Procedure : 2019/2169(INI)
Stadium plenaire behandeling
Documentencyclus : A9-0234/2020

Ingediende teksten :

A9-0234/2020

Debatten :

PV 21/01/2021 - 4
PV 21/01/2021 - 6
CRE 21/01/2021 - 4
CRE 21/01/2021 - 6

Stemmingen :

Aangenomen teksten :

P9_TA(2021)0025

<Date>{25/11/2020}25.11.2020</Date>
<NoDocSe>A9-0234/2020</NoDocSe>
PDF 346kWORD 135k

<TitreType>VERSLAG</TitreType>

<Titre>over de EU-strategie inzake gendergelijkheid</Titre>

<DocRef>(2019/2169(INI))</DocRef>


<Commission>{FEMM}Commissie vrouwenrechten en gendergelijkheid</Commission>

Rapporteur: <Depute>Maria Noichl</Depute>

Rapporteur voor advies (*):Eugenia Rodríguez Palop, Commissie werkgelegenheid en sociale zaken

(*) (Procedure met medeverantwoordelijke commissies – Artikel 57 van het Reglement)

AMENDEMENTEN
ONTWERPRESOLUTIE VAN HET EUROPEES PARLEMENT
 TOELICHTING
 ADVIES VAN DE COMMISSIE WERKGELEGENHEID EN SOCIALE ZAKEN
 ADVIES VAN DE COMMISSIE BURGERLIJKE VRIJHEDEN, JUSTITIE EN BINNENLANDSE ZAKEN
 INFORMATIE OVER DE GOEDKEURING IN DE BEVOEGDE COMMISSIE
 HOOFDELIJKE EINDSTEMMING IN DE BEVOEGDE COMMISSIE


PR_INI

INHOUD

Blz.

ONTWERPRESOLUTIE VAN HET EUROPEES PARLEMENT

TOELICHTING

ADVIES VAN DE COMMISSIE WERKGELEGENHEID EN SOCIALE ZAKEN

ADVIES VAN DE COMMISSIE BURGERLIJKE VRIJHEDEN, JUSTITIE EN BINNENLANDSE ZAKEN

INFORMATIE OVER DE GOEDKEURING IN DE BEVOEGDE COMMISSIE

HOOFDELIJKE EINDSTEMMING IN DE BEVOEGDE COMMISSIE

 


ONTWERPRESOLUTIE VAN HET EUROPEES PARLEMENT

over de EU-strategie inzake gendergelijkheid

(2019/2169(INI))

Het Europees Parlement,

 gezien artikel 2 en artikel 3, lid 3, van het Verdrag betreffende de Europese Unie (VEU) en de artikelen 6, 8, 10, 83, 153 en 157 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU),

 gezien de artikelen 21 en 23 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie,

 gezien de Agenda 2030 voor duurzame ontwikkeling van de VN en de bijbehorende doelstellingen inzake duurzame ontwikkeling (SDG’s), met name doelstelling 5 en de bijbehorende streefcijfers en indicatoren,

 gezien het Verdrag van de Verenigde Naties van 18 december 1979 inzake de uitbanning van alle vormen van discriminatie van vrouwen (CEDAW),

 gezien het bestaan, sinds 1975, van EU-richtlijnen inzake verschillende aspecten van de gelijke behandeling van mannen en vrouwen (Richtlijn 79/7/EEG[1], Richtlijn 86/613/EEG[2], Richtlijn 92/85/EEG[3], Richtlijn 2004/113/EG[4], Richtlijn 2006/54/EG[5], Richtlijn 2010/18/EU[6] en Richtlijn 2010/41/EU[7]),

 gezien Richtlijn (EU) 2019/1158 van het Europees Parlement en de Raad van 20 juni 2019 betreffende het evenwicht tussen werk en privéleven voor ouders en mantelzorgers en tot intrekking van Richtlijn 2010/18/EU van de Raad[8],

 gezien het voorstel van de Commissie van 14 maart 2012 voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad inzake de verbetering van de man-vrouwverhouding bij niet-uitvoerende bestuurders van beursgenoteerde ondernemingen en daarmee samenhangende maatregelen (de “richtlijn vrouwelijke bestuurders”) (COM(2012)0614),

 gezien het Verdrag van de Raad van Europa inzake het voorkomen en bestrijden van geweld tegen vrouwen en huiselijk geweld (het “Verdrag van Istanbul”),

 gezien het voorstel voor een besluit van de Raad van 4 maart 2016 over de sluiting, door de Europese Unie, van het Verdrag van de Raad van Europa inzake het voorkomen en bestrijden van geweld tegen vrouwen en huiselijk geweld (COM(2016)0109),

 gezien het werkdocument van de diensten van de Commissie van 6 maart 2019, getiteld “Verslag 2019 inzake gelijkheid tussen vrouwen en mannen in de EU” (SWD(2019)0101),

 gezien zijn resolutie van 13 februari 2020 over de EU-prioriteiten voor de 64e zitting van de VN-Commissie voor de positie van de vrouw[9],

 gezien zijn resolutie van 30 januari 2020 over de loonkloof tussen mannen en vrouwen[10],

 gezien zijn resolutie van 13 februari 2019 over verslechteringen op het gebied van de rechten van de vrouw en gendergelijkheid in de EU[11],

 gezien zijn resolutie van 28 november 2019 over de toetreding van de EU tot het Verdrag van Istanbul en andere maatregelen ter bestrijding van gendergerelateerd geweld[12],

 gezien zijn resolutie van 17 april 2018 over gendergelijkheid in de mediasector in de EU[13],

 gezien de index voor gendergelijkheid van het Europees Instituut voor gendergelijkheid (EIGE) voor 2019, die op 15 oktober 2019 werd gepubliceerd,

 gezien zijn resolutie van 15 januari 2019 over gendergelijkheid en belastingbeleid in de EU[14],

 gezien zijn resolutie van 13 maart 2018 over gendergelijkheid in de handelsverdragen van de EU[15],

 gezien zijn resolutie van 3 oktober 2017 over de economische empowerment van vrouwen in de particuliere en openbare sector in de EU[16],

 gezien zijn resolutie van 14 juni 2017 over de noodzaak van een EU-strategie tot beëindiging en preventie van de genderpensioenkloof[17],

 gezien zijn resolutie van 14 maart 2017 over gelijkheid tussen mannen en vrouwen in de Europese Unie 2014-2015[18],

 gezien zijn resolutie van 14 februari 2017 over de bevordering van gendergelijkheid in de geestelijke gezondheid en het klinisch onderzoek[19],

 gezien het Verdrag betreffende gelijke beloning (nr.100) uit 1951 en het Verdrag inzake geweld en intimidatie (nr.190) uit 2019 van de Internationale Arbeidsorganisatie (ILO),

 gezien de aanbeveling van de Commissie van 7 maart 2014 “Het beginsel van gelijke beloning voor mannen en vrouwen versterken door transparantie”[20],

 gezien het strategisch engagement voor gendergelijkheid 2016-2019 van de Commissie,

 gezien de mededeling van de Commissie van 20 november 2017 getiteld “EU-actieplan tegen 2017-2019: De loonkloof tussen mannen en vrouwen aanpakken” (COM(2017)0678),

 gezien het verslag van de Commissie van 2019 over de gelijkheid van mannen en vrouwen in de EU,

 gezien de conclusies van de Raad van 13 juni 2019 over het dichten van de loonkloof tussen mannen en vrouwen: kernbeleid en kernmaatregelen,

 gezien zijn resolutie van 26 mei 2016 over armoede: een genderperspectief[21],

 gezien zijn resolutie van 16 november 2017 over de bestrijding van ongelijkheid als hefboom om het scheppen van banen en groei te stimuleren[22],

 gezien zijn resolutie van 26 februari 2014 over seksuele uitbuiting en prostitutie en de gevolgen daarvan voor de gendergelijkheid[23],

 gezien zijn resolutie van 17 december 2015 over externe factoren die een obstakel vormen voor vrouwelijke ondernemers in Europa[24],

 gezien zijn resolutie van 4 april 2017 over vrouwen en hun rol in plattelandsgebieden[25],

 gezien zijn resolutie van 15 november 2018 over de zorgdiensten in de EU ter bevordering van gendergelijkheid[26],

 gezien zijn resolutie van 17 april 2020 over gecoördineerde EU-maatregelen om de COVID-19-pandemie en de gevolgen ervan te bestrijden[27],

 gezien zijn resolutie van 16 januari 2018 over vrouwen, gendergelijkheid en klimaatrechtvaardigheid[28],

 gezien zijn resolutie van 28 april 2016 over gendergelijkheid en het versterken van de positie van de vrouw in het digitale tijdperk[29],

 gezien zijn resolutie van 9 juni 2015 over de EU-strategie voor de gelijkheid van vrouwen en mannen na 2015[30],

 gezien de conclusies van de Raad van 10 december 2019 over gendergelijke economieën in de EU: volgende stappen,

 gezien de Europese pijler voor sociale rechten, en met name de beginselen 1, 2, 3, 6, 9, 11, 12 en 15,

 gezien het EU-genderactieplan II (GAP II) en het gezamenlijk werkdocument met de titel “Gendergelijkheid en de empowerment van vrouwen: het leven van meisjes en vrouwen via de externe betrekkingen van de EU veranderen (2016-2020)” (SWD(2015)0182),

 gezien de verklaring en het actieprogramma van Peking (Beijing) en de uitkomsten van de herzieningsconferenties ervan,

 gezien de Internationale Conferentie over Bevolking en Ontwikkeling (ICPD) en het actieprogramma en de uitkomsten van de herzieningsconferenties ervan,

 gezien de Overeenkomst van Parijs van 2016 in het kader van het Raamverdrag van de Verenigde Naties inzake klimaatverandering (UNFCC) en het verbeterde werkprogramma van Lima inzake gender en het verwante genderactieplan van december 2019,

 gezien de enquête van het Bureau van de Europese Unie voor de grondrechten (FRA), getiteld “Geweld tegen vrouwen: een Europese enquête”, die in 2014 werd gepubliceerd,

 gezien de mededeling van de Commissie van 5 maart 2020 getiteld “Een Unie van gelijkheid: strategie voor gendergelijkheid 2020-2025” (COM(2020)0152),

 gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité van 7 mei 2020, getiteld “Demografische uitdagingen in de EU in het licht van de ongelijkheid op economisch en ontwikkelingsvlak”,

 gezien het Europees Handvest voor gelijkheid van vrouwen en mannen,

 gezien artikel 54 van zijn Reglement,

 gezien de adviezen van de Commissie werkgelegenheid en sociale zaken, de Commissie cultuur en onderwijs en de Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken,

 gezien het verslag van de Commissie vrouwenrechten en gendergelijkheid (A9-0234/2020),

A. overwegende dat het recht op gelijke behandeling een in de Verdragen en het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie erkend grondrecht is en essentieel is voor de verdere ontwikkeling ervan;

B. overwegende dat de lidstaten gemiddeld 67,4 op 100 scoorden in de EU-gendergelijkheidsindex van 2019, een score die sinds 2005 met slechts 5,4 punten is verbeterd;

