Procedure : 2020/0152(COD)
Stadium plenaire behandeling
Documentencyclus : A9-0208/2020

Ingediende teksten :

A9-0208/2020

Debatten :

PV 23/11/2020 - 17
CRE 23/11/2020 - 17
PV 10/02/2021 - 9
CRE 10/02/2021 - 9

Stemmingen :

PV 11/02/2021 - 2

Aangenomen teksten :

P9_TA(2020)0317
P9_TA(2021)0046

<Date>{03/11/2020}3.11.2020</Date>
<NoDocSe>A9-0208/2020</NoDocSe>
PDF 243kWORD 92k

<TitreType>VERSLAG</TitreType>     <RefProcLect>***I</RefProcLect>

<Titre>over het voorstel voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Richtlijn 2014/65/EU wat betreft informatievereisten, productgovernance en positielimieten om bij te dragen aan het herstel van de COVID-19-pandemie</Titre>

<DocRef>(COM(2020)0280 – C9-0210(2020) – 2020/0152(COD))</DocRef>


<Commission>{ECON}Commissie economische en monetaire zaken</Commission>

Rapporteur: <Depute>Markus Ferber</Depute>

ONTWERPWETGEVINGSRESOLUTIE VAN HET EUROPEES PARLEMENT
 PROCEDURE VAN DE BEVOEGDE COMMISSIE
 HOOFDELIJKE EINDSTEMMING IN DE BEVOEGDE COMMISSIE

ONTWERPWETGEVINGSRESOLUTIE VAN HET EUROPEES PARLEMENT

over het voorstel voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Richtlijn 2014/65/EU wat betreft informatievereisten, productgovernance en positielimieten om bij te dragen aan het herstel van de COVID-19-pandemie

(COM(2020)0280 – C9-0210(2020) – 2020/0152(COD))

(Gewone wetgevingsprocedure: eerste lezing)

Het Europees Parlement,

 gezien het voorstel van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad (COM(2020)0280),

 gezien artikel 294, lid 2, en artikel 53, lid 1, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, op grond waarvan het voorstel door de Commissie bij het Parlement is ingediend (C9-0210(2020)),

 gezien artikel 294, lid 3, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

 gezien artikel 59 van zijn Reglement,

 gezien het verslag van de Commissie economische en monetaire zaken (A9-0208/2020),

1. stelt onderstaand standpunt in eerste lezing vast;

2. verzoekt de Commissie om hernieuwde voorlegging aan het Parlement indien zij haar voorstel vervangt, ingrijpend wijzigt of voornemens is het ingrijpend te wijzigen;

3. verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en aan de Commissie alsmede aan de nationale parlementen.

Amendement  1

AMENDEMENTEN VAN HET EUROPEES PARLEMENT[*]

op het voorstel van de Commissie

---------------------------------------------------------

2020/0152 (COD)

Voorstel voor een

RICHTLIJN VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD

tot wijziging van Richtlijn 2014/65/EU wat betreft informatievereisten, productgovernance en positielimieten om bij te dragen aan het herstel van de COVID-19-pandemie

(Voor de EER relevante tekst)

HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 53, lid 1,

Gezien het voorstel van de Europese Commissie,

Na toezending van het ontwerp van wetgevingshandeling aan de nationale parlementen,

Handelend volgens de gewone wetgevingsprocedure,

Overwegende hetgeen volgt:

(1) De COVID-19-pandemie heeft zware gevolgen voor mensen en bedrijven en voor de gezondheidszorgstelsels, economieën en financiële stelsels van de lidstaten. De Commissie heeft in haar mededeling aan het Europees Parlement, de Europese Raad, de Raad, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio’s van 27 mei 2020 met als titel “Het moment van Europa: herstel en voorbereiding voor de volgende generatie”[1] benadrukt dat liquiditeit en toegang tot financiering in de komende maanden knelpunten zullen blijven. Het is daarom van cruciaal belang dat het herstel van de zware economische schok die door de COVID-19-pandemie is veroorzaakt, wordt ondersteund door in bestaande financiële wetgeving de bureaucratie te verminderen door beperkte gerichte wijzigingen aan te brengen. Het algemene doel van de wijzigingen moet daarom zijn onnodige bureaucratie weg te nemen en tijdelijke uitzonderingen te maken die effectief worden geacht om de economische onrust te verzachten. De wijzigingen moeten voorkomen dat er veranderingen worden aangebracht waardoor de sector zwaarder wordt belast en moeten ervoor zorgen dat complexe wetgevingskwesties tijdens de geplande evaluatie van MiFID II worden geregeld. Dit pakket maatregelen wordt goedgekeurd onder het label “Herstelpakket voor de kapitaalmarkten”.

(2) Richtlijn 2014/65/EU van het Europees Parlement en de Raad[2] betreffende markten voor financiële instrumenten werd in 2014 vastgesteld als reactie op de financiële crisis die in 2007-2008 uitbrak. Die richtlijn heeft het financiële stelsel in de Unie aanzienlijk versterkt en garandeert een hoog niveau van bescherming van de beleggers in de gehele Unie. Verdere inspanningen om de complexiteit van de regelgeving en de nalevingskosten van de beleggingsondernemingen te verminderen en concurrentieverstoringen weg te nemen, kunnen in overweging worden genomen, mits tegelijkertijd voldoende rekening wordt gehouden met de bescherming van de beleggers.

(3) Wat de vereisten betreft die tot doel hadden de beleggers te beschermen, heeft Richtlijn 2014/65/EU zijn doelstelling om maatregelen vast te stellen die voldoende rekening houden met de bijzondere kenmerken van elke categorie beleggers (niet-professionele cliënten, professionele cliënten en in aanmerking komende tegenpartijen), niet volledig verwezenlijkt. Sommige van die vereisten hebben niet altijd de bescherming van de beleggers verbeterd, maar hebben soms de vlotte uitvoering van beleggingsbeslissingen belemmerd. Om de bescherming van de beleggers nog meer te verbeteren, is het van cruciaal belang dat bij de geschiktheidsbeoordeling rekening wordt gehouden met het schuldniveau van niet-professionele beleggers, met name gezien de stijgende schulden bij consumenten als gevolg van de COVID-19-pandemie. Bovendien zouden bepaalde vereisten in Richtlijn 2014/65/EU kunnen worden gewijzigd om ▌ de verlening van beleggingsdiensten en de prestaties van beleggingsactiviteiten te faciliteren, mits de wijziging plaatsvindt op een evenwichtige manier die de beleggers volledig beschermt.

(4) De vereisten inzake productgovernance kunnen de verkoop van bedrijfsobligaties beperken. Bedrijfsobligaties met een bepaling inzake vervroegde aflossing worden doorgaans beschouwd als veilige en eenvoudige producten die in aanmerking komen voor niet-professionele cliënten. Een dergelijke bepaling inzake vervroegde aflossing beschermt beleggers tegen verliezen ingeval een emittent voor vervroegde aflossing kiest, door ervoor te zorgen dat die beleggers een betaling ontvangen die gelijk is aan de netto contante waarde van de coupons die zij zouden hebben ontvangen indien de obligatie niet vervroegd was afgelost. De vereisten inzake productgovernance moeten daarom niet langer van toepassing zijn op bedrijfsobligaties met dergelijke bepalingen inzake vervroegde aflossing.

