VERSLAG over de stand van zaken met betrekking tot het Europees verkiezingsproces

6.11.2020 - (2020/2088(INI))

Commissie constitutionele zaken
Rapporteur: Pascal Durand


Procedure : 2020/2088(INI)
Stadium plenaire behandeling
Documentencyclus :  
A9-0211/2020

ONTWERPRESOLUTIE VAN HET EUROPEES PARLEMENT

over de stand van zaken met betrekking tot het Europees verkiezingsproces

(2020/2088(INI))

Het Europees Parlement,

 gezien het Verdrag betreffende de Europese Unie (VEU), en met name de artikelen 10, 14 en 17, lid 7,

 gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU), en met name de artikelen 20 en 22,

 gezien het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, met name de artikelen 21, 39 en 52, lid 1,

 gezien de verklaring bij artikel 17, leden 6 en 7, van het Verdrag betreffende de Europese Unie, die is gehecht aan de slotakte van de Intergouvernementele Conferentie die het Verdrag van Lissabon heeft aangenomen,

 gezien de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens, en met name artikel 21,

 gezien het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten, en met name artikel 25,

 gezien het Verdrag van de Verenigde Naties inzake de rechten van personen met een handicap, en met name artikel 29,

 gezien de Europese pijler van sociale rechten, en met name beginsel 1,

 gezien Besluit (EU, Euratom) 2018/994 van de Raad van 13 juli 2018 tot wijziging van de Akte betreffende de verkiezing van de leden van het Europees Parlement door middel van rechtstreekse algemene verkiezingen, gehecht aan Besluit 76/787/EGKS, EEG, Euratom van de Raad van 20 september 1976[1],

 gezien Besluit (EU) 2018/937 van de Europese Raad van 28 juni 2018 inzake de samenstelling van het Europees Parlement[2],

 gezien Besluit (EU, Euratom) 2018/767 van de Raad van 22 mei 2018 tot vaststelling van de periode voor de negende verkiezing van vertegenwoordigers in het Europees Parlement door middel van rechtstreekse algemene verkiezingen[3],

 gezien Verordening (EU, Euratom) 2018/673 van het Europees Parlement en de Raad van 3 mei 2018 tot wijziging van Verordening (EU, Euratom) nr. 1141/2014 betreffende het statuut en de financiering van Europese politieke partijen en Europese politieke stichtingen[4],

 gezien Verordening (EU, Euratom) 2019/493 van het Europees Parlement en de Raad van 25 maart 2019 tot wijziging van Verordening (EU, Euratom) nr. 1141/2014 wat betreft een verificatieprocedure in verband met inbreuken op de regels inzake de bescherming van persoonsgegevens in de context van verkiezingen voor het Europees Parlement[5],

 gezien het gewijzigde Kaderakkoord over de betrekkingen tussen het Europees Parlement en de Europese Commissie[6],

 gezien zijn resolutie van 11 november 2015 over de hervorming van de kieswet van de Europese Unie[7],

 gezien zijn resolutie van 16 februari 2017 inzake de verbetering van de werking van de Europese Unie, voortbouwend op het potentieel van het Verdrag van Lissabon[8],

 gezien zijn resolutie van 16 februari 2017 over mogelijke ontwikkelingen en aanpassingen van het huidige institutionele bestel van de Europese Unie[9],

 gezien zijn resolutie van 18 april 2018 over het ontwerp van besluit van de Raad tot vaststelling van de periode voor de negende verkiezing van vertegenwoordigers in het Europees Parlement door middel van rechtstreekse algemene verkiezingen[10],

 gezien zijn resolutie van 7 februari 2018 over de samenstelling van het Europees Parlement[11],

 gezien zijn resolutie van 16 juli 2019 over de stand van het debat over de toekomst van Europa[12],

 gezien zijn resolutie van 10 oktober 2019 over buitenlandse inmenging in verkiezingen en desinformatie in de nationale en Europese democratische processen[13],

 gezien zijn resolutie van 13 februari 2019 over de stand van het debat over de toekomst van Europa[14],

 gezien zijn besluit van 18 juni 2020 over de instelling, de bevoegdheden, het aantal leden en de ambtstermijn van een bijzondere commissie voor buitenlandse inmenging in alle democratische processen in de Europese Unie, met inbegrip van desinformatie[15],

 gezien het informatief rapport van het Europees Economisch en Sociaal Comité (EESC) van maart 2019 over het werkelijk stemrecht van personen met een handicap bij de EP‑verkiezingen,

 gezien de werkzaamheden van de Interparlementaire Unie (IPU) op het gebied van gendergelijkheid, met name haar actieplan voor genderbewuste parlementen,

 gezien artikel 54 van zijn Reglement,

 gezien het verslag van de Commissie constitutionele zaken (A9-0211/2020),

A. overwegende dat de opkomst bij de Europese verkiezingen van 2019 de hoogste was van de laatste 20 jaar, te weten 50,66 % (een stijging van 8 procentpunten ten opzichte van 2014), en dat dit een positief signaal afgeeft dat de Europese burgers steeds meer belangstelling hebben voor de ontwikkelingen op Europees niveau en dat zij van mening zijn dat de EU‑wetgeving een impact op hun dagelijks leven heeft; overwegende dat dit cijfer echter grote verschillen tussen de lidstaten verhult, dat het percentage niet-stemmers hoog bleef en dat derhalve meer moet worden gedaan om de deelname aan de Europese verkiezingen te vergroten;

