Procedure : 2019/2197(INI)
Stadium plenaire behandeling
Documentencyclus : A9-0160/2020

Ingediende teksten :

A9-0160/2020

Debatten :

Stemmingen :

Aangenomen teksten :

P9_TA(2020)0252

<Date>{18/09/2020}18.9.2020</Date>
<NoDocSe>A9-0160/2020</NoDocSe>
PDF 250kWORD 84k

<TitreType>VERSLAG</TitreType>

<Titre>over de tenuitvoerlegging van het gemeenschappelijk handelsbeleid – jaarverslag 2018</Titre>

<DocRef>(2019/2197(INI))</DocRef>


<Commission>{INTA}Commissie internationale handel</Commission>

Rapporteur: <Depute>Jörgen Warborn</Depute>

ONTWERPRESOLUTIE VAN HET EUROPEES PARLEMENT
 TOELICHTING
 ADVIES VAN DE COMMISSIE ONTWIKKELINGSSAMENWERKING
 INFORMATIE OVER DE GOEDKEURING IN DE BEVOEGDE COMMISSIE
 HOOFDELIJKE EINDSTEMMING IN DE BEVOEGDE COMMISSIE

ONTWERPRESOLUTIE VAN HET EUROPEES PARLEMENT

over de tenuitvoerlegging van het gemeenschappelijk handelsbeleid – jaarverslag 2018

(2019/2197(INI))

Het Europees Parlement,

 gezien het verslag van de Commissie van 14 oktober 2019 over de uitvoering van vrijhandelsovereenkomsten 1 januari 2018 - 31 december 2018 (COM(2019)0455),

 gezien het werkdocument van de diensten van de Commissie (SWD(2019) 0370) van 14 oktober 2019 bij het verslag van de Commissie over de uitvoering van vrijhandelsovereenkomsten 1 januari 2018 - 31 december 2018 (COM(2019) 0455),

 gezien de mededeling van de Commissie van 14 oktober 2015 getiteld “Handel voor iedereen: naar een meer verantwoord handels- en investeringsbeleid” (COM(2015)0497),

 gezien de mededeling van de Commissie van 29 januari 2020 getiteld “Werkprogramma van de Commissie voor 2020: een Unie die de lat hoger legt” (COM(2020)0037),

 gezien de politieke richtlijnen voor de Europese Commissie 2019-2024 van 16 juli 2019,

 gezien zijn resolutie van 30 mei 2018 over het jaarverslag over de uitvoering van het gemeenschappelijk handelsbeleid[1],

 gezien de mededeling van de Commissie van 11 december 2019 over de Europese Green Deal (COM(2019)0640),

 gezien de gezamenlijke mededeling van 8 april 2020 over de wereldwijde EU-respons op COVID-19 (JOIN/2020/11 final),

 gezien zijn resolutie van 29 november 2018 inzake de WTO: de weg vooruit[2],

 gezien de gezamenlijke mededeling van 9 maart 2020 getiteld “Naar een brede strategie met Afrika” (JOIN/2020/4 final),

 gezien de gezamenlijke verklaring van de Wereldhandelsorganisatie (WTO) van 25 januari 2019 over elektronische handel,

 gezien de verklaringen van de handelsministers van de G20 van 30 maart en 14 mei 2020,

 gezien de gezamenlijke verklaring van de VS en de EU van 25 juli 2018,

 gezien de gezamenlijke verklaring van 14 januari 2020 van de trilaterale bijeenkomst van de ministers van Handel van Japan, de Verenigde Staten en de Europese Unie,

 gezien het werkdocument van de diensten van de Commissie van 20 december 2019 over de bescherming en handhaving van intellectuele-eigendomsrechten in derde landen (SWD(2019)0452),

 gezien het jaarverslag van de Commissie van 27 maart 2019 over handelsbeschermingsinstrumenten (COM(2019)0158),

 gezien de in november 2019 gepubliceerde speciale Eurobarometer over de houding van de Europeanen ten aanzien van handel en het handelsbeleid van de EU,

 gezien de gezamenlijke mededeling “EU-China – een strategische visie”, die door de Commissie en de Europese Dienst voor extern optreden op 12 maart 2019 is aangenomen (JOIN/2019/5 final),

 gezien de gezamenlijke mededeling over “Het versterken van de banden tussen Europa en Azië, bouwstenen voor een EU-strategie”, die door de Commissie en de Europese Dienst voor extern optreden op 19 september 2018 is aangenomen (JOIN/2018/31 final),

 gezien het verslag van de Commissie van 26 juni 2019 over handels- en investeringsbarrières,

 gezien zijn resolutie van 18 mei 2017 over de uitvoering van de vrijhandelsovereenkomst tussen de EU en de Republiek Korea[3],

 gezien zijn resolutie van 5 juli 2016 over een nieuw op te stellen toekomstgerichte en innovatieve strategie voor handel en investeringen[4],

 gezien de op 25 september 2015 door de Algemene Vergadering van de VN goedgekeurde resolutie getiteld “Transforming our world: the 2030 Agenda for Sustainable Development” (Onze wereld transformeren: de Agenda 2030 voor duurzame ontwikkeling),

 gezien zijn resolutie van 5 juli 2016 over de sociale en milieunormen, de mensenrechten en maatschappelijk verantwoord ondernemen[5],

 gezien de artikelen 2 en 21 van het Verdrag betreffende de Europese Unie (VEU) en hoofdstuk V, titel II, van het Verdrag betreffende de werking van Europese Unie (VWEU), alsook artikel 218 VWEU,

 gezien zijn resolutie van 9 juni 2015 over de EU-strategie voor de gelijkheid van vrouwen en mannen na 2015[6],

 gezien zijn resolutie van 13 maart 2018 over gendergelijkheid in de handelsverdragen van de EU[7],

 gezien de strategie voor gendergelijkheid van de Commissie van maart 2020,

 gezien het verslag van de Commissie over het stelsel van algemene preferenties voor de periode 2018-2019[8],

 gezien de mededeling van de Commissie van 22 november 2018, getiteld “De eengemaakte markt in een veranderende wereld: een unieke troef die hernieuwde politieke betrokkenheid nodig heeft”(COM(2018)0772),

 gezien artikel 54 van zijn Reglement,

 gezien het advies van de Commissie ontwikkelingssamenwerking,

 gezien het verslag van de Commissie internationale handel (A9-0160/2020),

A. overwegende dat de resolutie van het Parlement van 30 mei 2018 over de uitvoering van het gemeenschappelijk handelsbeleid brede steun kreeg vanwege de voorgestelde aanpak om werk te maken van een voorspelbaar handelssysteem dat gebaseerd is op regels en waarden; overwegende dat nieuwe ontwikkelingen sinds 2018, met name de tenuitvoerlegging van de handelsovereenkomst tussen de EU en Canada en meer recent de effecten van de COVID-19-pandemie op de handel, een grondige actualisering van het vorige verslag noodzakelijk maken;

B. overwegende dat de EU de belangrijkste handelsmacht en het grootste handelsblok ter wereld is en fungeert als belangrijke stuwende kracht achter economische welvaart; overwegende dat zij ook de grootste handelaar in goederen en diensten is; overwegende dat uit de meest recente indicatoren blijkt dat de EU-uitvoer van goederen in 2019 is gestegen tot 2 132,3 miljard EUR, wat neerkomt op een stijging met 3,5 % ten opzichte van het jaar voordien; overwegende dat ondanks de huidige mondiale uitdagingen, de belangrijkste handelspartners van de EU de VS en China zijn; overwegende dat het mondiale bbp tussen 2007 en 2017 met meer dan 70 % is gestegen; overwegende dat als de stijging van de EU met 17 % wordt vergeleken met de cijfers voor landen als de VS (60 %), India (80 %) en China (315 %), het duidelijk is dat de EU achterloopt op het gebied van mondiaal concurrentievermogen;

C. overwegende dat de Commissie op 14 oktober 2019 haar derde verslag over de uitvoering van vrijhandelsovereenkomsten van de EU heeft gepubliceerd, waaruit blijkt dat in 2018 33 % van de EU-uitvoer en 29 % van de EU-invoer werd verhandeld met partners waarmee vrijhandelsovereenkomsten zijn gesloten; overwegende dat de EU in 2018 een handelsoverschot van 84,6 miljard EUR had met partners waarmee een vrijhandelsovereenkomst was gesloten, tegenover een totaal handelstekort van 24,6 miljard EUR; overwegende dat volgens een recent verslag van de Commissie de uitvoer naar de EU uit ontwikkelingslanden op basis van bijzondere handelspreferenties tussen 2016 en 2018 met 16,2 % is toegenomen, waarbij de waarde is gestegen van 158 miljard EUR in 2016 naar 183,6 miljard EUR in 2018; overwegende dat de mondiale handel in 2020 naar verwachting met 13 à 32 % zal afnemen ten gevolge van COVID-19; overwegende dat de uitvoer van goederen en diensten vanuit de EU-27 naar verwachting met 9,2 % zal afnemen en de invoer van goederen en diensten van buiten de EU-27 met 8,8 %, terwijl het IMF verwacht dat het bbp van de EU met 7,5 % zal afnemen;

D. overwegende dat het gemeenschappelijk handelsbeleid een exclusieve bevoegdheid van de Unie is die door de Commissie, de Raad en het Parlement ten uitvoer wordt gelegd, wat vereist dat de Unie in handelsaangelegenheden met één stem spreekt, met de Commissie als onderhandelaar; overwegende dat de Commissie in 2015 een mededeling heeft aangenomen getiteld “Handel voor iedereen: naar een meer verantwoord handels- en investeringsbeleid”; overwegende dat de Commissie een evaluatie van het handelsbeleid heeft gestart met het oog op de verbetering van het handelsinstrumentarium na de COVID-19-crisis; 

E. overwegende dat in artikel 207 van het Verdrag betreffende de werking van de EU en artikel 21 van het Verdrag betreffende de EU is bepaald dat de gemeenschappelijke handelspolitiek wordt gevoerd in het kader van de beginselen en doelstellingen van het externe optreden van de Unie, waaronder het bevorderen van de mensenrechten, de democratie, de rechtsstaat en duurzame ontwikkeling; overwegende dat de Commissie in december 2019 de Europese Green Deal heeft aangenomen, waarin is bepaald dat alle acties en beleidsmaatregelen van de EU moeten bijdragen tot de verwezenlijking van de doelstellingen ervan;

F. overwegende dat het handels- en investeringsbeleid van de EU investeerders ook markttoegang en investeringsbescherming biedt, via rechtszekerheid en een stabiele, voorspelbare en terdege gereguleerde omgeving waarin zij hun economische activiteiten kunnen verrichten;

G. overwegende dat uit recente Eurobarometer-cijfers blijkt dat ongeveer 60 % van de EU-burgers denkt dat internationale handel voordelen voor hen oplevert; overwegende dat een deel van de publieke opinie bijzonder goed op de hoogte is van het handelsbeleid en de handelsovereenkomsten; overwegende dat de helft van de ondervraagden voorstelt om het scheppen van banen in de EU en de verdediging van milieu- en gezondheidsnormen tot de prioriteiten van het Europese handelsbeleid te maken; overwegende dat de Commissie en de lidstaten een goede communicatiestrategie over het handelsbeleid en de handelsovereenkomsten moeten blijven ontwikkelen, die nepnieuws over handel moet aanpakken en zoveel mogelijk informatie moet doorgeven, waarbij de aandacht wordt gericht op specifieke belanghebbenden en het bewustzijn van de marktdeelnemers over handelsovereenkomsten wordt vergroot;

H. overwegende dat het gemeenschappelijk handelsbeleid, dat bestaat uit handelsovereenkomsten en wetgevingsmaatregelen, gericht moet zijn op de totstandbrenging van een stabiel, voorspelbaar en billijk handelsklimaat waarin Europese ondernemingen kunnen bloeien en de belangen van de Europese burgers worden behartigd, en ervoor moet zorgen dat de EU haar bestaande sociale en regelgevingsmodel blijft vrijwaren en tegelijkertijd het handelsbeleid blijft gebruiken om overal ter wereld haar waarden te bevorderen; overwegende dat de EU meer inspanningen dient te leveren om eerlijke mededinging te bevorderen, gelijke mededingingsvoorwaarden te scheppen en actuele handelsproblemen aan te pakken; overwegende dat de realisatie van deze doelstellingen een goede oriëntatie van het handelsbeleid van de Unie vereist, alsook volledige en doeltreffende uitvoering van en toezicht op dit beleid, op een eerlijkere en transparantere wijze; overwegende dat de handelsovereenkomsten van de EU groeikansen moeten bieden, via markttoegang en het wegnemen van handelsbelemmeringen; overwegende dat het van fundamenteel belang is dat onderhandelingen worden gevoerd in een geest van wederzijds voordeel, om oneerlijke handelspraktijken aan te pakken en de naleving van de Europese regels en normen te waarborgen;

