Procedure : 2019/2127(INI)
Stadium plenaire behandeling
Documentencyclus : A9-0118/2020

Ingediende teksten :

A9-0118/2020

Debatten :

Stemmingen :

Aangenomen teksten :

P9_TA(2020)0191

<Date>{16/06/2020}16.6.2020</Date>
<NoDocSe>A9-0118/2020</NoDocSe>
PDF 217kWORD 64k

<TitreType>VERSLAG</TitreType>

<Titre>over de controle van de financiële activiteiten van de Europese Investeringsbank – jaarverslag 2018</Titre>

<DocRef>(2019/2127(INI))</DocRef>


<Commission>{CONT}Commissie begrotingscontrole</Commission>

Rapporteur: <Depute>Bas Eickhout</Depute>

ONTWERPRESOLUTIE VAN HET EUROPEES PARLEMENT
 INFORMATIE OVER DE GOEDKEURING IN DE BEVOEGDE COMMISSIE
 HOOFDELIJKE EINDSTEMMING IN DE BEVOEGDE COMMISSIE

ONTWERPRESOLUTIE VAN HET EUROPEES PARLEMENT

over de controle van de financiële activiteiten van de Europese Investeringsbank – jaarverslag 2018

(2019/2127(INI))

Het Europees Parlement,

 gezien het activiteitenverslag 2018 van de Europese Investeringsbank (EIB),

 gezien het financieel verslag 2018 en het statistisch verslag 2018 van de EIB,

 gezien het duurzaamheidsverslag van 2018, het jaarverslag van 2018 over de EIB buiten de Europese Unie en het verslag van 2018 over de verrichtingen van de EIB binnen de EU,

 gezien de jaarverslagen van het Comité ter controle van de boekhouding van de EIB over 2018,

 gezien het verslag over de uitvoering van het transparantiebeleid van de EIB in 2018 en het verslag over corporate governance van 2018,

 gezien de fraudeonderzoeksactiviteiten in 2018,

 gezien het besluit van de Europese Ombudsman in zaak 1316/2016/TN over vermeende tekortkomingen in het transparantiebeleid van de Europese Investeringsbank[1],

 gezien de herziening van de klachtenregeling als gevolg van het besluit van de Europese Ombudsman in zaak 1316/2016/TN over vermeende tekortkomingen in het transparantiebeleid van de Europese Investeringsbank,

 gezien het activiteitenverslag 2018 van het bureau van het hoofd Naleving van de EIB en het activiteitenverslag 2018 van de EIB-groep over fraudebestrijding,

 gezien het activiteitenplan 2017-2019 van de EIB-groep,

 gezien de artikelen 3 en 9 van het Verdrag betreffende de Europese Unie (VEU),

 gezien de artikelen 15, 126, 174, 175, 208, 209, 271, 308 en 309 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU), Protocol nr. 5 bij het VWEU betreffende de statuten van de EIB en Protocol nr. 28 bij het VWEU betreffende economische, sociale en territoriale cohesie,

 gezien het reglement van orde van de Europese Investeringsbank,

 gezien zijn resoluties van 6 april 2018 over het jaarverslag inzake de controle van de financiële activiteiten van de EIB voor 2016[2] en van 17 januari 2019 over het jaarverslag 2017 inzake de controle van de financiële activiteiten van de EIB voor 2017[3],

 gezien Verordening (EU) 2015/1017 van het Europees Parlement en de Raad van 25 juni 2015 betreffende het Europees Fonds voor strategische investeringen, de Europese investeringsadvieshub en het Europese investeringsprojectenportaal en tot wijziging van de Verordeningen (EU) nr. 1291/2013 en (EU) nr. 1316/2013 – het Europees Fonds voor strategische investeringen[4],

 gezien het werkdocument van de diensten van de Commissie van 14 september 2016 over de verlenging van de looptijd van het Europees Fonds voor strategische investeringen (EFSI), en de invoering van technische versterkingen voor dat fonds en de Europese investeringsadvieshub (COM(2016)0597, SWD(2016)0297 en SWD(2016)0298),

 gezien speciaal verslag nr. 03/2019 van de Rekenkamer van januari 2019 over het Europees Fonds voor strategische investeringen (EFSI)[5],

 gezien het verslag van de Commissie van 28 mei 2019 over het beheer van het Garantiefonds van het Europees Fonds voor strategische investeringen (EFSI) in 2018 (COM(2019)0244),

 gezien het evaluatieverslag over de verrichtingen van de EIB van juni 2018 over de evaluatie van het EFSI,

 gezien de in 2019 door de Commissie verrichte evaluatie van het mandaat voor externe leningen[6],

 gezien het verslag getiteld “Europe in the World – The future of the European financial architecture for development”[7], dat is opgesteld door de Groep op hoog niveau van wijzen inzake de Europese financiële architectuur voor ontwikkeling,

 gezien het verslag van Counter Balance van oktober 2019 getiteld “Is the EIB up to the task in tackling fraud and corruption?”[8],

 gezien de driepartijenovereenkomst van september 2016 tussen de Europese Commissie, de Europese Rekenkamer en de Europese Investeringsbank,

 gezien artikel 54 van zijn Reglement,

 gezien het verslag van de Commissie begrotingscontrole (A9-0118/2020),

A. overwegende dat de EIB uit hoofde van het Verdrag verplicht is bij te dragen aan de integratie, de economische en sociale cohesie en de regionale ontwikkeling in de EU door middel van specifieke investeringsinstrumenten zoals leningen, aandelen, garanties, risicodelingsfaciliteiten en adviesdiensten;

B. overwegende dat het hoofddoel van de EIB erin bestaat een bijdrage te leveren aan de evenwichtige en gestage ontwikkeling van de interne markt in het belang van de Unie overeenkomstig artikel 309 van het VWEU;

C. overwegende dat de EIB, als grootste publieke kredietverstrekker ter wereld, actief is op de internationale kapitaalmarkten en concurrerende voorwaarden aan klanten en gunstige voorwaarden ter ondersteuning van EU-beleid en ‑projecten biedt;

D. overwegende dat de EIB in 2018 60 jaar is geworden en zowel binnen als buiten de Unie met tal van nieuwe uitdagingen wordt geconfronteerd;

E.  overwegende dat de EU de afgelopen tien jaar te maken heeft gehad met een crisis van massale onderinvestering en werd geconfronteerd met een dringende investeringsvraag om het hoofd te kunnen bieden aan de vereiste groene en digitale transformatie van de economie; overwegende dat de investeringspercentages (d.w.z. de investeringen als aandeel van het bbp) lager zijn dan vóór de crisis;

