Procedure : 2019/2157(INI)
Stadium plenaire behandeling
Documentencyclus : A9-0154/2020

Ingediende teksten :

A9-0154/2020

Debatten :

PV 06/10/2020 - 7
CRE 06/10/2020 - 7

Stemmingen :

PV 07/10/2020 - 2
PV 08/10/2020 - 2

Aangenomen teksten :

P9_TA(2020)0257

<Date>{11/09/2020}11.9.2020</Date>
<NoDocSe>A9-0154/2020</NoDocSe>
PDF 317kWORD 110k

<TitreType>VERSLAG</TitreType>

<Titre>over de Europese bosbouwstrategie – de weg vooruit</Titre>


<DocRef>(2019/2157(INI))</DocRef><Commission>{AGRI}Commissie landbouw en plattelandsontwikkeling</Commission>

Rapporteur: <Depute>Petri Sarvamaa</Depute>

Rapporteur voor advies (*):
Jessica Polfjärd, Commissie milieubeheer, volksgezondheid en voedselveiligheid

(*) Medeverantwoordelijke commissie – Artikel 57 van het Reglement

AMENDEMENTEN
ONTWERPRESOLUTIE VAN HET EUROPEES PARLEMENT
 TOELICHTING
 ADVIES VAN DE COMMISSIE MILIEUBEHEER, VOLKSGEZONDHEID EN VOEDSELVEILIGHEID
 ADVIES VAN DE COMMISSIE INDUSTRIE, ONDERZOEK EN ENERGIE
 INFORMATIE OVER DE GOEDKEURING IN DE BEVOEGDE COMMISSIE
 HOOFDELIJKE EINDSTEMMING IN DE BEVOEGDE COMMISSIE

ONTWERPRESOLUTIE VAN HET EUROPEES PARLEMENT

over de Europese bosbouwstrategie – de weg vooruit

(2019/2157(INI))

Het Europees Parlement,

 gezien de mededeling van de Commissie van 11 december 2019 getiteld “De Europese Green Deal” (COM(2019)0640), de mededeling van de Commissie van 20 mei getiteld “EU-biodiversiteitsstrategie voor 2030” (COM(2020)0380) en zijn resoluties van 15 januari 2020 over de Europese Green Deal[1] en van 16 januari 2020 over de 15e bijeenkomst van de Conferentie van de partijen bij het Verdrag inzake biologische diversiteit (COP15)[2],

    gezien de door de Europese Unie op 23 juni 2014 geratificeerde verklaring van New York inzake bossen;     gezien het verslag van de Commissie aan het Europees Parlement, de Raad, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio’s van 7 december 2018 met als titel “Voortgang van de tenuitvoerlegging van de bosstrategie van de EU "Een nieuwe EU-bosstrategie ten bate van de bossen en de houtsector"” (COM(2018)0811),     gezien zijn resolutie van 28 april 2015 over een nieuwe bosbouwstrategie van de Europese Unie: ten bate van de bossen en de houtsector[3],     gezien de mededeling van de Commissie aan het Europees Parlement, de Raad, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio’s van 23 juli 2019 met als titel “Bescherming en herstel van bossen wereldwijd: de actie van de EU opvoeren” (COM(2019)0352),     gezien de conclusies van de Raad van 15 april 2019 over de voortgang van de uitvoering van de EU-bosstrategie en een nieuw strategisch kader voor bossen (08609/2019),     gezien Verordening (EU) Nr. 1143/2014 van het Europees Parlement en de Raad betreffende de preventie en beheersing van de introductie en verspreiding van invasieve uitheemse soorten en de daarna volgende uitvoeringsverordeningen met actualiseringen van de lijst van invasieve uitheemse soorten, waaronder ook boomsoorten[4],     gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité van 30 oktober 2019 over het verslag van de Commissie aan het Europees Parlement, de Raad, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio’s van 7 december 2018 met als titel “Voortgang van de tenuitvoerlegging van de bosstrategie van de EU "Een nieuwe EU-bosstrategie ten bate van de bossen en de houtsector"”,     gezien de mondiale evaluatie van biodiversiteit en ecosysteemdiensten die gepubliceerd is door het intergouvernementeel platform voor wetenschap en beleid inzake biodiversiteit en ecosysteemdiensten (Intergovernmental Science Policy Platform on Biodiversity and Ecosystem Services, IPBES) op 31 mei 2019,     gezien het verslag van het Europees Milieuagentschap getiteld “The European environment – state and outlook 2020: knowledge for transition to a sustainable Europe”, gepubliceerd op 4 december 2019,     gezien het advies van het Comité van de regio's van 10 en 11 april 2019 over de tenuitvoerlegging van de bosbouwstrategie van de EU,     gezien de tussentijdse evaluatie van de biodiversiteitsstrategie tot 2020,     gezien de geactualiseerde EU-strategie voor de bio-economie,     gezien de klimaatstrategie voor 2050,     gezien de conclusies van de Raad van 29 november 2019 over de geactualiseerde EU-strategie voor de bio-economie[5],     gezien de mededeling van de Commissie van 28 november 2018 met als titel “Een schone planeet voor iedereen – Een Europese strategische langetermijnvisie voor een bloeiende, moderne, concurrerende en klimaatneutrale economie” (COM(2018)0773),     gezien het advies van het Comité van de Regio’s van 16 mei 2018 over de tussentijdse evaluatie van de bosstrategie van de EU[6],     gezien de Europa 2020-strategie, waaronder de initiatieven Innovatie-Unie en Efficiënt gebruik van hulpbronnen,     gezien artikel 54 van zijn Reglement,     gezien de adviezen van de Commissie milieu, volksgezondheid en voedselveiligheid en de Commissie industrie, onderzoek en energie,     gezien het verslag van de Commissie landbouw en plattelandsontwikkeling (A9-0154/2020),     gezien de verantwoordelijkheden van de EU-lidstaten uit hoofde van het Verdrag inzake biologische diversiteit (CBD), het Raamverdrag van de Verenigde Naties inzake klimaatverandering (UNFCCC) en het Verdrag van de Verenigde Naties ter bestrijding van woestijnvorming (UNCCD),

A. overwegende dat de interne en internationale verplichtingen van de EU, bijvoorbeeld in verband met de Europese Green Deal, de duurzame-ontwikkelingsdoelstellingen (Sustainable Development Goals, SDG’s) van de VN, het Protocol van Kyoto, de Overeenkomst van Parijs en de totstandbrenging van een emissievrije maatschappij, onmogelijk kunnen worden nagekomen zonder de klimaatvoordelen en andere ecosysteemdiensten die worden geleverd door bossen en de houtsector;

B. overwegende dat in het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie niet wordt verwezen naar een gemeenschappelijk bosbeleid van de EU en dat de verantwoordelijkheid voor bossen ligt bij de lidstaten; overwegende dat de EU echter reeds lang via haar beleid en richtsnoeren, met inbegrip van artikel 4 VWEU met betrekking tot energie, milieu en landbouw, bijdraagt aan duurzaam bosbeheer en aan de besluiten die over bossen worden genomen door de lidstaten;

C. overwegende dat bossen en de hele houtwaardeketen van fundamenteel belang zijn voor de verdere ontwikkeling van de circulaire bio-economie, aangezien zij banen scheppen, zorgen voor economische welvaart in plattelands- en stedelijke gebieden, diensten leveren op het gebied van mitigatie van en aanpassing aan de klimaatverandering, voordelen opleveren op het gebied van gezondheid, en de biodiversiteit en de vooruitzichten van berg-, eiland- en plattelandsregio’s beschermen, alsmede woestijnvorming tegengaan;

D. overwegende dat behoorlijk gefinancierd onderzoek van hoge kwaliteit, innovatie, informatieverzameling, onderhoud en ontwikkeling van databanken, beste praktijken en kennisdeling van cruciaal belang zijn voor de toekomst van de multifunctionele bossen van de EU en voor de gehele houtwaardeketen, gezien de toenemende eisen die aan bossen worden gesteld en het feit dat de vele kansen en uitdagingen waarmee de maatschappij wordt geconfronteerd, moeten worden aangepakt;

E. overwegende dat bossen ons natuurlijke erfgoed vormen, dat wij moeten beschermen en in stand moeten houden, en dat goed beheer van dit erfgoed van essentieel belang is voor de welstand ervan en voor de ondersteuning van de biodiversiteit en de economische, toeristische en sociale welvaart;

F. overwegende dat het Europees Landbouwfonds voor plattelandsontwikkeling, in het kader van het GLB, instrumenten en middelen heeft verstrekt om de bosbouw te ondersteunen en dit dient te blijven doen in het GLB na 2020, met bijzondere aandacht voor duurzaam bosbeheer;

G. overwegende dat de EU 16 miljoen particuliere boseigenaren telt die ongeveer 60 % van de bossen in de EU bezitten; overwegende dat de gemiddelde oppervlakte van een bos in privébezit 13 ha is, waarbij ongeveer twee derde van de particuliere boseigenaren minder dan 3 ha bos bezit;

H. overwegende dat duurzaam beheerde bossen enorm belangrijk zijn voor het garanderen van banen in plattelandsgebieden, en dat deze bossen niet alleen bevorderlijk zijn voor de volksgezondheid, maar ook een essentiële bijdrage leveren aan het milieu en de biodiversiteit;

I. overwegende dat maatregelen voor de beperking van en aanpassing aan de klimaatverandering in bossen onderling verbonden zijn, doordat bepaalde aspecten in evenwicht moeten worden gebracht en synergieën tussen deze maatregelen moeten worden bevorderd, met name in de aanpassingsstrategieën en -plannen van de lidstaten;

J. overwegende dat de Europese bossen en de situatie waarin zij verkeren, onderling verschillen en dus op verschillende wijze moeten worden behandeld, maar altijd met het oog op de verbetering van hun economische, sociale en milieufunctie;

K. overwegende dat de ultraperifere gebieden zeer rijke reservoirs van biodiversiteit omvatten en dat het van fundamenteel belang is om deze in stand te houden;

L. overwegende dat het verlies van biodiversiteit in bossen aanzienlijke ecologische, economische en sociale gevolgen heeft;

M. overwegende dat bodemkwaliteit een cruciale rol speelt bij de levering van ecosysteemdiensten zoals waterfiltratie en -opslag, en dus bij de bescherming tegen overstromingen en droogte,  CO2-vastlegging, biodiversiteit en de groei van biomassa; overwegende dat verbetering van de bodemkwaliteit, in sommige regio’s bijvoorbeeld door de omvorming van naaldbossen tot permanente loofbossen, een economisch uitdagend proces is dat tientallen jaren duurt;

N. overwegende dat de cruciale rol van duurzaam bosbeheer duidelijker moet worden gemaakt aan de Europese samenleving, die steeds meer afgesneden raakt van bossen en bosbouw, en dat daarbij de vele voordelen moeten worden onderstreept die bossen te bieden hebben uit economisch, sociaal, en ecologisch, alsmede cultureel en historisch oogpunt;

O. overwegende dat bossen, naast koolstofvastlegging, een gunstig effect hebben op het klimaat, de atmosfeer, het behoud van de biodiversiteit en het beheer van rivieren en waterwegen, de bodem beschermen tegen erosie door water en wind en andere nuttige natuurlijke eigenschappen hebben;

P. overwegende dat bijna 23 % van de Europese bossen te vinden is in Natura 2000-gebieden, en in sommige lidstaten meer dan 50 %, en dat bijna de helft van de natuurlijke habitats in Natura 2000-gebieden bossen zijn;

Q. overwegende dat bossen zowel de bron kunnen zijn van primaire bosproducten zoals hout, als waardevolle secundaire producten kunnen opleveren, zoals paddenstoelen, truffels, kruiden, honing en bessen, die zeer belangrijk zijn voor de economische activiteiten in bepaalde regio’s van de Unie;

R. overwegende dat de Europese bossen een belangrijke rol spelen in de verbetering van het milieu, de ontwikkeling van de economie, het voorzien in de behoefte van de lidstaten aan houtproducten en de vergroting van het welzijn van de bevolking;

S. overwegende dat boslandbouw, gedefinieerd als grondgebruikstelsels waarbij bomen worden gekweekt in combinatie met landbouw op hetzelfde perceel, een reeks grondgebruikstelsels is die de algehele productiviteit vergroten, meer biomassa opleveren, de bodem in stand houden en herstellen en een aantal waardevolle ecosysteemdiensten verstrekken;

T. overwegende dat de multifunctionele rol van bossen, de aanzienlijke tijd die nodig is voor de vorming ervan en het feit dat het belangrijk is een goede diversiteit van soorten te waarborgen, het tot een belangrijke Europese taak maken om de bosrijkdommen duurzaam te gebruiken en om ze in stand te houden en te vermeerderen;

U. overwegende dat sociaal verantwoorde en milieuvriendelijke jacht ook een belangrijke rol speelt in bossen en halfbeboste regio’s, door het controleren van de hoeveelheid wild en de verspreiding van aan wild gerelateerde ziekten, zoals Afrikaanse varkenspest;

V. overwegende dat bossen een cruciale rol spelen in de bestrijding van bodemerosie en de desertificatie van landmassa’s; overwegende dat onderzoek aantoont dat bomen in parken en in de stedelijke omgeving een positief effect hebben op de temperatuur, die er lager wordt gehouden dan in boomloze gebieden;

W. overwegende dat in de huidige programmeringsperiode (2014-2020) maatregelen zijn genomen in het GLB die bedoeld zijn om marktdeelnemers te helpen capaciteit op te bouwen met betrekking tot bosbeheer;

X. overwegende dat sommige bosrijke regio’s wemelen van de plagen en insecten, zoals houtkevers en diverse zwammen; overwegende dat natuurlijke populaties van kastanjebossen te maken krijgen met een massale invasie van Cryphonectria parasitica (kastanjekanker), die een ernstige bedreiging vormt voor de overleving van deze populaties, maar op termijn ook voor de bijbehorende activiteiten van de mens, zoals de productie en verzameling van kastanjes;

Y. overwegende dat de beschikbare gegevens over bossen op EU-niveau onvolledig en van wisselende kwaliteit zijn, hetgeen de coördinatie in verband met bosbeheer op EU-niveau belemmert;

Z. overwegende dat ook in de EU nog steeds illegale houtkap plaatsvindt;

Het verleden – recente successen en uitdagingen met betrekking tot de tenuitvoerlegging

1. is tevreden met de publicatie van het verslag van de Commissie met als titel “Voortgang van de tenuitvoerlegging van de bosstrategie van de EU "Een nieuwe EU-bosstrategie ten bate van de bossen en de houtsector"” (COM(2018)0811);

2. is ingenomen met de maatregelen die de lidstaten en de Commissie hebben getroffen om de doelstellingen van de EU-bosstrategie te verwezenlijken en met de betrokkenheid van het Permanent Comité voor de bosbouw, de Groep voor de dialoog met het maatschappelijk middenveld voor bosbouw en kurk, de deskundigengroep bosbranden, de deskundigengroep houtsector en sectorgerelateerde aangelegenheden en de relevante belanghebbenden bij het meerjarig uitvoeringsplan voor de bosstrategie ("Forenst MAP");

3. overwegende dat in het verslag van de Commissie uit 2018 over de voortgang van de tenuitvoerlegging van de huidige bosstrategie van de EU wordt gesteld dat de strategie nuttig is geweest als coördinatie-instrument en dat de acht plus één prioritaire gebieden van de strategie in het algemeen zijn uitgevoerd met relatief weinig belemmeringen, met uitzondering van grote uitdagingen die moeten worden aangepakt met het biodiversiteitsbeleid en de uitdagingen die er nog steeds zijn op het gebied van de prioriteit onder de titel “Wat voor soort bossen hebben wij, en aan welke veranderingen zijn ze onderhevig”, met name de perceptie en informatie van het publiek over de bosbouwsector en van de bevordering van coördinatie en communicatie, met name over bosgerelateerde beleidsmaatregelen;

4. wijst erop dat een definitie van duurzaam bosbeheer internationaal is overeengekomen in het kader van het pan-Europese FOREST EUROPE-proces; merkt op dat de definitie is opgenomen in de nationale wetgeving en in de vrijwillige systemen, zoals boscertificeringen, die in de lidstaten gelden;

5. benadrukt het feit dat de bevordering van duurzaam bosbeheer in de EU, in het raam van de EU-bosstrategie en de maatregelen op het gebied van plattelandsontwikkeling die ten uitvoer worden gelegd in het kader van het gemeenschappelijk landbouwbeleid (GLB), grotendeels een positief effect heeft gehad op bossen en de toestand van bossen en op de bestaansmiddelen in plattelandsgebieden, alsmede op de biodiversiteit van de bossen in de EU, en dat zij de voordelen heeft vergroot die de houtsector biedt voor het klimaat; merkt echter op dat duurzaam bosbeheer nog steeds op evenwichtige wijze moet worden versterkt om ervoor te zorgen dat de milieutoestand van bossen erop vooruit gaat en om de gezondheid en veerkracht van de ecosystemen te verbeteren, alsmede om ervoor te zorgen dat bossen zich beter kunnen aanpassen aan de veranderende klimaatomstandigheden, teneinde de risico’s en gevolgen van natuurlijke verstoringen te beperken en mogelijkheden te waarborgen voor de huidige en toekomstige generaties om bossen te exploiteren, bijvoorbeeld op zodanige wijze dat de doelstellingen van boseigenaren en kmo’s worden gerealiseerd, alsmede om de kwaliteit van bestaande bossen en beboste gebieden te verbeteren; is van mening dat de EU-bosstrategie hiervoor passende instrumenten moet omvatten; wijst erop dat de lidstaten verplicht zijn om bossen op voorbeeldige wijze duurzaam te beheren; herhaalt dat de bosbeheermodellen ecologische, maatschappelijke en economische duurzaamheid moeten integreren, d.w.z. dat het beheer en gebruik van bossen en bosgebieden van dien aard moeten zijn dat deze hun biodiversiteit, productiviteit, regeneratievermogen en vitaliteit behouden, alsmede hun vermogen om nu en in de toekomst relevante ecologische, economische en maatschappelijke functies te vervullen op lokaal, nationaal en internationaal niveau, en dat geen schade wordt toegebracht aan andere ecosystemen; beklemtoont dat erkenning en waarborging van eigendomsrechten essentieel is voor een langetermijnengagement voor duurzaam bosbeheer; wijst erop dat de instandhouding en het duurzame beheer van onze bossen van centraal belang zijn voor ons algemeen welzijn, doordat in bossen activiteiten van algemeen belang worden ontplooid op het gebied van recreatie en gezondheid, alsmede van onderwijs, en erkent dat duurzaam bosbeheer de bescherming bevordert van de biodiversiteit van de Europese bossen; dringt aan op de bescherming van oerbossen, met behoud van de structuur, de soortenrijkdom en een adequaat areaal, op plaatsen waar deze bossen nog bestaan; merkt op dat er geen EU-definitie is voor “oerbos” en verzoekt de Commissie een definitie vast te stellen, die moet worden voorbereid in het Permanent Comité voor de bosbouw, in het kader van het proces inzake de opstelling van de toekomstige EU-bosstrategie; benadrukt dat de meningen over de CO2-opnamecapaciteit van verschillende soorten bos uiteen kunnen lopen en is daarom van mening dat de nieuwe EU-bosstrategie duurzaam bosbeheer moet bevorderen; betreurt de niet-duurzame praktijken en de illegale houtkap die in sommige lidstaten plaatsvinden, ondanks de EU-houtverordening, en roept de lidstaten voorts op meer te doen om hieraan een einde te maken en ook om indien nodig hun nationale wetgeving te verbeteren of te versterken; spoort de Commissie en de lidstaten aan deze kwesties dringend aan te pakken, door middel van nauwlettend toezicht en door de bestaande EU-wetgeving te handhaven, en roept de Commissie op om snel inbreukprocedures op te starten in het geval van inbreuken en om zaken in verband met illegale houtkap op te volgen in alle bevoegde instanties; roept de Commissie op om de geschiktheidscontrole van de EU-regels inzake illegale houtkap onverwijld af te werken;

6. besluit dat de verschillen tussen de lidstaten en de verschillen tussen regio’s binnen de lidstaten, een belangrijk factor zijn geweest tijdens het overwegen van maatregelen op EU-niveau;

7. spreekt zijn ernstige bezorgdheid uit over het feit dat in delen van de Unie het gebrek aan uitvoering van bestaande EU-wetgeving en de verdenking van corruptie hebben geleid tot illegale houtkap en niet-duurzame bosbouw; verzoekt de Commissie en de lidstaten corruptie te bestrijden en de bestaande wetgeving volledig uit te voeren;

Het heden – toestand van de bossen in de EU

8. benadrukt het feit dat de bossen in de EU, inclusief de bossen in haar overzeese gebieden en ultraperifere regio’s, multifunctioneel zijn en gekenmerkt worden door een grote diversiteit op het gebied van eigendomspatronen, omvang, structuur, biodiversiteit, veerkracht en uitdagingen; wijst erop dat bossen, met name gemengde bossen, de maatschappij een brede waaier van ecosysteemdiensten bieden, waaronder habitats voor soorten, koolstofvastlegging, grondstoffen, hernieuwbare energie, verbeterde luchtkwaliteit, schoon water, grondwateraanvulling, erosiebestrijding en bescherming tegen droogte, overstromingen en lawines, en dat bossen ingrediënten leveren voor geneesmiddelen en een belangrijke culturele en recreatieve voorziening zijn; merkt op dat dit alles niet langer volledig gewaarborgd lijkt, aangezien boseigenaren op grond van de lastige economische situatie als gevolg van de klimaatverandering en andere factoren niet meer opnieuw kunnen investeren in bossen; merkt op dat volgens de meest recente ramingen slechts 26 % van de bossoorten en 15 % van de boshabitats een gunstige staat van instandhouding vertoont; verzoekt de lidstaten te zorgen voor de bescherming van ecosystemen en, waar nodig, richtsnoeren te ontwikkelen en te verbeteren met betrekking tot andere bosproducten dan hout;

