Procedure : 2020/0105(COD)
Stadium plenaire behandeling
Documentencyclus : A9-0174/2020

Ingediende teksten :

A9-0174/2020

Debatten :

PV 20/01/2021 - 12
CRE 20/01/2021 - 12

Stemmingen :

Aangenomen teksten :

P9_TA(2021)0015

<Date>{02/10/2020}2.10.2020</Date>
<NoDocSe>A9-0174/2020</NoDocSe>
PDF 217kWORD 79k

<TitreType>VERSLAG</TitreType>     <RefProcLect>***I</RefProcLect>

<Titre>over het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Verordening (EU) nr. 223/2014 wat de invoering van specifieke maatregelen voor de aanpak van de COVID-19-crisis betreft</Titre>

<DocRef>(COM(2020)0223 – C9-0151/2020 – 2020/0105(COD))</DocRef>


<Commission>{EMPL}Commissie werkgelegenheid en sociale zaken</Commission>

Rapporteur: <Depute>Lucia Ďuriš Nicholsonová</Depute>

AMENDEMENTEN
ONTWERPWETGEVINGSRESOLUTIE VAN HET EUROPEES PARLEMENT
 TOELICHTING
 PROCEDURE VAN DE BEVOEGDE COMMISSIE
 HOOFDELIJKE EINDSTEMMING IN DE BEVOEGDE COMMISSIE

ONTWERPWETGEVINGSRESOLUTIE VAN HET EUROPEES PARLEMENT

over het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Verordening (EU) nr. 223/2014 wat de invoering van specifieke maatregelen voor de aanpak van de COVID-19-crisis betreft

(COM(2020)0223 – C9-0151/2020 – 2020/0105(COD))

(Gewone wetgevingsprocedure: eerste lezing)

Het Europees Parlement,

 gezien het voorstel van de Commissie aan het Parlement en de Raad (COM(2020)0223),

 gezien artikel 294, lid 2, en artikel 175, lid 3, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, op grond waarvan het voorstel door de Commissie bij het Parlement is ingediend (C9-0151/2020),

 gezien artikel 294, lid 3, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

 gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité van 10 juni 2020[1],

 na raadpleging van het Comité van de Regio’s,

 gezien artikel 59 van zijn Reglement,

 gezien het verslag van de Commissie werkgelegenheid en sociale zaken (A9‑0174/2020),

1. stelt onderstaand standpunt in eerste lezing vast;

2. verzoekt de Commissie om hernieuwde voorlegging aan het Parlement indien zij haar voorstel vervangt, ingrijpend wijzigt of voornemens is het ingrijpend te wijzigen;

3. verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en aan de Commissie alsmede aan de nationale parlementen.

 

<RepeatBlock-Amend><Amend>Amendement  <NumAm>1</NumAm>

<DocAmend>Voorstel voor een verordening</DocAmend>

<Article>Overweging 2</Article>

 

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

(2) Op 17 november 2017 hebben het Europees Parlement, de Raad en de Commissie gezamenlijk de Europese pijler van sociale rechten afgekondigd als reactie op de sociale uitdagingen in Europa. De twintig kernbeginselen van de pijler zijn opgebouwd rond drie categorieën: gelijke kansen en toegang tot de arbeidsmarkt; billijke arbeidsvoorwaarden, en sociale bescherming en inclusie. De twintig beginselen van de Europese pijler van sociale rechten moeten als leidraad dienen voor de reactie op de COVID-19-pandemie teneinde een sociaal rechtvaardig herstel te waarborgen.

(2) Op 17 november 2017 hebben het Europees Parlement, de Raad en de Commissie gezamenlijk de Europese pijler van sociale rechten afgekondigd als reactie op de sociale uitdagingen in Europa. De twintig kernbeginselen van de pijler zijn opgebouwd rond drie categorieën: gelijke kansen en toegang tot de arbeidsmarkt; billijke arbeidsvoorwaarden, en sociale bescherming en inclusie. De twintig beginselen van de Europese pijler van sociale rechten moeten als leidraad dienen voor de reactie op de COVID-19-pandemie teneinde een sociaal rechtvaardig en veerkrachtig herstel te waarborgen.

</Amend>

<Amend>Amendement  <NumAm>2</NumAm>

<DocAmend>Voorstel voor een verordening</DocAmend>

<Article>Overweging 3</Article>

 

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

(3) De lidstaten zijn op ongekende wijze getroffen door de gevolgen van de COVID-19-pandemie. De crisis heeft ernstige economische en sociale gevolgen gehad. Hierdoor is een uitzonderlijke situatie ontstaan die gerichte maatregelen vereist die in overeenstemming zijn met de Europese pijler van sociale rechten.