C. overwegende dat ongelijkheid wereldwijd in stand wordt gehouden door schadelijke structuren en stereotypen; overwegende dat gendergelijkheid kan worden bevorderd door deze structuren en stereotypen te ontkrachten; overwegende dat het vergroten van de gendergelijkheid en het investeren in vrouwen en meisjes niet alleen gunstig is voor de hele maatschappij, maar ook een op zichzelf staand doel is; overwegende dat het belangrijk is het voortbestaan en de onderliggende oorzaken van het fenomeen van de “lekkende leiding” onderzoeken; overwegende dat een sterke vrouwenrechtenbeweging nodig is om de democratische waarden, de grondrechten en, in het bijzonder, de vrouwenrechten te handhaven; overwegende dat bedreigingen voor de vrouwenrechten ook bedreigingen voor de democratie vormen;

D. overwegende dat discriminatie op grond van gender vaak gepaard gaat met discriminatie op grond van identiteitsaspecten als ras, etnische of sociale afkomst, genetische kenmerken, taal, godsdienst of overtuiging, politieke of andere denkbeelden, het behoren tot een nationale minderheid, eigendom, geboorte, handicap, leeftijd, seksuele gerichtheid, genderidentiteit, genderexpressie, klasse en/of migratiestatus, waardoor zich twee of meer vormen van discriminatie tegelijk kunnen voordoen; overwegende dat een horizontaal intersectioneel perspectief essentieel is voor elk beleid inzake gendergelijkheid om deze verschillende vormen van discriminatie te erkennen en aan te pakken; overwegende dat in het EU-beleid tot nu toe geen intersectionele benadering is toegepast en voornamelijk aandacht is besteed aan de individuele dimensie van discriminatie, waardoor de institutionele, structurele en historische dimensies over het hoofd worden gezien; overwegende dat door toepassing van intersectionele analyses niet alleen inzicht kan worden verkregen in structurele belemmeringen, maar ook bewijs wordt verzameld voor benchmarks en de weg wordt vrijgemaakt voor strategisch en doeltreffend beleid om systemische discriminatie, uitsluiting en sociale ongelijkheden te bestrijden, en overwegende dat daarbij moet worden getracht alle vormen van discriminatie aan te pakken teneinde gendergelijkheid voor alle vrouwen te bewerkstelligen;

E. overwegende dat de EU belangrijke wetgeving heeft vastgesteld en cruciale stappen voorwaarts heeft gezet om gendergelijkheid te verwezenlijken; overwegende dat deze inspanningen in de afgelopen jaren echter zijn afgezwakt, terwijl bewegingen tegen beleid op het gebied van gendergelijkheid en vrouwenrechten – die traditionele genderrollen weer als norm proberen in te voeren, de status quo in twijfel trekken en verdere vooruitgang belemmeren – juist meer aanhangers hebben gekregen; overwegende dat deze bewegingen – die gekant zijn tegen beleid inzake gendergelijkheid, diversiteit van gezinsvormen, huwelijken tussen personen van hetzelfde geslacht, seksuele en reproductieve gezondheid en rechten en gendermainstreaming – trachten nationale en Europese beleidsvorming te beïnvloeden, in een verontrustende poging om reeds vastgestelde grondrechten terug te draaien, en overwegende dat ontwikkelingen die een bedreiging vormen voor vrouwenrechten automatisch ook een bedreiging inhouden voor de democratie en maatschappelijke en economische vooruitgang;

F. overwegende dat gezondheidsrechten, en met name rechten betreffende de seksuele en reproductieve gezondheid, grondrechten van vrouwen zijn, die versterkt moeten worden en op geen enkele wijze mogen worden ingeperkt of geschrapt;

G. overwegende dat er in sommige lidstaten sprake is van een zichtbare terugval, ook op gebieden als de economische empowerment van vrouwen, en dat het risico bestaat dat er op de agenda van de EU steeds minder aandacht is voor gendergelijkheid;

H. overwegende dat één op de drie vrouwen van 15 jaar of ouder in de EU te maken heeft gehad met een vorm van fysiek en/of seksueel geweld[31], één op de twee met seksuele intimidatie en één op de tien met online-intimidatie;

I. overwegende dat alle vormen van geweld (fysiek, seksueel, psychologisch, economisch of cybergeweld) tegen vrouwen in strijd zijn met de mensenrechten en onder de grootste belemmeringen voor de verwezenlijking van gendergelijkheid vallen; overwegende dat een leven zonder geweld een voorwaarde is voor gelijkheid; overwegende dat er pas in de afgelopen jaren aandacht is gekomen voor gendergerelateerd geweld in de gezondheidszorg, zoals obstetrisch of gynaecologisch geweld, en overwegende dat geweld tegen oudere vrouwen nog steeds onvoldoende wordt onderkend; overwegende dat desinformatiecampagnes die bedoeld zijn om de gendergelijkheid te ondermijnen, ook belemmeren dat vorderingen worden geboekt bij het uitbannen van geweld tegen vrouwen, bijvoorbeeld in verband met het Verdrag van Istanbul, en dat deze campagnes in sommige lidstaten leiden tot weerstand onder de bevolking en schadelijke politieke besluiten;

J. overwegende dat mensenhandel een van de meest flagrante schendingen is van de grondrechten en menselijke waardigheid; overwegende dat vrouwen en meisjes 80 % van de geregistreerde slachtoffers van mensenhandel uitmaken en 95 % van de geregistreerde slachtoffers van mensenhandel voor seksuele uitbuiting; overwegende dat mensenhandel een steeds grotere tak vormt binnen de georganiseerde misdaad, een vorm van slavernij en mensenrechtenschending is en vooral betrekking heeft op vrouwen en kinderen, met name als het om seksuele uitbuiting gaat; overwegende dat de markt voor prostitutie de handel in vrouwen en kinderen aanwakkert en het geweld tegen hen verergert; overwegende dat de lidstaten hun sociaal en economisch beleid zodanig moeten ontwerpen dat kwetsbare vrouwen en meisjes worden geholpen de prostitutie te verlaten, onder meer door specifieke sociale en economische beleidsmaatregelen in te voeren die hen helpen;

K. overwegende dat armoede en sociale uitsluiting structurele oorzaken hebben die moeten worden uitgebannen en aangepakt, met name door middel van beleid inzake werkgelegenheid, huisvesting, mobiliteit en toegang tot openbare diensten; overwegende dat prostitutie en de handel in mensen, en met name in vrouwen en kinderen, ten behoeve van seksuele uitbuiting een vorm van slavernij is die strijdig is met de menselijk waardigheid, met name in landen waar de seksindustrie is gelegaliseerd; overwegende dat de toename van de georganiseerde criminaliteit en de winstgevendheid daarvan ertoe heeft geleid dat ook de mensenhandel wereldwijd is toegenomen; overwegende dat de markt voor prostitutie de handel in vrouwen en kinderen aanwakkert en het geweld tegen hen verergert, met name in landen waar de seksindustrie is gelegaliseerd;

L. overwegende dat volgens de VN bijna 35 % van de vrouwen wereldwijd psychologische of seksuele intimidatie op de werkplek of intimidatie met ernstige gevolgen voor de persoonlijke en professionele ambities ervaart, wat schadelijk is voor hun gevoel van eigenwaarde en voor hun onderhandelingspositie met het oog op een eerlijkere beloning; overwegende dat eerlijke beloning en economische onafhankelijkheid essentiële voorwaarden zijn voor het vermogen van vrouwen om zich te onttrekken aan een gewelddadige relatie;

M. overwegende dat de gelijkheid tussen mannen en vrouwen alleen kan worden verwezenlijkt als hun gelijkheid voor de wet en gelijke kansen op toegang tot onderwijs, opleiding en werk worden gegarandeerd;

N. overwegende dat stereotypen en de traditionele rollen van man en vrouw nog altijd van invloed zijn op de taakverdeling tussen mannen en vrouwen in het huishouden, in het onderwijs, op de werkvloer en in de samenleving; overwegende dat onbetaalde zorg- en huishoudelijke taken vaak door vrouwen worden uitgevoerd, hetgeen gevolgen heeft voor de arbeidsparticipatie en loopbaanontwikkeling, en bijdraagt aan de genderloon- en genderpensioenkloof; overwegende dat maatregelen ter bevordering van het evenwicht tussen werk en privéleven, waaronder Richtlijn (EU) 2019/1158[32] (de richtlijn betreffende het evenwicht tussen werk en privéleven), belangrijke eerste stappen vormen, die in de eerste plaats naar behoren moeten worden omgezet in de nationale stelsels van de EU-lidstaten, volledig en tijdig moeten worden uitgevoerd en daarnaast met verdere maatregelen moeten worden aangevuld om ervoor te zorgen dat mannen vaker onbetaald werk doen – waarbij moet worden onderstreept dat dit werk even waardevol is als professioneel werk – en zorgtaken uitvoeren en om het model van gelijke verdieners en gelijke verzorgers te bevorderen; overwegende dat traditionele structuren, onbetaalde zorgtaken en negatieve prikkels in het nationale belastingbeleid ertoe bijdragen dat vrouwen in een positie van tweede verdiener worden geduwd of gehouden, hetgeen negatieve gevolgen heeft voor vrouwen en hun economische onafhankelijkheid en voor de maatschappij als geheel;

O. overwegende dat volgens schattingen 80 % van alle zorg in de EU wordt verleend door mantelzorgers die overwegend (75 %) vrouw zijn, hetgeen duidt op een genderzorgkloof die sterk van invloed is op de genderpensioenkloof; overwegende dat meer dan 50 % van de verzorgers onder de 65 jaar zorg met een baan combineert en daardoor moeilijkheden ondervindt om werk en privéleven in evenwicht te brengen; overwegende dat verzorgers vaak laaggeschoold en slecht betaald werk verrichten dat gemakkelijk te combineren is met hun zorgtaken, en zich vaak ook gedwongen zien om minder uren te werken of een betaalde baan op te zeggen; overwegende dat tussen de 7 % en 21 % van de mantelzorgers minder uren gaat werken en dat tussen de 3 % en 18 % zich volledig terugtrekt van de arbeidsmarkt; overwegende dat er binnen en tussen de lidstaten van de EU en tussen particuliere en publieke stelsels, stedelijke en plattelandsgebieden en verschillende leeftijdsgroepen grote verschillen bestaan in de kwaliteit van de zorgverlening; overwegende dat gegevens over de zorgverlening in de EU behoorlijk gefragmenteerd zijn en er geen integrale aanpak is voor de demografische uitdagingen waarmee de EU te kampen heeft en die tot druk op de overheidsuitgaven leiden;

P. overwegende dat de systemen voor kinderopvang in de verschillende lidstaten nog steeds onvoldoende zijn afgestemd op de behoeften van ouders, waaronder alleenstaande ouders (met name alleenstaande moeders), en het nog steeds lastig is om gezins- en privéleven met werk te combineren, met name voor vrouwen; overwegende dat vrouwen boven de 45 vaak gedeeltelijk werkloos zijn of onder veel ongunstiger omstandigheden werken dan mannen, met name wanneer zij weer aan het werk gaan na afloop van een zwangerschaps- of ouderschapsverlof, of wanneer zij zich gedwongen zien werk en de zorg voor afhankelijke personen te combineren;

Q. overwegende dat er, om het evenwicht tussen werk en privéleven te bevorderen, een weldoordacht systeem van zorggerelateerde verloven moet worden geboden, met inbegrip van hoogwaardige, gemakkelijk toegankelijke en betaalbare zorgvoorzieningen, en dat de uitgaven voor deze voorzieningen als investeringen in infrastructuur moeten worden aangemerkt; overwegende dat deze diensten een randvoorwaarde zijn voor de deelname van vrouwen aan de arbeidsmarkt en voor hun mogelijkheden om leidinggevende functies op het gebied van wetenschap en onderzoek te bekleden;