(5) In de door de Europese Autoriteit voor effecten en markten (ESMA) gelanceerde oproep tot het indienen van feitelijke gegevens over het effect van “inducements” en de vereisten inzake bekendmaking van kosten en lasten uit hoofde van Richtlijn 2014/65/EU en in de openbare raadpleging van de Commissie is bevestigd dat professionele cliënten en in aanmerking komende tegenpartijen geen gestandaardiseerde en verplichte kosteninformatie nodig hebben omdat zij reeds de nodige informatie ontvangen wanneer zij met hun dienstverlener onderhandelen. Die informatie is afgestemd op hun behoeften en is vaak gedetailleerder. In aanmerking komende tegenpartijen en professionele cliënten moeten derhalve worden vrijgesteld van de vereisten inzake de bekendmaking van kosten en lasten, behalve met betrekking tot de diensten van beleggingsadvies en vermogensbeheer, omdat professionele cliënten die vermogensbeheer- of beleggingsadviesrelaties aangaan, niet noodzakelijkerwijs over voldoende deskundigheid of kennis beschikken om te worden vrijgesteld van de bekendmakingen van kosten en lasten.

(6) Beleggingsondernemingen zijn momenteel verplicht een kosten-batenanalyse te verrichten van bepaalde portefeuilleactiviteiten in het geval van doorlopende relaties met hun cliënten waarin financiële instrumenten worden omgeschakeld. Dit verplicht beleggingsondernemingen ertoe de nodige informatie bij de cliënt in te winnen en te kunnen aantonen dat de baten van een dergelijke omschakeling opwegen tegen de kosten. Aangezien deze procedure te belastend is voor professionele cliënten, die de neiging hebben om frequent om te schakelen, moeten zij van deze eis worden vrijgesteld, al moet het mogelijk blijven om ervoor te kiezen. Aangezien niet-professionele cliënten een hoog niveau van bescherming nodig hebben, moet die mogelijkheid worden beperkt tot professionele cliënten.

(7) Cliënten die een doorlopende relatie met een beleggingsonderneming onderhouden, ontvangen periodiek of op basis van triggers verplichte dienstverslagen. Noch beleggingsondernemingen noch hun professionele cliënten vinden dergelijke dienstverslagen nuttig. Die verslagen zijn met name nutteloos gebleken voor professionele cliënten op uiterst volatiele markten, aangezien de verslagen zeer frequent en in grote aantallen worden verstrekt. Professionele cliënten reageren vaak op die verslagen hetzij door die verslagen niet te lezen, hetzij door snelle beleggingsbeslissingen te nemen in plaats van door te gaan met een beleggingsstrategie op lange termijn. In aanmerking komende tegenpartijen zouden daarom die dienstverslagen niet langer moeten ontvangen. Professionele cliënten moeten er echter voor kunnen kiezen om die dienstverslagen toch te ontvangen.

(8) Bij Richtlijn 2014/65/EU zijn rapportagevereisten ingevoerd over de wijze waarop orders onder de voor de cliënt voordeligste voorwaarden werden uitgevoerd. Die technische verslagen bevatten grote hoeveelheden gedetailleerde kwantitatieve informatie over de plaats van uitvoering, het financiële instrument, de prijs, de kosten en de waarschijnlijkheid van uitvoering. Zoals blijkt uit het zeer lage aantal downloads van de websites van de beleggingsondernemingen, worden die verslagen zelden gelezen door de beleggers. Aangezien zij beleggers niet in staat stellen op basis van die gegevens zinvolle vergelijkingen te maken, moet de publicatie van die verslagen tijdelijk worden opgeschort.

(9) Om de communicatie tussen beleggingsondernemingen en hun cliënten en dus het beleggingsproces zelf te vergemakkelijken, hoeft de informatie over beleggingen niet langer op papier te worden verstrekt, maar moet deze, als standaardoptie, elektronisch worden verstrekt. Niet-professionele cliënten moeten echter kunnen verzoeken om informatie op papier te blijven ontvangen.

(10) Richtlijn 2014/65/EU voorziet erin dat personen die beroepsmatig grondstoffenderivaten, emissierechten en derivaten daarvan verhandelen, kunnen gebruikmaken van een vrijstelling van vergunning als beleggingsonderneming wanneer hun handelsactiviteit een nevenactiviteit is van hun hoofdbedrijf. Personen die de nevenactiviteitstoets aanvragen, zijn verplicht de betrokken bevoegde autoriteit jaarlijks in kennis te stellen van het feit dat zij van die mogelijkheid gebruikmaken, en de nodige elementen te verstrekken om te voldoen aan de twee kwantitatieve toetsen die bepalen of hun handelsactiviteit een nevenactiviteit is van hun hoofdbedrijf. Bij de eerste toets wordt de omvang van de speculatieve handelsactiviteit van een entiteit vergeleken met de totale handelsactiviteit in de Unie op basis van de activaklasse. Bij de tweede toets wordt de omvang van de speculatieve handelsactiviteit, waarbij alle activaklassen in aanmerking worden genomen, vergeleken met de totale handelsactiviteit op het gebied van financiële instrumenten door de entiteit op groepsniveau. Er is een alternatieve vorm van de tweede toets, die erin bestaat het voor de speculatieve handelsactiviteit gebruikte geraamde kapitaal te vergelijken met de werkelijke hoeveelheid kapitaal die op groepsniveau voor de hoofdactiviteit wordt gebruikt. Die kwantitatieve toetsen moeten de basisregel blijven voor de vrijstelling voor nevenactiviteit. Bij wijze van alternatief moeten de nationale toezichthoudende autoriteiten toestemming kunnen krijgen om zich te baseren op kwalitatieve elementen, onder duidelijk omschreven voorwaarden. ESMA moet de bevoegdheid krijgen om toelichting te verstrekken over de omstandigheden waarin nationale autoriteiten een kwalitatieve benadering kunnen toepassen en om ontwerpen van technische reguleringsnormen inzake de kwaliteitscriteria te ontwikkelen. Personen die voor de vrijstelling in aanmerking komen, met inbegrip van market makers, handelen voor eigen rekening of verlenen andere beleggingsdiensten dan handel voor eigen rekening, voor cliënten of leveranciers van hun hoofdbedrijf. De vrijstelling zou voor beide gevallen afzonderlijk en op geaggregeerde basis beschikbaar zijn als het gaat om een nevenactiviteit op groepsbasis beschouwd. Die vrijstelling mag niet worden verleend aan personen die een techniek van hoogfrequente algoritmische handel toepassen of behoren tot een groep waarvan het hoofdbedrijf bestaat in het verlenen van beleggingsdiensten of bankactiviteiten, of het optreden als market maker met betrekking tot grondstoffenderivaten. ▌

(11) De bevoegde autoriteiten moeten momenteel positielimieten vaststellen en toepassen ten aanzien van de omvang van een nettopositie die een persoon op elk moment kan aanhouden in grondstoffenderivaten die op handelsplatformen worden verhandeld en economisch gelijkwaardige OTC-contracten die door de Commissie worden aangewezen. Aangezien de regeling inzake positielimieten ongunstig is gebleken voor de ontwikkeling van nieuwe grondstoffenmarkten, moeten opkomende grondstoffenmarkten worden uitgesloten van de regeling inzake positielimieten. In plaats daarvan mogen de positielimieten alleen van toepassing zijn op grondstoffenderivaten die als significante of cruciale grondstoffenderivaten worden aangemerkt, en hun economisch gelijkwaardige OTC-contracten. Significante of cruciale derivaten zijn energiegrondstoffenderivaten met een positie in openstaande contracten van ten minste 300 000 eenheden in een periode van één jaar. Vanwege het cruciale belang ervan voor burgers zullen landbouwgrondstoffenderivaten die een onderliggende hebben dat voor menselijke consumptie bestemd is, en hun economisch gelijkwaardige OTC-contracten onder de huidige regeling inzake positielimieten blijven vallen. ESMA moet worden belast met de ontwikkeling van ontwerpen van reguleringsnormen om de landbouwgrondstoffenderivaten met een onderliggende voor menselijke consumptie te bepalen die aan positielimieten gebonden zijn, en cruciale of significante derivaten die aan positielimieten gebonden zijn. Voor significante en cruciale derivaten moet ESMA rekening houden met een positie in openstaande contracten van 300 000 eenheden in een periode van één jaar, het aantal marktdeelnemers en de onderliggende grondstof.