(3) De lidstaten zijn op ongekende wijze getroffen door de gevolgen van de COVID-19-pandemie. De crisis heeft ernstige economische en sociale gevolgen gehad en heeft de situatie van meer dan 109 miljoen mensen die gebukt gaan onder of reeds risico lopen op armoede nog verergerd, de sociale kloof nog verdiept en het banenverlies, de werkloosheid en de ongelijkheid nog vergroot, met name in kansarme groepen. Hierdoor is een uitzonderlijke situatie ontstaan die dringend gerichte maatregelen vereist die in overeenstemming zijn met de Europese pijler van sociale rechten, het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie en andere maatregelen om armoede te bestrijden.

</Amend>

<Amend>Amendement  <NumAm>3</NumAm>

<DocAmend>Voorstel voor een verordening</DocAmend>

<Article>Overweging 4</Article>

 

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

(4) Dit heeft met name gevolgen voor het FEAD. Aangezien het aantal personen dat heeft te kampen met voedselgebrek en materiële deprivatie als gevolg van de COVID-19-pandemie is gestegen en de meest behoeftigen tijdens deze crisis worden blootgesteld aan bijzondere risico’s en verdere nood, hebben de lidstaten behoefte aan aanvullende financiering in de vorm van steunverlening uit het Fonds.

(4) Dit heeft met name gevolgen voor het FEAD. Aangezien een aanzienlijk aantal personen in de hele Unie reeds te kampen had met voedselgebrek en materiële deprivatie (vóór de COVID-19-crisis kregen jaarlijks al 13 miljoen mensen steun uit het FEAD, onder wie ongeveer 4 miljoen kinderen), en aangezien die cijfers als gevolg van de COVID-19-pandemie nog stijgen, waarbij de meest behoeftigen tijdens deze crisis meer worden blootgesteld aan bijzondere risico’s en verdere nood, hebben de lidstaten behoefte aan aanvullende financiering in de vorm van steunverlening uit het FEAD.

</Amend>

<Amend>Amendement  <NumAm>4</NumAm>

<DocAmend>Voorstel voor een verordening</DocAmend>

<Article>Overweging 5</Article>

 

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

(5) Teneinde het hoofd te bieden aan de grote schokken in de economie en de ernstige gevolgen voor de werking van de eengemaakte markt die zijn veroorzaakt door de uitzonderlijke beperkingen die de lidstaten hebben opgelegd om de verspreiding van COVID-19 te beheersen, heeft de Europese Raad op 23 april 2020 zijn goedkeuring gehecht aan de “Routekaart voor herstel” met een sterke investeringscomponent, opgeroepen tot de oprichting van een Europees herstelinstrument en de Commissie gemachtigd om een analyse van de behoeften te verrichten zodat de middelen kunnen worden gericht op de sectoren en geografische gebieden van Europa die het zwaarst getroffen zijn, en het verband met het MFK te verduidelijken.

(5) Teneinde het hoofd te bieden aan de grote schokken in de economie en de samenleving en de ernstige gevolgen voor de werking van het Europese sociale model en de eengemaakte markt die zijn veroorzaakt door de uitzonderlijke beperkingen die de lidstaten hebben opgelegd om de verspreiding van COVID-19 te beheersen, heeft de Europese Raad op 23 april 2020 zijn goedkeuring gehecht aan de “Routekaart voor herstel” met een sterke investeringscomponent, opgeroepen tot de oprichting van een Europees herstelinstrument en de Commissie gemachtigd om een analyse van de behoeften te verrichten zodat de middelen kunnen worden gericht op de sectoren en geografische gebieden van Europa die het zwaarst getroffen zijn, en het verband met het MFK te verduidelijken.