R. overwegende dat zwangerschapsbescherming een recht is dat ten volle moet worden gewaarborgd en overwegende dat er moet worden gestreefd naar een uitgebreider zwangerschapsverlof met alle rechten en 100 % loon;

S. overwegende dat het recht op gelijke beloning voor gelijk of gelijkwaardig werk in veel gevallen niet wordt gegarandeerd, zelfs niet wanneer dat wettelijk is vastgelegd; overwegende dat collectieve onderhandelingen een belangrijk middel zijn om de ongelijkheden tussen mannen en vrouwen op de arbeidsmarkt tegen te gaan en weg te nemen; overwegende dat het verschil in uurloon tussen mannen en vrouwen in de EU 16 % bedraagt, hoewel er aanzienlijke verschillen zijn tussen de lidstaten; overwegende dat de loonkloof tussen mannen en vrouwen oploopt tot 40 % wanneer ook de werkgelegenheidspercentages en de totale arbeidsmarktparticipatie in aanmerking worden genomen; overwegende dat de genderloonkloof onder meer een verschil van 37 % in pensioeninkomen tussen mannen en vrouwen tot gevolg heeft; overwegende dat wat de arbeidsmarktparticipatie betreft, 8 % van de mannen en 31 % van de vrouwen in de EU deeltijds werken, hetgeen wijst op aanhoudende ongelijkheden, en dat de onderliggende oorzaken daarvan moeten worden aangepakt;

T. overwegende dat de participatie van vrouwen op de arbeidsmarkt wel is toegenomen maar dat er nog steeds sprake is van ongelijkheden tussen mannen en vrouwen, waardoor vrouwen in kwetsbare of precaire situaties kunnen terechtkomen; overwegende dat het verschil in arbeidsparticipatie tussen mannen en vrouwen in de EU op 11,6 % ligt[33]; overwegende dat vrouwen ondervertegenwoordigd zijn in goedbetaalde sectoren en besluitvormingsposities en vaker banen hebben waarvoor zij overgekwalificeerd zijn, waarbij één op de vijf vrouwelijke werknemers in de EU in de laagste loongroep valt, en slechts één op de tien mannen; overwegende dat een van de gevolgen van de genderloonkloof een genderkloof van 37 %[34] in pensioeninkomsten is, iets wat de komende decennia nog zal aanhouden, en een ongelijke mate van economische onafhankelijkheid tussen vrouwen en mannen; overwegende dat er serieuze inspanningen nodig zijn om al deze genderkloven te dichten;

U. overwegende dat het feit dat vrouwen ondervertegenwoordigd zijn op de arbeidsmarkt ook tot gevolg heeft dat zij minder betrokken zijn bij besluitvormingsprocessen en het loonbeleid, wat de mogelijkheden van vrouwen beperkt om economische, politieke, maatschappelijke en culturele structuren te veranderen; overwegende dat verticale en horizontale segregatie in het beroepsleven en discriminerende praktijken bij werving en promotie tot de belangrijkste oorzaken van de loonkloof tussen mannen en vrouwen behoren; overwegende dat is gebleken dat genderquota, om-en-omlijsten en sancties in geval van niet-naleving of niet‑werkende procedures efficiënte maatregelen zijn gebleken om gelijkheid te waarborgen en ongelijke machtsrelaties te bestrijden;

V. overwegende dat er economische argumenten zijn om vrouwen volledig aan de economie te laten deelnemen, aangezien het verschil in werkgelegenheid tussen mannen en vrouwen in Europa elk jaar 370 miljard EUR kost[35];

W. overwegende dat toegang tot op leeftijd afgestemde informatie en tot seksuele en relationele voorlichting, alsook tot seksuele- en reproductieve-gezondheidszorg en seksuele en reproductieve rechten, met inbegrip van gezinsplanning, anticonceptie en veilige en legale abortus, van essentieel belang is voor de verwezenlijking van gendergelijkheid en het uitbannen van gendergerelateerd geweld; overwegende dat schendingen van de seksuele en reproductieve gezondheid en rechten van vrouwen, met inbegrip van het ontzeggen van veilige en legale abortushulpverlening, een vorm van geweld tegen vrouwen inhouden; overwegende dat integrale seksuele en relationele voorlichting en de autonomie van meisjes en vrouwen en hun vermogen om vrije en onafhankelijke beslissingen te nemen over hun lichaam en leven voorwaarden zijn voor hun economische onafhankelijkheid en derhalve voor gendergelijkheid en de uitbanning van gendergerelateerd geweld;

X. overwegende dat vrouwen een voortrekkersrol hebben vervuld in de strijd tegen de COVID-19-pandemie en overwegende dat de huidige crisis onevenredige negatieve gevolgen heeft voor vrouwen, meisjes en gendergelijkheid; overwegende dat deze gevolgen variëren van een zorgwekkende toename van gendergerelateerd geweld en intimidatie, onbetaalde en ongelijke zorg- en huishoudelijke taken, beperkte toegang tot seksuele en reproductieve gezondheid en rechten tot ingrijpende economische en arbeidsgerelateerde gevolgen voor vrouwen, met name voor gezondheidswerkers, verzorgers en werknemers in andere precaire sectoren waar met name vrouwen werkzaam zijn; overwegende dat specifieke maatregelen nodig zijn om dit te compenseren; overwegende dat herstelprogramma’s of transitiefondsen op een genderevenwichtige manier moeten worden toegewezen; overwegende dat bezuinigingsmaatregelen in het verleden schadelijk zijn gebleken voor vrouwen, vrouwenrechten en gendergelijkheid;

Y. overwegende dat eerbiediging van de fundamentele vrijheden en mensenrechten, met inbegrip van gendergelijkheid, een voorwaarde is voor de ontwikkeling en verspreiding van diverse culturele en educatieve uitingen, aangezien alle culturele en creatieve sectoren aanzienlijke invloed uitoefenen op onze overtuigingen, waarden en perceptie van genderkwesties;

Z. overwegende dat vrouwen en meisjes in de sportwereld te kampen hebben met diverse obstakels en niet alleen het slachtoffer worden van geweld, maar ook te maken hebben met discriminatie op het gebied van betaling, prijzengeld en arbeidsomstandigheden en sterk ondervertegenwoordigd zijn in besturen van sportorganisaties en media;

AA. overwegende dat slechts 34,4 % van de zelfstandigen in de EU en 30 % van de ondernemers die een start-up oprichten vrouw is;

AB. overwegende dat vrouwen in Europa, en met name alleenstaande moeders, vrouwen met een handicap, oudere vrouwen, vrouwen in plattelands- en afgelegen gebieden, vrouwelijke migranten en vrouwen die tot een etnische minderheid behoren, onevenredig zwaar worden getroffen door armoede en sociale uitsluiting; overwegende dat 15 % van de huishoudens met kinderen in de EU eenoudergezinnen zijn; overwegende dat bij gemiddeld 85 % van deze gezinnen een alleenstaande moeder aan het hoofd staat en dat 47 % van de eenoudergezinnen in 2017 het risico liep op armoede of sociale uitsluiting; overwegende dat dakloosheid onder vrouwen een toenemend probleem is; overwegende dat de antidiscriminatierichtlijn, die dankzij zijn horizontale benadering voor grotere bescherming zou zorgen, nog steeds wordt geblokkeerd in de Raad;

AC. overwegende dat gendergelijkheid en het betrekken van vrouwen bij besluitvormingsprocessen voorwaarden zijn voor duurzame ontwikkeling en efficiënt beheer van de klimaatproblematiek teneinde een eerlijke en rechtvaardige transitie mogelijk te maken waarbij niemand achterblijft; overwegende dat de klimaatcrisis de ongelijkheden tussen mannen en vrouwen verergert en het verwezenlijken van genderrechtvaardigheid bemoeilijkt; overwegende dat de klimaatverandering andere gevolgen heeft voor vrouwen, die om verschillende redenen, variërend van ongelijke toegang tot hulpbronnen, onderwijs, kansen op de arbeidsmarkt en landrechten tot sociale en culturele normen, stereotypen en hun diverse intersectionele ervaringen, kwetsbaarder zijn, een hoger risico lopen en meer lasten hebben; overwegende dat alle klimaatactie een genderdimensie en een intersectioneel perspectief moet omvatten; overwegende dat de rechten van vrouwen moeten worden versterkt om de effecten van de klimaatverandering op vrouwen te verminderen en dat kansen moeten worden gecreëerd om vrouwen als leiders, professionals en technische actoren van verandering een grotere rol te laten spelen in discussies en besluitvorming over klimaatverandering;

AD. overwegende dat vrouwen in plattelandsgebieden te maken hebben met diverse uitdagingen, waaronder lagere levensstandaarden, beperktere kansen op de arbeidsmarkt, relatieve afzondering van markten, beperkte toegang tot infrastructuur, waaronder plattelandsinfrastructuur, openbare diensten en gezondheidszorg, beperkte toegang tot onderwijs (met inbegrip van seksuele voorlichting) en informatie over scholingsmogelijkheden en dat zij ondervertegenwoordigd zijn in forums waar besluiten worden genomen; overwegende dat zij soms onzichtbare werkzaamheden op landbouwbedrijven uitvoeren omdat echtgenotes die meewerken geen formele status hebben, hetgeen leidt tot problemen om hun werkzaamheden binnen nationale stelsels te laten erkennen;

AE. overwegende dat er in de Europese Unie 46 miljoen vrouwen en meisjes met een handicap zijn; overwegende dat dit neerkomt op een percentage van bijna 60 % van de totale bevolking met een handicap; overwegende dat mensen in de meeste gevallen op latere leeftijd een handicap krijgen;

AF. overwegende dat meer dan de helft van de vrouwen in de werkende leeftijd met een handicap economisch inactief is; overwegende dat het percentage vrouwen met een handicap dat te maken heeft met ernstige materiële deprivatie in alle lidstaten hoger is dan dat van vrouwen zonder handicap;

AG. overwegende dat uit de index voor gendergelijkheid voor 2019 blijkt dat in de digitale sector nog altijd sprake is hardnekkige ongelijkheden tussen mannen en vrouwen en behoefte bestaat aan een genderperspectief in en gendereffectbeoordelingen van al het beleid inzake de digitale transformatie; overwegende dat het van het allergrootste belang is om de digitale genderkloof te dichten door meisjes en vrouwen betere toegang tot technologie en internet te bieden; overwegende dat vrouwen een onbenutte hulpbron zijn in opkomende sectoren zoals de digitale sector, kunstmatige intelligentie en ICT, aangezien vrouwen slechts 16 % vertegenwoordigen van de bijna acht miljoen werknemers in de ICT in Europa; overwegende dat in de digitale sector drie keer meer mannen dan vrouwen werkzaam zijn; overwegende dat het van vitaal belang is te stimuleren dat meer vrouwen aan de slag gaan in de digitale sector en andere toekomstbestendige sectoren om de genderloon- en genderpensioenkloof te kunnen dichten en hun economische afhankelijkheid te waarborgen, alsook nieuwe kansen voor werkgelegenheid te creëren, onder meer voor groepen die doorgaans van de arbeidsmarkt worden buitengesloten; overwegende dat het in dit opzicht essentieel is dat vrouwen worden aangemoedigd digitaal te ondernemen, opleidingen te volgen op het gebied van wetenschap, technologie, engineering en wiskunde (STEM) of ITC of op deze terreinen aan het werk te gaan; overwegende dat de integratie van meer vrouwen op de digitale arbeidsmarkt potentieel een jaarlijkse bbp-stimulans inhoudt van 16 miljard EUR voor de Europese economie; overwegende dat genderongelijkheden en discriminatie zijn gereproduceerd via het ontwerp, de input en het gebruik van kunstmatige intelligentie; overwegende dat onvolledige gegevenssets en onjuiste vooroordelen de logica van systemen op basis van kunstmatige intelligentie kunnen verstoren en de gendergelijkheid in de maatschappij in gevaar kunnen brengen;