I. overwegende dat de EU op 30 april 2020 samen met 18 WTO-leden formeel de tijdelijke regeling met verschillende partijen inzake beroep en arbitrage bij de WTO heeft aangemeld; overwegende dat die aanmelding het begin vormt van de toepassing van die regeling op geschillen tussen de deelnemende WTO-leden, gelet op de impasse in de Beroepsinstantie;

J. overwegende dat de COVID-19-uitbraak een complexe crisis met gevolgen op lange termijn heeft veroorzaakt en het gebrek aan veerkracht van de mondiale waardeketens voor bepaalde belangrijke producten, waaronder medische apparatuur en hulpmiddelen, aan het licht heeft gebracht; overwegende dat de crisis heeft aangetoond dat er meer robuuste en veerkrachtige productieketens nodig zijn en dat moet worden geïnvesteerd in strategische gebieden om de weerbaarheid van de Europese toeleveringsketens te vergroten; overwegende dat in wetenschappelijke verslagen wordt gewezen op de toenemende risico’s van wereldwijde uitbraken van pandemieën en van aan de klimaatverandering gerelateerde fenomenen die gevolgen hebben voor de internationale betrekkingen; overwegende dat de handelsministers van de G20 zich ertoe hebben verbonden de effecten van COVID-19 op de internationale handel en investeringen te beperken door te blijven samenwerken om een vrij, billijk, niet-discriminerend, transparant, voorspelbaar en stabiel handels- en investeringsklimaat te verzekeren en door onze markten open te houden om de ononderbroken grensoverschrijdende stroom van levensbelangrijke medische producten en uitrusting, kritieke landbouwproducten en andere essentiële goederen en diensten te waarborgen;

K. overwegende dat de Commissie op 14 maart 2020 via de spoedprocedure Uitvoeringsverordening (EU) 2020/402[9] heeft aangenomen om de uitvoer van persoonlijke beschermingsmiddelen te onderwerpen aan een uitvoervergunning volgens Verordening (EU) 2015/479, als tijdelijke maatregel om de EU te helpen omgaan met de stijgende vraag en om haar operationele capaciteit te helpen klaarmaken om derde landen te helpen;

L. overwegende dat de EU omvattende overeenkomsten inzake de handelsbetrekkingen heeft uitonderhandeld met nagenoeg alle landen van Latijns-Amerika en het Caribisch gebied, met uitzondering van Bolivia, Cuba en Venezuela;

M. overwegende dat het Parlement in 2015 heeft gewezen op de noodzaak van een genderperspectief in het internationale handelsbeleid van de EU[10], en in 2018 op de noodzaak van gendergelijkheid in handelsovereenkomsten[11]; overwegende dat 36 miljoen banen in de EU, waarvan 13,7 miljoen door vrouwen worden bezet, afhankelijk zijn van uitvoer naar landen buiten de EU; overwegende dat vrouwen sterk ondervertegenwoordigd zijn in de handel met markten buiten de EU in de landbouw en de verwerkende sector; overwegende dat slechts een op vijf uitvoerende bedrijven in de EU wordt geleid (d.w.z. in handen is van en/of wordt beheerd) door een vrouw en dat vrouwen maximaal 30 % van de totale beroepsbevolking in de exportsector uitmaken;

N. overwegende dat talrijke landen tarieven opleggen voor medische hulpmiddelen, waaronder patiëntmonitoren, diagnose-apparatuur en veelgebruikte geneesmiddelen, zoals antibiotica, pijnstillers of insuline, en dat nagenoeg alle landen invoertarieven hanteren voor zeep; overwegende dat de tarieven zijn aangescherpt na de beslissing van de VS om aanvullende rechten te heffen over 370 miljard USD aan invoer uit China, waaronder ook bepaalde aspecten van persoonlijke beschermingsmiddelen vallen;

O. overwegende dat in wetenschappelijke verslagen wordt gewezen op de toenemende risico’s van wereldwijde uitbraken van pandemieën en van aan de klimaatverandering gerelateerde fenomenen die gevolgen hebben voor de internationale betrekkingen, en dat in die verslagen tot de conclusie wordt gekomen dat onze economische modellen grondig moeten worden hervormd, in het bijzonder in overeenstemming met de Klimaatovereenkomst van Parijs;

Wereldwijde context

1. wijst erop dat belangrijke aspecten van de wereldwijde context aan het verschuiven zijn en onvoorspelbaar zijn gebleken en in de afgelopen twee jaar voor spanningen hebben gezorgd; spreekt opnieuw zijn steun uit voor een open, vrij, voorspelbaar en eerlijk multilateraal handelssysteem, dat gebaseerd is op regels en gewaarborgd en bevorderd moet worden; wijst erop dat, ondanks het moeilijke mondiale economische klimaat, de EU (in 2018) een overschot van 84,6 miljard EUR in de handel in goederen had met de partners waarmee zij handelsovereenkomsten had gesloten, in vergelijking met een totaal handelstekort van 24,6 miljard EUR met de rest van de wereld; herinnert eraan dat meer dan 36 miljoen banen afhankelijk zijn van uitvoer naar markten buiten de EU;

2.   wijst erop dat de EU sinds de Commissie in 2015 haar meest recente handelsstrategie heeft vastgesteld, getiteld “Handel voor iedereen”, een aantal nieuwe handelsovereenkomsten heeft gesloten en van start heeft laten gaan, met name de uitgebreide economische en handelsovereenkomst tussen de EU en Canada (CETA), de economische partnerschapsovereenkomst (EPA) tussen de EU en Japan, en de vrijhandelsovereenkomsten tussen de EU en Singapore en tussen de EU en Vietnam;

3.  benadrukt dat de EU-handelsstrategie de belangen en waarden van de Unie moet blijven bevorderen bij het aangaan van nieuwe uitdagingen in de wereld, het concurrentievermogen van de EU-industrie moet vergroten en economische groei moet genereren in overeenstemming met de doelstellingen van de Europese Green Deal; is daarom van mening dat een ambitieuze multilaterale, plurilaterale en bilaterale agenda, de sluiting van voor beide partijen billijke en vruchtbare overeenkomsten waarin een strikte wederkerigheid wordt verzekerd, met inachtneming van de hoge Europese normen en standaarden in gevoelige sectoren, de mensenrechten en de daadwerkelijke bescherming daarvan, het wegnemen van ongerechtvaardigde handelsbelemmeringen en zo nodig het gebruik van handelsbeschermingsinstrumenten de beste manier zijn om de EU concurrerender te maken in een geglobaliseerde wereld;

4.  benadrukt dat onze relatie met de twee andere grootmachten, China en de VS, die ongeveer 30 % van onze handel vertegenwoordigen, de bepalende factor is bij het aansturen van het handelsbeleid van de EU; dringt er echter op aan dat de EU haar betrekkingen met andere delen van de wereld versterkt, haar handelsbetrekkingen met alle partners, met inbegrip van ontwikkelingslanden en MOL’s, diversifieert en verbetert, en toewerkt naar een multipolaire wereldorde; onderstreept dat moet worden voorkomen dat de EU-economie al te zeer afhankelijk zou zijn van toeleveringsketens van enkele grote handelspartners; 

5. benadrukt dat de uitwisseling van informatie tussen de lidstaten moet worden verbeterd; verzoekt om een verdere uitwisseling van goede praktijken tussen de lidstaten onderling en tussen de lidstaten en de Commissie om synergieën tot stand te brengen en de resultaten te verbeteren; benadrukt in dit verband ook dat de beoordelingsstrategieën voor overeenkomsten moeten worden verbeterd en is van mening dat de Commissie moet zorgen voor een betere effectbeoordeling van elke handelsovereenkomst, die tijdig en door onafhankelijke instanties moet worden uitgevoerd;

6. is ingenomen met de verhoging van de transparantie in het handelsbeleid; is ingenomen met het besluit van de Raad om het mandaat inzake de onderhandelingen over economische partnerschapsovereenkomsten met de ACS-regio’s op 19 december 2019 te publiceren; uit zijn tevredenheid over de recente inspanningen van de nieuwe Commissie om het Parlement op een meer regelmatige basis op de hoogte te houden van de stand van zaken in lopende onderhandelingen, waardoor de werkzaamheden van de Commissie transparanter worden, bijvoorbeeld door gedetailleerde verslagen beschikbaar te stellen over de gespecialiseerde commissies die zijn opgericht in het kader van CETA en de overeenkomst met Zuid-Korea;

7. benadrukt dat de Commissie en de lidstaten werk moeten maken van een betere communicatiestrategie met betrekking tot de voordelen van het Europese handelsbeleid en de bewustmaking daarvan, teneinde de samenleving en belanghebbenden daadwerkelijk te betrekken; wijst erop dat stappenplannen de Commissie de gelegenheid bieden om de redenen achter bepaalde initiatieven en de doelstellingen ervan bekend te maken en toe te lichten, en om de samenleving en belanghebbenden te betrekken en feedback te ontvangen; is van mening dat de Commissie de volledige transparantie van stappenplannen en andere overlegactiviteiten dient te verzekeren om het effect ervan te maximaliseren en de betrokkenheid van belanghebbenden te garanderen;

8. betreurt de ernstige effecten van COVID-19 en de daaropvolgende lockdown van economieën op de mondiale handel, aangezien zowel de invoer naar als de uitvoer uit de EU werd beperkt, waardoor waardeketens werden onderbroken en stilgelegd; benadrukt dat de EU lering moet trekken uit de huidige pandemie om haar kwetsbaarheid te verminderen, met name voor bepaalde strategische sectoren; is van mening dat de EU en haar lidstaten snel moeten optreden om het handelsbeleid als instrument te gebruiken om het herstel van de mondiale economie mogelijk te maken en de recessie te beperken; is er ten stelligste van overtuigd dat de EU haar open strategische autonomie moet verbeteren en een op regels gebaseerde handel moet verzekeren in tijden van crisis en dat zij maatregelen die de handel beperken en/of verstoren moet vermijden, en soortgelijke maatregelen van derde landen ook moet aanvechten, hetgeen allemaal specifiek aan bod moet komen in de toetsing van het handelsbeleid;

9. dringt erop aan vooruitgang te boeken met de lopende onderhandelingen en met name een nieuwe dynamiek te geven aan de onderhandelingen met het oog op de spoedige sluiting van een plurilaterale overeenkomst inzake het vrije verkeer van medische uitrusting; spoort alle landen ten zeerste aan zich aan te sluiten bij de WTO-Overeenkomst inzake opheffing van tarieven voor farmaceutische producten (nul voor nul), en is van mening dat het toepassingsgebied van de overeenkomst tot alle farmaceutische producten en geneesmiddelen moet worden uitgebreid om de wereldwijde internationale handel te waarborgen; verzoekt de leden van de WTO om van dit thema een prioriteit te maken op de agenda van de volgende ministeriële bijeenkomst van de WTO en handelsovereenkomsten te beschouwen als een manier om bedrijven te helpen hun bronnen te diversifiëren;

10. onderstreept dat de EU open handelsstromen en duurzame mondiale waardeketens moet verzekeren en zich dus moet onthouden van uitvoerbeperkingen, bijvoorbeeld op persoonlijke beschermingsmiddelen, waarvoor de EU afhankelijk is van handelspartners in derde landen; dringt er bij de lidstaten die de stroom van kritieke goederen op de interne markt beperken op aan om hun uitvoerbeperkingen onmiddellijk op te heffen, en dringt er bij de Commissie op aan om een beleid van nultolerantie te hanteren met betrekking tot dergelijke inbreuken op de regels van de interne markt; is van mening dat de EU zorgvuldig te werk moet gaan om kritieke sectoren en kwetsbaarheden in de samenleving te beoordelen en te identificeren waarvoor de Unie haar aanvoer van producten moet veiligstellen, en dat zij in het handelsbeleid doeltreffende en evenredige oplossingen moet nastreven;