B. overwegende dat uit de na de Europese verkiezingen van 2019 in opdracht van het Parlement uitgevoerde Eurobarometer-enquête is gebleken dat voor de kiezers de twee belangrijkste prioriteiten de staat van de economie en het milieu waren, een gegeven waaruit duidelijk blijkt dat de burgers die aan de Europese verkiezingen deelnamen, meer maatregelen op EU-niveau wensen op deze twee beleidsterreinen waarvoor de bevoegdheid wordt gedeeld tussen de EU en de lidstaten[16];

C. overwegende dat de juiste keuze van een kiesstelsel de juiste omgeving schept waarin burgers zich verzekerd voelen van hun democratisch basisrecht om te stemmen op hun democratische vertegenwoordigers, en waarin de politieke vertegenwoordigers tegelijkertijd naar hun kiezers kunnen luisteren en hun belangen kunnen vertegenwoordigen om zo zelfredzaamheid onder de burgers te ontwikkelen;

D. overwegende dat volgens de Eurobarometer-enquête deze hoge opkomst ten dele kwam doordat er meer jongeren naar de stembus gingen, hoewel personen boven de 40 jaar nog steeds meer geneigd zijn te gaan stemmen; overwegende dat meer dan 50 % van de jongeren uit burgerplicht en met het oog op de urgentie van het klimaatprobleem hun stem uitbrachten;

E. overwegende dat de aanhoudende betrokkenheid van het maatschappelijk middenveld in de aanloop naar de Europese verkiezingen een cruciale rol heeft gespeeld in het pro-Europees discours;

F. overwegende dat de hogere opkomst ook gepaard ging met winst voor pro-Europese partijen die stemmen kregen van de jongere generaties, hetgeen de pro-Europese meerderheid in het Europees Parlement heeft versterkt, maar dat de resultaten van eurosceptici, populisten en nationalistische bewegingen, die een bedreiging vormen voor het integratieproject van de EU, als een waarschuwing moet worden opgevat;

G. overwegende dat de hogere opkomst ook een teken is dat EU-burgers wensen dat de EU snel en op democratische en doeltreffende wijze maatregelen treft op belangrijke gebieden zoals sociale dumping, klimaatverandering, migratie, bescherming van de grondrechten en democratisering;

H. overwegende dat we op efficiëntere en proactievere wijze gebruik moeten maken van alle beschikbare communicatiemiddelen, met inbegrip van digitale technologie, teneinde een sterke band te creëren tussen op EU‑niveaus genomen politieke besluiten enerzijds en het gevoel van verbondenheid van de kiezers met de EU-instellingen anderzijds;

I. overwegende dat, hoewel het genderevenwicht onder de leden van het Europees Parlement is verbeterd (41 % vrouwen in 2019, waar dat in 2014 nog 37 % bedroeg), nog geen genderevenwichtig Parlement tot stand is gekomen; overwegende dat deze cijfers grote verschillen tussen de lidstaten maskeren, alsmede talrijke uitdagingen waaraan nog het hoofd moet worden geboden on gendergelijkheid te kunnen realiseren;

J. overwegende dat Ursula von der Leyen de eerste vrouwelijke voorzitter van de Europese Commissie is; overwegende dat 13 van haar commissarissen vrouwen zijn en dit het hoogste aandeel vrouwelijke commissarissen ooit is;

K. overwegende dat de diverse en multiculturele samenleving van Europa beter in het Europees Parlement moet worden vertegenwoordigd;

L. overwegende dat in 15 lidstaten mensen met een handicap niet dezelfde stemrechten hebben, waardoor een zinvolle participatie en vertegenwoordiging van deze burgers in democratische processen wordt belemmerd; overwegende dat naar schatting 800 000 EU-burgers ten gevolge van nationale regelgeving tijdens de laatste Europese verkiezingen hun stem niet konden uitbrengen vanwege hun handicap of geestelijke gezondheidsproblemen[17];

M. overwegende dat de demografische veranderingen en de vergrijzing van onze samenlevingen factoren zijn die zullen leiden tot een toename van het aantal personen in langdurige-zorginstellingen of ziekenhuizen; overwegende dat de ruimere aanwending van specifieke officiële regelingen die in tal van lidstaten ten behoeve van deze personen bestaan, moeten worden gestimuleerd;

N. overwegende dat de termijn om in het kiezersregister te worden opgenomen sterk verschilt per lidstaat, van 90 dagen tot 3 dagen vóór de dag van de verkiezingen; overwegende dat in het informatief rapport van het EESC over het werkelijke stemrecht van personen met een handicap bij de EP‑verkiezingen wordt aanbevolen de kiezersregisters op zijn vroegst twee weken vóór de verkiezingen te sluiten;

O. overwegende dat er, volgens het gezamenlijke rapport van de Europese Federatie van nationale organisaties werkend met daklozen (Feantsa) en de Fondation Abbé-Pierre[18], in de EU ten minste 700 000 daklozen zijn en bijna 9 miljoen gezinnen in zeer ondeugdelijke woningen gehuisvest zijn; overwegende dat dit cijfer op tien jaar tijd met 70 % is toegenomen; overwegende dat het voor daklozen moeilijk is om aan verkiezingen deel te nemen;

P. overwegende dat de hervormde Verkiezingsakte van 1976, zoals aangenomen door het Europees Parlement in zijn wetgevingsresolutie van 4 juli 2018 over het ontwerp van besluit van de Raad tot wijziging van de Akte betreffende de verkiezing van de leden van het Europees Parlement door middel van rechtstreekse algemene verkiezingen, gehecht aan Besluit 76/787/EGKS, EEG, Euratom van de Raad van 20 september 1976[19], door drie lidstaten nog altijd niet volledig geratificeerd is;