9. neemt kennis van de vorderingen die zijn gemaakt met de waardering van ecosysteemdiensten in het kader van het initiatief “Ecosystemen en hun diensten in kaart brengen en beoordelen” (MAES); benadrukt echter dat de levering van ecosysteemdiensten zoals de vastlegging van CO2, bevordering van de biodiversiteit of bodemverbetering momenteel niet op adequate wijze wordt vergoed en dat bosbeheerders die hun bossen op dit moment overeenkomstig transformeren, mogelijk verlies zullen lijden ondanks dat er substantiële ecosysteemdiensten worden geleverd; verzoekt de Commissie en de lidstaten opties te analyseren om klimaat-, biodiversiteits- en andere ecosysteemdiensten naar behoren te stimuleren en vergoeden teneinde een economisch rendabele conversie van bossen mogelijk te maken;

10. merkt op dat de bosbestanden van de EU de afgelopen decennia zijn toegenomen in termen van bosbedekking en bosvolume, en dat bossen en andere beboste gebieden momenteel ongeveer 43 % van de oppervlakte van de EU beslaan en ten minste 182 miljoen hectare bedragen en 5 % van de totale bossen ter wereld uitmaken, dankzij bebossing en natuurlijke regeneratie; merkt op dat de helft van het Natura 2000-netwerk bestaat uit bosgebieden (d.w.z. 37,5 miljoen hectare) en dat 23 % van alle bossen in Europa binnen Natura 2000-gebieden liggen, terwijl sommige lidstaten een grondgebied hebben dat voor meer dan de helft bedekt is door bossen en deze lidstaten van bosbouw afhankelijk zijn; wijst erop dat het belangrijk is de kennis over Natura 2000 en de effecten ervan op biodiversiteit, bosbeheer en andere vormen van bodemgebruik in de hele EU te verbeteren; merkt op dat 60 % van de bossen in de EU particuliere eigendom is, met een groot aandeel kleine bosbedrijven (minder dan 3 ha), en 40 % in overheidshanden; wijst erop dat meer dan 60 % van de productieve bossen in de EU en meer dan 20 % ervan in de hele wereld gecertificeerd zijn volgens de vrijwillige normen van het duurzame bosbeheer; merkt ook op dat het percentage rondhout uit gecertificeerde bossen dat door de houtsector wordt verwerkt, wereldwijd hoger is dan 20 % en dat dit percentage wel 50 % bedraagt in de EU; wijst erop dat de sector in de EU direct werk bezorgt aan ten minste 500 000 personen[7] en indirect aan 2,6 miljoen personen[8] en dat de handhaving van deze banen en de concurrentiekracht van de sector voor de lange termijn voortdurend inspanningen vergen om goed opgeleide werknemers aan te trekken tot de sector en ervoor te zorgen dat de werknemers behoorlijke toegang hebben tot sociale en medische hulp; merkt op dat deze banen afhankelijk zijn van veerkrachtige, goed beheerde bosecosystemen op de lange termijn; benadrukt het feit dat boseigenaren een cruciale rol spelen bij de tenuitvoerlegging van duurzaam bosbeheer en dat bossen een belangrijke rol spelen bij het scheppen van groene banen en groei in plattelandsgebieden; wijst er bovendien op dat boseigenaren en -beheerders in de EU een lange traditie hebben op het gebied van het beheer van multifunctionele bossen en hier veel ervaring mee hebben; verzoekt de Commissie om de noodzaak van steun aan boseigenaren, inclusief financiële steun, op te nemen in de nieuwe EU-bosstrategie; is van mening dat deze steun afhankelijk moet worden gesteld van de toepassing van duurzaam bosbeheer, om blijvende investeringen te waarborgen in moderne technologie en in milieu- en klimaatmaatregelen die de multifunctionele rol van bossen versterken, met een specifiek financieringsinstrument voor het beheer van gebieden in het Natura 2000-netwerk en het scheppen van behoorlijke arbeidsomstandigheden; is van mening dat deze financiële steun het resultaat moet zijn van een solide combinatie van financieringsinstrumenten, nationale financiering en financiering door de privésector; onderstreept het feit dat het belangrijk is plattelandsvlucht te voorkomen en acht het essentieel te investeren in ecosystemen; is ingenomen met bebossing en herbebossing als geschikte instrumenten om de bosbedekking te verbeteren, met name op onbeheerde terreinen die ongeschikt zijn voor voedselproductie, dichtbij stedelijke en voorstedelijke gebieden en in bergachtige gebieden, indien nodig; moedigt financieel ondersteunde acties aan voor het gebruik van gekapt hout in verhouding tot het duurzame bosbestand en voor het verhogen van de bosbedekking en andere beboste gebieden waar dat relevant is, met name in de lidstaten waar de bosbedekking laag is, terwijl in andere lidstaten het behoud van bosbedekking in gebieden met versterkte ecologische functies wordt aangemoedigd; merkt op dat bossen een aanzienlijk deel van de terrestrische biodiversiteit van Europa herbergen;

11. stelt vast dat het bosgebied in de Unie toeneemt, onder meer als gevolg van bebossing, en dat beheerde commerciële bossen niet alleen koolstof beter binden dan onbeheerde bossen, maar ook de emissies en problemen die worden veroorzaakt door de verslechtering van de toestand van bossen beperken; merkt op dat een duurzaam beheer van commerciële bossen de beste impact op het klimaat heeft en dat landen die hun bossen goed beheren hiervoor moeten worden beloond;

12. neemt kennis van het feit dat particuliere en publieke langetermijninvesteringen in een versterkt duurzaam bosbeheer dat evenveel aandacht besteedt aan de sociale, ecologische en economische voordelen van bossen en aan adequate financierings- en compensatiemechanismen, de weerbaarheid en het aanpassingsvermogen van bossen kunnen helpen garanderen en de houtsector kunnen helpen economisch levensvatbaar en milieuvriendelijk te blijven, maar ook kunnen bijdragen aan de verwezenlijking van de vele doelstellingen van de EU, met inbegrip van de succesvolle uitvoering van de Europese Green Deal en de overgang naar een circulaire bio-economie, alsmede de bevordering van de biodiversiteit; wijst erop dat ook andere, gemakkelijk toegankelijke, goed gecoördineerde en zinvolle EU-financieringsmechanismen nodig zijn, zoals financiële instrumenten of de steun van de Europese Investeringsbank, om de investeringen te versterken in bosbouwprojecten die gericht zijn op duurzaam bosbeheer en op de preventie en vermindering van bosbranden, alsmede de structuurfondsen en middelen uit het Horizon-, het Erasmus+- en het LIFE+-programma, die kunnen zorgen voor essentiële steun voor investeringen en dienstverlening ten behoeve van koolstofopslag en -vastlegging in het kader van duurzaam bosbeheer, volledig in overeenstemming met de Green Deal;

13. erkent de cruciale voordelen van bossen en de houtsector voor het klimaat; herhaalt dat de ecologische, economische en sociale aspecten van bossen en bosbeheer op evenwichtige wijze moeten worden bevorderd, terwijl de algemene klimaatvoordelen die bossen en de houtwaardeketen bieden, worden versterkt, met name door bevordering van de CO2-vastlegging en koolstofopslag in houtproducten en vervanging van grondstoffen; benadrukt het feit dat het nodig is de CO2-vastlegging in bossen te behouden, verder te bevorderen en waar mogelijk op te voeren tot een niveau dat het mogelijk maakt alle functies van bossen duurzaam te beheren en koolstof ter plaatse op te slaan, onder meer in landbouwbossen, dood hout en de bosbodem, alsmede in producten op basis van hout, door middel van een actief duurzaam bosbeheer; wijst erop dat meer dan 10 % van de broeikasgasemissies van de EU wordt opgenomen door bossen; wijst erop dat het gebruik van hout als duurzaam bouwmateriaal moet worden bevorderd, aangezien dit ons in staat stelt op te schuiven in de richting van een duurzamere economie; moedigt de Commissie aan diverse marktgebaseerde mechanismen te onderzoeken om de vervanging te stimuleren van fossiele brandstoffen door hernieuwbare grondstoffen die klimaatvoordelen opleveren; benadrukt het feit dat materialen op basis van hout een cruciale rol spelen bij de vervanging van fossiele alternatieven en alternatieven met een grote ecologische voetafdruk in sectoren als de bouw, de textielindustrie, de chemische industrie en de verpakkingsindustrie en het feit dat ten volle rekening moet worden gehouden met de klimaat- en milieuvoordelen van deze vervanging van materialen; wijst daarnaast op de nog onderbenutte voordelen die worden geboden door de vervanging van wegwerpproducten, met name plastic producten, door duurzame producten op basis van hout; onderstreept dat ook het circulaire gebruik van producten op basis van hout moet worden opgevoerd om beter gebruik te maken van onze duurzame hulpbronnen, hulpbronnenefficiëntie te bevorderen, afval te verminderen en de levenscyclus van koolstof te verlengen ten behoeve van de ontwikkeling van een duurzame en lokale circulaire bio-economie;

14. is, wat de vervanging van fossiele grondstoffen en energie betreft, tevreden met de voortdurende inspanningen om het meest efficiënte gebruik van hout te bevorderen volgens het “cascadebeginsel”; verzoekt de Commissie en de lidstaten de toepassing van duurzaamheidscriteria voor biomassa in het kader van de herschikking van de richtlijn hernieuwbare energie voort te zetten en optimaal gebruik te maken van het substitutie-effect door CO2-intensieve fossiele materialen en energie te vervangen; merkt echter op dat het belangrijk is onnodige marktverstoringen voor grondstoffen op basis van hout te voorkomen wanneer steunmaatregelen worden genomen voor bio-energie; vestigt de aandacht op het feit dat een voorzienbare toename van de vraag naar hout en biomassa gepaard moet gaan met duurzaam bosbeheer; benadrukt in dit verband de noodzaak om de financiering te verhogen voor onderzoek naar de vervanging van fossiele brandstoffen en materialen; merkt op dat restanten aan het einde van de houtwaardeketen nuttig kunnen worden gebruikt als biomassa ter vervanging van verwarming op basis van fossiele grondstoffen, maar dat hout indien mogelijk moet worden gereserveerd voor gebruik met een langere levenscyclus teneinde de wereldwijde koolstofopslag te verhogen;

15. benadrukt de positieve effecten van schermstroken van bomen, zowel voor het beschermen van landbouwgrond als voor het verhogen van de landbouwproductie; pleit sterk voor methoden om landbouwers aan te moedigen schermstroken van bomen te ontwikkelen;

16. wijst op de belangrijke rol die bloeiende bomen en struiken in natuurlijke ecosystemen spelen voor de bijenteeltsector en voor de ondersteuning van het natuurlijke proces van bestuiving en de verbetering van de consolidatie en bescherming van aangetaste en/of ruwe grond; dringt aan op de opname van deze bomen en struiken in de EU-steunprogramma’s, rekening houdend met de regionale kenmerken;

17. betreurt het feit dat de bossen in de EU wel worden beheerd volgens het gezamenlijk overeengekomen beginsel van duurzaam bosbeheer en dat de bosbedekking in de EU de afgelopen decennia is toegenomen, maar dat een andere benadering van duurzaam bosbeheer is ontwikkeld in het kader van de onlangs overeengekomen Verordening (EU) 2020/852 van het Europees Parlement en de Raad betreffende de totstandbrenging van een kader ter bevordering van duurzame beleggingen en tot wijziging van Verordening (EU) 2019/2088 betreffende informatieverschaffing over duurzaamheid in de financiëledienstensector[9];

18. onderstreept dat veerkrachtige en gezonde bosecosystemen, met inbegrip van fauna en flora, belangrijk zijn om de levering te handhaven en te bevorderen van de talrijke ecosysteemdiensten die bossen te bieden hebben, zoals biodiversiteit, schone lucht, water en een gezonde bodem, alsmede hout en andere grondstoffen dan hout; beklemtoont dat de bestaande vrijwillige instrumenten en wetgeving, zoals de vogelrichtlijn en de habitatrichtlijn van de EU, van invloed zijn op beslissingen in verband met grondgebruik en op passende wijze moeten worden geëerbiedigd en toegepast;

19. merkt op dat landbouwers en boseigenaren centrale actoren zijn in plattelandsgebieden; is ingenomen met de erkenning van de rol van bosbouw, boslandbouw en de houtsector in het plattelandsontwikkelingsprogramma van het GLB 2014-2020, en met de verbeteringen die zijn ingevoerd aan de hand van de omnibusverordening; moedigt ertoe aan deze erkenning te behouden in het GLB 2021-2027 en bij de tenuitvoerlegging van de Europese Green Deal;

20. benadrukt de geschiktheid en uitvoerbaarheid van de tweefasenaanpak voor het controleren van de duurzaamheid van bosbiomassa, zoals overeengekomen in de herschikking van de richtlijn hernieuwbare energie; merkt op dat dit moet worden gerealiseerd door het voortzetten van de stopgezette ontwikkeling van specifieke, niet door het eindgebruik aangestuurde duurzaamheidscriteria door het Permanent Comité voor de bosbouw en de Commissie;

21. erkent het feit dat bossen een rol spelen door het aanbieden van recreatieve waarden en bosgerelateerde activiteiten zoals het oogsten van andere bosproducten dan hout, bijvoorbeeld paddenstoelen en klein fruit; neemt kennis van de mogelijkheden die begrazing biedt voor een betere verwijdering van biomassa bij wijze van bosbrandpreventie, maar merkt ook op dat begrazing door wilde dieren negatieve gevolgen heeft voor zaailingen en wijst er daarom op dat grazers duurzaam beheerd moet worden;

De toekomst – de cruciale rol die de EU-bosstrategie voor de periode na 2020 en de Europese Green Deal spelen voor de verwezenlijking van de doelstellingen van de Overeenkomst van Parijs en de VN-agenda voor duurzame ontwikkeling voor 2030

22. is ingenomen met de recente publicatie van de Europese Green Deal van de Commissie en kijkt uit naar de komende EU-bosstrategie voor de periode na 2020, die moet worden afgestemd op de Europese Green Deal en de EU-biodiversiteitsstrategie; is voorts van mening dat het versterken van de circulaire bio-economie essentieel is om een koolstofarme samenleving tot stand te brengen in het kader van de uitvoering van de Green Deal; wijst erop dat het belangrijk is het potentieel van bossen verder te versterken om de doelstellingen van de Europese Green Deal te verwezenlijken en dat het belangrijk is de circulaire bio-economie te ontwikkelen en tegelijkertijd andere ecosysteemdiensten te garanderen, waaronder biodiversiteit;

23. is ingenomen met het werkprogramma van de Commissie voor 2020, en met name met de erkenning van de bijdrage van de nieuwe EU-bosstrategie aan de 26e zitting van de Conferentie van de Partijen (COP26) van het Raamverdrag van de Verenigde Naties inzake klimaatverandering; benadrukt in verband hiermee het feit dat bossen in de toekomst niet mogen worden beschouwd als het enige type CO2-put, omdat andere sectoren hierdoor minder worden gestimuleerd om hun emissies tot een minimum te beperken; benadrukt daarnaast het feit dat de strategieën en plannen voor aanpassing aan de klimaatverandering concrete en effectieve maatregelen moeten omvatten, gebruik makend van de synergieën tussen mitigatie en adaptatie, die van cruciaal belang zullen zijn om de schadelijke gevolgen te beperken van de klimaatverandering voor verstoringen zoals bosbranden en de negatieve gevolgen hiervan voor de plattelandseconomie, de biodiversiteit en de levering van ecosysteemdiensten; onderstreept het feit dat er meer middelen nodig zijn en dat een wetenschappelijk onderbouwd brandbeheer moet worden ontwikkeld om de gevolgen van de klimaatverandering in bossen aan te pakken; merkt op, in verband met de instandhouding van de biodiversiteit en functionaliteit van bossen, samen met de noodzaak van mitigatie van en aanpassing aan de klimaatverandering, en zoals ook erkend is in de verordening inzake landgebruik, verandering in landgebruik en bosbouw (LULUCF-verordening), dat dood hout in het bos microhabitats vormt waarvan een aantal soorten afhankelijk zijn;

24. herhaalt dat bossen en de houtsector een aanzienlijke bijdrage leveren aan de ontwikkeling van lokale, circulaire economieën op biologische basis in de EU; benadrukt het feit dat bossen, de houtsector en de bio-economie een cruciale rol spelen voor het verwezenlijken van de doelstellingen van de Europese Green Deal en klimaatneutraliteit uiterlijk in 2050; beklemtoont dat de bio-economie in 2015 een markt vertegenwoordigde met een geschatte waarde van meer dan 2,3 biljoen EUR, die goed was voor 20 miljoen banen, oftewel 8,2 % van de totale werkgelegenheid in de EU; merkt op dat elke euro die in het kader van Horizon 2020 wordt geïnvesteerd in onderzoek en innovatie met betrekking tot de bio-economie, ongeveer 10 EUR toegevoegde waarde zal genereren; wijst erop dat de milieu-, klimaat- en biodiversiteitsdoelstellingen van de EU nooit zullen kunnen worden gerealiseerd zonder bossen die multifunctioneel en gezond zijn en die duurzaam beheerd worden op basis van een langetermijnperspectief, samen met een levensvatbare houtsector; benadrukt dat er in de bio-economie en in het bijzonder in de bosbouw, die een centrale rol speelt in de transitie naar een klimaatneutrale economie, in bepaalde omstandigheden een afweging moet worden gemaakt tussen het beschermen van het klimaat en het beschermen van de biodiversiteit; uit zijn bezorgdheid dat aan deze afweging onvoldoende aandacht is besteed in recente beleidsdiscussies; wijst erop dat een samenhangende aanpak moet worden ontwikkeld om de bescherming van de biodiversiteit en van het klimaat te combineren in een bloeiende bossector en bio-economie; benadrukt dat het belangrijk is een marktgebaseerde bio-economie te ontwikkelen en te waarborgen in de EU, bijvoorbeeld door het stimuleren van innovatie en de ontwikkeling van nieuwe producten op biologische basis, met een leveringsketen waarin effectief gebruik wordt gemaakt van de biomassamaterialen; is van mening dat de EU het gebruik van hout, producten op basis van gekapt hout en bosbiomassa moet aanmoedigen om duurzame productie en banen te stimuleren; verzoekt de Commissie en de lidstaten om aan te moedigen dat materialen van biologische oorsprong, met inbegrip van houtafval, terug in de waardeketen worden gebracht door ecologisch ontwerp aan te moedigen, recycling verder te stimuleren en te bevorderen dat secundaire grondstoffen die hout bevatten, worden gebruikt voor producten alvorens zij eventueel worden verbrand aan het einde van hun levenscyclus;

25. benadrukt het feit dat volledige en reële politieke steun moet worden verleend aan de houtsector en benadrukt in verband hiermee het feit dat een ambitieuze, onafhankelijke en op zichzelf staande EU-bosstrategie voor de periode na 2020 nodig is, parallel met andere relevante sectorale strategieën; merkt op dat, aangezien boslandbouw zowel land- als bosbouwkenmerken kan hebben, de EU-bosbouwstrategie en de van-boer-tot-bordstrategie op elkaar moeten worden afgestemd; dringt aan op een nieuwe EU-bosstrategie die voortbouwt op de holistische benadering van duurzaam bosbeheer, rekening houdend met alle economische, sociale en milieuaspecten van de houtwaardeketen, waarbij de continuïteit van de multifunctionele en multidimensionale rol van bossen wordt gewaarborgd; benadrukt het feit dat een EU-bosstrategie moet worden ontwikkeld die gecoördineerd en evenwichtig is en die beter aansluit bij de toepasselijke EU-wetgeving op het gebied van bossen, de houtsector, met inbegrip van de mensen die direct of indirect werken en leven in het bos en in de houtsector, en de diverse diensten die zij verlenen, gezien het toenemende aantal beleidsmaatregelen van de lidstaten en de EU dat direct of indirect gevolgen heeft voor de bossen en het beheer ervan in de EU;

26. verzoekt de Commissie bij de tenuitvoerlegging van het  Fonds voor Regionale Ontwikkeling alles in het werk te stellen om ervoor te zorgen dat met name initiatieven om het biodiversiteitsverlies in bossen een halt toe te roepen, de aanplanting van gemengde en inheemse soorten te ondersteunen en het bosbeheer te verbeteren, worden bevorderd, alsmede dat projecten worden uitgevoerd en dat de middelen gericht worden ingezet;

