Procedure : 2019/2189(INI)
Stadium plenaire behandeling
Documentencyclus : A9-0130/2020

Ingediende teksten :

A9-0130/2020

Debatten :

Stemmingen :

Aangenomen teksten :

P9_TA(2020)0198

<Date>{02/07/2020}2.7.2020</Date>
<NoDocSe>A9-0130/2020</NoDocSe>
PDF 224kWORD 75k

<TitreType>VERSLAG</TitreType>

<Titre>over een alomvattende Europese benadering van energieopslag</Titre>

<DocRef>(2019/2189(INI))</DocRef>


<Commission>{ITRE}Commissie industrie, onderzoek en energie</Commission>

Rapporteur: <Depute>Claudia Gamon</Depute>

ONTWERPRESOLUTIE VAN HET EUROPEES PARLEMENT
 TOELICHTING
 BIJLAGE: LIJST VAN INSTANTIES WAARVAN OF PERSONEN VAN WIE DE RAPPORTEUR INFORMATIE HEEFT ONTVANGEN
 INFORMATIE OVER DE GOEDKEURING IN DE BEVOEGDE COMMISSIE
 HOOFDELIJKE EINDSTEMMING IN DE BEVOEGDE COMMISSIE

ONTWERPRESOLUTIE VAN HET EUROPEES PARLEMENT

over een alomvattende Europese benadering van energieopslag

(2019/2189(INI))

Het Europees Parlement,

 gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 194,

 gezien de Overeenkomst van Parijs,

 gezien duurzameontwikkelingsdoelstelling 7 van de VN “Verzeker toegang tot betaalbare, betrouwbare, duurzame en moderne energie voor iedereen”,

 gezien de mededeling van de Commissie van 11 december 2019 over de Europese Green Deal (COM(2019)0640),

 gezien de mededeling van de Commissie van 28 november 2018, getiteld “Een schone planeet voor iedereen – Een Europese strategische langetermijnvisie voor een bloeiende, moderne, concurrerende en klimaatneutrale economie” (COM(2018)0773),

 gezien de mededeling van de Commissie van 19 februari 2019, getiteld “Een Europese datastrategie” (COM(2020)0066),

 gezien het verslag van de Commissie van 9 april 2019 over de tenuitvoerlegging van het strategisch actieplan voor batterijen: de ontwikkeling van een strategische waardeketen voor batterijen in Europa (COM(2019)0176),

 gezien het verslag van de Commissie van 9 april 2019 betreffende de uitvoering en de effecten op het milieu en de werking van de interne markt van Richtlijn 2006/66/EG van het Europees Parlement en de Raad van 6 september 2006 inzake batterijen en accu’s, alsook afgedankte batterijen en accu’s en tot intrekking van Richtlijn 91/157/EEG (COM(2019)0166),

 gezien de conclusies van de Europese Raad van 12 december 2019,

 gezien de conclusies van de Raad van 25 juni 2019 over de toekomst van energiesystemen in de energie-unie om de energietransitie en de energie- en klimaatdoelen voor 2030 en daarna te verwezenlijken,

 gezien het initiatief Duurzame en slimme gasinfrastructuur voor Europa, dat op 1 en 2 april 2019 in Boekarest is opgezet door het Roemeense voorzitterschap van de Raad,

 gezien het waterstofinitiatief dat het Oostenrijkse voorzitterschap van de Raad op 17 en 18 september 2018 in Linz heeft gelanceerd,

 gezien Richtlijn (EU) 2019/944 van het Europees Parlement en de Raad van 5 juni 2019 betreffende gemeenschappelijke regels voor de interne markt voor elektriciteit en tot wijziging van Richtlijn 2012/27/EU[1],

 gezien Verordening (EU) 2019/943 van het Europees Parlement en de Raad van 5 juni 2019 betreffende de interne markt voor elektriciteit[2],

 gezien Richtlijn (EU) 2018/2001 van het Europees Parlement en de Raad van 11 december 2018 ter bevordering van het gebruik van energie uit hernieuwbare bronnen[3],

 gezien Verordening (EU) nr. 347/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 april 2013 betreffende richtsnoeren voor de trans-Europese energie-infrastructuur en tot intrekking van Beschikking nr. 1364/2006/EG en tot wijziging van de Verordeningen (EG) nr. 713/2009, (EG) nr. 714/2009 en (EG) nr. 715/2009[4],

 gezien Verordening (EU) nr. 1316/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 11 december 2013 tot vaststelling van de financieringsfaciliteit voor Europese verbindingen, tot wijziging van Verordening (EU) nr. 913/2010 en tot intrekking van Verordeningen (EG) nr. 680/2007 en (EG) nr. 67/2010[5], die momenteel wordt herzien,

 gezien Richtlijn 2003/96/EG van de Raad van 27 oktober 2003 tot herstructurering van de communautaire regeling voor de belasting van energieproducten en elektriciteit[6],

 gezien Richtlijn 2006/66/EG van het Europees Parlement en de Raad van 6 september 2006 inzake batterijen en accu’s, alsook afgedankte batterijen en accu’s en tot intrekking van Richtlijn 91/157/EEG[7],

 gezien Richtlijn 2000/60/EG van het Europees Parlement en de Raad van 23 oktober 2000 tot vaststelling van een kader voor communautaire maatregelen betreffende het waterbeleid[8],

 gezien Richtlijn 92/43/EEG van de Raad van 21 mei 1992 inzake de instandhouding van de natuurlijke habitats en de wilde flora en fauna[9],

 gezien het briefingdocument van de Europese Rekenkamer van 1 april 2019, getiteld “Evaluatie nr. 04/2019: EU-steun voor energieopslag”,

 gezien zijn resolutie van 15 januari 2020 over de Europese Green Deal[10],

 gezien zijn resolutie van 28 november 2019 over de noodsituatie op het gebied van klimaat en milieu[11],

 gezien zijn resolutie van 28 november 2019 over de VN-klimaatconferentie van 2019 in Madrid, Spanje (COP 25)[12],

 gezien zijn resolutie van 14 maart 2019 over klimaatverandering – een Europese strategische langetermijnvisie voor een bloeiende, moderne, concurrerende en klimaatneutrale economie in overeenstemming met de Overeenkomst van Parijs[13],

 gezien zijn resolutie van 25 oktober 2018 over de uitrol van infrastructuur voor alternatieve brandstoffen in de Europese Unie: tijd voor actie![14],

 gezien zijn resolutie van 6 februari 2018 inzake versnelling van de innovatie op het gebied van schone energie[15],

 gezien zijn resolutie van 13 september 2016 getiteld “Naar een nieuwe opzet van de energiemarkt”[16],

 onder verwijzing naar zijn resolutie van 13 september 2016 over een EU-strategie betreffende verwarming en koeling[17],

 gezien artikel 54 van zijn Reglement,

 gezien het verslag van de Commissie industrie, onderzoek en energie (A9-0130/2020),

A. overwegende dat het Parlement, de Europese Raad en de Commissie de doelstelling hebben onderschreven om de uitstoot van broeikasgassen in de EU uiterlijk in 2050 tot nul terug te brengen, overeenkomstig de doelstellingen van de Overeenkomst van Parijs;

B. overwegende dat voor de transitie naar een broeikasgasneutrale economie een betaalbare en kostenefficiënte energietransitie nodig is van een overwegend op fossiele brandstoffen gebaseerd systeem naar een zeer energie-efficiënt en klimaatneutrale systeem op basis van hernieuwbare energie;

C. overwegende dat hernieuwbare energiebronnen zoals aardwarmte, waterkracht en biomassa een zekere hoeveelheid basisvermogen kunnen leveren, terwijl andere hernieuwbare energiebronnen zoals wind en zon intermitterend en variabel zijn; overwegende dat de integratie van variabele hernieuwbare energiebronnen in het elektriciteitssysteem een grotere flexibiliteit met betrekking tot vraag en aanbod vereist, teneinde het elektriciteitsnet te stabiliseren, extreme prijsschommelingen te voorkomen en de voorzieningszekerheid en betaalbaarheid van energie te waarborgen; overwegende dat deze grotere flexibiliteit meer energieopslagfaciliteiten in de EU vereist;