F. overwegende dat de EIB in november 2019 nieuwe klimaatverbintenissen is aangegaan en een nieuw beleid inzake kredietverstrekking voor energie heeft vastgesteld;

G. overwegende dat de EIB een sleutelrol speelt op de internationale financiële markten, met name door haar leidende rol bij de uitgifte van groene obligaties;

H. overwegende dat de EIB naar verwachting een sleutelrol zal spelen bij de financiering van de Europese Green Deal via het investeringsplan voor een duurzaam Europa;

I. overwegende dat overheidsbeleidsdoelstellingen zoals sociale cohesie, duurzame ontwikkeling en milieudoelstellingen centrale aandachtspunten en streefdoelen van de EIB moeten zijn; 

J. overwegende dat de EIB Europese waarden, en vooral de mensenrechten, moet integreren in haar investeringsstrategieën; 

K. overwegende dat de EIB plannen overweegt om de “ontwikkelingsbank van de EU” te worden en dat de Raad de EIB en de EBWO reeds heeft verzocht deze plannen voor te leggen met het oog op toekomstige besprekingen;

L.  overwegende dat de financiering door de EIB van verrichtingen buiten de EU in de eerste plaats de doelstellingen van het extern beleid van de EU ondersteunt, terwijl tegelijkertijd de zichtbaarheid van de EU wordt vergroot, de waarden van de EU worden uitgedragen en aan de instandhouding van de stabiliteit van derde landen wordt bijgedragen;

M. overwegende dat in de due-diligence- en contractvoorwaarden van de EIB waarborgen moeten worden opgenomen tegen fraude, waaronder belastingfraude en het witwassen van geld, en tegen het risico van terrorismefinanciering en corruptie;

N. overwegende dat er voortdurend aandacht moet zijn voor de ontwikkeling van best practices met betrekking tot het prestatiebeleid en ‑beheer van de EIB, alsook voor goed bestuur en transparantie;

Voornaamste resultaten van de financieringsactiviteiten van de EIB in 2018

1. neemt er nota van dat de EIB-groep in 2018 ruim 64,19 miljard EUR aan financiering heeft verstrekt en dat er 854 projecten zijn ondertekend;

2. stelt vast dat de grootste investeringsvolumes van de EIB de volgende zijn:

 13,5 miljard EUR aan leningen voor innovatieprojecten in 2018;

 32 % van de EIB-financiering was bestemd voor cohesie- en omschakelingsregio’s, waarmee het streefcijfer van 30 % is overschreden;

 de financieringsregelingen voor kmo’s en midcaps vormden met meer dan 23,3 miljard EUR het belangrijkste prioritaire gebied;

 er is 15,2 miljard EUR geïnvesteerd in milieu;

 er is 12,3 miljard EUR geïnvesteerd in infrastructuur;

 de leningen op het gebied van klimaatverandering bedroegen in 2018 bijna 30 % van de EIB-portefeuille, d.w.z. 28 % van het totale aantal handtekeningen, waarmee het streefcijfer van 25 % ter ondersteuning van de klimaatovereenkomst van Parijs is overschreden;

 er is ruim dan 8 miljard EUR geïnvesteerd buiten Europa, d.w.z. 12,5 % van de totale EIB-financiering;

3. neemt nota van de twee overkoepelende beleidsdoelstellingen van de EIB met betrekking tot de sociale en economische cohesie van de EU en klimaatactie, plus de vier primaire overheidsbeleidsdoelstellingen, namelijk innovatie, financiering van kmo’s en midcaps, infrastructuur en milieu; benadrukt dat deze primaire overheidsbeleidsdoelstellingen volledig in overeenstemming moeten worden gebracht met de recente actualisering van de beleidsprioriteiten van de EU om rekening te houden met nieuwe economische trends en de overgang naar een duurzaam economisch model dat de grenzen van de planeet, sociale rechtvaardigheid en het idee van gedeelde welvaart eerbiedigt;

4. neemt nota van de geografische verdeling van de ondertekende financieringsovereenkomsten in 2018; verzoekt de EIB ook verslag uit te brengen over de ondertekende financieringscontracten per land, per hoofd van de bevolking en in verhouding tot het aandeel van het land in de EIB; vraagt om een evenwichtige geografische verdeling van de investeringen om rekening te houden met het ontwikkelingsniveau en cohesie-aspecten van de landen en regio’s; neemt nota van de geografische verdeling van de ondertekende financieringsovereenkomsten in 2018 als percentage van het bbp, waarbij de vijf belangrijkste begunstigde lidstaten Griekenland met 1,01 % (1,87 miljard EUR), Cyprus met 1,01 % (0,21 miljard EUR), Portugal met 0,98 % (1,98 miljard EUR), Kroatië met 0,98 % (0,51 miljard EUR) en Polen met 0,97 % (4,79 miljard EUR) zijn; stelt vast dat de vijf grootste begunstigde lidstaten in absolute cijfers 52,9 % van de ondertekende financiële investeringen hebben ontvangen;

5. neemt er nota van dat de Raad ermee heeft ingestemd om de kapitaalbasis van de bank te handhaven door de bijdrage van het Verenigd Koninkrijk aan het volgestorte kapitaal van de EIB te vervangen door de reserves en het opvraagbare kapitaal van de bank door evenredige verhogingen van de voorwaardelijke verplichtingen; neemt er nota van dat de Raad heeft ingestemd met een asymmetrische kapitaalverhoging waardoor het aandeel van Polen en Roemenië in het kapitaal groter is geworden; vraagt de aandeelhouders van de EIB om verdere verhogingen van de kapitalisatie van de EIB om meer te kunnen investeren en meer risico’s te kunnen nemen ter financiering van de nodige projecten om de duurzame en digitale transformatie van de economie te ondersteunen en bij te dragen aan sociale en territoriale cohesie, banencreatie, innovatie en concurrentievermogen in de EU, met behoud van de triple A‑rating van de EIB;

6. stelt vast dat het percentage leningen die een waardevermindering hebben ondergaan, eind 2018 0,3 % van de totale kredietportefeuille bedroeg (eind 2017 0,3 %), hoewel de EIB onlangs leningen met een hoger risico heeft verstrekt;

Voornaamste prioriteiten van het investeringsbeleid van de EIB en duurzaamheid van haar bedrijfsmodel