</Amend>

<Amend>Amendement  <NumAm>5</NumAm>

<DocAmend>Voorstel voor een verordening</DocAmend>

<Article>Overweging 6</Article>

 

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

(6) De Commissie heeft op 27 mei 2020 een voorstel ingediend voor een verordening11 tot wijziging van Verordening (EU, Euratom) nr. 1311/2013 van de Raad12 en aanvullende middelen vrijgemaakt voor de ondersteuning van de lidstaten bij crisisherstel in het kader van de COVID-19-pandemie en ter voorbereiding van het herstel van de economie. Daartoe is, als onderdeel van dit pakket, een uitzonderlijk extra bedrag van 58 272 800 000 EUR voor vastlegging in de begroting uit de structuurfondsen beschikbaar gemaakt in het kader van de doelstelling “investeren in groei en werkgelegenheid” voor de jaren 2020, 2021 en 2022, die snel in de reële economie moeten worden ingezet via de bestaande structuren voor de cohesiebeleidsprogramma’s 2014-2020. De Commissie moet de verdeling van de aanvullende middelen voor elke lidstaat bepalen aan de hand van een toewijzingsmethode die is gebaseerd op de recentste beschikbare objectieve statistische gegevens met betrekking tot de relatieve welvaart van de lidstaten en de omvang van de gevolgen die de huidige crisis heeft op hun economieën. Om de evoluerende aard van de gevolgen van de crisis te weerspiegelen moet de verdeling in 2021 worden herzien, aan de hand van dezelfde verdelingsmethode met gebruikmaking van de recentste statistische gegevens die op 19 oktober 2021 beschikbaar zijn. Om te zorgen voor een doeltreffende reactie op de sociale gevolgen van de uitbraak van COVID-19 voor de meest behoeftigen, is het passend dat de lidstaten de aanvullende middelen overeenkomstig hun behoeften aan het FEAD kunnen toewijzen. Daarbij moeten de lidstaten de nodige aandacht besteden aan de stijging van het aantal meest behoeftige personen sinds de COVID-19-pandemie. Daarnaast moeten maxima worden vastgesteld voor de toewijzing van aanvullende middelen aan technische bijstand van de lidstaat. Aangezien de aanvullende middelen naar verwachting snel zullen worden ingezet, moeten de vastleggingen in verband met deze aanvullende middelen ook bij de afsluiting van de programma’s worden vrijgemaakt. Voor de aanvullende middelen worden eveneens mogelijkheden ingevoerd voor financiële overdrachten in het kader van de doelstelling “investeren in groei en werkgelegenheid” tussen het EFRO, het ESF en het FEAD.

(6) De Commissie heeft op 27 mei 2020 een voorstel ingediend voor een verordening11 tot wijziging van Verordening (EU, Euratom) nr. 1311/2013 van de Raad12 en aanvullende middelen vrijgemaakt voor de ondersteuning van de lidstaten bij hun crisisherstelmaatregelen in het kader van de COVID-19-pandemie en ter voorbereiding van een sociaal, veerkrachtig en duurzaam herstel van de economie. Daartoe wordt, als onderdeel van dit pakket, een uitzonderlijk extra bedrag van 58 272 800 000 EUR voor vastlegging in de begroting uit de structuurfondsen beschikbaar gemaakt in het kader van de doelstelling “investeren in groei en werkgelegenheid” voor de jaren 2020, 2021 en 2022, die snel in de reële economie moeten worden ingezet via de bestaande structuren voor de cohesiebeleidsprogramma’s 2014-2020. De Commissie moet de verdeling van de aanvullende middelen voor elke lidstaat bepalen aan de hand van een toewijzingsmethode die is gebaseerd op de recentste beschikbare objectieve statistische gegevens, ook over gelijkheid, met betrekking tot de relatieve welvaart, de armoede en de mate van sociale uitsluiting in de lidstaten en de aard en de omvang van de gevolgen die de huidige crisis heeft op hun economieën en samenlevingen, met bijzondere aandacht voor de meest behoeftigen, zoals daklozen en mensen die in aparte instellingen wonen, die gewoonlijk buiten het bereik liggen van de bureaus voor de statistiek van de lidstaten. In samenwerking met niet-gouvernementele organisaties en lokale instanties die actief zijn op het gebied van armoede, sociale inclusie en dienstverlening aan de meest behoeftigen, moeten hiertoe relevante en vergelijkbare gegevens worden verzameld. Om de evoluerende aard van de gevolgen van de COVID-19-crisis te weerspiegelen moet de verdeling in 2021 worden herzien, aan de hand van dezelfde verdelingsmethode met gebruikmaking van de recentste statistische gegevens en gegevens over gelijkheid die op 19 oktober 2021 beschikbaar zijn. Om te zorgen voor een doeltreffende reactie op de sociale gevolgen van de uitbraak van COVID-19 voor de meest behoeftigen, en in afwijking van artikel 92, lid 7, van Verordening (EU) nr. 1303/201312 bis, moeten de lidstaten ook een deel van de aanvullende middelen aan het FEAD toewijzen. Daarbij moeten de lidstaten de nodige aandacht besteden aan de stijging van het aantal meest behoeftige personen sinds de COVID-19-pandemie. Daarnaast moeten maxima worden vastgesteld voor de toewijzing van aanvullende middelen aan technische bijstand van de lidstaat. Aangezien de aanvullende middelen naar verwachting snel zullen worden ingezet, moeten de vastleggingen in verband met deze aanvullende middelen ook bij de afsluiting van de programma’s worden vrijgemaakt. Voor de aanvullende middelen moeten eveneens mogelijkheden worden ingevoerd voor financiële overdrachten in het kader van de doelstelling “investeren in groei en werkgelegenheid” tussen het EFRO, het ESF en het FEAD. Rekening houdend met de vitale rol van het ESF voor de uitbanning van armoede en de bestrijding van sociale uitsluiting, mag het ESF-aandeel niet lager uitvallen dan het huidige wettelijk verplichte percentage van 23,1 % op Unieniveau.