Q. overwegende dat het Parlement met hernieuwde kracht vervolg moet geven aan zijn voorstellen tot wijziging van de verkiezingsakte, die door een aantal lidstaten nog geratificeerd moet worden, en zich hard moet maken voor eenvormige Europese verkiezingsvoorschriften;

R. overwegende dat de Europese verkiezingen van 2019 tot een nieuwe parlementaire meerderheid hebben geleid bestaande uit verschillende politieke fracties met een duidelijke pro-Europese identiteit;

S. overwegende dat het na de verkiezingen van 2019 niet is gelukt om uit de diverse Spitzenkandidaten een Commissievoorzitter te kiezen ten gevolge van verzet door de Raad, hetgeen leidde tot een verminderd vertrouwen in het proces; overwegende dat de verkiezing van de voorzitter van de Commissie afhangt van de steun van de meerderheid van de leden van het Europees Parlement; overwegende dat slechts een aantal van de EU-burgers die hebben deelgenomen aan de Europese verkiezingen, van mening waren dat hun stem het verschil kon maken bij de verkiezing van de voorzitter van de Europese Commissie, hetgeen duidelijk maakt dat onder EU‑burgers meer bekendheid aan het proces moet worden gegeven;

T. overwegende dat de procedure met Spitzenkandidaten nog verder moet worden ontwikkeld; overwegende dat het onder meer nog ontbreekt aan de mogelijkheid voor Spitzenkandidaten om zich officieel kandidaat te stellen, hetgeen alle Europese kiezers de kans zou geven om hun stem uit te brengen op de Spitzenkandidaat van hun voorkeur en te weten wie de kandidaten voor het voorzitterschap van de Commissie zijn en hoe zij door de Europese politieke partijen zijn gekozen; overwegende dat het systeem van Spitzenkandidaten en, indien ingevoerd, transnationale lijsten open moeten staan voor coalities van Europese politieke partijen of bewegingen of zelfs voor gemengde coalities van politieke partijen en bewegingen, mits deze een gemeenschappelijk politiek programma hebben en zich achter een gemeenschappelijke Spitzenkandidaat scharen; overwegende dat het Parlement deze kwestie in zijn besluit van 7 februari 2018 over de herziening van het kaderakkoord over de betrekkingen tussen het Europees Parlement en de Europese Commissie aan de orde heeft gesteld[20];

U. overwegende dat het systeem van Spitzenkandidaten met spoed hervorming behoeft na een grondig institutioneel denkproces tijdens de Conferentie over de toekomst van Europa, met inachtneming van het beginsel van evenredige vertegenwoordiging van het Europees kiesstelsel, en dat het systeem bij de volgende Europese verkiezingen in 2024 moet kunnen worden ingezet; overwegende dat in dit denkproces ook aandacht moet worden besteed aan de feitelijke politieke rol van de Commissie en haar voorzitter en aan eventuele daarmee verband houdende wijzigingen in het besluitvormingsproces van de Unie;

V. overwegende dat slechts 8 % van de respondenten aangeeft tijdens de laatste verkiezingen een stem te hebben uitgebracht om invloed uit te oefenen op de verkiezing van de volgende voorzitter van de Europese Commissie[21], waaruit duidelijk blijkt dat het selectieproces voor de voorzitter van de Commissie dringend moet worden verduidelijkt en transparanter moet worden gemaakt voor de kiezers;

W. overwegende dat institutionele voorstellen, zoals de invoering van transnationale lijsten, zoals vermeld door het Parlement in zijn resolutie van 7 februari 2018 over de samenstelling van het Europees Parlement,  het centraal stellen van de Europese politieke partijen en bewegingen binnen de Europese verkiezingen, de omvorming van de Raad in een tweede wetgevende kamer van de Unie, zoals voorgesteld in zijn resolutie van 16 februari 2017 over mogelijke ontwikkelingen en aanpassingen van het huidige institutionele bestel van de Europese Unie, en de invoering van de mogelijkheid voor Europese politieke partijen en bewegingen om voorafgaand aan de verkiezingen coalities te vormen, ervoor zouden kunnen zorgen dat de Europese verkiezingen geen verzameling van 27 afzonderlijke nationale verkiezingen zouden zijn, zoals nu het geval is, maar één enkele Europese verkiezing;

X. overwegende dat de beoordeling van de belangenverklaringen en de hoorzittingen met de voorgedragen commissarissen door het Europees Parlement een belangrijke stap vormden voor het vergroten van de verantwoordingsplicht van de Commissie jegens het Parlement en het publiek in het algemeen; overwegende dat dit proces in de toekomst verder moet worden verbeterd;

Y. overwegende dat democratische processen, zowel op het niveau van de lidstaten als op EU-niveau, het doelwit zijn geworden van buitenlandse machten, soms in samenwerking met binnenlandse actoren, om de uitslagen van de verkiezingen te beïnvloeden en de Unie te verzwakken; overwegende dat de mechanismen die door de EU‑instellingen zijn ingevoerd, zoals de praktijkcode betreffende desinformatie en het systeem voor snelle waarschuwingen in verband met verkiezingen, een bijdrage hebben geleverd aan de beperking van buitenlandse inmenging tijdens de verkiezingscampagne;