7. merkt op dat de EIB tot taak heeft te investeren in levensvatbare projecten die de in artikel 309 VWEU vastgestelde beleidsdoelstellingen van de EU verwezenlijken, met inbegrip van projecten voor de ontwikkeling van minder ontwikkelde regio’s; benadrukt dat de prioriteit bij de leningsactiviteiten van de EIB moet liggen bij duurzame projecten met duidelijke te behalen resultaten, toegevoegde waarde en bredere positieve effecten;

8. verzoekt de EIB bij grootschalige infrastructuurprojecten rekening te houden met alle risico’s voor het milieu en alleen projecten te financieren waarvan is aangetoond dat ze meerwaarde hebben, zowel voor de plaatselijke bevolking als uit milieu-, sociaal en economisch oogpunt; benadrukt dat het belangrijk is om mogelijke risico’s van corruptie en fraude zorgvuldig te monitoren en nauwgezette ex-ante- en ex‑postbeoordelingen van de te financieren projecten uit te voeren;

9. benadrukt dat er een politiek momentum is om een steeds groter deel van de EIB‑financiering uit te trekken voor klimaat- en milieuduurzaamheid – de zogenoemde “Europese klimaatbank”; vraagt het maatschappelijk middenveld, de Commissie, het Parlement en de aandeelhouders van de bank deze kans aan te grijpen en de verrichtingen van de EIB in 2020 in overeenstemming te brengen met de Overeenkomst van Parijs; benadrukt dat de EIB in het kader van de nieuwe ontwikkelingen de regionale ontwikkeling en de doelstellingen van de EU inzake economische en sociale cohesie moet blijven ondersteunen overeenkomstig Protocol nr. 28 bij het VWEU;

10. verzoekt de EIB zich te concentreren op kleinere, gedecentraliseerde projecten, die vaak in handen van de gemeenschap zijn, en de steun aan door burgers geleide initiatieven verder te ontwikkelen door de technische bijstand en de financiële deskundigheid vóór de goedkeuring van de projecten te versterken, teneinde de toegankelijkheid van de EIB-financiering en de kwaliteit en de duurzaamheid van haar verrichtingen te verbeteren; vraagt in dit verband dat er in het volgende meerjarig financieel kader in passende financiering voor adviesdiensten wordt voorzien;

11. verzoekt de EIB rekening te houden met lokale belanghebbenden, met inbegrip van het maatschappelijk middenveld, wat betreft het effect van investeringen op het lokale milieu;

12. is verheugd dat het milieu- en sociaal kader van de EIB later dit jaar wordt herzien; verzoekt de EIB ervoor te zorgen dat het beginsel “geen schade berokkenen” bij al haar verrichtingen wordt toegepast; verzoekt de EIB toe te zeggen te zullen stoppen met het financieren van alle projecten die niet in overeenstemming zijn met de Overeenkomst van Parijs en de klimaatdoelstellingen van de EU;

13. is dan ook voorstander van de openbaarmaking van duidelijke informatie over de wijze waarop de strategie van de EIB wordt uitgevoerd en over de duurzaamheids- en klimaateffecten van haar producten en portefeuilles;

14.  is ingenomen met het feit dat de EIB bij het uiteenzetten van de beweegredenen voor haar investeringen verslag uitbrengt over de economische, sociale en milieueffecten op middellange en lange termijn; is verheugd dat deze verslaglegging zowel de planningsfase (ex ante) als de uitvoeringsfase omvat; is van mening dat de EIB ook verslag moet uitbrengen over de resultaten die met haar investeringen zijn behaald, met name die in de EU;

15. is van mening dat er inspanningen moeten worden geleverd ter bevordering van een klimaatneutrale economie op nationaal niveau en dat de EIB daarbij een leidende rol moet spelen; verzoekt de EIB ondersteuning te verlenen aan nationale investerings- en export-importbanken bij het hanteren van milieubeginselen en -maatregelen die overeenkomen met die van de EIB, en toe te zeggen uitsluitend projecten te financieren die in overeenstemming zijn met de Overeenkomst van Parijs en de klimaatdoelstellingen van de EU;

De rol van de EIB bij de financiering van de Europese Green Deal

16. is van mening dat de EIB een belangrijke rol speelt bij de aanpak van klimaatuitdagingen zoals de opwarming van de aarde en het koolstofvrij maken van de economie van de EU; merkt op dat de EIB de in het kader van de Green Deal vastgestelde doelstellingen moet nastreven;

17. stelt vast dat de totale klimaatinvesteringen in 2018 16,2 miljard EUR bedroegen, met als belangrijkste investeringsvolumes koolstofarme energie (6 miljard EUR), hernieuwbare energie (4,1 miljard EUR) en energie-efficiëntie (2,7 miljard EUR); neemt er nota van dat in 2018 29 % van de door de EIB verstrekte leningen klimaatgerelateerd waren;

18. is verheugd dat in 2018 4 miljard EUR aan klimaatobligaties en 500 miljoen EUR aan duurzaamheidsobligaties zijn uitgegeven; benadrukt de noodzaak van een EU-norm voor groene obligaties met het oog op transparantie en het traceren van de opbrengsten;

19. herinnert aan de toezeggingen die de president van de EIB tijdens de VN-klimaattop in september 2019 heeft gedaan, namelijk om:

- alle financieringsactiviteiten van de EIB uiterlijk eind 2020 af te stemmen op de doelstellingen van de Overeenkomst van Parijs;

-  uiterlijk in 2025 ten minste 50 % van de EIB-financiering voor klimaat- en milieuduurzaamheid te bestemmen;

-  tot 2030 1 biljoen EUR aan klimaat- en milieu-investeringen aan te trekken;

20. benadrukt dat de ambitie van de EIB om een belangrijke financiële pijler van de Green Deal te zijn, betekent dat de bank meer inspanningen moet leveren om een “klimaatbank” te worden; vraagt de EIB een routekaart op te stellen met specifieke, meetbare, haalbare, realistische en tijdsgebonden doelstellingen in het kader van de tenuitvoerlegging van de Overeenkomst van Parijs; vraagt dat die doelstellingen rekening houden met het mogelijke risico op toenemende verschillen tussen de regio’s en lidstaten van de EU; onderstreept het belang van de activiteiten van de EIB ter ondersteuning van economische en sociale cohesie; onderstreept dat in het kader van de activiteiten van de EIB de ondersteuning van economische en sociale cohesie moet worden afgestemd op de klimaatdoelstellingen;