D. overwegende dat het beginsel van ontvlechting te allen tijde moet worden gehandhaafd;

E. overwegende dat in 2017 slechts 22,7 % van het eindverbruik van energie in de EU‑28 op elektriciteit gebaseerd was; overwegende dat in 2018 meer dan 60 % van de elektriciteitsmix in de EU‑28 nog hernieuwbaar moest worden; overwegende dat de elektrificatie naar verwachting zal doorgaan; overwegende dat de EU volgens een schatting van de Commissie zesmaal zoveel energie moet kunnen opslaan dan nu om in 2050 broeikasgasneutraliteit te bereiken;

F. overwegende dat sectorintegratie een sleutelrol zal spelen bij het vergroten van de flexibiliteit en efficiëntie van de energiesector en het verlagen van zijn koolstofvoetafdruk;

G. overwegende dat groene gassen, zoals gassen die worden geproduceerd via elektrolyse op basis van elektriciteit uit hernieuwbare energiebronnen, grote seizoensgebonden opslagcapaciteiten bieden;

H. overwegende dat de Commissie moet onderzoeken hoe de bestaande gasinfrastructuur een rol kan spelen bij het decarboniseren van het energiesysteem, met name wat betreft de energieopslagcapaciteit voor groene gassen, bv. transmissie- en distributiepijpleidingen of ondergrondse opslag als seizoensgebonden opslag, om te beslissen welke specifieke infrastructuur, dan wel geoptimaliseerd en aangepast gebruik van de bestaande capaciteit nodig is;

I. overwegende dat in 2018 slechts 3 % van de wereldwijde productiecapaciteit voor lithium-ionbatterijcellen zich in de EU bevond, en 85 % in de regio Azië-Stille Oceaan;

J. overwegende dat batterijen en andere gedecentraliseerde opslagfaciliteiten, zoals vliegwielen, niet alleen bijdragen aan de voorzieningszekerheid, maar ook nuttig zijn voor het creëren van kostenefficiënte snellaadinfrastructuur voor elektrische voertuigen;

K. overwegende dat pompaccumulatie inmiddels meer dan 90 % van de energieopslagcapaciteit in de EU vertegenwoordigt; overwegende dat pompaccumulatie tegenwoordig een belangrijke rol speelt bij het in evenwicht brengen van vraag en aanbod, grootschalige opslag met een hoge retourefficiëntie en flexibiliteit op korte en middellange termijn met een hoge capaciteit;

L. overwegende dat warmteopslagtechnologie aanzienlijke kansen voor de decarbonisatie van de energiesector kan bieden door het mogelijk te maken om warmte of koude maandenlang op te slaan, door de absorptie van hernieuwbare energie via warmtepompen van industriële schaal en het gebruik van biomassa, biogas of geothermische energie, en door het bieden van flexibiliteitsdiensten voor bv. een elektriciteitssysteem met overwegend hernieuwbare energiebronnen; overwegende dat goed geïsoleerde gebouwen, stadsverwarmingsnetwerken en speciale opslagfaciliteiten kunnen worden gebruikt als opslag voor uiteenlopende perioden;

M. overwegende dat de energiemodellen die de Commissie gebruikt om decarbonisatietrajecten en daaraan verbonden beleidsopties te boordelen, van groot belang zijn omdat ze bepalend zijn voor de toekomstige wetgeving en marktopzet; overwegende dat de huidige modellen de positieve effecten van energieopslag aanzienlijk onderschatten en bijgevolg moeten worden verbeterd;

1. vraagt de lidstaten hun potentieel voor energieopslag ten volle te benutten;

2. verzoekt de Commissie een alomvattende strategie voor energieopslag te ontwikkelen om de omschakeling naar een zeer energie-efficiënte en op hernieuwbare energiebronnen gebaseerde economie mogelijk te maken, rekening houdend met alle beschikbare technologieën alsook marktnabije technologieën, en daarbij een technologieneutrale benadering te volgen om voor een gelijk speelveld te zorgen;

3. verzoekt de Commissie een taskforce met alle relevante directoraten-generaal op te richten om deze strategie te ontwikkelen, die berust op een uitgebreide analyse van:

 a. de koolstofvoetafdruk en de levenscyclus, waarbij ten minste rekening wordt gehouden met de winning en/of productie van grondstoffen, inclusief aspecten van mensenrechten en arbeidsnormen, de inkoop van onderdelen, het fabricageproces, het vervoer en het recyclingproces, indien van toepassing;

 b. de energiecapaciteit, stroomcapaciteit, opslagduur, capex, opex, retourefficiëntie en omzettingsefficiëntie van de technologie;

 c. de energiesysteemmodellen, waarin de onder b) genoemde relevante gegevens zijn verwerkt om beleidsopties te beoordelen, rekening houdend met effecten binnen een uur om de huidige en toekomstige behoeften aan systeemflexibiliteit en de bijdrage van opslag aan deze modellen goed te kunnen inschatten;

 d. energievraag van de industrie, vervoer en woningen; en

 e. het potentieel van kleinschalige opslag en het flexibiliteitspotentieel op wijkniveau, alsook grensoverschrijdende verbindingen en sectorintegratie;

 f. de bijdrage van energieopslagtechnologieën aan de bestrijding van energiearmoede;

4. is met name van mening dat in deze strategie noodzakelijke maatregelen moeten worden vastgesteld om grensoverschrijdende verbindingen en coördinatie te verbeteren, de regelgevingslast voor markttoetreding te verminderen, en de toegang tot kapitaal, vaardigheden en grondstoffen voor batterijtechnologieën te verbeteren, teneinde het concurrentievermogen van de Europese markt en industrie te bevorderen;

5. merkt op dat voor een kostenefficiënte energietransitie naar een zeer energie-efficiënt en op hernieuwbare energiebronnen gebaseerd energiesysteem voor een klimaatneutrale economie een goed ontwikkeld en slim energienet nodig is, evenals geavanceerde opslag- en flexibiliteitstechnologieën, reservecapaciteit voor opwekking en vraagsturing om een constante, betaalbare en duurzame elektriciteitsvoorziening te waarborgen, alsook de toepassing van het beginsel “energie-efficiëntie eerst”, een massale uitbreiding van hernieuwbare energiebronnen, meer inspraak voor de consument en onverstoorde prijssignalen; vraagt de Commissie daarom onderzoek naar opslag, onder andere met nieuwe en opkomende alternatieve technologieën, te blijven ondersteunen in het kader van Horizon Europa;

6. erkent de cruciale rol van digitalisering bij de ontwikkeling van een meer gedecentraliseerd en geïntegreerd energiesysteem en, uiteindelijk, bij de verwezenlijking van de energietransitie;

7. onderstreept dat de transitie naar een klimaatneutrale economie de voorzieningszekerheid en de toegang tot energie niet in gevaar mag brengen; onderstreept de rol van opslag, met name voor op energiegebied geïsoleerde of insulaire lidstaten; benadrukt dat betrouwbare energievoorziening, kostenefficiëntie en de energietransitie hand in hand moeten gaan; benadrukt voorts dat energie-efficiëntie, slimme netten, participatie en gedistribueerde flexibiliteitsmogelijkheden, waaronder opslag, de energiezekerheid vergroten;

8. onderstreept dat het belangrijk is om overeenkomstig het beginsel van technologische neutraliteit te zorgen voor een gelijk speelveld voor alle energieopslagoplossingen, zodat de marktwerking de beste technologiekeuzes kan sturen en innovatie kan bevorderen, en dat indicatoren van energieverbruik, koolstofvoetafdruk en productie-, exploitatie-, recycling- en ontmantelingskosten de belangrijkste factoren moeten zijn die van invloed zijn op de ontwikkeling van verschillende technologische oplossingen;

9. betreurt ten zeerste dat infrastructuurprojecten of projecten voor grootschalige opslag die cruciaal zijn voor de energietransitie, op lokaal niveau vaak op sterke weerstand stuiten en vertraging oplopen; vraagt de lidstaten het draagvlak op lokaal niveau actief in de hand te werken, bv. door het publiek van bij het begin inspraak te geven of door lokale gemeenschappen de mogelijkheid te bieden deel te nemen, financieel te participeren of compensatie te krijgen, en door nauwe samenwerking tussen sectoren;

10. benadrukt het potentieel van opslag als alternatief voor de gebruikelijke uitbreiding van het net; onderstreept het belang van gecoördineerde planning van infrastructuur als onderdeel van de komende strategie voor de integratie van het energiesysteem teneinde een klimaatneutrale en concurrerende Europese economie tot stand te brengen;