11. betreurt de economische verliezen die worden veroorzaakt door de verstoring van de internationale handel en mondiale waardeketens als gevolg van de COVID-19-pandemie, hetgeen bijzonder ernstige gevolgen kan hebben voor ontwikkelingslanden; verzoekt de Commissie ervoor te zorgen dat haar bepalingen inzake handel met ontwikkelingslanden toegang tot geneesmiddelen en medische uitrusting ondersteunen;

12. beklemtoont dat producenten in plattelands- en kustgebieden hulp moeten krijgen om zich aan te passen aan de crisismarktomstandigheden als gevolg van de uitbraak van COVID-19 en op korte termijn strategieën uit te werken met het oog op aanpassing en veerkracht in de context van het coronavirus, teneinde hun levensonderhoud op peil te houden en tegelijkertijd een duurzaam beheer van landbouw-, bos-, mariene en biodiversiteitrijke ecosystemen te waarborgen;

De WTO en plurilaterale samenwerking

13. benadrukt dat dit een cruciaal moment is om een open, eerlijk, evenwichtig, duurzaam en op waarden gebaseerd multilateralisme te bevorderen en het mondiale handelssysteem te stimuleren; betreurt ten zeerste de impasse bij de WTO, waarvoor actieve stappen en toezeggingen van alle WTO-leden nodig zijn; herhaalt zijn toezegging om het op regels gebaseerde multilaterale handelssysteem te verdedigen; 

14. onderstreept het grote politieke en economische belang van het multilaterale systeem en roept de internationale handelspartners ertoe op werk te maken van de totstandbrenging van een goed werkend geschillenbeslechtingssysteem bij de WTO en door te gaan met een ambitieuze hervorming onder leiding van de EU; verzoekt de Commissie in dit verband met klem te onderhandelen over nieuwe regels ter bestrijding van handelsverstorende verschijnselen met betrekking tot niet-commerciële beleidsmaatregelen en praktijken, overheidsbedrijven en subsidies aan de industrie, die leiden tot overcapaciteit, beleid en praktijken inzake gedwongen technologieoverdracht en diefstal van intellectuele eigendom; moedigt de WTO-leden aan om tijdens de ministeriële conferentie in 2021 tot een ambitieus en evenwichtig akkoord te komen over het reeds lang bestaande probleem van visserijsubsidies, en om een duidelijk signaal af te geven dat de WTO nog steeds in staat is om haar onderhandelingsrol te vervullen;

15. is ingenomen met de tijdelijke regeling met verschillende partijen inzake beroep en arbitrage, een nieuw systeem dat de EU, samen met andere deelnemende WTO-leden, in staat zal stellen de huidige verlamming in de Beroepsinstantie van de WTO te overwinnen, waarmee de deelnemende leden een goed functionerend geschillenbeslechtingssysteem in twee stappen bij de WTO blijven behouden indien er geschillen tussen hen ontstaan;

16. neemt nota van de vooruitgang die is geboekt tijdens de lopende sectorale en plurilaterale onderhandelingen, met name die over binnenlandse regelgeving voor diensten, e-handel en bevordering van investeringen; onderstreept dat deze sectorale onderhandelingen gebaseerd zijn op gezamenlijke mededelingen en gevoerd moeten worden om een consensus te vinden onder alle deelnemers;

17. is verheugd over de geboekte vooruitgang bij de onderhandelingen over een multilateraal investeringsgerecht; merkt op dat het stelsel van investeringsgerechten bedoeld is als opstapje naar het multilateraal gerecht; betreurt de uiterst trage vooruitgang van de lidstaten bij het afschaffen van bilaterale investeringsverdragen binnen de EU, en dringt er bij de Commissie op aan waar nodig actie te ondernemen;

18. betuigt zijn krachtige steun voor de trilaterale samenwerking tussen de EU, de VS en Japan inzake de beperking van marktverstorende praktijken wereldwijd; is in dit verband ingenomen met de gezamenlijke verklaring van 14 januari 2020 over subsidies voor de industrie;

Verenigde Staten

19. betreurt ten zeerste de aanzienlijke ommezwaai in het handelsbeleid van de VS in de afgelopen drie jaar, en is bezorgd over de toename van unilaterale handelsmaatregelen en de opkomst van protectionistische maatregelen, waaronder de recente beslissingen van het Amerikaanse Ministerie van Handel om verdere onderzoeken volgens artikel 232 in te leiden; betreurt de formele kennisgeving door de VS op 4 november 2019 van hun terugtrekking uit de Overeenkomst van Parijs en herinnert eraan dat het gemeenschappelijke handelsbeleid van de EU de verwezenlijking van die overeenkomst moet helpen bevorderen; benadrukt dat het van belang is de besprekingen tussen de EU en de VS weer op gang te brengen om hangende problemen, waaronder geschillen, op te lossen; benadrukt dat het van belang is landbouw buiten de onderhandelingen te houden en te zorgen voor een passende monitoring en bescherming van de visserijsector;

20. benadrukt dat de EU met de VS moet blijven samenwerken als een partner waarmee zij oplossingen moet zoeken voor handelskwesties van gemeenschappelijk belang alsook voor bedreigingen en handelswrijvingen, waaronder de extraterritoriale toepassing van wetten die door de VS zijn aangenomen en die indruisen tegen het internationale recht; benadrukt dat de EU inspanningen moet blijven leveren om het wederzijdse vertrouwen en nauwe handelsbetrekkingen te herstellen en tegelijkertijd moet garanderen dat de Europese normen worden nageleefd; is van mening dat een beperkte handelsovereenkomst met de VS als een belangrijke opstap kan worden beschouwd;

21. verzoekt de Commissie er bij haar Amerikaanse gesprekspartners op aan te dringen manieren te vinden om de trans-Atlantische handelsspanningen te de-escaleren, en onder meer te zoeken naar onderhandelde oplossingen met de VS inzake de kwestie van subsidies voor burgerluchtvaartuigen, met name met betrekking tot het lopende geschil over Airbus en Boeing, en een akkoord te bereiken om een einde te maken aan de illegale heffing van Amerikaanse invoertarieven voor staal en aluminium en illegale antisubsidie- en antidumpingmaatregelen op agrovoedingsproducten, met inbegrip van die op rijpe olijven; dringt er bij de Commissie op aan haar inspanningen voor een gecoördineerde en gezamenlijke reactie van de EU op te voeren; is ingenomen met de onderhandelingen tussen de EU en de VS inzake de wederzijdse aanvaarding van de resultaten van de conformiteitsbeoordeling; spoort de Commissie ertoe aan de samenwerking op andere gebieden van gemeenschappelijk belang te intensiveren, bijvoorbeeld met betrekking tot normen en andere niet-tarifaire belemmeringen, om de handel te vergemakkelijken, de bureaucratische rompslomp te verminderen en de kosten te drukken;

22. betreurt dat de huidige regering overweegt zich terug te trekken uit de overeenkomst inzake overheidsopdrachten; dringt er bij de regering op aan partij te blijven bij die overeenkomst;

China

23. wijst erop dat China vanwege zijn omvang en groei een kansrijke markt vormt en de op één na belangrijkste handelspartner van de EU is, maar ook dat bedrijven uit de EU veel belemmeringen ondervinden om toegang te krijgen tot die markt en er actief te zijn, vanwege de door de staat geleide en door de staat gesubsidieerde aard van de Chinese economie, waar overheidsbedrijven profiteren van exclusieve of dominante markttoegang; veroordeelt alle soorten discriminerende maatregelen waarmee EU-bedrijven in China te maken krijgen; is van mening dat eerlijke mededinging tussen Europese en Chinese bedrijven tot meer kansen en meer innovatie zou leiden, en verzoekt de Commissie voortdurend toezicht te houden op de aanhoudende discriminatie en samen te werken met de Chinese autoriteiten om dergelijke activiteiten en belemmeringen weg te nemen; neemt er kennis van dat China in mei 2019 de klacht heeft ingetrokken die het bij de WTO tegen de EU had ingediend met betrekking tot de behandeling in antidumpingzaken als land dat geen markteconomie heeft; is ingenomen met de uitkomst van de geschillenbeslechtingsprocedure tussen de EU en China, die een einde maakt aan de status van China als markteconomie, in overeenstemming met het standpunt van het Parlement van mei 2016[12];

24. is ingenomen met de op 6 november 2019 afgeronde onderhandelingen over een overeenkomst tussen de EU en China over geografische aanduidingen, als een positieve stap in de richting van een betere bescherming van Europese producten met een geografische aanduiding in China, en vraagt om een snelle ratificatie hiervan en om bijgewerkte wetgeving en een sterkere handhaving; beklemtoont dat de overeenkomst tussen de EU en China over geografische aanduidingen niet mag worden geschonden door de fase 1-handelsovereenkomst tussen de VS en China; verzoekt de Commissie toezicht te houden op de situatie van de markttoegang voor Europese producten tijdens de tenuitvoerlegging van deze overeenkomst; merkt op dat volgens het meest recente verslag over de bescherming en handhaving van intellectuele-eigendomsrechten meer dan 80 % van de inbeslagnames van nagemaakte en door piraterij verkregen goederen betrekking heeft op goederen uit China, en dat dit zowel in 2018 als in 2019 het geval was; verzoekt de Commissie verdere instrumenten te onderzoeken om deze kwesties aan te pakken en de volledige bescherming van intellectuele-eigendomsrechten te waarborgen;

25. moedigt de Commissie aan de onderhandelingen over een ambitieuze investeringsovereenkomst met China af te ronden en daar een doeltreffend hoofdstuk over handel en duurzame ontwikkeling in op te nemen, zodat alle belemmeringen voor de openstelling van de Chinese markt worden weggenomen; kijkt uit naar de afronding van de onderhandelingen tegen eind 2020, zoals overeengekomen tijdens de top EU-China in 2019; is er echter vast van overtuigd dat de inhoud een hogere prioriteit moet krijgen dan de snelheid waarmee de overeenkomst wordt gesloten;

26. is geschokt door het verslag van het Australische instituut voor strategisch beleid dat in februari 2020 is vrijgegeven, waaruit blijkt dat er aanwijzingen zijn van uitbuiting van Oeigoerse werknemers in Chinese fabrieken, waarvan sommige tot de waardeketens van Europese bedrijven behoren; is bijzonder bezorgd over de gemelde effecten van het “Nieuwe Zijderoute”-initiatief op de mensenrechten in China en Pakistan; verzoekt de Commissie alle beschikbare middelen te gebruiken om een einde te maken aan de uitbuiting van Oeigoeren; verzoekt alle Europese bedrijven elke vorm van betrokkenheid bij mensenrechtenschendingen in China te beëindigen; dringt erop aan dat dwangarbeid van Oeigoeren moet worden uitgesloten uit de toeleveringsketens van producten die op de interne markt worden ingevoerd;

Nieuw partnerschap met Afrika

27. is ingenomen met de publicatie van de gezamenlijke mededeling voor een brede strategie met Afrika; roept de EU ertoe op meer met Afrikaanse landen samen te werken om, in overeenstemming met de handelsgerelateerde aspecten van de ontwikkelingsstrategie voor Afrika Agenda 2063, een doeltreffend en solide partnerschap tot stand te brengen ter bevordering van duurzame economische ontwikkeling, groei en voedselzekerheid op het Afrikaanse continent; benadrukt dat uit de cijfers van het recente verslag van 10 februari 2020 over het algemeen stelsel van preferenties (SAP) over de periode 2018-2019 blijkt dat de landen die van de regeling profiteren, meer gebruikmaken van de preferenties; roept de Commissie op haar technische en economische steun te vergroten via maatregelen in het kader van hulp voor handel tussen de EU en de Afrikaanse landen en tussen de Afrikaanse landen onderling; merkt in dat verband op dat hulp voor handel een essentieel onderdeel dient te zijn van de handelsbetrekkingen met Afrika in de nasleep van de COVID-19-crisis;