Z. overwegende dat de verzoeken van de Commissie aan socialemediaplatforms in de aanloop naar de verkiezingen tot verwarring hebben geleid en onbedoelde gevolgen hebben gehad, zoals het verbod op Europabrede politieke advertenties, terwijl dergelijke advertenties voor Europese politieke partijen een van de belangrijkste manieren vormen om tijdens campagnes voor de Europese verkiezingen door de kiezers te worden geïdentificeerd en herkend; overwegende dat de instellingen in dit kader een interinstitutionele aanpak zouden moeten ontwikkelen om een positieve invloed te kunnen uitoefenen op de veiligheid en stabiliteit van het verkiezingsproces; overwegende dat de praktijkcode een instrument op puur vrijwillige basis is en meer op transparantie is gericht dan op daadwerkelijke beperkingen, bijvoorbeeld ten aanzien van gerichte politieke advertenties;

AA. overwegende dat Europese politieke partijen en stichtingen de actoren zijn die het Europese politieke debat kunnen faciliteren, zowel tijdens de Europese verkiezingen als daarna, en dat zij zichtbaarder moeten worden; overwegende dat de Europese politieke partijen en stichtingen, in het licht van deze belangrijke rol, maximale financiële transparantie moeten garanderen ten aanzien van de door hen beheerde middelen, met name de middelen die afkomstig zijn uit de EU‑begroting;

AB. overwegende dat Europese politieke partijen tijdens de Europese verkiezingen te maken hebben met verschillende restricties ten aanzien van het voeren van campagnes, onder meer door de beperkte mogelijkheid inzake het financieren van campagnes en het ontplooien van gezamenlijke activiteiten met de nationale partijen die bij hen zijn aangesloten, en dat zij in het kader van nationale referenda over Europese zaken geen campagne mogen voeren;

AC. overwegende dat de opkomst van nieuwe politieke partijen en bewegingen in de aanloop naar de Europese verkiezingen de belangstelling van de burgers in politieke vernieuwing heeft aangetoond;

AD. overwegende dat de uiteenlopende nationale regels met betrekking tot de oprichting van partijen en de mogelijkheid tot deelname aan de Europese verkiezingen nog altijd een belangrijke belemmering vormen voor politieke vernieuwing en het tot stand brengen van een daadwerkelijk pan-Europees politiek debat;

AE. overwegende dat naar verluidt als gevolg van de organisatie van de kiezersregistratie in het VK ongeveer één miljoen Europese burgers niet de mogelijkheid hebben gehad tijdens de Europese verkiezingen hun stemrecht uit te oefenen;

1. is verheugd over de hogere opkomst bij de Europese verkiezingen van 2019 waaruit blijkt dat de trend van afnemende verkiezingsopkomsten in Europa kan worden teruggedraaid; betreurt echter tegelijkertijd het aanhoudende hoge percentage niet-stemmers en het feit dat bijna de helft van alle kiesgerechtigden in de EU niet heeft gestemd; erkent de belangrijke rol van door EU-instellingen en maatschappelijke organisaties gevoerde campagnes om de opkomst te verhogen, met name de campagne van het Parlement “Ik stem deze keer”; benadrukt dat er op lokaal, regionaal, nationaal en Europees niveau meer moet worden ondernomen om kiezers aan te sporen aan de Europese verkiezingen deel te nemen; is van oordeel dat deze hogere opkomst erop wijst dat steeds meer burgers van mening zijn dat de uitdagingen van de huidige tijd, zoals de economie en duurzame groei, de klimaatverandering en milieubescherming, de sociale en genderongelijkheid, de digitale revolutie, de bevordering van  de vrijheid, de mensenrechten en de democratie, alsook de demografie en geopolitieke kwesties, zoals migratie en buitenlands beleid, veiligheid en de rol van de EU op het wereldtoneel, het beste op EU-niveau aangepakt kunnen worden; doet derhalve een beroep op alle EU‑instellingen hun verantwoordelijkheid te nemen en uitvoering te geven aan het mandaat dat zij, direct dan wel indirect, van de burgers hebben gekregen;

2. is ervan overtuigd dat de trend van toenemende verkiezingsopkomsten kan worden herhaald als de band en rekenschap tussen kiezers en kandidaten worden versterkt, en in alle lidstaten over de EU-brede uitdagingen en politieke programma’s wordt gedebatteerd;

3. is verheugd over de flinke toename van het aantal jongeren dat heeft gestemd; herhaalt zijn verzoek aan de Raad en de Commissie om, door middel van openbare raadplegingsprocedures en de Conferentie over de toekomst van Europa, rekening te houden met de zorgen van jongeren die van cruciaal belang zijn voor volgende generaties; beveelt aan dat de lidstaten nadenken over de harmonisatie van de minimumleeftijd van kiezers teneinde de deelname van jonge kiezers te verhogen;

4. is verheugd over het feit dat het genderevenwicht in het Parlement sinds de laatste verkiezingen is verbeterd; benadrukt echter dat er nog altijd ruimte voor verdere verbetering is om een daadwerkelijk genderevenwicht in het Parlement tot stand te brengen; erkent dat er grote verschillen tussen de lidstaten bestaan waarbij in sommige lidstaten het aandeel verkozen vrouwen meer dan 50 % bedraagt, terwijl in andere lidstaten geen enkele vrouw voor het Europees Parlement is verkozen; verzoekt de lidstaten en de instellingen van de Unie alle nodige maatregelen te nemen om het beginsel van gelijkheid tussen mannen en vrouwen te bevorderen gedurende het gehele verkiezingsproces; benadrukt in dit verband het belang van genderevenwichtige kieslijsten; verzoekt de Commissie om in samenwerking met het Parlement en andere instanties, zoals de Commissie van Venetië, te komen met aanbevelingen aan de lidstaten om het aantal vrouwen in het Europees Parlement omhoog te brengen, en dringt aan op de invoering van lijsten met een gelijk aantal mannelijke en vrouwelijke kandidaten op verkiesbare plaatsen, bijvoorbeeld door de aanwending van een ritssysteem of andere gelijkwaardige methoden, aangezien in vele lidstaten geen wetgeving bestaat die zorgt voor politieke pariteit tijdens verkiezingen;