27. is van mening dat met de EU-bosstrategie een brug moet worden geslagen tussen het nationale bos- en boslandbouwbeleid en de EU-doelstellingen inzake bossen en boslandbouw, en erkent zowel de noodzaak om de nationale bevoegdheden te eerbiedigen als de noodzaak om bij te dragen tot ruimere doelstellingen van de EU, en daarbij op samenhangende wijze rekening te houden met de specifieke kenmerken van privébossen en bossen in overheidsbezit; dringt aan op maatregelen om stabiliteit en voorspelbaarheid op lange termijn te waarborgen voor de bosbouwsector en de gehele bio-economie;

28. benadrukt het feit dat het met betrekking tot het EU-beleid op het gebied van bossen, de houtsector en de houtwaardeketen belangrijk is dat de besluitvorming empirisch onderbouwd is; dringt erop aan dat de ambitie in het kader van alle bosgerelateerde aspecten van de Europese Green Deal en de biodiversiteitsstrategie in overeenstemming is met de EU-bosstrategie voor de periode na 2020, met name om ervoor te zorgen dat duurzaam bosbeheer een positief effect heeft op de maatschappij, inclusief connectiviteit en representativiteit van de bosecosystemen, en om te zorgen voor stabiele langetermijnvoordelen voor klimaat en milieu, en tegelijk bij te dragen tot de verwezenlijking van de SDG’s; beklemtoont dat eventuele EU-richtsnoeren in verband met duurzaam bosbeheer moeten worden ontwikkeld in het kader van de EU-bosstrategie na 2020;

29. benadrukt het feit dat rekening moet worden gehouden met de verbanden tussen de houtsector en andere sectoren, bijvoorbeeld landbouw, en de coördinatie ervan in de circulaire bio-economie, alsmede het feit dat digitalisering en investeringen in onderwijs, onderzoek en innovatie en bescherming van de biodiversiteit belangrijk zijn en een positieve bijdrage kunnen leveren aan verdere oplossingen met betrekking tot de beperking van en aanpassing aan de klimaatverandering en het scheppen van banen; merkt op dat bossen een integrerend aspect zijn van duurzame ontwikkeling;

30. beklemtoont dat boslandbouwsystemen, die een zeer lage dichtheid hebben en economisch nauwelijks leefbaar zijn, belangrijk zijn voor de plattelandssamenleving, rekening houdende met het feit dat het jaarlijkse inkomen wordt aangevuld met andere activiteiten, zoals veehouderij, toerisme en jacht, en dat zij voldoende financiering moeten krijgen om woestijnvorming en overexploitatie te voorkomen;

31. benadrukt het feit dat als gevolg van de klimaatverandering en de menselijke activiteit natuurlijke verstoringen zoals branden, droogte, overstromingen, stormen, plagen, ziekten en erosie zich vandaag reeds voordoen en zich in de toekomst vaker zullen voordoen, met een grotere intensiteit, en schade zullen veroorzaken aan de bossen in de EU, wat een op elk scenario toegesneden risico- en crisisbeheersing zal vereisen; benadrukt in verband hiermee dat een solide EU-bosstrategie voor de periode na 2020 moet worden ontwikkeld, alsook risicobeheersmaatregelen, zoals het versterken van de Europese instrumenten voor rampenbestendigheid en vroegtijdige waarschuwing, om beter voorbereid te zijn op deze gebeurtenissen en ze beter te voorkomen en om de veerkracht van bossen te vergroten en ze klimaatbestendiger te maken, bijvoorbeeld door de tenuitvoerlegging van duurzaam en actief bosbeheer te versterken en door middel van onderzoek en innovatie, waardoor het aanpassingsvermogen van onze bossen kan worden geoptimaliseerd; herinnert eraan dat volgens het Europees Milieuagentschap de belangrijkste factoren die druk uitoefenen op bossen in de EU, de uitdijing van stedelijke gebieden en de klimaatverandering zijn; benadrukt tevens dat betere steunmechanismen, alsmede financiële middelen en instrumenten moeten worden aangeboden aan boseigenaren om preventieve maatregelen toe te passen en getroffen gebieden te herstellen, zoals het herbebossen van aangetast land dat niet geschikt is voor de landbouw, waarbij ook gebruik moet worden gemaakt van speciale rampenfondsen, onder meer door middel van buitengewone interventies, zoals het Solidariteitsfonds van de Europese Unie; dringt erop aan om voor samenhang te zorgen tussen de EU-bosstrategie en het Europees mechanisme voor civiele bescherming; verzoekt de Commissie en de lidstaten een noodmechanisme in te stellen en acht het van essentieel belang om steun voor bosweidegang (bosbegrazing) op te nemen in de maatregelen op het gebied van boslandbouw en de lidstaten aan te moedigen deze ten uitvoer te leggen in het volgende programma voor plattelandsontwikkeling; onderstreept dat er meer middelen nodig zijn en dat een wetenschappelijk onderbouwd brandbeheer en een risicogebaseerde besluitvorming moeten worden ontwikkeld, rekening houdend met de sociaal-economische, klimatologische en ecologische oorzaken van bosbranden; vraagt de invoering van een reactiecomponent voor gemeenschappelijke uitdagingen in verband met de klimaatverandering;

32. verzoekt de lidstaten initiatieven uit te werken voor het behoud en zo nodig de creatie van bossen met een hoge instandhoudingswaarde, met de nodige mechanismen en instrumenten om boseigenaren te stimuleren en indien nodig te compenseren, teneinde meer kennis en wetenschappelijke inzichten over deze bossen te verwerven, naast de instandhouding van natuurlijke habitats;

33. erkent het feit dat biodiversiteit een rol speelt voor het garanderen van bosecosystemen die gezond en veerkrachtig blijven; wijst erop dat de Natura 2000-gebieden, die de maatschappij diverse ecosysteemdiensten kunnen bieden, waaronder grondstoffen, belangrijk zijn; merkt echter op dat technisch advies en nieuwe, toereikende financiële middelen nodig zijn om deze gebieden te beheren; benadrukt dat de economische verliezen als gevolg van beschermingsmaatregelen billijk moeten worden gecompenseerd; benadrukt het feit dat het belangrijk is natuurbehoud op pragmatische wijze te integreren in duurzaam bosbeheer, zonder noodzakelijkerwijs de beschermde gebieden uit te breiden en met voorkoming van extra administratieve en financiële lasten; steunt de oprichting van netwerken die zijn opgezet op basis van door de lidstaten aangestuurde initiatieven in dit verband; verzoekt de nationale of regionale actoren om indien nodig met gespecialiseerde belanghebbenden onderhandelingen te voeren over de herbevolking van bossen aan rivieren, teneinde biodiverse habitats te creëren, waarna ecosysteemdiensten, zoals de opname van schadelijke stoffen die circuleren in het grondwater, zich zullen ontwikkelen; benadrukt de resultaten van de evaluatiestudie naar de impact van het GLB, waaruit blijkt op welke plaatsen GLB-instrumenten en -maatregelen een significantere bijdrage kunnen leveren aan de biodiversiteitsdoelstellingen, en moedigt aan na te gaan hoe de bestaande instrumenten kunnen worden verbeterd; moedigt ook aan om verder onderzoek te verrichten naar het verband tussen biodiversiteit en veerkracht;

34. stelt vast dat bijna 25 % van het totale bosoppervlak in de EU behoort tot het Natura 2000-netwerk;

35. neemt kennis van het feit dat de onderhandelingen die werden gevoerd door de Economische Commissie voor Europa van de Verenigde Naties, met steun van de Voedsel- en Landbouworganisatie (FAO), spaak zijn gelopen op de kwestie van een juridisch bindende pan-Europese overeenkomst over bossen, doordat de Russische Federatie zich uit het onderhandelingsproces heeft teruggetrokken; blijft zich echter inzetten voor solide instrumenten om duurzaam bosbeheer te versterken op pan-Europees en mondiaal niveau;

36. wijst erop dat bossen vanuit verschillende invalshoeken aan bod komen in het kader van een toenemend aantal EU-beleidsterreinen; moedigt aan tot de voltooiing van het lopende, in het kader van de huidige EU-bosstrategie ingestelde proces inzake de ontwikkeling van een niet door het eindgebruik aangestuurde duurzaamheidsaanpak met nauwe betrokkenheid van het Permanent Comité voor de bosbouw en de lidstaten, voortbouwend op de tweefasenaanpak van de herschikte richtlijn hernieuwbare energie; is van mening dat de tweefasenaanpak kan worden gehanteerd in ander beleid dat erop gericht is de duurzaamheidscriteria van bosbiomassa en de sectoroverstijgende coherentie van het EU-beleid te garanderen en verwezenlijkingen te belonen die verband houden met de ecosysteemdiensten, met name de maatschappelijk relevante klimaatgerelateerde verwezenlijkingen van het bos; erkent tegelijk dat de bosbouw in de EU reeds werkt volgens de strengste duurzaamheidsnormen; merkt op dat bij de duurzaamheidsbenadering van bosbiomassa rekening moet worden gehouden met het feit dat hout concurrerend moet zijn ten opzichte van andere grondstoffen; wijst op het belang en moedigt het gebruik aan van door de markt ontwikkelde instrumenten, zoals de bestaande boscertificatiesystemen, als geschikt bewijsmiddel om de duurzaamheid van de bosbestanden te verifiëren;

37. benadrukt het feit dat bosbouw- en boslandbouwmaatregelen in het kader van het GLB en andere bosbouwmaatregelen, alsook het waarborgen van eerlijke en concurrerende marktvoorwaarden binnen de EU, van cruciaal belang zijn voor de succesvolle ontwikkeling van een duurzame circulaire bio-economie, terwijl de bosstrategie van de EU wordt uitgevoerd; herinnert eraan dat continuïteit nodig is, alsmede expliciete en verbeterde bosbouw- en boslandbouwmaatregelen in het kader van het GLB 2021-2027; wijst erop dat bijkomende bezuinigingen op de GLB-begroting een negatief effect zouden hebben op de investeringen in duurzaam bosbeheer en op de verwezenlijking van de doelstellingen in de EU-bosbouwsector; is van mening dat duurzaam bosbeheer een zichtbare plaats moet krijgen in de nieuwe strategische GLB-plannen; benadrukt dat de administratieve lasten in verband met de bosbouwmaatregelen van de EU en in verband met staatssteun in het algemeen moeten worden verminderd, bijvoorbeeld om de bevordering en het behoud van houtachtige vegetatie te stimuleren, gekoppeld aan landschapselementen en beleid in verband met betalingen in het kader van de eerste en tweede pijler, en door groepsvrijstellingen toe te staan die het mogelijk maken om snel op uitdagingen voor bossen te reageren; is tegelijkertijd bezorgd over het feit dat horizontale maatregelen die genomen zijn in het kader van het programma voor plattelandsontwikkeling (PPO), zoals de maatregel voor jonge landbouwers, geen bosbouwactiviteiten omvatten, althans in sommige lidstaten;

38. wijst op de voordelen van het verband tussen begrazing en bosbeheer, namelijk een lager risico op brand en lagere kosten voor bosonderhoud; is van mening dat onderzoek en kennisoverdracht aan beroepsbeoefenaars in dit verband van cruciaal belang zijn; wijst op de waarde van traditionele extensieve boslandbouwsystemen en de ecosysteemdiensten die zij leveren; verzoekt de Commissie de EU-bosstrategie te coördineren met de “van boer tot bord”-strategie om deze doelstellingen te verwezenlijken en gespecialiseerde opleidingsprogramma’s voor de hele EU te bevorderen, teneinde landbouwers bewust te maken van de voordelen en de praktijk van de integratie van houtachtige vegetatie in de landbouw; wijst op de geringe benutting van de talrijke maatregelen in het kader van de verordeningen inzake plattelandsontwikkeling voor de periode 2014-2020, die zijn ontworpen om de doelbewuste integratie van houtachtige vegetatie en landbouw te ondersteunen; erkent het vermogen van boslandbouw om de algehele productiviteit van biomassa in specifieke gebieden te verhogen, en onderstreept dat gemengde ecosystemen meer biomassa produceren en een grotere hoeveelheid in de atmosfeer aanwezige koolstof absorberen;

39. beklemtoont dat de Unie voldoende financiering moet toewijzen aan maatregelen voor de houtsector die zijn afgestemd op de nieuwe verwachtingen van die sector, onder meer investeringen in de ontwikkeling van bosgebieden en in het verbeteren van de levensvatbaarheid van bossen, het onderhoud van boswegennetten, bosbouwtechnologie, innovatie en de verwerking en ingebruikname van bosbouwproducten;

40. verzoekt de lidstaten hun verschillende bosbeheerstrategieën en -plannen op elkaar af te stemmen, zodat de respectieve doelstellingen te gelegener tijd kunnen worden gevolgd en gecorrigeerd en geen bestuurlijke lappendeken ontstaat dat vervolgens de realisatie van de doelstellingen in hun strategische documenten in gevaar brengt;

41. betreurt dat boslandbouw is weggelaten uit het GLB-voorstel voor de programmeringsperiode 2021-2027; acht het van fundamenteel belang dat in de volgende GLB-verordening de voordelen van boslandbouw worden erkend en dat de instelling, het herstel, de vernieuwing en de instandhouding van boslandbouwsystemen daarin ook in de toekomst worden bevorderd en ondersteund; verzoekt de Commissie om de te bevorderen dat de lidstaten steunmaatregelen voor de boslandbouw opnemen in hun strategische plannen;

42. is ingenomen met het door de Commissie aangekondigde initiatief “Farm Carbon Forest”, met als doel boeren te belonen die zich inzetten voor projecten om de CO2-uitstoot te verminderen of de CO2-opslag te vergroten, teneinde bij te dragen tot de doelstelling van een nulemissie van koolstof in 2050, in het kader van de nieuwe Green Deal.

43. onderstreept het feit dat onderzoek en innovatie op hoog niveau een essentiële rol spelen om ervoor te zorgen dat bossen, boslandbouw en de houtsector een bijdrage leveren om het hoofd te bieden aan de uitdagingen van onze tijd; benadrukt het belang van de onderzoeks- en innovatieprogramma’s van de EU voor de periode na 2020, erkent de rol van het Permanent Comité voor onderzoek in de landbouw en merkt op dat onderzoek en technologie ver gevorderd zijn sinds de invoering van de EU-bosstrategie in 2013; benadrukt dat het belangrijk is verder onderzoek naar onder andere bosecosystemen, biodiversiteit, duurzame vervanging van fossiele grondstoffen en energie, koolstofopslag, op hout gebaseerde producten en duurzame bosbeheerpraktijken aan te moedigen; verzoekt door te gaan met de financiering van onderzoek naar bodems en hun rol in de weerbaarheid van bossen tegen en hun aanpassing aan de klimaatverandering, in de bescherming en vergroting van de biodiversiteit en in de verstrekking van andere ecosysteemdiensten en vervangingseffecten, en gegevens te verzamelen over innoverende methoden om de weerbaarheid van bossen te beschermen en te vergroten; stelt met bezorgdheid vast dat de gegevens over oerbossen nog steeds onvolledig zijn; benadrukt dat meer onderzoek en financiering een positieve bijdrage zouden leveren aan de beperking van de klimaatverandering, de instandhouding van de bosecosystemen en de stimulering van de biodiversiteit, duurzame economische groei en werkgelegenheid, met name in landelijke gebieden; neemt kennis van de aanbeveling van de Commissie dat een sterke kapitalisatie van innovatie in de waardeketen het concurrentievermogen van de houtsector ten goede zou komen; is in dit verband verheugd over de nieuwe klimaatambitie van de EIB om projecten te financieren die meer kansen kunnen creëren voor de houtsector, die een belangrijke rol speelt bij de vervanging van fossiele materialen en energiebronnen; prijst het onderzoek en de innovatieacties die met betrekking tot bossen reeds worden ondernomen, met name in het kader van het Horizon 2020- en het LIFE+-programma; is ingenomen met de gevallen waarvan de resultaten bijdragen tot de ontwikkeling van een duurzame bio-economie, waarbij wordt gestreefd naar een evenwicht tussen verschillende aspecten van duurzaam bosbeheer en de multifunctionele rol van bossen wordt benadrukt; verzoekt de Commissie te investeren in onderzoek en indien nodig intensiever onderzoek te verrichten om een oplossing te vinden voor de verspreiding van plagen en ziekten in bossen;

44. verzoekt de Commissie in overleg met de fabrikanten van bosbouwmachines initiatieven te ontwikkelen om het ontwerp van deze machines ecologischer te maken, teneinde een hoog niveau van bescherming van de werknemers te combineren met een minimale impact op de bodem en het water in bossen;

45. maakt zich zorgen over het feit dat de totale beboste oppervlakte wereldwijd sinds de jaren 1990 sterk is afgenomen; benadrukt het feit dat de mondiale ontbossing en aantasting van de bossen ernstige problemen zijn; benadrukt dat de EU-bosstrategie invloed moet uitoefenen in de mondiale politieke context en de externe doelstellingen en maatregelen van de EU ter bevordering van duurzaam bosbeheer in de hele wereld moet omvatten, zowel bilateraal als via multilaterale bosgerelateerde processen, waarbij de nadruk moet liggen op maatregelen om ontbossing wereldwijd een halt toe te roepen, met inbegrip van de ondersteuning van legale, duurzame en ontbossingsvrije productie- en toeleveringsketens die niet leiden tot mensenrechtenschendingen, en om het duurzaam beheer van bosbestanden te waarborgen; wijst erop dat beleidsinitiatieven moeten worden ontwikkeld voor het aanpakken van kwesties buiten de EU, met bijzondere aandacht voor de tropen, rekening houdend met de verschillende ambitieniveaus van het milieubeleid in verschillende tropische landen, en van de drijvende krachten achter niet-duurzame praktijken in bossen van buiten de sector; benadrukt het feit dat traceerbaarheidsmaatregelen moeten worden genomen voor invoer en moedigt de Commissie en de lidstaten aan de samenwerking met derde landen te bevorderen om strengere duurzaamheidsnormen te consolideren; benadrukt het feit dat de uitvoering van de houtverordening van de EU en van het actieplan Flegt (Wetshandhaving, governance en handel in de bosbouw) moeten worden bevorderd om beter te voorkomen dat illegaal gekapt of gewonnen hout wordt aangeboden, dat tot oneerlijke concurrentie leidt voor de Europese bosbouwsector en op de EU-markt; wijst nogmaals op het feit dat certificeringssystemen moeten worden ingesteld en dat in handelsovereenkomsten specifieke bepalingen moeten worden opgenomen inzake duurzaam bosbeheer; dringt aan op een coherente en systematische interpretatie van het zorgvuldigheidssysteem van de EU-houtverordening;

46. wijst erop dat onderwijs en gekwalificeerde, goed opgeleide werknemers belangrijk zijn voor een geslaagde uitvoering van duurzaam bosbeheer in de praktijk; verzoekt de Commissie en de lidstaten om maatregelen te blijven uitvoeren en bestaande Europese instrumenten te gebruiken, zoals het Europees Landbouwfonds voor plattelandsontwikkeling (Elfpo), het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling (EFRO), het Europees Sociaal Fonds (ESF) en de Europese opleidingsprogramma’s (ET2020), om overname door de volgende generatie te ondersteunen en het tekort aan geschoolde arbeidskrachten in de sector te compenseren;

47. dringt erop aan de invoer van illegaal gewonnen hout op te nemen in handelsovereenkomsten, met oplegging van sancties in het geval van inbreuken;

48. verzoekt de lidstaten en de houtsector substantiële bijdragen te leveren om ervoor te zorgen dat er evenveel gebieden worden herbebost als er worden ontbost;

49. benadrukt het feit dat het de  hele EU dekkende bosinformatiesysteem voor Europa (Forest Information System for Europe, FISE) moet worden uitgebreid, rekening houdend met bestaande systemen, onder de gedeelde verantwoordelijkheid van alle betrokken directoraten-generaal van de Commissie die zich bezighouden met de diverse met het FISE verband houdende kwesties; meent dat dit instrument moet worden gecoördineerd in het kader van de EU-bosstrategie; benadrukt het feit dat de verstrekking van realtime, vergelijkende, wetenschappelijk onderbouwde en evenwichtige informatie over de Europese bosbestanden, waarbij gecontroleerd wordt of bossen en natuurreservaten indien nodig goed beheerd en in stand gehouden worden en geprobeerd wordt de impact van natuurlijke verstoringen als gevolg van de klimaatverandering en de gevolgen hiervan te voorspellen, met sociaal-economische indicatoren, belangrijk is voor de ontwikkeling van elk EU-beleid met betrekking tot het bos; wijst erop dat de nationale bosinventarissen een omvattend controle-instrument zijn voor het monitoren van de houtvoorraden en dat hierin rekening wordt gehouden met regionale overwegingen; verzoekt de EU een monitoringnetwerk voor de Europese bossen op te zetten om informatie te verzamelen op lokaal niveau, gekoppeld aan de aardobservatieprogramma’s van Copernicus;

50. is ermee ingenomen dat de sector steeds verder wordt gedigitaliseerd en verzoekt de Commissie om de tenuitvoerlegging te overwegen van een digitaal houttraceringsmechanisme voor de hele EU met het oog op gegevensverzameling, transparantie over de gehele linie, het garanderen van een gelijk speelveld en het verminderen van concurrentieverstorend gedrag en opzettelijk onrechtmatig handelen in de houthandel, binnen en buiten de EU, door middel van een verificatiesysteem; is voorts van mening dat dit verificatiesysteem de naleving zou verbeteren door financiële fraude te beperken en te bestrijden en tegelijkertijd kartelpraktijken zou belemmeren en logistieke activiteiten en bewegingen in verband met illegale houtkap zou ontmantelen; moedigt daarnaast aan om goede praktijken uit te wisselen met lidstaten die zulke hervormingen al op nationaal niveau hebben doorgevoerd;