21. vraagt dat ambitieuze toezeggingen worden vastgelegd in concreet beleid; de EIB moet haar toezeggingen tot een essentieel onderdeel maken van haar activiteitenplan en haar klimaatstrategie, alsook van haar sectorale kredietverleningsstrategieën en waarborgenbeleid;

22. benadrukt dat het van het grootste belang is dat alle investeringen en sectorale portefeuilles van de EIB worden afgestemd op de Overeenkomst van Parijs;

23. stelt vast dat de EIB in 2018 financiering heeft goedgekeurd voor grote gasinfrastructuurprojecten, waaronder gaspijpleidingen van Turkmenistan en Azerbeidzjan naar de EU (trans-Anatolische aardgaspijpleiding) en van Griekenland naar Italië via Albanië en de Adriatische Zee (trans-Adriatische pijpleiding); merkt op dat deze investeringen deel uitmaakten van de vierde lijst van projecten van gemeenschappelijk belang die worden medegefinancierd uit de EU-begroting; vraagt de EIB uit te leggen hoe deze projecten uiterlijk eind 2020 zullen worden afgestemd op de doelstellingen van de Overeenkomst van Parijs;

24. beschouwt het nieuwe beleid van de EIB inzake kredietverstrekking voor energie als een grote verbetering, met name het besluit om uiterlijk eind 2021 geen leningen meer te verstrekken voor fossiele-energieprojecten en het voorbeeld dat dit stelt voor andere banken; benadrukt dat ervoor moet worden gezorgd dat het gebruik van energiebronnen zoals aardgas en de verdere financiering daarvan in overeenstemming zijn met het bewerkstelligen van klimaatneutraliteit in uiterlijk 2050; merkt op dat het beleid inzake kredietverstrekking voor energie begin 2022 zal worden herzien en vraagt dat dit beleid bij die herziening volledig in overeenstemming wordt gebracht met de Europese taxonomie voor duurzame financiering;

25. is verheugd dat de EIB in de toekomst zal focussen op een rechtvaardige transitie, en verwacht dat de EIB zal bijdragen aan het mechanisme voor een rechtvaardige transitie, met name in het kader van haar toekomstige leningfaciliteit voor de overheidssector en haar verrichtingen in het kader van InvestEU;

26. stelt vast dat het aandeel financiering voor wegen, snelwegen en luchtvervoer in 2018 hoger was dan het gemiddelde over 2014-2018, terwijl de financiering voor spoorwegen in 2018 lager was dan het gemiddelde over 2014-2018; merkt op dat de totale financiering voor luchtvervoer in 2018 725 miljoen EUR bedroeg; ziet uit naar de herziening door de EIB van haar beleid inzake kredietverstrekking voor vervoer; vraagt om een nieuw financieringsbeleid voor vervoer dat beoogt de vervoerssector in de EU uiterlijk in 2050 koolstofvrij te maken;

27. vraagt de Commissie het kader voor duurzame investeringen aan te vullen met criteria voor economische activiteiten met een aanzienlijk negatief effect op het milieu, die door de EIB zouden kunnen worden toegepast; erkent de inspanningen van de EIB om bij te dragen aan de duurzameontwikkelingsdoelstellingen;

28. wijst op het belang van nieuwe beleidskeuzes met betrekking tot koolstofintensieve industriesectoren waarin de EIB actief is, zoals de cementindustrie, de petrochemie en de staalsector, met het oog op meer aandacht voor de duurzaamheid van deze sectoren en een zorgvuldige afweging van de gevolgen die het stopzetten van lopende contracten met zich meebrengt, waarbij de nadruk wordt gelegd op het bevorderen van de circulaire economie;

29. merkt op dat het klimaatprobleem niet kan worden opgelost zonder steun van de industrie, dat grootscheepse veranderingen alleen kunnen worden gerealiseerd als de industrie mee aan boord wordt genomen en als de nodige stimulansen voor innovatieve klimaatoplossingen worden gegeven;

30. is verheugd over de nieuwe methode van de EIB voor het beoordelen van de koolstofvoetafdruk, en vraagt dat deze stelselmatig wordt toegepast, met bijzondere aandacht voor indirecte emissies (zogenoemde “type 3”-emissies); vraagt dat de projecten aan een volledige beoordeling worden onderworpen en niet louter aan een economische analyse van de levenscyclus van hun emissies;

31. vraagt de EIB mogelijke opties te onderzoeken om intermediaire cliënten strengere eisen op te leggen om hun blootstelling aan fossiele brandstoffen bekend te maken, en benadrukt dat dergelijke nieuwe eisen niet ten koste mogen gaan van de toegang tot financiering voor kmo’s;

32. is verheugd dat de EIB het uitsluitingsbeleid heeft ingevoerd en vraagt dat dit instrument streng wordt gehanteerd om cliënten die bij corruptie- of fraudepraktijken betrokken zijn, van EIB-financiering uit te sluiten;

33.  is van mening dat EIB-financiering afhankelijk moet zijn van ambitieuze wetenschappelijke doelstellingen en toezeggingen, teneinde geleidelijk te stoppen met het toekennen van steun aan cliënten wier activiteiten een grote uitstoot van broeikasgassen met zich meebrengen, overeenkomstig de good practices van de commerciële banksector[9];

34. is ingenomen met de in 2018 vastgestelde richtsnoeren inzake waterkracht[10] en vraagt dat de transparantievereisten worden uitgebreid tot alle infrastructuurprojecten;

 35. herinnert de EIB eraan dat bescherming van de biodiversiteit een belangrijk element is van de aanpassing aan de klimaatverandering en dat het herstel van ecosystemen de enige beproefde technologie is wat negatieve emissies betreft; merkt op dat alle EIB-projecten een risicobeoordeling inzake biodiversiteit ondergaan en moeten voldoen aan de biodiversiteitsnormen van de bank, en verzoekt de EIB meer financiering ter beschikking te stellen voor het verwezenlijken van de EU-doelstellingen op dit gebied, met name doelstellingen als nul netto-ontbossing en bescherming van zeeën en kustgebieden;

36. neemt er nota van dat het Europees Investeringsfonds (EIF) volledig is geïntegreerd in alle klimaatgerelateerde maatregelen van de EIB;

Verrichtingen van de EIB buiten de EU

37. herhaalt dat de uitbanning van armoede, de mobilisatie van binnenlandse middelen en de mensenrechten kernthema’s zijn binnen de architectuur van de ontwikkelingsfinanciering van de EU, met een grotere zichtbaarheid van de gefinancierde acties; is van mening dat de EU zich de komende jaren met name moet focussen op de verwezenlijking van de SDG’s;