5. stelt voor om, als overgangsmaatregel naar een beter genderevenwicht, de invoering van een quotum in elke commissie van het Europees Parlement te overwegen om een bevredigende gendermix te waarborgen;

6. constateert dat slechts weinig leden van het Europees Parlement tot etnische, taal- en andere minderheden behoren[22]; is van mening dat de strijd tegen racisme en de bestrijding van uitsluiting en discriminatie een verplichting is die voortvloeit uit de EU-waarden en het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie; onderstreept dat op nationaal en Europees niveau meer moet worden gedaan om ervoor te zorgen dat meer minderheden op kieslijsten worden opgenomen en worden verkozen, en verzoekt de lidstaten en de politieke partijen die aan Europese verkiezingen deelnemen, proactieve maatregelen te nemen om de vertegenwoordiging van ondervertegenwoordigde groepen te verhogen;

7. herinnert in dit verband aan de bijzondere problemen die de Roma op het gebied van politieke participatie ondervinden, met name bij de toegang tot kiezersregistratieprocedures, onder meer als gevolg van het ontbreken van identiteitsdocumenten; verzoekt de lidstaten om de voorlichting van en opkomst onder Roma-kiezers te bevorderen;

8. merkt op dat er ook dergelijke aanbevelingen zouden kunnen worden gedaan betreffende de uitoefening van het passief en actief kiesrecht van personen met een handicap; wijst er met grote bezorgdheid op dat in de gehele Unie naar schatting 800 000[23] burgers met een handicap in 2019 niet konden stemmen vanwege nationale regels; verzoekt de lidstaten de uitwisseling van optimale praktijken te bevorderen om de toegang van personen met een handicap tot stembureaus te vergemakkelijken; wijst erop dat voor kiezers met een handicap de technische aspecten van het stemproces net zo belangrijk zijn als de toegang tot informatie of de toegang tot stembureaus;

9. verzoekt de lidstaten erop toe te zien dat iedereen met stemrecht, met inbegrip van EU-burgers die buiten hun land van herkomst wonen, daklozen en gevangenen die stemrecht hebben uit hoofde van het nationaal recht, dit recht kan uitoefenen;

10. stelt vast dat verschillen op het gebied van verkiezingsculturen hebben geleid tot een reeks verschillende kiesstelsels; merkt op dat duidelijke regelgeving, aanbevelingen en richtsnoeren de totstandbrenging van een eenvormige Europese kieswet en gelijk kiesrecht voor EU‑burgers zouden bevorderen, met name met betrekking tot het recht een partij te registreren, het recht zich verkiesbaar te stellen, de toegang tot de stembus, het op de lijst zetten van kandidaten, de toegankelijkheid, het stemmen bij volmacht of op afstand, en de verkiezingsdagen;

11. neemt nota van de efficiënte organisatie van het verkiezingsproces van de Europese verkiezingen van 2019 ondanks de onzekerheid als gevolg van de uittreding van het VK uit de EU; onderstreept in dit verband de vlotte vernieuwde samenstelling van het Europees Parlement na de brexit dankzij de vrijwaringsclausule die is voorzien in zijn resolutie van 7 februari 2018 over de samenstelling van het Europees Parlement;

12. moedigt de lidstaten aan de middelen in de consulaten te verbeteren met het oog op de verkiezingen van 2024 om te zorgen voor meer controle en bewustmaking van de burgers omtrent het feit dat meervoudig stemmen verboden is;

13. verzoekt de lidstaten de wetgeving te verbeteren om het voor daklozen gemakkelijker te maken om te stemmen; benadrukt dat de eis van een document ter staving van een adres om te mogen stemmen, zoals bepaald in Richtlijn 93/109/EG van de Raad van 6 december 1993 tot vaststelling van de wijze van uitoefening van het actief en passief kiesrecht bij de verkiezingen voor het Europees Parlement ten behoeve van de burgers van de Unie die verblijven in een lidstaat waarvan zij geen onderdaan zijn[24], kan leiden tot het uitsluiten van daklozen in landen waar zij geen administratief adres kunnen verkrijgen; beveelt ten stelligste de schrapping aan van de eis om het bewijs van een adres over te leggen, zodat daklozen, die volwaardige EU-burgers zijn, gemakkelijker kunnen stemmen tijdens verkiezingen;

14. is van oordeel dat de reden waarom men na de verkiezingen van 2019 niet erin geslaagd is via de procedure van Spitzenkandidaten een voorzitter van de Europese Commissie te kiezen, ten eerste verband houdt met het feit dat er na de ervaringen van 2014 geen verbeteringen van de toepassing van het beginsel van Spitzenkandidaten werden doorgevoerd, en ten tweede met het feit dat er aan de EU‑burgers geen uitleg over de procedure is verschaft en dat zij deze niet hebben begrepen; is voornemens het democratische proces voor de verkiezing van de voorzitter van de Commissie vóór de eerstvolgende Europese verkiezingen in 2024 te hervormen; merkt echter op dat de verkiezing van de voorzitter van de Commissie altijd afhangt van het verkrijgen van de steun van de meerderheid van de leden van het Europees Parlement, zodat volledig rekening wordt gehouden met de verkiezingsuitslag, zoals beoogd in het Verdrag van Lissabon;

