemming in het Parlement over de goedkeuring van de ontwerpovereenkomst; onderstreept de noodzaak van een EU-mechanisme voor koolstofcorrectie aan de grens als onderdeel van een bredere strategie om de klimaatambitie van de EU te handhaven en ervoor te zorgen dat derde landen bijdragen aan de doelstelling van de Overeenkomst van Parijs;

13. verzoekt het Verenigd Koninkrijk te blijven bijdragen aan de werkzaamheden ter versterking van de regeling voor koolstofcompensatie en -reductie voor de internationale luchtvaart (Corsia) van de Internationale Burgerluchtvaartorganisatie (ICAO), ervoor te zorgen dat de luchtvaartsector en de sectoren zee- en wegvervoer, in het VK en wereldwijd, hun inspanningen opvoeren om de emissies terug te dringen, en zich aan te sluiten bij de inspanningen van de EU voor de invoering en handhaving van een systeem van koolstofbeprijzing voor emissies in de maritieme sector;

14. benadrukt dat eventuele betrekkingen tussen het Verenigd Koninkrijk en de Europese Investeringsbank (EIB) afhankelijk moeten worden gemaakt van onder meer de afstemming van het VK op de huidige en toekomstige klimaat- en milieudoelstellingen van de EU, de naleving door het VK van de verordening betreffende de totstandbrenging van een raamwerk om duurzame beleggingen te bevorderen en de ambitieuze nieuwe klimaatstrategie van de EIB en haar beleid inzake kredietverstrekking voor energie;

Milieubescherming

15. is van mening dat de partijen ervoor moeten zorgen dat het door de wet, regelgeving en praktijk geboden niveau van milieubescherming niet wordt verlaagd tot onder het niveau dat is vastgesteld in de gemeenschappelijke normen en streefcijfers die aan het eind van de overgangsperiode van toepassing zijn in de EU en het VK met betrekking tot de bescherming van het milieu die is opgenomen in het gehele milieu-acquis op dit gebied; benadrukt dat de volgende beginselen volledig in acht moeten worden genomen: het voorzorgsbeginsel, het beginsel dat preventieve actie moet worden ondernomen, het beginsel dat milieuschade in de eerste plaats bij de bron moet worden hersteld en het beginsel dat de vervuiler betaalt; dringt er bij beide partijen op aan ervoor te zorgen dat hun respectieve handels- en investeringsbeleid de verwezenlijking van duurzame ontwikkeling niet in de weg staat;

16. benadrukt dat beide partijen zich ertoe moeten verbinden de wereldwijde biodiversiteit te beschermen en te herstellen door middel van maatregelen op nationaal, EU- en internationaal niveau, en tijdens de volgende conferentie van de partijen (COP15) bij het VN-Verdrag inzake biologische diversiteit te ijveren voor een mondiale, juridisch bindende overeenkomst met een biodiversiteitsstreefcijfer dat overeenkomt met de 1,5 °C-doelstelling van de Overeenkomst van Parijs; benadrukt bovendien de noodzaak om andere internationale overeenkomsten na te leven, zoals de Overeenkomst inzake de internationale handel in bedreigde in het wild levende dier- en plantensoorten (Cites);

17. benadrukt het belang van de instandhouding en het herstel van terrestrische en mariene ecosystemen; herinnert eraan dat het grootste wederzijds voordeel kan worden verkregen door alle gedeelde ecosystemen te beschermen en te herstellen;

18. benadrukt, gezien het feit dat het VK niet voldoet aan de EU-wetgeving inzake luchtkwaliteit, geen “goede” status voor zijn natuurlijke oppervlaktewateren haalt en de ernstige problemen in verband met de verontreiniging door nitraten blijven duren, het belang van het waarborgen van een passende monitoring en beoordeling van de lucht- en waterkwaliteit, naast de vaststelling van gemeenschappelijke normen en streefcijfers; benadrukt verder hoe belangrijk het is dat het Verenigd Koninkrijk de emissiegrenswaarden en andere bepalingen uit hoofde van de richtlijn inzake nationale emissieplafonds[56] handhaaft en op dynamische wijze in overeenstemming brengt met de richtlijn inzake industriële emissies[57], met inbegrip van de actualiseringen van de referentiedocumenten voor de beste beschikbare technieken;

Volksgezondheid en goederenverkeer

19. benadrukt dat, indien het Verenigd Koninkrijk wenst te worden opgenomen op de lijst van landen die goederen naar de EU mogen uitvoeren die zijn onderworpen aan sanitaire en fytosanitaire maatregelen, het volledig moet voldoen aan de EU-voorschriften voor die goederen, met inbegrip van vereisten met betrekking tot productieprocessen; benadrukt bovendien dat met name de oorsprongsregels voor levensmiddelen volledig moeten worden nageleefd en dat duidelijke regels met betrekking tot de verwerking van levensmiddelen in het VK moeten worden vastgesteld om te voorkomen dat de EU-voorschriften worden omzeild, met name in het kader van mogelijke vrijhandelsovereenkomsten tussen het VK en andere landen; is verder van mening dat alle sanitaire en fytosanitaire maatregelen die de partijen toepassen ter bescherming van de gezondheid van mensen, dieren of planten gebaseerd moeten zijn op risicobeoordelingen, met volledige inachtneming van het voorzorgsbeginsel;

20. benadrukt dat antimicrobiële resistentie een ernstige grensoverschrijdende bedreiging vormt voor de gezondheid van mensen en dieren; benadrukt daarom dat beide partijen ernaar moeten streven het gebruik van antibiotica in de dierlijke productie terug te dringen en het gebruik ervan als groeibevorderaar moeten blijven verbieden en ongepast of onnodig menselijk gebruik moeten verminderen;

21. benadrukt dat het van belang is dat beide partijen de hoogste normen inzake voedselveiligheid, gezondheid van dieren en planten en hoogwaardige inspectiediensten op deze gebieden handhaven, en dat zij met hun collega’s van de andere partij moeten samenwerken om duurzame voedingsproductiemethoden en levensmiddelensystemen, met inbegrip van duurzame visserij en aquacultuur op basis van de wetenschap en een ecosysteemgericht visserijbeheer, te bevorderen; benadrukt dat het Verenigd Koninkrijk moet voldoen aan de EU-regels inzake genetisch gemodificeerde organismen en gewasbeschermingsmiddelen; is van mening dat de partijen ernaar moeten streven het gebruik en de risico’s van pesticiden te verminderen;