51. onderstreept het feit dat de lidstaten bevoegd zijn voor de voorbereiding en uitvoering van de EU-bosstrategie voor de periode na 2020 en dat zij hierbij een centrale rol spelen; verzoekt het Permanent Comité voor de bosbouw van de Commissie om de lidstaten bij deze taak te ondersteunen; benadrukt het feit dat het belangrijk is informatie uit te wisselen en relevante belanghebbenden, zoals boseigenaren en -beheerders, op parallelle wijze te betrekken bij de Groep voor de dialoog met het maatschappelijk middenveld voor bosbouw en kurk, alsmede de regelmatige bijeenkomsten hiervan te handhaven en de coördinatie en synergieën met het Permanent Comité voor de bosbouw te versterken; dringt er bij de Commissie op aan om het Parlement ten minste jaarlijks bij de uitvoering van de EU-bosstrategie te betrekken; roept ertoe op de rol van het Permanent Comité voor de bosbouw te versterken teneinde te zorgen voor coördinatie tussen de relevante belanghebbenden en beleidsmaatregelen op EU-niveau; benadrukt bovendien dat lokale en regionale overheden een centrale rol moeten spelen bij de versterking van het duurzame gebruik van bossen en met name de plattelandseconomie; wijst erop dat het belangrijk is dat de lidstaten nauwer samenwerken om de voordelen van de nieuwe EU-bosstrategie te vergroten; verzoekt voorts de Commissie en haar directoraten-generaal met bosgerelateerde bevoegdheden om strategisch te werk te gaan om te zorgen voor samenhang in alle bosgerelateerde werkzaamheden en duurzaam bosbeheer te verbeteren,

52. dringt er bij de lidstaten op aan voorrang te geven aan de instandhouding van hoogwaardig beroepsonderwijs op het gebied van ecologisch bouwen en houtgerelateerde beroepen en te zorgen voor de nodige overheidsuitgaven en -investeringen op dit gebied, om te anticiperen op toekomstige behoeften in de Europese houtsector;

53. herinnert aan de belofte van de Commissie inzake nultolerantie ten aanzien van niet-naleving; benadrukt dat diverse inbreukprocedures die momenteel tegen lidstaten lopen, betrekking hebben op onvervangbare waarden van de Europese bosecosystemen en dringt er bij de Commissie op aan in het kader van deze procedures snel op te treden;

54. dringt er bij de Commissie op aan om, in coördinatie met de diensten voor arbeidsinspectie van de lidstaten, te controleren of de machines die in de handel worden gebracht en die worden gebruikt door de ondernemingen in de houtsector, voldoen aan de machinerichtlijn (Richtlijn 2006/42/EG) en zijn uitgerust met een opvang- en afzuigsysteem voor houtstof;

55. is ervan overtuigd dat de EU-bosstrategie de uitwisseling van beste praktijken moet bevorderen en ondersteunen met betrekking tot de tenuitvoerlegging van duurzaam bosbeheer, beroepsopleiding voor boswerkers en bosbeheerders, resultaten in de bosbouwsector en betere samenwerking tussen de lidstaten op het gebied van grensoverschrijdende acties en informatie-uitwisseling, teneinde de groei van gezonde Europese bossen te waarborgen; benadrukt voorts dat beter gecommuniceerd moet worden over het feit dat duurzaam beheer van bosgebieden belangrijk is en dat eventueel voorlichtingscampagnes over het multifunctionele karakter van bossen en de vele economische, sociale en milieuvoordelen van bosbeheer moeten worden gehouden dan wel dat deze campagnes moeten worden uitgebreid en gecoördineerd, op alle relevante niveaus van de EU, om alle burgers bewust te maken van de rijkdom van dit erfgoed en van het feit dat onze hulpbronnen moeten worden beheerd, in stand gehouden en benut, om maatschappelijke conflicten te voorkomen;

56. moedigt de lidstaten aan hun respectieve groepen die belang hebben bij de bosbouw, ertoe aan te sporen een breder segment van de bevolking aan te spreken, door middel van educatieve instrumenten en programma’s, zowel voor studenten als voor personen in andere leeftijdsgroepen, om het feit te onderstrepen dat bossen zowel belangrijk zijn voor menselijke activiteiten als voor het behoud van de biodiversiteit en gevarieerde ecosystemen;

57. merkt op dat digitalisering en duurzame technologieën een belangrijke rol spelen in het creëren van toegevoegde waarde bij de verdere ontwikkeling van de houtsector; verzoekt de Commissie en de lidstaten de overdracht van kennis en technologie en de uitwisseling van beste praktijken aan te moedigen, bijvoorbeeld op het gebied van duurzaam en actief bosbeheer;

58. verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad en de Commissie.

 

 

 


 

 

TOELICHTING

Bossen, de bosbouw en de hele houtsector spelen een belangrijke rol bij het vinden van duurzame oplossingen voor een groot aantal uitdagingen van onze tijd. Bossen en andere beboste oppervlakten beslaan ten minste 43% van het oppervlak van de EU en de houtsector bezorgt op directe wijze werk aan ten minste 500 000 Europese burgers en op indirecte wijze aan 2,6 miljoen Europese burgers. Bovendien is 60 % van de bossen in de EU in particuliere handen. Voorts zijn de Europese bossen zeer divers wat grootte, structuur, biodiversiteit en beheersaanpak betreft.

De mondiale beleidsomgeving is sinds de vorige bosstrategie van de EU in 2013 enorm veranderd, en deze verandering heeft een grote invloed op diverse beleidsterreinen van de EU. De interne en internationale verplichtingen van de EU, zoals de koolstofvrije maatschappij, de Europese Green Deal, de SDG’s van de VN, het Protocol van Kyoto, de Overeenkomst van Parijs en andere, zullen niet kunnen worden nagekomen zonder de klimaatvoordelen van bossen en de houtsector en andere ecosysteemdiensten die bossen leveren.

Daarnaast mogen we niet vergeten dat het bosbeleid grotendeels een bevoegdheid blijft van de lidstaten. Het VWEU bevat geen verwijzing naar specifieke bepalingen met betrekking tot een bosbeleid van de EU, en de EU draagt via haar beleid reeds lang bij aan de tenuitvoerlegging van duurzaam bosbeheer en aan de besluiten die over bossen worden genomen door de lidstaten. Er is een toenemend aantal beleidsmaatregelen van de lidstaten en de EU dat direct of indirect gevolgen heeft voor de bossen en het beheer ervan in de EU. Dit leidt tot een complexe en versnipperde beleidsomgeving van de EU voor bossen en het beheer ervan; deze beleidsomgeving moet coherenter en beter gecoördineerd worden en moet alle pijlers van duurzaamheid ten goede komen.

Daarom hebben we een sterke, holistische en onafhankelijke EU-bosbouwstrategie voor de periode na 2020 nodig. Met deze strategie moet in de hele bosbouw een holistische benadering van duurzaam bosbeheer worden geïntegreerd, waarmee op evenwichtige wijze wordt voortgebouwd op de economische, sociale en ecologische duurzaamheid en waarmee de continuïteit van de multifunctionele rol van bossen wordt gewaarborgd. De EU-bosstrategie moet een integrerend en onafhankelijk onderdeel zijn van de komende Europese Green Deal, en mag niet ondergeschikt zijn aan enige andere sectorale strategie.

De nieuwe EU-bosstrategie moet instrumenten omvatten om de rol ervan te bevorderen als een doeltreffend instrument voor beleidscoördinatie voor diverse bosgerelateerde beleidsmaatregelen van de EU en de tenuitvoerlegging hiervan op een wijze die rekening houdt met de gehele houtwaardeketen. De strategie moet zorgen voor samenhang en synergie met andere sectoren die van invloed zijn op de sector. De EU-bosstrategie moet ook een brug slaan tussen het sectorale bosbeleid van de EU en het nationale bosbeleid van de lidstaten, en moet ervoor zorgen dat de expertise van de houtsector wordt benut vanaf de eerste stadia van de beleidsvorming, met het oog op een samenhangend en consistent beleid op het gebied van bossen. Daarnaast moet de EU actief invloed uitoefenen op de mondiale beleidsomgeving door maatregelen te nemen om de wereldwijde ontbossing een halt toe te roepen en door niet alleen herbebossing en bebossing, maar ook een duurzaam beheer van de bosbestanden aan te moedigen.

Bovendien spelen bossen, de houtsector en de bio-economie een cruciale rol bij het verwezenlijken van de doelstellingen van de Europese Green Deal en dus de klimaat-, energie- en milieudoelstellingen van de EU. Deze doelstellingen kunnen nooit worden verwezenlijkt zonder multifunctionele, gezonde bossen en een duurzaam bosbeheer met levensvatbare industrieën. Het is belangrijk de leegloop van het platteland te voorkomen en bedrijven aan te trekken die in Europa investeren en zakelijke ecosystemen opbouwen waarbij duurzaam gebruik wordt gemaakt van de beschikbare lokale hulpbronnen, met banen voor de plaatselijke bevolking. In verband hiermee moet de EU-bosstrategie ook een belangrijke rol spelen bij het waarborgen van de beschikbaarheid van grondstoffen voor de industrie.

Vermindering van de afhankelijkheid van fossiele grondstoffen en energie leidt tot meer kansen, met name op het platteland. Bossen mogen niet alleen worden beschouwd als CO2-putten en zo de bijdrage verminderen die andere sectoren leveren door het reduceren van hun emissies. Er zij benadrukt dat het belangrijk is dat er een omschakeling komt weg van de op fossiele brandstoffen gebaseerde maatschappij.

Matiging van de klimaatverandering moet worden beschouwd als een van de belangrijke diensten die bossen en de houtsector te bieden hebben. Daarnaast wordt aanpassing aan de klimaatverandering steeds belangrijker om te zorgen voor passende maatregelen ter preventie van natuurlijke verstoringen. De epidemieën van de hypoborus ficus, droogte en bosbranden moeten worden aangepakt en voorkomen.

De ecologische, economische en sociale aspecten van bossen en bosbeheer moeten op evenwichtige wijze worden bevorderd, terwijl de cruciale algemene klimaatvoordelen die bossen en de houtwaardeketen bieden, worden versterkt, met name door bevordering van de CO2-vastlegging, koolstofopslag in producten op basis van hout en vervanging van fossiele grondstoffen en energie. De onderzoeksinspanningen met betrekking tot deze laatste moeten worden opgevoerd.

Bossen en de houtsector leveren een aanzienlijke bijdrage aan de ontwikkeling van lokale, circulaire bio-economieën in de EU. In 2010 vertegenwoordigde de bio-economie een markt met een geschatte waarde van meer dan 2 biljoen EUR, die goed is voor 20 miljoen banen, d.i. 9 % van de totale werkgelegenheid in de EU. Er moet voor worden gezorgd dat de circulaire bio-economie ingang vindt, door middel van een krachtig onderzoeks- en innovatiebeleid. Elke euro die in het kader van Horizon 2020 wordt geïnvesteerd in onderzoek en innovatie met betrekking tot de bio-economie, zal ongeveer 10 EUR toegevoegde waarde genereren.

Er zij onderstreept dat veerkrachtige en gezonde bosecosystemen, met inbegrip van fauna en flora, belangrijk zijn om de levering te handhaven en te bevorderen van de talrijke ecosysteemdiensten die bossen te bieden hebben, zoals biodiversiteit, schone lucht, water, gezonde bodems, hout en andere grondstoffen dan hout.

Bovendien bieden de Natura 2000-gebieden de maatschappij diverse ecosysteemdiensten, met inbegrip van grondstoffen. Voor het beheer van deze gebieden zijn echter voldoende financiële middelen nodig.

Voorts zijn bebossing en herbebossing geschikte instrumenten om de bosbedekking in de EU te verbeteren, met name op onbeheerde terreinen, dichtbij stedelijke en voorstedelijke gebieden en in bergachtige gebieden. We moeten erop wijzen dat de beschermende functies van bossen, alsmede actief en duurzaam bosbeheer in deze gebieden belangrijk zijn om de gezondheid en veerkracht van de ecosystemen te verbeteren en de soortensamenstelling aan te passen aan de regionale en klimatologische omstandigheden.

Er zij op gewezen dat het gemeenschappelijk landbouwbeleid (GLB) van cruciaal belang is, aangezien in het kader hiervan financiering wordt uitgetrokken voor bosbouwmaatregelen en voor de kaderprogramma’s voor onderzoek naar de bestaansmiddelen en de ontwikkeling van de bio-economie in plattelandsgebieden.  Landbouwers en boseigenaren zijn belangrijke actoren in plattelandsgebieden. Bovendien is de rol van de bosbouw, de agrobosbouw en de houtsector in het plattelandsontwikkelingsprogramma van het GLB 2014-2020 uitermate belangrijk geweest. We moeten de erkenning ervan in het kader van het GLB 2021-2027 en de tenuitvoerlegging van de Europese Green Deal aanmoedigen.

Behoorlijk gefinancierd onderzoek van hoge kwaliteit, innovatie, informatieverzameling, onderhoud en ontwikkeling van databanken, beste praktijken en kennisdeling zijn van cruciaal belang voor de toekomst van de multifunctionele bossen van de EU en voor de gehele houtwaardeketen, gezien de toenemende eisen die aan bossen worden gesteld en het feit dat moet worden voldaan aan de vele kansen en uitdagingen waarmee de maatschappij wordt geconfronteerd.

Bossen bieden bijvoorbeeld recreatieve waarden en maken bosgerelateerde activiteiten mogelijk als het oogsten van andere bosproducten dan hout, bijvoorbeeld paddenstoelen en klein fruit. We moeten wijzen op de mogelijkheden die worden geboden door een betere verwijdering van biomassa bij wijze van bosbrandpreventie en door een verbetering van de biodiversiteit door begrazing, waarbij er evenwel op zij gewezen dat begrazing door wilde dieren negatieve gevolgen kan hebben voor het overleven van zaailingen.

De Europese maatschappij is in toenemende mate losgekoppeld van bossen en van de bosbouw, en daarom moet het besef worden bevorderd dat duurzaam bosbeheer belangrijk is. Rekening houdend met de vitale rol die duurzaam bosbeheer speelt voor het verwezenlijken van de vele voordelen die bossen opleveren voor de maatschappij, is er een grote behoefte om het publiek te informeren over de economische, sociale en ecologische, alsmede de culturele en historische rol van bossen en het beheer ervan als onderdeel van ons natuurlijk erfgoed.

De Commissie moet via haar Permanent Comité voor de bosbouw de lidstaten een centrale rol toebedelen bij de voorbereiding en uitvoering van de EU-bosbouwstrategie voor de periode na 2020, en de diverse belanghebbenden op parallelle wijze bij het proces betrekken via de Groep voor de dialoog met het maatschappelijk middenveld voor bosbouw en kurk. De Commissie moet het Parlement ook jaarlijks bij de uitvoering van de EU-bosstrategie betrekken.

Als conclusie hebben we een ambitieuze en krachtige EU-bosbouwstrategie voor de periode na 2020 nodig om te zorgen voor een gecoördineerde en holistische aanpak van bossen, de houtsector en de diverse diensten die zij verlenen. Bossen en de houtsector hebben met hun toonaangevende digitale oplossingen en duurzame technologieën het potentieel om een steeds grotere bijdrage te leveren aan het klimaat, het milieu, de mensen en de circulaire economie op biologische basis. We hebben langetermijninvesteringen in duurzaam bosbeheer nodig om ervoor te zorgen dat bossen niet alleen economisch levensvatbaar blijven, maar ook een aanzienlijke bijdrage leveren aan de verwezenlijking van de vele doelstellingen van de EU, waaronder de Europese Green Deal en de overgang naar een circulaire bio-economie. In de EU-bosstrategie moet aandacht worden geschonken aan het aantrekken van investeringen in de bosbouw in Europa en het faciliteren van de onderlinge verbanden met andere sectoren. Voorts zij gewezen op de cruciale rol en het potentieel van materialen op basis van hout in sectoren als de bouw-, de textiel-, de chemische en de verpakkingssector ter vervanging van fossiele alternatieven. Daarnaast hebben we met betrekking tot het EU-beleid op het gebied van bossen een besluitvorming nodig die empirisch onderbouwd is.

 

 


 

 

ADVIES VAN DE COMMISSIE MILIEUBEHEER, VOLKSGEZONDHEID EN VOEDSELVEILIGHEID (23.6.2020)

<CommissionInt>aan de Commissie landbouw en plattelandsontwikkeling</CommissionInt>


<Titre>inzake de Europese bosbouwstrategie – De weg vooruit</Titre>

<DocRef>(2019/2157(INI))</DocRef>

Rapporteur voor advies: <Depute>Jessica Polfjärd</Depute>

 

SUGGESTIES

De Commissie milieubeheer, volksgezondheid en voedselveiligheid verzoekt de bevoegde Commissie landbouw en plattelandsontwikkeling onderstaande suggesties in haar ontwerpresolutie op te nemen:

 gezien het verslag “Bescherming en herstel van bossen wereldwijd: de actie van de EU opvoeren”, dat momenteel in de Commissie milieubeheer, volksgezondheid en voedselveiligheid wordt besproken,

A. overwegende dat de bossen en andere beboste gronden in de EU tussen 1990 en 2015 aanzienlijk zijn gegroeid als gevolg van gerichte programma’s en natuurlijke groei en dat ze 43 % van het grondgebied van de EU uitmaken, wat overeenkomt met 182 miljoen hectare en goed is voor 5 % van alle bossen wereldwijd; overwegende dat de helft van het Natura 2000-netwerk bestaat uit bosgebieden; overwegende dat in sommige lidstaten meer dan de helft van het grondgebied bestaat uit bossen en dat deze lidstaten sterk afhankelijk zijn van bosbouw; overwegende dat 60 % van de bossen in de EU privébezit zijn, in de meeste gevallen van kleinschalige eigenaren die minder dan drie hectare bos bezitten; overwegende dat bossen een aanzienlijk deel van de terrestrische biodiversiteit van Europa herbergen;

B. overwegende dat de EU zich heeft verbonden aan de Aichi-doelen van het Verdrag inzake biologische diversiteit, waaronder doel 7, op grond waarvan gebieden die worden gebruikt voor landbouw, aquacultuur en bosbouw in 2020 duurzaam moeten worden beheerd, waarbij de instandhouding van biodiversiteit moet worden gewaarborgd, maar dat de EU niet goed op weg is deze doelen te verwezenlijken;

C. overwegende dat bossen circulaire ecosystemen zijn die zijn gebaseerd op de volledige recycling van hun bestanddelen en voedingsstoffen; overwegende dat elke vorm van actief beheer is gebaseerd op de ontginning van hulpbronnen in dit ecosysteem, hetgeen onvermijdelijk een negatief effect heeft op de werking, structuur en biodiversiteit ervan;

D. overwegende dat veel aspecten van bossen en bosbouw worden gereguleerd door EU-wetgeving, zoals de vogel- en habitatrichtlijnen, het gemeenschappelijk landbouwbeleid (GLB), de verordening inzake landgebruik, verandering in landgebruik en bosbouw (LULUCF-verordening), de richtlijn hernieuwbare energie en de verordening inzake illegaal hout;

E. overwegende dat uit de langetermijntrends met betrekking tot vogelpopulaties, waaronder die van veelvoorkomende bosvogels, volgens het verslag van het Europees Milieuagentschap over de toestand en de verkenning van het milieu in Europa 2020, blijkt dat de biodiversiteit in Europa enorm is afgenomen en dat intensief bosbeheer daar een van de belangrijkste oorzaken van is[10]; overwegende dat Europa volgens ditzelfde verslag wordt geconfronteerd met ecologische uitdagingen van ongekende schaal en urgentie; overwegende dat er de komende 10 jaar urgente actie moet worden ondernomen om iets te doen aan het alarmerende tempo waarop biodiversiteit verloren gaat, de steeds grotere effecten van klimaatverandering en het bovenmatige verbruik van natuurlijke hulpbronnen;

F. overwegende dat, in tegenstelling tot jongere, beheerde bossen, grote bomen en intacte, oudere bossen een essentiële habitat vormen en essentiële opslagplaatsen zijn voor koolstof die, indien ze worden gekapt, pas na minstens 100-150 jaar weer kunnen worden hersteld; overwegende dat oude bossen koolstof uit de atmosfeer blijven halen en deze opslaan, onder meer in de bosbodem; overwegende dat oerbossen in de EU praktisch verdwenen zijn;

G. overwegende dat in het verslag van de Commissie uit 2018 over de voortgang van de tenuitvoerlegging van de bosstrategie van de EU wordt gesteld dat de uitvoering van het biodiversiteitsbeleid van de EU een grote uitdaging blijft en dat “uit de verslagen over de instandhouding van de boshabitats en -soorten blijkt dat er tot dusver geen enkele sprake is van verbetering”; overwegende dat de lidstaten voor de periode 2007-2012 meldden dat slechts 26 % van de bossoorten en 15 % van de boshabitats van Europees belang, zoals vermeld in de habitatrichtlijn, een “gunstige staat van instandhouding” had; overwegende dat de kwaliteit van de bossen in de EU al lange tijd afneemt; overwegende dat illegale houtkap een onopgelost probleem is in sommige lidstaten;