11. vraagt dat de elektriciteitsmarktrichtlijn (Richtlijn (EU) 2019/944) en de elektriciteitsmarktverordening (Verordening (EU) 2019/943) tijdig ten uitvoer worden gelegd; benadrukt dat energieopslag in alle nationale wetgevingskaders op coherente wijze moet worden gedefinieerd; wijst erop dat het onduidelijk is wat precies onder energieopslag wordt verstaan, en met name of verschillende power-to-gas-technologieën onder de definitie vallen, en vraagt de Commissie daarom dringend richtsnoeren ter zake te verschaffen;

12. verzoekt de Commissie, in de context van de strategie voor de integratie van het energiesysteem, de exploitanten van transmissie- en distributiesystemen van de gasinfrastructuur een solide rechtsgrond te verschaffen om oplossingen voor energieopslag te bieden die in overeenstemming zijn met de klimaatdoelstellingen van de Unie en de Overeenkomst van Parijs;

Regelgevingsbelemmeringen

13. vraagt de Commissie en de lidstaten te zorgen voor samenhang tussen de wetgeving op Europees, nationaal en regionaal niveau en overlapping te vermijden; 

14. wijst erop dat de meeste lidstaten de exploitanten van opslagfaciliteiten, met inbegrip van actieve consumenten, verplichten om twee keer nettarieven of energiebelastingen en andere heffingen te betalen; is ervan overtuigd dat de afschaffing van deze lasten ertoe zou leiden dat er meer energieopslagprojecten worden opgezet; verzoekt de Commissie in haar komende voorstel voor een herziene energiebelastingrichtlijn een onderscheid te maken tussen eindgebruik en opslag of omzetting en een efficiënt belastingsysteem te ontwikkelen dat dubbele belastingheffing met betrekking tot energieopslagprojecten verbiedt; vraagt de lidstaten elke vorm van dubbele belasting af te schaffen door efficiënte belastingsystemen te ontwikkelen en de heffingen met betrekking tot energieopslag zodanig te hervormen dat het maatschappelijke voordeel van opslag in aanmerking wordt genomen en belemmeringen voor de toegang van opslagprojecten tot de markt worden weggenomen;

15. onderstreept de noodzaak van een vergelijkbare behandeling van opslag in alle verschillende energiedragers en opslag vóór en na de meter, om te voorkomen dat er een probleem van kruissubsidiëring ontstaat door het ontwijken van nettarieven of systeemheffingen en ‑belastingen; stelt vast dat de kosten van de decarbonisatie-inspanningen momenteel grotendeels door de elektriciteitsverbruikers worden gedragen en dat elektriciteitsopslag dus indirect wordt benadeeld;

16. merkt op dat de EU-netcodes, behalve voor pompaccumulatie, doorgaans geen voorschriften voor energieopslagfaciliteiten bevatten, wat ertoe leidt dat deze in de verschillende lidstaten ongelijk worden behandeld, met name wat de vereisten voor netaansluiting betreft; is van mening dat hier sprake is van ongelijke concurrentievoorwaarden die de ontwikkeling van levensvatbare bedrijfsmodellen voor energieopslagfaciliteiten belemmeren; vraagt de Commissie inspanningen voor de vaststelling van gemeenschappelijke vereisten voor netaansluiting te faciliteren en andere belemmeringen voor de integratie van opslag in de elektriciteitsmarkten aan te pakken;

17. vraagt dat de TEN-E-verordening[18] dringend wordt herzien wat de subsidiabiliteitscriteria en de categorieën van elektriciteitsinfrastructuur betreft, teneinde de ontwikkeling van energieopslagfaciliteiten beter aan te pakken voordat de volgende lijst van projecten van gemeenschappelijk belang (PGB’s) wordt goedgekeurd; vraagt om een grondige hervorming van de procedure voor de opstelling van het tienjarig netontwikkelingsplan teneinde het beginsel “energie-efficiëntie eerst” alsook flexibiliteit, sectorintegratie en grensoverschrijdende verbindingen in de infrastructuurplanning op te nemen; vraagt dat de criteria voor de toekenning van PGB-status worden afgestemd op de doelstelling van de Overeenkomst van Parijs inzake de temperatuurstijging op lange termijn en de doelstelling van de EU om in 2050 klimaatneutraal te zijn via een systematische klimaattechnische beoordeling van alle projecten die kandidaat zijn voor de lijst van PGB’s;

18. vraagt de Commissie te erkennen dat alle flexibiliteits- en opslagtechnologieën een sleutelrol spelen om voor een doeltreffende energietransitie te zorgen en in de toekomst een hoge mate van voorzieningszekerheid en systeemstabiliteit te handhaven; benadrukt het openbaar belang van de ontwikkeling van nieuwe opslagprojecten en de modernisering van bestaande opslagprojecten, dat aanleiding moet geven tot een snelle, geprioriteerde en gestroomlijnde vergunningsprocedure in de lidstaten;

19. stelt met bezorgdheid vast dat de goedkeuringsprocedures op nationaal niveau aanzienlijk langer duren dan de maximumtermijnen voor PGB’s waarin de TEN-E-verordening voorziet; verzoekt de Commissie dit probleem bij de komende herziening te verhelpen door middel van een doeltreffend en gesynchroniseerd handhavingsmechanisme en te erkennen dat het openbaar belang van PGB’s voor opslag zwaarder weegt;

20. betreurt het gebrek aan marktintroductie van onderzoeksprojecten in het kader van Horizon 2020, aan systematische follow-up van afgeronde projecten en aan verspreiding van onderzoeksresultaten, en is verheugd over de geplande grotere focus op marktnabije activiteiten, evenwel met blijvende ambities op het vlak van fundamenteel onderzoek, om in de toekomst een pijplijn van marktnabije technologieën en projecten te creëren in het kader van Horizon Europa, met name door de oprichting van de Europese Innovatieraad; vraagt dat er meer gebruik wordt gemaakt van precommerciële inkoop; onderstreept dat er meer onderzoek moet worden gedaan naar schone, duurzame en koolstofarme technologie, met inbegrip van energieopslag;

21. benadrukt dat er meer onderzoek nodig is naar chemische stoffen die voor energieopslag worden gebruikt, alsook fundamenteel onderzoek naar supergeleiding, en dat daar in het nieuwe Horizon-programma rekening mee moet worden gehouden;

22. stelt met bezorgdheid vast dat in de richtsnoeren van de Commissie inzake staatssteun ten behoeve van milieubescherming en energie 2014-2020 slechts indirect naar energieopslagprojecten wordt verwezen; merkt voorts op dat er in het verleden verbazend weinig staatssteunmaatregelen voor opslagprojecten zijn aangemeld;

23. verzoekt de Commissie bij de herziening van de richtsnoeren inzake staatssteun rekening te houden met de belangrijke rol van opslag bij de energietransitie en dit onderwerp dienovereenkomstig te behandelen; verzoekt de Commissie ervoor te zorgen dat in de nieuwe richtsnoeren rekening wordt gehouden met de duurzaamheid, de efficiëntie, de bijdrage aan de netstabiliteit en de bijdrage aan klimaatneutraliteit van verschillende opslagtechnologieën; benadrukt voorts dat niet-commerciële projecten (bv. voor onderzoek) zouden kunnen worden vrijgesteld van de staatssteunregels, zodat inefficiënte financiering en concurrentieverstoring worden vermeden; benadrukt dat de exploitatie van opslagfaciliteiten door niet-marktdeelnemers beperkt moet blijven tot gevallen waarin er vanuit de markt geen belangstelling is en de nationale regelgevende instantie een uitzondering heeft toegekend;

24. vraagt de Commissie ervoor te zorgen dat in de nieuwe richtsnoeren rekening wordt gehouden met de efficiëntie en de bijdrage aan de netstabiliteit van verschillende opslagtechnologieën, zodat inefficiënte financiering wordt voorkomen en de deelname van niet-marktdeelnemers beperkt blijft tot de gevallen en omstandigheden als bedoeld in de artikelen 36 en 54 van elektriciteitsmarktrichtlijn (EU) 2019/944;

Chemische opslag (power-to-X)