__________________

__________________

11 COM(2020) 446.

11 COM(2020) 446.

12 Verordening (EU, Euratom) nr. 1311/2013 van de Raad van 2 december 2013 tot bepaling van het meerjarig financieel kader voor de jaren 2014-2020 (PB L 347 van 20.12.2013, blz. 884).

12 Verordening (EU, Euratom) nr. 1311/2013 van de Raad van 2 december 2013 tot bepaling van het meerjarig financieel kader voor de jaren 2014-2020 (PB L 347 van 20.12.2013, blz. 884).

 

12 bis Verordening (EU) nr. 1303/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 houdende gemeenschappelijke bepalingen inzake het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling, het Europees Sociaal Fonds, het Cohesiefonds, het Europees Landbouwfonds voor plattelandsontwikkeling en het Europees Fonds voor maritieme zaken en visserij en algemene bepalingen inzake het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling, het Europees Sociaal Fonds, het Cohesiefonds en het Europees Fonds voor maritieme zaken en visserij, en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1083/2006 van de Raad (PB L 347 van 20.12.2013, blz. 320).

</Amend>

<Amend>Amendement  <NumAm>6</NumAm>

<DocAmend>Voorstel voor een verordening</DocAmend>

<Article>Overweging 6 bis (nieuw)</Article>

 

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

 

(6 bis) Gezien de vervrouwelijking van armoede, die resulteert in meer en grotere armoede onder vrouwen1 bis, moet tijdens de voorbereiding, uitvoering, monitoring en evaluatie van het FEAD rekening worden gehouden met genderaspecten. Gezien het onlosmakelijke verband tussen discriminatie en armoede, en overeenkomstig artikel 21 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, is iedere vorm van discriminatie op grond van geslacht, ras, kleur, etnische of sociale afkomst, genetische kenmerken, taal, godsdienst of overtuiging, politieke of andere denkbeelden, het behoren tot een nationale minderheid, vermogen, geboorte, een handicap, leeftijd of seksuele geaardheid bovendien verboden.

 

__________________

 

1a https://eige.europa.eu/gender-mainstreaming/policy-areas/poverty

</Amend>

<Amend>Amendement  <NumAm>7</NumAm>

<DocAmend>Voorstel voor een verordening</DocAmend>

<Article>Overweging 8</Article>

 

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

(8) Om ervoor te zorgen dat de lidstaten over voldoende financiële middelen beschikken om de crisisherstelmaatregelen in het kader van de COVID-19-pandemie snel uit te voeren en het herstel van de economie voor te bereiden, is het noodzakelijk om te voorzien in een hoger niveau van voorfinanciering voor de snelle uitvoering van de maatregelen die door de aanvullende middelen worden ondersteund. De omvang van de voorfinanciering moet ervoor zorgen dat de lidstaten over de middelen beschikken om waar nodig voorschotten aan de begunstigden te verstrekken en de begunstigden snel na de indiening van de betalingsaanvragen te vergoeden.