38. merkt met waardering op dat de EIB zich snel aan internationale uitdagingen kan aanpassen; verzoekt de EIB steun te blijven verlenen aan het externe beleid van de EU en noodrespons zoals het initiatief voor economische veerkracht, als onderdeel van de Europese reactie op de wereldwijde migratie- en vluchtelingenuitdaging;

39. moedigt de EIB, de EBWO, de multilaterale ontwikkelingsbanken en de internationale financiële instellingen aan om verder werk te maken van de best mogelijke operationele samenwerking bij de uitvoering van projecten, aangezien deze nauwere grensoverschrijdende samenwerking onontbeerlijk is om de kosten te optimaliseren en de synergieën te versterken met een efficiënter gebruik van de middelen;  

40. merkt op dat de tussentijdse evaluatie van het mandaat voor externe leningen in 2018 leidt tot een verhoging van de garantie met 5,3 miljard EUR;

41. herinnert eraan dat de EIB-verrichtingen moeten worden afgestemd op de doelstellingen van het externe beleid van de EU;

42. stelt vast dat de mensenrechtenbeginselen volledig deel uitmaken van de belangrijkste due-diligenceprocedures en ‑normen van de bank, met inbegrip van ex-ante-evaluaties; wijst erop dat de EIB rechtstreeks gebonden is aan het Handvest van de grondrechten van de EU en dat in haar contracten met klanten clausules zijn opgenomen die het mogelijk maken contracten op te schorten in het geval van ernstige schendingen van de mensenrechten; is verheugd over de herziening van de verklaring van de EIB van 2009 over milieu- en sociale normen en beginselen;

43. verzoekt de EIB rekening te houden met de plaatselijke context wanneer zij investeert in derde landen; herinnert eraan dat investeringen in derde landen ook tot doel moeten hebben om door de private sector geleide duurzame economische groei op lange termijn tot stand te brengen, de bestrijding van de klimaatverandering te ondersteunen en armoede te verminderen door banencreatie en een betere toegang tot productieve hulpmiddelen;

44. merkt op dat de EIB mensenrechtenspecialisten in dienst heeft, maar dat een uitbreiding van het lokale personeel van de EIB in de partnerlanden bevorderlijk zou zijn voor een beter begrip van de lokale context; vraagt de EIB ervoor te zorgen dat bij haar besluitvorming rekening wordt gehouden met mensenrechtenoverwegingen;

45. stelt vast dat op projectniveau een rol is weggelegd voor de Commissie en de EDEO, aangezien zij over EIB-projecten die worden beoordeeld, worden geraadpleegd voordat deze projecten ter goedkeuring aan de directeuren van de EIB worden voorgelegd;

46. verzoekt de EIB aan de slag te gaan met de bevindingen van de evaluatie van haar externe kredietmandaat door de Commissie, waarin staat dat “het voor de diensten van de Commissie moeilijk is om op een andere manier inzicht te krijgen in de prestaties van de EIB dan via externe belanghebbenden, aangezien de verslaglegging over de feitelijke resultaten pas na de voltooiing van het project plaatsvindt en de EIB niet verplicht is om problemen met de uitvoering te melden”; vindt de conclusie van de Commissie dat “de feitelijke resultaten en effecten van het EU-optreden nog grotendeels onbekend zijn”, zeer problematisch;

47. herhaalt dat het graag zou worden betrokken bij en zou bijdragen aan de besprekingen tussen de Raad en de EIB over de mogelijke oprichting van het nieuwe filiaal, de EU ontwikkelingsbank; verzoekt de EIB bij haar plannen voor de oprichting van een filiaal voor haar ontwikkelingsactiviteiten prioriteit te geven aan het uitbannen van armoede, het mobiliseren van binnenlandse middelen en de mensenrechten;

Werking en doeltreffendheid van het EFSI

48. neemt er nota van dat de voornaamste kwantitatieve doelstelling van het Europees Fonds voor strategische investeringen (EFSI) erin bestaat 500 miljard EUR aan extra private en publieke investeringen te mobiliseren; merkt op dat er in toekomstige investeringsstrategieën meetbare doelstellingen inzake duurzaamheid en sociale impact moeten worden opgenomen;

49. merkt op dat de EIB 358 medewerkers voor de tenuitvoerlegging van het EFSI en 75 medewerkers voor de Europese investeringsadvieshub heeft aangeworven;

50. herinnert eraan dat het EFSI een andere bestuursstructuur heeft dan de EIB en dat zijn investeringsverrichtingen plaatsvinden binnen twee thematische gebieden, namelijk het door de EIB beheerde venster infrastructuur en innovatie en het door het EIF beheerde kmo-venster;

51. herhaalt dat de onderliggende grondgedachte van het EFSI, dat in tegenstelling tot andere bestaande financieringsinstrumenten van de EIB door de EU-begroting wordt ondersteund, erin bestaat voor additionaliteit te zorgen door aanvullende en innovatieve toekomstgerichte sectoren en projecten met een hoger risico te identificeren;

52. benadrukt het belang van de additionaliteitscriteria, die inhouden dat verrichtingen moeten worden ondersteund die alleen voor EFSI-steun in aanmerking komen als ze duidelijk aantoonbaar marktfalen of suboptimale investeringssituaties aanpakken, en die niet of niet in dezelfde mate of binnen hetzelfde tijdsbestek hadden kunnen worden uitgevoerd zonder het EFSI;

53. neemt met bezorgdheid nota van de opmerking van de Rekenkamer dat in de gerapporteerde ramingen van de gemobiliseerde investeringen geen rekening is gehouden met het feit dat sommige EFSI-verrichtingen andere EIB-verrichtingen en financieringsinstrumenten van de EU vervingen en het feit dat een deel van de EFSI-ondersteuning is besteed aan projecten die tegen andere voorwaarden hadden kunnen worden gefinancierd uit andere bronnen;

54. vraagt nogmaals om een objectief overzicht van de additionaliteit, de economische, sociale en ecologische impact en de werkelijke toegevoegde waarde van de EFSI-projecten, alsook van de samenhang ervan met het beleid van de Unie of andere verrichtingen van de EIB, zodat de projecten meer beleidsgestuurd dan vraaggestuurd worden, conform de opmerkingen in het speciaal verslag van de Rekenkamer[11] van januari 2019;

55. stelt vast dat de EFSI-verrichtingen in aanmerking kwamen om naast private investeringen ook Europese en nationale overheidsmiddelen te ontvangen; wijst erop hoe belangrijk het is te vermijden dat financiële middelen weinig efficiënt worden ingezet en dat dergelijke kosten mogelijk nutteloos zijn; onderstreept dat additionaliteit moet worden gegarandeerd;