22. benadrukt dat het belangrijk is tekorten aan geneesmiddelen en medische hulpmiddelen te voorkomen; dringt er bij de nationale autoriteiten en belanghebbenden op aan ervoor te zorgen dat het proces voor de toewijzing van nationaal toegelaten geneesmiddelen aan het eind van de overgangsperiode is afgerond; verzoekt de fabrikanten er met name voor te zorgen dat de faciliteiten voor partijtests aan het einde van de overgangsperiode zijn overgebracht, zodat uit het Verenigd Koninkrijk ingevoerde geneesmiddelen onmiddellijk kunnen worden vrijgegeven;

23. uit met betrekking tot het vroegere gebouw van het Europees Geneesmiddelenbureau (EMA) in het VK zijn bezorgdheid over het feit dat het EMA, als volksgezondheidsagentschap van de EU, een handelspand in een derde land zal moeten beheren en tot juni 2039 huur zal moeten blijven betalen; dringt aan op oplossingen om het EMA te ontslaan van zijn contractuele en financiële verplichtingen met betrekking tot zijn vroegere gebouw; is van mening dat het de taak van de Britse regering is een redelijke langetermijnregeling uit te werken voor de contractuele positie van het EMA ten aanzien van zijn verhuurder Canary Wharf Ltd.;

24. benadrukt dat het belangrijk is dat het Verenigd Koninkrijk op dynamische wijze afgestemd blijft op het gebied van farmaceutische producten, medische hulpmiddelen en de regelgeving inzake de veiligheid van chemische stoffen, met inbegrip van hormoonontregelende chemische stoffen en Reach, om er met name voor te zorgen dat Britse ondernemingen toegang blijven hebben tot de eengemaakte markt; onderstreept het feit dat, zelfs met dynamische afstemming, Britse bedrijven aan dezelfde verplichtingen zullen worden onderworpen als niet-EU-bedrijven buiten de Europese Economische Ruimte;

25. benadrukt dat een reeks risicofactoren voor de gezondheid, zoals roken, alcoholgebruik en ongezonde voeding, een belangrijke rol spelen bij de ontwikkeling van niet-overdraagbare ziekten en dat veel van deze aandoeningen overal in Europa voorkomen; dringt daarom aan op een gecoördineerd optreden om de prevalentie en de gevolgen ervan voor de gezondheid te verminderen, waarbij rekening moet worden gehouden met grensoverschrijdende factoren zoals reclame, marketing en legale en illegale handel in producten, alsook op een gecoördineerde ontwikkeling van het beleid voor hogere volksgezondheidsnormen, zoals strengere maatregelen ter bestrijding van het tabaksgebruik en een robuustere aanpak van de etikettering voor levensmiddelen en dranken; wijst erop dat samenwerking cruciaal is gezien de regelmaat waarmee deze producten tussen landen worden verhandeld; benadrukt dat het Verenigd Koninkrijk de EU-maatregelen op dit gebied moet naleven om vrij handel te kunnen drijven op de eengemaakte markt;

Thematische samenwerking

26. herinnert eraan dat ernstige bedreigingen voor de gezondheid – zoals die welke het gevolg zijn van de uitbraak van besmettelijke ziekten, pandemieën of milieufactoren – de grenzen overschrijden; verzoekt beide partijen daarom op lange termijn samen te werken om vastgestelde en nieuwe bedreigingen voor de beveiliging van de volksgezondheid te voorkomen en op te sporen, en zich erop voor te bereiden en erop te reageren; dringt er in dit verband op aan dat de EU en het VK blijven samenwerken om de COVID-19-pandemie doeltreffend te bestrijden, met name op het eiland Ierland, waar de landgrens dit nog belangrijker maakt; acht het van essentieel belang dat het VK en de EU een gecoördineerde, Europese aanpak handhaven op gebieden als paraatheid voor noodsituaties, risicobeoordeling, beheer en communicatie, en de ontwikkeling van nieuwe antimicrobiële stoffen, vaccins en andere geneesmiddelen; is van mening dat, indien een van de partijen geen adequate maatregelen neemt om een bedreiging van de volksgezondheid aan te pakken, de andere partij unilaterale maatregelen kan nemen om de volksgezondheid te beschermen;

27. dringt met name aan op gerichte acties ter waarborging van ononderbroken en snelle toegang tot veilige geneesmiddelen en medische hulpmiddelen voor patiënten, waaronder een veilige en continue voorziening van radio-isotopen; is van mening dat, om de veiligheid van patiënten te waarborgen, de EU en het VK moeten werken aan de wederzijdse erkenning van beroepskwalificaties ter waarborging van de mobiliteit van personen die een medisch beroep uitoefenen;

28. steunt de verdere deelname van het VK als waarnemer van een derde land zonder stemrecht aan niet-regelgevende agentschappen, zoals het Europees Milieuagentschap en het Europees Centrum voor ziektepreventie en -bestrijding, aangezien beide partijen hierdoor goede praktijken en methoden kunnen uitwisselen; moedigt beide partijen bovendien aan te overwegen samenwerkingsovereenkomsten te sluiten met soortgelijke regelgevende agentschappen, zoals het Europees Agentschap voor chemische stoffen, om informatie, goede praktijken en wetenschappelijke kennis uit te wisselen;

Ierland en Noord-Ierland

29. benadrukt het belang van een daadwerkelijke uitvoering van het terugtrekkingsakkoord, onder meer voor het behoud van de integriteit van de eengemaakte markt en de douane-unie; benadrukt dat de overeenkomst over de toekomstige betrekkingen van toepassing moet zijn zonder afbreuk te doen aan het terugtrekkingsakkoord en het protocol inzake Noord-Ierland; benadrukt het belang van een strikte toepassing van het protocol om de economie van het hele eiland en het Goede Vrijdagakkoord in al zijn dimensies te handhaven en de integriteit van de eengemaakte markt te vrijwaren; benadrukt dat de blijvende handhaving door Noord-Ierland van het douanewetboek van de EU en de afstemming op de relevante regels van de eengemaakte markt niet alleen nodig zijn om een harde grens op het eiland Ierland te vermijden, maar ook om het milieu en de biodiversiteit van het eiland Ierland en de gezondheid en veiligheid van EU-burgers overeenkomstig de EU-regels te beschermen.


 

 

BRIEF VAN DE COMMISSIE INDUSTRIE, ONDERZOEK EN ENERGIE

De heer David McAllister

Voorzitter

Commissie buitenlandse zaken

BRUSSEL

 

De heer Bernd Lange

Voorzitter

Commissie internationale handel

BRUSSEL

 

Betreft: <Titre>Advies van de Commissie industrie, onderzoek en energie inzake de aanbevelingen voor de onderhandelingen over een nieuw partnerschap met het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland</Titre> <DocRef>(2020/2023(INI)</DocRef>

Geachte voorzitters,

In het kader van bovengenoemde procedure is de Commissie industrie, onderzoek en energie ermee belast een advies uit te brengen aan de Commissie buitenlandse zaken en aan de Commissie internationale handel. Tijdens hun vergadering van 18 februari 2020 hebben de ITRE-coördinatoren besloten het advies op te sturen in de vorm van een brief en op dezelfde datum ben ik, in mijn hoedanigheid van voorzitter van de commissie, aangewezen als rapporteur voor advies.