AH. overwegende dat het van groot belang is naar geslacht uitgesplitste gegevens te verzamelen om ongelijkheden zichtbaar te maken en gericht beleid te ontwikkelen, en dat dit van het grootste belang is voor een op gender gerichte benadering voor alle relevante kwesties, waaronder gendergerelateerd geweld, handicaps, kanker en zeldzame en chronische ziekten, de impact van klimaatverandering, digitale vaardigheden en STEM; overwegende dat genderbewuste gegevens op verschillende beleidsterreinen in de EU en de lidstaten nog steeds ontbreken;

AI. overwegende dat vrouwen onevenredig zijn ondervertegenwoordigd in het nieuws en de media; overwegende dat het ongelijke beeld dat wordt geschetst van vrouwen en mannen in de media, stereotypen in stand houdt die van invloed zijn op het imago van vrouwen en mannen;

AJ. overwegende dat gendermainstreaming, genderbudgettering en gendereffectbeoordeling essentiële instrumenten zijn voor het verwezenlijken van gendergelijkheid op alle beleidsterreinen van de EU; overwegende dat in het kader van het EU-beleid diverse fondsen en instrumenten worden ingezet voor gendergelijkheid en dat de benutting van optimale synergieën tussen die fondsen en instrumenten van cruciaal belang is; overwegende dat dit met name belangrijk is voor de sociaaleconomische maatregelen die zijn genomen in de nasleep van de COVID-19-gezondheidscrisis, onder meer het herstelplan van de EU;

AK. overwegende dat de strategie voor gendergelijkheid 2020-2025 en de versterking van genderbewust beleid op EU-niveau van het allergrootste belang zijn om te voorkomen dat de impact van de COVID-19-crisis de genderkloof verder vergroot en om ervoor te zorgen dat de maatregelen de discriminatie van vrouwen helpen verminderen;

AL. overwegende dat de COVID-19-crisis ook gevolgen heeft gehad voor sekswerkers, die een groter risico lopen hun inkomen kwijt te raken en in armoede terecht te komen, aangezien een kader voor hun mensenrechten en de handhaving daarvan nog steeds ontbreken;

AM. overwegende dat een onderling afgestemd optreden van essentieel belang is om de vrouwenrechten in Europa opwaarts te convergeren en te harmoniseren via een sterk pact tussen de lidstaten waarbij zij zich verbinden tot de meest ambitieuze wetgeving en momenteel in de EU beschikbare beste praktijken en deze delen;

AN. overwegende dat er weliswaar een commissaris is die exclusief verantwoordelijk is voor gelijkheid en dat het Europees Parlement een commissie heeft voor vrouwenrechten en gendergelijkheid, maar dat er geen specifieke samenstelling van de Raad bestaat voor gendergelijkheid en dat de voor gendergelijkheid verantwoordelijke ministers en staatssecretarissen niet over een specifiek discussieforum beschikken;

Algemene opmerkingen

1. is verheugd over de goedkeuring van de mededeling van de Commissie, getiteld “Een Unie van gelijkheid: strategie voor gendergelijkheid 2020-2025”, die binnen de eerste honderd dagen van de nieuwe Commissie werd voorgelegd, waarmee een sterk signaal werd afgegeven wat betreft de politieke betrokkenheid bij Europees beleid op het gebied van gendergelijkheid en waarmee bovendien werd voorzien in een voortvarend, duidelijk en ambitieus beleidskader voor de verdere bevordering van vrouwenrechten en gendergelijkheid en de bestrijding van aanvallen op vrouwen; schaart zich achter de doelstelling van de Commissie om een Europese Unie zonder discriminatie en structurele ongelijkheden voor alle personen, in al hun diversiteit, tot stand te brengen; onderstreept het belang van de gekozen tweeledige aanpak, die bestaat uit gerichte maatregelen en de toezegging om gendermainstreaming en intersectionaliteit consequent toe te passen als horizontale beginselen; is verheugd over de sterke samenhang tussen de werkgebieden en de uitbanning van stereotypen, gendervooroordelen en discriminatie, en verzoekt om sterke toezichtmechanismen teneinde het succes van de strategie en de bijbehorende maatregelen regelmatig te meten en te evalueren;

2. benadrukt echter dat behoefte bestaat aan een op kansen gebaseerde benadering binnen de strategie voor gendergelijkheid; verzoekt de Commissie om gelijke kansen voor vrouwen als uitgangspunt te nemen om de strategie verder uit te rollen;

3. is ingenomen met de prioriteit die door de nieuwe Commissie en haar voorzitter aan gendergelijkheid wordt toegekend en met de benoeming van een commissaris die zich specifiek met gelijkheid zal bezighouden, en kijkt uit naar het jaarverslag over gelijkheid dat een nuttig instrument is voor het evalueren van de vorderingen en het identificeren van de tekortkomingen en behoeften met betrekking tot gendermainstreaming in het beleidskader;

4. is verheugd over de aankondiging van verschillende, aanvullende EU-initiatieven, zoals een Europese strategie voor personen met een handicap met bindende maatregelen na 2020, de strategie voor LGBTI+ en het EU-kader voor strategieën voor gelijkheid en integratie van de Roma voor de periode na 2020, en pleit voor een strategisch kader voor de onderlinge koppeling daarvan, alsook voor de vaststelling van een intersectionele aanpak voor elk van deze strategieën; benadrukt hoe belangrijk het is om toezicht te houden op de situatie en in staat te zijn op flexibele wijze aanpassingen te doen aan de strategie voor gendergelijkheid en andere relevante strategieën op grond van de resultaten en toekomstige uitdagingen met behulp van het huidige beleid of door nieuwe instrumenten voor te stellen, zoals de recente COVID-19-crisis heeft aangetoond; wijst nogmaals op de noodzaak van versterking van specifieke maatregelen om non-discriminatie, en de gelijkheid en bescherming van vrouwen die structurele genderongelijkheden ondergaan te waarborgen, en herinnert de Commissie eraan dat er op dit gebied extra inspanningen nodig zijn;

5. betreurt het feit dat in de strategie nog altijd geen duidelijkheid wordt geboden met betrekking tot de tijdschema’s voor verscheidene, zeer welkome maatregelen en dat geen concrete doelstellingen op het gebied van gendergelijkheid voor 2025 of duidelijke toezichtinstrumenten worden vastgesteld; verzoekt de Commissie daarom een concreet stappenplan met tijdschema’s, doelstellingen, een jaarlijkse evaluatie, een toezichtmechanisme, duidelijke en meetbare succesindicatoren en aanvullende, gerichte acties vast te stellen; verzoekt de Commissie eveneens richtsnoeren en een stappenplan voor te stellen voor de doeltreffende toepassing van de intersectionele aanpak en gendermainstreaming, met inbegrip van genderbudgettering, in al het EU-beleid en specifieke instrumenten (zoals indicatoren, streefwaarden en toezichtinstrumenten) te ontwikkelen en toereikende personele en financiële middelen toe te wijzen om te garanderen dat deze in al het EU-beleid worden toegepast; verzoekt om duidelijke tijdschema’s met betrekking tot de ontwikkeling van het aangekondigde nieuwe kader voor de samenwerking tussen internetplatforms, de EU-strategie voor de uitbanning van mensenhandel, de strategie voor gendergelijkheid in de audiovisuele industrie (in het kader van het MEDIA-subprogramma) en de EU-brede voorlichtingscampagne over de bestrijding van genderstereotypen;

6. verzoekt de Commissie de toezeggingen in het kader van het werkprogramma voor 2020 bij alle herzieningen te eerbiedigen en tijdig een voorstel voor bindende maatregelen inzake loontransparantie, een EU-strategie inzake slachtofferrechten, een EU-kader voor strategieën voor gelijkheid en integratie van de Roma voor de periode na 2020, een nieuwe EU-strategie voor de uitbanning van mensenhandel en een EU-actieplan inzake gendergelijkheid en empowerment van vrouwen in de externe betrekkingen voor 2021-2025 in te dienen;

7. dringt er bij de lidstaten op aan de antidiscriminatierichtlijn goed te keuren en uit te voeren en te garanderen dat de diverse en intersectionele vormen van discriminatie in alle EU-lidstaten worden uitgebannen;

8. stipt aan dat meervoudige discriminatie moet worden bestreden, met name van kwetsbare groepen, waaronder vrouwen met een handicap, zwarte vrouwen, vrouwelijke migranten, vrouwen uit etnische minderheden en Roma-vrouwen, oudere vrouwen, alleenstaande moeders, LGBTIQ+’s en dakloze vrouwen, en benadrukt dat het van belang is dat zij profiteren van de doelstellingen en acties van de EU-strategie voor gendergelijkheid 2020-2025; verzoekt de Commissie duidelijke richtsnoeren vast te stellen voor de uitvoering van het intersectioneel kader, waarbij voorrang dient te worden gegeven aan de participatie van de groepen die worden getroffen door de elkaar overlappende vormen van discriminatie om de uiteenlopende gevolgen van beleid en acties te beoordelen teneinde op elk gebied met een gepast antwoord te komen dat is gebaseerd op het beginsel van non-discriminatie;

9. verzoekt de Commissie en de lidstaten om, in overeenstemming met de doelstellingen van de strategie, systematisch een genderperspectief te integreren in alle fasen van de respons op de COVID-19-crisis en de betrokkenheid van vrouwen op alle niveaus van het besluitvormingsproces te bevorderen; onderstreept dat het een fout signaal zou afgeven om sommige elementen van de nieuwe strategie uit te stellen en dringt er daarom bij de Commissie op aan op schema te blijven met de nieuwe strategie; verzoekt de Commissie en de lidstaten naar behoren rekening te houden met de behoeften van vrouwen en tegelijkertijd de fondsen op te zetten en te verdelen waarover in het kader van het herstelplan voor Europa getiteld “NextGenerationEU” overeenstemming is bereikt;

10. wijst erop te waarborgen dat betrouwbare en adequate, naar geslacht uitgesplitste gegevens worden verzameld en geanalyseerd die als basis kunnen dienen voor de besluitvorming, door de financiering en bevoegdheden van het EIGE veilig te stellen en uit te breiden;

11. verzoekt de lidstaten regelmatig beste praktijken uit te wisselen en zich te verbinden aan een opwaartse convergentie en harmonisatie van vrouwenrechten in Europa door in hun respectieve wetgeving de meest ambitieuze nationale maatregelen en praktijken in te voeren die momenteel in de EU-lidstaten worden toegepast;