H. overwegende dat het milieu op grond van artikel 4 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU) een gedeelde bevoegdheid is tussen de Unie en haar lidstaten; overwegende dat in artikel 191 VWEU is bepaald dat met het milieubeleid van de Unie wordt gestreefd naar een hoog beschermingsniveau; overwegende dat het Europees Hof van Justitie heeft geoordeeld dat bossen deel uitmaken van het natuurlijke erfgoed van de EU en derhalve onder artikel 191 vallen[11];

I. overwegende dat het Parlement op 28 november 2019 een klimatologische en ecologische noodtoestand heeft afgeroepen;

J. overwegende dat bossen een integraal aspect vormen van duurzame ontwikkeling; overwegende dat het, om het verlies aan biodiversiteit en de klimaatcrisis te kunnen aanpakken, cruciaal is dat bossen zo worden beschermd, hersteld en beheerd dat hun capaciteit om koolstof op te slaan en de biodiversiteit te beschermen wordt gemaximaliseerd; merkt op dat intacte ecosystemen beter dan aangetaste ecosystemen in staat zijn om milieustressoren, waaronder veranderingen in het klimaat, het hoofd te bieden, aangezien ze inherente eigenschappen hebben die hun aanpassingsvermogen maximaliseren; overwegende dat, in tegenstelling tot jongere, beheerde bossen, grote bomen en intacte, oudere bossen een essentiële habitat vormen en meer koolstofdioxide (CO2) opslaan; overwegende dat onderling verbonden boshabitats en boscorridors van cruciaal belang zijn om te waarborgen dat bedreigde flora en fauna blijft voortbestaan;

K. overwegende dat bossen en bosgebieden een multifunctionele rol hebben, aangezien zij circulaire ecosystemen zijn die zijn gebaseerd op de volledige recycling van hun bestanddelen en voedingsstoffen en dat zij van cruciaal belang zijn voor het reguleren van de watercyclus, met inbegrip van het vasthouden van water om overstromingen te voorkomen, het absorberen van CO2, het opslaan van koolstof, het herbergen van de terrestrische biodiversiteit en het bieden van recreatie- en welzijnsmogelijkheden dicht bij de natuur, en dat zij bijdragen aan economische groei en werkgelegenheid in plattelands- en stedelijke gebieden, waar de bosbouwsector van de EU een belangrijke pijler is waarin meer dan 3 miljoen mensen werken; overwegende dat deze banen afhankelijk zijn van weerbare bosecosystemen op de lange termijn;

L. overwegende dat de Europese Unie zich heeft verbonden aan de duurzameontwikkelingsdoelstellingen van de VN, met inbegrip van doelstelling 15 om het behoud, herstel en het duurzaam gebruik van terrestrische en ecosystemen te waarborgen, bossen duurzaam te beheren, woestijnvorming tegen te gaan, aantasting van de bodem een halt toe te roepen en terug te dringen en het verlies van biodiversiteit te stoppen;

M. overwegende dat bossen in plattelands- en stedelijke gebieden effectief aan territoriaal evenwicht, economische groei en werkgelegenheid bijdragen en het concurrentievermogen in de bosbouwsector helpen behouden; overwegende dat een evenwichtige benadering van alle bosfuncties cruciaal is om de samenhang tussen verschillende beleidsmaatregelen op het gebied van bossen te waarborgen; overwegende dat de constante inspanningen van boseigenaren en -beheerders om de duurzame ontwikkeling van bossen te waarborgen, moeten worden erkend en hun potentieel verder moet worden vergroot teneinde de doelstellingen van de Europese Green Deal te verwezenlijken en de bio-economie te ontwikkelen, en tegelijkertijd ecosysteemdiensten en biodiversiteit te waarborgen; overwegende dat boseigenaren en -beheerders in de EU een lange traditie hebben van het beheer van multifunctionele bossen en hier veel ervaring mee hebben; overwegende dat de huidige uitdagingen echter een goede kennis van bosecologie vereisen, waaronder over de aanpak van natuurlijke verstoringen;

N. overwegende dat er wereldwijd steeds meer vraag is naar authentieke wilde natuur en dat de publieke steun voor strenge bescherming van bosecosystemen aanzienlijk is toegenomen;

O. overwegende dat genetische variëteit in bossen essentieel is voor de aanpassing aan de veranderende milieuomstandigheden zoals de klimaatverandering en om de biodiversiteit te herstellen;

P. overwegende dat in het speciale verslag van de Intergouvernementele Werkgroep van de Verenigde Naties inzake klimaatverandering (IPCC) over landgebruik wordt geconstateerd dat commerciële bosbouw heeft bijgedragen aan meer broeikasgasemissies, het verlies van natuurlijke ecosystemen en een vermindering van de biodiversiteit;

Q. overwegende dat de bossen in Europa van onschatbare waarde zijn voor de beperking van de klimaatverandering, aangezien bosecosystemen 10 % van de Europese koolstofemissies opnemen en opslaan en er potentieel is om deze capaciteit te vergroten; overwegende dat bossen ook een hernieuwbare en klimaatvriendelijke grondstof opleveren die energie-intensieve materialen en fossiele brandstoffen zou kunnen vervangen; overwegende dat het beginsel van cascadering echter zou moeten worden erkend en toegepast in de nieuwe bosstrategie als nuttige manier om de hulpbronnenefficiëntie te verbeteren; overwegende dat bossen ongeveer 2,5 keer meer CO2 opnemen en opslaan in de bodem dan in de biomassa van de bomen; overwegende dat in bossen die worden verstoord door branden en houtkap maar liefst 26,6 % van de bodem verloren is gegaan; overwegende dat complexe bosecosystemen en oude bossen dus ontzettend belangrijk zijn;

R. overwegende dat “proforestation” verwijst naar het laten groeien van bossen tot hun maximale ecologische capaciteit om koolstof op te slaan en hun volledige potentieel op het gebied van biodiversiteit te verwezenlijken;

S. overwegende dat het van cruciaal belang is een deel van bosgebieden te vrijwaren van elke vorm van actief menselijk ingrijpen, teneinde de biodiversiteit in en de functionaliteit van bossen volledig in stand te houden en de noodzaak van de beperking van en aanpassing aan de klimaatverandering te eerbiedigen, en gezien het feit dat in de LULUCF-verordening wordt erkend dat een koolstofreservoir van dood hout in het bos overeenstemt met gekapte houtproducten met lange levenscycli aangezien de koolstof daarin geen instantane oxidatie ondergaat, terwijl dood hout cruciale microhabitats vormt waarvan een aantal soorten, met inbegrip van beschermde soorten, afhankelijk zijn; overwegende dat er nieuwe opties voor de mitigatie van en de aanpassing aan de klimaatverandering opkomen, waaronder “proforestation”[12] en natuurgetrouwe bosbouw;

T. overwegende dat er volgens het mondiaal verslag over biodiversiteit en ecosysteemdiensten van het IPBES uit 2019 wereldwijd op een ongekend tempo natuur verloren gaat en dat 1 miljoen dier- en plantensoorten met uitsterven worden bedreigd;

U. overwegende dat het GLB de belangrijkste bron van EU-financiering voor bosbeheer is;

V. overwegende dat plantages vaak monoculturen zijn met minder biodiversiteit dan natuurlijke en semi-natuurlijke bossen en minder goed bestand zijn tegen klimaatverandering, waardoor er dus meer koolstof verloren gaat als gevolg van natuurlijke verstoringen;

W. overwegende dat verschillende manieren van kappen verschillende effecten hebben op de capaciteit van een bos om koolstofdioxide op te slaan, de bodemkwaliteit en de staat van instandhouding; overwegende dat het volledig kappen van grote gebieden de schadelijkste methode is, aangezien veel van de organische bestanddelen en wortels uit de bodem worden verwijderd, de in de bodem opgeslagen koolstof vrijkomt (ongeveer 2,5 keer zo veel als de hoeveelheid die is opgeslagen in de biomassa van bomen) en de complexe structuur van het bos en de van het bos afhankelijke ecosystemen aanzienlijk wordt aangetast;

X. overwegende dat subsidies voor bio-energie leiden tot een verslechtering van de verhouding tussen het gebruik van hout voor materiële toepassingen en voor energie, en tegelijkertijd tot een kunstmatige stijging in de aanvoer van biomassa[13], waardoor de capaciteit van bossen om koolstof vast te leggen dus vermindert;

Y. overwegende dat subsidies voor verschillende hernieuwbare energiebronnen de sector op gang helpen brengen; overwegende dat de zonne- en windenergiesectoren en aanverwante technologieën zich na de aanvankelijk opschaling zelf in stand kunnen houden zonder subsidies; overwegende dat dit echter niet het geval is voor bio-energie, een sector die alleen dankzij subsidies kan bestaan;

Z. overwegende dat de informatie die beschikbaar is over bossen op EU-niveau onvolledig en van variabele kwaliteit is, hetgeen de onderlinge afstemming van het beheer en de bescherming van bossen tussen de EU en de lidstaten belemmert;

AA. overwegende dat ongebreidelde ontbossing een van de factoren is die heeft geleid tot een “perfect storm” voor de overdracht van ziekten van wilde dieren op mensen[14];

AB. overwegende dat de EU de verantwoordelijkheid heeft om te garanderen dat onze consumptiepatronen en onze invoer uit derde landen niet bijdragen aan ontbossing, bosdegradatie of de omvorming of degradatie van andere natuurlijke ecosystemen in andere delen van de wereld;

1. is ingenomen met het besluit van de Commissie om een nieuwe bosstrategie in te voeren; benadrukt dat het subsidiariteitsbeginsel in acht moet worden genomen in de bosstrategie; beklemtoont dat de bevoegdheden van de EU op het gebied van milieubescherming, met inbegrip van de bescherming van bossen, in de bosstrategie moeten worden erkend; herinnert eraan dat het EU-beleid op milieugebied op grond van artikel 191 VWEU onder andere moet bijdragen tot het behoud, de bescherming en de verbetering van de kwaliteit van het milieu en tot een behoedzaam en rationeel gebruik van natuurlijke hulpbronnen; herinnert eraan dat diverse EU-wetgeving van invloed is op bossen en bosbeheer; beklemtoont in dit opzicht de noodzaak van een holistische en consequente bosstrategie die de multifunctionele rol van bossen en de houtsector in de EU versterkt en die de verreikende maatschappelijke, economische en milieuvoordelen van bossen bevordert, met volledige inachtneming van de doelstellingen van de EU op het gebied van klimaat en milieu; benadrukt dat er duidelijke prioriteiten moeten worden gesteld in de nieuwe EU-bosstrategie, met de bescherming van het klimaat en de biodiversiteit als centrale, onderling verbonden doelstellingen; onderstreept dat natuurlijke verstoringen dringend moeten worden voorkomen en beheerd; benadrukt dat de bosstrategie in overeenstemming moet zijn met de Europese Green Deal en moet worden afgestemd op de biodiversiteitsstrategie voor 2030;

2. wijst erop dat stadsbossen volgens het Europees Milieuagentschap ook een aanzienlijke bijdrage leveren aan de bestrijding van de klimaatverandering en de gevolgen ervan voor de gezondheid, en herinnert aan de zeer belangrijke rol die ze als recreatieruimte en natuurlijke omgeving voor stadsbewoners spelen; beklemtoont dat niet alleen bossen in plattelandsgebieden, maar ook stadsbossen en de interactie tussen bossen en bomen en steden en agglomeraties moeten worden beoordeeld, evenals de rol die ze voor deze gemeenschappen spelen, met name gezien de aanhoudende droogte;

3. beklemtoont de noodzaak van een holistische en consequente bosstrategie die de multifunctionele rol en duurzaamheid van bossen en de houtsector in de EU versterkt en de verreikende ecologische, maatschappelijke, economische en culturele voordelen van bossen bevordert; onderstreept in dat verband dat er bij voorrang dringende maatregelen moeten worden getroffen om natuurlijke uitdagingen voor en bestaande druk op bossen te voorkomen en te beheren en om ontbossing aan te pakken;

4. benadrukt dat de nieuwe bosstrategie als centraal beleidsinstrument in de EU moet dienen voor de efficiënte coördinatie van bosgerelateerde beleidsmaatregelen en initiatieven als deel van de Europese Green Deal; roept de Commissie en de lidstaten op te overwegen om streefcijfers voor bosbedekking in te voeren teneinde de huidige niveaus op duurzame wijze te verhogen, en om de doelstellingen voor 2030 inzake beschermde gebieden, waaronder bossen, en herstel te steunen, in overeenstemming met de biodiversiteitsstrategie van de EU en de oproepen van het Parlement[15] om ontbossing een halt toe te roepen en de kwaliteit van bestaande bossen en beboste gebieden te verbeteren; is van mening dat de bosstrategie toereikende instrumenten moet omvatten om deze doelstellingen te verwezenlijken;

5. benadrukt dat bossen bijna de helft van de totale oppervlakte van Natura 2000-gebieden uitmaken (d.w.z. 37,5 miljoen hectare), dat 23 % van alle bossen in Europa zich in deze gebieden bevindt, en dat bossen van cruciaal belang zijn voor deze gebieden[16]; beklemtoont in dat verband dat de Commissie dringend haar belofte moet nakomen om een nultolerantiebenadering te hanteren ten aanzien van de niet-naleving van milieuwetgeving, en met name om prioriteit te verlenen aan de doeltreffende handhaving van de natuurwetgeving van de EU, met inbegrip van passende beheerplannen voor Natura 2000-gebieden, en om te beoordelen of er toereikende middelen zijn toegewezen aan de bescherming van bossen in Natura 2000-gebieden, waaronder door middel van inbreukprocedures; wijst in dit opzicht op vijf belangrijke uitdagingen in verband met de toepassing van Natura 2000 in bossen:

(1) het evenwicht tussen de instandhouding van biodiversiteit en de productie van hout,

(2) het verenigen van instandhoudingsmaatregelen met de eisen van de lokale belanghebbenden,

(3) klimaatverandering,

(4) gebrek aan financiering, en

(5) incompatibiliteit met ander sectoraal beleid;

 

 dringt derhalve bij de Europese Commissie en de lidstaten aan op:

(1) betere communicatie en meer transparantie,

(2) een grotere nadruk op de wetenschap achter instandhouding bij de ontwikkeling van beheerstrategieën en in de respons op klimaatverandering,

(3) een grotere betrokkenheid van burgers bij het ontwerp en de uitvoering van beleid,

(4) een effectieve financieringsstrategie,

(5) een geïntegreerd Europees beleid inzake bodemgebruik en instandhouding, en

(6) een betere kennis over de toepassing van Natura 2000 in bossen en de effecten van Natura 2000 op biodiversiteit, bosbeheer en andere vormen van bodemgebruik in de hele EU;

6. wijst erop dat de vrijwaring en het duurzaam beheer van onze bossen een aanzienlijke bijdrage leveren aan ons algemene welzijn en niet onder het mededingingsrecht zouden moeten vallen; herinnert eraan dat in bossen activiteiten van algemeen belang op het gebied van ontspanning, gezondheid en onderwijs kunnen plaatsvinden;

7. wijst erop dat, wat de multifunctionele rol van bossen betreft, alle aspecten moeten worden bevorderd: de beschermende rol van bossen als habitat voor talloze plant- en diersoorten, de gebruiksfunctie van bossen als bron van hout en andere producten, en de beschermende rol van bossen voor flora en fauna; beklemtoont dat de ecologische, economische en sociale functies van bossen in onderlinge samenhang moeten worden beschouwd;

8. is van mening dat het, gezien de moeilijkheden waarmee kleine en middelgrote landeigenaren en zelfs sommige overheidsinstellingen te maken krijgen, van het grootste belang is dat de toegang tot EU-steun voor bossen wordt vereenvoudigd en de administratieve rompslomp wordt verminderd;

9. benadrukt dat de meningen over de CO2-opnamecapaciteit van verschillende soorten bossen uiteenlopen, en dat uit wetenschappelijk onderzoek blijkt dat weerbare en gezonde bossen met een grote biodiversiteit meer CO2 opnemen dat bossen waarin veel wordt gekapt; dringt er daarom op aan dat met de nieuwe bosstrategie duurzaam bosbeheer wordt aangemoedigd; herinnert eraan dat de EU en haar lidstaten zich ertoe hebben verbonden de definitie en beginselen van duurzaam bosbeheer[17] toe te passen; merkt echter op dat de Commissie aan een EU-definitie van duurzaam bosbeheer werkt, die gebaseerd moet zijn op de hoogste duurzaamheidsnormen, met als centrale elementen de bescherming van de biodiversiteit en waardevolle koolstofputten; wijst op de algemene voordelen die bossen en de op bossen gebaseerde waardeketen opleveren voor het klimaat, namelijk betere CO2-vastlegging, koolstofopslag en de duurzame vervanging van fossiele grondstoffen en energie; is van mening dat duurzaam bosbeheer de bescherming van de biodiversiteit in de Europese bossen moet waarborgen; merkt op dat de bescherming van bossen en bosproductie niet noodzakelijkerwijs haaks op elkaar staan, maar in sommige gevallen compatibel kunnen zijn en een positief resultaat kunnen opleveren op het gebied van de bescherming van het klimaat;

10. benadrukt dat er in de bio-economie en in het bijzonder in de bosbouw – een sector die een centrale rol speelt in de transitie naar een klimaatneutrale economie – onder bepaalde omstandigheden een afweging moet worden gemaakt tussen het beschermen van het klimaat en het beschermen van de biodiversiteit; uit zijn bezorgdheid dat in recente beleidsdiscussies onvoldoende aandacht is besteed aan deze afweging; verzoekt alle belanghebbenden een samenhangende aanpak te ontwikkelen om de bescherming van de biodiversiteit en van het klimaat te combineren in een bloeiende bossector en bio-economie;

11. merkt op dat er maar weinig optimaal in stand gehouden bossen zijn waaruit geen producten zijn onttrokken, maar dat deze bossen wel de aandacht moeten krijgen die ze verdienen, aangezien ze bijdragen aan de kennis, de gezondheid en het ecotoerisme die we de komende generaties niet mogen ontzeggen; benadrukt dat Natura 2000 als Europees netwerk voor de instandhouding van ecologische habitats een cruciale rol moet spelen in de Europese bosstrategie; is van mening dat Natura 2000 een centraal element moet zijn van de gegarandeerde bescherming en instandhouding van bossen;

12. benadrukt het belang en de cruciale rol van de cluster bos en hout voor de bescherming van het klimaat; benadrukt dat de bosbouw, de diensten voor de bosbouw en de verwerkende industrie dankzij hun vraag naar verdere goederen en diensten uit andere sectoren een aanzienlijke economische activiteit genereren, met name in plattelandsgebieden met een structurele achterstand;

13. benadrukt dat de lidstaten goede praktijken op het gebied van bosbeheer en -planning moeten delen; vestigt tevens de aandacht op het belang van het vaststellen van Europese richtsnoeren, in het verlengde van de reeds vastgestelde doelstellingen van de Europese Green Deal, zodat de lidstaten over richtsnoeren op het gebied van bosbeheer, -onderhoud en -planning beschikken;

14. benadrukt dat in de toekomstige bosstrategie van de EU de nadruk moet worden gelegd op bescherming en “proforestation”, alsook op herbebossing en de aanleg van bossen met boomsoorten die geschikt zijn voor de locatie en omgeving; merkt op dat natuurgetrouwe beheerpraktijken het meest geschikt zijn om deze doelstellingen te verwezenlijken;

15. benadrukt dat uit onderzoek[18] blijkt dat oude bossen koolstof blijven vastleggen, in tegenstelling tot de opvatting dat zij koolstofneutraal of zelfs bronnen van CO2 zouden zijn;

16. beklemtoont dat geen enkel vervangingseffect van bosproducten het verlies kan compenseren van oerbossen, die onvervangbaar worden geacht[19] en moeten worden beschermd met behulp van wettelijke instrumenten en stimulansen die gericht zijn op hun complexiteit, connectiviteit en representativiteit[20];

17. dringt aan op strikte bescherming van de oerbossen en oude bossen in de EU als onderdeel van de bosstrategie van de EU;

18. herinnert eraan dat ongeveer 60 % van de bossen in de EU in het bezit is van particulieren en dat ongeveer twee derde van de particuliere boseigenaren minder dan drie hectare bos bezitten; benadrukt dat daar in alle nodige maatregelen hier naar behoren rekening mee moet worden gehouden en dat ze dus zo moeten worden ontworpen dat ze toegankelijk zijn voor en in de praktijk kunnen worden uitgevoerd door kleinschalige boseigenaren; herinnert eraan dat de Commissie heeft geconstateerd dat administratieve lasten en de eigendomsstructuur van bossen de benutting van bepaalde maatregelen in de weg hebben gestaan[21];

19. herhaalt dat de instandhouding van koolstofrijke ecosystemen, met inbegrip van bossen, een mogelijke reactie is die onmiddellijke effecten heeft op klimaatverandering, hetgeen niet geldt voor bosaanleg, herbebossing en herstel, waarbij de resultaten langer op zich laten wachten[22]; wenst dat de beleidsmaatregelen in de EU op dit beginsel worden gestoeld;