Tijdens hun vergadering achter gesloten deuren met de taskforce Betrekkingen met het Verenigd Koninkrijk op 19 mei 2020 hebben de ITRE-coördinatoren deze kwestie besproken en vervolgens op 27 mei 2020 middels een schriftelijke procedure besloten de Commissie buitenlandse zaken en de Commissie internationale handel, als bevoegde commissies, te verzoeken onderstaande suggesties in hun ontwerpresolutie op te nemen.

Hoogachtend,

Cristian-Silviu BUŞOI

 

SUGGESTIES

 

1. maakt zich er zorgen over dat de onderhandelingsmandaten van de EU, respectievelijk het VK sterk verschillende vormen van een nieuw partnerschap bevatten en dat de onderhandelingen tot nu toe deze kloof onvoldoende hebben weten te dichten; is verder bezorgd over de geringe hoeveelheid tijd die nog beschikbaar is om tot een akkoord te komen en wijst erop dat dit door de huidige COVID-19-crisis nog moeilijker is geworden;

 

2. verwacht van het akkoord dat het op alle beleidsterreinen voor een ‘level playing field’, wederkerigheid, non-regressie en rechterlijk toezicht zorgt, teneinde concurrentievermogen, hoge sociale en duurzaamheidsnormen, en de rechten van burgers en werknemers in de toekomst te waarborgen; wijst erop dat beide partijen hebben beloofd de Overeenkomst van Parijs te zullen respecteren;

 

3. is van mening dat het akkoord algemene beginselen en voorwaarden voor de deelname van het VK aan EU-programma’s moet bevatten, met een billijk evenwicht wat betreft de bijdragen van en de voordelen voor het derde land dat in de programma’s van de Unie participeert; onderstreept dat deze algemene beginselen onderworpen moeten zijn aan de voorwaarden als bedoeld in de dienovereenkomstige instrumenten;

 

4. beklemtoont evenwel dat de volgende generatie MFK-programma’s zo snel mogelijk moet worden gefinaliseerd, teneinde ze in januari 2021 zonder problemen van start te kunnen laten gaan; hamert erop dat de geringe vooruitgang in de onderhandelingen met het VK er niet toe mag leiden dat de vaststelling van de wetgeving vertraging oploopt;

 

5. onderstreept dat de deelname aan programma’s gekoppeld moet worden aan aanverwant beleid, bijvoorbeeld op het gebied van het klimaat en cybervraagstukken; beklemtoont daarnaast dat alleen aan Horizon Europa en Erasmus+ kan worden deelgenomen indien ook de EU-regels inzake het vrij verkeer van personen in acht worden genomen;

 

6. benadrukt dat de COVID-19-crisis duidelijk heeft gemaakt dat blijvende samenwerking tussen de EU en het VK op het gebied van onderzoek en innovatie essentieel is en verwacht dan ook van het akkoord dat het algemene voorwaarden bevat voor de deelname van het VK in de kaderprogramma’s voor onderzoek en innovatie, zonder regelingen op maat die voor andere derde landen niet gelden; verwacht verder dat het akkoord modaliteiten bevat voor de participatie van het VK in Europese O&I-partnerschappen in het kader van Horizon 2020 die tussen nu en 2024 ten uitvoer worden gelegd; herinnert aan het beginsel dat het financieel voordeel van derde landen nooit groter mag zijn dan hetgeen ze bijdragen;

 

7. benadrukt dat de continuïteit van de interne markt voor elektriciteit op het eiland Ierland na de terugtrekking van het VK alleen kan worden gewaarborgd indien het energie-acquis van de EU in Noord-Ierland van toepassing blijft;

 

8. is van mening dat in gemeenschappelijke regels voor hernieuwbare energie- en pijpleidinginfrastructuur offshore moet worden voorzien, en dat het VK daar middels commerciële overeenkomsten als partner aan zou kunnen deelnemen;

 

9. verwacht dat het akkoord ook iets zegt over de betrekkingen van het VK met Euratom en het ITER-project, en over de gevolgen van de terugtrekking voor de activa en passiva; verwacht dat het VK zich daarnaast houdt aan de hoogste normen inzake nucleaire veiligheid, beveiliging en stralingsbescherming;

 

10. is van oordeel dat een akkoord over samenwerking op energiegebied, in overeenstemming met het algemene akkoord over de toekomstige betrekkingen en stoelend op robuuste governance en een ‘level playing field’, in het belang van beide partijen zou zijn;

 

11. is van mening dat het VK een daadwerkelijke industriële partner in strategisch belangrijke sectoren zou kunnen blijven, en verwacht dat het akkoord voorziet in speciale bijstand voor kmo’s om ze in staat te stellen ten volle gebruik te maken van het toekomstige partnerschap; benadrukt verder het belang van stabiele, betrouwbare en duurzame waardeketens, in het bijzonder, maar niet uitsluitend, voor medicinale producten; geeft overigens met klem aan dat het belangrijk is dat een ‘level playing field’ en de strategische autonomie van de Europese Unie worden gehandhaafd, met name in het geval van belangrijke industrieën;

 

12. vindt dat het VK een belangrijke partner in het EU-ruimtebeleid moet blijven en onderstreept dat in de onderhandelingen aandacht moet worden besteed aan de toekomstige toegang van het VK tot het ruimteprogramma van de EU, met inachtneming van de belangen van de Unie en in overeenstemming met het toepasselijke wettelijke kader voor de participatie van derde landen daarin;

 

13. beklemtoont dat samenwerking op veiligheids- en defensiegebied zowel de EU, als het VK ten goede komt, en dat samenwerking in het kader van het Europees Defensiefonds en/of eventuele andere toekomstige initiatieven altijd moet stoelen op de beginselen van de totale deal over de toekomstige betrekkingen;

 

14. verwacht dat het VK de bestaande samenwerking en informatie-uitwisseling tussen de nationale autoriteiten op het gebied van cyberbeveiliging kan voortzetten; nodigt het VK uit actief bij te dragen aan de inspanningen van de Unie om de cyberveerkracht in Europa te vergroten;

 

15. verwacht dat het akkoord iets zegt over een eventuele deelname van het Verenigd Koninkrijk aan het programma voor een digitaal Europa, en verwacht dat de EU en het VK afspraken kunnen maken over intensieve samenwerking op het gebied van kunstmatige intelligentie; denkt verder dat het in het belang van beide partijen is indien het VK zijn regelgeving afstemt op die van de toekomstige gemeenschappelijke Europese gegevensruimte en de toekomstige regelgevingsmaatregelen op het gebied van KI;

 

16. denkt dat het in het belang van de burgers van de EU is indien het VK de roamingverordening blijft toepassen, en dat dit gunstig zou zijn voor het grensoverschrijdend verkeer van personen op het eiland Ierland; verzoekt de telecomaanbieders evenwel om, indien hierover geen overeenstemming kan worden bereikt, dezelfde voorwaarden te laten gelden voor hun klanten in zowel de EU als het VK.