12. roept er eveneens toe op de gendergelijkheidsindex van het EIGE in het toezichtproces van de Commissie op te nemen en een indicator voor de genderpensioenkloof te ontwikkelen naar aanleiding van de aanbevelingen van het Europees Parlement in zijn resolutie van 14 juni 2017 over de noodzaak van een EU-strategie tot beëindiging en preventie van de genderpensioenkloof[36], waarop toezicht moet worden gehouden in het kader van de strategie voor gendergelijkheid, de enige strategie die ingaat op alle ongelijkheden waarmee vrouwen gedurende hun leven te maken hebben; roept ertoe op ook andere indicatoren voor onder meer de genderloonkloof, de genderzorgkloof en de digitale kloof tussen mannen en vrouwen in overweging te nemen;

13. verzoekt de Raad een format voor gendergelijkheid vast te stellen, waarbij de voor gendergelijkheid verantwoordelijke ministers en staatssecretarissen in één gespecialiseerd forum samenkomen om gemeenschappelijke en concrete maatregelen te ontwikkelen om de uitdagingen op het gebied van vrouwenrechten en gendergelijkheid aan te pakken en te garanderen dat kwesties inzake gendergelijkheid op het hoogste politieke niveau worden besproken;

14. roept de lidstaten op een formele Raadsformatie over gendergelijkheid in het leven te roepen, zodat de ministers en staatssecretarissen die bevoegd zijn voor gendergelijkheid over een eigen discussieforum kunnen beschikken, en gendermainstreaming op alle beleidsterreinen van de EU, waaronder werkgelegenheid en sociaal beleid, te vergemakkelijken;

15. betreurt dat er in de strategie voor gendergelijkheid 2020-2025 met geen woord wordt gerept over de bescherming van vrouwen en meisjes die blootstaan aan het risico van sociale uitsluiting, armoede en dakloosheid; verzoekt de Commissie die problemen aan te pakken in het komende actieplan voor integratie en inclusie teneinde te voorkomen dat deze vrouwen worden uitgesloten van sociaal-economisch beleid en in een neerwaartse armoedespiraal terechtkomen;

16. dringt er bij de Raad op aan om de Conclusies van de Raad vast te stellen om de strategie inzake gendergelijkheid goed te keuren en er met concrete acties uitvoering aan te geven;

Het uitbannen van geweld tegen vrouwen en gendergerelateerd geweld

17. steunt de inspanningen van de Commissie om gendergerelateerd geweld te bestrijden, slachtoffers van dergelijke misdrijven te steunen en te beschermen, en ervoor te zorgen dat de daders aansprakelijk worden gesteld voor hun misdrijven; staat achter het plan van de Commissie om te blijven aandringen op de ratificatie van het Verdrag van Istanbul in de hele EU; onderstreept in dit verband dat er specifieke maatregelen nodig zijn om de bestaande verschillen tussen wetten, beleid en diensten van de lidstaten en het toegenomen huiselijk en gendergerelateerd geweld tijdens de COVID-19-pandemie aan de orde te stellen; wijst er evenwel op dat reeds verscheidene, vergeefse pogingen zijn gedaan om halsstarrige lidstaten te overtuigen en dat Hongarije onlangs heeft besloten het verdrag helemaal niet te ratificeren; is daarom zeer verheugd over het voornemen van de Commissie om in 2021 met maatregelen te komen voor de verwezenlijking van de doelstellingen van het Verdrag van Istanbul, indien de volledige toetreding van de EU tegen die tijd nog steeds wordt geblokkeerd; pleit ervoor nu van start te gaan met voorbereidende handelingen om zo snel mogelijk aanvullende, juridisch bindende maatregelen en een EU-kaderrichtlijn in te voeren om alle vormen van gendergerelateerd geweld te voorkomen en te bestrijden, waarbij onder meer de kwesties genitale verminking bij vrouwen, gedwongen abortus en sterilisatie, gedwongen huwelijken worden aangepakt, en om in deze kaderrichtlijn de onderwerpen seksuele uitbuiting, mensenhandel, cybergeweld, wraakporno en onlinehaatuitingen tegen vrouwen met behulp van een sterke intersectionele aanpak te behandelen; is ingenomen met het initiatief de vormen van criminaliteit uit te breiden en er specifieke vormen van gendergerelateerd geweld overeenkomstig artikel 83, lid 1, VWEU in op te nemen; herinnert eraan dat deze nieuwe wetgevingsmaatregelen een aanvulling moeten vormen op de ratificatie van het Verdrag van Istanbul;

18. is verheugd over het plan om een aanvullende aanbeveling en eventueel ook wetgeving op te stellen over het voorkomen van schadelijke praktijken en een EU-netwerk op te zetten voor het voorkomen van zowel gendergerelateerd geweld als huiselijk geweld; vraagt dat de definities en doelstellingen van het Verdrag van Istanbul worden toegepast en dat vrouwenrechten- en maatschappelijke organisaties consistent bij het proces worden betrokken; dringt erop aan passende follow-upmaatregelen voor te stellen die alle het beginsel van non-discriminatie eerbiedigen; benadrukt hoe belangrijk de betrokkenheid van lokale en regionale overheden bij dit proces is – wanneer dit volgens de structuur van een bepaalde lidstaat passend is; onderstreept de rol van voorlichting, onder meer voor jongens en mannen, en roept in dit opzicht op tot het bestrijden van genderstereotypen; dringt aan op de fatsoenlijke bescherming van vrouwen die het slachtoffer zijn van huiselijk geweld, door de beschikbare overheidsmiddelen uit te breiden en doeltreffende maatregelen te nemen;

19. onderstreept dat uitgesplitste gegevens over alle vormen van gendergerelateerd geweld moeten worden verzameld; is verheugd over de aankondiging van een nieuwe enquête voor de hele EU over de wijdverbreidheid en dynamiek van alle vormen van geweld tegen vrouwen; benadrukt het belang van integrale en vergelijkbare, naar geslacht uitgesplitste gegevens op EU-niveau en van de harmonisatie van de systemen voor gegevensverzameling van de verschillende lidstaten;

20. beklemtoont dat vrouwen die minderjarig zijn, tot een minderheid behoren of gezondheidsproblemen of een handicap hebben, moeten worden beschermd als mogelijke slachtoffers en doelwitten van diverse vormen van geweld; onderschrijft het voornemen van de Commissie om maatregelen voor te stellen en te financieren die misbruik, uitbuiting en geweld tegen deze bijzonder kwetsbare groepen kunnen verhinderen;

21. verzoekt de Commissie en de lidstaten de inclusieve gelijkheid van vrouwen en meisjes met een handicap in alle levenssferen te waarborgen, hun seksuele en reproductieve rechten te garanderen, hen te beschermen tegen huiselijk geweld en geweld door zorgverstrekkers en hulpverleners, alsmede hiertoe programma’s inzake bewustmaking en capaciteitsopbouw te starten voor professionals in de gezondheidszorg, sociale en zorgdiensten, het onderwijs, opleiding en arbeidsbemiddeling, politie en justitie;

22. wijst nadrukkelijk op de reikwijdte en de gevolgen van geweld en intimidatie op de werkvloer en op de noodzaak van concrete maatregelen op EU-niveau om deze kwesties aan te pakken en psychologische en seksuele intimidatie te bestrijden; brengt in herinnering dat onder meer mantelzorgers, huishoudelijk personeel en werknemers in de landbouw in het bijzonder geen bescherming genieten en verzoekt de lidstaten Verdrag nr. 189 van de Internationale Arbeidsorganisatie (IAO) ten uitvoer te leggen om de rechten van mensen, en met name die van vrouwen, die in de informele economie werken te bevorderen, en te garanderen dat klachtenmechanismen onafhankelijk, vertrouwelijk en toegankelijk zijn voor alle vrouwen, zonder enige vorm van discriminatie, en dat specifieke maatregelen worden getroffen om indieners van klachten te beschermen tegen vergelding door werkgevers en herhaald slachtofferschap; is ingenomen met de toezegging van de Commissie dat zij, als werkgever, een nieuw uitgebreid rechtskader zal vaststellen met een reeks preventieve en reactieve maatregelen tegen intimidatie op het werk;

23. betreurt dat er zo weinig aandacht is voor de genderdimensie van mensenhandel voor uitbuiting op arbeidsgebied, met name in het geval van huishoudelijk personeel, als gevolg van de beperkingen die de familiewoning als werkplek met zich meebrengt met betrekking tot de mogelijkheden tot inspectie en controle van de werkactiviteiten; herinnert aan zijn resolutie van 28 april 2016 over vrouwen die als huishoudelijk personeel en als verzorger werken in de EU, en verzoekt de Commissie en de lidstaten onderzoeken op dit gebied te bevorderen, teneinde de mechanismen voor de identificatie en bescherming van de slachtoffers te verbeteren, en ngo’s, vakbonden, overheidsinstanties en alle burgers bij het opsporingsproces te betrekken;

24. maakt zich grote zorgen over de aard, de omvang en de ernst van geweld en intimidatie in de werkomgeving en de impact van alle vormen van geweld tegen vrouwen en meisjes in werksituaties; is in dit verband ingenomen met het onlangs aangenomen IAO-Verdrag nr. 190 inzake geweld en intimidatie op het werk, en verzoekt de lidstaten dit onverwijld te ratificeren en ten uitvoer te leggen; verzoekt de Commissie en de lidstaten tevens doeltreffende en bindende maatregelen in te voeren om geweld en intimidatie op de werkplek te definiëren en te verbieden, onder meer door te zorgen voor effectieve toegang tot genderresponsieve, veilige en doelmatige mechanismen voor klachtenbehandeling en geschillenbeslechting, opleidingen en bewustmakingscampagnes, ondersteunende diensten en rechtsmiddelen;

25. is van mening dat vrouwelijke werknemers die het slachtoffer zijn van gendergerelateerd geweld, recht dienen te hebben op arbeidstijdherschikking of -verkorting en overplaatsing naar een andere werkplek; is van mening dat gendergerelateerd geweld dient te worden opgenomen in risico-evaluaties van de werkplek;

26. veroordeelt de campagne tegen het Verdrag van Istanbul om geweld tegen vrouwen te bestrijden en de weloverwogen campagne om dit Verdrag in diskrediet te brengen; is bezorgd over de afwijzing van nultolerantie voor geweld tegen vrouwen en gendergerelateerd geweld, waarover een sterke internationale consensus bestaat; wijst erop dat de essentie van de mensenrechten, zoals gelijkheid, autonomie en waardigheid, hierdoor in twijfel wordt getrokken; wijst op de uitermate belangrijke rol die maatschappelijke organisaties bij de bestrijding van gendergerelateerd geweld en de ondersteuning van slachtoffers spelen en dringt er derhalve bij de Commissie op aan in passende financiering te voorzien voor organisaties die deze doelen nastreven; is ingenomen met de toezegging dat in de nieuwe strategie inzake slachtofferrechten zal worden ingegaan op de specifieke behoeften van vrouwen en meisjes die het slachtoffer zijn van geweld, teneinde de rechten, bescherming en compensatie van slachtoffers te garanderen; verzoekt de Raad de ratificatie van het Verdrag van Istanbul door de EU en de volledige tenuitvoerlegging ervan dringend te voltooien en te pleiten voor de ratificatie van het verdrag door alle lidstaten;

27. benadrukt dat alle vormen van geweld en intimidatie in het onderwijs, op scholen en universiteiten en in het kader van stages, programma’s voor professionele ontwikkeling en andersoortige programma’s, in de hele sector moeten worden erkend en bestreden;