(8) Om ervoor te zorgen dat de lidstaten over voldoende financiële middelen beschikken om de crisisherstelmaatregelen in het kader van de COVID-19-pandemie, gezien de gevolgen daarvan voor armoede en sociale uitsluiting, snel uit te voeren en een sociaal, veerkrachtig en duurzaam herstel van de economie en de samenleving voor te bereiden, is het noodzakelijk om zo snel mogelijk te voorzien in een hoger niveau van voorfinanciering voor de snelle uitvoering van de maatregelen die door de aanvullende middelen worden ondersteund. De omvang van de voorfinanciering moet ervoor zorgen dat de lidstaten over de middelen beschikken om waar nodig voorschotten aan de begunstigden te verstrekken en de begunstigden snel na de indiening van de betalingsaanvragen te vergoeden. Om ervoor te zorgen dat de begunstigden onmiddellijk hulp krijgen, moeten de lidstaten zich ertoe verbinden alle nodige stappen te zetten om de voorschotten zo snel mogelijk te verstrekken.

</Amend>

<Amend>Amendement  <NumAm>8</NumAm>

<DocAmend>Voorstel voor een verordening</DocAmend>

<Article>Overweging 8 bis (nieuw)</Article>

 

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

 

(8 bis) De wijze waarop het FEAD wordt uitgevoerd, mag niet worden gewijzigd als gevolg van deze verordening en het FEAD moet onder gedeeld beheer blijven.

</Amend>

<Amend>Amendement  <NumAm>9</NumAm>

<DocAmend>Voorstel voor een verordening</DocAmend>

<Article>Overweging 9</Article>

 

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

(9) Teneinde de druk op de overheidsbegrotingen met betrekking tot crisisherstel in de context van de pandemie van COVID-19 te verlichten en herstel van de economie voor te bereiden, is het wenselijk dat de aanvullende middelen niet worden onderworpen aan medefinanciering.

(9) Teneinde de druk op de overheidsbegrotingen met betrekking tot crisisherstelmaatregelen in de context van de pandemie van COVID-19 te verlichten en een sociaal, veerkrachtig en duurzaam herstel van de economie en de samenleving voor te bereiden, is het wenselijk dat de aanvullende middelen niet worden onderworpen aan medefinanciering.

</Amend>

<Amend>Amendement  <NumAm>10</NumAm>

<DocAmend>Voorstel voor een verordening</DocAmend>

<Article>Overweging 11</Article>

 

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

(11) Daar de doelstelling van deze verordening, namelijk de gevolgen van de volksgezondheidscrisis voor de meest behoeftigen op te vangen, niet voldoende door de lidstaten alleen kan worden verwezenlijkt en dus, vanwege de omvang en de gevolgen van het voorgestelde optreden, beter door de Unie kan worden verwezenlijkt, kan de Unie, overeenkomstig het in artikel 5 van het Verdrag betreffende de Europese Unie neergelegde subsidiariteitsbeginsel, maatregelen nemen. Overeenkomstig het in hetzelfde artikel neergelegde evenredigheidsbeginsel gaat deze verordening niet verder dan nodig is om deze doelstelling te verwezenlijken.

(11) Daar de doelstelling van deze verordening, namelijk de gevolgen van de volksgezondheids- en sociaal-economische crisis voor de meest behoeftigen op te vangen, niet voldoende door de lidstaten alleen kan worden verwezenlijkt en dus, vanwege de omvang en de gevolgen van het voorgestelde optreden, beter door de Unie kan worden verwezenlijkt, kan de Unie, overeenkomstig het in artikel 5 van het Verdrag betreffende de Europese Unie neergelegde subsidiariteitsbeginsel, maatregelen nemen. Overeenkomstig het in hetzelfde artikel neergelegde evenredigheidsbeginsel gaat deze verordening niet verder dan nodig is om deze doelstelling te verwezenlijken.

</Amend>

<Amend>Amendement  <NumAm>11</NumAm>

<DocAmend>Voorstel voor een verordening</DocAmend>

<Article>Overweging 14</Article>

 

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

(14) In het licht van de COVID-19-pandemie en de urgentie om de daaruit voortvloeiende volksgezondheidscrisis te bestrijden, wordt het nodig geacht een uitzondering te maken op de periode van acht weken bedoeld in artikel 4 van Protocol nr. 1 betreffende de rol van de nationale parlementen in de Europese Unie, dat gehecht is aan het Verdrag betreffende de Europese Unie, het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie en het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie.

(14) In het licht van de COVID-19-pandemie en de urgentie om de daaruit voortvloeiende volksgezondheids- en sociaal-economische crisis te bestrijden, wordt het nodig geacht een uitzondering te maken op de periode van acht weken bedoeld in artikel 4 van Protocol nr. 1 betreffende de rol van de nationale parlementen in de Europese Unie, dat gehecht is aan het Verdrag betreffende de Europese Unie, het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie en het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie.