(12) Richtlijn 2014/65/EU staat geen vrijstelling voor afdekking voor financiële entiteiten toe. Verschillende overwegend commerciële groepen die een financiële entiteit voor hun handelsactiviteiten oprichtten, bevonden zich in een situatie waarin hun financiële entiteit niet alle transacties voor de groep kon uitvoeren, omdat de financiële entiteit niet in aanmerking kwam voor de vrijstelling voor afdekking. Daarom moet een strikt omschreven vrijstelling voor afdekking voor financiële tegenpartijen worden ingevoerd. Die vrijstelling voor afdekking zou beschikbaar zijn wanneer, binnen een overwegend commerciële groep, een persoon als beleggingsonderneming ingeschreven is en namens die commerciële groep handelt. Om deze vrijstelling voor afdekking te beperken tot alleen die financiële entiteiten die handeldrijven voor de niet-financiële entiteiten in de overwegend commerciële groep, moet die vrijstelling voor afdekking van toepassing zijn op de posities die door die financiële entiteit worden aangehouden waarvan objectief kan worden aangetoond dat zij de risico’s verminderen die rechtstreeks verband houden met de commerciële bedrijvigheid van de niet-financiële entiteiten van de groep.

(13) Zelfs in liquide contracten treedt doorgaans slechts een beperkt aantal marktdeelnemers op als market makers op grondstoffenmarkten. Wanneer die marktdeelnemers positielimieten moeten toepassen, kunnen zij niet even doeltreffend zijn als market makers. Daarom moet een vrijstelling van de regeling inzake positielimieten worden ingevoerd voor financiële en niet-financiële tegenpartijen voor posities die het gevolg zijn van transacties die worden aangegaan om aan de verplichting inzake liquiditeitsverschaffing te voldoen.

(13 bis) De wijzigingen in de regeling inzake positielimieten zijn bedoeld om de ontwikkeling van nieuwe energiecontracten te ondersteunen, met name op de elektriciteitsmarkt, en zijn niet bedoeld om de regeling voor landbouwgrondstoffencontracten te versoepelen.

(14) De huidige regeling inzake positielimieten houdt geen rekening met de unieke kenmerken van gesecuritiseerde derivaten. Gesecuritiseerde derivaten moeten daarom worden uitgesloten van de regeling inzake positielimieten.

(15) Sinds de inwerkingtreding van Richtlijn 2014/65/EU konden nog geen gelijkwaardige grondstoffenderivatencontracten worden vastgesteld. Door het concept van “hetzelfde contract” in die richtlijn is de methode voor het bepalen van de limiet van andere maanden nadelig voor het platform met de minder liquide markt wanneer handelsplatformen concurreren voor grondstoffenderivaten die gebaseerd zijn op hetzelfde onderliggende en dezelfde kenmerken hebben. Daarom moet de verwijzing naar “hetzelfde contract” in Richtlijn 2014/65/EU worden geschrapt. De bevoegde autoriteiten moeten kunnen overeenkomen dat de op hun respectieve handelsplatformen verhandelde grondstoffenderivaten gebaseerd zijn op hetzelfde onderliggende en dezelfde kenmerken hebben; in dat geval kan de uitgangswaarde voor de limiet van andere maanden op de meest liquide markt voor dat grondstoffenderivaat worden gebruikt als de uitgangslimiet voor de vaststelling van de positielimiet van andere maanden voor de concurrerende contracten die op de minder liquide platformen worden verhandeld.

(16) Er bestaan aanzienlijke verschillen in de wijze waarop posities door handelsplatformen in de Unie worden beheerd. Daarom moeten de positiebeheerscontroles waar nodig worden versterkt.

(17) Om de verdere ontwikkeling van in euro luidende EU-grondstoffenmarkten te waarborgen, moet aan de Commissie de bevoegdheid worden toegekend om overeenkomstig artikel 290 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie handelingen vast te stellen met betrekking tot welke landbouwgrondstoffenderivaten aan positielimieten moeten worden onderworpen en welke cruciale of significante derivaten aan positielimieten moeten worden onderworpen, met betrekking tot een procedure waarmee personen een vrijstelling voor afdekking kunnen aanvragen voor posities die het gevolg zijn van transacties die worden aangegaan om aan de verplichting inzake liquiditeitsverschaffing te voldoen, met betrekking tot een procedure waarmee financiële entiteiten die behoren tot een overwegend commerciële groep, een vrijstelling voor afdekking kunnen aanvragen voor posities die door die financiële entiteit worden aangehouden waarvan objectief kan worden aangetoond dat zij de risico’s verminderen die rechtstreeks verband houden met de commerciële bedrijvigheid van de niet-financiële entiteiten van de groep, en met betrekking tot de verduidelijking van de inhoud van de positiebeheerscontroles. Het is van bijzonder belang dat de Commissie bij haar voorbereidende werkzaamheden tot passende raadplegingen overgaat, onder meer op deskundigenniveau, en dat die raadplegingen gebeuren in overeenstemming met de beginselen die zijn vastgelegd in het Interinstitutioneel Akkoord van 13 april 2016 over beter wetgeven[3]. Met name om te zorgen voor gelijke deelname aan de voorbereiding van gedelegeerde handelingen ontvangen het Europees Parlement en de Raad alle documenten op hetzelfde tijdstip als de deskundigen van de lidstaten, en hebben hun deskundigen systematisch toegang tot de vergaderingen van de deskundigengroepen van de Commissie die zich bezighouden met de voorbereiding van de gedelegeerde handelingen.

(18) Het EU-emissiehandelssysteem (ETS) is het vlaggenschipbeleid van de Unie om de economie koolstofarm te maken, in overeenstemming met de Europese Green Deal. De handel in emissierechten en derivaten daarvan is onderworpen aan Richtlijn 2014/65/EU en Verordening (EU) nr. 600/2014 en is een belangrijk onderdeel van de koolstofmarkt van de Unie. Dankzij de vrijstelling voor nevenactiviteit uit hoofde van Richtlijn 2014/65/EU kunnen bepaalde marktdeelnemers actief zijn op de markten voor emissierechten zonder over een vergunning als beleggingsonderneming te moeten beschikken, mits aan bepaalde voorwaarden is voldaan. Gezien het belang van ordelijke, goed gereguleerde en onder toezicht staande financiële markten, de aanzienlijke rol van het ETS bij de verwezenlijking van de duurzaamheidsdoelstellingen van de Unie en de rol die een goed functionerende secundaire markt voor emissierechten speelt bij de ondersteuning van de werking van het ETS, is het van essentieel belang dat de vrijstelling voor nevenactiviteit passend ontworpen is om bij te dragen aan deze doelstellingen. Dit is bijzonder relevant wanneer de handel in emissierechten plaatsvindt op handelsplatformen van derde landen. Om de financiële stabiliteit, de marktintegriteit, de bescherming van de beleggers en het gelijke speelveld in de Unie te beschermen en ervoor te zorgen dat het ETS op een transparante en robuuste manier blijft functioneren om kosteneffectieve emissiereducties te verzekeren, moet de Commissie toezicht houden op de verdere ontwikkeling van de handel in emissierechten en derivaten daarvan in de Unie en in derde landen, het effect van de vrijstelling voor nevenactiviteit op het ETS beoordelen en, waar nodig, passende wijzigingen voorstellen met betrekking tot het toepassingsgebied en de toepassing van de vrijstelling voor nevenactiviteit.

(19) Richtlijn 2014/65/EU moet derhalve dienovereenkomstig worden gewijzigd.