28. is ingenomen met de voorgestelde, specifieke maatregelen ter bestrijding van cybergeweld (met inbegrip van online-intimidatie, cyberpesten en seksistische haatzaaiende uitlatingen), waar vrouwen en meisjes, met name activisten, vrouwelijke politici en andere publieke figuren die in het openbaar debat op de voorgrond treden, onevenredig vaak het slachtoffer van worden; is in dit verband ingenomen met de aankondiging dat dit probleem zal worden aangepakt in de wet inzake digitale diensten en dat daarbij samenwerking wordt beoogd met technologieplatforms en de ICT-sector in een nieuw kader voor samenwerking, zodat deze laatste het probleem kan aanpakken met behulp van toereikende technische maatregelen, zoals preventieve technieken en responsmechanismen voor schadelijke inhoud; dringt er bij de lidstaten en de EU op aan verdere maatregelen vast te stellen, met inbegrip van bindende wetgevingsmaatregelen, ter bestrijding van deze vormen van geweld in het kader van een richtlijn betreffende de preventie en bestrijding van alle vormen van geweld tegen vrouwen, en ter ondersteuning van de lidstaten bij de ontwikkeling van opleidingsinstrumenten voor de diensten die zijn betrokken bij alle stadia, van preventie en bescherming tot vervolging, zoals de politie en het gerechtelijk apparaat, in combinatie met informatie en communicatie, waarbij de grondrechten echter ook online moeten worden geëerbiedigd;

29. maakt zich zorgen over het gebrek aan een uitdrukkelijk verbod op discriminatie op grond van iemands genderidentiteit en genderexpressie in het EU-recht; merkt op dat LGBTIQ+-personen nog steeds worden gediscrimineerd, geïntimideerd en uitgesloten van de arbeidsmarkt; herinnert aan zijn resolutie van 14 februari 2019 over de toekomst van de lijst van acties ter bevordering van de gelijkheid van LGBTI-personen[37] en die van 18 december 2019 over openbare discriminatie en haatzaaiende uitlatingen ten aanzien van LGBTI-personen[38]; verzoekt de Commissie het strategisch kader over de gelijkheid van LGBTIQ+-personen zo snel mogelijk goed te keuren, in aansluiting op haar lijst van acties ter bevordering van de gelijkheid van LGBTI-personen 2016-2019, en daarin specifieke maatregelen op te nemen ter bestrijding van discriminatie op het werk op grond van seksuele gerichtheid, genderidentiteit, genderexpressie en geslachtskenmerken;

30. is ingenomen met de onlangs vastgestelde, allereerste EU-strategie inzake slachtofferrechten (2020-2025) waarin zal worden ingegaan op de specifieke behoeften van slachtoffers van gendergerelateerd geweld, met name een specifieke aanpak van psychologisch geweld tegen vrouwen en de langetermijneffecten ervan op hun mentale gezondheid; benadrukt dat iets moet worden gedaan aan de huidige lacunes in de EU-wetgeving en vraagt de Commissie om onverwijld te komen met een voorstel tot herziening van de richtlijn slachtofferrechten met betrekking tot internationale normen inzake geweld tegen vrouwen, zoals het Verdrag van Istanbul, teneinde de wetgeving betreffende de rechten, bescherming en compensatie van slachtoffers aan te scherpen; benadrukt dat alle slachtoffers effectief toegang moeten krijgen tot de rechter via de uitvoering van de richtlijn slachtofferrechten, die in sommige lidstaten nog steeds ontbreekt; verzoekt door te gaan met de bevordering van slachtofferrechten, ook via bestaande instrumenten als het Europese opsporingsbevel;

31. vestigt de aandacht van de Commissie en de lidstaten op de buitengewoon dramatische situatie van kinderen die wees zijn geworden als gevolg van gendergerelateerd geweld of worden gedwongen in een omgeving met huiselijk geweld te leven, en dringt er bij hen op aan rekening te houden met deze situaties wanneer ze het probleem van huiselijk geweld aanpakken;

32. verzoekt de Commissie met klem de langverwachte EU-strategie voor de uitbanning van mensenhandel te presenteren en beklemtoont dat duidelijk moet worden onderkend dat mensenhandel en seksuele uitbuiting een belangrijke gendercomponent hebben, aangezien vrouwen en meisjes veruit het zwaarst worden getroffen; erkent dat seksuele uitbuiting met het oog op draagmoederschap en reproductieve doeleinden of doeleinden zoals gedwongen huwelijken, prostitutie en pornografie onaanvaardbaar is en een schending is van de menselijke waardigheid en de mensenrechten; verzoekt derhalve in het kader van de strategie meer dan voldoende aandacht te besteden aan de situatie van vrouwen in de prostitutie, met bijzondere aandacht voor het verband tussen prostitutie en de handel in vrouwen en kinderen, in de EU en wereldwijd, en aan de opkomst van manieren om het internet te gebruiken voor uitbuiting; onderstreept hoe belangrijk de werkzaamheden van de EU-coördinator voor de bestrijding van mensenhandel zijn en dringt er bij de Commissie op aan de nieuwe coördinator onverwijld aan te stellen, zodat deze de uitvoering van de richtlijn inzake de voorkoming en bestrijding van mensenhandel door de lidstaten op de voet kan volgen; hamert erop dat het belangrijk is ook maatregelen en strategieën vast te stellen die gericht zijn op het verminderen van de vraag;

33. verzoekt de Commissie in dit opzicht een richtlijn voor te stellen voor de bestrijding van mensenhandel voor seksuele uitbuiting in de EU, aangezien mensenhandel voor seksuele uitbuiting de meest wijdverbreide vorm van mensenhandel is;

34. dringt aan op krachtigere maatregelen met betrekking tot de wetgeving inzake seksuele delicten en benadrukt dat seks altijd vrijwillig moet zijn; verzoekt de Commissie aanbevelingen aan alle lidstaten op te nemen om de definitie van verkrachting in hun nationale wetgeving aan te passen, zodat deze is gebaseerd op het ontbreken van instemming;

35. is ingenomen met de EU-brede voorlichtingscampagne ter bestrijding van genderstereotypen en de maatregelen ter voorkoming van geweld die zijn gericht op mannen, jongens en vormen van mannelijkheid; roept op tot duidelijkere maatregelen om destructieve normen van mannelijkheid aan te pakken, aangezien genderstereotypen een van de onderliggende oorzaken vormen van genderongelijkheid en negatieve gevolgen hebben voor alle aspecten van de samenleving;

36. verzoekt om meer aandacht en steun voor weeshuizen en pleeggezinnen voor slachtoffers van geweld, aangezien deze zijn gesloten of hun opvangcapaciteit sterk is beperkt tijdens de COVID-19-pandemie, waardoor vrouwen, jonge meisjes en kinderen worden gedwongen om tijdens de lockdown in huis te wonen bij de persoon die hen mishandelt;

37. benadrukt dat geweld tegen vrouwen in veel gevallen de voornaamste reden is waarom vrouwen dakloos raken; dringt er daarom bij de Commissie op aan de nodige maatregelen te nemen om geweld tegen vrouwen te voorkomen, zodat zij niet op straat terechtkomen of langer op straat blijven;

38. is ingenomen met de aankondiging van een aanbeveling inzake de preventie van schadelijke praktijken, in aanvulling op eventuele wetgeving, voor de bestrijding van vrouwelijke genitale verminking, gedwongen sterilisatie, vroegtijdige en gedwongen huwelijken en de zogeheten “eerwraak”, waar vooral kinderen en jonge meisjes het slachtoffer van worden;

Vrouwen en de economie

39. herhaalt zijn oproepen aan de Commissie en de lidstaten om de verzameling van naar gender uitgesplitste gegevens[39], statistieken, onderzoek en analyse, alsmede de steun voor en maatregelen ter verbetering van de institutionele en maatschappelijke capaciteitsopbouw op het gebied van gegevensverzameling en -analyse, verder te ontwikkelen en te verbeteren, met name wat betreft de participatie van vrouwen op de arbeidsmarkt en op gebieden als informele werkgelegenheid, ondernemerschap, toegang tot financiering en tot gezondheidszorgdiensten, onbetaald werk, armoede en het effect van socialebeschermingsstelsels; dringt er tevens bij het EIGE en alle andere betrokken EU-instellingen en agentschappen/bureaus op aan nieuwe indicatoren uit te werken en op te nemen, bijvoorbeeld voor armoede onder werkenden, tijdarmoede, verschillen in tijdsindeling, de waarde van zorgwerk (betaald en/of onbetaald), alsook verschillen in de mate waarin vrouwen en mannen gebruikmaken van de richtlijn betreffende het evenwicht tussen werk en privéleven; verzoekt de Commissie deze gegevens te gebruiken voor een daadwerkelijke uitvoering van gendereffectbeoordelingen van haar beleidsmaatregelen en programma’s en die van andere EU-agentschappen en -instellingen;

40. staat achter de herziening van de Barcelona-doelstellingen en het verzoek aan de lidstaten om te garanderen dat voldoende wordt geïnvesteerd in zorgdiensten en langdurige zorg, onder meer met beschikbare EU-fondsen, en te zorgen voor betaalbare, toegankelijke en kwalitatief hoogwaardige kinderopvang, met inbegrip van voorschools onderwijs, die met name jonge moeders de kans biedt om te werken en/of te studeren en herinnert in dit verband aan beginsel elf van de Europese pijler van sociale rechten; pleit voor financiële steun voor en uitwisseling van beste praktijken tussen lidstaten die de doelstellingen nog niet hebben verwezenlijkt; is voorts ingenomen met de opstelling van richtsnoeren voor de lidstaten over het aanpakken van financiële belemmeringen op het gebied van maatschappelijk, economisch en belastingbeleid; onderstreept de doelstelling van gelijke verzorgers en gelijke verdieners, die centraal moet staan bij deze inspanningen, en ziet de richtlijn betreffende het evenwicht tussen werk en privéleven in dit opzicht als welkome eerste stap;

41. verzoekt de Commissie een zorgdeal voor Europa voor te stellen, met een alomvattende benadering van alle zorgbehoeften en -diensten en de vaststelling van minimumnormen en kwaliteitsrichtsnoeren voor zorg gedurende de gehele levenscyclus, ook voor kinderen, ouderen en personen die langdurige zorg behoeven; verzoekt de Commissie en de lidstaten opgesplitste gegevens over de verstrekking van zorgdiensten te verzamelen; dringt er bij de lidstaten op aan de richtlijn betreffende het evenwicht tussen werk en privéleven snel en volledig om te zetten en uit te voeren, teneinde een eerlijke verdeling tussen werk en gezinsleven te garanderen, en verzoekt hen verder te gaan dan de minimumnormen van de richtlijn door maatregelen in te voeren zoals volledig betaald verlof, de bevordering van de gelijke rol van mannen als verzorgers, om zo genderstereotypen in het opnemen van vader-/moederschapsverlof te bestrijden, de erkenning van de rol van mantelzorgers door hun toegang tot sociale zekerheid en hun recht op pensioenrechten te waarborgen, steun voor diensten die zijn afgestemd op de specifieke uitdagingen en behoeften van ouders en/of familieleden die zorg dragen voor personen met een handicap of langdurige ziekte of voor ouderen, en flexibele werkregelingen die niet ten koste gaan van de lonen van de werknemer of de toegang tot sociale en arbeidsrechten en uitkeringen, en het recht van werknemers eerbiedigen om onbereikbaar te zijn; dringt er bij de Commissie op aan ieder jaar nauwlettend en systematisch te controleren hoe de lidstaten de richtlijn betreffende het evenwicht tussen werk en privéleven ten uitvoer leggen;