</Amend>

<Amend>Amendement  <NumAm>12</NumAm>

<DocAmend>Voorstel voor een verordening</DocAmend>

<Article>Artikel 1 – alinea 1 – punt 2</Article>

<DocAmend2>Verordening (EU) nr. 223/2014</DocAmend2>

<Article2>Artikel 6 bis – titel</Article2>

 

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

Vrijwillige verhoging van de middelen naar aanleiding van de uitbraak van COVID-19

Verhoging van de middelen naar aanleiding van de uitbraak van COVID-19

</Amend>

<Amend>Amendement  <NumAm>13</NumAm>

<DocAmend>Voorstel voor een verordening</DocAmend>

<Article>Artikel 1 – alinea 1 – punt 2</Article>

<DocAmend2>Verordening (EU) nr. 223/2014</DocAmend2>

<Article2>Artikel 6 bis – lid 1</Article2>

 

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

1. De in artikel 6 bedoelde middelen kunnen overeenkomstig artikel 92 ter, lid 5, zevende alinea, van Verordening (EU) nr. 1303/2013 op vrijwillige basis door de lidstaten worden verhoogd naar aanleiding van de COVID-19-pandemie. De verhoging kan van invloed zijn op de vastleggingen in de begroting voor 2020, 2021 en 2022.

1. Naar aanleiding van de COVID-19-pandemie worden de in artikel 6 bedoelde middelen overeenkomstig artikel 92 ter, lid 5, zevende alinea, van Verordening (EU) nr. 1303/2013 door de lidstaten verhoogd met een percentage dat ten minste 3 % van de extra middelen bedraagt. De verhoging kan van invloed zijn op de vastleggingen in de begroting voor 2020, 2021 en 2022.

</Amend></RepeatBlock-Amend> 


 

TOELICHTING

Het Fonds voor Europese Hulp aan de meest behoeftigen (FEAD) is het instrument dat mensen die in armoede zijn vervallen, helpt om de eerste stappen te zetten om uit de armoede en de sociale uitsluiting te raken. Ongeveer 13 miljoen mensen ontvangen jaarlijks steun van het FEAD, onder wie ongeveer 4 miljoen kinderen jonger dan 15 jaar.

De directe en indirecte gevolgen van de COVID-19-pandemie blijven in alle lidstaten toenemen. De huidige situatie is ongezien en vereist uitzonderlijke, aan de situatie aangepaste maatregelen die in deze omstandigheden moeten worden toegepast, waaronder voor steun aan de meeste behoeftigen, via het FEAD.

Met het eerste investeringsinitiatief Coronavirusrespons (CRII)[2], een pakket maatregelen dat op 1 april 2020 in werking is getreden, is een aantal belangrijke wijzigingen van het op het Europese structuur- en investeringsfonds toepasselijke wetgevingskader ingevoerd waardoor in de huidige situatie doeltreffender kan worden gereageerd. In het kader van het investeringsinitiatief Coronavirusrespons plus (CRII Plus)[3] werden aanvullende maatregelen vastgesteld. Dit pakket omvatte ook wijzigingen van Verordening (EU) nr. 223/2014[4] (“de FEAD-verordening) door middel van Verordening (EU) 2020/559 van het Europees Parlement en de Raad van 23 april 2020[5], die op 25 april 2020 in werking is getreden. Deze wijzigingen waren bedoeld om het FEAD aan te passen aan de uitdaging van de COVID-19-pandemie en met name om snel te reageren op de nieuwe, bijkomende behoeften van de doelgroepen, die worden blootgesteld aan verdere ontberingen ten gevolge van deze crisis. Daartoe voorziet de verordening in specifieke maatregelen om de lidstaten extra liquiditeit en flexibiliteit te verschaffen om de COVID-19-pandemie in het kader van de FEAD aan te pakken. Zo wordt het onder meer mogelijk om voedselhulp en/of fundamentele materiële bijstand te bieden door middel van bonnen.

Hoewel de situatie nog steeds evolueert en de lidstaten de beperkingen op hun samenlevingen en bedrijven versoepelen en hun economie weer op gang brengen, hebben de directe en indirecte effecten van de crisis in veel sectoren al hun tol geëist. Het herstel zal tijd vergen en de noodzaak van nieuwe lockdownmaatregelen kan niet worden uitgesloten, aangezien veel EU-lidstaten al met nieuwe golven van COVID-19 te kampen hebben. In dit verband bestaat er een ernstig risico dat het aantal mensen dat aan voedselgebrek en materiële deprivatie lijdt, zal toenemen, en er zijn derhalve verdere maatregelen nodig om te kunnen reageren op de sociale gevolgen van de COVID-19-pandemie, teneinde een sociaal rechtvaardig herstel te waarborgen in overeenstemming met de Europese pijler van sociale rechten.