56. is van mening dat overlappingen in de uitgaven van verschillende investeerders en nutteloze kosten moeten worden vermeden, aangezien de financiering van investeringen via verschillende kanalen tot onzekerheid en verwarring kan leiden wanneer er aanspraak wordt gemaakt op de resultaten;

57. vraagt om meer synergie tussen het EFSI, nationale stimuleringsbanken en investeringsplatformen teneinde de algemene doeltreffendheid van het EFSI te verbeteren;

58. acht het van het grootste belang dat bij de initiële planning en uitvoering van het InvestEU-programma en bij de verslaglegging over de resultaten van dat programma terdege rekening wordt gehouden met de lering die uit EFSI 1.0 en EFSI 2.0 is getrokken, in het bijzonder voor wat betreft additionaliteit, duurzaamheid en transparantie;

Governance, transparantie en verantwoordingsplicht van de EIB

59. wijst nogmaals op het belang van ethiek, integriteit, transparantie en verantwoordingsplicht van de EIB en het EIF bij al hun verrichtingen;

60. merkt op dat de Commissie adviezen uitbrengt over alle financieringsverrichtingen in het kader van de procedure overeenkomstig artikel 19 van de statuten van de EIB; vraagt de Commissie deze adviezen beschikbaar te maken zodra ze zijn uitgebracht;

Optimalisering van het kader voor corporate governance en controles van de EIB

61. beveelt aan om de benadering van de bank en de bijbehorende kwaliteitscontroles binnen de entiteiten van de bank aan te passen om compliancerisico’s adequaat aan te pakken, en de volledige toepassing van het beginsel van resultaatgebaseerde begroting binnen de hele EIB en de volledige EIB-groep te ondersteunen;

62. pleit voor een evaluatie van en een rapport over de risico’s en controlesystemen in verband met gecombineerde financiering met de Europese Commissie, waarin de impact van gecombineerde activiteiten niet alleen wordt belicht vanuit de invalshoek van het toezicht, maar ook vanuit de governance-opties;

63. stelt vast dat het bedrijfsmodel van de bank zich in 2018 verder heeft ontwikkeld en gediversifieerder is geworden ten gevolge van de toename aan activiteiten in het kader van het EFSI, die complexer van aard zijn, en ten gevolge van kleinere verrichtingen met een hoger risicoprofiel;

64. wijst erop dat de Raad van Bewind in juli 2018 verschillende organisatorische en bestuurlijke wijzigingen heeft voorgesteld en in december 2018 een routekaart voor de uitvoering hiervan heeft goedgekeurd, met onder meer het voorstel om:

i)  de statuten van de EIB zodanig te wijzigen dat het aantal plaatsvervangende leden in de Raad van Bewind wordt opgetrokken en er met betrekking tot bepaalde bestuursaangelegenheden besluiten kunnen worden genomen met gekwalificeerde meerderheid van stemmen;

 ii) de interne controle en het risicobeheer van de EIB te verbeteren, met name via de oprichting van een functie inzake het risico van de gehele EIB-groep, uitgeoefend door een directeur risicobeheer voor de EIB-groep;

 

65. is met betrekking tot de herziening van de verantwoordelijkheden van de bestuursorganen van de EIB van mening dat de leden van het directiecomité mogelijke belangenconflicten onder alle omstandigheden dienen te vermijden;

66. betreurt het aanhoudende gebrek aan diversiteit en genderevenwicht op het niveau van het hogere management en binnen de bestuursorganen van de EIB-groep; verzoekt de EIB dit prioritair aan te pakken;

67. verzoekt de EIB volledig uitvoering te geven aan de aanbevelingen van het Jaarverslag 2018[12] van het Comité ter controle van de boekhouding van de EIB, die onder meer inhouden dat:

- de gedragscode van het directiecomité en de Raad van Bewind moet worden herzien;

- de bank moet zorgen voor voldoende gekwalificeerd personeel voor controles en alle eventuele problemen bij het invullen van vacatures in controlefuncties zo snel mogelijk moet aanpakken;

- het directiecomité een routekaart moet ontwikkelen voor de uitvoering van de aanbevelingen, met onder meer mijlpalen, middelen en een tijdschema, aangezien de aanbevelingen van het Comité ter controle van de boekhouding in het verleden te traag werden uitgevoerd;

Naar een transparantere en verantwoordelijker instelling met sterkere mechanismen voor de bestrijding van fraude en corruptie

 

68. merkt op dat de EIB in de loop der jaren interne mechanismen en bestuursstructuren heeft opgezet om het risico van fraude en corruptie te verminderen; wijst erop dat de Bank zich ook publiekelijk heeft verbonden tot een “beleid van nultolerantie ten aanzien van fraude en corruptie”;

69. verzoekt de EIB op haar website informatie over de uiteindelijk begunstigden van haar cliënten te publiceren om de zichtbaarheid van haar verrichtingen te vergroten en bij te dragen tot het voorkomen van gevallen van corruptie en belangenverstrengeling;

70. verzoekt de EIB de bekendmaking van fiscale en boekhoudkundige gegevens per land en de publicatie van informatie over de uiteindelijk begunstigden en de financiële tussenpersonen die bij de financieringsverrichtingen zijn betrokken, als voorwaarden te stellen voor de verstrekking van directe en indirecte leningen;

71. neemt kennis van het verslag van Counter Balance, waarin wordt geconcludeerd dat de EIB er nog altijd niet in slaagt fraude en corruptie aan te pakken, deels door tekortkomingen in haar interne mechanismen, deels vanwege het ontoereikende governancekader waarbinnen haar activiteiten plaatsvinden, en dat het externe toezicht op haar activiteiten, onder meer door OLAF, niet adequaat is, en neemt eveneens kennis van de reacties van de EIB en OLAF op dit verslag; vraagt de EIB voor de nodige verbeteringen te zorgen om de resterende zwakke punten aan te pakken; verzoekt de Commissie een voorstel in te dienen om ervoor te zorgen dat de EIB zorgvuldigheidseisen in acht neemt die ten minste voldoen aan de bepalingen van de antiwitwasrichtlijn van de EU;

72. verzoekt de EIB de samenwerking met OLAF en het Europees Openbaar Ministerie (EOM) zo goed mogelijk te laten verlopen, en verzoekt het EOM zaken die verband houden met de EIB proactief te onderzoeken en daders van strafbare feiten die de financiële belangen van de EU schaden, te vervolgen;