42. verzoekt om toegankelijke en kwalitatief hoogwaardige kinderopvang en zorgfaciliteiten voor afhankelijke personen, die het – met name voor vrouwen – mogelijk maken weer aan het werk te gaan en een evenwicht tussen werk en privéleven te bereiken;

43. benadrukt de noodzaak om een netwerk voor kinderopvang en voorschools onderwijs op te zetten; wijst erop dat het een brede maatschappelijke verantwoordelijkheid is om een universele dienst te creëren die daadwerkelijk toegankelijk is voor alle kinderen en gezinnen die daarvan gebruik wensen te maken;

44. moedigt de lidstaten aan om, op basis van een uitwisseling van beste praktijken, “zorgtegoeden” voor zowel mannen als vrouwen in te voeren teneinde loopbaanonderbrekingen te compenseren die plaatsvinden omdat iemand mantelzorg verleent aan een gezinslid of een formeel zorgverlof, zoals zwangerschaps-, vaderschaps- en ouderschapsverlof, opneemt, en deze kredieten op eerlijke wijze mee te rekenen bij de bepaling van de pensioenrechten; is van mening dat dergelijke tegoeden moeten worden toegekend voor een korte vaste periode om stereotypen en ongelijkheden niet verder te versterken;

45. verzoekt de lidstaten met klem specifieke maatregelen te nemen om het gevaar van armoede op latere leeftijd en na pensionering tegen te gaan door de pensioenen te verhogen en de sociale uitkeringen een impuls te geven; is van mening dat een einde moet worden gemaakt aan de inkomensongelijkheid tussen mannen en vrouwen na pensionering, en dat dit betekent dat de pensioenen moeten worden verhoogd en dat de publieke, universele en op solidariteit gebaseerde socialezekerheidsstelsels moeten worden gehandhaafd en versterkt, waarbij moet worden gewaarborgd dat deze herverdelend werken en een eerlijk en fatsoenlijk inkomen bieden na een leven lang werken, alsook dat deze publieke stelsels duurzaam zijn door banen te creëren met gepaste rechten en lonen;

46. verzoekt de Commissie, het Parlement en de Raad om de behoeften van vrouwen en hun arbeidsmarktparticipatie, evenals de horizontale en verticale segregatie van de arbeidsmarkt grondig te analyseren wanneer zij programma’s ontwerpen binnen het volgend meerjarig financieel kader (MFK) en het herstelplan “NextGenerationEU”;

47. acht het urgent maatregelen te nemen om gezinnen te steunen, mede door middel van gepaste en betaalbare kinderopvangvoorzieningen, die een positieve bijdrage zullen leveren aan de participatie van vrouwen op de arbeidsmarkt en hun pensioenvooruitzichten;

48. is ingenomen met het voornemen van de Commissie om toezicht te houden op de correcte omzetting hiervan in nationaal recht uiterlijk in 2022 en op de volledige uitvoering ervan;

49. verzoekt de Commissie gegevens te verzamelen over de verlening van verschillende soorten zorg (kinderopvang, ouderenzorg, gehandicaptenzorg of langdurige zorg) en deze gegevens te gebruiken voor een onderzoek naar de zorgkloof die als input kan dienen voor een voorstel voor een Europese zorgstrategie; merkt op dat de strategie in kwestie de bevoegdheden van de lidstaten, zoals verankerd in de Verdragen, moet eerbiedigen, maar tot doel zou hebben de samenwerking en coördinatie van alle maatregelen die gunstig kunnen zijn voor zowel de mantelzorgers in de EU als de personen voor wie zij zorgen, te verbeteren; benadrukt dat samenwerking op Europees niveau, in combinatie met een efficiënt gebruik van EU-fondsen, kan bijdragen aan de ontwikkeling van kwalitatief hoogwaardige, toegankelijke en betaalbare zorgdiensten;

50. is ingenomen met het besluit van de Raad om de “algemene ontsnappingsclausule” te activeren en vraagt de lidstaten te investeren in openbare diensten, waaronder gratis kinderopvang en gezondheidszorg, teneinde nieuwe kwaliteitsbanen te scheppen en de sociaal-economische impact van de crisis te milderen; is van oordeel dat bezuinigingsmaatregelen nadelige langetermijngevolgen hebben, met name voor vrouwen, en in de periode na de COVID-19-crisis niet mogen worden opgelegd;

51. is ingenomen met het instrument voor tijdelijke steun om het risico op werkloosheid in noodsituaties te beperken (SURE); verzoekt de Commissie en de lidstaten erop toe te zien dat SURE inkomensverlies van vrouwen ondervangt;

52. benadrukt de noodzaak om de investeringen in diensten een aanzienlijke impuls te geven, met name in gezondheidszorg, onderwijs en vervoer, teneinde te voorzien in de behoeften van de bevolking en een bijdrage te leveren aan de onafhankelijkheid, gelijkheid en emancipatie van vrouwen;

53. is verheugd dat de Commissie heeft toegezegd voor het einde van 2020 met voorstellen te komen voor bindende maatregelen op het gebied van loontransparantie, die een nuttig instrument kunnen zijn om ongelijkheden en discriminatie binnen een bepaalde sector te detecteren en de genderloonkloof te dichten; benadrukt in dit opzicht het belang van volledige samenwerking met en betrokkenheid van de sociale partners en alle belanghebbenden overeenkomstig de nationale praktijken en tradities; wijst er evenwel op dat de kwestie van gelijke beloning voor gelijke of gelijkwaardige arbeid in verschillende beroepssectoren nog altijd aan de orde moet worden gesteld, om verschillen in beloning weg te nemen voor gelijkwaardige arbeid op de door gendersegregatie gekenmerkte arbeidsmarkt, waarbij in sectoren waar voornamelijk vrouwen werken, zoals de verpleegkunde, zorg, detailhandel, verkoop en het onderwijs, lagere lonen worden betaald dan in de sectoren die worden gedomineerd door mannen, zoals de industriële en technische sectoren; beveelt ten zeerste aan om in de desbetreffende maatregelen het beginsel van gelijke beloning van mannelijke en vrouwelijke werknemers voor gelijke of gelijkwaardige arbeid op te nemen, dat als volgt kan worden gedefinieerd: “arbeid wordt als gelijkwaardig beschouwd indien de verrichte taken vergelijkbaar zijn op basis van een vergelijking van twee groepen werknemers die niet willekeurig zijn samengesteld, met inachtneming van factoren zoals de arbeidsomstandigheden, de door de werknemers gedragen verantwoordelijkheid en de lichamelijke of geestelijke vereisten van de arbeid”; wijst erop dat hiertoe genderneutrale beoordelingsinstrumenten en indelingscriteria moeten worden vastgesteld;

54. is ingenomen met de evaluatie door de Commissie van het bestaande kader voor gelijke beloning voor gelijke of gelijkwaardige arbeid, de start van een raadplegingsproces over de manier waarop meer gendergelijkheid in de arbeidsomgeving kan worden bereikt, het aanstaande verslag over de toereikendheid van de pensioenen en de mogelijke verstrekking van pensioenkredieten voor zorggerelateerde loopbaanonderbrekingen in het kader van bedrijfspensioenregelingen;

55. verzoekt de Commissie binnen een jaar een herziening van Richtlijn 2006/54/EG voor te leggen, rekening houdend met de recente evaluatie van de werking en tenuitvoerlegging van de EU-wetgeving inzake gelijke beloning en in overeenstemming met de vaste rechtspraak van het Hof van Justitie; is van mening dat deze herziening een voor alle beroepssectoren bindende definitie van “gelijkwaardige arbeid”, inclusief het perspectief “gender”, alsook een verwijzing naar verschillende vormen van discriminatie en aanvullende maatregelen ter waarborging van de handhaafbaarheid van de richtlijn dient te omvatten;

56. wijst op zijn resolutie van 30 januari 2020 over de loonkloof tussen mannen en vrouwen; verzoekt om een onmiddellijke herziening van het actieplan en om een ambitieus nieuw actieplan voor de loonkloof tussen mannen en vrouwen uiterlijk eind 2020, waarin duidelijke doelstellingen voor de lidstaten moeten worden vastgesteld om de genderloonkloof de komende vijf jaar te verkleinen en ervoor te zorgen dat dergelijke doelstellingen in de landspecifieke aanbevelingen aan bod komen; wijst er met name op dat in het nieuwe actieplan een intersectioneel perspectief moet worden opgenomen; verzoekt de Commissie en de lidstaten de sociale partners en maatschappelijke organisaties te betrekken bij de ontwikkeling van het nieuwe beleid om de loonkloof tussen mannen en vrouwen te dichten en de statistieken, het onderzoek en de analyses te verbeteren en verder te ontwikkelen, teneinde de vooruitgang bij het dichten van de loonkloof tussen mannen en vrouwen beter te kunnen meten en volgen, met bijzondere aandacht voor groepen personen die met meervoudige en intersectionele vormen van discriminatie worden geconfronteerd; verzoekt de Commissie aandacht te besteden aan de factoren die tot de pensioenkloof leiden en de lidstaten te ondersteunen bij hun maatregelen om deze te dichten door een indicator voor de genderpensioenkloof vast te stellen om de opeenstapeling van ongelijkheden te kunnen beoordelen waarmee vrouwen in de loop van hun leven te maken krijgen;

57. merkt op dat belastingbeleid voor elk huishouden andere gevolgen heeft; beklemtoont dat individuele belastingheffing van cruciaal belang kan zijn voor de verwezenlijking van eerlijke belastingheffing voor vrouwen; wijst op de negatieve gevolgen van bepaalde vormen van belastingheffing voor de werkgelegenheidspercentages en de economische onafhankelijkheid van vrouwen en merkt op dat belastingbeleid geoptimaliseerd moet worden om meer prikkels te geven voor een hogere arbeidsmarktparticipatiegraad van vrouwen; vestigt de aandacht op de mogelijke negatieve gevolgen van gezamenlijke belasting voor de genderpensioenkloof; benadrukt dat belastingstelsels de aanname dat huishoudens hun middelen gelijk met elkaar delen stilaan moeten loslaten; benadrukt dat veel Europese vrouwen kampen met menstruatiearmoede vanwege de dure menstruatieproducten en de hoge belastingen die in veel lidstaten op deze producten worden geheven en dringt er bij de lidstaten dan ook op aan maatregelen te nemen tegen deze vorm van indirecte belastingdiscriminatie en tegen menstruatiearmoede;

58. wijst erop dat financierings- en belastingbeleid een sterke gendercomponent vertonen; juicht de inzet van de Commissie toe om de genderdimensie te integreren in het MFK, en met name wat het Europees Sociaal Fonds Plus (ESF+) betreft, ter bevordering van de arbeidsmarktparticipatie van vrouwen, het evenwicht tussen werk en privéleven en vrouwelijk ondernemerschap, maar betreurt het gebrek aan genderbudgettering in het nieuwe MFK en de structuurfondsen; verzoekt de Commissie het gebruik van genderbudgettering verder te bevorderen en te verbeteren, en verzoekt de lidstaten het genderperspectief in het belastingbeleid te integreren, onder meer door hun fiscaal beleid aan een genderevaluatie te onderwerpen om zo belastinggerelateerde genderdiscriminatie weg te werken;