25. onderstreept de belangrijke rol van power-to-X-technologie als het erom gaat de integratie van het energiesysteem en de koppeling van de elektriciteits- en gassector mogelijk te maken; benadrukt in dit verband het grote potentieel van waterstof, in het bijzonder groene waterstof, en synthetisch methaan en biomethaan voor seizoensgebonden energieopslag in grote volumes, als energiedrager, als brandstof en grondstof voor energie-intensieve industrietakken en als duurzame brandstof voor verschillende vervoerswijzen; verzoekt de Commissie onderzoek en ontwikkeling met betrekking tot de ontwikkeling van een waterstofeconomie te blijven ondersteunen, en vraagt de Commissie en de lidstaten met aandrang de verdere opschaling van power-to-X-technologie te ondersteunen, met name door ondersteuning van een waterstofinitiatief als belangrijk project van gemeenschappelijk Europees belang;

26. merkt op dat het gebruik van waterstof voor energieopslag door de hoge productiekosten nog niet concurrerend is; neemt voorts nota van het grote verschil in kosten tussen groene en blauwe waterstof; wijst erop dat steunmaatregelen die de kosten van groene waterstof verlagen, belangrijk zijn om een levensvatbaar bedrijfsmodel te creëren;

27. merkt op dat er in de lidstaten uiteenlopende normen bestaan voor het mengen van waterstof met aardgas; verzoekt de Commissie een beoordeling te verrichten en een duidelijke taxonomie en normen voor waterstof te ontwikkelen, zowel voor het gasnet als voor eindgebruikers; wijst erop dat deze normen zullen moeten worden afgestemd op de kwaliteitsbehoeften van de eindgebruikers en de technologische capaciteiten, rekening houdend met de specifieke kenmerken van elk land;

28. merkt op dat waterstof die door middel van power-to-gas wordt geproduceerd, verder kan worden omgezet in andere soorten gas, zoals methanol en ammoniak, die als brandstof kunnen worden gebruikt in de scheepvaart, in de luchtvaart en voor zwaar transport;

29. benadrukt dat de bestaande gasinfrastructuur een grote energieopslagcapaciteit biedt en dat deze faciliteiten en de faciliteiten voor nieuwe bronnen van gas, in het bijzonder groene waterstof, de integratie van hernieuwbare elektriciteit zouden vergemakkelijken; merkt in dit verband op dat de kwestie van de nieuwe rol van transmissiesysteembeheerders (TSB’s) voor gas moet worden aangepakt in het licht van de ontvlechtingsregels;

30. verzoekt de Commissie een uitgebreide effectbeoordeling, een kosten-batenanalyse en een beschikbaarheidsanalyse te verrichten van het aanpassen van de gasinfrastructuur of het aanleggen van speciale nieuwe infrastructuur, wat belangrijk is voor het gebruik van groene waterstof, voor het transport ervan in grote volumes en voor de uitrol van waterstofmobiliteit; erkent het potentieel van ondergrondse opslag van gas, bv. in lege grotten of poriën;

31. is van mening dat het beleid van de EU specifiek gericht moet zijn op het aanmoedigen van innovatie op het vlak van duurzame energieopslag en groene waterstof; benadrukt dat ervoor moet worden gezorgd dat het gebruik van energiebronnen zoals aardgas slechts van tijdelijke aard is, gezien de doelstelling om uiterlijk in 2050 klimaatneutraliteit te verwezenlijken; erkent dat de EU steeds grotere hoeveelheden waterstof nodig zal hebben; benadrukt dat waterstoftrajecten moeten worden ondersteund om toereikende energievolumes en het concurrentievermogen van de Europese industrie te garanderen;

32. vraagt de Commissie een geharmoniseerde definitie van groene waterstof te ontwikkelen op basis van een transparante methode; pleit voorts voor een systeem van wederzijdse erkenning van garanties van oorsprong voor deze gassen, en stelt voor om een gemeenschappelijke certificeringsregeling en een documentatiesysteem in de hele waardeketen te ontwikkelen, bv. door een groen label in te voeren; moedigt de lidstaten aan om de administratieve belemmeringen voor de certificering van groene en/of koolstofarme waterstof zoveel mogelijk te beperken; vraagt de Commissie te zorgen voor eerlijke en effectieve concurrentie tussen technologieën en energiedragers en tussen ingevoerde waterstof en in de EU geproduceerde waterstof;

33. merkt op dat exploitanten van transmissie- en distributiesystemen van de gasinfrastructuur in de EU volgens de huidige regels van de interne gasmarkt alleen aardgas mogen transporteren als gereguleerde activiteit; verzoekt de Commissie, in de context van de strategie voor de integratie van het energiesysteem, exploitanten in staat te stellen koolstofarme gassen zoals waterstof, biomethaan en synthetisch methaan te transporteren;

34. onderstreept dat alle marktdeelnemers toegang moeten hebben tot de voordelen en stimulansen die in proefprojecten of echte laboratoria worden gecreëerd om waterstofproductie op basis van hernieuwbare energie te demonstreren;

35. herinnert eraan dat de productie van synthetische chemische dragers alleen verstandig is als er hernieuwbare energie wordt gebruikt; vraagt dat de doelstellingen voor hernieuwbare energie voor 2030 worden verhoogd op basis van een grondige effectbeoordeling;

Elektrochemische opslag

36. is ervan overtuigd dat een reeks batterijtechnologieën, ook die met reeds gevestigde waardeketens in de EU, een belangrijke rol zal spelen bij het waarborgen van een stabiele en flexibele elektriciteitsvoorziening; benadrukt dat batterijtechnologieën van cruciaal belang zijn om de strategische onafhankelijkheid van de EU en haar veerkracht wat elektriciteitsvoorziening betreft te waarborgen;

37. is ingenomen met de inspanningen van de Commissie om normen voor Europese batterijen te ontwikkelen;

38. erkent dat er reeds goed functionerende inzamelings- en recyclingregelingen en gesloten-circuitprocessen, in overeenstemming met de beginselen van de circulaire economie, bestaan voor een reeks batterijtechnologieën, met name in in de EU gevestigde waardeketens van voertuig- en industriële batterijen, zoals loodhoudende startaccu’s, en is van mening dat die regelingen als een blauwdruk voor de recycling van batterijen kunnen worden beschouwd;

39. merkt op dat toegang tot de elektriciteits- en flexibiliteitsmarkten van doorslaggevend belang zal zijn om het potentieel van opslag in batterijen te benutten;

40. is bezorgd over het feit dat de EU zeer weinig capaciteit voor de productie van lithium-ionbatterijen heeft en afhankelijk is van productie die van buiten Europa afkomstig is, met beperkte transparantie; is daarom verheugd over de Europese Alliantie voor batterijen en het strategisch actieplan voor batterijen; vraagt dat die worden uitgebreid tot alle beschikbare batterijtechnologieën; vraagt dat ze blijvend worden gesteund en dat de uitvoering van het strategisch actieplan voor batterijen wordt opgevoerd in overeenstemming met de bredere doelstellingen met betrekking tot de circulaire economie, de industriestrategie en het beheer van chemische stoffen; is in dit verband verheugd over de aankondiging van de Commissie dat zij wetgeving inzake batterijen zal voorstellen ter ondersteuning van het strategisch actieplan en de circulaire economie; vraagt in dit verband om een levenscyclusanalyse van batterijen, om de invoering van circulair ontwerp en een veilig beheer van en een veilige omgang met gevaarlijke stoffen bij de vervaardiging van cellen, en om de invoering van een label ter aanduiding van de koolstofvoetafdruk dat voor alle op de Europese markt gebrachte batterijen het milieueffect vermeldt; benadrukt hoe belangrijk het is ecosystemen rond de waardeketen voor batterijen te creëren om het concurrentievermogen en de duurzaamheid van de industrie te bevorderen;

41. vraagt de Commissie voorschriften inzake ecologisch ontwerp van batterijen voor te stellen om hun recycleerbaarheid door ontwerp te bevorderen;

42. is bezorgd over de grote afhankelijkheid van de EU van de invoer van grondstoffen voor de productie van batterijen, onder meer uit gebieden waar de winning gepaard gaat met milieuschade, schending van arbeidsnormen en plaatselijke conflicten rond natuurlijke hulpbronnen;  dringt er bij de Commissie op aan deze afhankelijkheid in de desbetreffende EU-strategieën aan te pakken; wijst op de rol van duurzame inkoop van grondstoffen en het potentieel van grondstoffenbronnen binnen de EU; is ervan overtuigd dat betere recyclingsystemen voor batterijen in een aanzienlijk deel van de benodigde grondstoffen voor de productie van batterijen binnen de EU kunnen voorzien;

