Procedure : 2020/2072(INI)
Stadium plenaire behandeling
Documentencyclus : A9-0170/2020

Ingediende teksten :

A9-0170/2020

Debatten :

PV 05/10/2020 - 15
CRE 05/10/2020 - 15

Stemmingen :

Aangenomen teksten :

P9_TA(2020)0251

<Date>{29/09/2020}29.9.2020</Date>
<NoDocSe>A9-0170/2020</NoDocSe>
PDF 274kWORD 93k

<TitreType>VERSLAG</TitreType>

<Titre>over de instelling van een EU-mechanisme voor democratie, de rechtsstaat en grondrechten</Titre>

<DocRef>(2020/2072(INL))</DocRef>


<Commission>{LIBE}Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken</Commission>

Rapporteur: <Depute>Michal Šimečka</Depute>

(Initiatief – Artikel 46 van het Reglement)

ONTWERPRESOLUTIE VAN HET EUROPEES PARLEMENT
 BIJLAGE BIJ DE ONTWERPRESOLUTIE:
 TOELICHTING
 ADVIES VAN DE COMMISSIE JURIDISCHE ZAKEN
 ADVIES VAN DE COMMISSIE CONSTITUTIONELE ZAKEN
 INFORMATIE OVER DE GOEDKEURING IN DE BEVOEGDE COMMISSIE
 HOOFDELIJKE EINDSTEMMING IN DE BEVOEGDE COMMISSIE

ONTWERPRESOLUTIE VAN HET EUROPEES PARLEMENT

over de instelling van een EU-mechanisme voor democratie, de rechtsstaat en grondrechten

(2020/2072(INL))

Het Europees Parlement,

 gezien artikel 295 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

 gezien met name artikel 2, artikel 3, lid 1, artikel 3, lid 3, tweede alinea, artikel 4, lid 3, en de artikelen 5, 6, 7 en 11 van het Verdrag betreffende de Europese Unie,

 gezien de artikelen van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie die betrekking hebben op de eerbiediging, bevordering en bescherming van democratie, de rechtsstaat en grondrechten in de Unie, waaronder de artikelen 70, 258, 259, 260, 263 en 265,

 gezien Protocol nr. 1 betreffende de rol van de nationale parlementen in de Europese Unie en Protocol nr. 2 betreffende de toepassing van de beginselen van subsidiariteit en evenredigheid, gehecht aan het Verdrag betreffende de Europese Unie en het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

 gezien het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie,

 gezien de rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie,

 gezien de criteria van Kopenhagen en het geheel van EU-regels waaraan een kandidaat-lidstaat moet voldoen als hij wil toetreden tot de Unie (het acquis),

 gezien de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens,

 gezien de instrumenten van de Verenigde Naties inzake de bescherming van de mensenrechten en de fundamentele vrijheden en de aanbevelingen en rapporten in het kader van de universele periodieke doorlichting van de Verenigde Naties, evenals de rechtspraak van de verdragsorganen van de Verenigde Naties en de Speciale Procedures van de Mensenrechtenraad,

 gezien de verklaring van de Verenigde Naties van 8 maart 1999 over mensenrechtenverdedigers,

 gezien de aanbevelingen en rapporten van het Bureau voor Democratische Instellingen en Mensenrechten, de Hoge Commissaris inzake de nationale minderheden, de OVSE-vertegenwoordiger voor mediavrijheid en andere organen van de Organisatie voor Veiligheid en Samenwerking in Europa,

 gezien het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, het Europees Sociaal Handvest, de rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens en het Europees Comité voor sociale rechten, en de verdragen, aanbevelingen, resoluties en rapporten van de Parlementaire Vergadering, het Comité van Ministers, de Commissaris voor de Mensenrechten, de Europese Commissie tegen Racisme en Onverdraagzaamheid, de Steering Committee on Anti-Discrimination, Diversity and Inclusion van de Raad van Europa (CDADI), de Commissie van Venetië en andere organen van de Raad van Europa,

 gezien het Memorandum van overeenstemming tussen de Raad van Europa en de Europese Unie van 23 mei 2007,

 gezien het Verdrag van de Verenigde Naties tegen corruptie,

 gezien de overeenkomst tot oprichting van de Groep van staten tegen corruptie,

 gezien de lijst met criteria voor de rechtsstaat, die door de Commissie van Venetië is goedgekeurd tijdens haar 106e plenaire vergadering op 18 maart 2016,

 gezien de “Toolkit for Member States - Respecting democracy, rule of law and human rights in the framework of the COVID-19 sanitary crisis” van de Raad van Europa van 7 april 2020,

 gezien het jaarverslag 2020 van de partnerorganisaties van het platform van de Raad van Europa ter bevordering van de bescherming van de journalistiek en de veiligheid van journalisten,

 gezien de mededeling van de Commissie van 17 juli 2019, getiteld “Versterking van de rechtsstaat binnen de Unie - Een blauwdruk voor actie” (COM(2019)0343),

 gezien de mededeling van de Commissie van 29 januari 2020 over het werkprogramma voor 2020 van de Commissie (COM(2020)0037) en het aangepaste werkprogramma van de Commissie van 27 mei 2020 (COM(2020)0440),

 gezien het EU-scorebord voor justitie 2020,

 gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité van 19 juni 2019 over “Verdere versterking van de rechtsstaat binnen de Unie. Stand van zaken en mogelijke volgende stappen” waarin werd voorgesteld om een jaarlijks forum over de grondrechten en de rechtsstaat op te richten,

 gezien het rapport van de Groep Grondrechten en de rechtsstaat van het Europees Economisch en Sociaal Comité van juni 2020 met als titel “National developments from a civil society perspective, 2018-2019”,

 gezien het rapport van het Bureau van de Europese Unie voor de grondrechten, getiteld “Challenges facing civil society organisations working on human rights in the EU”, gepubliceerd op 17 januari 2018, en andere rapporten en gegevens van het Bureau,

 gezien het verslag van het Europees Instituut voor gendergelijkheid, getiteld “Beijing +25: the fifth review of the implementation of the Beijing Platform for Action in the EU Member States”, gepubliceerd op 5 maart 2020,

 gezien de conclusies van de Raad van de Europese Unie en de lidstaten, in het kader van de Raad bijeen, over “Zorgen voor eerbiediging van de rechtsstaat”, van 16 december 2014,

 gezien zijn resolutie van 25 oktober 2016 met aanbevelingen aan de Commissie betreffende de instelling van een EU-mechanisme voor democratie, de rechtsstaat en grondrechten[1],

 gezien zijn resolutie van 19 april 2018 over de noodzaak van invoering van een Europees waardeninstrument ter ondersteuning van maatschappelijke organisaties die in de Europese Unie op lokaal en nationaal niveau de fundamentele waarden uitdragen[2],

 gezien zijn wetgevingsresolutie van 17 april 2019 over het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van het programma Rechten en waarden[3],

 gezien zijn resolutie van 14 november 2018 over de noodzaak van een omvattend EU-mechanisme voor de bescherming van democratie, de rechtsstaat en grondrechten[4],

 gezien zijn resolutie van 16 januari 2019 over de situatie van de grondrechten in de Europese Unie in 2017[5],

 gezien zijn resolutie van 13 februari 2019 over verslechteringen op het gebied van de rechten van de vrouw en gendergelijkheid in de EU[6],

 gezien zijn resolutie van 28 maart 2019 over de situatie van de rechtsstaat en de strijd tegen corruptie binnen de EU, met name in Malta en Slowakije[7],

 gezien zijn resolutie van 18 december 2019 over openbare discriminatie en haatzaaiende uitlatingen ten aanzien van LGBTI-personen, zoals LGBTI-vrije zones[8],

 gezien zijn resolutie van 15 januari 2020 over mensenrechten en democratie in de wereld en het beleid van de Europese Unie ter zake – jaarverslag 2018[9],

 gezien zijn resolutie van 16 januari 2020 over hoorzittingen die plaatsvinden in het kader van artikel 7, lid 1, van het VEU met betrekking tot Polen en Hongarije[10],

 gezien zijn resolutie van 17 april 2020 over gecoördineerde EU-maatregelen om de COVID-19-pandemie en de gevolgen ervan te bestrijden[11],

 gezien de gezamenlijke aanbevelingen van een aantal maatschappelijke organisaties in het document “From blueprint to footprint: Safeguarding media freedom and pluralism through the European Rule of Law Mechanism” van april 2020,

 gezien het rapport van het Europees netwerk van nationale mensenrechteninstituten, getiteld “The Rule of Law in the European Union” van 11 mei 2020,

 gezien de bijdrage van de werkgroep intern mensenrechtenbeleid van de EU van het netwerk Mensenrechten en Democratie (Human Rights and Democracy Network) van 4 mei 2020 aan de Europese Commissie in het kader van de raadpleging van belanghebbenden in verband met de opstelling van het jaarverslag over de rechtsstaat 2020,

 gezien de beoordeling van de Europese meerwaarde bij het initiatiefverslag van wetgevende aard over een EU-mechanisme voor democratie, de rechtsstaat en grondrechten van oktober 2016,

 gezien de voorlopige beoordeling van de Europese meerwaarde van een EU-mechanisme voor democratie, de rechtsstaat en grondrechten van het Parlement van april 2020,

 gezien de artikelen 46, 54 en 148 van zijn Reglement,

 gezien de adviezen van de Commissie juridische zaken en de Commissie constitutionele zaken,

 gezien het verslag van de Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken (A9-0170/2020),

A. overwegende dat de Unie berust op de waarden eerbied voor de menselijke waardigheid, vrijheid, democratie, gelijkheid, de rechtsstaat en eerbiediging van de mensenrechten, met inbegrip van de rechten van personen die tot een minderheid behoren, als vastgelegd in artikel 2 van het Verdrag betreffende de Europese Unie (VEU); overwegende dat de lidstaten deze waarden gemeen hebben en dat alle lidstaten deze waarden vrijelijk hebben onderschreven; overwegende dat de democratie, de rechtsstaat en de grondrechten waarden zijn die elkaar versterken;

B. overwegende dat de Unie in haar toetredingscriteria heeft vastgelegd dat lidmaatschap van de Unie vereist dat de kandidaat-lidstaat zo ver is gekomen dat hij beschikt over stabiele instellingen die de democratie, de rechtsstaat, de mensenrechten en het respect voor en de bescherming van minderheden garanderen; overwegende dat de Unie echter niet beschikt over doeltreffende instrumenten om deze criteria te handhaven als een land eenmaal lid is geworden van de Unie;

C. overwegende dat de waarden van de Unie het afgelopen decennium in enkele lidstaten op schaamteloze wijze zijn geschonden; overwegende dat het Parlement deze zorgwekkende ontwikkelingen vanaf 2011 herhaaldelijk in zijn resoluties onder de aandacht heeft gebracht, onder meer in zijn resolutie over inleiding van de procedure van artikel 7 VEU van 2018; overwegende dat het Parlement al sinds 2016 pleit voor een omvattende en preventieve monitoring op dit gebied, gepaard gaande met een op feiten gebaseerde aanpak, via een EU-mechanisme voor democratie, de rechtsstaat en grondrechten;

D. overwegende dat de rechten van kwetsbare groepen zoals vrouwen, personen met een beperking, Roma, LGBTI’s en ouderen, in sommige lidstaten nog altijd niet volledig worden geëerbiedigd, en dat deze groepen niet ten volle beschermd worden tegen haat en discriminatie, hetgeen indruist tegen de waarden van de Unie zoals neergelegd in artikel 2 VEU en het recht op non-discriminatie, zoals neergelegd in artikel 21 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (het Handvest); overwegende dat de noodmaatregelen die genomen zijn in verband met de COVID-19-pandemie de grondrechten verder hebben ingeperkt en de democratische checks-and-balances hebben verzwakt;

E. overwegende dat ongeveer 10 % van de burgers van de Unie tot een nationale minderheid behoort; overwegende dat de eerbiediging van de rechten van minderheden een integraal onderdeel is van de waarden van de Unie als bedoeld in artikel 2 VEU; overwegende dat minderheden een bijdrage leveren aan de culturele en taalkundige diversiteit in de Unie; overwegende dat de Unie momenteel niet beschikt over een rechtskader om de rechten van minderheden te waarborgen en monitoren;

F. overwegende dat schendingen van de in artikel 2 VEU neergelegde waarden, zonder dat daarop een passende reactie volgt en zonder dat er op het niveau van de Unie consequenties aan worden verbonden, negatieve gevolgen hebben voor de cohesie van het Europese project, de rechten van alle burgers van de Unie en het wederzijds vertrouwen tussen de lidstaten;

G. overwegende dat corruptie een ernstige bedreiging vormt voor de democratie, de rechtsstaat en de eerlijke behandeling van alle burgers;

H. overwegende dat onafhankelijke journalistiek en de toegang tot pluralistische informatie belangrijke pijlers van de democratie zijn; overwegende dat de zorgwekkende toestand van de mediavrijheid en het pluralisme van de media in de Unie niet voortvarend genoeg wordt aangepakt; overwegende dat het maatschappelijk middenveld van groot belang is voor een gezonde democratie; overwegende dat de krimpende ruimte voor het maatschappelijk middenveld bijdraagt aan schendingen van de democratie, de rechtsstaat en de grondrechten; overwegende dat de instellingen van de Unie een open, transparante en regelmatige dialoog moeten voeren met representatieve organisaties en met alle lagen van het maatschappelijk middenveld;