15. benadrukt de belangrijke rol die de aanstaande Conferentie over de toekomst van Europa vervult in het debat over institutionele aangelegenheden, mede in het licht van de uitslag van de Europese verkiezingen van 2019; is ingenomen met de komende gezamenlijke verklaring van de drie EU‑instellingen over de Conferentie over de toekomst van Europa, en dringt aan op een snelle goedkeuring ervan; wijst andermaal op het engagement van de voorzitter van de Commissie om kwesties aan te pakken die specifiek verband houden met democratische processen en institutionele kwesties, met name het systeem van de Spitzenkandidaten voor de verkiezing van de voorzitter van de Europese Commissie, en transnationale lijsten voor de verkiezingen van het Europees Parlement, ook in het kader van de Conferentie, zonder afbreuk te doen aan de door de Conferentie zelf genomen besluiten over de lijst van aan te pakken prioriteiten;

16. benadrukt dat voor de verkiezing van de Commissie en haar voorzitter een meerderheid van de leden van het Parlement vereist is, hetgeen in de praktijk inhoudt dat er een coalitie gevormd moet worden die het eens is over een programma, zoals is aangetoond tijdens de verkiezing van de Commissie Von der Leyen;

17. wijst erop dat niets de Europese partijen en bewegingen ervan weerhoudt voorafgaand aan de Europese verkiezingen coalities te vormen en daarbij een gezamenlijk programma en één Spitzenkandidaat per coalitie voor te dragen;

18. is van oordeel dat de uitslag van de Europese verkiezingen de politieke dimensie van de verkiezing van de Europese Commissie heeft versterkt en daarmee ook de noodzaak van een nauwkeurigere en objectievere toetsing van de belangenverklaringen van de voorgedragen commissarissen; is bovendien van mening dat dit proces heeft aangetoond dat een technische en onpartijdige beoordeling van de belangenverklaringen van de voorgedragen commissarissen noodzakelijk is; ondersteunt het komende denkproces in de Commissie constitutionele zaken (AFCO) en de Commissie juridische zaken (JURI) over het creëren van een onafhankelijk ethisch orgaan dat van de passende middelen kan worden voorzien; onderstreept echter dat de goedkeuring of afwijzing van iedere voorgedragen commissaris en het College van commissarissen uiteindelijk een politiek proces is waarvoor de verantwoordelijkheid duidelijk bij het Europees Parlement ligt;

19. is van oordeel dat moet worden nagedacht over de procedure voor de toewijzing van de portefeuilles in de Commissie, opdat deze verdeling is gebaseerd op professionele deskundigheid, politieke prioriteiten en de eerbiediging van de beginselen van goed bestuur, en dat deze procedure niet louter en alleen mag worden gestuurd door nationale belangen; herinnert eraan dat het aantal portefeuilles krachtens artikel 17, VEU moet afhangen van de beginselen van goed bestuur en niet van het aantal lidstaten; wijst erop dat de logica van artikel 17, lid 5, VEU voorziet in de beëindiging van de gewoonte om één commissaris per lidstaat te benoemen;

20. wenst dat alle Europese kiezers de mogelijkheid krijgen om te stemmen op hun favoriete kandidaat voor het voorzitterschap van de Commissie; herhaalt daarom dat de Spitzenkandidaten zich bij de volgende verkiezingen in alle lidstaten officieel kandidaat moeten kunnen stellen, dat zij door een Europese politieke partij of beweging moeten zijn voorgedragen, en als kandidaat naar voren moeten treden met een eenvormig Europees verkiezingsprogramma; benadrukt dat, rekening houdend met het kiesstelsel van evenredige vertegenwoordiging van de EU, de verkiezing van de voorzitter van de Europese Commissie moet afhangen van de mate waarin deze de steun kan verwerven van de meerderheid van de leden van het Europees Parlement;

21. wijst erop dat de in dit verslag voorgestelde wijzigingen van het primair recht van de EU, die een weerspiegeling zijn van de sterkere rol van de Commissie binnen het EU-kader, ook betrekking moeten hebben op de verantwoordelijkheid van de individuele leden van de Commissie en de Commissie als geheel jegens het Parlement en de Raad, alsmede op de omvorming van de Raad tot een tweede wetgevingskamer van de Unie;

22. stelt voor om tot hervorming van de kieswet en het besluit inzake de samenstelling van het Europees Parlement over te gaan, met als doel onmiddellijke verbeteringen met betrekking tot de komende verkiezingen tot stand te brengen, evenals een overeengekomen en bindend verbetertraject voor de periode na de komende verkiezingen;

23. erkent dat, hoewel de overeengekomen hervorming van de kieswet door enkele lidstaten nog niet is geratificeerd, de volgende elementen waarmee het Europese verkiezingsproces kan worden verbeterd, moeten worden besproken, ook in het kader van de Conferentie over de toekomst van Europa:

 nieuwe stemmethoden op afstand voor burgers tijdens Europese verkiezingen in specifieke of buitengewone omstandigheden,

 het uitschrijven van verkiezingen in een gemeenschappelijk Europees kiesdistrict,

 gemeenschappelijke voorschriften voor de toelating van kandidaten en gemeenschappelijke campagne- en financieringsvoorschriften,

 geharmoniseerde normen voor het passief en actief kiesrecht in alle lidstaten, onder meer door na te denken over het verlagen van de minimumleeftijd voor kiezers in alle lidstaten naar 16 jaar,

 het voorzien in perioden van afwezigheid van leden, bijvoorbeeld in het geval van zwangerschapsverlof, ouderschapsverlof of ernstige ziekte;