28. is ingenomen met het feit dat er vooruitgang is geboekt met de uitvoering van de vrijhandelsruimte op het Afrikaanse continent, die tot doel heeft één enkele continentale markt voor goederen en diensten tot stand te brengen, met vrij verkeer van personen en investeringen; is ingenomen met de steun van de EU met betrekking tot de oprichting van de nieuwe waarnemingspost voor de handel van de Afrikaanse Unie; dringt aan op de voortzetting van de EU-steun voor de vrijhandelsruimte op het Afrikaanse continent, in overeenstemming met de Afrikaans-Europese alliantie voor duurzame investeringen en banen; dringt aan op een correcte handhaving en verdieping van de bestaande economische partnerschapsovereenkomsten (EPO’s) om de handel en investeringen te stimuleren; is ingenomen met de inwerkingtreding van de EPO voor Oostelijk en Zuidelijk Afrika en de EPO met de Ontwikkelingsgemeenschap van Zuidelijk Afrika (“SADC”) alsook de tussentijdse EPO’s met Ghana en Ivoorkust en betreurt het gebrek aan vooruitgang bij de ratificering van de overige regionale EPO’s; uit zijn steun voor de visie die is beschreven in de toespraak over de Staat van de Unie van 2018, inzake een handelsovereenkomst tussen continenten die de vorm dient aan te nemen van een economisch partnerschap tussen gelijken dat wederzijdse voordelen oplevert, de duurzameontwikkelingsdoelstellingen (SDG’s) ten goede komt en de ontwikkeling van concurrerende plaatselijke en regionale waardeketens en veerkrachtige belastingstelsels ondersteunt;

29. benadrukt bovendien het belang van gezamenlijk toezicht op EPO’s, met de steun van lokale partners en maatschappelijke organisaties; verzoekt de Commissie een grondige analyse te verrichten van de huidige EPO’s, onder meer op het gebied van lokale economieën, arbeidsmarkten, biodiversiteitsverlies, ontbossing en landroof, om na te gaan of er aanpassingen nodig zijn;

Ontwikkelingslanden

30. benadrukt dat handel een belangrijk instrument voor de verwezenlijking van de SDG’s kan zijn door armoede te helpen bestrijden; wijst er in dit verband op dat de nadruk moet worden gelegd op wederzijds voordelige vrijhandelsovereenkomsten, exportdiversificatie, toegevoegde waarde en micro-, kleine en middelgrote ondernemingen (mkmo’s); wijst erop dat de EU zich ertoe verbonden heeft een robuuste, doeltreffende en geloofwaardige handelspolitiek te voeren die de basis zal vormen voor een eerlijk, open, op regels gebaseerd multilateraal en inclusief commercieel systeem dat wereldwijd een gelijk speelveld creëert in het belang van alle landen, met inbegrip van ontwikkelingslanden, hetgeen van essentieel belang is voor de verdere integratie van ontwikkelingslanden in de mondiale waardeketens; wijst erop dat het handels- en ontwikkelingsbeleid van de EU moet bijdragen tot regionale integratie en ervoor moeten zorgen dat ontwikkelingslanden worden opgenomen en kunnen opklimmen in de mondiale waardeketens;

31. beklemtoont dat ontwikkelingslanden het hardst worden getroffen door het fenomeen van belastingontduiking, waardoor landen elk jaar miljarden euro’s aan overheidsinkomsten mislopen; dringt erop aan in handelsovereenkomsten met ontwikkelingslanden bepalingen op te nemen om illegale geldstromen van en belastingontduiking door ondernemingen en multinationals te helpen bestrijden, teneinde te waarborgen dat belastingen worden betaald waar de winst en de reële economische waarde worden gecreëerd en een einde te maken aan grondslaguitholling en winstverschuiving;

Japan, Singapore en Vietnam

32. is ingenomen met de inwerkingtreding van de vrijhandelsovereenkomst tussen de EU en Japan op 1 februari 2019 en merkt op dat de uitvoer van de EU naar Japan, volgens de eerste elementen na een jaar uitvoering[13], met 6,6 % is gestegen ten opzichte van dezelfde periode het jaar voordien;

33. is ingenomen met de inwerkingtreding van de handelsovereenkomst tussen de EU en Singapore op 21 november 2019; is verheugd over de vooruitgang die is geboekt bij de tenuitvoerlegging van de overeenkomst tussen de EU en Vietnam, dringt aan op verdere snelle vooruitgang, met name wat betreft de oprichting van gezamenlijke instellingen en de ratificatie van de resterende kernverdragen van de IAO en de toezeggingen inzake mensenrechtenkwesties, en dringt er bij de Commissie op aan te zorgen voor de concrete handhaving ervan, in samenwerking met de EDEO; verzoekt de lidstaten over te gaan tot ratificatie van de investeringsbeschermingsovereenkomst tussen de EU en Vietnam, zodat deze, samen met de vrijhandelsovereenkomst tussen de EU en Vietnam, zo spoedig mogelijk in werking kan treden; merkt op dat de EU in 2018 ongeveer 13,8 miljard EUR aan goederen naar Vietnam heeft uitgevoerd, en wijst erop dat de op regels gebaseerde vrijhandelsovereenkomsten en investeringsbeschermings­overeenkomsten de voorspelbaarheid en rechtsstatelijkheid voor investeerders zullen waarborgen, de uitvoer in beide richtingen op een positieve manier zullen verhogen en stabiliteit en vertrouwen voor kmo’s zullen scheppen; beschouwt deze overeenkomsten als een stap in de richting van een vrijhandelsovereenkomst met de gehele regio van de Associatie van Zuidoost-Aziatische staten (ASEAN);

34. benadrukt dat de voormelde drie overeenkomsten de strategische dynamiek van de Europese Unie bestendigen in een belangrijke regio van de wereld, die wordt gekenmerkt door een snelle groei van de bevolking en de inkomens, met aanzienlijke kansen voor onze marktdeelnemers; is voorts van mening dat de EU door haar sterkere aanwezigheid een alternatief zou kunnen bieden voor de Chinese overheersing in de regio;

Latijns-Amerika en het Caribisch Gebied 

35. benadrukt het belang van het versterken van de wederzijds voordelige handels- en politieke betrekkingen met Latijns-Amerika; wijst erop dat de Europese Unie en Latijns-Amerika nauw met elkaar samenwerken op basis van hun historische, culturele en economische banden, en dat de regio Latijns-Amerika en het Caribisch gebied de vijfde grootste handelspartner van de EU is; is van mening dat de aanwezigheid van de EU in de regio van fundamenteel belang is, voor een versterkte samenwerking op basis van gedeelde waarden en als vector voor de tenuitvoerlegging van het EU-beleid voor extern optreden, met name wat de versterking van het multilaterale, op regels gebaseerde handelssysteem betreft; verzoekt de Commissie haar voornemen met betrekking tot toekomstige handels- en associatieovereenkomsten te verduidelijken, wat de opsplitsing van de tekst betreft;

36. benadrukt het belang van de onlangs afgeronde modernisering van de associatieovereenkomst tussen de EU en Mexico en de sluiting van de associatieovereenkomst met Mercosur, die beide het potentieel hebben om ons strategisch partnerschap met Latijns-Amerika te verdiepen, extra kansen te creëren in onze handelsbetrekkingen met deze landen en de toeleveringsketens voor de Europese economie te helpen diversifiëren; is van mening dat de associatieovereenkomst tussen de EU en Mercosur het grootste akkoord tussen “blokken” in zijn soort vormt en een voor beide partijen voordelige open markt tot stand kan brengen die ongeveer 800 miljoen burgers omvat; wijst erop dat deze overeenkomst, zoals alle handelsovereenkomsten van de EU, eerlijke concurrentievoorwaarden moet verzekeren en de naleving van Europese normen en productiemethoden moet garanderen; stipt aan dat de overeenkomst een bindend hoofdstuk over duurzame ontwikkeling bevat dat toegepast, ten uitvoer gelegd en volledig beoordeeld moet worden, alsook specifieke verbintenissen op het gebied van arbeidsrechten en milieubescherming, met inbegrip van de uitvoering van de Klimaatovereenkomst van Parijs en de bijbehorende uitvoeringsvoorschriften; 

37. is ervan overtuigd dat de modernisering van de associatieovereenkomst met Chili zal helpen om de aanwezigheid van de EU in de ruimere regio te stimuleren en zal helpen om een internationale handelsagenda te bevorderen die gebaseerd is op duurzame ontwikkeling, een sterkere bescherming van de milieu- en arbeidsnormen en eerbiediging van de mensenrechten; verzoekt de Commissie ervoor te zorgen dat in de lopende onderhandelingen resultaten worden geboekt met betrekking tot deze beginselen en dat tijdig een akkoord kan worden bereikt;

Lopende onderhandelingen over vrijhandelsovereenkomsten

38. roept op tot het nastreven van een ambitieuze agenda bij onderhandelingen over vrijhandelsovereenkomsten, met name met Australië en Nieuw-Zeeland, Tunesië, Marokko en Indonesië, in overeenstemming met de Green Deal en rekening houdend met het gevoelige karakter van bepaalde landbouwproducten zoals rundvlees, schapenvlees, zuivelproducten en fruit; herhaalt zijn oproep om snel investeringsonderhandelingen met Taiwan te openen en verzoekt de Commissie een verkennend onderzoek te starten;

39. kiest voor een pragmatische aanpak inzake de kwestie van de handelsbetrekkingen met het VK, die omvattend en ambitieus moeten zijn, erop gericht moeten zijn nultarieven en nulquota te hanteren, en gebaseerd moeten zijn op de beginselen inzake handel, investeringen en concurrentievermogen die zijn uiteengezet in zijn aanbeveling van 18 juni 2020 betreffende de onderhandelingen voor een nieuw partnerschap met het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland[14]; wijst erop dat in de door het VK gesteunde politieke verklaring van 17 oktober 2019 staat dat het toekomstig economisch partnerschap zal worden ondersteund met bepalingen die een gelijk speelveld voor open en eerlijke concurrentie garanderen, in het bijzonder als er geen overeenkomst wordt bereikt voor eind 2020; wijst erop dat de EU-lidstaten netto-exporteurs naar de VK zijn en dat het vinden van een oplossing waar beide partijen tevreden mee zijn een prioriteit moet zijn waarmee de inachtneming en bescherming van de belangen van EU-exporteurs en -investeerders wordt gewaarborgd; verzoekt de Commissie het concurrentievermogen van bedrijven en kmo’s in de EU te versterken;

40. verzoekt de Commissie de terugtrekking van het VK aan te grijpen om het beleid van de EU te stroomlijnen, de administratieve rompslomp te verminderen en het concurrentievermogen van bedrijven en kmo’s in de EU te versterken; benadrukt dat de vrijhandelsovereenkomst met het VK tot doel moet hebben de grootst mogelijke markttoegang en handelsfacilitering mogelijk te maken om verstoringen van de handel tot een minimum te beperken en gelijke mededingingsvoorwaarden te verzekeren;

Uitvoering van vrijhandelsovereenkomsten

41. neemt kennis van het resultaat dat te lezen staat in het verslag van de Commissie over de uitvoering van vrijhandelsovereenkomsten, met name met Zuid-Korea, Centraal-Amerika/Latijns-Amerika, Canada en de landen van het Oostelijk Partnerschap; benadrukt dat de handelsovereenkomsten van de EU in de meeste gevallen een duidelijke reputatie hebben dat ze hun belangrijkste doelstelling halen, namelijk het creëren van aanzienlijke kansen voor EU-exporteurs op de handelsmarkten van derde landen; benadrukt echter dat de Commissie er in haar ramingen op wijst dat de nadelige economische gevolgen van handels- en investeringsbelemmeringen ten gevolge van de protectionistische trend zullen toenemen; verzoekt de Commissie effectbeoordelingen achteraf te blijven uitvoeren inzake de gevolgen van handelsovereenkomsten voor onze economie, met inbegrip van de duurzaamheid;

42. spoort de Commissie ertoe aan voortdurend op zoek te gaan naar manieren om de handelsbetrekkingen te verbeteren en de economische integratie met de landen van het Oostelijk Partnerschap verder te verdiepen, in het bijzonder met de drie geassocieerde landen;