I. overwegende dat de onafhankelijkheid, kwaliteit en efficiëntie van nationale rechtsstelsels van cruciaal belang zijn voor het waarborgen van doeltreffende rechtspraak; overwegende dat de beschikbaarheid van rechtsbijstand en de hoogte van griffierechten van grote invloed kunnen zijn op de toegang tot de rechter; overwegende dat het Handvest dezelfde rechtskracht heeft als de Verdragen; overwegende dat het Handvest onder het toeziend oog van het Hof van Justitie van de Europese Unie door de rechterlijke instanties van de lidstaten uitsluitend wordt toegepast als het gaat om de uitvoering van rechtshandelingen van de Unie, maar dat het voor het bevorderen van een gemeenschappelijke juridische, justitiële en rechtsstatelijke cultuur van belang is dat de in het Handvest verankerde rechten altijd in aanmerking worden genomen;

J. overwegende dat de Commissie werkt aan de publicatie van haar jaarverslag over de rechtsstaat 2020 en voornemens is om daarna een strategie voor de tenuitvoerlegging van het Handvest van de grondrechten en een actieplan voor Europese democratie voor te stellen;

K. overwegende dat een verordening betreffende de bescherming van de begroting van de Unie in geval van algemene rechtsstatelijke tekortkomingen in de lidstaten, eenmaal vastgesteld, een onmisbaar instrument zou zijn voor het waarborgen van de rechtsstatelijkheid binnen de Unie;

L. overwegende dat het belangrijk is dat belanghebbenden die actief zijn op het gebied van de bescherming en bevordering van democratie, de rechtsstaat en de grondrechten, zoals maatschappelijke organisaties, organen van de Raad van Europa en de Verenigde Naties, de Organisatie voor Veiligheid en Samenwerking in Europa, het Bureau van de Europese Unie voor de grondrechten, nationale mensenrechteninstanties, relevante autoriteiten en professionele organisaties die zich bezighouden met de ondersteuning van de rechterlijke macht bij de onafhankelijke rechtsbedeling nauw bij het monitoringmechanisme betrokken worden; overwegende dat derhalve toereikende financiering van de Unie nodig is voor het maatschappelijk middenveld, met name via het programma Justitie en het programma Burgers, gelijkheid, rechten en waarden;

M. overwegende dat de bestaande mechanismen moeten worden versterkt en gestroomlijnd en dat er een doeltreffend mechanisme moet worden ontwikkeld om te garanderen dat de in de Verdragen neergelegde beginselen en waarden in de hele Unie worden verdedigd;

N. overwegende dat het Parlement, de Commissie en de Raad (de drie instellingen) gezamenlijk de politieke verantwoordelijkheid hebben om de waarden van de Unie te verdedigen, binnen de hun door de Verdragen verleende bevoegdheden; overwegende dat een interinstitutioneel akkoord overeenkomstig artikel 295 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU) de mogelijkheid zou bieden om bepalingen vast te leggen die nodig zijn om de samenwerking tussen de drie instellingen in dit kader te vergemakkelijken; overwegende dat elk van de drie instellingen overeenkomstig artikel 295 VWEU een dergelijk akkoord kan voorstellen;

1. benadrukt dat de Unie dringend een robuuste, omvattende en positieve agenda voor een doeltreffende bescherming en versterking van de democratie, rechtsstaat en grondrechten voor alle EU-burgers moet ontwikkelen; vindt het uiterst belangrijk dat de Unie een voortrekkersrol blijft spelen als het gaat om vrijheid en rechtvaardigheid in Europa en de rest van de wereld;

2. wijst erop dat er in de Unie wat betreft de waarden waarop de Unie berust, sprake is van een ongekende en steeds erger wordende crisis, die het voortbestaan van de Unie als democratisch vredesproject in gevaar brengt; is zeer bezorgd over de toename en het op steeds grotere schaal wortel schieten van het autocratische en illiberale gedachtengoed, een probleem dat verergerd wordt door de COVID-19-pandemie en de economische recessie, en over de toename van corruptie, desinformatie en “state capture” (frauduleuze controle over overheidsinstellingen) in enkele lidstaten; wijst op de gevaren van deze tendensen voor de cohesie binnen de rechtsorde van de Unie, de bescherming van de grondrechten van al haar burgers, de werking van de interne markt, de doeltreffendheid van het gemeenschappelijk beleid en de geloofwaardigheid van de Unie op het internationale politieke toneel;

3. herinnert eraan dat de Unie nog steeds structureel slecht is toegerust om iets te doen tegen de inbreuken op de democratie, de grondrechten en de rechtsstaat en de terugval in de lidstaten; betreurt dat de Raad er niet in slaagt om in het kader van lopende procedures uit hoofde van artikel 7 VEU daadwerkelijk vooruitgang te boeken op het gebied van de handhaving van de waarden van de Unie; merkt op dat het feit dat de Raad er niet in slaagt op doeltreffende wijze toepassing te geven aan artikel 7 VEU er in de praktijk toe leidt dat lidstaten permanent kunnen afwijken van de in artikel 2 VEU vastgestelde waarden; wijst met bezorgdheid op het onsamenhangende karakter van de instrumenten waarover de Unie op dit gebied beschikt en dringt aan op stroomlijning en behoorlijke handhaving ervan;

4. is ingenomen met de werkzaamheden van de Commissie in verband met het jaarverslag over de rechtsstaat; is ingenomen met het feit dat deze jaarlijkse evaluatie ook betrekking heeft op corruptie en mediavrijheid; merkt echter op dat het verslag geen betrekking heeft op de situatie op het gebied van democratie en de grondrechten; betreurt met name dat er in het kader van deze jaarlijkse evaluatie niet gekeken zal worden naar de vrijheid van vereniging en de krimpende ruimte van het maatschappelijk middenveld; wijst er met bezorgdheid op dat de rechten van kwetsbare groepen, waaronder vrouwen, personen met een beperking, Roma, LGBTI’s en ouderen, in sommige lidstaten nog steeds niet volledig worden geëerbiedigd en dat deze groepen niet volledig beschermd worden tegen haat en discriminatie, hetgeen indruist tegen de waarden van de Unie, zoals neergelegd in artikel 2 VEU; herinnert eraan dat het Parlement herhaaldelijk heeft verzocht om een monitoringmechanisme dat het volledige toepassingsgebied van artikel 2 VEU bestrijkt; wijst nogmaals op de noodzaak van een objectief en empirisch onderbouwd monitoringmechanisme, vastgelegd in een rechtshandeling die de drie instellingen ertoe verbindt uitvoering te geven aan een transparant en aan regels gebonden proces met duidelijke taakomschrijvingen, zodat de bescherming en bevordering van alle waarden van de Unie een vast en zichtbaar onderdeel wordt van de agenda van de Unie;

5. pleit voor de instelling van een EU-mechanisme voor democratie, de rechtsstaat en grondrechten (het “mechanisme”) dat voortbouwt op het voorstel van het Parlement van 2016 en het jaarverslag over de rechtsstaat van de Commissie, geschraagd door een interinstitutioneel akkoord tussen de drie instellingen, dat een jaarlijkse- monitoringcyclus inzake de waarden van de Unie omvat, waarbij alle aspecten van artikel 2 VEU aan de orde komen en waarbij alle lidstaten op gelijke wijze en objectief en eerlijk worden beoordeeld en de beginselen van subsidiariteit en evenredigheid worden geëerbiedigd;

6. benadrukt dat er in het kader van deze jaarlijkse-monitoringcyclus landenspecifieke duidelijke aanbevelingen moeten worden gedaan, waarbij termijnen en doelstellingen moeten worden vastgesteld voor de uitvoering van die aanbevelingen, en dat er ook gezorgd moet worden voor follow-up in de vorm van jaarverslagen of dringende verslagen; benadrukt dat de Unie concrete maatregelen moet kunnen nemen in gevallen waarin geen uitvoering wordt gegeven aan de aanbevelingen, onder meer in de vorm van het inleiden van een procedure uit hoofde van artikel 7 VEU of een inbreukprocedure en het stellen van begrotingsvoorwaarden; wijst erop dat er niet alleen aanbevelingen gedaan moeten worden die ten doel hebben een einde te maken aan schendingen, maar ook aanbevelingen ter bevordering van beleidsmaatregelen die burgers in staat stellen om zich op de rechten en waarden van de Unie te beroepen;

7. wijst erop dat het mechanisme de bestaande instrumenten, met name het jaarverslag over de rechtsstaat, het kader voor de rechtsstaat van de Commissie, de jaarverslagen van de Commissie over de toepassing van het Handvest, de dialoog over de rechtsstaat van de Raad en het mechanisme voor samenwerking en toetsing moet consolideren en daar voorrang op moet hebben, zodat overlapping wordt voorkomen, en tegelijkertijd de complementariteit en samenhang met andere bestaande instrumenten, zoals de procedure wegens schending van de Verdragen als bedoeld in artikel 7 VEU, inbreukprocedures, en het stellen van begrotingsvoorwaarden, moet verbeteren; is van oordeel dat de drie instellingen de bevindingen van de jaarlijkse-monitoringcyclus zouden moeten meewegen in hun beoordeling in het kader van de inwerkingstelling van artikel 7 VEU en Verordening (EU) 2020/xxxx van het Europees Parlement en de Raad inzake de bescherming van de begroting van de Unie in geval van algemene tekortkomingen op het gebied van de rechtsstaat in de lidstaten[12]; wijst erop dat de rollen en prerogatieven van de drie instellingen moeten worden geëerbiedigd;

8. benadrukt dat de onafhankelijkheid van de rechterlijke macht integraal deel uitmaakt van de rechterlijke besluitvorming, en een vereiste vormt op basis van het in artikel 19 VEU verankerde beginsel van daadwerkelijke rechtsbescherming; stelt vast dat de recente aanvallen op de rechtsstaat met name bestaan uit pogingen om de onafhankelijkheid van de rechterlijke macht in gevaar te brengen en uit daarover zijn bezorgdheid en wijst er voorts op dat elke nationale rechtbank ook een Europese rechtbank is; verzoekt de Commissie om alle tot haar beschikking staande instrumenten in te zetten om pogingen van regeringen van lidstaten tot ondermijning van de onafhankelijkheid van nationale rechters te verijdelen, en het Parlement tijdig op de hoogte te stellen indien zich een dergelijke situatie voordoet;

9. herinnert eraan dat de toetreding van de Unie tot het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden op grond van artikel 6, lid 2, VEU een wettelijke verplichting is; wijst nogmaals op de noodzaak om het toetredingsproces snel te voltooien, om in heel Europa een samenhangend kader voor de bescherming van de mensenrechten te waarborgen en om de bescherming van de fundamentele rechten en vrijheden in de Unie verder te verbeteren; verzoekt de Commissie derhalve om de inspanningen voor volledige tenuitvoerlegging van de Verdragen op te voeren en het toetredingsproces onverwijld af te ronden;

10. herinnert aan de essentiële rol die maatschappelijke organisaties, nationale mensenrechteninstellingen, organen voor de bevordering van gelijke behandeling en andere relevante actoren in alle fasen van de jaarlijkse-monitoringcyclus spelen, van het leveren van input tot het bijdragen aan de uitvoering en monitoring; wijst erop dat het noodzakelijk is dat mensenrechtenverdedigers en personen of instanties die mensenrechtenschendingen signaleren op nationaal niveau en op het niveau van de Unie bescherming geboden wordt, onder meer, waar nodig, tegen misbruik van gerechtelijke procedures, en dat zij op alle niveaus voldoende financiering toegewezen krijgen; pleit in dit verband voor oprichting, na een uitvoerige effectbeoordeling, van een statuut voor Europese grensoverschrijdende verenigingen en non-profitorganisaties; wijst op de bijdrage die klokkenluiders leveren als het gaat om het waarborgen van de rechtsstaat en de bestrijding van corruptie; verzoekt de Commissie om de omzetting en toepassing van Richtlijn (EU) 2019/1937 van het Europees Parlement en de Raad van 23 oktober 2019 betreffende de bescherming van personen die inbreuken op het Unierecht melden nauwlettend te volgen[13]; wijst erop dat de accreditatiestatus van nationale mensenrechteninstellingen en de ruimte die maatschappelijke organisaties krijgen zelf ook indicatoren kunnen zijn voor beoordelingsdoeleinden; moedigt nationale parlementen ertoe aan openbare debatten te houden en een standpunt in te nemen over de resultaten van de jaarlijkse-monitoringcyclus; benadrukt dat scholing van beoefenaren van juridische beroepen van belang is voor een goede tenuitvoerlegging en toepassing van het recht van de Unie en daarmee ook voor de versterking van een gemeenschappelijke rechtscultuur in de hele Unie; is van oordeel dat in de strategie voor de Europese justitiële opleiding voor de komende periode meer aandacht moet worden besteed aan de bevordering van de rechtsstaat en de onafhankelijkheid van de rechterlijke macht, en dat deze strategie ook betrekking moet hebben op scholing op het gebied van vaardigheden en niet-juridische onderwerpen, zodat rechters beter in staat zijn om ongepaste druk te weerstaan; spoort de Commissie en de lidstaten aan om de dialoog tussen rechtbanken en beoefenaren van juridische beroepen verder te bevorderen en te vergemakkelijken door regelmatige uitwisseling van informatie en beste praktijken te stimuleren, om bij te dragen aan de verdere ontwikkeling van een Europese rechtsruimte op basis van democratie, de rechtsstaat en grondrechten; wijst erop dat binnen het komende MFK moet worden voorzien in passende financiering voor het sectorale programma “Justitie” en het programma “Rechten en waarden”, aangezien die programma’s ten doel hebben de waarden van de Unie te beschermen en bevorderen, een Europese rechtsruimte te ontwikkelen die gebaseerd is op de beginselen van de rechtsstaat, en het maatschappelijk middenveld te ondersteunen;