De Commissie heeft op 27 mei 2020 een voorstel ingediend voor een verordening[6] tot wijziging van Verordening (EU, Euratom) nr. 1311/2013 van de Raad[7] en aanvullende middelen vrijgemaakt voor de ondersteuning van de lidstaten bij crisisherstel in het kader van de COVID-19-pandemie en ter voorbereiding van een sociaal en veerkrachtig herstel van de economie. Daartoe is, als onderdeel van dit pakket, een uitzonderlijk extra bedrag van 58 272 800 000 EUR voor vastlegging in de begroting uit de structuurfondsen beschikbaar gemaakt in het kader van de doelstelling “investeren in groei en werkgelegenheid” voor de jaren 2020, 2021 en 2022, die snel in de reële economie moeten worden ingezet via de bestaande structuren voor de cohesiebeleidsprogramma’s 2014-2020.

De rapporteur is van mening dat de Commissie de verdeling van de aanvullende middelen voor elke lidstaat moet bepalen aan de hand van een toewijzingsmethode die is gebaseerd op de recentste beschikbare objectieve statistische gegevens met betrekking tot de relatieve welvaart van de lidstaten, alsook statistische gegevens, met inbegrip van gegevens betreffende gelijkheid, over de omvang die de huidige crisis heeft op hun economieën en samenlevingen, met bijzondere aandacht voor de meest behoeftigen, zoals daklozen en mensen die in aparte instellingen wonen, doelgroepen die gewoonlijk buiten het bereik liggen van de bureaus voor de statistiek van de lidstaten. In samenwerking met niet-gouvernementele organisaties die actief zijn op het gebied van armoede en sociale inclusie moeten hiertoe relevante en vergelijkbare gegevens worden verzameld. Om de evoluerende aard van de gevolgen van de crisis te weerspiegelen moet de verdeling in 2021 worden herzien, aan de hand van dezelfde verdelingsmethode met gebruikmaking van de recentste statistische gegevens en gegevens over gelijkheid die op 19 oktober 2021 beschikbaar zijn.

De rapporteur wijst erop dat een doeltreffende reactie op de sociale gevolgen van de uitbraak van COVID-19 voor de meest behoeftigen zo nodig, en in afwijking van artikel 92, lid 7, van Verordening nr. 1311/2013, vereist dat de lidstaten een deel van de aanvullende middelen aan het FEAD toewijzen (voorafgaand aan of tegelijk met de toewijzing aan het EFRO en het ESF). Ten slotte moet overeenkomstig artikel 21 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie rekening worden gehouden met genderaspecten tijdens de voorbereiding, uitvoering, monitoring en evaluatie van het fonds.


PROCEDURE VAN DE BEVOEGDE COMMISSIE

Titel

Wijziging van Verordening (EU) nr. 223/2014 wat de invoering van specifieke maatregelen voor de aanpak van de COVID-19-crisis betreft

Document- en procedurenummers

COM(2020)0223 – C9-0151/2020 – 2020/0105(COD)

Datum indiening bij EP

28.5.2020

 

 

 

Bevoegde commissie

 Datum bekendmaking

EMPL

17.6.2020

 

 

 

Rapporteurs

 Datum benoeming

Lucia Ďuriš Nicholsonová

25.6.2020

 

 

 

Behandeling in de commissie

31.8.2020

21.9.2020

 

 

Datum goedkeuring

1.10.2020

 

 

 

Uitslag eindstemming

+:

–:

0:

52

2

1

Bij de eindstemming aanwezige leden

Atidzhe Alieva-Veli, Abir Al-Sahlani, Marc Angel, Dominique Bilde, Gabriele Bischoff, Vilija Blinkevičiūtė, Andrea Bocskor, Milan Brglez, Sylvie Brunet, David Casa, Leila Chaibi, Margarita de la Pisa Carrión, Klára Dobrev, Jarosław Duda, Estrella Durá Ferrandis, Lucia Ďuriš Nicholsonová, Rosa Estaràs Ferragut, Nicolaus Fest, Loucas Fourlas, Cindy Franssen, Heléne Fritzon, Helmut Geuking, Alicia Homs Ginel, France Jamet, Agnes Jongerius, Radan Kanev, Ádám Kósa, Stelios Kympouropoulos, Katrin Langensiepen, Miriam Lexmann, Elena Lizzi, Radka Maxová, Kira Marie Peter-Hansen, Dragoș Pîslaru, Manuel Pizarro, Dennis Radtke, Elżbieta Rafalska, Guido Reil, Daniela Rondinelli, Mounir Satouri, Monica Semedo, Beata Szydło, Eugen Tomac, Romana Tomc, Marie-Pierre Vedrenne, Marianne Vind, Maria Walsh, Stefania Zambelli, Tatjana Ždanoka, Tomáš Zdechovský

Bij de eindstemming aanwezige vaste plaatsvervangers

Konstantinos Arvanitis, Brando Benifei, Marc Botenga, Samira Rafaela, Eugenia Rodríguez Palop

Datum indiening

2.10.2020

 


HOOFDELIJKE EINDSTEMMING IN DE BEVOEGDE COMMISSIE

52

+

ECR

Lucia Ďuriš Nicholsonová, Helmut Geuking, Elżbieta Rafalska, Beata Szydło, Margarita de la Pisa Carrión

GUE/NGL

Konstantinos Arvanitis, Marc Botenga, Leila Chaibi, Eugenia Rodríguez Palop

ID

Dominique Bilde, France Jamet, Elena Lizzi, Stefania Zambelli

NI

Daniela Rondinelli

PPE

Andrea Bocskor, David Casa, Jarosław Duda, Rosa Estaràs Ferragut, Loucas Fourlas, Cindy Franssen, Radan Kanev, Ádám Kósa, Stelios Kympouropoulos, Miriam Lexmann, Dennis Radtke, Eugen Tomac, Romana Tomc, Maria Walsh, Tomáš Zdechovský

Renew

Atidzhe Alieva-Veli, Sylvie Brunet, Radka Maxová, Dragoș Pîslaru, Samira Rafaela, Monica Semedo, Marie-Pierre Vedrenne

S&D

Marc Angel, Brando Benifei, Gabriele Bischoff, Vilija Blinkevičiūtė, Milan Brglez, Klára Dobrev, Estrella Durá Ferrandis, Heléne Fritzon, Alicia Homs Ginel, Agnes Jongerius, Manuel Pizarro, Marianne Vind

Verts/ALE

Katrin Langensiepen, Kira Marie Peter-Hansen, Mounir Satouri, Tatjana Ždanoka

 

2

-

ID

Nicolaus Fest, Guido Reil

 

1

0

Renew

Abir Al-Sahlani

 

Verklaring van de gebruikte tekens:

+ : voor

- : tegen

0 : onthouding

 

[1] Nog niet in het Publicatieblad verschenen.

[2] Verordening (EU) 2020/460 van het Europees Parlement en de Raad van 30 maart 2020 tot wijziging van Verordeningen (EU) nr. 1301/2013, (EU) nr. 1303/2013 en (EU) nr. 508/2014 wat betreft specifieke maatregelen om investeringen in de gezondheidszorgstelsels van de lidstaten en in andere sectoren van hun economieën vrij te maken als antwoord op de Covid-19-uitbraak (Investeringsinitiatief Coronavirusrespons) (PB L 99 van 31.3.2020, blz. 5).

[3] Verordening (EU) 2020/558 van het Europees Parlement en de Raad van 23 april 2020 tot wijziging van Verordeningen (EU) nr. 1301/2013 en (EU) nr. 1303/2013 wat betreft specifieke maatregelen met het oog op uitzonderlijke flexibiliteit bij het gebruik van de Europese structuur- en investeringsfondsen naar aanleiding van de uitbraak van Covid‐19 (PB L 130 van 24.4.2020, blz. 1).

[4] Verordening (EU) nr. 223/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 11 maart 2014 betreffende het Fonds voor Europese hulp aan de meest behoeftigen (PB L 72 van 12.3.2014, blz. 1).

[5] PB L 130 van 24.4.2020, blz. 7.

[7] Verordening (EU, Euratom) nr. 1311/2013 van de Raad van 2 december 2013 tot bepaling van het meerjarig financieel kader voor de jaren 2014-2020 (PB L 347 van 20.12.2013, blz. 884).

Laatst bijgewerkt op: 19 oktober 2020Juridische mededeling - Privacybeleid