43. wijst op de positieve ontwikkelingen met betrekking tot de handelsovereenkomst tussen de EU en Canada (CETA); merkt op dat, in het eerste volledige kalenderjaar van de uitvoering, de bilaterale handel in goederen, inclusief agrovoedingsproducten, met 10,3 % is toegenomen ten opzichte van het gemiddelde van de laatste drie jaar; stipt aan dat het handelsoverschot van de EU met Canada gestegen is met 60 % en extra kansen biedt voor onze exporteurs; wijst er tevens op dat beide partijen sinds de voorlopige inwerkingtreding van de overeenkomst een solide partnerschap hebben opgezet door de oorspronkelijke tekst aan te vullen met belangrijke aanbevelingen inzake handel, klimaatactie en de Overeenkomst van Parijs, handel en gender, en kmo’s, en is van mening dat dit getuigt van de dynamiek van een handelsovereenkomst bij de tenuitvoerlegging ervan; verzoekt de Commissie het Parlement recentere gegevens te doen toekomen over de uitvoer door kmo’s in de EU en de algemene duurzaamheid van de overeenkomst; wijst erop dat het belangrijk is de tenuitvoerlegging en follow-up van het hoofdstuk over handel en duurzame ontwikkeling te versterken;

44. spreekt andermaal zijn bezorgdheid uit over de lage benuttingsgraad van preferenties voor EU-uitvoer die door sommige van de preferentiële partners van de EU wordt gemeld, wat wijst op de beperkte voordelen van de bilaterale handelsstrategie voor kleinere marktdeelnemers; wijst met name op de grote verschillen in het gebruik van preferenties voor de uitvoer uit de Unie naar verschillende handelspartners en de kleine verschillen in gebruik van preferenties voor de invoer naar de EU door verschillende handelspartners; roept de Commissie op om het preferentiegebruik verder te analyseren en met nieuwe innovatieve instrumenten en praktische oplossingen te komen; legt in dit verband de nadruk op het belang van flexibele, gestroomlijnde en eenvoudige oorsprongsregels; verzoekt de Commissie om samen met de lidstaten de werkzaamheden te stroomlijnen om tot doeltreffender handelsbevorderings- en communicatiestrategieën te komen en het volledige potentieel van de EU-delegaties overal ter wereld te benutten;

45. merkt op dat het grote aantal tarifaire en niet-tarifaire belemmeringen en de huidige ongelijkheden ten aanzien van het niveau en de kwaliteit van de controles, douaneprocedures en het sanctiebeleid bij de punten van binnenkomst van de douane-unie van de EU vaak leiden tot een verstoring van de handelsstromen, die de integriteit van de Europese interne markt in gevaar brengt; dringt er daarom bij de Commissie op aan deze kwestie aan te pakken om ervoor te zorgen dat ondernemingen op een eerlijke manier kunnen concurreren, met gelijke mededingingsvoorwaarden;

46. onderstreept dat de bescherming van geografische aanduidingen een van de offensieve punten van de Unie is in de onderhandelingen over handelsovereenkomsten, en wijst erop dat het belangrijk is dat de partners van de EU de betrokken bepalingen naleven; verzoekt de Commissie ervoor te zorgen dat deze bepalingen in bestaande en toekomstige handelsovereenkomsten beter worden nageleefd;

47. verzoekt de Commissie om specifiek te kijken naar de cumulatieve effecten van vrijhandelsovereenkomsten van de EU op de verlegging van het handelsverkeer, zowel voor de EU als voor de partnerlanden, en om de resultaten te vergelijken met de individuele effectbeoordelingen en met de werkelijke cijfers;

48. beklemtoont hoe belangrijk het is om met name bij handelsbesprekingen te zorgen voor inspraak van de nationale parlementen, het maatschappelijk middenveld en de particuliere sector van alle partijen; dringt aan op betere participatie en raadpleging van sociale partners en het maatschappelijk middenveld bij onderhandelingen over en de uitvoering van handelsovereenkomsten, met name in het kader van de opdracht van de interne adviesgroepen, waarvan de toezichthoudende rol kan worden uitgebreid naar alle onderdelen van handelsovereenkomsten in plaats van alleen de hoofdstukken over handel en duurzame ontwikkeling;

Handel en duurzame ontwikkeling

49. herinnert aan zijn standpunt in zijn vorige verslag over de uitvoering van het gemeenschappelijk handelsbeleid; benadrukt dat het 15-puntenplan van de diensten van de Commissie van 27 februari 2018 een goede basis voor reflectie vormt om de uitvoering van de hoofdstukken over handel en duurzame ontwikkeling te verbeteren; herinnert eraan dat de nieuwe generatie overeenkomsten clausules over de mensenrechten en hoofdstukken over duurzame ontwikkeling omvat, waarvan de volledige uitvoering tot doel heeft de eerbiediging van de mensenrechten, de waarden van de Unie en hoge sociale, arbeids- en milieunormen te waarborgen en te bevorderen; neemt kennis van de beoordeling van de hoofdstukken over duurzame ontwikkeling in het verslag van de Commissie over de uitvoering van vrijhandelsovereenkomsten, en dringt aan op een tijdige tenuitvoerlegging van de bestaande bepalingen inzake handel en duurzame ontwikkeling; verzoekt de Commissie een precieze en specifieke methode te ontwikkelen om de uitvoering van de bepalingen van deze hoofdstukken op te volgen en te evalueren, aangezien het onmogelijk is deze te evalueren op grond van louter kwantitatieve gegevens; verzoekt de Commissie voorstellen in te dienen om de handhaving van het hoofdstuk over duurzame ontwikkeling in handelsovereenkomsten te versterken;

50. neemt kennis van het initiatief van DG JUST van de Commissie inzake bindende zorgvuldigheidsverplichtingen voor bedrijven, met inbegrip van de opname daarvan in de handelsovereenkomsten van de EU, alsook inzake een mechanisme dat een doeltreffende uitvoering garandeert; wijst erop dat het voorstel inzake bindende zorgvuldigheidsverplichtingen ervoor moet zorgen dat deze maatregelen geen extra lasten voor Europese kmo’s met zich meebrengen of hun concurrentievermogen verminderen;

51. herhaalt zijn oproep aan de Commissie en de lidstaten om zich constructief op te stellen tijdens de onderhandelingen over een wettelijk bindend VN-verdrag over transnationale bedrijven en andere ondernemingen met betrekking tot de mensenrechten, met als doel toegang tot de rechter te waarborgen voor slachtoffers van mensenrechtenschendingen en hen in staat te stellen om verhaal te halen;

52. is ingenomen met het initiatief van de Commissie voor een Europese Green Deal en onderstreept dat dit actief ondersteund moet worden met een EU-handelsstrategie die ecologisch, economisch en sociaal evenwichtig is; is ingenomen met de toezegging van de Commissie om van de naleving van de Overeenkomst van Parijs een “essentiële clausule” te maken in handelsovereenkomsten;

53. merkt op dat de huidige aanpak reeds bijdraagt tot het aanpakken van problemen in verband met niet-naleving van verplichtingen; verzoekt de Commissie echter hier meer aandacht aan te besteden en te leren uit de opgedane ervaring, zoals bij de oprichting van een panel op verzoek van de EU, in het kader van de vrijhandelsovereenkomst tussen de EU en Korea, naar aanleiding van het verzuim van Zuid-Korea om de verdragen van de Internationale Arbeidsorganisatie (IAO) inzake werknemersrechten te ratificeren, met name inzake vrijheid van vereniging en collectieve onderhandelingen;

54. herinnert eraan dat de vroege inspanningen van de Commissie en het Parlement met betrekking tot de handelsbesprekingen met Mexico en Vietnam de ratificatie van IAO-verdrag nr. 98 betreffende het recht zich te organiseren en collectief te onderhandelen door beide landen in respectievelijk november 2018 en juni 2019 met succes hebben aangemoedigd; feliciteert beide landen met deze belangrijke stap; verzoekt de Commissie toe te zien op de geboekte vooruitgang met betrekking tot de tenuitvoerlegging van andere IAO-verdragen, en onverwijld de interparlementaire commissie op te richten zoals overeengekomen in het kader van de vrijhandelsovereenkomst tussen de EU en Vietnam, met bijzondere aandacht voor het verbod op kinderarbeid; betreurt het dat Vietnam IAO-verdragen nr. 87 en 105 inzake de vrijheid van vereniging en dwangarbeid niet heeft geratificeerd; verzoekt de Commissie de situatie nauw in de gaten te houden en overleg met de Vietnamese regering aan te vragen indien deze laatste geen aangehouden inspanningen blijft leveren om de verdragen te ratificeren, zoals gepland in de overeenkomst;

55. herinnert eraan dat er een doeltreffend actieplan nodig is om het doel van nultolerantie voor kinderarbeid in vrijhandelsovereenkomsten uit te voeren, door een sterk partnerschap met ngo’s en nationale overheden op te zetten om sterke sociale en economische alternatieven voor gezinnen en werknemers te ontwikkelen, in samenhang met maatregelen die worden genomen in het kader van het Europese ontwikkelingsbeleid;

56. is van mening dat hoofdstukken over handel en duurzame ontwikkeling in handelsovereenkomsten een van de drijvende krachten achter de externe dimensie van de Europese Green Deal moeten zijn; onderstreept dat elk nieuw mechanisme voor koolstofcorrectie verenigbaar moet zijn met zowel de WTO-regels als de vrijhandelsovereenkomsten van de EU; benadrukt dat EU-bedrijven geen concurrentienadeel mogen ondervinden;

57. wijst erop dat het handels- en investeringsbeleid van de EU moet worden gebruikt als hefboom voor een verantwoord beheer van de toeleveringsketens, onder meer door ervoor te zorgen dat bedrijven de mensenrechten, arbeidsrechten en milieunormen respecteren en dat de toegang tot de rechter gewaarborgd is; neemt kennis van de toezeggingen van de Commissie om uiterlijk in 2021 een wetgevingsvoorstel in te dienen;

58. verzoekt de Commissie ervoor te zorgen dat de voorwaarden inzake mensenrechten die gekoppeld zijn aan unilaterale handelspreferenties zoals SAP en SAP+ op doeltreffende wijze worden uitgevoerd en gecontroleerd; benadrukt dat het handelsbeleid van de EU moet bijdragen aan de bestrijding van illegale handel, ontbossing en aantasting van bossen;

59. is van mening dat ten volle rekening moet worden houden met de handelsdimensie van de COP15 van het VN-verdrag inzake biologische diversiteit; herinnert aan zijn resolutie van 16 januari 2020 over de 15e bijeenkomst van de Conferentie van de partijen bij het Verdrag inzake biologische diversiteit (COP15)[15], waarin het er bij de Commissie en de lidstaten op aandrong om met name via hun instrumenten voor extern optreden, zoals het instrument voor nabuurschapsbeleid, ontwikkeling en internationale samenwerking (NDICI), actief samen te werken met derde landen om beleidsmaatregelen te bevorderen en streefcijfers vast te leggen voor de bescherming, het behoud en het herstel van biodiversiteit, met name in alle multilaterale en handelsovereenkomsten, en om maatregelen vast te stellen tegen niet-naleving; verzoekt de Commissie bijgevolg afdwingbare hoofdstukken over handel en duurzame ontwikkeling op te nemen in alle toekomstige handelsovereenkomsten;

60. vraagt dat de EU er bij haar economische partners op zou aandringen om naast de gebruikelijke fundamentele IAO-verdragen ook Verdrag nr. 189 over huishoudelijk personeel, Verdrag nr. 156 over werknemers met gezinsverantwoordelijkheid en Verdrag nr. 190 over geweld en intimidatie te ratificeren en toe te passen;

Bescherming van de handelsbelangen van de EU

61. herinnert eraan dat de inspanningen om op regels gebaseerde handel te behouden een cruciale rol moeten spelen in onze handelsstrategie en is in dit verband ingenomen met de goedkeuring van het pakket ter modernisering van de handelsbeschermingsinstrumenten in 2018 en het nieuwe screeningmechanisme voor buitenlandse directe investeringen; onderstreept dat dit screeningmechanisme gericht is op samenwerking en een potentiële beperking van buitenlandse investeringen in strategische sectoren teneinde de Unie en haar lidstaten te beschermen; verzoekt de Commissie te zorgen voor de daadwerkelijke handhaving van de handelsbeschermingsinstrumenten teneinde de Europese industrie te beschermen tegen oneerlijke marktpraktijken, en de vrijwaringsinstrumenten te evalueren en te versterken om ze beter af te stemmen op buitengewone omstandigheden en beter geschikt te maken om de Europese industrie te versterken door doeltreffend te anticiperen op verstoringen van de markt door de handelsstromen; wijst op de noodzaak van een sterke screening en samenwerking in de context na COVID-19, waarin sommige strategische sectoren van de EU onder druk zouden kunnen komen te staan; benadrukt echter dat het nieuwe screeningmechanisme voor buitenlandse directe investeringen nooit als protectionistische maatregel mag worden gebruikt; is ingenomen met het witboek over buitenlandse subsidies en verzoekt de Commissie zo nodig met een wetgevingsvoorstel te komen indien de huidige instrumenten ontoereikend blijken te zijn;