11. wijst erop dat het EU-scorebord voor justitie, waarmee de rechtsstelsels in de verschillende lidstaten kunnen worden vergeleken, en het mechanisme een aanvulling op elkaar moeten vormen; stelt vast dat uit het EU-scorebord voor justitie 2020 blijkt dat er nog steeds aanzienlijke verschillen bestaan tussen de lidstaten wat het aantal aanhangige rechtszaken betreft en dat de achterstand in een aantal lidstaten nog is opgelopen, dat niet in alle lidstaten opleidingen worden aangeboden op het gebied van ICT-vaardigheden met het oog op aanpassing aan digitalisering en vergemakkelijking van de toegang tot de rechter, dat de beschikbaarheid van rechtsbijstand in sommige lidstaten de afgelopen jaren is afgenomen en dat gendergelijkheid in de rechtsstelsels van de meeste lidstaten niet gegarandeerd is;

12. bekrachtigt de rol van het Parlement, zoals vastgelegd in artikel 7 VEU, om toe te zien op de naleving van de waarden van de Unie; herhaalt zijn oproep om het Parlement in staat te stellen zijn met redenen omkleed voorstel in te dienen bij de Raad en aanwezig te zijn bij hoorzittingen in het kader van de toepassing van artikel 7 in gevallen waarin het Parlement de procedure heeft geïnitieerd, met inachtneming van de prerogatieven van elk van de drie instellingen en het beginsel van loyale samenwerking; verzoekt de Raad het Parlement regelmatig op de hoogte te houden, hier nauw bij te blijven betrekken en op transparante wijze te werk te gaan; is ervan overtuigd dat het mechanisme, geschraagd door een interinstitutioneel akkoord, het noodzakelijke kader zal bieden voor een betere coördinatie;

13. is van oordeel dat er op langere termijn een Verdragswijziging nodig zal zijn ter versterking van het vermogen van de Unie om haar constitutionele kern te bevorderen en te verdedigen; kijkt uit naar de denkoefening en de conclusies in het kader van de conferentie over de toekomst van Europa in dit verband; beklemtoont dat de effectiviteit van de procedure uit hoofde van artikel 7 VEU moet worden verbeterd door de vereiste meerderheid om op te treden te herzien en het sanctiemechanisme te versterken; verzoekt om in het kader van de conferentie over de toekomst van Europa te overwegen de rol van het Hof van Justitie van de Europese Unie bij de bescherming van de fundamentele waarden van de Unie te versterken; dringt aan op een herziening van Verordening (EG) nr. 168/2007 van de Raad van 15 februari 2007 tot oprichting van een Bureau van de Europese Unie voor de grondrechten[14], op basis van een grondige effectbeoordeling, teneinde het mandaat ervan te versterken en uit te breiden tot alle in artikel 2 VEU genoemde waarden;

14. is er vast van overtuigd dat het aanpakken van de crisis op het gebied van de waarden van de Unie, onder meer door middel van het voorgestelde mechanisme, een noodzakelijke voorwaarde is om het wederzijdse vertrouwen tussen de lidstaten te herstellen en de Unie in haar geheel in staat te stellen om haar gemeenschappelijk beleid op de diverse beleidsgebieden voort te zetten en te bevorderen;

15. betreurt dat de Europese Raad, in zijn conclusies van 21 juli 2020, het door de Commissie voorgestelde mechanisme in verband met begrotingsvoorwaarden heeft verzwakt; herhaalt zijn oproep om ervoor te zorgen dat systemische schendingen van de waarden als bedoeld in artikel 2 VEU onverenigbaar zijn met Uniefinanciering; beklemtoont dat de omgekeerde gekwalificeerde meerderheid moet worden toegepast voor de bescherming van de begroting van de Unie, omdat anders de doeltreffendheid van het nieuwe mechanisme in verband met begrotingsvoorwaarden in het gedrang kan komen; eist dat de toepassing van begrotingsvoorwaarden gepaard gaat met maatregelen ter beperking van mogelijke gevolgen voor individuele begunstigden van Uniefinanciering, met inbegrip van organisaties van het maatschappelijk middenveld; onderstreept dat het mechanisme in verband met begrotingsvoorwaarden niet kan worden vervangen door de voorgestelde jaarlijkse-monitoringcyclus alleen; dringt er bij de Europese Raad op aan gevolg te geven aan de belofte die in de Verklaring van Sibiu van 9 mei 2019 is gedaan om de democratie en de rechtsstaat te beschermen;

16. verzoekt de Commissie en de Raad om onverwijld in onderhandeling te treden met het Parlement over een interinstitutioneel akkoord overeenkomstig artikel 295 VWEU; is van oordeel dat het voorstel in de bijlage hierbij een passend uitgangspunt vormt voor dergelijke onderhandelingen;

17. verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie en het bijgaande voorstel te doen toekomen aan de Commissie en de Raad.

 


 

BIJLAGE BIJ DE ONTWERPRESOLUTIE:

Voorstel voor een interinstitutioneel akkoord inzake versterking van de waarden van de Unie

HET EUROPEES PARLEMENT, DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE EN DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 295,

Overwegende hetgeen volgt:

(1) Volgens artikel 2 van het Verdrag betreffende de Europese Unie (VEU) zijn de waarden waarop de Unie berust, eerbied voor de menselijke waardigheid, vrijheid, democratie, gelijkheid, de rechtsstaat en eerbiediging van de mensenrechten, waaronder de rechten van personen die tot minderheden behoren (“de waarden van de Unie”).

(2) Op grond van artikel 49 VEU moet een staat de waarden van de Unie eerbiedigen en zich ertoe verbinden deze waarden uit te dragen om lid te kunnen worden van de Unie. Overeenkomstig artikel 7 VEU kan een ernstige en voortdurende schending van de waarden van de Unie door een lidstaat leiden tot schorsing van de stemrechten van de vertegenwoordiger van de regering van die lidstaat in de Raad. De eerbiediging van de waarden van de Unie vormt de basis voor een hoog niveau van wederzijds vertrouwen tussen de lidstaten.

(3) Het Europees Parlement, de Raad en de Commissie (“de drie instellingen”) erkennen het belang van eerbiediging van de waarden van de Unie. Eerbiediging van de waarden van de Unie is noodzakelijk voor de goede werking van de Unie en de verwezenlijking van de doelstellingen van de Unie, als neergelegd in artikel 3 VEU. De drie instellingen verbinden zich ertoe loyaal samen te werken met het oog op het bevorderen en doen eerbiedigen van de waarden van de Unie.

(4) De drie instellingen erkennen dat de bestaande instrumenten ter bevordering van de naleving van de waarden van de Unie gestroomlijnd moeten worden en dat de doeltreffendheid ervan verbeterd moet worden. Om die reden moet er een omvattend en op feiten gebaseerd interinstitutioneel mechanisme waarin rekening wordt gehouden met de beginselen van subsidiariteit en evenredigheid worden ingesteld, teneinde de coördinatie tussen de drie instellingen te verbeteren en eerder genomen initiatieven te consolideren. Volgens de conclusies van de Raad Justitie en Binnenlandse Zaken van 6 en 7 juni 2013 moet een dergelijk mechanisme “op transparante wijze gelden, op basis van op objectieve wijze vergaarde, vergeleken en geanalyseerde gegevens en op basis van gelijke behandeling zoals tussen alle lidstaten”.

(5) De drie instellingen zijn het erover eens dat een jaarlijkse-monitoringcyclus noodzakelijk is om de bevordering en eerbiediging van de waarden van de Unie te versterken. De jaarlijkse-monitoringcyclus moet omvattend, objectief en onpartijdig zijn, gebaseerd zijn op feiten, en gelijkelijk en eerlijk worden toegepast op alle lidstaten. De belangrijkste doelstelling van de jaarlijkse-monitoringcyclus moet de voorkoming van schendingen en niet-naleving van de waarden van de Unie zijn, alsook het benadrukken van positieve ontwikkelingen en de uitwisseling van beste praktijken, en daarnaast moet de jaarlijkse-monitoringcyclus een gedeelde basis bieden voor andere maatregelen van de drie instellingen. De drie instellingen komen voorts overeen dit interinstitutioneel akkoord te gebruiken om bestaande instrumenten en initiatieven op het gebied van de bevordering en eerbiediging van de waarden van de Unie te integreren, met name het jaarverslag over de rechtsstaat, de dialoog over de rechtsstaat van de Raad en het kader voor de rechtsstaat van de Commissie, om overlappingen te voorkomen en de algehele doeltreffendheid te verbeteren.

(6) De jaarlijkse-monitoringcyclus dient te bestaan uit een voorbereidende fase, de publicatie van een jaarlijks monitoringverslag inzake naleving van de waarden van de Unie met landspecifieke aanbevelingen, en een follow-upfase, waarin onder meer de aanbevelingen worden uitgevoerd. De jaarlijkse-monitoringcyclus dient te worden uitgevoerd in een geest van transparantie en openheid, met inspraak van de burgers en het maatschappelijk middenveld, en moet worden beschermd tegen desinformatie.

(7) De drie instellingen zijn het erover eens dat de jaarlijkse-monitoringcyclus in de plaats moet komen van Beschikking 2006/928/EG[15] en Beschikking 2006/929/EG[16] van de Commissie, en onder meer de doelstellingen van die beschikkingen moet vervullen. Dit interinstitutioneel akkoord laat de Toetredingsakte van 2005, en met name de artikelen 37 en 38, onverlet.

(8) De jaarlijkse-monitoringcyclus moet bovendien complementair zijn aan en coherent zijn met andere instrumenten op het gebied van de bevordering en versterking van de waarden van de Unie. De drie instellingen verbinden zich er met name toe de bevindingen van de jaarlijkse monitoringverslagen te gebruiken bij hun beoordeling van de vraag of er een duidelijk gevaar bestaat voor een ernstige schending van de waarden van de Unie dan wel of er sprake is van een ernstige en voortdurende schending door een lidstaat van de waarden van de Unie in het kader van artikel 7 VEU. Ook heeft de Commissie zich ertoe verbonden de bevindingen van het jaarlijks monitoringverslag te gebruiken als onderdeel van haar beoordeling van de vraag of er een inbreukprocedure moet worden ingeleid en of er sprake is van algemene tekortkomingen op het gebied van de rechtsstaat in de lidstaten, overeenkomstig artikel 5 van Verordening (EU) 2020/xxxx van het Europees Parlement en de Raad[17]. De drie instellingen zijn het erover eens dat zij zich bij hun maatregelen op het gebied van de waarden van de Unie moeten laten leiden door de jaarlijkse monitoringverslagen.

(9) Overeenkomstig artikel 295 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU) bevat dit interinstitutioneel akkoord slechts bepalingen met betrekking tot de vergemakkelijking van de samenwerking tussen het Europees Parlement, de Raad en de Commissie, en overeenkomstig artikel 13, lid 2, VEU dient iedere instelling te handelen binnen de grenzen van de bevoegdheden die haar in de Verdragen zijn toegedeeld en volgens de daarin bepaalde procedures, voorwaarden en doelstellingen. Dit interinstitutioneel akkoord doet geen afbreuk aan de prerogatieven van het Hof van Justitie van de Europese Unie als het gaat om de authentieke interpretatie van het recht van de Unie,

ZIJN HET VOLGENDE OVEREENGEKOMEN

I. DOELSTELLINGEN

1. De drie instellingen komen overeen de eerbiediging van de waarden van de Unie als bedoeld in artikel 2 VEU te bevorderen en te versterken aan de hand van coördinatie en samenwerking.

II. JAARLIJKSE-MONITORINGCYCLUS

2. De drie instellingen komen overeen een jaarlijkse-monitoringcyclus inzake de waarden van de Unie op te zetten, die betrekking heeft op onderwerpen en beste praktijken in verband met alle waarden van de Unie, en in dit kader loyaal samen te werken. De jaarlijkse-monitoringcyclus bestaat uit een voorbereidende fase, de publicatie van een jaarlijks monitoringverslag inzake de waarden van de Unie (“jaarlijks verslag”) met aanbevelingen, en een follow-upfase.

3. De drie instellingen komen overeen een permanente interinstitutionele werkgroep inzake de waarden van de Unie (“werkgroep”) in te stellen. De werkgroep is belast met het vergemakkelijken van de coördinatie en samenwerking tussen de drie instellingen in het kader van de jaarlijkse-monitoringcyclus. De werkgroep stelt het publiek regelmatig op de hoogte van haar werkzaamheden.