(20) De doelstellingen die met deze wijziging worden beoogd, zijn het aanvullen van reeds bestaande wetgeving van de Unie en kunnen dus het best op het niveau van de Unie worden bereikt, in plaats van door uiteenlopende nationale initiatieven. Financiële markten zijn per definitie grensoverschrijdend van aard en worden dat steeds meer. Door deze integratie zou een geïsoleerde nationale interventie veel minder efficiënt zijn en tot versnippering van de markten leiden, met regelgevingsarbitrage en verstoring van de mededinging tot gevolg.

(20 bis) Daar de doelstellingen van deze richtlijn, namelijk het verfijnen van reeds bestaande Uniewetgeving om te komen tot eenvormige en passende vereisten die van toepassing zijn op beleggingsondernemingen in de hele Unie, niet voldoende door de lidstaten kunnen worden verwezenlijkt, maar vanwege de omvang en de gevolgen van het optreden beter door de Unie kunnen worden verwezenlijkt, kan de Unie, overeenkomstig het in artikel 5 van het Verdrag betreffende de Europese Unie neergelegde subsidiariteitsbeginsel, maatregelen nemen. Overeenkomstig het in hetzelfde artikel neergelegde evenredigheidsbeginsel gaat deze richtlijn niet verder dan nodig is om deze doelstellingen te verwezenlijken.

(21) Overeenkomstig de gezamenlijke politieke verklaring van 28 september 2011 van de lidstaten en de Commissie over toelichtende stukken[4] hebben de lidstaten zich ertoe verbonden om in gerechtvaardigde gevallen de kennisgeving van hun omzettingsmaatregelen vergezeld te doen gaan van een of meer stukken waarin het verband tussen de onderdelen van een richtlijn en de overeenkomstige delen van de nationale omzettingsinstrumenten wordt toegelicht. Met betrekking tot deze richtlijn acht de wetgever de toezending van die stukken gerechtvaardigd.

(21 bis) Het doel van de wijzigingen moet zijn tijdelijke uitzonderingen te maken en een einde te maken aan duidelijke bureaucratische rompslomp om de economische crisis te verzachten; daarom moet worden vermeden dat in de wijzigingen wordt ingegaan op meer complexe wetgevingskwesties die de sector nog meer dreigen te belasten. Ingrijpende wijzigingen in de wetgeving moeten eerst opnieuw worden geëvalueerd in het kader van de geplande evaluatie van MiFID II,

 

HEBBEN DE VOLGENDE RICHTLIJN VASTGESTELD:

Artikel 1
Wijzigingen van Richtlijn 2014/65/EU

Richtlijn 2014/65/EU wordt als volgt gewijzigd:

1) Artikel 2 wordt als volgt gewijzigd:

a) lid 1, onder j), wordt vervangen door:

“j) personen die:

i) voor eigen rekening handelen, met inbegrip van market makers, in grondstoffenderivaten, emissierechten of derivaten daarvan, met uitzondering van personen die voor eigen rekening handelen bij het uitvoeren van orders van cliënten; of

ii) andere beleggingsdiensten dan handel voor eigen rekening in grondstoffenderivaten of emissierechten of derivaten daarvan verlenen aan de cliënten of leveranciers van hun hoofdbedrijf;

mits:

 dit in elk van deze gevallen afzonderlijk en op geaggregeerde basis een nevenactiviteit van hun hoofdbedrijf is op groepsbasis beschouwd;

 deze personen niet behoren tot een groep waarvan het hoofdbedrijf bestaat in het verlenen van beleggingsdiensten in de zin van deze richtlijn of het verrichten van activiteiten vermeld in bijlage I bij Richtlijn 2013/36/EU, of het optreden als market maker voor grondstoffenderivaten;

 deze personen geen techniek voor hoogfrequente algoritmische handel toepassen;

 deze personen op verzoek de bevoegde autoriteit meedelen op welke basis zij hebben beoordeeld dat hun activiteit overeenkomstig de punten i) en ii) een nevenactiviteit is van hun hoofdbedrijf.”;

 

b bis) het volgende lid wordt toegevoegd:

“(4 bis)  In afwijking van lid 4 van dit artikel kunnen de lidstaten ervoor kiezen kwaliteitscriteria toe te passen met betrekking tot de vrijstellingen als bedoeld in lid 1, onder j).

ESMA ontwikkelt ontwerpen van technische reguleringsnormen om toelichting te verstrekken over de kwaliteitscriteria die kunnen worden gebruikt om te beoordelen of de in lid 1, onder j), bedoelde vrijstellingen van toepassing zijn.

ESMA legt die ontwerpen van technische reguleringsnormen uiterlijk op 1 april 2021 voor aan de Commissie.

Aan de Commissie wordt de bevoegdheid toegekend om de in de tweede alinea bedoelde technische reguleringsnormen vast te stellen overeenkomstig de artikelen 10 tot en met 14 van Verordening (EU) nr. 1095/2010.”.

2) Artikel 4, lid 1, wordt als volgt gewijzigd:

a) het volgende punt 8 bis wordt ingevoegd:

“8 bis. “omschakeling van financiële instrumenten”: het verkopen van een financieel instrument en het kopen van een ander financieel instrument of het uitoefenen van een recht om een wijziging aan te brengen met betrekking tot een bestaand financieel instrument;”;

b) het volgende punt 50 bis wordt ingevoegd:

“50 bis. “bedrijfsobligaties met bepalingen inzake vervroegde aflossing (“make-whole clauses”)”: bedrijfsobligaties met een bepaling die de emittent in geval van vervroegde aflossing verplicht om de hoofdsom van de obligatie en de netto contante waarde van de coupons die de belegger zou hebben ontvangen ingeval de obligatie niet was afgelost, aan de belegger te betalen;”;

c) het volgende punt 62 bis wordt ingevoegd:

“62 bis. “elektronisch formaat”: elke andere duurzame drager dan papier;”.

3) Aan artikel 16, lid 3, wordt de volgende alinea toegevoegd:

“De vereisten van de tweede tot en met de vijfde alinea van dit lid zijn niet van toepassing op bedrijfsobligaties met bepalingen inzake vervroegde aflossing.”.

4) Artikel 24 wordt als volgt gewijzigd:

a) aan lid 2 wordt de volgende alinea toegevoegd:

“Dit lid is niet van toepassing op bedrijfsobligaties met bepalingen inzake vervroegde aflossing.”;

b) aan lid 4 wordt de volgende alinea toegevoegd:

“Indien de overeenkomst tot aankoop of verkoop van een financieel instrument wordt gesloten met behulp van technieken voor communicatie op afstand die de voorafgaande verstrekking van de informatie over kosten en lasten belet, mag de beleggingsonderneming de informatie over kosten en lasten zonder onnodige vertraging na het sluiten van de transactie verstrekken ▌, mits aan alle volgende voorwaarden is voldaan:

i) de beleggingsonderneming heeft de cliënt de mogelijkheid geboden het sluiten van de transactie uit te stellen totdat de cliënt de informatie heeft ontvangen;

ii) de cliënt heeft ermee ingestemd de informatie te ontvangen zonder onnodige vertraging na het sluiten van de transactie.

De beleggingsonderneming biedt de cliënt de mogelijkheid deze informatie telefonisch te ontvangen vóór het sluiten van de transactie.”;

c) het volgende lid 5 bis wordt ingevoegd:

 “5 bis. Beleggingsondernemingen verstrekken alle op grond van deze richtlijn vereiste informatie aan cliënten of potentiële cliënten in elektronische vorm, behalve wanneer de cliënt of potentiële cliënt een niet-professionele cliënt of potentiële niet-professionele cliënt is die heeft verzocht om de informatie op papier te ontvangen, in welk geval die informatie op papier en kosteloos wordt verstrekt.