 

62. merkt op dat er momenteel een massale toename van staalinvoer uit China en andere derde landen plaatsvindt, die ernstige gevolgen heeft voor de Europese industrie en een groot aantal banen in gevaar brengt; onderstreept dat het evaluatieproces van de huidige vrijwaringsmaatregelen inzake de invoer van staalproducten een verlaging van de bestaande contingenten moet inhouden, in overeenstemming met de ingevoerde overcapaciteit, en de mogelijkheid om niet-benutte contingenten over te dragen moet afschaffen;

63. is ingenomen met de aankondiging van de Commissie dat begin 2020 een hoofd handhaving voor de handel zou worden aangesteld om de naleving van de handelsovereenkomsten van de EU te bewaken en te verbeteren; merkt op dat de regels in het kader van handelsovereenkomsten van de EU naar behoren dienen te worden gehandhaafd om hun doeltreffendheid te verzekeren en marktverstoringen aan te pakken; onderstreept dat deze nieuwe functie gericht moet zijn op de tenuitvoerlegging en handhaving van onze handelsovereenkomsten, alsook op inbreuken op de verbintenissen inzake markttoegang, handel en duurzame ontwikkeling; is van mening dat het hoofd handhaving voor de handel niet alleen moet instaan voor het toezicht op en de handhaving van de verplichtingen inzake milieu- en arbeidsbescherming in het kader van de Europese handelsovereenkomsten met derde landen, maar ook oog moet hebben voor de tenuitvoerlegging van alle hoofdstukken van handelsovereenkomsten om te waarborgen dat zij ten volle worden benut; roept de Commissie ertoe op om deze rol nader toe te lichten;

64. verzoekt de Raad om snel en vlot tot een akkoord te komen over het internationale instrument voor overheidsopdrachten teneinde marktdeelnemers uit de EU rechtszekerheid, wederkerigheid en gelijke mededingingsvoorwaarden te bieden; verzoekt om een algemene catalogus van essentiële nooduitrusting voor de gezondheidszorg op te nemen om toekomstig misbruik door aanbieders uit derde landen in de internationale handel tijdens een mondiale pandemie te voorkomen; merkt op dat de markten voor overheidsopdrachten van de Unie de meest open markten ter wereld zijn en dat bepaalde derde landen bijzonder beperkte toegang tot hun markten voor overheidsopdrachten verlenen; wijst op het belang van de bevordering van wederkerigheid en wederzijdse voordelen op het gebied van markttoegang en overheidsopdrachten, ten gunste van Europese ondernemingen;

65. wijst erop dat er in alle lidstaten passende mechanismen voor de screening van investeringen moeten zijn om bescherming te bieden tegen risico’s aangaande de veiligheid en de openbare orde; spoort de lidstaten die nog niet over dergelijke screeningmechanismen beschikken, ertoe aan om tijdelijke oplossingen in te voeren en vraagt de Commissie om dergelijke inspanningen actief te ondersteunen;

66. onderstreept dat buitenlandse directe investeringen in de EU en de overname van gezondheids- en andere essentiële infrastructuur door buitenlandse investeerders de inspanningen van de EU om de COVID-19-pandemie in Europa aan te pakken zouden kunnen schaden; is in dat verband ingenomen met de mededeling van de Commissie over richtsnoeren voor de lidstaten betreffende de toepassing van de screeningverordening voor buitenlandse directe investeringen; dringt er bij de lidstaten die nog geen screeningmechanisme hebben vastgesteld, op aan dat dringend te doen; verzoekt de lidstaten voorts alle beschikbare instrumenten te gebruiken om ervoor te zorgen dat er doeltreffende mechanismen voorhanden zijn om potentiële investeringen en overnamen te beoordelen met betrekking tot bedreigingen voor kritieke gezondheidsinfrastructuur in de EU, en indien nodig maatregelen te nemen die de risico’s beperken of tegenhouden;

67. herhaalt dat gelijke mededingingsvoorwaarden moeten worden geschapen tussen Europese bedrijfstakken, die ambitieuze klimaat-, milieu-, ecologische en sociale normen toepassen, en handelspartners die niet dezelfde hoge normen nastreven; is daarom van mening dat er dringend een met de WTO verenigbaar mechanisme voor koolstofcorrectie aan de grens nodig is dat de mondiale klimaatactie bevordert en de Europese bedrijfstakken beschermt tegen oneerlijke concurrentie;

68. verzoekt de leiders van de EU en de Commissie moedige besluiten te nemen over de hervorming van het systeem van eigen middelen van de Unie, met inbegrip van de invoering van een pakket nieuwe eigen middelen; bevestigt zijn in het tussentijds verslag over het meerjarig financieel kader uiteengezette standpunt met betrekking tot de lijst van potentiële kandidaten voor nieuwe eigen middelen: een gemeenschappelijke geconsolideerde heffingsgrondslag voor de vennootschapsbelasting, een belasting op digitale diensten, een belasting op financiële transacties, inkomsten uit de regeling voor de handel in emissierechten, een belasting op plastic en een met de WTO verenigbaar mechanisme voor koolstofcorrectie aan de grens[16];

69. is bezorgd over de voortdurende uitbreiding van arbitragemechanismen tussen investeerders en staten via investeringsovereenkomsten; wijst erop dat dergelijke parallelle rechtsstelsels bedoeld zijn om de belangen en rechten van bedrijven te dienen, maar voorbijgaan aan hun plichten en verantwoordelijkheden, en dat zij de beleidsruimte van staten en hun legitieme recht om regelgeving uit te werken in het gedrang kunnen brengen; stelt aan de kaak dat advocatenkantoren advies zijn beginnen te promoten over hoe buitenlandse investeerders arbitragezaken kunnen starten naar aanleiding van regeringsmaatregelen in verband met COVID-19; roept op tot een moratorium op alle arbitragevorderingen met betrekking tot maatregelen die gericht zijn op de gezondheids-, economische en sociale dimensie van de pandemie en haar effecten;

70. vraagt om de onderhandelingen over een overeenkomst inzake milieugoederen te hervatten en roept de Commissie ertoe op eenzijdige wijzigingen van de tarieven voor “groene goederen” voor te stellen indien kan worden vastgesteld dat zij bijdragen aan het bereiken van de streefcijfers van de Europese Green Deal;

71. verzoekt om de externe dimensie van de initiatieven inzake de circulaire economie[17] meer aandacht te geven in de betrekkingen van de EU met derde landen door regelgevingssamenwerking en dialoog;

Handel in diensten en digitale handel

72. is ingenomen met de lopende plurilaterale onderhandelingen over belangrijke aspecten van de handel in diensten, met name binnenlandse regelgeving voor diensten en het faciliteren van investeringen; merkt op dat een commerciële aanwezigheid in een derde land de dominante dienstverleningsvorm is voor handelsdiensten en elektronische handel;

73. benadrukt dat de EU veruit de grootste exporteur van diensten ter wereld is en dat diensten goed zijn voor ongeveer 70 % van haar bbp; onderstreept met name de relatieve veerkracht van de handel in diensten tijdens de COVID-19-crisis en wijst op de rol ervan in het economische herstel in Europa;

74. onderstreept dat de internationale herstelinspanningen moeten worden bevorderd via open en eerlijke handel, waaronder digitale handel, waarvoor een moratorium op douanerechten op elektronische verzendingen nodig is; steunt de gezamenlijke verklaring van de WTO over elektronische handel, waarin in dit verband mondiale regels worden bepleit; roept op tot openheid voor een zinvol resultaat om de grensoverschrijdende stroom van gegevens te bevorderen en ongerechtvaardigde handelsbelemmeringen met behulp van elektronische middelen aan te pakken, met volledige inachtneming van het recht van de EU op het gebied van privacy en gegevensbescherming, met inbegrip van de algemene verordening gegevensbescherming (GDPR), en om gebruik te maken van de in de onderhandelingsrichtlijnen geboden flexibiliteit; is ingenomen met het feit dat deze onderhandelingen een groot aantal WTO-leden bijeenbrengen, en verzoekt om ze zo open en inclusief mogelijk te houden;

Kmo’s

75. merkt op dat kmo’s ongeveer 30 % van de waarde van de goederenuitvoer van de EU voor hun rekening nemen en meer dan 80 % uitmaken van alle Europese ondernemingen die goederen uitvoeren, maar dat slechts 5 % van de kmo’s internationaal actief is, wat betekent dat een grote meerderheid afhankelijk is van de vitaliteit van de interne markt; steunt het idee dat een specifiek hoofdstuk over kmo’s deel moet uitmaken van alle voorgestelde vrijhandelsovereenkomsten, zoals het geval is in de overeenkomst tussen de EU en Japan en de gemoderniseerde overeenkomst met Mexico, en dat kmo’s moeten worden opgenomen bij de herziening van bestaande vrijhandelsovereenkomsten; wijst erop dat handelsbelemmeringen en bureaucratie in het bijzonder belastend zijn voor kmo’s; verzoekt de Commissie haar inspanningen ter ondersteuning van micro-, kleine en middelgrote ondernemingen (mkmo’s) voort te zetten, met bijzondere aandacht en maatregelen voor die welke in handen van vrouwen zijn; verzoekt de EU en haar lidstaten bij de oprichting van uitvoer-helpdesks bijzondere aandacht te schenken aan de bijzondere omstandigheden van door vrouwen geleide mkmo’s, gebruik te maken van de mogelijkheden die vrijhandelsovereenkomsten bieden, en diensten, technologieën en infrastructuur (zoals internettoegang) te versterken die bijzonder belangrijk zijn voor de economische emancipatie van vrouwen en door vrouwen geleide mkmo’s;

76. verzoekt de Commissie om, samen met de lidstaten, ondernemingen en belanghebbenden, het gebruik van en het inzicht in de oorsprongsregels voor kmo’s gemakkelijker te maken; herinnert de Commissie aan haar doelstelling om begin 2020 voor kmo’s een speciaal zelfbeoordelingsinstrument voor oorsprongsregels in het leven te roepen op het Access2Market-platform, om bedrijven te helpen beoordelen of een product kan profiteren van preferenties in het kader van een bepaalde handelsovereenkomst van de EU, om te bevorderen dat kmo’s gebruikmaken van preferenties uit hoofde van handelsovereenkomsten van de EU, en om ervoor te zorgen dat kmo’s uiteindelijk alle voordelen van de handelsovereenkomsten en de toegang tot buitenlandse markten genieten, door gebruiksvriendelijke, actuele en praktische informatie te verstrekken over het handelsbeleid en over vrijhandelsovereenkomsten in het bijzonder; herhaalt zijn oproep aan de Commissie om na te gaan welke gevolgen haar handelsbeleid heeft op kmo’s, aangezien deze een essentiële rol spelen in de internationale handel, en wijst erop dat administratieve kosten en bureaucratie disproportioneel nadelig zijn voor kmo’s als gevolg van hun omvang en hun beperkte middelen;

Gender en handel

77. benadrukt dat vrijhandelsovereenkomsten van de EU de mogelijkheid bieden om gendergelijkheid te bevorderen en de economische positie van vrouwen in derde landen te versterken, en verzoekt de Commissie de uitbuiting van vrouwen te bestrijden; roept de Commissie en de Raad ertoe op onderhandelingen voor te stellen over een speciaal aan gender gewijd hoofdstuk in handels- en investeringsovereenkomsten van de EU; steunt de aanbevelingen inzake gender en handel van de gezamenlijke commissie EU-Canada, waarin een platform wordt opgezet dat meer inzicht kan verschaffen in hoe handelsovereenkomsten kunnen bijdragen aan gendergelijkheid;

78. merkt op dat de 26 duurzaamheidseffectbeoordelingen die vanaf juni 2017 zijn uitgevoerd geen specifieke statistieken over handel en gender omvatten en dat het uitvoeringsverslag van 2018 evenmin gegevens verstrekt; benadrukt dat er moet worden begonnen met het verzamelen van naar geslacht uitgesplitste gegevens, en verwacht dat het volgende verslag uitgebreide gegevens bevat over de impact van vrijhandelsovereenkomsten, in overeenstemming met de toezegging van de Commissie; wijst in dat verband op de door Canada verrichte genderbeoordeling als beste praktijk die zou moeten worden toegepast;

79. verzoekt de Commissie ervoor te zorgen dat de interne adviesgroepen genderevenwichtig zijn samengesteld, dat er in het kader van elke vrijhandelsovereenkomst een commissie inzake Handel en Gender wordt opgericht om tekortkomingen vast te stellen, en dat het geschillenbeslechtingsmechanisme ook van toepassing is op genderkwesties, zoals in het geval van de vrijhandelsovereenkomst tussen Canada en Israël;

80. verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie, de nationale parlementen van de lidstaten, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio’s.