4. De werkgroep en de drie instellingen worden geadviseerd door een panel van onafhankelijke deskundigen. In samenwerking met het Bureau van de Europese Unie voor de grondrechten maakt het panel van onafhankelijke deskundigen op onpartijdige wijze een overzicht van de belangrijkste positieve en negatieve ontwikkelingen in elke lidstaat en draagt het bij aan de ontwikkeling van een methodologie voor het jaarlijks verslag. De drie instellingen kunnen het panel raadplegen in elke fase van de jaarlijkse-monitoringcyclus.

Voorbereidende fase

5. De Commissie organiseert jaarlijks een gerichte raadpleging van belanghebbenden om informatie te verzamelen voor het jaarlijks verslag. De raadpleging van belanghebbenden vindt plaats in het eerste kwartaal van elk jaar. De raadpleging is transparant en gebaseerd op een duidelijke en nauwkeurige methodologie die door de werkgroep is vastgesteld. De methodologie bevat in elk geval, in passende vorm, ijkpunten zoals die welke zijn opgenomen in de bijlagen bij de beschikkingen 2006/928/EG en 2006/929/EG van de Commissie.

6. De raadpleging van belanghebbenden biedt maatschappelijke organisaties, nationale mensenrechteninstellingen en organen voor de bevordering van gelijke behandeling, beroepsverenigingen en professionele netwerken, organen van de Raad van Europa en andere internationale organisaties, instellingen, organen of instanties van de Unie en de lidstaten, waaronder relevante nationale autoriteiten, de gelegenheid om inbreng te leveren ten behoeve van het jaarlijks verslag. De Commissie verwerkt de informatie die zij van belanghebbenden ontvangt in het jaarlijks verslag. Bijdragen in het kader van de raadpleging worden door de Commissie op haar website gepubliceerd voorafgaand aan de publicatie van het jaarlijks verslag.

7. De Commissie maakt bij de opstelling van het jaarlijks verslag op basis van de door de werkgroep overeengekomen methodologie gebruik van alle informatie waarover zij beschikt. Van bijzonder belang in dit verband zijn rapporten en gegevens afkomstig van het Bureau van de Europese Unie voor de grondrechten en andere organen of instanties van de Unie, de Raad van Europa, waaronder de Commissie van Venetië en de Groep van staten tegen corruptie, en andere internationale organisaties die relevante studies en beoordelingen publiceren. Indien het door de Commissie opgestelde jaarlijks verslag afwijkt van de bevindingen van het panel van onafhankelijke deskundigen, kunnen het Europees Parlement en de Raad de Commissie verzoeken de redenen daarvoor toe te lichten in de werkgroep.

8. Na overleg binnen de werkgroep hebben daartoe aangewezen vertegenwoordigers van de drie instellingen de mogelijkheid om onderzoeksmissies uit te voeren naar lidstaten om meer informatie te vergaren en meer duidelijkheid te verkrijgen over de situatie wat betreft de waarden van de Unie in de betrokken lidstaten. De Commissie verwerkt de bevindingen in het jaarlijks verslag.

9. De Commissie informeert de werkgroep op gezette tijden over de tijdens de voorbereidende fase geboekte vooruitgang.

Jaarlijks verslag en aanbevelingen

10. De Commissie stelt het jaarlijks verslag op op basis van informatie die zij tijdens de voorbereidende fase heeft verkregen. Het jaarlijks verslag heeft betrekking op zowel de positieve als de negatieve ontwikkelingen op het gebied van de waarden van de Unie in de lidstaten. Het jaarlijks verslag is onpartijdig, gebaseerd op bewijzen die op objectieve wijze verzameld zijn, en eerbiedigt het beginsel van gelijke behandeling van lidstaten. De ernst van de situatie in de lidstaten komt tot uitdrukking in de uitvoerigheid van het verslag. Het jaarlijks verslag bevat een onderdeel over inbreukprocedures in verband met de waarden van de Unie.

11. Het jaarlijks verslag bevat landspecifieke aanbevelingen voor elke lidstaat ter versterking van de bescherming en bevordering van de waarden van de Unie. In de aanbevelingen worden concrete streefdoelen en termijnen voor de uitvoering gespecificeerd en wordt terdege rekening gehouden met eventuele bezwaren die zijn geuit in op grond van artikel 7, lid 1, VEU vastgestelde met redenen omklede voorstellen. In de aanbevelingen wordt rekening gehouden met de diversiteit van de politieke en juridische stelsels van de lidstaten. De uitvoering van de aanbevelingen wordt beoordeeld in daaropvolgende jaarlijkse verslagen of, indien passend, dringende verslagen.

12. Het jaarlijks verslag met aanbevelingen wordt elk jaar in september gepubliceerd. De drie instellingen in de werkgroep bepalen in onderling overleg de datum van publicatie. Voordat het wordt gepubliceerd, legt de Commissie het ontwerp van het jaarlijks verslag voor aan de werkgroep.

Follow-up

13. Uiterlijk twee maanden na de datum van publicatie bespreken het Europees Parlement en de Raad de inhoud van het jaarlijks verslag. Deze besprekingen worden openbaar gemaakt. Het Parlement en de Raad stellen hun standpunten ten aanzien van het jaarlijks verslag vast in de vorm van resoluties en conclusies. In het kader van de follow-up beoordelen het Europees Parlement en de Raad in hoeverre de lidstaten uitvoering hebben gegeven aan eerdere aanbevelingen, met inbegrip van uitvoering van desbetreffende arresten van het Hof van Justitie van de Europese Unie. De drie instellingen maken gebruik van hun respectieve, krachtens de Verdragen toegekende bevoegdheden om bij te dragen aan een doeltreffende follow-up. De drie instellingen spannen zich in om tijdig het debat over het jaarlijks verslag in de lidstaten, met name in de nationale parlementen, aan te wakkeren.

14. Op basis van de bevindingen van het jaarlijks verslag gaat de Commissie, op eigen initiatief of op verzoek van het Europees Parlement en de Raad, met een of meerdere lidstaten, met inbegrip van relevante autoriteiten, een dialoog aan om de uitvoering van de aanbevelingen te bevorderen. De Commissie brengt regelmatig aan het Europees Parlement en de Raad verslag uit over de in het kader van deze dialoog geboekte vooruitgang. De Commissie kan de lidstaten te allen tijde, ook op verzoek van de betrokken lidstaat, technische ondersteuning bieden via diverse activiteiten. Het Europees Parlement organiseert in samenwerking met nationale parlementen een interparlementair debat over de bevindingen in het jaarlijks verslag.

15. De drie instellingen nemen de bevindingen van het jaarlijks verslag in overweging bij het vaststellen van financieringsprioriteiten. De Commissie voorziet met name in doelgerichte steun voor nationale actoren die bijdragen aan de bescherming en bevordering van de waarden van de Unie, zoals maatschappelijke organisaties en mediaorganisaties, wanneer zij relevante jaarlijkse werkprogramma’s vaststelt voor de betaling van middelen van de Unie in gedeeld of direct beheer.

16. Onverminderd de bevoegdheden van de Commissie uit hoofde van artikel 258 VWEU en artikel 5 van Verordening (EU) 2020/xxxx, en het recht van een derde van de lidstaten, het Europees Parlement en de Commissie om bij de Raad een met redenen omkleed voorstel in te dienen overeenkomstig artikel 7, lid 1, VEU, komen de drie instellingen overeen dat zij zich bij de stappen die zij zetten in verband met de waarden van de Unie, laten leiden door de jaarlijkse verslagen.

17. Het Europees Parlement en de Raad kunnen de Commissie vragen aanvullende richtsnoeren en indicatoren te ontwikkelen om relevante horizontale kwesties aan te pakken die uit de jaarlijkse-monitoringcyclus naar voren komen.

Dringend verslag

18. Als de situatie in een of meerdere lidstaten wijst op een onmiddellijke en ernstige schending van de waarden van de Unie, kan de Commissie hetzij op eigen initiatief dan wel op verzoek van het Europees Parlement of de Raad een dringend verslag over de situatie opstellen. De Commissie stelt een dergelijk verslag op in overleg met de werkgroep. De Commissie stelt het dringend verslag onverwijld op en maakt het ten laatste twee maanden na een verzoek van het Europees Parlement of de Raad openbaar. De bevindingen van het dringend verslag worden opgenomen in het eerstvolgende jaarlijks verslag. Het dringend verslag kan aanbevelingen bevatten om de onmiddellijke bedreiging voor de waarden van de Unie weg te nemen.

III. COMPLEMENTARITEIT MET ANDERE INSTRUMENTEN

19. De drie instellingen erkennen de complementaire aard van de jaarlijkse-monitoringcyclus en andere mechanismen ter bescherming en bevordering van de waarden van de Unie, met name de procedure van artikel 7 VEU, inbreukprocedures en Verordening (EU) 2020/xxxx. De drie instellingen verbinden zich ertoe in beleidsmaatregelen van de Unie rekening te houden met de doelstellingen van dit interinstitutioneel akkoord.

20. De drie instellingen verbinden zich ertoe om, als uit het jaarlijks verslag systemische tekortkomingen blijken met betrekking tot een of meer waarden van de Unie, onverwijld passende maatregelen te nemen binnen de hun bij de Verdragen verleende bevoegdheden. De drie instellingen komen overeen dat de bevindingen van het jaarlijks verslag dienen als grondslag voor het nemen van een besluit over het in werking stellen van de procedure uit hoofde van artikel 7 VEU en voor het inleiden van inbreukprocedures in verband met de bescherming van de waarden van de Unie. De drie instellingen overwegen onder meer of beleidsmaatregelen van de Unie die berusten op een hoog niveau van wederzijds vertrouwen, in het licht van de systemische tekortkomingen zoals geconstateerd in het jaarlijks verslag gehandhaafd kunnen blijven.

21. De jaarlijkse-monitoringcyclus zoals vastgesteld bij dit akkoord vervangt het bij Beschikking 2006/928/EG van de Commissie ingevoerde mechanisme voor samenwerking en toetsing van de vooruitgang in Roemenië ten aanzien van specifieke ijkpunten op het gebied van de hervorming van het justitiële stelsel en de bestrijding van corruptie en het bij Beschikking 2006/929/EG van de Commissie ingevoerde mechanisme voor samenwerking en toetsing van de vooruitgang in Bulgarije ten aanzien van specifieke ijkpunten op het gebied van de hervorming van het justitiële stelsel en de bestrijding van corruptie en georganiseerde misdaad, en vervult onder meer de bij die beschikkingen nagestreefde doelstellingen. Om die reden verbindt de Commissie zich ertoe die beschikkingen te gelegener tijd in te trekken.

Gemeenschappelijke voorschriften inzake artikel 7 VEU

22. De drie instellingen komen overeen de bevindingen van het jaarlijks verslag te gebruiken bij hun beoordeling van de vraag of er een duidelijk gevaar bestaat voor een ernstige schending van de waarden van de Unie dan wel of er sprake is van een ernstige en voortdurende schending door een lidstaat van de waarden van de Unie in het kader van artikel 7 VEU.

23. De drie instellingen komen overeen om, met het oog op de verbetering van de transparantie en doeltreffendheid van de procedure van artikel 7 VEU, te waarborgen dat de instelling die een voorstel doet overeenkomstig artikel 7, lid 1, VEU het voorstel kan presenteren in de Raad en volledig op de hoogte wordt gebracht over en betrokken wordt bij alle stadia van de procedure. De drie instellingen komen overeen om elkaar in de werkgroep regelmatig te raadplegen over lopende en mogelijke procedures uit hoofde van artikel 7 VEU.

24. De drie instellingen komen overeen om de nadere voorwaarden op te stellen voor het vergroten van de doeltreffendheid van de procedure als vastgesteld in artikel 7 VEU. Deze nieuwe voorwaarden kunnen onder meer bestaan uit een geregulariseerd tijdschema voor hoorzittingen en zittingen over de stand van zaken, aanbevelingen om de bezwaren die in het met redenen omkleed voorstel zijn geuit weg te nemen en tijdschema’s voor de uitvoering.

Gemeenschappelijke voorschriften inzake begrotingsvoorwaarden

25. De drie instellingen komen overeen de bevindingen van het jaarlijks verslag te gebruiken bij de beoordeling van de vraag of er sprake is van algemene tekortkomingen op het gebied van de rechtsstaat in de lidstaten, overeenkomstig artikel 5 van Verordening (EU) 2020/xxxx, evenals bij andere relevante beoordelingen in verband met bestaande en toekomstige begrotingsinstrumenten. Indien op basis van het jaarlijks verslag wordt vastgesteld dat een algemene tekortkoming op het gebied van de rechtsstaat in een lidstaat de beginselen van goed financieel beheer of de bescherming van de financiële belangen van de Unie aantast of dreigt aan te tasten, zendt de Commissie aan de betrokken lidstaat een schriftelijke kennisgeving overeenkomstig artikel 5, lid 1, van Verordening (EU) 2020/xxxx.