 

 

BRIEF VAN DE COMMISSIE LANDBOUW EN PLATTELANDSONTWIKKELING

De heer Antonio Tajani

Voorzitter

Commissie constitutionele zaken

BRUSSEL

Betreft: <Titre>Advies inzake het voorstel voor een besluit van de Raad betreffende de sluiting van het akkoord over de terugtrekking van het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland uit de Europese Unie en de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie</Titre> <DocRef>(COM(2019/0194); COM(2018/0841); COM(2018/0834); COM(2018/0833) – C9-0148/2019 – 2018/0427(NLE))</DocRef>

Geachte heer Tajani,

De Commissie landbouw en plattelandsontwikkeling heeft de kwestie tijdens haar vergadering van 22 januari 2020 onderzocht. Tijdens die vergadering[58] heeft zij met eenparigheid van stemmen besloten de bevoegde Commissie constitutionele zaken te verzoeken onderstaande suggesties in haar aanbeveling op te nemen.

Hoogachtend,

(was getekend) Norbert Lins

SUGGESTIES

De AGRI-commissie wenst de nadruk te leggen op de volgende essentiële punten met betrekking tot de gevolgen voor de EU-landbouw van de brexit en de in het terugtrekkingsakkoord en de politieke verklaring voorgestelde oplossingen.

 

1. Wat het landbouwbeleid op zich betreft, lijkt de terugtrekking van het VK geen onoverkomelijke problemen op te leveren, aangezien de toepassing van de mechanismen en de betalingen van het GLB aan het VK relatief gemakkelijk kan worden stopgezet. Het feit dat het einde van de overgangsperiode waarin in het terugtrekkingsakkoord is voorzien, samenvalt met het einde van het huidige MFK (2014-2020), zou de zaken in dit verband vergemakkelijken.

2. Wij willen er echter op wijzen dat een eventuele verlenging van de overgangsperiode vergezeld moet gaan van passende financiële bepalingen en dat de rekeningen aan het einde van deze periode correct afgewikkeld moeten zijn, zoals bepaald in artikel 132 van het akkoord, niettegenstaande het feit dat het VK in het MFK vanaf 2021 wordt beschouwd als een derde land.

3. Over de voortgezette bescherming in het VK van de talrijke (meer dan 3 000) geografische aanduidingen (GA) die van toepassing zijn op landbouwproducten en levensmiddelen of dranken van oorsprong uit de EU, heeft de AGRI-commissie zich tijdens de onderhandelingen over het akkoord ernstig zorgen gemaakt. In dit verband is de commissie ervan overtuigd dat met de huidige tekst de bescherming van de geografische aanduidingen van de EU gegarandeerd is in Noord-Ierland en dat de bescherming van de geografische aanduidingen van de EU aan het einde van de overgangsperiode goedgekeurd zal zijn in andere delen van het VK.

4. Wij willen benadrukken dat het belangrijk is deze bescherming te behouden in de regelingen voor de toekomstige betrekkingen. Bovendien moeten deze regelingen niet alleen betrekking hebben op alle bestaande geografische aanduidingen van de EU, maar moeten zij naar ons oordeel ook bilaterale samenwerkingsmechanismen omvatten voor de wederzijdse erkenning door het VK en de EU-27 van nieuwe geografische aanduidingen die worden goedgekeurd na de overgangsperiode en, indien van toepassing, indien het protocol inzake Ierland/Noord-Ierland niet langer van toepassing is op grond van artikel 18 ervan.

5. Wij zijn ons er terdege van bewust dat de kwestie van Ierland en Noord-Ierland gevolgen heeft die veel verder reiken dan de landbouwsector. Gezien het ingrijpende karakter van tarifaire en niet-tarifaire belemmeringen in de landbouw, het sterk geïntegreerde karakter en de onderlinge afhankelijkheid van de Ierse en de Noord-Ierse landbouwmarkt en het voortdurende verkeer over de grens van levende dieren, eindproducten en producten die verdere verwerking vereisen, is een soepele behandeling van deze kwestie bijzonder belangrijk voor deze sector. In dit verband is de AGRI-commissie ingenomen met de handhaving van de status quo, de huidige onzichtbare grens en de noord-zuidsamenwerking op het Ierse eiland, zoals vastgelegd in het Goede Vrijdag-akkoord, op voorwaarde dat de in artikel 18 van het Protocol betreffende Ierland/Noord-Ierland bedoelde democratische goedkeuring wordt verleend.

6. Tegelijkertijd willen wij wijzen op het feit dat het protocol in elk geval naar behoren moet worden uitgevoerd, niet alleen ter handhaving van bovengenoemde status quo, maar ook ter voorkoming van achterpoortjes in de tarifaire en niet-tarifaire bescherming van de EU. De werkzaamheden van het gemengd comité met betrekking tot het afronden van de regelingen in het kader van het protocol zullen van cruciaal belang zijn. Deze twee doelstellingen moeten ook worden weerspiegeld en gehandhaafd door middel van alle regelingen voor de toekomstige betrekkingen indien het protocol niet langer van toepassing is op grond van artikel 18.

7. De belangrijkste kwesties in verband met de landbouw die door de brexit aan de orde worden gesteld, hebben betrekking op handel. Landbouw- en agrovoedingsproducten zijn de producten met het hoogste niveau van tarifaire en niet-tarifaire bescherming in de EU en in de meeste landen ter wereld, en dit zal waarschijnlijk ook het geval zijn in het VK. De sector zal dus het meest te lijden hebben onder de terugtrekking van het VK uit de douane-unie en de eengemaakte markt aan het einde van de overgangsperiode, met name doordat de betrokken handelsvolumes aanzienlijk zijn: op basis van de huidige handelsstromen kan het Verenigd Koninkrijk na de brexit de belangrijkste handelspartner voor agrovoedingsproducten van de EU-27 worden, zowel wat uitvoer als wat invoer betreft.