Beleggingsondernemingen delen niet-professionele cliënten of potentiële niet-professionele cliënten mee dat zij de mogelijkheid hebben de informatie op papier te ontvangen.

Beleggingsondernemingen delen de bestaande niet-professionele cliënten die de op grond van deze richtlijn vereiste informatie op papier ontvingen, mee dat zij die informatie in elektronische vorm zullen ontvangen, ten minste acht weken voordat die informatie in elektronische vorm zal worden verzonden. Beleggingsondernemingen delen de bestaande niet-professionele cliënten mee dat zij de keuze hebben om hetzij de informatie op papier te blijven ontvangen, hetzij over te stappen op informatie in elektronisch formaat. Beleggingsondernemingen delen de bestaande niet-professionele cliënten ook mee dat een automatische overstap op het elektronische formaat zal volgen wanneer zij niet binnen die termijn van acht weken hebben verzocht om de informatie op papier te blijven ontvangen. Dit hoeft niet te worden meegedeeld aan de bestaande niet-professionele cliënten die de op grond van deze richtlijn vereiste informatie reeds in elektronisch formaat ontvangen.”;

c bis) het volgende lid 9 bis wordt ingevoegd:

“9 bis. De lidstaten zorgen ervoor dat beleggingsondernemingen voor de verlening van uitvoerende diensten en de verrichting van beleggingsonderzoek gezamenlijk kunnen betalen, mits aan alle volgende voorwaarden is voldaan:

a) de beleggingsonderneming en de aanbieder van onderzoeksdiensten hebben vóór de verlening van de uitvoerende diensten of de diensten voor beleggingsonderzoek een overeenkomst gesloten waarin wordt vermeld welk deel van de gezamenlijke betaling verband houdt met de onderzoeksdiensten;

b) de beleggingsonderneming brengt haar cliënt op de hoogte van de gezamenlijke betalingen;

c) de uitvoerende diensten waarvoor de gezamenlijke betaling wordt verricht, worden uitsluitend verleend aan emittenten van wie de marktkapitalisatie gedurende de periode van 36 maanden voorafgaand aan de verrichting van het beleggingsonderzoek niet hoger was dan 1 miljard EUR.

 Voor de toepassing van dit artikel wordt beleggingsonderzoek begrepen als onderzoeksmateriaal of -diensten met betrekking tot een of meer financiële instrumenten of andere activa, of emittenten of potentiële emittenten van financiële instrumenten, of als onderzoeksmateriaal of -diensten die nauw verband houden met een specifieke bedrijfssector of markt zodat hiermee wordt bijgedragen tot de opinievorming over financiële instrumenten, activa of emittenten binnen die bedrijfssector of markt.

Beleggingsonderzoek omvat ook materiaal of diensten die een expliciete of impliciete aanbeveling of suggestie inhouden voor een beleggingsstrategie en gefundeerd advies bieden over de huidige of toekomstige waarde of prijs van financiële instrumenten of activa. Het kan ook analyses en originele inzichten bevatten en conclusies aanreiken op basis van nieuwe of bestaande informatie die bruikbaar is voor de inhoudelijke ondersteuning van de beleggingsstrategie en die van belang is alsook in staat is om waarde toe te voegen aan de beslissingen van de beleggingsonderneming namens de cliënten die dit onderzoek vergoeden.

(5) Aan artikel 25, lid 2, wordt de volgende alinea toegevoegd:

“Bij het verstrekken van beleggingsadvies of het verrichten van vermogensbeheer waarbij tussen financiële instrumenten wordt omgeschakeld, analyseren beleggingsondernemingen de kosten en baten van de omschakeling tussen financiële instrumenten. Bij het verstrekken van beleggingsadvies delen beleggingsondernemingen de cliënt mee of de baten van een dergelijke omschakeling tussen financiële instrumenten al dan niet groter zijn dan de kosten daarvan.”.

(5 bis) Aan artikel 25, lid 6, wordt de volgende alinea toegevoegd:

“Dit lid is niet van toepassing op de verplichtingen in verband met de drempels voor het melden van verliezen als bedoeld in artikel 25 bis van deze richtlijn.”

(5 ter) De inleidende formule van artikel 25, lid 8, wordt als volgt gewijzigd:

“8. De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 89 gedelegeerde handelingen vast te stellen om ervoor te zorgen dat beleggingsondernemingen de in de leden 2 tot en met 6 van dit artikel neergelegde beginselen in acht nemen wanneer zij beleggingsdiensten of nevendiensten aan hun cliënten verlenen, met inbegrip van informatie die moet worden verkregen voor het beoordelen van de geschiktheid of passendheid van de diensten en financiële instrumenten voor hun cliënten, criteria voor de beoordeling van niet-complexe financiële instrumenten ten behoeve van lid 4, onder a), vi), van dit artikel en de inhoud en vorm van documenten en overeenkomsten voor het verlenen van diensten aan cliënten en van periodieke rapporten aan cliënten over de verleende diensten, met uitzondering van de verplichtingen in verband met de drempels voor het melden van verliezen als bedoeld in artikel 25 bis. In deze gedelegeerde handelingen wordt rekening gehouden met het volgende:”.

(5 quater)  Het volgende artikel 25 bis wordt ingevoegd:

“Artikel 25 bis

Drempels voor het melden van verliezen

(1) Beleggingsondernemingen die vermogensbeheerdiensten verrichten, brengen de cliënt op de hoogte bij een verlies van 10 % van de totale waarde van de portefeuille, zoals bepaald aan het begin van elke rapportageperiode, en daarna bij verliezen van veelvouden van 10 %, en wel uiterlijk aan het einde van de werkdag waarop deze drempel wordt overschreden of, wanneer deze drempel op een niet-werkdag wordt overschreden, aan het einde van de eerstvolgende werkdag.

(2) Beleggingsondernemingen die een rekening van een niet-professionele cliënt aanhouden die posities in leveraged financiële instrumenten of transacties waarbij een voorwaardelijke verplichting wordt aangegaan omvat, brengen de cliënt op de hoogte bij een verlies van 10 % van de initiële waarde van elk instrument en daarna bij verliezen van veelvouden van 10 %. De rapportage uit hoofde van dit lid vindt plaats per instrument, tenzij anders met de cliënt is overeengekomen, en geschiedt uiterlijk aan het einde van de werkdag waarop deze drempel wordt overschreden of, wanneer deze drempel op een niet-werkdag wordt overschreden, aan het einde van de eerstvolgende werkdag.”

 

(6) Aan artikel 27, lid 3, wordt de volgende alinea toegevoegd:

“Het in dit lid vastgestelde rapportagevereiste is echter niet van toepassing tot [datum van inwerkingtreding van deze wijzigingsrichtlijn + 2 jaar]; de Europese Commissie evalueert uitvoerig de toereikendheid van de rapportagevereisten in dit lid en dient uiterlijk op [datum van inwerkingtreding van deze wijzigingsrichtlijn + 1 jaar] een verslag in bij het Europees Parlement en de Raad.”.

(6 bis) Aan artikel 27, lid 6, wordt de volgende alinea toegevoegd:

“De Europese Commissie evalueert uitvoerig de toereikendheid van de rapportagevereisten in dit lid en dient uiterlijk op [datum van inwerkingtreding van deze wijzigingsrichtlijn + 1 jaar] een verslag in bij het Europees Parlement en de Raad.”.

(7) Het volgende artikel 29 bis wordt ingevoegd:

“Artikel 29 bis
Aan professionele cliënten verleende diensten

(1) De vereisten van artikel 24, lid 4, onder c), zijn niet van toepassing op andere aan professionele cliënten verleende diensten dan beleggingsadvies en vermogensbeheer. De vereisten van artikel 24, lid 4, onder c), zijn evenmin van toepassing op in aanmerking komende tegenpartijen.