IV. SLOTBEPALINGEN

26. De drie instellingen treffen de nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat zij over de vereiste middelen en instrumenten beschikken voor de adequate uitvoering van dit interinstitutioneel akkoord.

27. De drie instellingen monitoren gezamenlijk en permanent de uitvoering van dit interinstitutioneel akkoord, zowel op politiek niveau door middel van regelmatige besprekingen als op technisch niveau in de werkgroep.

28. Dit akkoord treedt in werking op de dag van zijn ondertekening.


 

TOELICHTING

De Unie is opgericht naar aanleiding van twee wereldoorlogen en periodes van grove schendingen van de waarden van democratie, de rechtsstaat en de grondrechten. Dit zijn dan ook precies de waarden waarop de Unie is gegrondvest, zoals vastgesteld in artikel 2 van het Verdrag betreffende de Europese Unie (VEU). Deze waarden worden door alle lidstaten gedeeld en vormen de basis voor de volledige werking van de Unie.

 

Zoals bepaald in artikel 49 VEU is eerbiediging van de waarden van de Unie een fundamentele voorwaarde voor lidmaatschap van de Unie. In het kader van het toetredingsproces beoordeelt de Unie of een kandidaat-lidstaat de waarden van de Unie onderschrijft, met inbegrip van gehechtheid aan democratie, de rechtsstaat en de grondrechten. Het lidmaatschap wordt geweigerd als deze gehechtheid onvoldoende tot uiting komt in het recht en de praktijken van het land.

 

De afgelopen tien jaar hebben we in verschillende lidstaten schaamteloze aanvallen op de rechtsstaat, de grondrechten en andere waarden van de Unie kunnen vaststellen. De ervaring leert ons helaas dat de instrumenten waarover de Unie beschikt, waaronder de procedure van artikel 7 VEU, ondoeltreffend en versnipperd zijn. Het is lovenswaardig dat de Commissie stappen heeft ondernomen om een jaarverslag over de rechtsstaat op te stellen, waarvan het eerste in 2020 wordt verwacht. In dit verslag zal echter niet worden ingegaan op een aantal cruciale onderwerpen, met name democratie en de grondrechten. Bovendien moet de jaarlijkse monitoring van de waarden van artikel 2 VEU worden verankerd in een juridisch bindende handeling van de Unie, zoals een interinstitutioneel akkoord op basis van artikel 295 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie. In het ontwerpverslag wordt erkend dat de Unie tot dusver nog steeds structureel slecht is toegerust om iets te doen tegen schendingen en het afbrokkelen van de democratie, de grondrechten en de rechtsstaat in de lidstaten. Het is ook betreurenswaardig dat de Raad er niet in is geslaagd om in het kader van lopende procedures uit hoofde van artikel 7 VEU zinvolle vooruitgang te boeken op het gebied van de handhaving van de waarden van de Unie, en dat het daardoor in feite mogelijk wordt gemaakt om te blijven afwijken van de waarden van artikel 2 VEU.

 

Als antwoord op het ontbreken van een alomvattend mechanisme waarmee de toestand van de democratie, de rechtsstaat, de grondrechten en alle andere waarden van de Unie op holistische wijze kan worden onderzocht, en waarin tegelijkertijd rekening wordt gehouden met de noodzaak om alle lidstaten op dezelfde wijze en op basis van transparante en duidelijke criteria te behandelen, stelt de rapporteur voor dat de Commissie, de Raad en het Parlement gezamenlijk een mechanisme opzetten om alle lidstaten jaarlijks te controleren op hun naleving van de waarden van de Unie door met het oog hierop een interinstitutioneel akkoord te sluiten.

 

Het voorgestelde interinstitutioneel akkoord heeft tot doel voorschriften vast te stellen om de eerbiediging van de waarden van de Unie te bevorderen en te versterken door middel van coördinatie en samenwerking tussen het Parlement, de Raad en de Commissie. Dit zal gepaard gaan met een jaarlijkse-monitoringcyclus met betrekking tot alle waarden van de Unie in alle lidstaten op basis van objectieve en transparante criteria, met een jaarlijks verslag als resultaat. De samenwerking en coördinatie verlopen via een interinstitutionele werkgroep die wordt ondersteund door een panel van onafhankelijke deskundigen. Het jaarlijks verslag zal niet alleen ingaan op negatieve ontwikkelingen, maar zal ook beste praktijken en positieve stappen in kaart brengen.

 

De rapporteur is zich bewust van het werk dat wordt verzet door onder meer maatschappelijke organisaties, nationale mensenrechteninstellingen en organen van de Raad van Europa en andere internationale en EU-organen. Daarom wordt in dit voorstel duidelijk uiteengezet hoe hun werkzaamheden zullen worden meegenomen in het jaarlijks verslag en hoe deze belanghebbende partijen zullen worden betrokken bij het proces. In het ontwerp van interinstitutioneel akkoord wordt ook rekening gehouden met de bestaande mechanismen en procedures voor de bescherming en bevordering van de waarden van de Unie, met name de procedure van artikel 7 VEU, inbreukprocedures en de ontwerpverordening inzake de bescherming van de begroting van de Unie in geval van algemene tekortkomingen. Om dubbel werk te voorkomen en ervoor te zorgen dat alle maatregelen tegen lidstaten op dezelfde basis worden genomen, stelt de rapporteur voor het jaarlijks verslag te gebruiken als basis om een besluit te nemen over het in werking stellen van de procedure van artikel 7 VEU en om te beoordelen of eventuele andere instrumenten, onder meer in de vorm van het stellen van begrotingsvoorwaarden, passend zijn.

 

Het verslag is gebaseerd op waardevolle inbreng van de schaduwrapporteurs en de adviezen van JURI en AFCO. De verwachting is dat de aanneming van de ontwerpresolutie en het bijgevoegde ontwerp van interinstitutioneel akkoord constructieve onderhandelingen met de Raad en de Commissie op gang zal brengen en uiteindelijk zal leiden tot een sterk EU-mechanisme voor democratie, de rechtsstaat en grondrechten.


 

 

ADVIES VAN DE COMMISSIE JURIDISCHE ZAKEN (14.9.2020)

<CommissionInt>aan de Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken</CommissionInt>


<Titre>met aanbevelingen aan de Commissie betreffende de instelling van een EU-mechanisme voor democratie, de rechtsstaat en grondrechten</Titre>

<DocRef>(2020/2072(INL))</DocRef>

Rapporteur voor advies (*): <Depute>Tiemo Wölken</Depute>

(Initiatief – artikel 47 van het Reglement)

 

(*) Procedure met medeverantwoordelijke commissies – Artikel 57 van het Reglement

 

SUGGESTIES

De Commissie juridische zaken verzoekt de bevoegde Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken:

 onderstaande suggesties in haar ontwerpresolutie op te nemen:

A. overwegende dat de onafhankelijkheid, kwaliteit en efficiëntie van nationale rechtsstelsels van cruciaal belang zijn voor het waarborgen van een doeltreffende bescherming in rechte van burgers en ondernemingen in burgerlijke, handels- en bestuurszaken; overwegende dat het EU-scorebord voor justitie belangrijke gegevens inzake deze parameters verstrekt en als vergelijkend informatie-instrument fungeert;

B. overwegende dat de Unie overeenkomstig artikel 6 van het Verdrag betreffende de Europese Unie de rechten, vrijheden en beginselen erkent die verankerd zijn in het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (het Handvest), dat dezelfde juridische waarde heeft als de Verdragen; overwegende dat het Handvest onder het toeziend oog van het Hof van Justitie van de Europese Unie door de rechterlijke instanties van de lidstaten uitsluitend wordt toegepast als het gaat om de uitvoering van Europese wetgeving, maar dat het voor het bevorderen van een gemeenschappelijke juridische, justitiële en rechtsstatelijke cultuur van belang is dat de in het Handvest verankerde rechten altijd in aanmerking worden genomen, ook bij civiel- en bestuursrechtelijke procedures;

1. is van oordeel dat het Uniemechanisme voor democratie, de rechtsstaat en grondrechten (DRG) in de eerste plaats ten doel moet hebben bedreigingen van de in artikel 2 VEU neergelegde waarden van de Unie te voorkomen en aan te pakken voordat er in een lidstaat daadwerkelijke risico’s van inbreuken op die waarden ontstaan die ertoe nopen toepassing te geven aan artikel 7 VEU, waarbij het subsidiariteits- en het evenredigheidsbeginsel, zoals neergelegd in de artikelen 4 en 5 VEU, moeten worden geëerbiedigd; herinnert eraan dat het niet eerbiedigen van de waarden van de EU nadelige gevolgen kan hebben voor het Europees project, in het bijzonder als het gaat om de grondrechten van de burgers van de Europese Unie, en zo het wederzijds vertrouwen tussen de lidstaten kan doen afnemen; wijst erop dat de Unie niet over een juridisch bindend mechanisme beschikt om regelmatig na te gaan of de lidstaten en de instellingen van de Unie de waarden van de Unie in acht nemen; is van mening dat een dergelijk mechanisme met name gericht moet zijn op het voorkomen en aanpakken van duidelijke gevaren voor ernstige schendingen van deze waarden; is in dit kader van oordeel dat bij een toekomstig voorstel voor een interinstitutioneel akkoord inzake een Uniepact voor DRG de nadruk moet liggen op preventieve en correctieve elementen; wijst erop dat het noodzakelijk is dat bij het opstellen van evaluatiemaatstaven en -criteria in het kader van het mechanisme voor DRG volledige objectiviteit gewaarborgd wordt;

2. acht het buitengewoon belangrijk dat de periodieke toetsing in het kader van het mechanisme voor DRG gebaseerd is op het onlosmakelijke verband tussen democratie, de rechtsstaat en grondrechten, en alle aspecten omvat als beschreven in artikel 7 van het voorstel van het Parlement voor een ontwerp interinstitutioneel akkoord betreffende een pact van de Europese Unie inzake democratie, de rechtsstaat en grondrechten; verzoekt de Commissie, als hoedster van de Verdragen, om haar jaarlijkse verslaggeving over de toepassing van het Handvest verder te onderbouwen door een monitoringprocedure in te voeren en een dialoog met de lidstaten te initiëren in het kader van het toekomstige mechanisme voor DRF, om te waarborgen dat nationale wetgevende en gerechtelijke maatregelen en praktijken met betrekking tot het burgerlijk, bestuurs-, handels- en procesrecht in overeenstemming zijn met de bepalingen van het Handvest;

3. benadrukt dat alle overheidsinstanties in de lidstaten te allen tijde moeten handelen binnen de grenzen van de wet en onder toezicht van een onafhankelijke en onpartijdige rechterlijke macht, en herinnert eraan dat het rechtszekerheidsbeginsel essentieel is om te zorgen voor vertrouwen in de rechtsstelsels en de rechtsstaat; benadrukt dat het recht op effectieve rechtsbescherming door een onafhankelijke en onpartijdige rechterlijke macht, rechtszekerheid, toegang tot de rechter, het verbod op willekeurige uitoefening van de uitvoerende macht en gelijkheid voor de wet de onontbeerlijke hoekstenen van de rechtsstaat zijn; benadrukt dat het vereiste dat rechtbanken onafhankelijk zijn van belang is voor het waarborgen van het fundamentele recht op een doeltreffende bescherming in rechte en op een eerlijk proces, en om te garanderen dat alle uit het recht van de Unie voortvloeiende materiële en procedurele rechten beschermd worden; benadrukt dat de onafhankelijkheid van de rechterlijke macht integraal deel uitmaakt van de rechterlijke besluitvorming, en een vereiste vormt op basis van het in artikel 19 VEU verankerde beginsel van daadwerkelijke rechtsbescherming; herhaalt zijn verzoek om vervanging van de bestaande instrumenten die deels monitoring van deze kwesties omvatten, zoals het mechanisme voor samenwerking en toetsing voor Bulgarije en Roemenië, door een instrument voor diepgaande en geharmoniseerde analyse dat op alle lidstaten van toepassing is;

4. stelt vast dat de recente aanvallen op de rechtsstaat met name bestaan uit pogingen om de onafhankelijkheid van de rechterlijke macht te ondergraven, waarbij in feite de juridische, politieke en economische grondslagen van de werking van de Europese Unie in twijfel worden getrokken, en uit daarover zijn bezorgdheid; wijst erop dat elke nationale rechtbank ook een Europese rechtbank is; verzoekt de Commissie om alle tot haar beschikking staande instrumenten in te zetten om pogingen van nationale overheden tot ondermijning van de onafhankelijkheid van de rechterlijke macht te verijdelen, en het Parlement tijdig op de hoogte te stellen indien zich een dergelijke situatie voordoet; wijst op de conclusie van het EU-scorebord voor justitie 2020 waaruit blijkt dat burgers inmenging door de overheid of politici als belangrijkste reden zien voor het gebrek aan onafhankelijkheid van hun respectieve rechtsstelsels; stelt in dit kader dat het beginsel van de scheiding der machten inhoudt dat personen die onderzoek doen naar en tuchtprocedures instellen tegen rechters, zonder politieke inmenging moeten worden benoemd en dat rechters die lid zijn van bestaande nationale raden voor de rechtspraak door collega-rechters moeten worden voorgedragen, geselecteerd of gekozen;