73. herhaalt zijn oproep aan de EIB om meer verantwoording af te leggen tegenover andere EU-instellingen, en pleit voor meer toezicht van het Parlement op de EIB en voor de toekenning aan de Europese Rekenkamer van een onbegrensd recht om de verrichtingen van de EIB te controleren;

74. herinnert eraan dat de deelname van het publiek aan de beleidsvorming van de EIB een manier is om de verantwoordingsplicht van de EIB te vergroten, met name door lokale gemeenschappen en burgers die gevolgen ondervinden van de verrichtingen van de EIB, bij deze activiteiten te betrekken;

75. herinnert eraan dat transparantie bij de uitvoering van het EIB-beleid niet alleen leidt tot een versterking van de algehele maatschappelijke verantwoordingsplicht en verantwoordelijkheid van de EIB, met een duidelijk overzicht van de aard van de financiële tussenpersonen en eindbegunstigden, maar ook bijdraagt aan de doeltreffendheid en duurzaamheid van de gefinancierde projecten; vraagt de EIB om bij de in 2020 geplande herziening van haar transparantiebeleid rekening te houden met deze aspecten;

76. is dan ook voorstander van de openbaarmaking van duidelijke informatie over de wijze waarop de strategie van de EIB wordt uitgevoerd en over de duurzaamheids- en klimaateffecten van haar producten en portefeuilles;

77. verwacht dat het EIB-beleid inzake de bescherming van klokkenluiders ambitieus is en strenge normen omvat; dringt er bij de EIB op aan om bij deze herziening rekening te houden met zowel interne als externe klokkenluiders, en duidelijke en welomschreven procedures, termijnen en richtsnoeren vast te stellen om klokkenluiders zo goed mogelijk te adviseren en hen te beschermen tegen eventuele represailles;

78. betreurt dat de klachtenregeling van de EIB eind 2018 onvoldoende is versterkt en is van mening dat de toegang tot een doeltreffend en onafhankelijk klachtenmechanisme en tot mogelijkheden voor verhaal verder moet worden ontwikkeld; merkt op dat de EIB een nieuwe klachtenregeling ten aanzien van de aanbesteding van projecten in het leven heeft geroepen teneinde te voorzien in een meer doeltreffende en onafhankelijke afhandeling van de betreffende klachten in 2019;

79. is verheugd dat de EIB zich inspant om nieuwe documentatie over klimaatactie, scoreborden uit EFSI-projecten en verslagen over de voltooiing van afgeronde projecten buiten de EU te publiceren; is van mening dat de EIB ook zoveel mogelijk de notulen van de vergaderingen van de Raad van Gouverneurs openbaar moet maken, evenals de notulen en agenda’s van de vergaderingen van het directiecomité, de rapporten in het kader van de driepijlerbeoordeling (3PA) en het Results Measurement (ReM) en de monitoringverslagen van projecten; begrijpt evenwel dat er bepaalde grenzen zijn aan de transparantie met betrekking tot documenten, aangezien het zaak is vertrouwelijke informatie van de cliënten en projectpartners van de EIB te beschermen;

80. neemt er nota van dat het nieuwe uitsluitingsbeleid van de EIB in 2018 van kracht is geworden, met onder meer procedures voor de uitsluiting van entiteiten en personen met een negatieve staat van dienst betreffende gedragingen en activiteiten, waarmee de bestaande bepalingen en verboden van het antifraudebeleid van de EIB in de praktijk worden gebracht;

81. wacht op de resultaten van de in 2018 aangevatte herziening van het antifraudebeleid van de EIB en het EIF, en is voorstander van een striktere toepassing van het nultolerantiebeleid ten aanzien van fraude, corruptie en andere vormen van verboden gedrag; verzoekt de EIB haar samenwerking met OLAF en het EOM te intensiveren en alle gevallen van mogelijke fraude te melden aan de bevoegde autoriteiten; is van mening dat het EOM in de toekomst het mandaat moet krijgen om criminele activiteiten met betrekking tot EIB-middelen te vervolgen in de EU-lidstaten die bij het EOM zijn aangesloten;

82. stelt vast dat de EIB voor iedere verrichting gegevens over haar cliënten op haar website publiceert; vraagt de EIB ook de nodige informatie over eindbegunstigden openbaar te maken; is ingenomen met het huidige beleid van de EIB ter bescherming van klokkenluiders;

83. neemt kennis van de toename van het aantal aantijgingen in 2018 (184 nieuwe beschuldigingen tegenover 149 in 2017), waarvan 68 % afkomstig is van interne bronnen en 31 % van externe bronnen; merkt op dat het voornamelijk gaat om fraude, corruptie, misbruik van de naam van de EIB/het EIF en collusie; merkt op dat 69 % van alle gevallen die de EIB-groep betreffen, naar OLAF is doorverwezen;

84. neemt kennis van de overeenkomst tussen de EIB en Volkswagen op grond waarvan Volkswagen gedurende 18 maanden niet aan EIB-projecten mag deelnemen en Volkswagen zich ertoe verbindt bij te dragen tot initiatieven inzake duurzaamheid en milieubescherming;

85. steunt de EIB bij het voeren van een verantwoordelijk belastingbeleid middels het opnemen van integriteitsclausules in de contracten van de EIB-groep, het hanteren van grote zorgvuldigheid met betrekking tot rechtsgebieden die zich niet aan de regels houden, en het duidelijk identificeren van contractpartners en hun geografische locatie; is verheugd over de invoering in maart 2019 van een beleid ten aanzien van rechtsgebieden die zich niet aan de regels houden, en vraagt dat dit beleid snel ten uitvoer wordt gelegd en dat er regelmatig verslag wordt uitgebracht aan het Parlement over de uitvoering ervan;

86. is van mening dat het om witwassen en terrorismefinanciering beter te bestrijden, strikt noodzakelijk is dat de hoogste integriteitsnormen in acht worden genomen, namelijk de door de EU gepromote normen ter bestrijding van witwassen en terrorismefinanciering, de normen van de Financiële-actiegroep (FATF) en de door de OESO, de Groep van Twintig en de EU aanbevolen beginselen inzake goed fiscaal bestuur;

87. erkent dat de EIB op EU-niveau een voortrekkersrol speelt wat de publicatie van een duurzaamheidsverslag betreft; verzoekt de EIB haar duurzaamheidsverslag verder uit te breiden door verslag uit te brengen over de resultaten, en daarbij gebruik te maken van welomschreven, specifieke, gemakkelijk meetbare en vergelijkbare indicatoren;