8. Wij willen er dan ook op wijzen dat, indien het akkoord in werking treedt, het van het grootste belang zal zijn om van de overgangsperiode gebruik te maken om te onderhandelen over uitgebreide regelingen voor de totstandbrenging van een vrijhandelszone, waarin voorzien is in de politieke verklaring. Als dat niet mogelijk is, wordt de landbouwsector geconfronteerd met een reëel “cliff edge”-scenario op het gebied van bilaterale handel, waarbij het VK en de EU-27 handel drijven volgens de regels van de Wereldhandelsorganisatie, zonder preferentiële toegang tot elkaars markt, en zij eventueel ook uit elkaar beginnen te groeien wat hun respectieve regelgevingskaders betreft. Wij willen krachtig benadrukken dat, vanuit het standpunt van de AGRI-commissie, alles in het werk moet worden gesteld om dit scenario te voorkomen. Als zulks niet mogelijk blijkt, dringt de AGRI-commissie er bij de Commissie op aan voldoende middelen ter beschikking te stellen om de gevolgen voor de landbouwers en de agrivoedingssector in het geval van een “cliff-edge”-resultaat aan het einde van de overgangsperiode te beperken, zoals gepland was in geval van niet-ratificatie van het terugtrekkingsakkoord.

9. Het nieuwe nationale landbouwbeleid dat het VK zal invoeren na zijn terugtrekking uit de EU en de nieuwe handelsovereenkomsten die het zal sluiten met andere derde landen, zullen ook een beslissende invloed uitoefenen op de sector. Zij vallen echter buiten het bestek van dit advies over het akkoord.

10. Bijgevolg steunt de AGRI-commissie krachtig het terugtrekkingsakkoord dat de onderhandelaars van de EU en het VK zijn overeengekomen en hebben verwezen naar het Parlement voor goedkeuring en hoopt zij dat de inwerkingtreding van het akkoord en de correcte uitvoering ervan de weg vrijmaken voor regelingen over de toekomstige betrekkingen die de landbouwbelangen van de EU zoveel mogelijk vrijwaren.


 

 

BRIEF VAN DE COMMISSIE CULTUUR EN ONDERWIJS

De heer David McAllister

Voorzitter

Commissie buitenlandse zaken

BRUSSEL

 

De heer Bernd Lange

Voorzitter

Commissie internationale handel

BRUSSEL

 

 

Betreft: <Titre>advies inzake aanbevelingen voor de onderhandelingen over een nieuw partnerschap met het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland</Titre> <DocRef>(2020/2023(INI))</DocRef> 

Geachte heer McAllister, geachte heer Lange,

 

Namens de Commissie cultuur en onderwijs leg ik u graag in briefvorm het advies van de Commissie cultuur en onderwijs inzake bovengenoemd verslag voor. Het advies is, zoals verzocht, geformuleerd als bijdrage aan de resolutie.

 

Mocht u vragen hebben over het advies of de daarin genoemde punten willen bespreken, dan kunt u contact met mij opnemen.

 

Hoogachtend,

Sabine Verheyen

Voorzitter Commissie cultuur en onderwijs

SUGGESTIES

A. overwegende dat de bescherming en bevordering van culturele en taalkundige diversiteit de hoeksteen moeten vormen van elke toekomstige overeenkomst met het Verenigd Koninkrijk;

B. overwegende dat samenwerking op het gebied van onderwijs, cultuur en de uitwisseling van jongeren integraal onderdeel uitmaakt van nauwe, coöperatieve en vruchtbare betrekkingen met derde landen; overwegende dat het Verenigd Koninkrijk een cruciale partner van de Unie is op het gebied van onderwijs, cultuur, jongeren en taalonderwijs; overwegende dat de overeenkomst bedoeld is om het uiteengaan van de partijen te regelen, maar dat de Unie en het Verenigd Koninkrijk er niettemin naar moeten streven voort te bouwen op de zeer nauwe, bestaande samenwerking op deze gebieden die berust op de gemeenschappelijke achtergrond die tijdens het 47-jarige EU-lidmaatschap van het VK tot stand is gekomen; overwegende dat de deelname van het VK aan de programma’s Erasmus+, Creatief Europa en het Europees Solidariteitskorps zal bijdragen aan de ondersteuning en bevordering van doorlopende nauwe samenwerking en doeltreffende netwerken;

 C. overwegende dat de begunstigden van het programma in het VK en in de Unie de vruchten zullen plukken van de instandhouding van de deelname van het VK aan Erasmus+; overwegende dat de deelname van het VK aan Erasmus+ te allen tijde moet voldoen aan alle bijbehorende regels en deelnemingsvoorwaarden, zoals vastgesteld in de verordening inzake het programma; overwegende dat het VK geen beslissingsbevoegdheid kan hebben met betrekking tot het programma; overwegende dat het VK in zijn onderhandelingsmandaat aangeeft tijdelijke deelname aan onderdelen van Erasmus+ te zullen overwegen;

D. overwegende dat het VK tot op heden nog niet heeft laten weten of het voornemens is te blijven deelnemen aan Creatief Europa en het Europees Solidariteitskorps;

E. overwegende dat het VK in zijn onderhandelingsmandaat opmerkt dat de overeenkomst met de Unie bevorderlijk kan zijn voor de handel in audiovisuele diensten; overwegende dat in de vrijhandelsovereenkomsten van de Unie met derde landen altijd een “culturele uitzondering” wordt toegepast en dat er geen precedent bestaat voor een vrijhandelsovereenkomst van de Unie waarin wordt voorzien in toegang zoals op de eengemaakte markt voor verleners van audiovisuele mediadiensten die zich buiten de Europese Economische Ruimte (EER) bevinden;

F. overwegende dat de richtlijn audiovisuele mediadiensten minimumnormen voor audiovisuele mediadiensten omvat, zodat deze diensten zonder beperkingen kunnen worden heruitgezonden op grond van het oorsprongslandbeginsel;

G. overwegende dat het vrije verkeer van goederen via de regelgeving van de Unie in overeenstemming is gebracht met de bescherming van cultuurgoederen van artistieke, historische en archeologische waarde; overwegende dat het VK in zijn onderhandelingsmandaat op geen enkele wijze aangeeft hoe het de samenwerking op het gebied van de bescherming van cultuurgoederen wenst in te vullen;

 

1. is van oordeel dat in de overeenkomst duidelijk moet worden gemaakt dat culturele en taalkundige diversiteit zullen worden gehandhaafd in overeenstemming met het Unesco-verdrag betreffende de bescherming en de bevordering van de diversiteit van cultuuruitingen;