5. wijst op het belang van de Verklaring van Sibiu van mei 2019, waarin de Europese leiders zich er unaniem toe hebben verbonden onze manier van leven, de democratie en de rechtsstaat in de Europese Unie te zullen blijven beschermen; verzoekt de Commissie, de Europese Raad en de Raad in dit verband om prioriteit te verlenen aan maatregelen op dit gebied, met name in het licht van de COVID-19-crisis, die in diverse lidstaten heeft geleid tot autocratische en illiberale ontwikkelingen;

6. benadrukt dat het op het beginsel van de democratie gebaseerde stelsel van vereisten met betrekking tot de rechtsstaat oorspronkelijk tot stand is gebracht en in de Verdragen is opgenomen om de democratische en efficiënte werking van de EU-instellingen te bevorderen zodat zij in staat zijn hun taken te vervullen binnen één enkel institutioneel kader;

7. benadrukt dat de Europese Unie tot taak heeft na te gaan of de werking van haar instellingen voldoet aan de beginselen van de democratie en de rechtsstaat;

 

8. benadrukt dat scholing van beoefenaren van juridische beroepen van belang is voor een goede tenuitvoerlegging en toepassing van het recht van de Unie en daarmee ook voor de versterking van de gemeenschappelijke Europese rechtscultuur, die gekenmerkt wordt door de beginselen van wederzijds vertrouwen en rechtsstatelijkheid; is van oordeel dat er voor deze scholing voldoende financiële middelen beschikbaar moeten worden gesteld en dat in de strategie voor de Europese justitiële opleiding voor de komende periode meer aandacht moet worden besteed aan en meer middelen moeten worden uitgetrokken voor de toegang tot de rechter, de bevordering van de rechtsstaat en de onafhankelijkheid van de rechterlijke macht, en dat deze strategie ook betrekking moet hebben op scholing op het gebied van vaardigheden en niet-juridische onderwerpen, zodat rechters beter in staat zijn om ongepaste druk te weerstaan; wijst er in het bijzonder op dat binnen het komende meerjarig financieel kader moet worden voorzien in passende financiering voor de sectorale programma’s “Justitie” en “Rechten en waarden”, aangezien die programma’s erop gericht zijn de ontwikkeling te bevorderen en te verzekeren van een gemeenschappelijke Europese cultuur van rechtsstelsels, rechtsstatelijkheid en EU-waarden; verzoekt de Commissie om gemeenschappelijke normen voor justitiële opleidingen te ontwikkelen en institutionele samenwerking op het gebied van justitiële opleidingen in de Unie te bevorderen; verzoekt de Commissie voorts om haar bewustmakingsactiviteiten met betrekking tot het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie te intensiveren door op het Handvest gerichte opleidingsmodules voor nationale rechters en beoefenaren van juridische beroepen te bevorderen en financieren;

9. is ingenomen met het feit dat de Europese netwerken tot nu toe een essentiële rol hebben gespeeld in het bevorderen van uitwisselingen van ideeën en goede praktijken binnen het rechtsstelsel van de Unie; verzoekt de Commissie om verdere maatregelen ter ondersteuning van deze netwerken, zoals het Europees Netwerk voor justitiële opleiding, vast te stellen, zodat deze netwerken zich kunnen concentreren op projecten ter bevordering van de rechtsstaat, met name in lidstaten waar de rechtsstaat onder druk staat;

10. veroordeelt elke vorm van beïnvloeding, intimidatie, druk en/of fysiek of verbaal geweld jegens rechters en openbare aanklagers, in het bijzonder in hun persoonlijke levenssfeer, bij hen thuis of jegens hun gezin; is van mening dat magistraten en advocaten hun beroep moeten kunnen uitoefenen zonder dat overheidsinstanties of -functionarissen hun legitimiteit, capaciteiten of onafhankelijkheid in twijfel trekken;

11. stelt vast dat er tussen de lidstaten nog altijd grote verschillen bestaan wat betreft het niveau van participatie aan opleidingen en soorten juridische beroepen; verzoekt de Commissie om de redenen voor deze verschillen te onderzoeken en hier in het kader van de nieuwe strategie voor de Europese justitiële opleiding iets aan te doen en tevens de gevolgen van deze verschillen voor de onafhankelijkheid, kwaliteit en efficiëntie van de rechterlijke macht in de verschillende lidstaten te beoordelen;

12. wijst erop dat door justitiële opleiding de dialoog tussen nationale rechtbanken en het Hof van Justitie van de Europese Unie kan worden verbeterd, met name door middel van het indienen van verzoeken om een prejudiciële beslissing en de interactie tussen de beginselen van subsidiariteit en het primaat van het recht van de Unie, zoals verankerd in artikel 5 VEU; brengt in herinnering dat prejudiciële beslissingen verduidelijken op welke wijze het recht van de Europese Unie moet worden toegepast; is van oordeel dat een beroep op deze procedure een uniforme uitlegging en uitvoering van de Europese wetgeving mogelijk maakt; spoort de Commissie en de lidstaten aan om de dialoog tussen rechtbanken en beoefenaren van juridische beroepen verder te bevorderen en te vergemakkelijken door regelmatige uitwisseling van informatie en beste praktijken te stimuleren, om bij te dragen aan de verdere ontwikkeling van een Europese rechtsruimte op basis van democratie, de rechtsstaat en grondrechten; benadrukt de noodzaak van nauwere samenwerking tussen de organen die verantwoordelijk zijn voor het grondwettelijk toezicht; verzoekt de Commissie om maatregelen vast te stellen ter bevordering en ondersteuning van de projecten van de Conferentie van de Europese Constitutionele Hoven;

13. wijst op de conclusie van het EU-scorebord voor justitie 2020 dat er tussen de lidstaten nog altijd grote verschillen bestaan met betrekking tot het aantal aanhangige rechtszaken en dat de achterstanden in een aantal lidstaten zijn opgelopen; stelt vast dat de bescherming van de rechtsstaat afhankelijk is van de efficiëntie van rechtsstelsels en dat er wat betreft rechtsbedeling betreft geen sprake mag zijn van een Unie met twee snelheden;

14. wijst erop dat het EU-scorebord voor justitie dat een vergelijkend overzicht biedt van de rechtsstelsels in de verschillende lidstaten en het jaarlijks monitoringverslag betreffende de waarden van de Unie, waarin de concrete situatie per land diepgaand en gedetailleerd in kaart wordt gebracht, een aanvulling op elkaar moeten vormen;

15. wijst op de conclusie van het EU-scorebord voor justitie 2020 dat niet in alle lidstaten opleidingen worden aangeboden op het gebied van ICT-vaardigheden, bedoeld om juridische beroepsbeoefenaren vertrouwd te maken met digitalisering en om de toegang tot de rechter door middel van nieuwe technologieën te vergemakkelijken, of opleidingen voor rechters op het gebied van rechtbankbeheer en rechtsethiek, en dat in de meeste landen slechts een klein aantal rechters op deze gebieden geschoold wordt; verzoekt de Commissie in dit kader om in de nieuwe strategie voor de Europese justitiële opleiding aandacht te besteden aan trainingen op het gebied van ICT; verzoekt de Commissie voorts om een snellere digitalisering op alle niveaus van de rechtsstelsels van de lidstaten te bevorderen, alsmede het gebruik van kunstmatige intelligentie om de toegang tot de rechter te verbeteren, en om standaardisering en vereenvoudiging van ICT-instrumenten te steunen; verzoekt de Commissie om een evaluatie uit te voeren van de ICT-instrumenten en andere middelen die de lidstaten hun rechters en burgers bieden om procedures sneller te laten verlopen en de toegang tot de rechter te vergemakkelijken, met inbegrip van instrumenten om gerechtelijke procedures online te volgen, met speciale aandacht voor de instrumenten en middelen ten behoeve van burgers met een handicap of burgers die tot een kwetsbare groep behoren, zoals minderheden of migranten; wijst in dit kader voorts op de conclusie van het EU-scorebord voor justitie 2020 dat het nog steeds niet in alle lidstaten mogelijk is om landelijke gegevens over alle rechtsgebieden te verzamelen, en herinnert eraan dat toegang tot dergelijke gegevens waardevolle en noodzakelijke inzichten verschaft voor evaluaties;

16. verzoekt de Commissie in het bijzonder te onderzoeken of de lidstaten regelingen hebben voor juridische bijstand, of daarvoor voldoende financiële middelen beschikbaar worden gesteld, of de geboden bijstand van goede kwaliteit en betaalbaar is en of juridische procedures snel genoeg verlopen en voldoende transparant zijn, en tevens of er momenteel belemmeringen zijn waardoor burgers zonder middelen in de praktijk geen toegang hebben tot de rechter; vraagt de Commissie voorts zich te verdiepen in de mogelijkheden die er zijn om griffierechten vergoed te krijgen, omdat dergelijke kosten ook een belemmering kunnen vormen voor de toegang tot de rechter; wijst op de conclusie van het EU-scorebord voor justitie 2020 dat de beschikbaarheid van rechtsbijstand in sommige lidstaten de afgelopen jaren is afgenomen; benadrukt dat de beschikbaarheid van rechtsbijstand en de hoogte van griffierechten van grote invloed kunnen zijn op de toegang tot de rechter en een ontmoedigend effect kunnen hebben op mensen die in armoede leven;

17. merkt op dat in artikel 41 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie het recht op behoorlijk Europees bestuur erkend wordt; merkt op dat burgers ten gevolge van de uitbreiding van de bevoegdheden van de Unie steeds vaker te maken krijgen met de instellingen, organen en instanties van de Unie, maar dat daarbij hun procedurele rechten niet altijd op passende wijze worden beschermd; stelt vast dat de huidige voorschriften en beginselen inzake behoorlijk bestuur in een groot aantal verschillende bronnen te vinden zijn; benadrukt dat het in een Unie die de beginselen van de rechtsstaat eerbiedigt, van belang is te waarborgen dat de procedurele rechten en verplichtingen altijd passend gedefinieerd en ontwikkeld zijn en worden nageleefd; herinnert aan zijn resoluties van 15 januari 2013 en 9 juni 2016 over een open, doeltreffend en onafhankelijk Europees ambtenarenapparaat; is van mening dat de Unie een voorbeeldrol moet vervullen en voorschriften voor administratieve procedures moet vaststellen, en verzoekt de Commissie in dit kader nogmaals een voorstel voor een verordening inzake administratieve procedures voor de Europese Unie in te dienen;

18. verzoekt de Commissie om in kaart te brengen hoe in de lidstaten procedures voor collectieve actie worden toegepast en hoe zij de doeltreffendheid en toegankelijkheid van de rechtssystemen helpen verbeteren, met name wat betreft de efficiëntie van de procedures en de daarmee gemoeide kosten;

19. veroordeelt gevallen van misbruik van gerechtelijke procedures ten nadele van de waarden en rechten die door rechtsstelsels beschermd dienen te worden; spoort de Commissie aan om aandacht te besteden aan gevallen in sommige lidstaten waarin gerechtelijke procedures en de daaruit voortvloeiende financiële gevolgen voor de verweerder worden gebruikt voor doeleinden die indruisen tegen het beginsel van de rechtsstatelijke cultuur, zoals het bestaan van vrije en gediversifieerde media en onafhankelijke academici, onderzoekers, vakbonden, mensenrechtenverdedigers en maatschappelijke organisaties; verzoekt de Commissie voorts om overeenkomstig haar bevoegdheden uit hoofde van de Verdragen alle maatregelen te nemen die nodig zijn om een einde te maken aan dergelijke praktijken, en te waarborgen dat degenen die het mogelijk maken dat dergelijke praktijken zich voordoen ter verantwoording worden geroepen;

20. wijst erop dat klokkenluiders in het kader van de bescherming van de rechtsstaat in de Unie en de lidstaten een belangrijke rol spelen; verzoekt de Commissie om de omzetting en toepassing van Richtlijn (EU) 2019/1937 van het Europees Parlement en de Raad van 23 oktober 2019 betreffende de bescherming van personen die inbreuken op het Unierecht melden nauwlettend te volgen;

21. is van oordeel dat het nog altijd bestaande gebrek aan genderevenwicht aangepakt moet worden en dat bevordering van de diversiteit, waaronder etnische en culturele diversiteit, wat betreft de samenstelling en structuren van de rechtsstelsels van de lidstaten noodzakelijk is om de kwaliteit, onpartijdigheid, doeltreffendheid en onafhankelijkheid van die stelsels te verbeteren; wijst op de conclusie van het EU-scorebord voor justitie 2020 dat het aandeel vrouwelijke rechters in de hoogste rechterlijke instanties in de meeste lidstaten nog steeds minder dan vijftig procent bedraagt.