43. erkent dat gebruikte batterijen van elektrische voertuigen potentieel kunnen worden hergebruikt voor energieopslag in particuliere woningen of in grotere batterijeenheden; vreest dat de indeling van gebruikte batterijen als afval in de batterijenrichtlijn, los van hergebruik, een belemmering voor dergelijk hergebruik kan vormen; erkent dat hergebruikte batterijen niet voor recycling worden teruggebracht en dat niet op veiligheidsnormen wordt gecontroleerd wanneer een batterij wordt hergebruikt voor toepassingen met andere kenmerken dan waarvoor de batterij oorspronkelijk is ontworpen; vraagt de Commissie producentenverantwoordelijkheid, met prestatie- en veiligheidsgaranties, toe te passen op de herproducent die de batterij opnieuw in de handel brengt; vraagt de Commissie de regelingen voor uitgebreide producentenverantwoordelijkheid met betrekking tot hergebruikte batterijen te verduidelijken;

44. erkent het potentieel van elektrische voertuigen en hun batterijen om het elektriciteitssysteem, via slimme oplaadinfrastructuur voor elektrische voertuigen, flexibiliteit te verschaffen in het kader van afroepbare vraagsturing, zodat er minder behoefte is aan reservecentrales in het elektriciteitssysteem;

45. verzoekt de Commissie bij de herziening van de batterijenrichtlijn ambitieuze inzamelings- en recyclingdoelstellingen voor lithium-ionbatterijen op basis van kritieke metaalfracties voor te stellen, na een effectbeoordeling te hebben verricht; onderstreept dat onderzoek en innovatie voor recyclingprocessen en ‑technologieën verder moeten worden bevorderd in het kader van Horizon Europa;

46. vraagt de Commissie richtsnoeren en/of normen voor hergebruik van batterijen van elektrische voertuigen te ontwikkelen, met inbegrip van test- en keuringsprocessen en veiligheidsrichtsnoeren;

47. onderstreept onderzoek, knowhow en vaardigheden moeten worden ondersteund om de productie van batterijen in de EU te stimuleren;

48. erkent het potentieel van een wereldwijd batterijenpaspoort bij de ontwikkeling van een duurzame waardeketen voor batterijen waarin ook rekening wordt gehouden met mensenrechten en milieueffecten; vindt grondstoffencertificering een belangrijk middel om duurzame waardeketens voor batterijen te waarborgen;

Mechanische opslag

49. merkt op dat pompaccumulatie een cruciale rol speelt bij energieopslag; is bezorgd over het feit dat de EU het potentieel van deze koolstofneutrale en zeer efficiënte manier om energie op te slaan, niet ten volle benut;

50. is van mening dat de lidstaten moeten zoeken naar verdere manieren om de pompaccumulatiecapaciteit te vergroten, rekening houdend met het multifunctionele gebruik van bestaande en nieuwe reservoirs; verzoekt de lidstaten eventuele administratieve belemmeringen die deze projecten vertragen, weg te nemen en innovatieve benaderingen op dit gebied met regelgeving te ondersteunen; verzoekt de Commissie prioriteit te geven aan de noodzakelijke energietransitie, de desbetreffende wetgeving grondig te herzien en waar nodig wijzigingen voor te stellen, en daarbij de milieueffecten zoveel mogelijk te beperken;

51. wijst erop dat het in het belang van het milieu wellicht beter is de voorkeur te geven aan het upgraden van bestaande faciliteiten en projecten met een grotere capaciteit boven nieuwe projecten;

52. erkent dat opslagtechnologieën zoals perslucht, supercondensatoren en vliegwielen ertoe bijdragen flexibiliteit te verschaffen; erkent het belang van een Europese vliegwieltechnologie voor energieopslag en frequentieregeling; beklemtoont dat deze technologie opslag- en regelingsapparaten kan voortbrengen die nuttig zijn voor slimme netten of strategische netontwikkeling;

Warmteopslag

53. beschouwt warmteopslag (zoals grootschalige ketels) en stadsverwarming in dichtbevolkte gebieden als een zeer efficiënt instrument voor energieopslag, dat de nodige flexibiliteit biedt om een groter aandeel intermitterende hernieuwbare energiebronnen en afvalwarmte van industriële processen en de tertiaire sector te integreren; vraagt de Commissie en de lidstaten zeer efficiënte stadsverwarmingsnetwerken te ondersteunen en te ontwikkelen; vraagt de Commissie voorts bij de ontwikkeling van het tienjarig netontwikkelingsplan voor zowel het Europees netwerk van transmissiesysteembeheerders voor elektriciteit (ENTSB-E) als het Europees netwerk van transmissiesysteembeheerders voor gas (ENTSB-G) rekening te houden met warmte-infrastructuur en warmteopslag;

54. is van mening dat warmteopslag in aquifers, met name in combinatie met het gebruik van geothermische bronnen, een innovatief instrument kan zijn in niet-verstedelijkte en industriële gebieden; vraagt de Commissie en de lidstaten onderzoek en ontwikkeling voor deze oplossingen te ondersteunen en omvangrijke testfaciliteiten op te zetten;

55. erkent dat flexibele warmtekrachtkoppeling een toekomstgerichte geïntegreerde energieopslagoplossing biedt voor de flexibiliteit van elektriciteitsnetten en de efficiëntie van warmtevoorziening, dankzij het feit dat warmteopslag elektriciteitsproductie loskoppelt van warmteverbruik; vraagt de lidstaten sectorintegratie, slimme energiesystemen en het gebruik van restwarmte van bv. datacentra, industriële vestigingen of metrostelsels verder te onderzoeken; verzoekt de Commissie innovatieve concepten voor warmteopslag te bevorderen, zoals opslag door omzetting van warmte in elektriciteit en ijsopslag;

56. is verheugd dat stadsverwarmings- en koelingsnetwerken in aanmerking komen voor financiering in het kader van de herziene CEF-verordening, en vraagt dat ze worden opgenomen als potentiële PGB’s in het kader van de TEN-E-verordening;

57. is van mening dat technologieën voor warmteopslag, met inachtneming van het beginsel van technologische neutraliteit, moeten worden gestimuleerd om hun prestaties, betrouwbaarheid en integratie in bestaande systemen voor op afroep leverbare stroom te verbeteren; is van mening dat de ontwikkeling van warmteopslagtechnologie en de uitrol ervan op de markt kansen kan bieden voor gezamenlijke projecten, om energiepartnerschappen tussen landen aan te moedigen;

58. erkent dat energie-efficiënte gebouwen opslagpotentieel hebben door middel van voor opslag geschikte massa’s, thermische of massieve gebouwonderdelen of opslag van koud of warm water; vraagt de Commissie in haar toekomstige “renovatiegolfstrategie” renovaties ter verbetering van de energie-efficiëntie te stimuleren, en verzoekt de lidstaten dringend uitvoering te geven aan hun langetermijnstrategieën voor renovatie en daarbij het opslagpotentieel van gebouwen in overweging te nemen;

59. verzoekt de Commissie in de renovatiegolf­strategie rekening te houden met de rol die warmteopslag en warmte-infrastructuur spelen bij het verschaffen van flexibiliteit aan het energiestelsel;

60. vraagt de lidstaten om, wanneer zij hun energiestelsels in het kader van hun nationale energie- en klimaatplannen omvormen tot zeer energie-efficiënte en volledig op hernieuwbare energiebronnen gebaseerde economieën, rekening te houden met alle duurzame en kostenefficiënte opslagtechnologieën en flexibiliteitsopties, ook die op basis van warmte, in het kader van een geïntegreerde aanpak van het energiestelsel;

Gedecentraliseerde opslag — de rol van actieve consumenten

61. is van mening dat thuisbatterijen, huishoudelijke warmteopslag, technologie om voertuigen in het net te integreren, slimme energiesystemen in woningen, vraagsturing en sectorintegratie helpen om pieken in het verbruik te beperken, flexibiliteit bieden en een steeds belangrijkere rol spelen bij het waarborgen van een efficiënt en geïntegreerd energienet; is van mening dat vroege standaardisering van nieuwe apparaten, consumentenvoorlichting, transparante van consumentengegevens en goed functionerende elektriciteitsmarkten die eenvoudige toegang voor consumenten bieden, van essentieel belang zijn om dit te bewerkstelligen; wijst bovendien op de rol van actieve consumenten en energiegemeenschappen van burgers bij de energietransitie, en is van mening dat zij adequaat moeten worden ondersteund;