(2) De vereisten van artikel 25, lid 2, derde alinea, en artikel 25, lid 6, zijn niet van toepassing op diensten die worden verleend aan professionele cliënten, tenzij die cliënten de beleggingsonderneming schriftelijk meedelen dat zij gebruik wensen te maken van de rechten waarin deze bepalingen voorzien. 

(3) De lidstaten zorgen ervoor dat beleggingsondernemingen een register bijhouden van de in lid 2 bedoelde schriftelijke verzoeken.”.

(8) In artikel 30 wordt lid 1 vervangen door:

“1. De lidstaten dragen er zorg voor dat beleggingsondernemingen met een vergunning om orders voor rekening van cliënten uit te voeren, voor eigen rekening uit te voeren of om orders te ontvangen en door te geven, de mogelijkheid hebben transacties met in aanmerking komende tegenpartijen tot stand te brengen of te sluiten zonder dat zij ertoe gehouden zijn met betrekking tot deze transacties of met betrekking tot rechtstreeks met deze transacties verband houdende nevendiensten de verplichtingen van artikel 24, met uitzondering van lid 5 bis, artikel 25, artikel 27 en artikel 28, lid 1, na te komen.”.

(9) Artikel 57 wordt als volgt gewijzigd:

(a) lid 1 wordt vervangen door:

“1. De lidstaten dragen er zorg voor dat de bevoegde autoriteiten, overeenkomstig de berekeningsmethode die is bepaald in technische reguleringsnormen die door ESMA overeenkomstig lid 3 zijn vastgesteld, positielimieten vaststellen en toepassen ten aanzien van de omvang van een nettopositie die een persoon op elk moment kan aanhouden in landbouwgrondstoffenderivaten en cruciale of significante grondstoffenderivaten die op handelsplatformen worden verhandeld, en in economisch gelijkwaardige OTC-contracten. De limieten worden vastgesteld op basis van alle posities die door een persoon worden aangehouden en de posities die voor rekening van deze persoon worden aangehouden op geaggregeerd groepsniveau teneinde:

(a) marktmisbruik te voorkomen;

(b) ordelijke koersvormings- en afwikkelingsvoorwaarden te bevorderen, onder meer door marktverstorende posities te voorkomen en in het bijzonder door convergentie te waarborgen tussen de derivatenprijzen in de maand van levering en de prijzen op de spotmarkt voor de onderliggende grondstof, zonder afbreuk te doen aan de koersvorming op de markt voor de onderliggende grondstof.

De positielimieten gelden niet voor:

(a) posities die worden aangehouden door of voor rekening van een niet-financiële entiteit en waarvan objectief kan worden vastgesteld dat zij de risico’s verminderen die rechtstreeks verband houden met de commerciële activiteit van die niet-financiële entiteit;

(b) posities die worden aangehouden door of voor rekening van een financiële entiteit die behoort tot een niet-financiële groep en die optreedt namens deze niet-financiële groep en waarvan objectief kan worden aangetoond dat zij risico’s verminderen die rechtstreeks verband houden met de commerciële activiteit van die niet-financiële groep;

(c) posities die worden aangehouden door financiële en niet-financiële tegenpartijen voor posities waarvan objectief kan worden aangetoond dat zij voortvloeien uit transacties die zijn aangegaan om te voldoen aan de verplichting een handelsplatform van liquiditeit te voorzien als bedoeld in artikel 2, lid 4, vierde alinea, onder c);

(d) effecten in de zin van artikel 4, lid 1, punt 44, onder c), die betrekking hebben op een grondstof of een onderliggende bedoeld in deel C, punt 10, van bijlage I.

ESMA ontwikkelt ontwerpen van technische reguleringsnormen om een procedure te bepalen voor financiële entiteiten die behoren tot een overwegend commerciële groep en die een vrijstelling voor afdekking kunnen aanvragen voor posities die door die financiële entiteit worden aangehouden en waarvan objectief kan worden aangetoond dat zij risico’s verminderen die rechtstreeks verband houden met de commerciële activiteit van de niet-financiële entiteiten van de groep. ESMA ontwikkelt ontwerpen van technische reguleringsnormen om een procedure te bepalen volgens welke personen een vrijstelling voor afdekking kunnen aanvragen voor posities die het gevolg zijn van transacties die zijn aangegaan om te voldoen aan de verplichting een handelsplatform van liquiditeit te voorzien.

ESMA dient die ontwerpen van technische reguleringsnormen uiterlijk op ... [9 maanden na de inwerkingtreding van deze richtlijn] in bij de Commissie.

Aan de Commissie wordt de bevoegdheid toegekend om de in de eerste alinea bedoelde technische reguleringsnormen vast te stellen overeenkomstig de artikelen 10 tot en met 14 van Verordening (EU) nr. 1095/2010.”;

(b) de leden 3 en 4 worden vervangen door:

“3. ESMA ontwikkelt ontwerpen van technische reguleringsnormen om de in lid 1 bedoelde landbouwgrondstoffenderivaten en cruciale of significante grondstoffenderivaten nader te bepalen, en om de berekeningsmethode te bepalen die door de bevoegde autoriteiten wordt toegepast bij de vaststelling van de spot maandpositielimieten en de positielimieten van andere maanden voor materieel afgewikkelde en door middel van contanten afgewikkelde grondstoffenderivaten op basis van de kenmerken van het derivaat in kwestie.

Bij de nadere bepaling van cruciale of significante grondstoffenderivaten houdt ESMA rekening met de volgende factoren:

(a) een positie in openstaande contracten met een omvang van gemiddeld 300 000 eenheden in één jaar;

(b) het aantal marktdeelnemers;

(c) de onderliggende grondstof van het derivaat in kwestie.

Bij het bepalen van de in de eerste alinea bedoelde berekeningsmethode houdt ESMA rekening met de volgende factoren:

(a) de leverbare voorraad van de onderliggende grondstof;

(b) de totale positie in openstaande contracten in dat derivaat en de totale openstaande positie in andere financiële instrumenten met dezelfde onderliggende grondstof;

(c) het aantal en de omvang van de marktdeelnemers;

(d) de kenmerken van de onderliggende grondstoffenmarkt, met inbegrip van productie-, consumptie- en marktvervoerspatronen;

(e) de ontwikkeling van nieuwe derivaten;

(f) de ervaring van beleggingsondernemingen of marktexploitanten die een handelsplatform exploiteren en van andere rechtsgebieden met de positielimieten.

ESMA dient de in de eerste alinea bedoelde ontwerpen van technische reguleringsnormen uiterlijk op [9 maanden na de inwerkingtreding van deze richtlijn] in bij de Commissie.

Aan de Commissie wordt de bevoegdheid toegekend om de in de eerste alinea bedoelde technische reguleringsnormen vast te stellen overeenkomstig de artikelen 10 tot en met 14 van Verordening (EU) nr. 1095/2010.

4. Een bevoegde autoriteit stelt positielimieten vast voor cruciale of significante op handelsplatformen verhandelde grondstoffenderivatencontracten zoals nader bepaald in de door ESMA overeenkomstig lid 3 vastgestelde technische reguleringsnormen, en landbouwgrondstoffenderivaten, op basis van de berekeningsmethode die is bepaald in door ESMA overeenkomstig lid 3 vastgestelde technische reguleringsnormen. Deze positielimiet omvat economisch gelijkwaardige OTC-contracten.