INFORMATIE OVER DE GOEDKEURING IN DE ADVISERENDE COMMISSIE

Datum goedkeuring

10.9.2020

 

 

 

Uitslag eindstemming

+:

–:

0:

20

3

2

Bij de eindstemming aanwezige leden

Manon Aubry, Gunnar Beck, Geoffroy Didier, Angel Dzhambazki, Ibán García Del Blanco, Jean-Paul Garraud, Esteban González Pons, Mislav Kolakušić, Gilles Lebreton, Jiří Pospíšil, Franco Roberti, Marcos Ros Sempere, Liesje Schreinemacher, Stéphane Séjourné, Raffaele Stancanelli, Marie Toussaint, Adrián Vázquez Lázara, Axel Voss, Marion Walsmann, Tiemo Wölken, Lara Wolters, Javier Zarzalejos

Bij de eindstemming aanwezige vaste plaatsvervangers

Heidi Hautala, Ilhan Kyuchyuk, Emil Radev


 

HOOFDELIJKE EINDSTEMMING IN DE ADVISERENDE COMMISSIE

20

+

PPE

Geoffroy Didier, Esteban González Pons, Jiří Pospíšil, Emil Radev, Axel Voss, Marion Walsmann, Javier Zarzalejos

S&D

Ibán García Del Blanco, Franco Roberti, Marcos Ros Sempere, Tiemo Wölken, Lara Wolters

RENEW

Ilhan Kyuchyuk, Liesje Schreinemacher, Stéphane Séjourné, Adrián Vázquez Lázara

VERTS/ALE

Heidi Hautala, Marie Toussaint

GUE/NGL

Manon Aubry

NI

Mislav Kolakušić

 

3

-

ID

Gunnar Beck, Jean-Paul Garraud, Gilles Lebreton

 

2

0

ECR

Angel Dzhambazki, Raffaele Stancanelli

 

Verklaring van de gebruikte tekens:

+ : voor

- : tegen

0 : onthouding

 

 


 

 

ADVIES VAN DE COMMISSIE CONSTITUTIONELE ZAKEN (11.9.2020)

<CommissionInt>aan de Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken</CommissionInt>


<Titre>inzake de instelling van een EU-mechanisme voor de democratie, de rechtsstaat en de grondrechten</Titre>

<DocRef>(2020/2072(INL))</DocRef>

Rapporteur voor advies: <Depute>Włodzimierz Cimoszewicz</Depute>(Initiatief – artikel 47 van het Reglement)

 

SUGGESTIES

De Commissie constitutionele zaken verzoekt de bevoegde Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken:

- onderstaande suggesties in haar ontwerpresolutie op te nemen:

1. herinnert eraan dat de EU-architectuur inzake de rechtsstaat, de democratie en de grondrechten sinds de oprichting van de Europese Gemeenschap continu in ontwikkeling is geweest en versterkt is door zowel de jurisprudentie van het Hof van Justitie als door aanpassingen van die architectuur bij de opeenvolgende verdragen, en dat de rechtsstaat, de democratie en de grondrechten bij het Verdrag van Lissabon nu gepromoveerd zijn van gemeenschappelijke beginselen tot fundamentele waarden van de Unie; is ervan overtuigd dat dit ontwikkelingsproces verder moet worden voortgezet;

2. herinnert eraan dat de Unie in haar toetredingscriteria heeft vastgelegd dat het lidmaatschap vereist dat de kandidaat-lidstaat stabiele instellingen heeft die de democratie, de rechtsstaat, de mensenrechten en het respect voor en de bescherming van minderheden garanderen;

3. wijst op de tegenspraak die bestaat tussen het feit dat kandidaat-lidstaten vóór zij toetreden tot de Unie worden doorgelicht om na te gaan of zij de EU-waarden wel naleven, aan de hand van de zgn. toetredingscriteria, maar dat de EU geen instrumenten heeft om naleving van die grondbeginselen af te dwingen wanneer zij lidstaten zijn geworden;

4. wijst erop dat het gebrek aan monitoring-, beoordelings- en toezichtmechanismen voor de wettelijke grondbeginselen van de EU geen probleem zou zijn als de lidstaten deze beginselen na toetreding tot de Europese Unie zouden eerbiedigen;

5. is van mening dat de situatie met betrekking tot de rechtsstaat, de democratie en de grondrechten in een aantal lidstaten substantieel is verslechterd, wat zeer betreurenswaardig is; betreurt dat de COVID-19-pandemie ook door sommige lidstaten is gebruikt om de burgerrechten en fundamentele vrijheden die zijn vastgelegd in het Handvest van de grondrechten verder in te perken; benadrukt dat dergelijke maatregelen continu moeten worden gemonitord om ze terug te draaien of af te schaffen wanneer zij niet langer noodzakelijk zijn omwille van de volksgezondheid;

6. benadrukt dat de rechtsstaat onlosmakelijk verbonden is met de eerbiediging van de democratie en de grondrechten, zodat deze drie beginselen in onderlinge samenhang moeten worden gemonitord;

7. onderstreept dat de Unie is gebaseerd op een reeks gemeenschappelijke beginselen, zoals democratie, de rechtsstaat en grondrechten, zoals verankerd in artikel 2 VEU; is ervan overtuigd dat er behoefte is aan een monitoringmechanisme voor alle waarden in artikel 2 VEU, zonder dat een hiërarchie van waarden wordt gecreëerd en waarbij ervoor wordt gezorgd dat alle waarden van de Unie naar behoren worden beoordeeld; wijst met name op het belang van bevordering en versterking van de rechtsstaat die een kernwaarde van de Unie is, die een gemeenschap is die op waarden is gebaseerd, en wijst op de verplichting van de lidstaten om te zorgen voor effectieve rechtszekerheid;

8. wijst er nogmaals op dat de EU nog steeds niet over doeltreffende mechanismen beschikt om stelselmatige dreigingen voor de EU-waarden in de lidstaten te monitoren, te voorkomen en te doen ophouden; wijst in dit verband op de mededeling van de Commissie over verdere versterking van de rechtsstaat binnen de Unie en de acties die daarin uiteen worden gezet; verzoekt de Commissie om het voorgestelde kader voor de rechtsstaat onverwijld toe te passen; acht reflectie noodzakelijk over de wijze waarop in de toekomst moet worden voorzien in doeltreffende, afschrikkende en evenredige sancties;

9. onderstreept het belang van het ontwerpen van een objectief, empirisch onderbouwd mechanisme dat de eerbiediging van de democratie, de rechtsstaat en de fundamentele vrijheden op een eerlijke en onpartijdige manier beoordeelt, erkent dat de instelling van een dergelijk mechanisme moet worden gekoppeld aan versterking van de democratische processen in de Unie; betreurt dat de eerdere verzoeken tot dialoog met bepaalde regeringen slechts tot beperkte oplossingen hebben geleid;

10. herinnert eraan dat de toetreding van de Europese Unie tot het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden een wettelijke verplichting is uit hoofde van artikel 6, lid 2, VEU, benadrukt opnieuw de noodzaak om dit toetredingsproces snel te voltooien, om in heel Europa een samenhangend kader voor de bescherming van de mensenrechten tot stand te brengen en om de bescherming van de grondrechten en de fundamentele vrijheden in de EU verder te versterken; verzoekt de Commissie om de inspanningen voor volledige tenuitvoerlegging van de Verdragen op te voeren en de onderhandelingen onverwijld af te ronden;

11. dringt erop aan dat de Unie-instellingen loyaal met elkaar samenwerken overeenkomstig artikel 13, lid 2, VEU en dat zij derhalve allen, zonder politieke vooringenomenheid, bijdragen tot het verdedigen van de waarden van de Unie overeenkomstig de bepalingen die zijn vastgelegd in de Verdragen; dringt erop aan dat een dergelijke samenwerking plaatsvindt in het kader van een interinstitutionele overeenkomst en dat de bestaande mechanismen worden geconsolideerd, waarbij de situatie in alle lidstaten wordt beschreven in jaarlijkse verslagen die gebaseerd zijn op de beoordeling door een panel van onafhankelijke deskundigen en er preventieve en corrigerende maatregelen worden vastgesteld;

12. is van mening dat voor een effectieve tenuitvoerlegging overeenkomstig artikel 295 VWEU de toekomstige interinstitutionele overeenkomst inzake versterking van de waarden van de Unie ook duidelijke procedures moet bevatten betreffende de coördinatie van de samenwerking tussen de instellingen op dit gebied; wijst er op dat moet worden vermeden dat er onnodige, nieuwe structuren worden gecreëerd en dat er overlappingen ontstaan en dat het integreren en opnemen van bestaande instrumenten de voorkeur verdient;

13. benadrukt dat er een monitoringssysteem moet komen om de situaties in alle lidstaten zorgvuldig te monitoren; verzoekt om instelling van een debat over de conclusies van het jaarlijks verslag in de Raad en tijdens een interparlementaire conferentie, te organiseren door het Europees Parlement in het kader van de jaarlijkse monitoringscyclus;

14. dringt erop aan dat de jaarlijkse-monitoringscyclus (Annual Monitoring Cycle) in alle fasen gebaseerd moet zijn op de beginselen transparantie, onpartijdigheid, en gelijkheid tussen de lidstaten, alsook op objectief bewijs, moet worden beschermd tegen kwaadwillige desinformatiestrategieën en moet leiden tot effectieve en realistische maatregelen, zoals inbreukprocedures of sancties, waar gepast;

15 benadrukt dat de Raad van Europa een essentiële rol speelt bij het monitoren van de eerbiediging van de democratie, de grondrechten en de rechtsstaat in Europa; dringt daarom aan op regelmatige raadpleging van de Raad van Europa en vooral van de Commissie van Venetië, en is van mening dat hun beoordelingen moeten worden meegenomen in de evaluaties en aanbevelingen van het nieuwe gezamenlijke monitoringmechanisme;

16. herinnert eraan dat de rechtsstaat in het rechtskader van de EU weliswaar uitdrukkelijk genoemd wordt als een waarde die de EU en de lidstaten gemeen hebben (artikel 2 VEU), maar dat de EU-verdragen geen definitie van dit begrip geven; wijst erop dat de rechtsstaat een complex en in veel opzichten vaag begrip is en dat invoering van een jaarlijkse-monitoringcyclus derhalve vereist dat er tussen alle lidstaten consensus bestaat over de beginselen van de rechtsstaat; is van mening dat de rechtsstaat in de meest strikte zin een systeem is waarbij wetten worden toegepast en gehandhaafd, en dat de Commissie een brede definitie zou moeten hanteren, uitgaande van de beginselen voorzien in de rechtspraak van het Europees Hof van Justitie en het Europees Hof voor de Rechten van de Mens, alsook van de begrippen en beginselen zoals geformuleerd in de checklist voor de rechtsstaat van de Commissie van Venetië;

17. is van mening dat de instellingen, zowel tijdens het sluiten van een Interinstitutionele Overeenkomst als bij de uitvoering van de jaarlijkse-monitoringcyclus, overeenkomstig artikel 11 VEU, een open dialoog moeten onderhouden met vertegenwoordigers van maatschappelijke organisaties en belanghebbenden en dat hun standpunten en bijdragen tijdens dat proces openbaar moeten worden gemaakt en opgenomen moeten worden in de jaarverslagen; de jaarlijkse-monitoringcyclus moet daarom zorgen voor een regelmatige en openbare raadpleging van maatschappelijke organisaties tijdens alle fasen van de jaarlijkse-monitoringcyclus; stelt voor dat overige EU-instellingen, -organen en -agentschappen, internationale organisaties, justitiële netwerken en verenigingen, de academische wereld en denktanks, alsmede nationale parlementen van de lidstaten, in voorkomend geval moeten bijdragen met hun input;

18. wijst erop dat er in het geval van Roemenië en Bulgarije als overgangsmaatregel een mechanisme voor samenwerking en toetsing werd opgezet toen zij op 1 januari 2007 tot de Europese Unie toetraden om deze twee landen te helpen tekortkomingen bij de hervorming van het justitiële stelsel en de bestrijding van corruptie en georganiseerde misdaad te corrigeren, en dat dit mechanisme 13 jaar na toetreding nog steeds in beide landen wordt toegepast; is van mening dat de jaarlijkse-monitoringcyclus, die op alle lidstaten van de Europese Unie op gelijke wijze zou worden toegepast, het mechanisme voor samenwerking en toetsing moet vervangen; is van mening dat de ijkpunten die de Europese Commissie heeft vastgesteld voor de beoordeling van de vooruitgang binnen dat mechanisme gebruikt kunnen worden in het kader van de jaarlijkse-monitoringcyclus;

19. erkent dat lidstaten in de jaarlijkse-monitoringscyclus de gelegenheid moeten krijgen hun standpunt volledig kenbaar te maken, onder eerbiediging van de gelijkheid van alle lidstaten, zonder evenwel de efficiëntie van de procedure te belemmeren, onderstreept het belang van een actieve en verantwoordelijke benadering van de jaarlijkse-monitoringcyclus door de lidstaten;

20. benadrukt dat ieder mechanisme onvolledig is zonder positieve prikkels, zoals specifieke financiering voor de ondersteuning van maatschappelijke organisaties die zich inzetten voor de bevordering van de grondrechten, de rechtsstaat en de democratische beginselen; wijst er derhalve op dat, om een succesvolle verdediging van de waarden van de EU te waarborgen, er passende financiële steun moet worden geboden aan maatschappelijke organisaties die de democratie, de rechtsstaat en de grondrechten op zowel nationaal als regionaal niveau verdedigen, zoals voorzien in het voorstel betreffende de verordening tot vaststelling van het programma Rechten en waarden, en dat er brede ondersteuning moet worden gegeven aan personen die schendingen van de EU-waarden melden; onderstreept het belang van de handhaving van het onderdeel Uniewaarden van het programma Rechten en waarden in het kader van het meerjarig financieel kader 2021-2027;