62. merkt op dat particuliere gebruikers vaak niet bereid zijn hun voertuigbatterijen voor opslagdiensten ter beschikking te stellen, ook al is dat technisch haalbaar; is in dit verband verheugd dat Richtlijn (EU) 2019/944 (de elektriciteitsmarktrichtlijn) consumenten stimulansen biedt om flexibiliteit te verschaffen, en vraagt de lidstaten de betreffende bepalingen spoedig en daadkrachtig ten uitvoer te leggen; benadrukt dat voor een brede marktintroductie van de technologie om voertuigen in het net te integreren, een hogere mate van interoperabiliteit noodzakelijk is, en dus EU-brede regelgeving of normen die een aantal belemmeringen wegnemen, zoals administratieve, juridische en fiscale belemmeringen;

63. erkent dat actieve consumenten een bijdrage leveren aan het verschaffen van flexibiliteit aan het systeem, bv. door gedecentraliseerde en kleinschalige energieopslagoplossingen, en uiteindelijk aan de verwezenlijking van de klimaat- en energiedoelstellingen; verzoekt de lidstaten de participatie van burgers in het energiesysteem te ondersteunen (bv. door fiscale stimulansen voor batterijopslagtechnologie) en belemmeringen weg te nemen die consumenten ervan weerhouden zelf elektriciteit op te wekken of zelf opgewekte elektriciteit te verbruiken, op te slaan of aan de markt te verkopen; vraagt de Commissie naar behoren toezicht te houden op de correcte tenuitvoerlegging van de elektriciteitsmarktrichtlijn en Richtlijn (EU) 2018/2001 (de richtlijn hernieuwbare energie) wat betreft de artikelen waarmee een regelgevingskader voor zelfverbruikers en energiegemeenschappen wordt vastgesteld;

64. benadrukt dat gedecentraliseerde opslag een cruciaal onderdeel is van beheer van de vraagzijde; wijst op de rol die batterijen van elektrische voertuigen spelen bij het verschaffen van netflexibiliteit door slim opladen en vehicle-to-X-diensten; verzoekt de Commissie een faciliterend kader te creëren om ervoor te zorgen dat de fabrikanten van elektrische voertuigen, de oplaadsoftware en het oplaadpunt de functie voor het aanbieden van deze diensten activeren, en in het kader van een herziene richtlijn inzake alternatieve brandstoffen voor volledige interoperabiliteit te zorgen;

65. verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad en de Commissie.

 


 

TOELICHTING

Met de Europese Green Deal heeft de EU zich ertoe verbonden de Europese economie te decarboniseren en uiterlijk in 2050 koolstofneutraal te worden. Dit vereist een versnelde transitie van fossiele brandstoffen als primaire energiebron naar hernieuwbare energiebronnen. Een groter aandeel hernieuwbare energiebronnen zal leiden tot een nog meer gedecentraliseerde energieopwekking. In alle scenario’s wordt verwacht dat decarbonisatie vooral zal worden bewerkstelligd door het elektrificeren van de grootste sectoren (energie, vervoer, verwarming en koeling), wat zal leiden tot een enorme toename van de vraag naar elektriciteit: volgens de Commissie zal de vraag naar elektriciteit tegen 2050 meer dan verdubbelen (+55 %). Aangezien we ons ertoe hebben verbonden de energiesector te decarboniseren, zal het aandeel elektriciteit uit hernieuwbare energiebronnen toenemen. De Commissie verwacht dat het aandeel hernieuwbare energie in 2030 55 % zal bedragen en in 2050 meer dan 80 %. Een hoger aandeel hernieuwbare energiebronnen leidt onvermijdelijk tot een grotere volatiliteit van het elektriciteitsnet. Als gevolg van de verbintenis om uiterlijk in 2050 koolstofneutraal te worden, is er dus een enorme toename van de opslagcapaciteit nodig om de continuïteit van de energievoorziening te garanderen.

 

Het moet onze prioriteit zijn om te allen tijde een constante elektriciteitsvoorziening te waarborgen. Bovendien moet energie betaalbaar blijven voor de EU-burgers. Energieopslag zal van cruciaal belang zijn om extreme elektriciteitsprijzen te helpen verlagen door de pieken en dalen in vraag en aanbod op te vangen. Ten behoeve van de stabiliteit van het net, spanningsregeling, als operationele reserve, voor dispatching of redispatching en voor de energieshift in de detailhandel zal een hele reeks opslagtechnologieën op de markt moeten worden gebracht die alle kenmerken qua vermogen, capaciteit en reactietijd bestrijkt. Er zal niet alleen behoefte zijn aan kortetermijnopslag, maar ook aan seizoensgebonden opslag gedurende verscheidene maanden. Opslag kan een dienst zijn ten behoeve van een distributiesysteembeheerder (DSB), bijvoorbeeld voor congestiebeheer, of ten behoeve van de transmissiesysteembeheerder (TSB), voor balancering.

 

De EU moet nú actie ondernemen. Dit verslag heeft tot doel de huidige opslagmogelijkheden te analyseren en aanbevelingen te doen aan de Commissie en de lidstaten om het opslagpotentieel in de EU ten volle te benutten. Als opslag alleen binnen de elektriciteitssector afzonderlijk wordt bekeken, zijn de mogelijkheden voor flexibiliteit beperkt en zeer duur. Door de slimme integratie van verschillende sectoren, bijvoorbeeld power-to-gas (omzetting van elektriciteit in gas) of power-to-heat (omzetting van elektriciteit in warmte), komen er meer opslagtechnologieën beschikbaar, zoals warmteopslag. Er is een alomvattende aanpak nodig om verschillende aspecten zoals efficiëntie, milieueffecten, bevoegdheden en vergunningverlening op elkaar af te stemmen. Van elk type opslagtechnologie moet een zorgvuldige en uitgebreide analyse worden verricht, in het bijzonder als het om de milieueffecten gaat. De hoge milieunormen in de EU mogen niet worden afgezwakt. Sommige opslagtechnologieën, zoals batterijen, kunnen een grote koolstofvoetafdruk hebben. Dit hangt sterk af van de energiemix die voor de productie van de batterijen is gebruikt en de wijze waarop de grondstoffen zijn gewonnen. Daarom stelt de rapporteur voor dat de Commissie een taskforce met alle betrokken directoraten-generaal opricht om een alomvattende strategie voor energieopslag te ontwikkelen. In deze context moet een levenscyclusanalyse van alle beschikbare opslagalternatieven worden uitgevoerd, met de nadruk op hun koolstofvoetafdruk.

 

Regelgevingsbelemmeringen

 

Wat de regelgeving betreft, moet de EU alle mogelijke belemmeringen voor een snelle benutting van het potentieel uit de weg ruimen. In sommige sectoren is al aanzienlijke vooruitgang geboekt om de regelgevingsvereisten samenhangender te maken. Zo bevat de elektriciteitsmarktrichtlijn bijvoorbeeld duidelijke regels voor de interne markt voor elektriciteit. Een snelle tenuitvoerlegging van deze bepalingen is cruciaal voor een paradigmaverschuiving op het gebied van energieopslag. Sommige kwesties moeten echter nog worden verholpen, zoals dubbele belastingheffing en dubbele netwerktarieven voor opslagbeheerders, die een grote belemmering vormen voor de toegang tot deze nieuwe markt.

 

Met het oog op de komende herziening van de energiebelastingrichtlijn is de rapporteur ingenomen met het evaluatieverslag van de Commissie, waarin de noodzaak van een herziening wordt erkend, aangezien de richtlijn verouderd is en dubbele belastingheffing op opslagaanbieders mogelijk maakt. De rapporteur is van mening dat het aanbieden van opslag aan het net een maatschappelijk nut heeft en vraagt daarom dat de dubbele belasting wordt afgeschaft. Er zal een onderscheid moeten worden gemaakt tussen gewoon energieverbruik enerzijds en opslag of omzetting met het oog op opslag anderzijds.

 

De TEN-E-verordening moet dringend worden herzien voordat de volgende lijst van projecten van gemeenschappelijk belang (PGB’s) wordt goedgekeurd. De criteria om te bepalen wat een PGB is, stroken niet met de verbintenis van de Unie om de energiesector te decarboniseren. De criteria moeten dus worden afgestemd op de klimaat- en duurzaamheidsdoelstellingen van de Unie. Opslagfaciliteiten kunnen van belang zijn voor de netwerkplanning, en sectorale integratie vereist investeringen in nieuwe netwerken, zoals pijpleidingen die geschikt zijn om groene waterstof te vervoeren of warmtenetwerken. Daarom moeten dergelijke projecten in aanmerking komen om in de lijsten van PGB’s te worden opgenomen. Ook zijn de administratieve goedkeuringsprocedures in de lidstaten veel langer dan de maximumtermijnen voor PGB’s waarin de TEN-E-verordening voorziet. In dit verband moet de Commissie de handhavingsmechanismen herzien.