Een bevoegde autoriteit herziet de positielimieten in geval van een aanzienlijke verandering op de markt, waaronder een aanzienlijke verandering in de leverbare voorraad of de positie in openstaande contracten, op basis van haar bepaling van de leverbare voorraad en van de positie in openstaande contracten, en stelt de positielimiet opnieuw vast overeenkomstig de door ESMA vastgestelde berekeningsmethode.”;

(c) de leden 6, 7 en 8 worden vervangen door:

“6. Ingeval landbouwgrondstoffenderivaten en cruciale of significante grondstoffenderivaten die gebaseerd zijn op hetzelfde onderliggende en dezelfde kenmerken hebben, in aanzienlijke hoeveelheden worden verhandeld op handelsplatformen in meer dan één rechtsgebied, stelt de bevoegde autoriteit van het handelsplatform met het grootste handelsvolume (“de centrale bevoegde autoriteit”) de unieke positielimiet vast die wordt toegepast op alle handel in dat derivaat. De centrale bevoegde autoriteit raadpleegt de bevoegde autoriteiten van de andere handelsplatformen waar dit derivaat in aanzienlijke hoeveelheden wordt verhandeld, over de toe te passen unieke positielimiet en eventuele herzieningen van deze unieke positielimiet. De bevoegde autoriteiten die het niet eens zijn met de vaststelling van de unieke positielimiet door de centrale bevoegde autoriteit, geven schriftelijk de volledige en gedetailleerde redenen aan waarom zij van mening zijn dat niet is voldaan aan de vereisten van lid 1. ESMA beslecht alle geschillen die voortvloeien uit meningsverschillen tussen bevoegde autoriteiten.

De bevoegde autoriteiten van de handelsplatformen waar landbouwgrondstoffenderivaten en cruciale of significante grondstoffenderivaten die gebaseerd zijn op hetzelfde onderliggende en dezelfde kenmerken hebben, worden verhandeld, en de bevoegde autoriteiten van positiehouders in die derivaten sluiten samenwerkingsregelingen, die onder meer voorzien in de uitwisseling van relevante gegevens teneinde toezicht op en handhaving van de unieke positielimiet mogelijk te maken.

7. ESMA controleert ten minste een keer per jaar de wijze waarop de bevoegde autoriteiten de positielimieten vastgesteld op basis van de door ESMA overeenkomstig lid 3 vastgestelde berekeningsmethode hebben geïmplementeerd. Hierbij waarborgt ESMA dat een unieke positielimiet daadwerkelijk van toepassing is op de landbouwgrondstoffenderivaten en cruciale of significante contracten die gebaseerd zijn op hetzelfde onderliggende en dezelfde kenmerken hebben, onafhankelijk van de plaats waar die worden verhandeld overeenkomstig lid 6.

8. De lidstaten zorgen ervoor dat een beleggingsonderneming of marktexploitant die een handelsplatform exploiteert waarop grondstoffenderivaten worden verhandeld, positiebeheerscontroles toepast, met inbegrip van bevoegdheden voor het handelsplatform om:

(a) de posities in openstaande contracten van personen te bewaken;

(b) informatie te verkrijgen, met inbegrip van alle relevante documentatie, van personen betreffende de omvang en het doel van een ingenomen positie of aangegane blootstelling, en betreffende uiteindelijke of onderliggende eigenaren, gezamenlijke regelingen en enigerlei activa of verplichtingen op de onderliggende markt, met inbegrip van, in voorkomend geval, posities aangehouden in hiermee verband houdende contracten op andere handelsplatformen en OTC door middel van leden en deelnemers;

(c) te eisen dat een persoon een positie, tijdelijk of zo nodig definitief, beëindigt of vermindert, en eenzijdig actie te ondernemen opdat de positie wordt beëindigd of verminderd indien de persoon nalaat aan een dergelijke eis te voldoen; en

(d) te eisen dat een persoon weer tijdelijk voor liquiditeit op de markt zorgt voor een overeengekomen prijs en omvang met de uitdrukkelijke bedoeling de effecten van een omvangrijke of dominante positie te beperken.

ESMA ontwikkelt ontwerpen van technische reguleringsnormen tot nadere bepaling van de inhoud van de positiebeheerscontroles en houdt daarbij rekening met de kenmerken van de betrokken handelsplatformen.

ESMA dient die ontwerpen van technische reguleringsnormen uiterlijk op [9 maanden na de inwerkingtreding van deze richtlijn] in bij de Commissie.

Aan de Commissie wordt de bevoegdheid toegekend om de in de eerste alinea bedoelde technische reguleringsnormen vast te stellen overeenkomstig de artikelen 10 tot en met 14 van Verordening (EU) nr. 1095/2010.”.

(10) In artikel 58 wordt lid 2 vervangen door:

“2. De lidstaten zien erop toe dat beleggingsondernemingen die buiten een handelsplatform grondstoffenderivaten of emissierechten of derivaten daarvan verhandelen, de in artikel 57, lid 6, bedoelde centrale bevoegde autoriteit ten minste op dagelijkse basis een volledige uitsplitsing verstrekken van hun posities in grondstoffenderivaten of emissierechten of derivaten daarvan die op een handelsplatform worden verhandeld en economisch gelijkwaardige OTC-contracten, alsmede die van hun cliënten, en de cliënten van die cliënten tot aan de eindcliënt, in overeenstemming met artikel 26 van Verordening (EU) nr. 600/2014 en indien van toepassing artikel 8 van Verordening (EU) nr. 1227/2011.”.

(11) In artikel 90 wordt het volgende lid 1 bis ingevoegd:

“1 bis. Vóór 31 december 2021 evalueert de Commissie de gevolgen van de in artikel 2, lid 1, onder j), vastgestelde vrijstelling met betrekking tot emissierechten of derivaten daarvan, en doet zij die evaluatie, zo nodig, vergezeld gaan van een wetgevingsvoorstel tot wijziging van die vrijstelling. In dit verband beoordeelt de Commissie de handel in EU-emissierechten en derivaten daarvan in de EU en in derde landen, de gevolgen van de vrijstelling uit hoofde van artikel 2, lid 1, onder j), op de bescherming van de beleggers, de integriteit en transparantie van de markten voor emissierechten en derivaten daarvan, en of er maatregelen moeten worden vastgesteld met betrekking tot de handel die plaatsvindt op handelsplatformen in derde landen.”.

 

Artikel 1 bis

Wijzigingen van Richtlijn (EU) 2019/878

 

Artikel 2, lid 1, van Richtlijn (EU) 2019/878 wordt als volgt gewijzigd:

(1)  de eerste alinea wordt vervangen door:

“De lidstaten dienen uiterlijk op 28 december 2020 de nodige bepalingen vast te stellen en bekend te maken om: i)  aan de bepalingen van deze richtlijn te voldoen, voor zover deze betrekking hebben op kredietinstellingen; ii)   te voldoen aan artikel 1, punten 1 en 9, van deze richtlijn wat betreft artikel 2, leden 5 en 6, en artikel 21 ter van Richtlijn 2013/36/EU, voor zover deze betrekking hebben op kredietinstellingen en beleggingsondernemingen.”

(2)  de volgende alinea wordt ingevoegd na de eerste alinea:

“Zij stellen de Commissie daarvan onverwijld in kennis.”

 

Artikel 1 ter

Wijzigingen van Richtlijn 2013/36/EU

In artikel 94, lid 2, worden de derde, vierde en vijfde alinea vervangen door:

“Voor het identificeren van personeelsleden wier beroepswerkzaamheden het risicoprofiel van de instellingen wezenlijk beïnvloeden als bedoeld in artikel 92, lid 2, behalve wat betreft personeelsleden in beleggingsondernemingen zoals gedefinieerd in artikel 4, lid 1, punt 2, van Verordening (EU) nr. 575/2013, ontwikkelt de EBA ontwerpen van technische reguleringsnormen waarin de criteria worden uiteengezet om het volgende te definiëren:

(a)  leidinggevende verantwoordelijkheid en controlefuncties;

(b)  essentiële bedrijfseenheid en aanzienlijke impact op het risicoprofiel van de betrokken bedrijfseenheid; en

(c) andere categorieën personeelsleden die niet uitdrukkelijk in artikel 92, lid 2, worden bedoeld, wier beroepswerkzaamheden het risicoprofiel van de instelling even wezenlijk beïnvloeden als die van de in dat lid bedoelde categorieën personeelsleden.