21. dringt erop aan dat de jaarlijkse-monitoringcyclus volledig wordt geïntegreerd in de verordening betreffende de bescherming van de begroting van de Unie in geval van fundamentele tekortkomingen op het gebied van de rechtstaat in de lidstaten[18], waarbij begrotingsoverschrijvingen gekoppeld worden aan de resultaten van het monitoringsproces, en de legitieme belangen van de eindontvangers en begunstigden van Uniemiddelen worden beschermd; is van mening dat er voldoende gedetailleerde en meetbare criteria en indicatoren moeten worden opgenomen in de verordening om schendingen van de rechtsstaat te kunnen beoordelen en sancties te kunnen opleggen;

22. is van mening dat de Commissie zich in haar besluit en aanbevelingen over al dan niet te starten inbreukprocedures moet baseren op de beoordeling die wordt uitgevoerd in de context van de jaarlijkse-monitoringcyclus; verzoekt de Commissie om ten volle gebruik te maken van haar bevoegdheden in dit verband;

23 benadrukt bovendien dat aanzienlijke vertraging bij het doen van gerechtelijke uitspraken, met name in zaken die verband houden met de rechtsstaat, kan leiden tot ernstige en onherstelbare schade door het afglijden van de rechtsstaat, en dat er meer aandacht moet worden geschonken aan het versterken van het potentieel en de rol van het Hof van Justitie van de Europese Unie ter bescherming van de rechtsstaat; is van mening dat het een optie zou kunnen zijn om te zorgen voor een versnelde procedure in al dergelijke gevallen, door stelselmatig gebruik te maken van een kort geding; verzoekt de Commissie om het Hof van Justitie stelselmatig te verzoeken om voorlopige maatregelen te treffen in dringende zaken betreffende de schending van de waarden van de Unie uit hoofde van artikel 279 VWEU, in het bijzonder wanneer het uitblijven van dergelijke maatregelen naar alle waarschijnlijkheid onherstelbare schade zou toebrengen aan EU-burgers of de EU-rechtsorde, en om aanvragen in te dienen tot de oplegging van geldboetes in geval van niet-naleving van de voorlopige maatregelen uit hoofde van artikel 260 VWEU;

24. dringt er op aan dat het, naast de jaarlijkse cyclus, in specifieke uitzonderlijke gevallen op grond van de ernst van de mogelijke consequenties van schendingen van de democratie, de rechtsstaat en de grondrechten en de omvang van de gevolgen, het Europees Parlement en de Raad de Commissie moeten kunnen verzoeken een dringend verslag op te stellen over de situatie;

25. wijst erop dat de conferentie over de toekomst van Europa zorgt voor momentum voor een beter begrip voor de noodzaak om de grondrechten te beschermen en dat de crisis van de Europese fundamentele waarden moet worden tegengegaan en dat de conferentie daarom een gelegenheid zou kunnen bieden om in de Verdragen een proces op te nemen voor een meer operationele handhaving; onderstreept dat de conferentie een nieuwe impuls zal geven aan het Europees debat over de versterking van de Europese democratie;

26 stelt voor om de effectiviteit van artikel 7 te verhogen door te waarborgen dat het Europees Parlement deelneemt aan de hoorzittingen van de artikel-7-procedure en door, bij een toekomstige Verdragswijziging, de unanimiteitsvereiste te schrappen en het sanctiemechanisme te versterken;

27. eist dat het Hof van Justitie van de Europese Unie versterkt wordt door een individueel klachtenmechanisme voor burgers in te voeren; onderstreept de noodzaak om een arbitragemechanisme voor constitutionele aangelegenheden vast te stellen; stelt voor om deze onderwerpen te bespreken tijdens de aanstaande conferentie over de toekomst van Europa;

28. dringt aan op herziening van Verordening van de Raad (EC) nr. 168/2007 van 15 februari 2007 inzake het Bureau voor de grondrechten, om het mandaat van het bureau uit te breiden en zijn bevoegdheid om op te treden ter verdediging van de waarden die zijn verankerd in artikel 2 VEU, en op eigen initiatief niet-bindende adviezen op te stellen over ontwerp-EU-wetgeving, en stelselmatige raadpleging van het bureau te bevorderen.


INFORMATIE OVER DE GOEDKEURING IN DE ADVISERENDE COMMISSIE

Datum goedkeuring

1.9.2020

 

 

 

Uitslag eindstemming

+:

–:

0:

22

5

1

Bij de eindstemming aanwezige leden

Gerolf Annemans, Gabriele Bischoff, Damian Boeselager, Fabio Massimo Castaldo, Włodzimierz Cimoszewicz, Gwendoline Delbos-Corfield, Daniel Freund, Charles Goerens, Esteban González Pons, Brice Hortefeux, Laura Huhtasaari, Giuliano Pisapia, Paulo Rangel, Antonio Maria Rinaldi, Domènec Ruiz Devesa, Jacek Saryusz-Wolski, Helmut Scholz, Pedro Silva Pereira, Antonio Tajani, László Trócsányi, Mihai Tudose, Loránt Vincze, Rainer Wieland

Bij de eindstemming aanwezige vaste plaatsvervangers

Gilles Boyer, Jorge Buxadé Villalba, Cristian Ghinea, Maite Pagazaurtundúa, Nikolaj Villumsen

 


 

HOOFDELIJKE EINDSTEMMING IN DE ADVISERENDE COMMISSIE

22

+

GUE/NGL

Helmut Scholz, Nikolaj Villumsen

NI

Fabio Massimo Castaldo

PPE

Esteban González Pons, Brice Hortefeux, Paulo Rangel, Antonio Tajani, Loránt Vincze, Rainer Wieland

RENEW

Gilles Boyer, Cristian Ghinea, Charles Goerens, Maite Pagazaurtundúa

S&D

Gabriele Bischoff, Włodzimierz Cimoszewicz, Giuliano Pisapia, Domènec Ruiz Devesa, Pedro Silva Pereira, Mihai Tudose

VERTS/ALE

Damian Boeselager, Gwendoline Delbos Corfield, Daniel Freund

 

 

5

-

ECR

Jorge Buxadé Villalba, Jacek Saryusz Wolski

ID

Gerolf Annemans, Laura Huhtasaari, Antonio Maria Rinaldi

 

 

1

0

PPE

László Trócsányi

 

 

 


 

INFORMATIE OVER DE GOEDKEURING IN DE BEVOEGDE COMMISSIE

Datum goedkeuring

22.9.2020

 

 

 

Uitslag eindstemming

+:

–:

0:

51

14

1

Bij de eindstemming aanwezige leden

Magdalena Adamowicz, Malik Azmani, Katarina Barley, Pernando Barrena Arza, Pietro Bartolo, Nicolas Bay, Vladimír Bilčík, Vasile Blaga, Ioan-Rareş Bogdan, Patrick Breyer, Saskia Bricmont, Joachim Stanisław Brudziński, Jorge Buxadé Villalba, Damien Carême, Anna Júlia Donáth, Lena Düpont, Cornelia Ernst, Laura Ferrara, Nicolaus Fest, Jean-Paul Garraud, Maria Grapini, Sylvie Guillaume, Andrzej Halicki, Balázs Hidvéghi, Evin Incir, Sophia in ‘t Veld, Lívia Járóka, Marina Kaljurand, Fabienne Keller, Peter Kofod, Moritz Körner, Alice Kuhnke, Jeroen Lenaers, Juan Fernando López Aguilar, Nuno Melo, Roberta Metsola, Nadine Morano, Javier Moreno Sánchez, Maite Pagazaurtundúa, Nicola Procaccini, Paulo Rangel, Diana Riba i Giner, Ralf Seekatz, Michal Šimečka, Birgit Sippel, Sylwia Spurek, Tineke Strik, Ramona Strugariu, Annalisa Tardino, Tomas Tobé, Dragoş Tudorache, Milan Uhrík, Tom Vandendriessche, Bettina Vollath, Jadwiga Wiśniewska, Elena Yoncheva

Bij de eindstemming aanwezige vaste plaatsvervangers

Delara Burkhardt, Gwendoline Delbos-Corfield, Kostas Papadakis, Kris Peeters, Anne-Sophie Pelletier, Rob Rooken, Paul Tang, Tomáš Zdechovský

Bij de eindstemming aanwezige plaatsvervangers (art. 209, lid 7)

Isabel Benjumea Benjumea


HOOFDELIJKE EINDSTEMMING IN DE BEVOEGDE COMMISSIE

51

+

PPE

Magdalena ADAMOWICZ, Isabel BENJUMEA BENJUMEA, Vladimír BILČÍK, Vasile BLAGA, Ioan-Rareş BOGDAN, Lena DÜPONT, Andrzej HALICKI, Jeroen LENAERS, Nuno MELO, Roberta METSOLA, Nadine MORANO, Kris PEETERS, Paulo RANGEL, Ralf SEEKATZ, Tomas TOBÉ, Tomáš ZDECHOVSKÝ

S&D

Katarina BARLEY, Pietro BARTOLO, Delara BURKHARDT, Maria GRAPINI, Sylvie GUILLAUME, Evin INCIR, Marina KALJURAND, Juan Fernando LÓPEZ AGUILAR, Javier MORENO SÁNCHEZ, Birgit SIPPEL, Sylwia SPUREK, Paul TANG, Bettina VOLLATH, Elena YONCHEVA

Renew

Malik AZMANI, Anna Júlia DONÁTH, Sophia in 't VELD, Fabienne KELLER, Moritz KÖRNER, Maite PAGAZAURTUNDÚA, Michal ŠIMEČKA, Ramona STRUGARIU, Dragoş TUDORACHE

VERTS/ALE

Patrick BREYER, Saskia BRICMONT, Damien CARÊME, Gwendoline DELBOS-CORFIELD, Alice KUHNKE, Diana RIBA I GINER, Tineke STRIK

GUE

Pernando BARRENA ARZA, Cornelia ERNST, Anne-Sophie PELLETIER, Sira REGO

NI

Laura FERRARA

 

14

-

PPE

Balázs HIDVÉGHI, Lívia JÁRÓKA

ID

Nicolas BAY, Nicolaus FEST, Jean-Paul GARRAUD, Annalisa TARDINO, Tom VANDENDRIESSCHE

ECR

Joachim Stanisław BRUDZIŃSKI, Jorge BUXADÉ VILLALBA, Nicola PROCACCINI, Rob ROOKEN, Jadwiga WIŚNIEWSKA

NI

Kostas PAPADAKIS, Milan UHRÍK

 

1

0

ID

Peter KOFOD

 

Verklaring van de gebruikte tekens:

+ : voor

- : tegen

0 : onthouding

 

 

 

[1] PB C 215 van 19.6.2018, blz. 162.

[2] PB C 390 van 18.11.2019, blz. 117.

[3] Aangenomen teksten, P8_TA(2019)0407.

[4] Aangenomen teksten, P8_TA(2018)0456.

[5] Aangenomen teksten, P8_TA(2019)0032.

[6]  Aangenomen teksten, P8_TA(2019)0111.

[7] Aangenomen teksten, P8_TA(2019)0328.

[8] Aangenomen teksten, P9_TA(2019)0101.

[9] Aangenomen teksten, P9_TA(2020)0007.

[10] Aangenomen teksten, P9_TA(2020)0014.

[11] Aangenomen teksten, P9_TA(2020)0054.

[12] [in plaats van xxxx in de tekst het juiste nummer van 2018/136(COD) invoegen en de verwijzing naar het PB in de voetnoot aanpassen] PB C ..., ....., blz. ....

[13]  PB L 305 van 26.11.2019, blz. 17.

[14] PB L 53 van 22.2.2007, blz. 1.

[15] Beschikking van de Commissie van 13 december 2006 tot vaststelling van een mechanisme voor samenwerking en toetsing van de vooruitgang in Roemenië ten aanzien van specifieke ijkpunten op het gebied van de hervorming van het justitiële stelsel en de bestrijding van corruptie (PB L 354 van 14.12.2006, blz. 56).

[16] Beschikking van de Commissie van 13 december 2006 tot vaststelling van een mechanisme voor samenwerking en toetsing van de vooruitgang in Bulgarije ten aanzien van specifieke ijkpunten op het gebied van de hervorming van het justitiële stelsel en de bestrijding van corruptie en georganiseerde misdaad (PB L 354 van 14.12.2006, blz. 58).

[17] [in plaats van xxxx in de tekst het juiste nummer van 2018/136(COD) invoegen en de verwijzing naar het PB in de voetnoot aanpassen] Verordening (EU) .../… van het Europees Parlement en de Raad inzake de bescherming van de begroting van de Unie in geval van algemene tekortkomingen op het gebied van de rechtsstaat in de lidstaten PB C ..., …, blz. …

[18] Voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad inzake de bescherming van de begroting van de Unie in geval van fundamentele tekortkomingen op het gebied van de rechtsstaat in de lidstaten (COM/2018/324 final)

 

Laatst bijgewerkt op: 1 oktober 2020Juridische mededeling - Privacybeleid