 

Wat de financiering van onderzoek betreft, is in het verleden gebleken dat door de EU gefinancierde onderzoeksprojecten vaak moeilijk toegang tot de markt krijgen. De rapporteur is ingenomen met de oprichting van de Europese Innovatieraad. Voorts is zij verheugd dat in het kader van het nieuwe Horizon Europe-programma financiering zal worden uitgetrokken voor marktnabije activiteiten.

 

Staatssteun zal vooral nodig zijn voor opslagprojecten waarvan nog niet is bewezen dat ze marktrijp zijn. Opslagprojecten komen momenteel onvoldoende aan bod in de richtsnoeren inzake staatssteun ten behoeve van milieubescherming en energie 2014-2020 (EEAG), die eerder focussen op hernieuwbare-energieprojecten. Dit zou een van de redenen kunnen zijn waarom er op dit moment slechts weinig staatssteun voor opslagprojecten is aangemeld. De rapporteur vindt dat bij de herziening van de EEAG rekening moet worden gehouden met de rol die opslag speelt bij de energietransitie.

 

Aangezien betaalbare elektriciteit een belangrijke doelstelling van de energietransitie is, is het verstandig te focussen op technologieën die al op de markt zijn of bijna operationeel zijn. Daarom wordt in het verslag op een selectie van technologieën gefocust.

 

Power-to-gas (omzetting van elektriciteit in gas)

 

Europa moet een leider worden op het gebied van groene waterstof. Groene waterstof, geproduceerd uit water met behulp van elektriciteit uit hernieuwbare energiebronnen, kan het elektriciteitssysteem veel flexibeler maken. Er bestaan al moderne elektrolytische cellen van meerdere megawatts. Groene waterstof maakt een grote geografische flexibiliteit mogelijk: het kan direct bij de elektriciteitsbron (bv. Een windmolenpark) worden geproduceerd en hetzij direct worden gebruikt, hetzij worden opgeslagen – in extreem grote hoeveelheden (bv. in natuurlijke grotten) – of over grote afstanden worden getransporteerd zonder noemenswaardige verliezen. Het kan dan voor verschillende doeleinden worden gebruikt, bv. om industriële processen in energie-intensieve industrieën te decarboniseren door een deel van de 15 Mt waterstof die wereldwijd in raffinaderijen wordt gebruikt, te vervangen, om aardgas voor verwarming te vervangen, als brandstof voor auto’s of om opnieuw te worden omgezet in elektriciteit. Momenteel is er geen geharmoniseerd kader met normen of vereisten voor power-to-gas. De mengnormen variëren van 5 % tot 20 % naar gelang van de lidstaat.

 

Om investeringen in de productie van groene waterstof te stimuleren en zo een markt te creëren, zijn solide infrastructuur en geharmoniseerde technische normen essentieel. Alvorens de aanleg van een afzonderlijk netwerk voor het vervoer van waterstof te overwegen, moet de mogelijkheid worden overwogen om gebruik te maken van bestaande pijpleidingen. Om marktverstoring te voorkomen, zijn duidelijke regels nodig om de rol van de verschillende marktdeelnemers te bepalen, naar analogie met de herziene bepalingen voor de opzet van de elektriciteitsmarkt.

 

Batterijen

 

Door hun relatief snelle reactietijd kunnen batterijen vooral dienen voor kortetermijngebruik om de stroomkwaliteit op het net veilig te stellen, bv. voor frequentieregeling, balancering van vraagpieken of het bufferen van schommelingen. Sommige scenario’s voorspellen een vraag naar lithium-ionbatterijen tot wel 4 000 GWh in 2040, ten opzichte van 78 GWh nu. Lithium-ionbatterijen zijn momenteel de meest geavanceerde batterijen die in elektrische voertuigen of privéwoningen worden gebruikt. Ze variëren van 1-10 KW-systemen tot 1-50 MW-systemen. 85 % van de batterijcellen worden in de regio Azië-Stille Oceaan geproduceerd. Bovendien moeten de vijf essentiële grondstoffen (lithium, nikkel, kobalt, mangaan en grafiet) worden ingevoerd. Het is dan ook essentieel om ontwikkeling en innovatie op het gebied van batterijen in de EU te bevorderen en zo minder afhankelijk te worden van derde landen. Daarom verwelkomt de rapporteur de European Battery Alliance (EBA) en het strategisch actieplan voor batterijen, die verder moeten worden ondersteund. Het strategisch actieplan voor batterijen, dat focust op grondstoffen, winning, bevoorrading, raffinage, productie van cellen en recycling, moet verder worden versterkt. Lithium-ionbatterijen hebben veel van onderzoek geprofiteerd. Bovendien moet de Commissie maatregelen nemen die een waardeketen voor batterijen in Europa helpen bouwen.

 

Om nog minder afhankelijk te worden van de invoer van grondstoffen, hebben we dringend behoefte aan een verbeterd EU-kader voor de recycling van gebruikte batterijen, met specifieke bepalingen, bv. voor lithium-ionbatterijen, die momenteel ontbreken. Dergelijke bepalingen zouden een markt voor de recycling van lithium-ionbatterijen kunnen helpen creëren. In dit verband verwelkomt de rapporteur de komende herziening van de batterijenrichtlijn en onderstreept zij hoe belangrijk het is om belemmeringen voor hergebruik en recycling uit de weg te ruimen. Bij de herziening moet een specifieke recyclingdoelstelling voor lithium-ionbatterijen worden overwogen.

 

Pompaccumulatie

 

Pompaccumulatie is een van de oudste en meest uitgerijpte manieren om energie op te slaan. Pompopslag heeft een efficiëntiepercentage van 75 à 80 % en vertegenwoordigt 97 % van de huidige energieopslagfaciliteiten in de EU. Het is een beproefde en efficiënte manier om energie op te slaan tegen concurrerende kosten.

 

Hoewel sommige lidstaten hun potentieel op het gebied van pompaccumulatie reeds in grote mate hebben onderzocht, is er in de EU nog een groot potentieel dat verder moet worden onderzocht, bv. door aanpassing en renovatie. Dit is een evenwichtige aanpak die milieubescherming combineert met een groter opslagpotentieel en meer efficiëntie. Volgens een studie van het Gemeenschappelijk Centrum voor Onderzoek[19] is er in de EU in bepaalde scenario’s een potentieel van 28 TWh en meer; daarbij is alleen gefocust op natuurlijke reservoirs. Zoals uit de huidige onderzoeksprojecten blijkt, is pompaccumulatie niet beperkt tot natuurlijke reservoirs. Er zijn onderzoeksprojecten om voormalige open mijnen te gebruiken voor pompaccumulatie.

 

Warmteopslag

 

Warmteopslag, zoals bij stadsverwarming, wordt momenteel in combinatie met wkk (warmte-krachtkoppeling) gebruikt om dichtbevolkte woongebieden te verwarmen; het warmtenet wordt tegelijkertijd gebruikt voor transport en als opslagruimte. Aangezien ook deze technologie reeds zeer efficiënt is gebleken, is de rapporteur van mening dat het potentieel verder moet worden onderzocht. Vooral woonwijken in de buurt van een industriegebied zijn ideaal om afvalwarmte van industriële processen te gebruiken, die kan worden opgeslagen en gedistribueerd voor verwarming. Met andere vormen van warmteopslag, ondergronds of in geïsoleerde tanks, kan in seizoensgebonden energieopslag worden voorzien.

 

De rapporteur beveelt daarom aan om stadsverwarmingsnetten verder te ontwikkelen, verouderde netten te verbeteren en te renoveren en ze voor financiering in aanmerking te laten komen. Daarom is zij verheugd dat grensoverschrijdende stadsverwarmingsnetwerken in de herziene CEF-verordening zijn opgenomen.