 

 


TOELICHTING

Dit is het tweede verslag van dit type over de uitvoering van het gemeenschappelijk handelsbeleid van de Europese Unie. Het eerste uitvoeringsverslag, dat op 30 mei 2018 werd goedgekeurd, had betrekking op een periode van oktober 2015, de datum van de laatste handelsstrategie van de Commissie met als titel “Handel voor iedereen”, tot en met december 2017, de datum waarop het ontwerpverslag werd afgerond.

 

Om het wiel niet opnieuw uit te vinden is de rapporteur van mening dat dit verslag in zekere zin een actualisering van het eerste verslag moet zijn. Indien het Parlement op zijn standpunt blijft, moeten in het verslag gewoon de vorige bepalingen worden overgenomen. Zijn de standpunten of de context echter veranderd, dan moet een update worden verstrekt.

 

Dit verslag is ook het eerste verslag over de uitvoering van het handelsbeleid van de nieuwe zittingsperiode. Bijgevolg bestrijkt het meer dan alleen de uitvoering van handelsovereenkomsten en bevat het ook toekomstgerichte beschouwingen over hoe het handelsbeleid van de EU eruit moet zien in een snel veranderende wereld.

 

Het verslag heeft betrekking op de periode tussen januari 2018 en juli 2020, twee jaar waarin een aantal eerdere tendensen is bevestigd of zelfs versterkt, zoals de geleidelijke terugtrekking van de VS uit het multilaterale handelssysteem of de consolidatie van de door de overheid geleide Chinese economie.

 

Tegelijkertijd zijn er enkele nieuwe bemoedigende elementen bijgekomen, te beginnen met de positieve cijfers uit de eerste twee jaren van de uitvoering van de handelsovereenkomst tussen de EU en Canada (CETA) of de opening van een reeks plurilaterale onderhandelingen die de hoop doen rijzen dat het multilateralisme nieuw leven krijgt ingeblazen.

 

Bovendien is handel geen doel op zich. Het is een middel om gezamenlijke welvaart tot stand te brengen en kan ook de politieke en culturele banden verdiepen, zoals de voorzitter van de nieuwe Commissie, mevrouw Ursula von der Leyen, in haar politieke beleidslijnen heeft gezegd. Handelsovereenkomsten zijn daarom de beste instrumenten om onze partners te ondersteunen bij het halen van de ambitieuze milieudoelstellingen van de EU, met name door middel van specifieke hoofdstukken over duurzame ontwikkeling die resultaten opleveren.

 

Tot slot is het vermogen van de EU om haar eigen instrumenten te versterken teneinde beter het hoofd te kunnen bieden aan oneerlijke concurrentie van groot belang, zoals blijkt uit de goedkeuring door de EU van gemoderniseerde handelsbeschermingsinstrumenten en een nieuw screeningsmechanisme voor buitenlandse investeringen, die respectievelijk in juni 2018 en april 2019 in werking zijn getreden.

 


 

ADVIES VAN DE COMMISSIE ONTWIKKELINGSSAMENWERKING (18.6.2020)

<CommissionInt>aan de Commissie internationale handel</CommissionInt>


<Titre>over de tenuitvoerlegging van het gemeenschappelijk handelsbeleid – jaarverslag 2018</Titre>

<DocRef>(2019/2197(INI))</DocRef>

Rapporteur: <Depute>Benoît Biteau

</Depute> 

 

 


 

SUGGESTIES

De Commissie ontwikkelingssamenwerking verzoekt de bevoegde Commissie internationale handel onderstaande suggesties in haar ontwerpresolutie op te nemen:

1. benadrukt dat handel geen doel op zich is maar een belangrijk instrument om de duurzameontwikkelingsdoelstellingen (SDG’s) te verwezenlijken, door bij te dragen aan het terugdringen van armoede, het verbeteren van de gezondheid en het ondersteunen van inspanningen om de aantasting van het milieu aan te pakken, en tevens een belangrijk instrument is om de waarden van de EU in dit verband te bevorderen; benadrukt dat er in ontwikkelingslanden aanbodcapaciteit en handelsinfrastructuur moet worden opgebouwd, gericht op uitvoerdiversificatie, het creëren van toegevoegde waarde en micro-, kleine en middelgrote ondernemingen; wijst nogmaals op de toezegging van de EU met betrekking tot het beginsel van beleidscoherentie voor ontwikkeling en het “berokken geen schade”-beginsel; wijst erop dat de EU zich ertoe verbindt een robuuste, doeltreffende en geloofwaardige handelspolitiek te voeren die de basis zal vormen voor een eerlijk en open, op regels gebaseerd multilateraal commercieel systeem, hetgeen van essentieel belang is voor de verdere integratie van ontwikkelingslanden in de mondiale waardeketens; onderstreept het belang van strategieën voor technische bijstand in dit verband;

2. benadrukt het belang van alomvattende, bindende en afdwingbare bepalingen inzake sociale, arbeids- en milieunormen, met name in de hoofdstukken over handel en duurzame ontwikkeling van vrijhandelsovereenkomsten; benadrukt bovendien het belang van doeltreffend toezicht; roept op tot het systematische gebruik van alomvattende effectbeoordelingen vooraf en achteraf inzake de duurzaamheid van handel;

3. wijst erop dat handelsovereenkomsten geen negatieve gevolgen mogen hebben voor de voedselzekerheid in ontwikkelingslanden; benadrukt dat ontwikkelingslanden hun voedselsoevereiniteit moeten kunnen verdedigen en volgens hun eigen democratische methoden de structuur van hun voedselsystemen moeten kunnen bepalen; dringt in dit verband aan op een holistische benadering die een aantal belangrijke kwesties omvat, zoals overheidsopdrachten, mededinging (met inbegrip van subsidies) en belemmeringen op sanitair en fytosanitair gebied; dringt er bij de EU met name op aan ontwikkelingslanden te helpen bij de bescherming van hun lokale voedselproductie, de ondersteuning van kleine familiale landbouwbedrijven en de verdere ontwikkeling van maatregelen op basis van de aanbevelingen van de Voedsel- en Landbouworganisatie van de Verenigde Naties (FAO);

4. merkt op dat er in de loop van de periode 2014-2020 van het gemeenschappelijk landbouwbeleid (GLB) weliswaar vooruitgang is geboekt wat beleidscoherentie voor ontwikkeling betreft, maar dat het verbod op uitvoersubsidies geen invloed heeft op de economische verstoringen die worden veroorzaakt door andere directe of indirecte subsidies, bijvoorbeeld in het geval van zuivelproducten; roept de EU ertoe op een evaluatie te verrichten van de huidige bepalingen van de Overeenkomst tot oprichting van de Wereldhandelsorganisatie (WTO) van 1994; verzoekt de EU ontwikkelingslanden bij te staan bij het opzetten van screeningmechanismen voor buitenlandse directe investeringen (BDI);

5. benadrukt dat de nieuwe strategie EU-Afrika eerlijke en ethische handel moet ondersteunen; wijst erop dat in het verslag van de Commissie van 2019 getiteld “Uitvoering van vrijhandelsovereenkomsten 1 januari 2018 – 31 december 2018” (COM(2019)0455) wordt beklemtoond dat de vooruitgang met betrekking tot economische diversificatie in ontwikkelingslanden die onder een economische partnerschapsovereenkomst (EPO) vallen, beperkt is; dringt er bij de EU en de lidstaten op aan de bezorgdheid die ontwikkelingslanden uiten in verband met EPO’s te erkennen; wijst erop dat EPO’s doeltreffende steun moeten bieden voor de integratie van regionale markten; benadrukt dat er rekening moet worden gehouden met de evaluatie achteraf van de eerste tien jaar van de EPO met Cariforum en dat moet worden onderzocht wat voor verbetering vatbaar is, teneinde de banden met de landen in de regio te versterken en tegelijkertijd de nieuwe uitdagingen van de 21e eeuw – met name klimaatverandering – aan te pakken en de SDG’s te verwezenlijken; benadrukt bovendien het belang van gezamenlijk toezicht op EPO’s, met de steun van lokale partners en maatschappelijke organisaties; verzoekt de Commissie een grondige analyse te verrichten van de huidige EPO’s, onder meer op het gebied van lokale economieën, arbeidsmarkten, biodiversiteitsverlies, ontbossing en landroof, om na te gaan of er aanpassingen nodig zijn;

6. beklemtoont hoe belangrijk het is om met name bij handelsbesprekingen te zorgen voor inspraak van de nationale parlementen, het maatschappelijk middenveld en de particuliere sector van alle partijen; dringt aan op betere participatie en raadpleging van sociale partners en het maatschappelijk middenveld bij onderhandelingen over en de uitvoering van handelsovereenkomsten, met name in het kader van de opdracht van de interne adviesgroepen, waarvan de toezichthoudende rol kan worden uitgebreid naar alle onderdelen van handelsovereenkomsten in plaats van alleen de hoofdstukken over handel en duurzame ontwikkeling;

7. benadrukt dat de EU moet zorgen voor duurzame mondiale toeleveringsketens; herhaalt zijn oproep tot instelling van een EU-rechtskader dat gebaseerd is op zorgvuldigheidsverplichtingen voor ondernemingen inzake mensenrechtenschendingen in toeleveringsketens, waarbij slachtoffers toegang tot de rechter krijgen; is van mening dat deze verplichtingen sectoroverschrijdend moeten zijn; is verheugd over de nakende inwerkingtreding van de verordening inzake conflictmineralen en dringt aan op nauw toezicht op de uitvoering ervan, onder meer via de uitvoering van begeleidende maatregelen; benadrukt dat die verordening een belangrijke mijlpaal vertegenwoordigt wat het waarborgen van transparantie en verantwoordingsplicht in toeleveringsketens betreft;

8. verzoekt de Commissie om in het kader van de WTO actief te werken aan de bevordering van multilaterale regels voor een duurzaam beheer van mondiale waardeketens, met inbegrip van zorgvuldigheidsverplichtingen voor toeleveringsketens, waarbij in eerste instantie de kledingsector moet worden aangepakt op basis van de richtsnoeren van de OESO; herhaalt zijn oproep aan de Commissie en de lidstaten om zich constructief op te stellen tijdens de onderhandelingen over een wettelijk bindend VN-verdrag over transnationale bedrijven en andere ondernemingen met betrekking tot de mensenrechten, met als doel toegang tot de rechter te waarborgen voor slachtoffers van mensenrechtenschendingen om verhaal te halen;

9. beklemtoont dat ontwikkelingslanden het hardst worden getroffen door het fenomeen van belastingontduiking, waardoor landen elk jaar miljarden euro’s aan overheidsinkomsten mislopen; dringt erop aan in handelsovereenkomsten met ontwikkelingslanden bepalingen op te nemen om illegale geldstromen van en belastingontduiking door ondernemingen en multinationals te helpen bestrijden, teneinde te waarborgen dat belastingen worden betaald waar de winst en de reële economische waarde worden gecreëerd en een einde te maken aan grondslaguitholling en winstverschuiving;

10. wijst erop dat het een van de grootste uitdagingen voor ontwikkelingslanden is om via economische diversificatie op te klimmen in de mondiale waardeketen;

11. benadrukt het belang van het multilaterale systeem als het meest doeltreffende middel om een wereldwijd gelijk speelveld te creëren en een inclusief wereldhandelssysteem tot stand te brengen, in het belang van ontwikkelingslanden; herhaalt het belang van een hervorming van de WTO overeenkomstig de SDG’s, de Agenda 2030 en de verbintenissen in het kader van de Overeenkomst van Parijs;