 

2. is ingenomen met de duidelijke verklaring in de onderhandelingsrichtsnoeren van Unesco dat de toekomstige betrekkingen tussen de EU en het VK ook dialoog en uitwisseling op het gebied van onderwijs en cultuur moeten omvatten; betreurt dat het onderhandelingsmandaat van het VK geen enkel soortgelijk streven omvat; is van mening dat nauwe samenwerking, waarmee wordt voortgebouwd op de bestaande hechte band, een voorwaarde is voor gezonde toekomstige betrekkingen tussen de Unie en het VK, en pleit voor een ambitieus streven in dit verband; wijst erop dat de mobiliteit van personen van essentieel belang is voor de bevordering van uitwisseling en verheugt zich over de bepalingen betreffende mobiliteit in het kader van studie, opleiding en uitwisseling van jongeren die in de door de Commissie gepubliceerde ontwerptekst van de overeenkomst zijn opgenomen; is evenwel bezorgd dat de bepalingen betreffende de toegang en het tijdelijk verblijf van natuurlijke personen voor zakelijke doeleinden niet aan de behoeften van de culturele en creatieve sector voldoen en daarmee een belemmering kunnen vormen voor de voortzetting van culturele uitwisseling;

 

3. is ingenomen met de verklaring van de Britse regering dat zij zich zal blijven inzetten voor internationale uitwisseling in het onderwijs; geeft nogmaals aan voorstander te zijn van de instandhouding van de deelname van het VK aan Erasmus+; brengt in herinnering dat het VK een volledige en billijke financiële bijdrage zal moeten doen om aan het programma te kunnen blijven deelnemen; beklemtoont dat het VK, indien het besluit aan Erasmus+ te blijven deelnemen, volledig en voor de gehele duur van het programma moet deelnemen overeenkomstig het MFK; benadrukt dat het belangrijk is om de voorwaarden voor leermobiliteit in het kader van Erasmus+ zowel in het VK als in de EU te waarborgen en onder meer de gelijke behandeling van uitwisselingsstudenten te bewaken, bijvoorbeeld met betrekking tot collegegeld, gemakkelijke toegang tot essentiële diensten en voorkoming van ongerechtvaardigde financiële of administratieve lasten;

 

4. is ervan op de hoogte dat het VK tot op heden nog niet heeft laten weten of het voornemens is te blijven deelnemen aan Creatief Europa en het Europees Solidariteitskorps; merkt op dat dit besluit de nauwe samenwerking op het gebied van cultuur en de uitwisseling van jongeren zal belemmeren;

 

5. staat onvoorwaardelijk achter de heldere bepaling in de onderhandelingsrichtsnoeren van de Unie dat audiovisuele diensten geen onderdeel mogen uitmaken van het toepassingsgebied van het economisch partnerschap, en vraagt de Commissie met klem haar standpunt ferm te handhaven;

 

6. benadrukt dat de toegang tot de markt voor audiovisuele diensten in de Unie alleen kan worden gewaarborgd als de richtlijn audiovisuele mediadiensten volledig ten uitvoer wordt gelegd, zodat beide partijen dezelfde heruitzendingsrechten kunnen genieten; wijst erop dat inhoud die uit het VK afkomstig is, ook na de overgangsperiode nog altijd onder de categorie “Europese werken” zal vallen, zolang werken uit derde landen en uit niet-EER-landen die partij zijn bij de Overeenkomst inzake grensoverschrijdende televisie van de Raad van Europa onder het quotum voor “Europese werken” worden gerekend;

 

7. is ingenomen met de opname in de onderhandelingsrichtsnoeren van de Unie van kwesties die verband houden met de teruggave van onrechtmatig weggenomen cultuurgoederen aan het land van herkomst, dan wel de vergoeding ervan; herinnert aan de stappen die de Unie in de afgelopen jaren heeft ondernomen om de bescherming en het behoud van cultuurgoederen aan de orde te stellen, en wijst op het belang van de instandhouding van de samenwerking met het VK op dit gebied.


 

 

BRIEF VAN DE COMMISSIE JURIDISCHE ZAKEN

 

 

 

De heer David McAllister

Voorzitter

Commissie buitenlandse zaken

Brussel

 

De heer Bernd Lange

Voorzitter

Commissie internationale handel

Brussel

Subject: <Titre>Advies van de Commissie juridische zaken met aanbevelingen voor de onderhandelingen over een nieuw partnerschap met het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland</Titre> <DocRef>(2020/2023(INI))</DocRef>

Geachte voorzitters,

Tijdens de vergadering van 18 februari 2020 hebben de coördinatoren van de Commissie juridische zaken besloten om overeenkomstig artikel 56, lid 1, van het Reglement een advies in briefvorm uit te brengen inzake het verslag over het voorgestelde mandaat voor onderhandelingen met het Verenigd Koninkrijk (2020/2023(INI)), met bijzondere aandacht voor de bevoegdheden van onze commissie. Op diezelfde dag ben ik in mijn hoedanigheid van voorzitter van de commissie benoemd tot rapporteur voor dit advies.

 

 

 

Suggesties:

Tijdens haar vergadering van 7 mei 2020 heeft de Commissie juridische zaken besloten, met 20 stemmen voor en 2 stemmen tegen bij 2 onthoudingen[59], om de Commissie buitenlandse zaken en de Commissie internationale handel, als bevoegde commissies, te verzoeken onderstaande suggesties in hun ontwerpresolutie op te nemen.

 

De Commissie juridische zaken doet haar suggesties met inachtneming van: de resolutie van het Europees Parlement van 12 februari 2020 over het voorgestelde mandaat voor onderhandelingen over een nieuw partnerschap met het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland[60]; het besluit van de Raad betreffende het mandaat voor de onderhandelingen met het Verenigd Koninkrijk van 13 februari 2020 (voorgesteld mandaat voor onderhandelingen over een nieuw partnerschap met het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland[61]), het akkoord inzake de terugtrekking van het Verenigd Koninkrijk uit de Unie van 24 januari 2020 en de politieke verklaring over het kader voor de toekomstige betrekkingen[62]; alsmede de ontwerptekst van de overeenkomst inzake het nieuwe partnerschap met het VK van 19 maart 2020[63].

 

Institutionele en horizontale aspecten

 

1. De onderhandelingen over een nieuw partnerschap met het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland zullen verreikende constitutionele en juridische gevolgen hebben zowel voor het VK als voor de EU, terwijl de bepalingen van de voorgenomen overeenkomst een aanzienlijk langetermijneffect zullen hebben op het leven van burgers en op bedrijven in het VK en de EU. De benadering met betrekking tot het proces en de inhoud van deze onderhandelingen moet daarom gebaseerd zijn op de waarden van de rechtsstaat en moet garanties omvatten inzake transparantie, rechtszekerheid en toegang tot de wet.