20. benadrukt dat de aanhoudende afname van de biodiversiteit de afgelopen decennia negatieve gevolgen heeft gehad voor de verlening van diverse ecosysteemdiensten; merkt op dat deze afname deels te wijten is aan intensieve landbouw- en bosbouwpraktijken; beklemtoont dat de aanhoudende afname van reguleringsdiensten schadelijke gevolgen kan hebben voor de levenskwaliteit[23];

21. erkent dat de klimaatverandering de groeicapaciteit van bossen beïnvloedt, frequentere en ernstigere droogten, overstromingen en branden tot gevolg heeft en de ontwikkeling van nieuwe plagen en ziekten met negatieve gevolgen voor bossen in de hand werkt; merkt op dat intacte ecosystemen beter dan aangetaste ecosystemen in staat zijn om milieustressoren, waaronder veranderingen in het klimaat, het hoofd te bieden, aangezien ze inherente eigenschappen hebben die hun aanpassingsvermogen maximaliseren;

22. verzoekt de lidstaten te garanderen dat er voor bossen van meer dan tien hectare bosbeheerplannen zijn die koolstofopslag en biodiversiteit omvatten en die in voorkomend geval in overeenstemming zijn met de Natura 2000-doelstellingen;

23. herinnert aan de brief waarin meer dan 700 wetenschappers verzoeken om een vanuit wetenschappelijk oogpunt gedegen herziening van de richtlijn hernieuwbare energie, in het bijzonder om ervoor te zorgen dat bepaalde soorten houtachtige biomassa niet worden meegerekend voor de streefwaarde en niet in aanmerking komen voor steun;

24. benadrukt dat grootschalige, intensieve bio-energieplantages, met inbegrip van monoculturen, en met name die die in de plaats komen van natuurlijke bossen en landbouwgrond waarmee mensen in hun levensonderhoud voorzien, negatieve gevolgen hebben voor de biodiversiteit;

25. wijst op de rol die bossen kunnen spelen bij het vervangen van materialen uit fossiele grondstoffen door materialen uit biologische grondstoffen; is van mening dat in de nieuwe bosstrategie rekening moet worden gehouden met de belangrijke rol die de Europese bossen en de circulaire, duurzame bio-economie van de EU spelen bij het bereiken van klimaatneutraliteit tegen 2050 en dat er maatregelen in moeten worden opgenomen om dit doel te verwezenlijken; benadrukt dat de maatregelen het volledige potentieel van substitutie-effecten moeten benutten; benadrukt echter dat in de maatregelen in de nieuwe bosstrategie met betrekking tot de bio-economie en het gebruik van houtbiomassa naar behoren rekening moet worden gehouden met de rol ervan op het gebied van koolstofopslag, de bescherming van de biodiversiteit en de verlening van andere ecosysteemdiensten, evenals met de effecten op de instandhouding van bosecosystemen en CO2-vastlegging op een hulpbronnenefficiënte manier;

26. wijst erop dat in het verslag over de voortgang van de tenuitvoerlegging van de EU-bosstrategie wordt opgemerkt dat de uitvoering van het biodiversiteitsbeleid van de EU, ondanks de tot dusver getroffen maatregelen, een grote uitdaging blijft[24], en dat de verslagen inzake de instandhouding van boshabitats en -soorten tot nu toe op weinig verbetering duiden; verzoekt de Commissie de bescherming en het herstel van bosecosystemen en biodiversiteit als kernelement in de nieuwe bosstrategie te integreren;

27. merkt bezorgd op dat in 2015 van 15 % van de boshabitats en 26 % van de bossoorten werd geconstateerd dat ze een gunstige staat van instandhouding hadden[25]; herinnert aan streefdoel 3b van de biodiversiteitsstrategie van de EU, die betrekking heeft op het streven naar een meetbare verbetering in de staat van instandhouding van soorten en habitats die afhankelijk zijn of gevolgen ondervinden van bosbouw en in de verlening van verwante ecosysteemdiensten; betreurt dat er volgens de tussentijdse evaluatie van de biodiversiteitsstrategie geen aanzienlijke vorderingen zijn gemaakt met betrekking tot dat streefdoel[26];

28. benadrukt dat het noodzakelijk is de consumptie in de EU in het algemeen, en ook die van hout en op hout gebaseerde producten, te verminderen door een economie te bevorderen die circulairder is van aard en prioriteit toe te kennen aan het efficiëntste gebruik van hout, hetgeen het mogelijk maakt koolstof op de lange termijn vast te leggen en de productie van afval tot een minimum beperkt;

29. is van mening dat de bosstrategie van de EU moet helpen om de trend dat snel groeiende uitheemse soorten, zoals de eucalyptus, steeds vaker de voorkeur krijgen boven inheemse soorten, te keren;

30. beklemtoont het belang van beroepsopleidingen en bijscholingsprogramma’s voor bosbouwspecialisten op het gebied van de toepassing van nieuwe technologieën en het inspelen op veranderingen, waaronder het opzetten van een communicatieplatform voor de uitwisseling van beste praktijken, en vindt het belangrijk dat boseigenaren en -beheerders bij dit proces worden betrokken en dat zij worden aangemoedigd om praktijken voor duurzaam bosbehoud en de bevordering van biodiversiteit te volgen;

31. roept ertoe op dat de nieuwe bosstrategie helpt te waarborgen dat bosbeheerpraktijken de fragmentatie van bosecosystemen in kleinere delen voorkomen, met bijzondere aandacht voor oerbossen, aangezien veel soorten, met inbegrip van grotere zoogdieren, afhankelijk zijn van onderling verbonden, intacte boshabitats om te kunnen overleven; dringt erop aan dat in de bosstrategie prioriteit wordt toegekend aan het opnieuw verbinden van reeds gefragmenteerde bossen via het herstel van boscorridors die zijn afgestemd op de lokale omstandigheden en biodiversiteit;

32. is van mening dat informatie over bosbestanden en de staat waarin bossen verkeren van essentieel belang is om ervoor te zorgen dat beslissingen inzake bossen in sociaal-economisch en ecologisch opzicht op alle niveaus zo gunstig mogelijk zijn;

33. benadrukt het bijzondere belang van de Karpaten en merkt op dat toetreding van de EU tot het Karpatenverdrag zou helpen om deze regio op het Europese vasteland, die onvervangbare natuurlijke waarden bevat, te ondersteunen;

34. merkt bezorgd op dat uit gegevens op EU-niveau[27] blijkt dat energie goed is voor 48 % van het totale gebruik van houtachtige biomassa; herhaalt dat, naast natuurlijke koolstofvastlegging en de bescherming van biodiversiteit, gekapt hout meer moet worden gebruikt voor materiële toepassingen, in lijn met de doelstellingen van de EU op het gebied van biodiversiteit en klimaat;

35. wijst op de waarde en het potentieel van nieuwe en traditionele extensieve boslandbouwsystemen voor landbouwproductie en diversificatie, onder meer met het oog op de bio-economie, koolstofvastlegging, de preventie van woestijnvorming en het potentieel om de druk op de bosecosystemen te verminderen; betreurt dat de regels van het hervormde GLB systematisch hebben geleid tot de degradatie van de boslandbouwsystemen en het herstel, de regeneratie en de verjonging ervan in veel gevallen in de weg hebben gestaan; wijst met bezorgdheid op het huidige grootschalige afsterven van het iconische mediterrane boslandbouwsysteem met een hoge natuurwaarde en dringt erop aan de regels te wijzigen om de regeneratie en het herstel van de bestaande boslandbouwsystemen en de inrichting van nieuwe te vergemakkelijken;

36. merkt op dat sinds de invoering van de bosstrategie in 2013 grote vooruitgang is geboekt op het gebied van onderzoek en technologie; benadrukt dat het met betrekking tot de bosbouw en producten van biologische oorsprong belangrijk is verder onderzoek naar onder andere bosecosystemen, biodiversiteit, duurzame vervanging van fossiele grondstoffen en energie, koolstofopslag, op hout gebaseerde producten en duurzame bosbeheerpraktijken aan te moedigen; is van mening dat de EU-middelen voor onderzoek meer daarvoor moeten worden gebruikt; verzoekt de Commissie en de lidstaten ook onderzoek te financieren naar en gegevens te blijven verzamelen over innovatieve methoden om de weerbaarheid van bossen te beschermen en te vergroten, bijvoorbeeld door de introductie van weerbare soorten; benadrukt dat meer onderzoek en financiering een positieve bijdrage zouden leveren aan het beperken van de klimaatverandering, de instandhouding van de bosecosystemen en het stimuleren van de biodiversiteit, duurzame economische groei en werkgelegenheid, met name in landelijke gebieden;

37. dringt aan op de invoering van een gecoördineerd volg- en traceersysteem voor hout en op steun voor de ontwikkeling van geautomatiseerde instrumenten voor het analyseren en monitoren van de circulatie van hout in alle stadia van de transformatie ervan, en op de integratie van dit systeem met verwante overheids- en commerciële systemen voor administratie, verslaglegging, de verstrekking van vergunningen en de registratie van overeenkomsten;

38. beklemtoont dat voor lokale en regionale autoriteiten een sleutelrol is weggelegd bij het verzekeren van de duurzaamheid van bossen op de lange termijn, aangezien zij een rol kunnen spelen bij regionale plannen voor duurzame ontwikkeling, de ontwikkeling van koolstofabsorberende bosbouwproducten met een lange levenscyclus en de stimulering van de ondernemingsgeest bij kleine en middelgrote ondernemingen in de bosbouwsector;

39. roept ertoe op onderzoek naar bodems en hun rol in de weerbaarheid en het aanpassingsvermogen van bossen ten aanzien van de klimaatverandering, de bescherming en vergroting van de biodiversiteit en de verlening van andere ecosysteemdiensten te blijven financieren;

40. is van mening dat het van essentieel belang is om inheemse genetische hulpbronnen te behouden en die elementen uit de bestaande genenpool te selecteren die het beste kunnen gedijen in de voor de toekomst verwachte groeiomstandigheden;

41. verzoekt de Commissie en de lidstaten economische en beleidsinstrumenten te creëren die ervoor zorgen dat meer bossen kunnen groeien tot ze hun ecologische potentieel bereiken en koolstofdioxide opnemen;

42. benadrukt het belang van het bestaan van wetenschappelijk bewijs ten aanzien van het bosbeleid van de EU;

43. stelt voor om de verslagleggings- en boekhoudregels voor LULUCF te actualiseren teneinde de keuze voor non-interventie in de boekhoudcategorie beheerde bosgrond in gebieden met oude bossen te bevorderen, bijv. door overeenkomstige verwijderingen uit te sluiten van de beperkingen die de verordening oplegt;

44. benadrukt het belang van andere activiteiten in bossen, met name het oogsten van niet-houtproducten, zoals paddenstoelen en zacht fruit, alsook begrazing en bijenteelt;

45. is van mening dat streng beschermde gebieden met beheersregelingen op basis van non-interventie deel moeten uitmaken van de bosstrategie van de EU en van lokale ontwikkelingsstrategieën die zijn gebaseerd op natuurlijk toerisme met een lage impact en de verlening van niet-productieve ecosysteemdiensten;

46. verzoekt de Commissie het in de mededeling over de Green Deal (COM(2019)0640) vastgestelde “berokken geen schade”-beginsel te eerbiedigen en alle relevante wetgeving te herzien zodat deze een afspiegeling vormt van de laatste wetenschappelijke kennis met betrekking tot bosecosystemen, verschillende koolstofreservoirs en hun reële waarde voor de mitigatie van en aanpassing aan de klimaatverandering, met inbegrip van de cruciale rol die hun biodiversiteit speelt bij deze aanpassing;

47. brengt in herinnering dat het noodzakelijk is bossen tegen steeds grotere bedreigingen te beschermen en hun productieve functie en hun beschermende functie met elkaar te verzoenen, in de wetenschap dat bossen naar verwachting vaker en ernstiger te lijden zullen hebben onder droogte, branden, stormen en plagen als gevolg van de klimaatverandering;

48. uit zijn bezorgdheid over de gezondheidstoestand en de weerbaarheid van bossen in grote delen van Europa; onderstreept dat in de nieuwe bosstrategie rekening moet worden gehouden met het feit dat een divers bos, met een samenstelling die in de regio van nature voorkomt, in het algemeen weerbaarder is dan een monocultuurbos; benadrukt dat de EU-mechanismen om de grensoverschrijdende druk op de bossen aan te pakken, moeten worden versterkt en ten volle moeten worden benut; herinnert eraan dat met name intensiever grondgebruik, de groei van stedelijke gebieden en de klimaatverandering volgens het Europees Milieuagentschap[28] druk uitoefenen op bossen in de EU; benadrukt dat deze ecosystemen steeds gevoeliger zijn voor natuurlijke verstoringen zoals stormen, branden, droogten, invasieve soorten, plagen, insectenplagen en ziekten, die allemaal de kwetsbaarheid voor de klimaatverandering vergroten; verzoekt de Commissie een platform te faciliteren voor het uitwisselen van goede praktijken om deze problemen te bestrijden;

49. wijst erop dat luchtvervuiling een aanzienlijke impact heeft, niet alleen op de menselijke gezondheid, maar ook op het milieu; verzoekt de Europese Commissie om in haar toekomstig actieplan om de vervuiling tot nul terug te brengen de effecten van luchtvervuiling op bossen en de biodiversiteit in bossen te analyseren;

50. is ermee ingenomen dat in februari 2020 het Europees informatiesysteem voor bossen (FISE) is gelanceerd, dat zorgt voor een Europese gegevensinfrastructuur op het gebied van bossen; verzoekt de lidstaten volledig mee te werken aan de uitwisseling van gegevens en toe te werken naar een geharmoniseerd gegevenskader over de toestand van bossen in Europa; dringt erop aan het werk van het FISE tijdig te voltooien met betrekking tot alle vijf prioritaire thema’s: basisgegevens over bossen, bio-economie, natuur en biodiversiteit, mitigatie van de klimaatverandering en de gezondheid en weerbaarheid van bossen;

51. benadrukt dat het aanzienlijk verhogen van het aandeel bossoorten en -habitats met een gunstige staat van instandhouding een van de doelstellingen van de bosstrategie van de EU moet zijn; dringt er daarom op aan ambitieuze maatregelen in de strategie op te nemen;

52. is van mening dat in de bosstrategie van de EU rekening moet worden gehouden met de hoge economische, sociale en culturele waarde van bossen; wijst erop dat verschillende economische activiteiten met betrekking tot bossen diverse verstorende effecten kunnen hebben op bosecosystemen; benadrukt dat de nieuwe bosstrategie van de EU alleen economische activiteiten mag aanmoedigen die de duurzame grenzen van bosecosystemen eerbiedigen;

53. roept met klem op tot een beperking van kaalkap en pleit ervoor meer gebruik te maken van doorlopende aangroei; wijst erop dat, als een bos volledig wordt gekapt, het merendeel van de resterende koolstofvoorraad die er in de grond zit, vrijkomt in de atmosfeer; benadrukt dat alternatieve en minder invasieve methoden voor houtkap moeten worden bevorderd;

54. is verheugd dat effectieve bebossing en de instandhouding en het herstel van bossen kerndoelstellingen van de nieuwe bosstrategie zullen zijn, zoals werd aangekondigd in het kader van de Europese Green Deal; beklemtoont dat het koolstofopslagpotentieel bosecosystemen blijft toenemen naarmate het bosecosysteem ouder wordt en dat natuurlijke bossen aanzienlijke voordelen opleveren; benadrukt dat prioriteit moet worden verleend aan de bescherming en het herstel van bestaande bossen, met name oude bossen;

55. benadrukt dat de EU meer moet doen om kaalkap en illegale houtkap een halt toe te roepen; merkt op dat er in sommige lidstaten, ondanks de houtverordening van de EU, nog steeds aan illegale houtkap wordt gedaan; spoort de Commissie en de lidstaten aan deze kwesties dringend aan te pakken, door middel van nauwlettend toezicht en door de bestaande EU-wetgeving te handhaven, en roept de Commissie op om snel inbreukprocedures op te starten in het geval van inbreuken en om via organismen als het Europees Openbaar Ministerie (EPPO) en het Europees Bureau voor fraudebestrijding (OLAF) gevolg te geven aan zaken in verband met illegale houtkap; roept de Commissie op om de geschiktheidscontrole van de EU-regels inzake illegale houtkap onverwijld af te werken;

56. herinnert eraan dat de meeste bossen in de EU worden beheerd[29] en dat dit ook geldt voor de meerderheid van de oude bossen; benadrukt dat een EU-bosstrategie met langetermijnplanning noodzakelijk is om het aandeel oude bossen te vergroten; verzoekt de Commissie een EU-bosstrategie voor de lange termijn voor te stellen om het aandeel oude bossen te verhogen;

57. verzoekt de Commissie het potentieel te analyseren van de ontwikkeling van een wetgevend kader inzake een EU-certificeringsregeling voor lokaal geproduceerd hout, op basis van de hoogste duurzaamheidsnormen;

58. wijst erop dat er ruimte voor verbetering is wat betreft de benutting van fondsen voor plattelandsontwikkeling door lidstaten, met name van de programma’s die zijn bedoeld om de biodiversiteit van bossen te vergroten; verzoekt de lidstaten om gebruik te maken van de beschikbare steunmaatregelen voor de instandhouding van bossen en de biodiversiteit; benadrukt ook hoe belangrijk het is te garanderen dat er afdoende middelen zijn om de nieuwe bosstrategie van de EU uit te voeren;

59. verzoekt de Commissie opnieuw van start te gaan met de onderhandelingen over een internationaal, juridisch bindend verdrag inzake bossen dat zou bijdragen aan het beheer, de instandhouding en de duurzame ontwikkeling van bossen, en dat hun diverse en complementaire functies en toepassingen zou waarborgen, onder meer door middel van maatregelen op het gebied van herbebossing, bosaanleg en de instandhouding van bossen, en om tegelijkertijd rekening te houden met de sociale, economische, ecologische, culturele en spirituele behoeften van de huidige en toekomstige generaties, de vitale rol te erkennen die alle soorten bossen spelen bij het waarborgen van de ecologische processen en een ecologisch evenwicht, en de identiteit, cultuur en rechten van inheemse volkeren, hun gemeenschappen en andere gemeenschappen en bosbewoners te bevorderen;

60. uit zijn bezorgdheid over het verlies van biodiversiteit in de EU, dat een halt moet worden toegeroepen door middel van de EU-bosstrategie; herinnert eraan dat het verlies van biodiversiteit een intern probleem van de EU is; merkt op dat de strategie de laatste fragmenten oude bossen in de EU moet beschermen vanwege hun belang als reservoirs van biodiversiteit en om de weerbaarheid van bossen te vergroten; benadrukt dat de strategie bosbouw moet bevorderen die geen impact heeft op de bodem en op landschappen;

61. merkt op dat er dan wel een Europees informatiesysteem voor bossen is opgezet, maar dat de beschikbare gegevens over bossen in de EU, en in het bijzonder over hun ecologische toestand, onvolledig zijn en moeilijk bijeen te voegen zijn en dat geen gebruik wordt gemaakt van teledetectie; dringt aan op een aanzienlijke investering door de Commissie en de lidstaten in de verdere ontwikkeling van het Europees informatiesysteem voor bossen en de invoering van een pan-Europees teledetectieprogramma;

62. merkt op dat er al lang inspanningen worden geleverd om een gemeenschappelijk informatiesysteem over bossen in de EU op te zetten, maar dat dat tot dusver nog niet volledig is verwezenlijkt; benadrukt dat, om de huidige gegevenslacunes te kunnen dichten, moet worden gezocht naar synergieën tussen autoriteiten en relevante organisaties die voorbijgaan aan projectgebonden beperkingen, bijvoorbeeld met betrekking tot de beschikbaarheid van gegevens, geharmoniseerde methodologieën en ondersteunende financiële middelen en capaciteit;

63. benadrukt dat de nieuwe bosstrategie zowel op EU- als op lidstaatniveau de groei van de circulaire bio-economie moet bevorderen en dat moet worden erkend dat bosbouwwaardeketens cruciaal zijn om deze groei te bewerkstelligen; is van mening dat de strategie ook een verbreding van de circulaire bio-economie moet aanmoedigen door middel van verdere integratie van de bosbouwwaardeketens met andere sectoren en waardeketens die koolstofvrij moeten worden gemaakt;

64. merkt op dat 90 % van de EU-financiering voor bossen afkomstig is uit het Europees Landbouwfonds voor plattelandsontwikkeling (Elfpo); is bezorgd over de voorgenomen bezuinigingen op de begroting van het Elfpo; roept besluitvormers op om bezuinigingen op steun voor de bosbouw waar mogelijk te vermijden teneinde de doelstellingen van de Europese Green Deal te kunnen verwezenlijken;

65. verzoekt de Commissie om bindende doelstellingen voor de bescherming en het herstel van bosecosystemen, met name in inheemse Europese bossen, op te nemen in de nieuwe EU-bosstrategie, teneinde onder meer de internationale geloofwaardigheid van de EU op dit gebied te vergroten, en beveelt aan de lidstaten te steunen bij de bescherming van inheemse Europese bossen;

66. wijst op de rol van bossen bij het vergroten van de weerbaarheid tegen de gevolgen van de klimaatverandering; wijst erop dat het noodzakelijk is concrete en doeltreffende acties te ondernemen in het kader van strategieën en plannen voor aanpassing aan de klimaatverandering en hierbij rekening te houden met de synergieën tussen mitigatie en aanpassing;