88. is ingenomen met het eerste verslag van de externe controleur van de EIB over een beperkt aantal verklaringen, cijfers en indicatoren in het duurzaamheidsverslag 2018 van de EIB;

89. vraagt de Rekenkamer meer externe controle uit te oefenen op de EIB, en is van mening dat de huidige bepalingen van de in 2016 ondertekende tripartiete regeling voor de samenwerking tussen de EIB, de Europese Commissie en de Europese Rekenkamer grondig moeten worden herzien tijdens het overleg over de voor september 2020 geplande nieuwe regeling;

90. herhaalt evenwel zijn verzoek met betrekking tot het jaarverslag van de EIB en vraagt de EIB een vollediger, gedetailleerder en beter geharmoniseerd jaarlijks activiteitenverslag in te dienen en de presentatie van de informatie aanzienlijk te verbeteren door gedetailleerde en betrouwbare uitsplitsingen te verstrekken van de investeringen die voor een bepaald jaar zijn goedgekeurd, ondertekend en uitbetaald plus de gebruikte financieringsbronnen (eigen middelen, EFSI, centraal beheerde EU-programma’s enz.), alsook dergelijke informatie over de begunstigden (lidstaten, overheid, particuliere sector, tussenpersonen of directe ontvangers), de ondersteunde sectoren en de resultaten van de ex‑postevaluaties;

91. verzoekt de Commissie begrotingscontrole een jaarlijkse workshop/hoorzitting over de activiteiten en de controle van de verrichtingen van de EIB te organiseren om het Parlement aanvullende relevante informatie te verschaffen ter ondersteuning van zijn werkzaamheden met betrekking tot de controle van de EIB en haar verrichtingen;

Follow-up van de aanbevelingen van het Parlement

92. verzoekt de EIB verslag te blijven uitbrengen over de stand van zaken ten aanzien van eerdere aanbevelingen die het Parlement in zijn jaarlijkse resoluties heeft gedaan, met name inzake:

a) de economische, ecologische en sociale effecten van haar investeringsstrategie;

b) aanpassingen ter voorkoming van belangenconflicten, met name wanneer leden betrokken zijn bij de toekenning van leningen;

c) transparantie over het integriteitsonderzoek ten aanzien van klanten ter voorkoming van belastingontwijking, fraude en corruptie;

93. verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad en de Commissie en verzoekt de Raad en de Raad van Bewind van de EIB om een debat te houden over de standpunten van het Parlement in dit verslag.


INFORMATIE OVER DE GOEDKEURING IN DE BEVOEGDE COMMISSIE

Datum goedkeuring

28.5.2020

 

 

 

Uitslag eindstemming

+:

–:

0:

23

0

4

Bij de eindstemming aanwezige leden

Olivier Chastel, Caterina Chinnici, Lefteris Christoforou, Corina Crețu, Ryszard Czarnecki, Tamás Deutsch, Martina Dlabajová, José Manuel Fernandes, Luke Ming Flanagan, Isabel García Muñoz, Cristian Ghinea, Monika Hohlmeier, Jean-François Jalkh, Pierre Karleskind, Joachim Kuhs, Claudiu Manda, Younous Omarjee, Tsvetelina Penkova, Markus Pieper, Sabrina Pignedoli, Petri Sarvamaa, Angelika Winzig, Lara Wolters

Bij de eindstemming aanwezige vaste plaatsvervangers

Bas Eickhout, Jeroen Lenaers, Mikuláš Peksa, Viola Von Cramon-Taubadel

 


 

 

HOOFDELIJKE EINDSTEMMING IN DE BEVOEGDE COMMISSIE

23

+

EPP

Lefteris Christoforou,Tamás Deutsch, José Manuel Fernandes, Monika Hohlmeier; Petri Sarvamaa,,Angelika Winzig, Jeroen Lenaers

S&D

Caterina Chinnici, Corina Crețu, Isabel García Muñoz, Claudiu Manda, Tsvetelina Penkova, Lara Wolters

RENEW

Olivier Chastel, Martina Dlabajová, Cristian Ghinea, Pierre Karleskind

VERTS/ALE

Bas Eickhout, Mikuláš Peksa, Viola Von Cramon-Taubadel,

ECR

Ryszard Czarnecki

GUE/NGL

Luke Ming Flanagan, Younous Omarjee

 

 

 

0

-

 

 

 

4

0

EPP

Markus Pieper

ID

Jean-François Jalkh, Joachim Kuhs

NI

Sabrina Pignedoli

 

 

 

 

 

Verklaring van de gebruikte tekens:

+ : voor

- : tegen

0 : onthouding

 

 

[1] https://www.ombudsman.europa.eu/nl/decision/nl/95520

[2] Aangenomen teksten, P8_TA(2018)0198.

3 Aangenomen teksten, P8_TA(2019)0036.

[4] PB L 169 van 1.7.2015, blz. 1.

[5] https://www.eca.europa.eu/nl/Pages/DocItem.aspx?did=49051

[6] Evaluatie van Besluit nr. 466/2014/EU van het Europees Parlement en de Raad van 16 april 2014 tot verlening van een EU-garantie voor verliezen van de Europese Investeringsbank op financieringsoperaties van projecten buiten de Unie; https://ec.europa.eu/info/sites/info/files/economy-finance/elm_evaluation_swd_2019_333_f1_staff_working_paper_en_v3_p1_1048237.pdf

[7] https://www.consilium.europa.eu/media/40967/efad-report_final.pdf

[8] https://www.counter-balance.org/wp-content/uploads/2019/10/Report_OnlineVersion_EIB_Corruption_Oct2019.pdf

[9] Crédit Agricole heeft toegezegd geen steun meer te geven aan bedrijven die hun activiteiten in de steenkoolsector ontwikkelen of dat van plan zijn. Het nultolerantiebeleid van Crédit Agricole geldt voor alle bedrijven die hun activiteiten in de steenkoolsector ontwikkelen of dat van plan zijn, of het nu gaat om winning, energieopwekking, handel of vervoer.

[10] EIB, “Environmental, Climate and Social Guidelines on Hydropower Development”, oktober 2019.

[11] https://www.eca.europa.eu/nl/Pages/DocItem.aspx?did=49051

[12] https://www.eib.org/attachments/general/ac_annual_reports_2018_en.pdf

Laatst bijgewerkt op: 2 juli 2020Juridische mededeling - Privacybeleid