 

2. In verband hiermee kan niet genoeg worden benadrukt dat de nieuwe overeenkomst over de toekomstige betrekkingen tussen de EU en het VK alleen gebaseerd kan zijn op een getrouwe en effectieve uitvoering van het terugtrekkingsakkoord, hetgeen gezien moet worden als een noodzakelijke voorwaarde voor een vruchtbare samenwerking en als een minimale garantie van goede trouw en wederzijds vertrouwen tussen beide partijen.

 

3. herinnert eraan dat beide partijen zich in de politieke verklaring[64] hebben verplicht tot toekomstige betrekkingen die gebaseerd zijn op een overkoepelend institutioneel kader dat verscheidene hoofdstukken en daarmee samenhangende akkoorden betreffende specifieke samenwerkingsgebieden omvat. Deze aanvullende akkoorden vormen een integrerend onderdeel van de algemene bilaterale betrekkingen zoals die worden geregeld bij de toekomstige overeenkomst en maken deel uit van het algemene kader.

 

4. Tegen deze achtergrond moet in de voorgenomen overeenkomst voorzien worden in een alomvattend governancekader, met inbegrip van een degelijk mechanisme voor geschillenbeslechting. In verband hiermee is het van het grootste belang dat de overeenkomst over het toekomstige partnerschap de hoeksteen van het rechtsstelsel van de EU waarborgt, namelijk de procedure voor een prejudiciële verwijzing naar het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJ-EU), die als doel heeft te zorgen voor de eenvormige interpretatie, de consistentie en de volledige werking van het EU-recht, alsmede de autonomie van het EU-recht ten opzichte van het recht van de lidstaten en het internationaal recht. Er moet dus voor worden gezorgd dat elke instantie die op grond van de voorgenomen overeenkomst wordt opgericht om de uniforme interpretatie en toepassing van die overeenkomst te garanderen, niet bevoegd zal zijn om begrippen van het EU-recht te onderzoeken en te interpreteren en dat zij de EU en haar instellingen bij de uitoefening van hun interne bevoegdheden niet zal kunnen binden aan een specifieke interpretatie van de regels van het EU-recht[65]. Dergelijke kwesties in verband met het EU-recht zullen dus moeten worden voorgelegd aan het HvJ-EU.

 

Intellectuele eigendom

 

5. Het terugtrekkingsakkoord voorziet in een mechanisme voor een hoog niveau van bescherming van de geografische aanduidingen, oorsprongsbenamingen of traditionele specialiteiten die op de laatste dag van de overgangsperiode in de Unie gegarandeerd zijn, dat op grond van specifieke verordeningen van de Unie vanaf het einde van de overgangsperiode zonder enig nieuw onderzoek in het Verenigd Koninkrijk geldt[66]. In dezelfde geest moet de voorgenomen overeenkomst over een toekomstig partnerschap voorzien in een mechanisme voor de dynamische bescherming in het VK van geografische aanduidingen, oorsprongsbenamingen of traditionele specialiteiten op basis van het toekomstige rechtskader van de EU, en moet de overeenkomst de mogelijkheid omvatten van nauwe bilaterale samenwerking tussen het Bureau voor intellectuele eigendom van de Europese Unie (EUIPO) en de bureaus voor intellectuele eigendom in het VK.

 

6. De voorgenomen overeenkomst moet ook krachtige, afdwingbare maatregelen bevatten betreffende de erkenning en een hoog niveau van bescherming van intellectuele-eigendomsrechten, zoals auteursrechten en naburige rechten, handelsmerken en industriële ontwerpen, octrooien en bedrijfsgeheimen, op basis van het huidige en toekomstige rechtskader van de EU. In deze context, en gezien het feit dat het VK zijn handtekening onder de Overeenkomst betreffende een eengemaakt octrooigerecht niet officieel heeft ingetrokken, moet zorgvuldig worden onderzocht en beoordeeld of het VK gastland kan zijn voor een deel van het geplande eengemaakte octrooigerecht en of het kan bijdragen tot de instelling van één Europees octrooi.

 

Vennootschapsrecht

 

7. Om een verlaging van de normen te voorkomen en juridische status in het VK en de EU te garanderen, is het wenselijk dat de voorgenomen overeenkomst minimale gemeenschappelijke normen omvat met betrekking tot het opzetten en uitvoeren van verrichtingen, de bescherming van aandeelhouders, schuldeisers en werknemers, rapportage van ondernemingen en audit- en transparantieregels, alsmede wederzijdse erkenning van rechterlijke beslissingen met betrekking tot herstructurering en faillissement of insolventie.

 

Justitiële samenwerking in burgerlijke zaken, inclusief familiezaken

 

8. Justitiële samenwerking in burgerlijke zaken is van het grootste belang om te zorgen voor toekomstige handels- en zakelijke interactie tussen burgers en ondernemingen en voor zekerheid en voldoende bescherming van partijen bij grensoverschrijdende transacties en andere activiteiten. Tegen deze achtergrond moet, met bescherming van de belangen van de EU en in het licht van de goede werking van het Verdrag van Lugano, zorgvuldig worden nagegaan of dit verdrag, waarbij de algemene EU-wetgeving inzake civiele rechtspraak en erkenning van rechterlijke beslissingen in haar versie van 2007 is overgenomen en uitgebreid naar Noorwegen, IJsland en Zwitserland, een adequate oplossing kan zijn in het kader van het voorgenomen partnerschap met het VK en of de EU-lidstaten die niet deelnemen aan de ruimte van vrijheid, veiligheid en recht, de mogelijkheid moeten krijgen om zich als afzonderlijke verdragsluitende partijen bij dit verdrag aan te sluiten. Met het oog hierop moet ook worden nagegaan of de EU met de toetreding van het VK als onafhankelijke partij tot het systeem van Lugano het algemene evenwicht van haar betrekkingen met derde landen en internationale organisaties kan handhaven, dan wel of een nieuwe oplossing, die kan zorgen voor een “dynamische aanpassing” tussen de twee partijen, passender is. In het laatste geval zouden externe betrekkingen op gebieden die onder het internationaal civielrecht van de EU vallen, onder de exclusieve bevoegdheid van de Europese Unie vallen en een integrerend deel van de rechtsorde van de Unie vormen, zodat het mechanisme van de prejudiciële procedure erop van toepassing is.