67. verzoekt de Commissie in de EU-bosstrategie aandacht te besteden aan de ontwikkeling van stedelijke bossen; is in dat verband verheugd dat veel Europese steden zich hebben aangesloten bij het “Tree Cities of the World”-programma van de Voedsel- en Landbouworganisatie van de Verenigde Naties (FAO); verzoekt de Commissie de samenwerking en uitwisseling van goede praktijken tussen Europese steden te stimuleren op het gebied van de bevordering van stadbossen;

68. uit zijn ernstige bezorgdheid over het feit dat de bestaande EU-wetgeving met betrekking tot bosbouw in delen van de EU niet wordt toegepast; verzoekt de Commissie en de lidstaten de bestaande wetgeving volledig ten uitvoer te leggen en de tenuitvoerlegging van duurzaam en actief bosbeheer te versterken;

69. merkt op dat de uitvoering van aangepaste bosbeheerplannen op lidstaatniveau gebeurt en meer samenwerking vereist tussen bos- en milieuautoriteiten, ngo’s, lokale gemeenschappen en boseigenaren;

70. verzoekt de lidstaten te garanderen dat de nationale strategische plannen in het kader van het GLB bosbeheerders ertoe aanzetten bossen te beschermen, te laten groeien en duurzaam te beheren;

71. vestigt de aandacht op de noodzaak om plannen voor de aanpak van invasieve soorten op te stellen en in te voeren, waarin specifiek is voorzien in de nodige personele, technische en financiële middelen;

72. dringt erop aan om bij de invoer van hout in het kader van handelsovereenkomsten rekening te houden met het duurzaamheidsbeginsel en bij overtredingen sancties te treffen;

73. merkt op dat bossen met bomen van verschillende soorten en verschillende ouderdom die worden beheerd op grond van criteria voor de bescherming van de biodiversiteit beter bestand zijn tegen klimaateffecten zoals branden, droogten en voor het seizoen ongewone weersomstandigheden, en als zodanig een belangrijke investering in de toekomst vormen, niet alleen voor gemeenschappen en de natuur, maar ook voor boseconomieën; dringt erop aan monoculturen, die minder goed bestand zijn tegen plagen, ziekten, droogten, wind, stormen en branden niet moeten worden ondersteund met EU-middelen;

74. benadrukt dat de nieuwe bosstrategie alleen beleidseffecten teweeg kan brengen als deze betrekking heeft op de volledige bosbouwwaardeketen; merkt op dat bosbouwwaardeketens vandaag de dag al een cruciale rol spelen in de Europese economie en essentieel zijn voor de formulering van een strategie voor groene groei in het kader van de Europese Green Deal; is van mening dat een nieuwe bosstrategie concurrerende en duurzame EU-bosbouwwaardeketens moet bevorderen, zowel binnen de Unie als wereldwijd;

75. benadrukt de therapeutische functie van bossen, die een rechtstreekse positieve invloed hebben op de volksgezondheid en de levenskwaliteit van burgers; benadrukt dat bossen ook bijdragen aan de sociaaleconomische ontwikkeling van de Europese plattelandsgebieden, onder meer door inkomsten te genereren in de dunst bevolkte gebieden van de EU dankzij ecotoerisme, een van de populairste modaliteiten in de toeristische sector;

76. herhaalt zijn oproep[30]om een samenhangend bosbeleid dat het biodiversiteitsverlies en de gevolgen van de klimaatverandering bestrijdt, de natuurlijke koolstofputten van de EU vergroot en daarbij de biodiversiteit beschermt, behoudt en verbetert;

77. verzoekt de Commissie om de noodzaak van (financiële) steun aan boseigenaren op te nemen in de nieuwe EU-bosstrategie; is van mening dat dergelijke steun afhankelijk moet zijn van de toepassing van duurzaam bosbeheer; merkt op dat deze financiële steun het resultaat moet zijn van een robuuste combinatie van financieringsinstrumenten, nationale financiering en financiering uit de privésector, teneinde blijvende investeringen te waarborgen in moderne technologie, in milieu- en klimaatmaatregelen die de multifunctionele rol van bossen versterken, met een specifiek financieringsinstrument voor het beheer van gebieden in het Natura 2000-netwerk, en in het scheppen van fatsoenlijke arbeidsomstandigheden; verzoekt de Commissie een Europees programma voor bosaanleg en herbebossing op te zetten met behulp van GNSS-informatie (wereldwijd satellietnavigatiesysteem) en dit programma te financieren, met als doel bosgebieden uit te breiden, bodemdegradatie aan te pakken, de luchtkwaliteit in stedelijke gebieden te verbeteren en te waarborgen dat bossen hun samenstelling van natuurlijke soorten behouden;

78. betreurt dat het huidige gebruik van bosbeheerplannen sterk verschilt tussen de lidstaten; spoort de Commissie daarom aan het gebruik van bosbeheerplannen te versterken, onder andere door gemeenschappelijke richtsnoeren voor het opstellen en uitvoeren van dergelijke plannen vast te stellen; roept de lidstaten op om het gebruik van bosbeheerplannen te versterken, de uitvoering ervan nauwlettend te volgen en het evenredigheids- en subsidiariteitsbeginsel te eerbiedigen; benadrukt dat er een platform nodig is om oplossingen te vinden voor de diverse uitdagingen in verband met bossen en bosbeheer op EU-niveau; herhaalt dat de bosbeheermodellen het beginsel van ecologische, maatschappelijke en economische duurzaamheid moeten integreren, wat wil zeggen dat het beheer en gebruik van bossen en bosgebieden ervoor zorgen dat hun biodiversiteit, productiviteit, regeneratievermogen, vitaliteit en hun vermogen om nu en in de toekomst relevante ecologische, economische en maatschappelijke functies te vervullen op lokaal, nationaal en internationaal niveau, in stand worden gehouden en dat er geen schade wordt toegebracht aan andere ecosystemen[31]; eist dat de Commissie een gemeenschappelijke en voldoende gedetailleerde definitie ontwikkelt van natuurgetrouwe bosbouw, waarbij wordt voortgebouwd op de huidige ervaring met de integratie van aspecten van biodiversiteit in bosbeheer;

79. benadrukt dat bosbranden vaak voorkomen zijn en zowel een van de oorzaken als een van de gevolgen van de klimaatverandering zijn; merkt op dat stormen, bosbranden en plagen kunnen worden beperkt door beter en actiever bosbeheer en betere en actievere bosbouwtechnieken te gebruiken, bijvoorbeeld door begrazing en agrobosbouw, die binnen het kader van het GLB gesteund moeten worden;

80. benadrukt de noodzaak van doeltreffende instandhouding en strenge bescherming van oerbossen en oude bossen, waarbij rekening moet worden gehouden met hun unieke kenmerken; merkt op dat er geen EU-definitie bestaat voor oude bossen en verzoekt de Commissie in de toekomstige EU-bosstrategie een dergelijke definitie vast te stellen, waarbij rekening moet worden gehouden met de verschillende kenmerken van bossen en de noodzaak van doeltreffende instandhouding, met name van oerbossen en oude bossen; stelt met bezorgdheid vast dat de gegevens over oerbossen nog steeds onvolledig zijn, maar dat volgens de beschikbare informatie slechts 46 % van de in kaart gebrachte oerbossen in Europa de hoogste beschermingsstatus heeft, 24 % een status van nationaal park heeft en 11 % helemaal niet wordt beschermd[32]; verzoekt de Commissie zo spoedig mogelijk een alomvattende definitie van oerbossen voor te stellen en te werken aan een verbetering van de verzameling van gegevens over oerbossen;

81. benadrukt het belang van milieuactivisten voor de gezamenlijke inspanningen om de bossen in de EU te beschermen en herstellen; roept op tot nultolerantie voor aanvallen en intimidatie tegen hen;

82. is van mening dat langverwachte stappen nodig zijn om een aanpak voor rampenpreventie op EU-niveau in te voeren en dat hiervoor in het EU-begroting de nodige financiële middelen moeten worden uitgetrokken;

83. is van mening dat onderwijs een essentiële rol speelt bij duurzaam bosbeheer, en verzoekt de Commissie en de lidstaten om zowel in de EU als in derde landen trainingen op het gebied van bossen te steunen, onder meer door beurzen te verlenen en academische uitwisselingsprogramma’s op te zetten;

84. herhaalt zijn steun voor een Europees juridisch kader op basis van zorgvuldigheidsverplichtingen om de toegang tot de EU-markt te beperken tot producten en goederen die niet bijdragen aan ontbossing en bosdegradatie, of aan de omvorming of degradatie van andere natuurlijke ecosystemen; is van mening dat een dergelijk kader van toepassing moet zijn op alle economische actoren, met inbegrip van financiële actoren, zowel aan de boven- als aan de onderzijde van de toeleveringsketen, en dat ook moet worden gegarandeerd dat er geen mensenrechten worden geschonden; dringt er bij de Commissie op aan dit voorstel onverwijld aan te nemen;

85. verzoekt de Commissie om in te gaan op de zorgen van deskundigen ter zake over de richtlijn hernieuwbare energie, met name over de categorisering van alle soorten biomassa als hernieuwbare energiebron, onder meer in verband met de grootschalige invoer van houtpellets in de EU en de potentiële risico’s die deze invoer met zich meebrengt voor bossen in derde landen, en om andere duurzame vormen van hernieuwbare energie te blijven stimuleren;

86. benadrukt dat regelingen voor het planten van bomen een aanvulling moeten vormen op het herstel van natuurlijke bossen, aangezien het planten van de verkeerde bomen op de verkeerde plek kan leiden tot meer bosbranden, waarbij zelfs meer koolstofdioxide vrijkomt in de atmosfeer; merkt op dat regelingen voor het herstel van bossen moeten leiden tot een vergroting van hun potentieel voor koolstofvastlegging teneinde de mondiale klimaatafspraken te kunnen nakomen;

87. is van mening dat er mogelijk een monitoringsysteem voor plagen in de EU nodig is om een totaalbeeld van de staat van bossen te krijgen en van de gevolgen die ze hebben voor de biodiversiteit in bossen, gelet op de verwachte gevolgen van de klimaatverandering voor de verspreiding van schadelijke organismen;

88. is van mening dat dringend maatregelen moeten worden genomen om te voorkomen dat het internationale handelsverkeer nieuwe plagen, ziekten en de bijbehorende vectoren met zich meebrengt;

89. is van mening dat de Commissie, rekening houdend met de wetgeving inzake invasieve uitheemse soorten en de potentiële repercussies van deze soorten voor bossen, nieuwe aanvullende financiële instrumenten moet voorstellen om de getroffen gebieden te helpen bij de aanpak van invasieve soorten, met name moeilijk te bestrijden en nieuwe uitheemse soorten;

90. is van mening dat er meer aandacht moet worden besteed aan ziekten die bomen treffen, zoals de eikenziekte, aangezien het bomenareaal in de hele wereld terugloopt ten gevolge van plagen, ziekten en de klimaatverandering; vestigt de aandacht op de eikenziekte, die kurkeikenplantages in Portugal, Frankrijk en Spanje verwoest en ook speciale beschermingszones en biosfeerreservaten treft; is van mening dat de Commissie effectieve maatregelen en specifieke middelen voor de aanpak van boomziekten in de strategie had moeten opnemen.


INFORMATIE OVER DE GOEDKEURING IN DE ADVISERENDE COMMISSIE

Datum goedkeuring

22.6.2020

 

 

 

Uitslag eindstemming

+:

–:

0:

55

13

8

Bij de eindstemming aanwezige leden

Nikos Androulakis, Bartosz Arłukowicz, Margrete Auken, Simona Baldassarre, Marek Paweł Balt, Traian Băsescu, Aurelia Beigneux, Sergio Berlato, Alexander Bernhuber, Simona Bonafè, Delara Burkhardt, Pascal Canfin, Sara Cerdas, Mohammed Chahim, Tudor Ciuhodaru, Nathalie Colin-Oesterlé, Miriam Dalli, Esther de Lange, Christian Doleschal, Marco Dreosto, Bas Eickhout, Agnès Evren, Pietro Fiocchi, Catherine Griset, Jytte Guteland, Teuvo Hakkarainen, Anja Hazekamp, Martin Hojsík, Pär Holmgren, Jan Huitema, Adam Jarubas, Petros Kokkalis, Ewa Kopacz, Peter Liese, Sylvia Limmer, Javi López, César Luena, Fulvio Martusciello, Liudas Mažylis, Joëlle Mélin, Tilly Metz, Silvia Modig, Dolors Montserrat, Alessandra Moretti, Dan-Ștefan Motreanu, Ville Niinistö, Ljudmila Novak, Grace O’Sullivan, Jutta Paulus, Jessica Polfjärd, Luisa Regimenti, Frédérique Ries, María Soraya Rodríguez Ramos, Sándor Rónai, Rob Rooken, Silvia Sardone, Christine Schneider, Linea Søgaard-Lidell, Nicolae Ştefănuță, Nils Torvalds, Edina Tóth, Véronique Trillet-Lenoir, Petar Vitanov, Alexandr Vondra, Mick Wallace, Pernille Weiss, Michal Wiezik, Tiemo Wölken, Anna Zalewska

Bij de eindstemming aanwezige vaste plaatsvervangers

Margarita de la Pisa Carrión, João Ferreira, Billy Kelleher, Ulrike Müller, Piernicola Pedicini, Christel Schaldemose, Andrey Slabakov

 


HOOFDELIJKE EINDSTEMMING IN DE ADVISERENDE COMMISSIE

55

+

GUE/NGL

Silvia Modig

NI

Piernicola Pedicini

PPE

Bartosz Arłukowicz, Traian Băsescu, Alexander Bernhuber, Nathalie Colin-Oesterlé, Christian Doleschal, Agnès Evren, Adam Jarubas, Ewa Kopacz, Esther De Lange, Peter Liese, Fulvio Martusciello, Liudas Mažylis, Dolors Montserrat, Dan-Ștefan Motreanu, Ljudmila Novak, Jessica Polfjärd, Christine Schneider, Edina Tóth, Pernille Weiss, Michal Wiezik

RENEW

Pascal Canfin, Martin Hojsík, Jan Huitema, Billy Kelleher, Frédérique Ries, María Soraya Rodríguez Ramos, Linea Sogaard-Lidell, Nicolae Ştefănuță, Nils Torvalds, Véronique Trillet-Lenoir

S&D

Nikos Androulakis, Marek Balt, Simona Bonafè, Delara Burkhardt, Sara Cerdas, Mohammed Chahim, Tudor Ciuhodaru, Miriam Dalli, Jytte Guteland, Javi López, César Luena, Alessandra Moretti, Sándor Rónai, Christel Schaldemose, Petar Vitanov, Tiemo Wölken

VERTS/ALE

Margrete Auken, Bas Eickhout, Pär Holmgren,Tilly Metz, Ville Niinistö, Grace O'sullivan, Jutta Paulus

 

13

-

ECR

Sergio Berlato, Pietro Fiocchi, Rob Rooken. Andrey Slabakov, Alexandr Vondra, Anna Zalewska

ID

Simona Baldassarre, Marco Dreosto, Teuvo Hakkarainen, Sylvia Limmer, Luisa Regimenti, Silvia Sardone

GUE

Mick Wallace

 

8

0

ECR

Margarita De La Pisa Carrión

GUE

João Ferreira, Anja Hazekamp, Petros Kokkalis

ID

Aurelia Beigneux, Catherine Griset, Joëlle Mélin

RENEW

Ulrike Müller

 

Verklaring van de gebruikte tekens:

+ : voor

- : tegen

0 : onthouding


 

 

ADVIES VAN DE COMMISSIE INDUSTRIE, ONDERZOEK EN ENERGIE (3.6.2020)

<CommissionInt>aan de Commissie landbouw en plattelandsontwikkeling</CommissionInt>


<Titre>inzake de Europese bosbouwstrategie - De weg vooruit</Titre>

<DocRef>(2019/2157(INI))</DocRef>

Rapporteur: <Depute>Mauri Pekkarinen</Depute>


 

SUGGESTIES

De Commissie industrie, onderzoek en energie verzoekt de bevoegde Commissie landbouw en plattelandsontwikkeling onderstaande suggesties in haar ontwerpresolutie op te nemen:

1. is ingenomen met het besluit van de Commissie om een nieuwe EU-bosbouwstrategie uit te werken; is van mening dat de Europese bosbouwstrategie een essentiële factor zal zijn voor de verwezenlijking van de Europese Groene Deal; onderstreept dat er geen specifieke rechtsgrondslag bestaat voor een gemeenschappelijk bosbeleid van de EU aangezien het bosbeleid eerst en vooral een bevoegdheid van de lidstaten is; erkent evenwel dat veel beleidsmaatregelen van de EU gevolgen hebben voor bossen en de houtsector en dat deze beleidsmaatregelen samenhang en meer sectoroverschrijdende coördinatie in het kader van de EU-bosbouwstrategie vereisen; merkt op dat een coherent en stabiel regelgevingsklimaat een eerste voorwaarde is om innovatie en investeringen in de houtsector aan te moedigen;

2. merkt op dat voor de Europese Green Deal als nieuwe groeistrategie voor de EU investeringen nodig zijn die een schone en circulaire economie ten volle ondersteunen; wijst uitdrukkelijk op de essentiële rol van duurzaam actief bosbeheer voor het bereiken van klimaatneutraliteit in 2050 en voor de circulaire bio-economie van de EU; wijst met name op de grote capaciteit van beheerde bossen voor koolstofafvang en op het potentieel van houtproducten om fossiele brandstoffen en materialen te vervangen; is in dit verband van mening dat de strategie innovatie in de gehele waardeketen moet ondersteunen, onder meer door de uitwisseling van goede praktijken te bevorderen en door te voorzien in een concurrerend regelgevingsklimaat; wijst op de belangrijke rol die bossen en duurzaam bosbeheer vervullen in de gehele waardeketen van bosbouw en bio-economie, met name op het gebied van de levering van duurzame grondstoffen aan de sector en op het vlak van het scheppen van werkgelegenheid in de EU; benadrukt dat de beschikbaarheid van duurzame grondstoffen moet worden gewaarborgd en bevorderd door een ondersteunend en coherent beleidskader voor alle betrokken sectoren;

3. beklemtoont dat de nieuwe bosbouwstrategie moet zijn gebaseerd op de drie pijlers van ecologische, economische en maatschappelijke duurzaamheid; beklemtoont de noodzaak van een holistische en consequente bosstrategie die de multifunctionele rol van bossen en de houtsector in de EU versterkt en gebruikt;

4. merkt op dat, als er sprake is van beheerde bossen, een duurzaam bosbeheer ook streeft naar de bescherming van de biodiversiteit en soortendiversiteit, en dat zulke duurzaam beheerde bossen bijgevolg beter bestand kunnen zijn tegen klimaateffecten zoals brand, droogte en ongewone weersomstandigheden, en als dusdanig een belangrijke investering voor de toekomst zijn, niet alleen voor de gemeenschappen en de natuur, maar ook voor de boseconomieën;

5. benadrukt dat uit wetenschappelijk onderzoek blijkt dat duurzaam beheerde bossen een hogere CO2-opnamecapaciteit hebben dan bossen die niet worden beheerd; dringt er daarom op aan dat met de nieuwe bosbouwstrategie duurzaam bosbeheer, ook door kmo’s, wordt aangemoedigd;

6. erkent dat duurzaam en actief bosbeheer voornamelijk door kmo’s wordt aangestuurd en gehandhaafd;

7. beklemtoont dat er bijzondere aandacht moet worden besteed aan het scheppen van banen in de houtsector en aan nieuwe instrumenten om het economisch herstel in noodsituaties zoals die veroorzaakt door de COVID-19-pandemie, te versnellen;

Houtverwerkende sectoren

8. merkt op dat de Europese bosbestanden aan het toenemen zijn, als gevolg van zowel natuurlijke groei als bebossing; merkt op dat de omvangrijke waardeketens van de houtsector, van de bosbouw tot de papierindustrie, volgens de branche hebben bijgedragen tot de creatie van bijna 4 miljoen banen, oftewel ongeveer 8 % van de totale Europese toegevoegde waarde van de verwerkende industrie; erkent in dit verband de positieve economische, maatschappelijke en ecologische bijdragen van de bosbouw en is van mening dat de bosstrategie verdere investeringen in innovatie en technologische vooruitgang moet stimuleren;

9. merkt op dat de Europese houtsector bijdraagt tot het koolstofvrij maken van Europa door CO2-intensieve grondstoffen, producten en fossiele energie te vervangen door uit bosbouw afkomstige hernieuwbare alternatieven zoals materialen uit biologische grondstoffen, bijvoorbeeld bouwmaterialen, nieuwe innovatieve chemicaliën, plastic, textiel, verpakkingsmaterialen en duurzaam geproduceerde biomassa, biogas en biobrandstoffen, en wijst erop dat de sector op die manier bijdraagt tot het bereiken van de doelstellingen van de Overeenkomst van Parijs en de Europese Green Deal;