 

De rol van de consument

 

Decentrale energieopslag door consumenten zal een grotere rol krijgen. Particuliere huishoudens kunnen de energie die ze produceren, bv. met zonnepanelen, opslaan in huisbatterijen voor eigen later gebruik. Ze kunnen ook opslagunits in het netwerk worden door de opslagcapaciteit van hun e-voertuigbatterijen aan het net aan te bieden (“vehicle-to-grid”). Auto’s staan 96 % van de tijd geparkeerd en de batterijcapaciteit van geparkeerde e-voertuigen kan worden gebruikt om het net te balanceren. Er bestaan al innovatieve slimme tarieven; die moeten op grote schaal beschikbaar worden gesteld om het voor de consument aantrekkelijk te maken dergelijke flexibiliteitsdiensten aan te bieden.

 

 

 


 

 

BIJLAGE: LIJST VAN INSTANTIES WAARVAN OF PERSONEN VAN WIE DE RAPPORTEUR INFORMATIE HEEFT ONTVANGEN

<FootprintIntro>De volgende lijst wordt op zuiver vrijwillige basis opgesteld onder de exclusieve bevoegdheid van de rapporteur. De rapporteur heeft bij de opstelling van het verslag tot het moment van goedkeuring in de commissie informatie ontvangen van de volgende entiteiten of personen:</FootprintIntro>

Entiteit en/of persoon

Prof. dr. Susanne Muhar, prof. dr. Stefan Schmutz / BOKU (Universiteit voor natuurlijke rijkdommen en biowetenschappen), Wenen

Johannes Thema, Arjuna Nebel / Wuppertal Institut

Transport & Environment

Finnish Energy

WWF

EUROBAT

VERBUND AG

RWE

Europese Commissie, DG COMP

EASE

AXPO

Illwerke/VKW

Europese Commissie, DG ENER

Europese Commissie, DG GROW

Oostenrijks Ministerie van Landbouw, Regio’s en Toerisme

Arbeiterkammer Österreich

Oostenrijks federaal Ministerie van Klimaatbescherming, Milieu, Energie, Mobiliteit, Innovatie en Technologie 

cyberGRID

E-Control

Energienetze Steiermark

Fachverband Gas Wärme

Industriellenvereinigung

Klima- und Energiefonds

OMV AG

Oesterreichs Energie

Österreichische Energieagentur

Österreichischer Biomasse-Verband

Ressl Holding GmbH

Umwelt Management Austria

Verband der öffentlichen Wirtschaft und Gemeinwirtschaft Österreichs

WWF Österreich

Wirtschaftskammer Österreich

Wien Energie

RAG Austria AG

Flexens

Eurelectric

 


INFORMATIE OVER DE GOEDKEURING IN DE BEVOEGDE COMMISSIE

Datum goedkeuring

29.6.2020

 

 

 

Uitslag eindstemming

+:

–:

0:

53

3

15

Bij de eindstemming aanwezige leden

François Alfonsi, Nicola Beer, Hildegard Bentele, Tom Berendsen, Vasile Blaga, Michael Bloss, Paolo Borchia, Marc Botenga, Markus Buchheit, Klaus Buchner, Cristian-Silviu Buşoi, Jerzy Buzek, Carlo Calenda, Andrea Caroppo, Maria da Graça Carvalho, Ignazio Corrao, Ciarán Cuffe, Josianne Cutajar, Martina Dlabajová, Christian Ehler, Niels Fuglsang, Lina Gálvez Muñoz, Claudia Gamon, Nicolás González Casares, Bart Groothuis, Christophe Grudler, András Gyürk, Henrike Hahn, Robert Hajšel, Ivo Hristov, Romana Jerković, Seán Kelly, Izabela-Helena Kloc, Łukasz Kohut, Zdzisław Krasnodębski, Andrius Kubilius, Miapetra Kumpula-Natri, Thierry Mariani, Marisa Matias, Eva Maydell, Georg Mayer, Joëlle Mélin, Iskra Mihaylova, Dan Nica, Angelika Niebler, Ville Niinistö, Aldo Patriciello, Mauri Pekkarinen, Tsvetelina Penkova, Morten Petersen, Markus Pieper, Clara Ponsatí Obiols, Sira Rego, Jérôme Rivière, Robert Roos, Jessica Stegrud, Beata Szydło, Riho Terras, Grzegorz Tobiszowski, Patrizia Toia, Evžen Tošenovský, Isabella Tovaglieri, Henna Virkkunen, Pernille Weiss, Carlos Zorrinho

Bij de eindstemming aanwezige vaste plaatsvervangers

Mohammed Chahim, Jakop G. Dalunde, Eleonora Evi, Martin Hojsík, Elena Kountoura, Nils Torvalds

 


HOOFDELIJKE EINDSTEMMING IN DE BEVOEGDE COMMISSIE

 

53

+

PPE

Hildegard Bentele, Tom Berendsen, Vasile Blaga, Cristian-Silviu Buşoi, Jerzy Buzek, Maria Da Graça Carvalho, Christian Ehler, András Gyürk, Seán Kelly, Andrius Kubilius, Eva Maydell, Angelika Niebler, Aldo Patriciello, Markus Pieper, Riho Terras, Henna Virkkunen, Pernille Weiss

S&D

Carlo Calenda, Mohammed Chahim, Josianne Cutajar, Niels Fuglsang, Lina Gálvez Muñoz, Nicolás González Casares, Robert Hajšel, Ivo Hristov, Romana Jerković, Łukasz Kohut, Miapetra Kumpula-Natri, Dan Nica, Tsvetelina Penkova, Patrizia Toia, Carlos Zorrinho

RENEW

Nicola Beer, Martin Hojsík, Martina Dlabajová, Claudia Gamon, Bart Groothuis, Christophe Grudler, Iskra Mihaylova, Mauri Pekkarinen, Morten Petersen, Nils Torvalds

VERTS/ALE

François Alfonsi, Michael Bloss, Klaus Buchner, Ciarán Cuffe, Jakop G. Dalunde, Henrike Hahn, Ville Niinistö

GUE

Elena Kountoura

NI

Ignazio Corrao, Eleonora Evi, Clara Ponsatí Obiols

 

3

-

ID

Markus Buchheit, Georg Mayer

ECR

Robert Roos

 

15

0

ID

Paolo Borchia, Andrea Caroppo, Thierry Mariani, Joëlle Mélin, Jérôme Rivière, Isabella Tovaglieri

ECR

Izabela-Helena Kloc, Zdzisław Krasnodębski, Jessica Stegrud, Beata Szydło, Grzegorz Tobiszowski, Evžen Tošenovský

GUE/NGL

Marc Botenga, Marisa Matias, Sira Rego

 

Verklaring van de gebruikte tekens:

+ : voor

- : tegen

0 : onthouding

 

 

[1] PB L 158 van 14.6.2019, blz. 125.

[2] PB L 158 van 14.6.2019, blz. 54.

[3] PB L 328 van 21.12.2018, blz. 82.

[4] PB L 115 van 25.4.2013, blz. 39.

[5] PB L 348 van 20.12.2013, blz. 129.

[6] PB L 283 van 31.10.2003, blz. 51.

[7] PB L 266 van 26.9.2006, blz. 1.

[8] PB L 327 van 22.12.2000, blz. 1.

[9] PB L 206 van 22.7.1992, blz. 7.

[10] Aangenomen teksten, P9_TA(2020)0005.

[11] Aangenomen teksten, P9_TA(2019)0078.

[12] Aangenomen teksten, P9_TA(2019)0079.

[13] Aangenomen teksten, P8_TA(2019)0217.

[14] Aangenomen teksten, P8_TA(2018)0438.

[15] PB C 463 van 21.12.2018, blz. 10.

[16] PB C 204 van 13.6.2018, blz. 23.

[17] PB C 204 van 13.6.2018, blz. 35.

[18] Verordening (EU) nr. 347/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 april 2013 betreffende richtsnoeren voor de trans-Europese energie-infrastructuur en tot intrekking van Beschikking nr. 1364/2006/EG en tot wijziging van de Verordeningen (EG) nr. 713/2009, (EG) nr. 714/2009 en (EG) nr. 715/2009 (PB L 115 van 25.4.2013, blz. 39).

[19] Marcos Gimeno-Gutiérrez, Roberto Lacal-Arántegui, “Assessment of the European potential for pumped hydropower energy storage – A GIS-based assessment of pumped hydropower storage potential” (JRC Scientific and Policy Reports 2013).

Laatst bijgewerkt op: 7 juli 2020Juridische mededeling - Privacybeleid