12. wijst er bovendien op dat het handels- en ontwikkelingsbeleid van de EU moeten bijdragen tot regionale integratie en ervoor moeten zorgen dat ontwikkelingslanden worden opgenomen en kunnen opklimmen in de mondiale waardeketens; benadrukt hoe belangrijk het is aanpassingen door te voeren in het handelsbeleid met het oog op de ondersteuning van inspanningen tot ontwikkeling van de vrijhandelsruimte op het Afrikaanse continent (AfCFTA) door middel van financiële en technische bijstand;

13. benadrukt eveneens het belang van toezicht op de uitvoering van de hoofdstukken over handel en duurzame ontwikkeling in vrijhandelsovereenkomsten op basis van richtsnoeren die door adviesgroepen in de EU en de respectieve partnerlanden worden verstrekt, teneinde te evalueren of handelspreferenties ontwikkelingsgerichte resultaten opleveren; benadrukt dat de hoofdstukken over handel en duurzame ontwikkeling moeten worden afgestemd op de capaciteiten van elk land, in combinatie met het aanbieden van de noodzakelijke financiële en technologische overdrachten;

14. stelt ingenomen vast dat de EU voorstander is van diepgaande, evenwichtige en wederzijds voordelige onderhandelingen over vrijhandelsovereenkomsten met als doel een gelijk speelveld te waarborgen; wijst erop dat belastingontwijking, belastingontduiking en belastingfraude krachtdadig moeten worden aangepakt en dat regelgebaseerde systemen die gericht zijn op het creëren en handhaven van open, eerlijke concurrentie moeten worden bevorderd;

15. beklemtoont dat producenten in plattelands- en kustgebieden hulp moeten krijgen om zich aan te passen aan de crisismarktvoorwaarden als gevolg van de uitbraak van COVID-19, en op korte termijn strategieën uit te werken met het oog op aanpassing en veerkracht in de context van het coronavirus, teneinde hun levensonderhoud op peil te houden en tegelijkertijd een duurzaam beheer van landbouw-, bosbouw-, mariene en biodiversiteitrijke ecosystemen te waarborgen;

16. betreurt de economische verliezen die worden veroorzaakt door de verstoring van de internationale handel en mondiale toeleveringsketens als gevolg van de COVID-19-pandemie, hetgeen bijzonder ernstige gevolgen kan hebben voor ontwikkelingslanden; verzoekt de Commissie ervoor te zorgen dat haar bepalingen inzake handel met ontwikkelingslanden toegang tot geneesmiddelen en medische uitrusting ondersteunen; spoort de Commissie ertoe aan te streven naar grotere transparantie in mondiale toeleveringsketens, met name in de farmaceutische sector; steunt de sluiting van een multilaterale overeenkomst over het vrij verkeer van medische uitrusting;

17. verzoekt de Commissie ervoor te zorgen dat de voorwaarden inzake mensenrechten die gekoppeld zijn aan unilaterale handelspreferenties zoals SAP en SAP+ op doeltreffende wijze worden uitgevoerd en gecontroleerd;

18. benadrukt dat de uitvoering van de Overeenkomst van Parijs moet worden ondersteund door het handelsbeleid van de EU; wijst erop dat naleving van de Overeenkomst van Parijs als verplichte bepaling moet worden opgenomen in de handelsovereenkomsten van de EU; dringt erop aan dat in vrijhandelsovereenkomsten specifieke bepalingen en doelstellingen worden opgenomen om deze verbintenissen na te komen, met name wat betreft de verwezenlijking van de nationaal bepaalde bijdragen, verlies en schade in verband met de negatieve gevolgen van de klimaatverandering en de overdracht van technologie;

19. herhaalt dat de EU en haar handelspartners zich moeten houden aan internationale arbeids- en milieunormen, illegale handel in kwetsbare of bedreigde fauna- en florasoorten moeten tegengaan, ontbossing en bosdegradatie moeten bestrijden en vormen van handel moeten aanmoedigen die de inspanningen in de strijd tegen de klimaatverandering ondersteunen; uit zijn bezorgdheid over het verband tussen liberalisering van de handel en ontbossing, alsook over de potentieel negatieve effecten van nieuwe handelsovereenkomsten in dit verband; verzoekt de Commissie om in alle toekomstige handelsovereenkomsten – zowel algemene overeenkomsten als relevante onderdelen van overeenkomsten – wettelijk bindende bepalingen in verband met bossen op te nemen, vergezeld van waarborgen om de uitvoering ervan te garanderen en ontbossing en bosdegradatie te kunnen bestrijden;

20. onderstreept dat de aanhoudende toename van de CO2-uitstoot door vervoer en internationale handel de doeltreffendheid van de klimaatveranderingsstrategie van de EU ondermijnt; is van oordeel dat de klimaatkosten van vrijhandelsovereenkomsten een sterk argument vormen om over te stappen van een op export gerichte ontwikkelingsstrategie op endogene ontwikkeling op basis van lokale consumptie en productie in ontwikkelingslanden;

21. onderstreept dat de verstoringen als gevolg van COVID-19 de zwakke plekken van het mondiale voedselsysteem aan het licht hebben gebracht; beklemtoont bovendien dat de liberalisering van landbouwmarkten een verdere verankering inhoudt van een op export gericht, industrieel landbouwmodel dat in grote mate bijdraagt aan de klimaatverandering, habitatverlies in de hand werkt en de voorwaarden creëert voor het ontstaan en de verspreiding van virussen; is van mening dat korte toeleveringsketens en andere lokale initiatieven daarentegen een enorm potentieel inhouden om de huidige tekortkomingen van het voedselsysteem op te vangen, doordat er een betere toegang tot vers voedsel wordt gecreëerd, waarbij wordt gewaarborgd dat er meer waarde bij de landbouwers terechtkomt, en doordat de kwetsbaarheid voor verstoringen op de internationale markten wordt beperkt; dringt er daarom bij de Commissie op aan een strategie te ontwikkelen waarin geleidelijk wordt afgestapt van landbouwbeleid waarin handel centraal staat, en zich te richten op lokale en regionale markten;

22. is voorstander van koolstofbelasting aan de grens en beschouwt dit als een belangrijk instrument om eerlijke concurrentie te waarborgen voor bedrijven die maatregelen nemen om hun klimaateffecten te verminderen.

 


INFORMATIE OVER DE GOEDKEURING IN DE ADVISERENDE COMMISSIE

 

Datum goedkeuring

15.6.2020

 

 

 

Uitslag eindstemming

+:

–:

0:

15

10

1

Bij de eindstemming aanwezige leden

Anna-Michelle Asimakopoulou, Hildegard Bentele, Dominique Bilde, Udo Bullmann, Catherine Chabaud, Antoni Comín i Oliveres, Ryszard Czarnecki, Gianna Gancia, Charles Goerens, Mónica Silvana González, Pierrette Herzberger-Fofana, György Hölvényi, Rasa Juknevičienė, Beata Kempa, Erik Marquardt, Norbert Neuser, Janina Ochojska, Jan-Christoph Oetjen, Michèle Rivasi, Christian Sagartz, Marc Tarabella, Tomas Tobé, Miguel Urbán Crespo, Bernhard Zimniok

Bij de eindstemming aanwezige vaste plaatsvervangers

Barry Andrews, Marlene Mortler, Caroline Roose, Patrizia Toia

 


 

HOOFDELIJKE EINDSTEMMING IN DE ADVISERENDE COMMISSIE

15

+

S&D

Udo Bullmann, Mónica Silvana González, Norbert Neuser, Marc Tarabella, Patrizia Toia

RENEW

Catherine Chabaud, Charles Goerens, Jan-Christoph Oetjen, Barry Andrews

VERTS/ALE

Pierrette Herzberger-Fofana, Erik Marquardt, Michèle Rivasi

ECR

Beata Kempa

GUE/NGL

Miguel Urbán Crespo

N.I.

Antoni Comín i Oliveres

 

10

-

EPP

Anna-Michelle Asimakopoulou, Hildegard Bentele, György Hölvényi, Rasa Juknevičienė, Janina Ochojska, Tomas Tobé, Marlene Mortler

ID

Dominique Bilde, Gianna Gancia. Bernhard Zimniok

 

1

0

ECR

Ryszard Czarnecki

 

Verklaring van de gebruikte tekens:

+ : voor

- : tegen

0 : onthouding

 

 

 

 

 


 

INFORMATIE OVER DE GOEDKEURING IN DE BEVOEGDE COMMISSIE

Datum goedkeuring

3.9.2020

 

 

 

Uitslag eindstemming

+:

–:

0:

29

5

8

Bij de eindstemming aanwezige leden

Barry Andrews, Anna-Michelle Asimakopoulou, Tiziana Beghin, Geert Bourgeois, Saskia Bricmont, Udo Bullmann, Jordi Cañas, Daniel Caspary, Anna Cavazzini, Miroslav Číž, Arnaud Danjean, Paolo De Castro, Emmanouil Fragkos, Raphaël Glucksmann, Markéta Gregorová, Enikő Győri, Roman Haider, Heidi Hautala, Danuta Maria Hübner, Herve Juvin, Karin Karlsbro, Maximilian Krah, Danilo Oscar Lancini, Bernd Lange, Margarida Marques, Gabriel Mato, Emmanuel Maurel, Maxette Pirbakas, Carles Puigdemont i Casamajó, Samira Rafaela, Inma Rodríguez-Piñero, Massimiliano Salini, Helmut Scholz, Liesje Schreinemacher, Sven Simon, Dominik Tarczyński, Mihai Tudose, Marie-Pierre Vedrenne, Jörgen Warborn, Iuliu Winkler, Jan Zahradil

 


 

 

HOOFDELIJKE EINDSTEMMING IN DE BEVOEGDE COMMISSIE

29

+

ECR

Geert Bourgeois, Emmanouil Fragkos, Dominik Tarczyński, Jan Zahradil

PPE

Anna-Michelle Asimakopoulou, Daniel Caspary, Arnaud Danjean, Enikő Győri, Danuta Maria Hübner, Gabriel Mato, Massimiliano Salini, Sven Simon, Jörgen Warborn, Iuliu Winkler

RENEW

Barry Andrews, Jordi Cañas, Karin Karlsbro, Samira Rafaela, Liesje Schreinemacher, Marie-Pierre Vedrenne

S&D

Udo Bullmann, Miroslav Číž, Paolo De Castro, Bernd Lange, Margarida Marques, Inma Rodríguez-Piñero, Mihai Tudose, Kathleen Van Brempt

VERTS/ALE

Markéta Gregorová

 

5

-

S&D

Raphaël Glucksmann

ID

Herve Juvin, Maxette Pirbakas

GUE

Emmanuel Maurel, Helmut Scholz

 

8

0

VERTS/ALE

Saskia Bricmont, Anna Cavazzini, Heidi Hautala

ID

Maximilian Krah, Danilo Oscar Lancini, Roman Haider

NI

Tiziana Beghin, Carles Puigdemont i Casamajó

 

Verklaring van de gebruikte tekens:

+ : voor

- : tegen

0 : onthouding

 

 

[1] Aangenomen teksten, P8_TA(2018)0230. 

[2] Aangenomen teksten, P8_TA(2018)0477.

[3] PB C 307 van 30.8.2018, blz. 109.

[4] PB C 101 van 16.3.2018, blz. 30.

[5] PB C 101 van 16.3.2018, blz. 19.

[6] PB C 407 van 4.11.2016, blz. 2.

[7] Aangenomen teksten, P8_TA(2018)0066.

[9] PB L 771 van 15.3.2020, blz. 1.

[10] Resolutie van het Europees Parlement van 9 juni 2015 over de EU-strategie voor de gelijkheid van vrouwen en mannen na 2015.

[11] Resolutie van het Europees Parlement van 13 maart 2018 over gendergelijkheid in de handelsverdragen van de EU.

[12] Resolutie van het Europees Parlement van 12 mei 2016 over de markteconomiestatus van China, PB C 76 van 28.2.2018, blz. 43.

[14] Aangenomen teksten, P9_TA(2020)0152.

[16] Zie resolutie van het Europees Parlement van 15 mei 2020 over het nieuwe meerjarig financieel kader, eigen middelen en het herstelplan - Aangenomen teksten, P9_TA(2020)0124.

Laatst bijgewerkt op: 29 september 2020Juridische mededeling - Privacybeleid