24. herhaalt zijn oproep tot de oprichting van een Europese verkiezingsautoriteit met een mandaat om de uitvoering van de richtsnoeren en bepalingen met betrekking tot de Europese kieswet te monitoren; beveelt verdere versterking aan van de uitwisselingsmechanismen tussen de nationale verkiezingsbureaus onder leiding van de Europese verkiezingsautoriteit;

25. is zeer verontrust over het feit dat er steeds weer bewijzen van inmenging en desinformatiecampagnes voorafgaand aan de Europese verkiezingen van 2019 aan het licht kwamen, waarbij veelal sprake leek te zijn van buitenlandse inmenging; prijst de inspanningen van de Commissie en andere instellingen om buitenlandse inmenging tijdens de verkiezingscampagne tegen te gaan, met name middels de East StratCom Task Force van de EDEO; wijst er echter op dat de financiële en personele middelen die nodig zijn om deze aanvallen op de Europese democratie, ook op nationaal niveau af te slaan, vele malen groter zijn dan hetgeen hiervoor aan gebundelde Europese middelen beschikbaar is; dringt bij de Commissie en de lidstaten erop aan de financiële middelen voor de strijd tegen buitenlandse inmenging aanzienlijk te verhogen; wijst op de prioritaire noodzaak de mediageletterdheid en de burgerschapsvorming vanaf jonge leeftijd te verbeteren middels cultuur en onderwijs, in de samenleving als zodanig en op school, om de kritische geest te ontwikkelen en mensen in staat te stellen ongefundeerde informatie te herkennen en links naar verifieerbare informatie te vinden;

26. is van mening dat de onwettige inmenging in verkiezingsprocessen niet uitsluitend een buitenlands fenomeen betreft; is van oordeel dat het gebruik van algoritmen om het aanbod op socialemediaplatforms te sturen, moet worden onderzocht en zo nodig moet worden gereguleerd teneinde ervoor te zorgen dat de informatie aan burgers niet vertekend is en dat hun recht op informatie gedurende en na de verkiezingscampagnes wordt gewaarborgd;

27. is van mening dat uit de problemen met betrekking tot politieke advertenties op socialemediaplatforms blijkt dat de campagnevoorschriften in de hele Unie moeten worden geharmoniseerd, met name nu de Europese verkiezingen feitelijk pan-Europese campagnes met zich meebrengen waarbij de noodzaak om aan 27 verschillende rechtsstelsels te voldoen binnen een digitale ruimte, voor politieke partijen en bewegingen tot belemmeringen en rechtsonzekerheid leidt;

28. dringt er bij de Commissie en de Raad op aan alle nodige maatregelen te treffen om buitenlandse inmenging en de interne en externe dimensies van desinformatie doeltreffend te bestrijden, met de nieuwe Bijzondere Commissie buitenlandse inmenging in alle democratische processen in de Europese Unie, met inbegrip van desinformatie (INGE) van het Parlement samen te werken, en volledig rekening te houden met haar aanbevelingen zodra haar conclusies zijn uitgebracht en vóór de volgende Europese verkiezingen; dringt bij de Commissie en de Raad erop aan de samenwerking met het Parlement over deze kwesties te intensiveren, omdat de bescherming van onze democratische instellingen een belangrijke bevoegdheid van het Parlement is;

29. wijst op de belangrijke rol van Europese politieke partijen, politieke bewegingen en stichtingen bij de bevordering van een Europees politiek debat; wijst er evenwel op dat Europese politieke partijen vanwege restricties op Europees en nationaal niveau geen volwaardige Europese verkiezingscampagne kunnen voeren; benadrukt voorts dat Europese politieke partijen geen campagne mogen voeren in het kader van referenda die betrekking hebben op Europese aangelegenheden, zoals internationale handelsovereenkomsten of het referendum dat in 2016 in het VK werd gehouden over het EU-lidmaatschap; dringt aan op de verdere afstemming van nationale en EU‑wetgeving teneinde in de hele EU een gelijk speelveld ten behoeve van de Europese verkiezingen te creëren; stelt voor de zichtbaarheid van de Europese politieke partijen en bewegingen te vergroten door hun naam en logo op de stembiljetten af te drukken, en raadt aan hetzelfde te doen voor alle materialen die worden gebruikt in Europese verkiezingscampagnes;

30. is van mening dat de verkiezingsprogramma’s van Europese politieke partijen voorafgaand aan de verkiezingen bekend moeten zijn en dat hiervoor duidelijke en transparante campagnevoorschriften nodig zijn; onderstreept dat de Europese verkiezingsregels de Europese partijdemocratie moeten steunen, onder meer door nationale partijen die aan de Europese verkiezingen deelnemen, ertoe te verplichten het logo van hun respectieve Europese partijen naast het nationale logo af te laten drukken op de stembiljetten;

31. pleit voor de wijziging van Verordening (EU, Euratom) nr. 1141/2014 van het Europees Parlement en de Raad betreffende het statuut en de financiering van Europese politieke partijen en Europese politieke stichtingen[25], teneinde de Europese politieke partijen en stichtingen in staat te stellen op het Europese politieke toneel volledig mee te draaien, campagne te voeren, campagnefinanciering te gebruiken, aan de Europese verkiezingen deel te nemen en de transparantie van hun financiering te vergroten, met name wat betreft het beheer van middelen uit de EU‑begroting en van middelen van aangesloten partijen, en teneinde donaties van particulieren of overheidsinstanties uit niet‑EU‑landen te verbieden; onderstreept niettemin dat lidmaatschapsbijdragen van partijen uit landen van de Raad van Europa kunnen worden toegestaan om pan‑Europese politieke banden te stimuleren, mits dit plaatsvindt in het kader van vergrote transparantie;