De EBA dient die ontwerpen van technische reguleringsnormen uiterlijk op 28 december 2019 in bij de Commissie.

Aan de Commissie wordt de bevoegdheid overgedragen om deze richtlijn aan te vullen door de in dit lid bedoelde technische reguleringsnormen vast te stellen overeenkomstig de artikelen 10 tot en met 14 van Verordening (EU) nr. 1093/2010. Wat betreft technische reguleringsnormen die van toepassing zijn op beleggingsondernemingen zoals gedefinieerd in artikel 4, lid 1, punt 2, van Verordening (EU) nr. 575/2013, blijft de bevoegdheid als bedoeld in artikel 94, lid 2, van deze richtlijn, zoals gewijzigd bij Richtlijn (EU) 2018/843 van het Europees Parlement en de Raad, van toepassing tot 26 juni 2021.”

Artikel 2
Omzetting

(1) De lidstaten doen de nodige wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen in werking treden om uiterlijk op [9 maanden na de inwerkingtreding van deze richtlijn] aan deze richtlijn te voldoen en maken deze bekend. Zij delen de Commissie onverwijld de tekst van die bepalingen mee.

De lidstaten passen deze maatregelen toe vanaf … [12 maanden na de inwerkingtreding van deze richtlijn].

(2) De lidstaten delen de Commissie de tekst van de belangrijkste bepalingen van intern recht mede die zij op het onder deze richtlijn vallende gebied vaststellen.

Artikel 2 bis

Herzieningsbepaling

Uiterlijk op 31 juli 2021 dient de Commissie, na raadpleging van ESMA, en op basis van de resultaten van een door de Commissie te houden openbare raadpleging met voldoende aanlooptijd, een voorstel in voor een herziening van Richtlijn 2014/65/EU en Verordening (EU) nr. 600/2014. De herziening is uitgebreid en daarbij wordt rekening gehouden met kwesties zoals die in verband met marktstructuur, data, handel en transactieverwerking, onderzoeksregels, regels inzake betaling van “inducements” aan adviseurs, het niveau van professionele kwalificaties van adviseurs in Europa, de categorie-indeling van cliënten en de brexit.

Artikel 3
Inwerkingtreding

Deze richtlijn treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Artikel 4
Adressaten

Deze richtlijn is gericht tot de lidstaten.

Gedaan te Brussel,

Voor het Europees Parlement Voor de Raad

De voorzitter De voorzitter


PROCEDURE VAN DE BEVOEGDE COMMISSIE

Titel

Wijziging van Richtlijn 2014/65/EU wat betreft informatievereisten, productgovernance en positielimieten om bij te dragen aan het herstel van de COVID-19-pandemie

Document- en procedurenummers

COM(2020)0280 – C9-0210/2020 – 2020/0152(COD)

Datum indiening bij EP

27.7.2020

 

 

 

Bevoegde commissie

 Datum bekendmaking

ECON

14.9.2020

 

 

 

Adviserende commissies

 Datum bekendmaking

DEVE

14.9.2020

ITRE

14.9.2020

 

 

Geen advies

 Datum besluit

DEVE

23.10.2020

ITRE

10.9.2020

 

 

Rapporteurs

 Datum benoeming

Markus Ferber

7.9.2020

 

 

 

Datum goedkeuring

28.10.2020

 

 

 

Uitslag eindstemming

+:

–:

0:

26

12

18

Bij de eindstemming aanwezige leden

Gunnar Beck, Marek Belka, Isabel Benjumea Benjumea, Stefan Berger, Gilles Boyer, Francesca Donato, Derk Jan Eppink, Engin Eroglu, Markus Ferber, Jonás Fernández, Raffaele Fitto, Frances Fitzgerald, José Manuel García-Margallo y Marfil, Sven Giegold, Valentino Grant, Claude Gruffat, José Gusmão, Enikő Győri, Eero Heinäluoma, Danuta Maria Hübner, Stasys Jakeliūnas, Billy Kelleher, Ondřej Kovařík, Georgios Kyrtsos, Aurore Lalucq, Philippe Lamberts, Aušra Maldeikienė, Pedro Marques, Costas Mavrides, Jörg Meuthen, Csaba Molnár, Caroline Nagtegaal, Luděk Niedermayer, Lefteris Nikolaou-Alavanos, Dimitrios Papadimoulis, Piernicola Pedicini, Lídia Pereira, Kira Marie Peter-Hansen, Dragoș Pîslaru, Evelyn Regner, Antonio Maria Rinaldi, Alfred Sant, Joachim Schuster, Ralf Seekatz, Pedro Silva Pereira, Paul Tang, Cristian Terheş, Irene Tinagli, Ernest Urtasun, Inese Vaidere, Johan Van Overtveldt, Stéphanie Yon-Courtin, Marco Zanni, Roberts Zīle

Bij de eindstemming aanwezige vaste plaatsvervangers

Chris MacManus, Eva Maydell

Datum indiening

3.11.2020

 


 

 

HOOFDELIJKE EINDSTEMMING IN DE BEVOEGDE COMMISSIE

26

+

ECR

Derk Jan Eppink, Raffaele Fitto, Cristian Terhes, Johan Van Overtveldt, Roberts Zīle

PPE

Isabel Benjumea Benjumea, Stefan Berger, Markus Ferber, Frances Fitzgerald, José Manuel García-Margallo y Marfil, Enikő Győri, Danuta Maria Hübner, Georgios Kyrtsos, Aušra Maldeikienė, Eva Maydell, Luděk Niedermayer, Lídia Pereira, Ralf Seekatz, Inese Vaidere

Renew

Gilles Boyer, Engin Eroglu, Billy Kelleher, Ondřej Kovařík, Caroline Nagtegaal, Dragoș Pîslaru, Stéphanie Yon-Courtin

 

12

-

GUE/NGL

José Gusmão, Chris MacManus, Dimitrios Papadimoulis

NI

Lefteris Nikolaou-Alavanos, Piernicola Pedicini

S&D

Aurore Lalucq

Verts/ALE

Sven Giegold, Claude Gruffat, Stasys Jakeliūnas, Philippe Lamberts, Kira Marie Peter-Hansen, Ernest Urtasun

 

18

0

ID

Gunnar Beck, Francesca Donato, Valentino Grant, Jörg Meuthen, Antonio Maria Rinaldi, Marco Zanni

S&D

Marek Belka, Jonás Fernández, Eero Heinäluoma, Pedro Marques, Costas Mavrides, Csaba Molnár, Evelyn Regner, Alfred Sant, Joachim Schuster, Pedro Silva Pereira, Paul Tang, Irene Tinagli

 

Verklaring van de gebruikte tekens:

+ : voor

- : tegen

0 : onthouding

 

 

 

[*] Amendementen: nieuwe of vervangende tekst staat in vet en cursief, schrappingen worden aangeduid met het symbool ▌.

[1] COM(2020)0456 final van 27.5.2020.

[2] Richtlijn 2014/65/EU van het Europees Parlement en de Raad van 15 mei 2014 betreffende markten voor financiële instrumenten en tot wijziging van Richtlijn 2002/92/EG en Richtlijn 2011/61/EU (PB L 173 van 12.6.2014, blz. 349).

[3] PB L 123 van 12.5.2016, blz. 1.

[4] PB C 369 van 17.12.2011, blz. 14.

Laatst bijgewerkt op: 16 november 2020Juridische mededeling - Privacybeleid