 

9. In de voorgenomen overeenkomst moet met name een zinnige, algemene oplossing worden gevonden voor huwelijkskwesties, kwesties in verband met ouderlijke verantwoordelijkheid en andere familierechtelijke kwesties. Het voornemen van het VK om toe te treden tot het Verdrag van ‘s Gravenhage van 23 november 2007 inzake de internationale inning van levensonderhoud ten behoeve van kinderen en andere familieleden is welkom. Er wordt echter aan herinnerd dat de EU met betrekking tot bepaalde civielrechtelijke kwesties verder is gegaan dan de Haagse Conferentie, door gedetailleerdere wetgeving vast te stellen op het gebied van civiele rechtsmacht, collisie en de erkenning van vonnissen tussen landen. In verband hiermee moeten alle bepalingen in de voorgenomen overeenkomst die betrekking hebben op wederzijdse handhaving met betrekking tot familiezaken, niet alleen gebaseerd zijn op het beginsel van wederzijds vertrouwen in rechtsstelsels, maar ook op het bestaan van bepaalde constitutionele waarborgen en gemeenschappelijke normen op het gebied van grondrechten.

 

 

Ik hoop dat het bovenstaande als nuttige bijdrage kan worden opgenomen in de door de Commissie buitenlandse zaken en de Commissie internationale handel gezamenlijk opgestelde ontwerpresolutie.

 

 

Met de meeste hoogachting,

 

 

 

Adrián Vázquez Lázara

 

 

 

 

 


INFORMATIE OVER DE GOEDKEURING IN DE BEVOEGDE COMMISSIE

Datum goedkeuring

12.6.2020

 

 

 

Uitslag eindstemming

+:

–:

0:

85

6

17

Bij de eindstemming aanwezige leden

Alviina Alametsä, Alexander Alexandrov Yordanov, Barry Andrews, Maria Arena, Anna-Michelle Asimakopoulou, Petras Auštrevičius, Traian Băsescu, Tiziana Beghin, Lars Patrick Berg, Anna Bonfrisco, Geert Bourgeois, Saskia Bricmont, Reinhard Bütikofer, Jordi Cañas, Fabio Massimo Castaldo, Anna Cavazzini, Susanna Ceccardi, Włodzimierz Cimoszewicz, Miroslav Číž, Katalin Cseh, Arnaud Danjean, Paolo De Castro, Tanja Fajon, Anna Fotyga, Emmanouil Fragkos, Michael Gahler, Kinga Gál, Giorgos Georgiou, Sunčana Glavak, Raphaël Glucksmann, Markéta Gregorová, Klemen Grošelj, Bernard Guetta, Márton Gyöngyösi, Enikő Győri, Roman Haider, Christophe Hansen, Heidi Hautala, Danuta Maria Hübner, Herve Juvin, Sandra Kalniete, Karol Karski, Dietmar Köster, Maximilian Krah, Andrius Kubilius, Ilhan Kyuchyuk, Danilo Oscar Lancini, Bernd Lange, David Lega, Miriam Lexmann, Nathalie Loiseau, Antonio López-Istúriz White, Lukas Mandl, Thierry Mariani, Gabriel Mato, Emmanuel Maurel, David McAllister, Vangelis Meimarakis, Sven Mikser, Francisco José Millán Mon, Javier Nart, Gheorghe-Vlad Nistor, Urmas Paet, Demetris Papadakis, Kostas Papadakis, Tonino Picula, Manu Pineda, Maxette Pirbakas, Kati Piri, Giuliano Pisapia, Carles Puigdemont i Casamajó, Samira Rafaela, Jérôme Rivière, Inma Rodríguez-Piñero, María Soraya Rodríguez Ramos, Massimiliano Salini, Nacho Sánchez Amor, Isabel Santos, Jacek Saryusz-Wolski, Andreas Schieder, Helmut Scholz, Liesje Schreinemacher, Radosław Sikorski, Sergei Stanishev, Tineke Strik, Dominik Tarczyński, Hermann Tertsch, Mihai Tudose, Kathleen Van Brempt, Hilde Vautmans, Marie-Pierre Vedrenne, Harald Vilimsky, Idoia Villanueva Ruiz, Viola Von Cramon-Taubadel, Jörgen Warborn, Witold Jan Waszczykowski, Charlie Weimers, Iuliu Winkler, Isabel Wiseler-Lima, Salima Yenbou, Jan Zahradil, Željana Zovko

Bij de eindstemming aanwezige vaste plaatsvervangers

Nikos Androulakis, Marek Belka, Svenja Hahn, Arba Kokalari, Sergey Lagodinsky, Marisa Matias, Liudas Mažylis, Ernest Urtasun, Angelika Winzig

 

 


HOOFDELIJKE EINDSTEMMING IN DE BEVOEGDE COMMISSIE

 

85

+

ECR

Geert Bourgeois, Emmanouil Fragkos, Jan Zahradil

NI

Tiziana Beghin, Fabio Massimo Castaldo, Márton Gyöngyösi, Carles Puigdemont i Casamajó

PPE

Alexander Alexandrov Yordanov, Anna‑Michelle Asimakopoulou, Traian Băsescu, Arnaud Danjean, Michael Gahler, Sunčana Glavak, Enikő Győri, Kinga Gál, Christophe Hansen, Danuta Maria Hübner, Sandra Kalniete, Arba Kokalari, Andrius Kubilius, David Lega, Miriam Lexmann, Antonio López‑Istúriz White, Lukas Mandl, Gabriel Mato, Liudas Mažylis, David McAllister, Vangelis Meimarakis, Francisco José Millán Mon, Gheorghe‑Vlad Nistor, Massimiliano Salini, Radosław Sikorski, Jörgen Warborn, Iuliu Winkler, Angelika Winzig, Isabel Wiseler‑Lima, Željana Zovko

RENEW

Barry Andrews, Petras Auštrevičius, Jordi Cañas, Katalin Cseh, Klemen Grošelj, Bernard Guetta, Svenja Hahn, Ilhan Kyuchyuk, Nathalie Loiseau, Javier Nart, Urmas Paet, Samira Rafaela, María Soraya Rodríguez Ramos, Liesje Schreinemacher, Hilde Vautmans, Marie‑Pierre Vedrenne

S&D

Nikos Androulakis, Maria Arena, Marek Belka, Włodzimierz Cimoszewicz, Paolo De Castro, Tanja Fajon, Raphaël Glucksmann, Dietmar Köster, Bernd Lange, Sven Mikser, Demetris Papadakis, Tonino Picula, Kati Piri, Giuliano Pisapia, Inma Rodríguez‑Piñero, Isabel Santos, Andreas Schieder, Sergei Stanishev, Nacho Sánchez Amor, Mihai Tudose, Kathleen Van Brempt, Miroslav Číž