32. wijst op het feit dat de verkiezingsprogramma’s van Europese politieke partijen voorafgaand aan de verkiezingen van 2019 nog altijd geen wezenlijk deel uitmaakten van het politieke debat; betreurt ten zeerste dat er gevallen waren waarin het debat op nationale onderwerpen en niet op EU-kwesties was gericht, zonder een rechtstreeks verband met de EU-beleidsvorming; is van mening dat de Europese dimensie van verkiezingen vooral kan worden vergroot door burgers van meer informatie te voorzien over de door de EU genomen besluiten, en de impact van deze besluiten op hun dagelijks leven;

33. is van mening dat de invoering van een jaarlijkse Europese Week in alle nationale parlementen tegelijkertijd, met debatten over het werkprogramma van de Commissie tussen leden van de nationale parlementen, Europese commissarissen, leden van het Europees Parlement en vertegenwoordigers van het maatschappelijk middenveld de opkomst van het daarmee samenhangende interparlementaire publieke domein zou ondersteunen en de berichtgeving over de Europese maatregelen op nationaal niveau zou verbeteren;

34. dringt aan op een gecoördineerde strategie op Europees niveau om te waarborgen dat de Europese verkiezingen aandacht krijgen in de media, met name door ervoor te zorgen dat over de politieke agenda’s van de verschillende Europese politieke partijen wordt gedebatteerd, dat kandidaten die zich in de verschillende lidstaten verkiesbaar stellen in de Europese verkiezingen worden uitgenodigd, en dat over campagneactiviteiten wordt bericht;

35. spoort de publieke omroepen ertoe aan debatten tussen lijsttrekkers te organiseren en uit te zenden, alsook tussen kandidaten voor het Europees Parlement, als onderdeel van hun taak om het publiek te informeren;

36. is van oordeel dat de uitslag van de Europese verkiezingen een duidelijk signaal is dat een diepgaand institutioneel denkproces nodig is, waarmee burgers, het maatschappelijk middenveld en hun vertegenwoordigers in staat worden gesteld vorm te geven aan de toekomst van de Unie; onderstreept dat het als gevolg van de COVID-19-uitbraak nog dringender is een institutioneel hervormingsproces op Europees niveau op gang te brengen; dringt derhalve bij alle institutionele partners erop aan hun verantwoordelijkheid te nemen en te zorgen voor een ambitieuze, interactieve en inclusieve Conferentie over de toekomst van Europa die openstaat voor burgers, het maatschappelijk middenveld en hun vertegenwoordigers, en die de representatieve democratie en de veerkracht van de EU versterkt door concrete resultaten te boeken, alsmede een vervolg te geven aan de conclusies van de Conferentie, hetgeen tot belangrijke veranderingen zou moeten leiden van de beleidsmaatregelen en institutionele architectuur van de EU, en het Europees project een nieuwe impuls zou moeten geven;

37. verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Europese Raad, de Raad, de Commissie, alsmede aan de regeringen en parlementen van de lidstaten.

 


INFORMATIE OVER DE GOEDKEURING IN DE BEVOEGDE COMMISSIE

Datum goedkeuring

28.10.2020

 

 

 

Uitslag eindstemming

+:

–:

0:

22

5

1

Bij de eindstemming aanwezige leden

Gerolf Annemans, Gabriele Bischoff, Damian Boeselager, Fabio Massimo Castaldo, Leila Chaibi, Włodzimierz Cimoszewicz, Pascal Durand, Daniel Freund, Charles Goerens, Esteban González Pons, Sandro Gozi, Brice Hortefeux, Laura Huhtasaari, Giuliano Pisapia, Paulo Rangel, Antonio Maria Rinaldi, Domènec Ruiz Devesa, Jacek Saryusz-Wolski, Helmut Scholz, Pedro Silva Pereira, Antonio Tajani, László Trócsányi, Mihai Tudose, Guy Verhofstadt, Loránt Vincze, Rainer Wieland

Bij de eindstemming aanwezige vaste plaatsvervangers

Angel Dzhambazki, Niklas Nienaß

 


HOOFDELIJKE EINDSTEMMING IN DE BEVOEGDE COMMISSIE

 

22

+

GUE/NGL

Leila Chaibi, Helmut Scholz

NI

Fabio Massimo Castaldo

PPE

Esteban González Pons, Brice Hortefeux, Paulo Rangel, Antonio Tajani, Loránt Vincze, Rainer Wieland

RENEW

Pascal Durand, Charles Goerens, Sandro Gozi, Guy Verhofstadt

S&D

Gabriele Bischoff, Włodzimierz Cimoszewicz, Giuliano Pisapia, Domènec Ruiz Devesa, Pedro Silva Pereira, Mihai Tudose

VERTS/ALE

Damian Boeselager, Daniel Freund, Niklas Nienaß

 

5

-

ECR

Angel Dzhambazki, Jacek Saryusz Wolski

ID

Gerolf Annemans, Laura Huhtasaari, Antonio Maria Rinaldi

 

1

0

PPE

László Trócsányi

 

Verklaring van de gebruikte tekens:

+ : voor

- : tegen

0 : onthouding

 

Laatst bijgewerkt op: 13 november 2020
Juridische mededeling - Privacybeleid