10. vraagt om de EU-strategie voor de bio-economie uit te voeren; pleit voor het duurzame gebruik van hout als een milieuvriendelijke grondstof; onderstreept dat producten op basis van hout met een lange levenscyclus en duurzaam bouwen met hout een doeltreffende manier vormen om meer koolstof op te slaan en de uitstoot van broeikasgassen te verminderen; beklemtoont dat de beschikbaarheid van grondstoffen op basis van hout belangrijk is voor de houtsector en de noodzaak om investeringen in de bosbouw in de EU aan te trekken; benadrukt dat prioriteit moet worden gegeven aan een efficiënt gebruik van hout;

11. benadrukt dat materialen op basis van hout een cruciale rol moeten spelen bij de vervanging van fossiele alternatieven in sectoren als de bouwnijverheid, de textielindustrie, de chemische industrie en de verpakkingsindustrie; beklemtoont dat bij de prioritering van op hout gebaseerde alternatieven rekening moet worden gehouden met de gehele levenscyclus van producten en met hun milieuprestaties; benadrukt dat er nog steeds duurzame steun nodig is voor onderzoek en innovatie in de bosbouw, en dit in de hele boswaardeketen, alsook voor op hout gebaseerde producten als vervanging voor fossiele of koolstofintensieve materialen;

12. verzoekt de lidstaten de klimaatvriendelijkste oplossingen voor bouw en renovatie te identificeren; dringt aan op een grootschaliger ondersteuning van hout in de bouwsector; verzoekt de Commissie aanbevelingen in die zin vast te stellen in haar renovatieplan van einde dit jaar;

13. is zich er echter van bewust de toenemende vraag naar hout voor materialen, hernieuwbare energie en de bio-economie voor problemen kan zorgen, en verzoekt de Commissie deze uitdagingen in de toekomstige strategie passend aan te pakken en tegelijkertijd het bereiken van klimaatneutraliteit in 2050 te vergemakkelijken;

14. benadrukt dat de houtsector in de eerste plaats een stabiel beleidskader voor de lange termijn nodig heeft, in plaats van steunmaatregelen op korte termijn;

15. verzoekt de EU te stimuleren en te garanderen dat materialen van biologische oorsprong, waaronder houtafval, terugkeren in de waardeketen, door ecologisch ontwerp aan te moedigen en het gebruik te bevorderen van secundaire grondstoffen, zoals hout, vóór de mogelijke verbranding hiervan aan het einde van hun levenscyclus met het oog op de vervaardiging van producten;

16. verzoekt de Commissie en de lidstaten beleid in te voeren ter bevordering van duurzame en recycleerbare producten van biologische oorsprong, en recycleerbare producten van biologische oorsprong te ondersteunen door middel van openbare aanbestedingen en investeringssteun;

17. beklemtoont dat geen enkel vervangingseffect van houtproducten het verlies van oude bossen en oerbossen kan compenseren, en wijst erop dat deze bossen als onvervangbaar worden beschouwd en moeten worden beschermd met behulp van wettelijke instrumenten en stimulansen;

18. meent dat een efficiënter gebruik van hout moet worden bereikt door prioriteit te verlenen aan gebruiksvormen met een grotere toegevoegde waarde in elke Europese industriesector;

Energiebeleid

19. verzoekt de lidstaten te zorgen voor de tijdige en correcte tenuitvoerlegging van de herziene richtlijn hernieuwbare energie (RED II)[33] die in december 2018 werd vastgesteld en waarin strenge duurzaamheidscriteria voor hernieuwbare energiebronnen zijn bepaald; merkt op dat in de herziene richtlijn hernieuwbare energie duurzaamheidscriteria zijn vastgesteld om de duurzame productie van biomassa te waarborgen en dat deze criteria moeten worden nageleefd om te voldoen aan het streefcijfer voor hernieuwbare energie van de EU en om in aanmerking te komen voor ondersteuningsregelingen; beklemtoont dat de geharmoniseerde, in de hele EU geldende criteria die onlangs zijn overeengekomen van essentieel belang zijn voor de vlotte werking van de interne energiemarkt en om concurrentievervalsing te voorkomen;

20. wijst erop dat in de herziene richtlijn is bepaald dat de beheerders een op risico gebaseerde aanpak moeten invoeren om het risico op het gebruik van niet-duurzame bosbiomassa voor de productie van bio-energie tot een minimum te beperken;

Onderzoek en innovatie

21. onderstreept het feit dat onderzoek en innovatie een essentiële rol spelen om ervoor te zorgen dat bossen en de houtsector bijdragen tot het aanpakken van de uitdagingen van onze tijd; is van mening dat onderzoek in de bosbouw en de houtsector positieve resultaten kan opleveren in verband met de bestrijding van de klimaatverandering, de groei van duurzame bedrijven, de werkgelegenheid, het langdurige behoud van gezonde bossen en de bescherming van de biodiversiteit, en dat dergelijk onderzoek daarom moet worden aangemoedigd; vraagt om voldoende financiering voor Horizon Europa en voor het versterken en stimuleren van nieuwe en bestaande banden tussen onderzoek, industrie, bosbouw, boslandbouw en samenleving op alle niveaus door middel van specifieke instrumenten zoals Europese partnerschappen (bijvoorbeeld het Europees partnerschap voor een circulair biogebaseerd Europa en Build4People);

22. benadrukt dat er rekening moet worden gehouden met de verbanden tussen de houtsector en andere sectoren, en dat digitalisering en investeringen in onderzoek en innovatie belangrijk zijn om tot een industriële symbiose te komen;

23. beklemtoont dat het belangrijk is verder onderzoek in de houtsector aan te moedigen, en wijst daarbij uitdrukkelijk op de rol van kmo’s voor bijdragen aan onderzoek en innovatie in de duurzame bosbouw;

24. wijst op het belang van onderwijs en van goed opgeleide werknemers in de houtsector voor de geslaagde uitvoering van duurzaam bosbeheer in de praktijk; verzoekt de Commissie en de lidstaten derhalve om de bestaande Europese instrumenten in dit verband te blijven toepassen en versterken;

Gegevens - gebruik van satellietdiensten

25. verzoekt de EU een netwerk op te richten voor toezicht op de Europese bossen, dat informatie verzamelt op lokaal niveau (herbebossing, temperaturen, parasitaire ziekten, natuurrampen) in samenhang met Copernicus, het programma voor aardobservatie, zodat er betrouwbare prognoses in real time kunnen worden gedaan om het duurzame beheer van bossen te verbeteren; verzoekt de Commissie en de lidstaten de nauwkeurigheid van de bosgegevens te verbeteren om de rechtstreekse uitwisseling van vergelijkbare informatie tussen de lidstaten mogelijk te maken;

26. vraagt om een satellietvolgsysteem op te zetten en toe te passen teneinde de bossen in de hele Europese Unie nauwlettend te kunnen bewaken, met het oog op betere weerswaarschuwingen en effectverslagen, en de gegevens te gebruiken voor nationale bosinventarissen; benadrukt niettemin dat dit niet mag leiden tot buitensporige administratieve lasten voor de betrokken ondernemingen, aangezien de meeste daarvan kmo’s zijn;

27. benadrukt dat de bossen in de EU heel uiteenlopende kenmerken hebben en dat er bijgevolg verschillende beheersbenaderingen nodig zijn; uit zijn bezorgdheid over de gezondheidstoestand en de weerbaarheid van bossen in grote delen van Europa als gevolg van klimaatverandering en van uitbraken van plagen en bosziekten; benadrukt de noodzaak om de EU-mechanismen met betrekking tot monitoring, voorlichting en het aanpakken van de druk op de bosbestanden als gevolg van de verspreiding van invasieve uitheemse soorten, plagen en ziekten, te versterken en ten volle te benutten; verzoekt de Commissie in dit verband bijzondere aandacht te besteden aan de gebieden die het meest bedreigd worden door de klimaatverandering, zoals het Middellandse Zeegebied.


INFORMATIE OVER DE GOEDKEURING IN DE ADVISERENDE COMMISSIE

Datum goedkeuring

28.5.2020

 

 

 

Uitslag eindstemming

+:

–:

0:

48

20

10

Bij de eindstemming aanwezige leden

François Alfonsi, Nicola Beer, François-Xavier Bellamy, Hildegard Bentele, Tom Berendsen, Vasile Blaga, Michael Bloss, Manuel Bompard, Paolo Borchia, Marc Botenga, Markus Buchheit, Klaus Buchner, Martin Buschmann, Cristian-Silviu Buşoi, Jerzy Buzek, Carlo Calenda, Andrea Caroppo, Maria da Graça Carvalho, Ignazio Corrao, Josianne Cutajar, Nicola Danti, Pilar del Castillo Vera, Martina Dlabajová, Christian Ehler, Valter Flego, Niels Fuglsang, Lina Gálvez Muñoz, Claudia Gamon, Jens Geier, Nicolás González Casares, Bart Groothuis, Christophe Grudler, András Gyürk, Henrike Hahn, Robert Hajšel, Ivo Hristov, Ivars Ijabs, Romana Jerković, Eva Kaili, Seán Kelly, Izabela-Helena Kloc, Łukasz Kohut, Zdzisław Krasnodębski, Andrius Kubilius, Miapetra Kumpula-Natri, Thierry Mariani, Marisa Matias, Eva Maydell, Georg Mayer, Joëlle Mélin, Iskra Mihaylova, Dan Nica, Angelika Niebler, Ville Niinistö, Aldo Patriciello, Mauri Pekkarinen, Mikuláš Peksa, Tsvetelina Penkova, Morten Petersen, Markus Pieper, Clara Ponsatí Obiols, Sira Rego, Jérôme Rivière, Robert Roos, Sara Skyttedal, Maria Spyraki, Jessica Stegrud, Beata Szydło, Grzegorz Tobiszowski, Patrizia Toia, Evžen Tošenovský, Marie Toussaint, Isabella Tovaglieri, Henna Virkkunen, Pernille Weiss, Carlos Zorrinho

Bij de eindstemming aanwezige vaste plaatsvervangers

Jutta Paulus, Edina Tóth

 

 


 

 

HOOFDELIJKE EINDSTEMMING IN DE ADVISERENDE COMMISSIE

48

+

PPE

François-Xavier Bellamy, Hildegard Bentele, Tom Berendsen, Vasile Blaga, Cristian-Silviu Buşoi, Jerzy Buzek, Maria Da Graça Carvalho, Pilar Del Castillo Vera, Christian Ehler, András Gyürk, Seán Kelly, Andrius Kubilius, Eva Maydell, Angelika Niebler, Aldo Patriciello, Markus Pieper, Sara Skyttedal, Maria Spyraki, Edina Tóth, Henna Virkkunen, Pernille Weiss

Renew

Nicola Beer, Nicola Danti, Martina Dlabajová, Valter Flego, Claudia Gamon, Bart Groothuis, Christophe Grudler, Ivars Ijabs, Iskra Mihaylova, Mauri Pekkarinen, Morten Petersen

S&D

Carlo Calenda, Josianne Cutajar, Niels Fuglsang, Lina Gálvez Muñoz, Jens Geier, Nicolás González Casares, Robert Hajšel, Ivo Hristov, Romana Jerković, Eva Kaili, Łukasz Kohut, Miapetra Kumpula-Natri, Dan Nica, Tsvetelina Penkova, Patrizia Toia, Carlos Zorrinho

 

20

-

ECR

Robert Roos

GUE/NGL

Manuel Bompard, Marc Botenga, Marisa Matias, Sira Rego

ID

Markus Buchheit, Thierry Mariani, Georg Mayer, Joëlle Mélin, Jérôme Rivière

NI

Martin Buschmann, Ignazio Corrao

Verts/ALE

François Alfonsi, Michael Bloss, Klaus Buchner, Henrike Hahn, Ville Niinistö, Jutta Paulus, Mikuláš Peksa, Marie Toussaint

 

10

0

ECR

Izabela-Helena Kloc, Zdzisław Krasnodębski, Jessica Stegrud, Beata Szydło, Grzegorz Tobiszowski, Evžen Tošenovský

ID

Paolo Borchia, Andrea Caroppo, Isabella Tovaglieri

NI

Clara Ponsatí Obiols

 

Verklaring van de gebruikte tekens:

+ : voor

- : tegen

0 : onthouding

 

 


 

INFORMATIE OVER DE GOEDKEURING IN DE BEVOEGDE COMMISSIE

Datum goedkeuring

7.9.2020

 

 

 

Uitslag eindstemming

+:

–:

0:

36

8

4

Bij de eindstemming aanwezige leden

Mazaly Aguilar, Clara Aguilera, Atidzhe Alieva-Veli, Álvaro Amaro, Eric Andrieu, Attila Ara-Kovács, Carmen Avram, Adrian-Dragoş Benea, Mara Bizzotto, Daniel Buda, Asger Christensen, Angelo Ciocca, Ivan David, Paolo De Castro, Jérémy Decerle, Salvatore De Meo, Herbert Dorfmann, Luke Ming Flanagan, Cristian Ghinea, Dino Giarrusso, Martin Häusling, Martin Hlaváček, Krzysztof Jurgiel, Jarosław Kalinowski, Elsi Katainen, Gilles Lebreton, Norbert Lins, Chris MacManus, Marlene Mortler, Ulrike Müller, Maria Noichl, Juozas Olekas, Pina Picierno, Maxette Pirbakas, Bronis Ropė, Bert-Jan Ruissen, Anne Sander, Petri Sarvamaa, Simone Schmiedtbauer, Annie Schreijer-Pierik, Veronika Vrecionová, Juan Ignacio Zoido Álvarez

Bij de eindstemming aanwezige vaste plaatsvervangers

Manuel Bompard, Anna Deparnay-Grunenberg, Tilly Metz, Christine Schneider, Marc Tarabella, Thomas Waitz

 


 

HOOFDELIJKE EINDSTEMMING IN DE BEVOEGDE COMMISSIE

36

+

PPE

Álvaro Amaro, Daniel Buda, Salvatore De Meo, Herbert Dorfmann, Jarosław Kalinowski, Norbert Lins, Marlene Mortler, Anne Sander, Petri Sarvamaa, Simone Schmiedtbauer, Christine Schneider, Annie Schreijer-Pierik, Juan Ignacio Zoido Álvarez

S&D

Clara Aguilera, Eric Andrieu, Attila Ara-Kovács, Carmen Avram, Adrian-Dragoş Benea, Paolo De Castro, Maria Noichl, Juozas Olekas, Pina Picierno, Marc Tarabella

RENEW

Atidzhe Alieva-Veli, Asger Christensen, Jérémy Decerle, Cristian Ghinea, Martin Hlaváček, Elsi Katainen, Ulrike Müller

ECR

Mazaly Aguilar, Krzysztof Jurgiel, Bert-Jan Ruissen, Veronika Vrecionová

GUE/NGL

Chris MacManus

NI

Dino Giarrusso

 

9

-

ID

Mara Bizzotto, Angelo Ciocca, Gilles Lebreton, Maxette Pirbakas

Verts/ALE

Anna Deparnay-Grunenberg, Martin Häusling, Tilly Metz, Bronis Ropė, Thomas Waitz

 

3

0

ID

Ivan David

GUE/NGL

Manuel Bompard, Luke Ming Flanagan

 

Verklaring van de gebruikte tekens:

+ : voor

- : tegen

0 : onthouding

 

 

 

[1] Aangenomen teksten, P9_TA(2020)0005.

[2] Aangenomen teksten, P9_TA(2020)0015.

[3] PB C 346 van 21.9.2016, blz. 17.

[4] PB L 317 van 4.11.2014, blz. 35.

[5] https://ec.europa.eu/knowledge4policy/publication/council-conclusions-updated-eu-bioeconomy-strategy-29-november-2019_en

[6] PB C 361 van 5.10.2018, blz. 5.

[7] Databank van Eurostat over bosbouw, hier te vinden: https://ec.europa.eu/eurostat/web/forestry/data/database

[8] Infopagina van het Europees Parlement van mei 2019 over de Europese Unie en bossen.

[9] PB L 198 van 22.6.2020, blz. 13.

[10] Verslag van het Europees Milieuagentschap getiteld “The European Environment – state and outlook 2020”, blz. 83.

[11] Arrest van het Hof (Vijfde kamer) van 25 februari 1999 in gevoegde zaken C-164/97 en C-165/97, Europees Parlement tegen Raad van de Europese Unie, ECLI:EU:C:1999:99, punt 16.

[12] “Proforestation” is het intact laten groeien van bestaande bossen tot ze hun ecologische potentieel hebben bereikt. Zie: William R. Moomaw, “Intact Forests in the United States: Proforestation Mitigates Climate Change and Serves the Greatest Good”, in Frontiers in Forests and Global Change, 2019.

[13] In een verslag van het Gemeenschappelijk Centrum voor onderzoek van de Europese Commissie uit 2018 getiteld “Biomass production, supply, uses and flows in the European Union” wordt gesteld dat de streefwaarden voor hernieuwbare energie die door de EU zijn geformuleerd, hebben geleid tot een stijging van het verbruik van houtachtige biomassa. Schattingen voor gebruik van hout voor energie: 42 % (2005), 43 % (2010), 48 % (momenteel), en waarschijnlijk wordt niet alle gebruik voor energie volledig geregistreerd.

[14] Gastartikel van het IPBES getiteld “COVID-19 Stimulus Measures Must Save Lives, Protect Livelihoods, and Safeguard Nature to Reduce the Risk of Future Pandemics”, door professoren Josef Settele, Sandra Díaz en Eduardo Brondizio en dr. Peter Daszak, 27 april 2020.

[15] Resolutie van het Europees Parlement van 16 januari 2020 over de 15e bijeenkomst van de Conferentie van de partijen bij het Verdrag inzake biologische diversiteit (COP15), aangenomen teksten, P9_TA(2020)0015.

[16] Europees Milieuagentschap, “European Forest Ecosystems – State and Trends”, 2016.

[17] Vastgesteld in de resolutie van Helsinki H1 van Forest Europe uit 1993.

[18] S. Luyssaert et al., “Old-growth forests as global carbon sinks”, in Nature, 2008.

[19] Mededeling van de Commissie van 23 juli 2019 getiteld “Bescherming en herstel van bossen wereldwijd: de actie van de EU opvoeren” (COM(2019)0352).

[20] Resolutie van het Europees Parlement van 16 januari 2020 over de 15e bijeenkomst van de Conferentie van de partijen bij het Verdrag inzake biologische diversiteit (COP15), aangenomen teksten, P9_TA(2020)0015), paragraaf 52.

[21] Verslag van de Commissie van 7 december 2018 getiteld “Voortgang van de tenuitvoerlegging van de bosstrategie van de EU – Een nieuwe EU-bosstrategie ten bate van de bossen en de houtsector” (COM(2018)0811), blz. 3.

[22] Intergouvernementele Werkgroep inzake klimaatverandering (IPCC) (2019), “Climate Change and Land Report-Summary for Policymakers”.

[23] Intergouvernementeel platform voor wetenschap en beleid inzake biodiversiteit en ecosysteemdiensten (IPBES) (2018): “The regional assessment report on biodiversity and ecosystem services for Europe and Central Asia – Summary for policymakers”, M. Fischer, M. Rounsevell, A. Torre-Marin Rando, A. Mader, A. Church, M. Elbakidze, V. Elias, T. Hahn. P.A. Harrison, J. Hauck, B. Martín-López, I. Ring, C. Sandström, I. Sousa Pinto, P. Visconti, N.E. Zimmermann en M. Christie (eds.), IPBES-secretariaat, Bonn, Duitsland.

[24] Verslag van de Commissie van 7 december 2018 getiteld “Voortgang van de tenuitvoerlegging van de bosstrategie van de EU – Een nieuwe EU-bosstrategie ten bate van de bossen en de houtsector” (COM(2018)0811), blz. 3.

[25] Briefing van het Europees Milieuagentschap van 27 november 2019 getiteld “Forest dynamics in Europe and their ecological consequences”, laatst gewijzigd op 10 december 2019.

[26] Verslag van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad van 2 oktober 2015 getiteld “De tussentijdse evaluatie van de biodiversiteitsstrategie van de EU voor 2020” (COM(2015)0478).

[27] Gemeenschappelijk Centrum voor onderzoek van de Europese Commissie (2018), “Biomass production, supply, uses and flows in the European Union”.

[28] Europees Milieuagentschap, “Forest dynamics in Europe and their ecological consequences”, 27 november 2018.

[29] Naudts, K., Chen, Y., et al., “Europe’s forest management did not mitigate climate warming”, in Science, 5 februari 2016, vol. 351, uitgave 6273, blz. 597-600.

[30] Resolutie van het Europees Parlement van 16 januari 2020 over de 15e bijeenkomst van de Conferentie van de partijen bij het Verdrag inzake biologische diversiteit (COP15), aangenomen teksten, P9_TA(2020)0015.

[31] Resolutie H1 van de tweede ministerconferentie over de bescherming van de bossen in Europa, getiteld “General Guidelines for the Sustainable Management of Forests in Europe”, 16-17 juni 1993, Helsinki.

[32] Sabatini, F.M., Burrascano, S., et al., “Where are Europe’s last primary forests?”, in Diversity and Distributions, voor het eerst gepubliceerd op 24 mei 2018, vol. 24, uitgave 10, oktober 2018, blz. 1426-1439, afbeelding 3.

[33] Richtlijn (EU) 2018/2001 van het Europees Parlement en de Raad van 11 december 2018 ter bevordering van het gebruik van energie uit hernieuwbare bronnen (PB L 328 van 21.12.2018, blz. 82).

Laatst bijgewerkt op: 24 september 2020Juridische mededeling - Privacybeleid