59. herinnert er nogmaals aan dat in de verschillende stadia van het proces van het Europees semester meer aandacht moet zijn voor gendergelijkheid en dringt aan op de invoering van een pijler voor gendergelijkheid en een overkoepelende gendergelijkheidsdoelstelling in de opvolger van de Europa 2020-strategie; dringt erop aan duidelijke indicatoren van gendergelijkheid te integreren in de landspecifieke uitdagingen die op het sociale scorebord worden vastgesteld en statistische methoden en analyses te ontwikkelen om de vorderingen op het gebied van gendergelijkheid te volgen vanuit een intersectioneel perspectief;

60. benadrukt dat 70 % van de zorg- en maatschappelijke werkers wereldwijd vrouw is en dat zij vaak slechts het minimumloon betaald krijgen en onder erbarmelijke omstandigheden werken, en roept op tot het gelijktrekken van lonen en arbeidsomstandigheden in sectoren waar veel meer vrouwen werken, zoals de zorg, gezondheidszorg en detailhandel, het dichten van de genderloon- en genderpensioenkloof en de bestrijding van arbeidsmarktsegregatie;

61. verzoekt de Commissie en de lidstaten om, in overleg met de sociale partners, genderbewuste richtsnoeren op het gebied van gezondheid en veiligheid op het werk te ontwikkelen die specifiek gericht zijn op eerstelijnsberoepen, teneinde werknemers in die beroepen te beschermen in geval van toekomstige uitbraken; onderstreept dat veranderingen in de arbeidsomstandigheden zoals telewerken weliswaar kansen bieden om flexibele werkregelingen en het evenwicht tussen werk en privéleven te verbeteren maar ook de ruimte om de dingen los te laten kunnen beïnvloeden en de werkdruk kunnen verhogen, waarbij vrouwen veel zwaarder worden getroffen dan mannen omdat zij een overheersende of traditionele rol spelen in de zorg voor gezin en huishouden; verzoekt de Commissie derhalve een genderbewust wetgevingsvoorstel in te dienen over het recht op onbereikbaar zijn, alsook een richtlijn geestelijk welzijn op de werkplek die tot doel heeft angststoornissen, depressie en burn-out als beroepsziekten te erkennen, en mechanismen vast te stellen om deze aandoeningen te voorkomen en de getroffen werknemers weer aan het werk te krijgen;

62. verzoekt de Commissie Richtlijn 92/85/EEG van de Raad van 19 oktober 1992 inzake de tenuitvoerlegging van maatregelen ter bevordering van de verbetering van de veiligheid en de gezondheid op het werk van werkneemsters tijdens de zwangerschap, na de bevalling en tijdens de lactatie te herzien, om ervoor te zorgen dat vrouwen in heel Europa op voet van gelijkheid met mannen kunnen profiteren van het vrije verkeer van werknemers[40];

63. benadrukt dat de lidstaten dienen te komen met op feiten gebaseerd en goed doordacht arbeidsmarktbeleid en hervormingen op dat gebied die de arbeidsomstandigheden van vrouwen daadwerkelijk verbeteren en meer banen van goede kwaliteit scheppen;

64. verzoekt de Commissie met een Europese strategie voor sociale bescherming te komen met het oog op het vrije verkeer van werknemers en, in het bijzonder, de feminisering van armoede, met bijzondere nadruk op eenoudergezinnen waarbij een vrouw aan het hoofd staat;

65. onderstreept dat gelijke kansen en een hogere arbeidsmarktparticipatiegraad van vrouwen kan leiden tot meer banen, economische voorspoed en concurrentie in Europa; verzoekt de Commissie en de lidstaten doelen vast te stellen om het aantal onzekere banen en onvrijwillig deeltijdwerk te verminderen teneinde de situatie van vrouwen op de arbeidsmarkt te verbeteren;

66. verzoekt de Commissie om een specifieke benadering van alleenstaande moeders, aangezien zij vanuit economisch oogpunt bijzonder kwetsbaar zijn omdat zij vaak minder verdienen dan mannen en de kans groter is dat zij de arbeidsmarkt verlaten wanneer zij een kind krijgen; verzoekt de Commissie in dit opzicht de handhaving te verbeteren van de bestaande wettelijke instrumenten inzake de grensoverschrijdende inning van alimentatie en voorlichting te geven over de beschikbaarheid van deze instrumenten; dringt er bij de Commissie op aan nauw samen te werken met de lidstaten om praktische problemen te identificeren met betrekking tot de inning van alimentatie in grensoverschrijdende situaties en instrumenten te ontwikkelen om betalingsverplichtingen doeltreffend af te dwingen;

67. merkt op dat de arbeidsmarktparticipatie onder vrouwen lager is dan onder mannen; onderstreept het belang van een verlaging van de belasting op inkomen om de arbeidsmarktparticipatie aan te moedigen;

68. dringt er bij de lidstaten op aan verdere actie te ondernemen om de discriminatie van vrouwen op de arbeidsmarkt te bestrijden;

69. wijst erop dat de werkomgeving nog steeds ongelijk is wat betreft inkomen, loopbaanperspectieven, door vrouwen beheerste sectoren en toegang tot sociale bescherming, onderwijs en scholing; wijst erop dat al deze dimensies moeten worden aangepakt om gendergelijkheid te bewerkstelligen;

70. verzoekt de Commissie en de lidstaten gelijke arbeidsmarktparticipatie en gelijke kansen op de arbeidsmarkt voor mannen en vrouwen te waarborgen en de feminisering van armoede in al haar verschijningsvormen, met inbegrip van armoede op oudere leeftijd, aan te pakken, in het bijzonder door rekening te houden met de factor “gender” wat de beschikbaarheid van en de toegang tot voldoende pensioenrechten betreft, teneinde de genderpensioenkloof te dichten, en door de arbeidsvoorwaarden te verbeteren in sectoren en beroepen waarin vrouwen sterk oververtegenwoordigd zijn, zoals de horeca, toerisme, schoonmaakdiensten en de zorgsector; wijst op het belang van het aanpakken van de culturele onderwaardering van banen waarin vrouwen sterk oververtegenwoordigd zijn, alsook op het belang van het bestrijden van dergelijke stereotypen en van de oververtegenwoordiging van vrouwen in atypische vormen van werk; verzoekt de lidstaten te zorgen voor gelijke behandeling van vrouwelijke migranten (ook door middel van een herziening van het stelsel van erkenning van beroepskwalificaties), alsook van andere bijzonder kwetsbare groepen vrouwen; verzoekt de Commissie en de lidstaten om het bereik van collectieve onderhandelingen op sectoraal niveau en de betrokkenheid van de sociale partners bij de beleidsvorming te vergroten, teneinde stabiele en kwalitatief hoogwaardige werkgelegenheid te bevorderen; benadrukt het belang van strategieën om ondernemersinitiatieven van vrouwen aan te moedigen en te ondersteunen;

71. merkt op dat de groeiende kluseconomie gevolgen heeft voor werknemers, die minder vaak lid zijn van een vakbond en een lage werkzekerheid hebben als gevolg van factoren als onstabiele werktijden en een onstabiel inkomen, onvoldoende bescherming van de arbeidsrechten, onzekerheid omtrent sociale zekerheid en pensioenen, of gebrek aan doorgroei- en omscholingsmogelijkheden; is bezorgd over het feit dat de daarmee gepaard gaande onzekerheid, die nog wordt verergerd door de lockdownmaatregelen als gevolg van de huidige crisis, bijzonder nadelig uitpakt voor vrouwen op de in hoge mate “vergenderde” arbeidsmarkt, aangezien de zorglast nog steeds op hun schouders rust, met name voor vrouwen die te maken hebben met elkaar overlappende vormen van discriminatie; roept de lidstaten op gerichte maatregelen voor sociale bescherming in te voeren ten behoeve van vrouwelijke freelancers en vrouwen die werkzaam zijn in de kluseconomie; vraagt de Commissie nauwgezet toezicht te houden op de uitvoering van Richtlijn 2010/41/EU;

72. juicht het toe dat de Commissie heeft beloofd een actieplan te zullen presenteren voor de uitvoering van de Europese pijler van sociale rechten; onderstreept dat het belangrijk is het genderperspectief te integreren, met gebruikmaking van een intersectionele benadering, in overeenstemming met de beginselen 2 en 3 van de pijler;

73. benadrukt dat de genderloonkloof in de mediasector groot is en dat de kans dat vrouwelijke journalisten te maken krijgen met intimidatie, geweld, seksisme en discriminatie groter is dan bij hun mannelijke collega’s; herinnert aan het tweede hoofdstuk van de Europese pijler van sociale rechten inzake eerlijke arbeidsomstandigheden; verzoekt de lidstaten derhalve het recht op eerlijke en veilige arbeidsomstandigheden voor alle werknemers in de mediasector te vrijwaren;

74. verzoekt de lidstaten om maatregelen te nemen om de toegang van vrouwelijke migranten en vluchtelingen tot gezondheidszorg, werk, voeding en informatiediensten te waarborgen, en om de risico’s voor hen te beperken, met name het gevaar van geweld tussen mannen en vrouwen, en van vrouwenhandel;

75. spoort de lidstaten aan om stevige maatregelen te nemen om bedrijven te beboeten die zich niet houden aan de arbeidswetgeving en mannen en vrouwen ongelijk behandelen; is verder van mening dat bij de toewijzing van EU-financiering gebruik moet worden van conditionaliteit, zodat deze wordt toegewezen aan bedrijven die strikte arbeidsnormen hanteren en vrouwen niet discrimineren;

76. verzoekt de Commissie met klem zich in te spannen om ervoor te zorgen dat meer vrouwen economische besluitvormingsfuncties bekleden, door de economische en maatschappelijke voordelen daarvan onder de aandacht te brengen en beste praktijken, zoals openbare indexen over de prestaties van bedrijven op het gebied van gelijkheid, uit te wisselen; dringt er bij de Commissie op aan dat zij zich, samen met de lidstaten, het huidige EU-voorzitterschap en de aankomende EU-voorzitterschappen, blijft inspannen om de impasse met betrekking tot de voorgestelde richtlijn vrouwelijke bestuurders te doorbreken en deze richtlijn goed te keuren en met de lidstaten een strategie te ontwikkelen om ervoor te zorgen dat een aanzienlijk aantal vrouwen met verschillende achtergronden functies met besluitvormingsbevoegdheden bekleden, onder meer bij alle EU-instellingen;

77. herinnert eraan dat ondervertegenwoordiging van vrouwen in het openbare en politieke leven afbreuk doet aan de goede werking van democratische instellingen en processen; roept de lidstaten dan ook op om maatregelen te stimuleren en te steunen die een evenwichtige deelname van mannen en vrouwen aan de nationale, regionale en lokale besluitvorming faciliteren;

78. verzoekt de Commissie en de lidstaten maatregelen vast te stellen ter bestrijding van het zogeheten “glazen plafond”, zoals verlenging van het ouderschapsverlof, toegang tot hoogwaardige en betaalbare kinderopvang, en uitbanning van alle vormen van directe en indirecte discriminatie in verband met promoties op de arbeidsmarkt;

79. is ingenomen met de steun voor een evenwichtige genderverdeling in gekozen organen zoals het Europees Parlement; roept op tot de invoering van bindende maatregelen zoals quota, en beklemtoont dat het Parlement in dit verband een voorbeeldfunctie moet vervullen; is voorts ingenomen met de aankondiging van de Commissie dat zij het goede voorbeeld zal geven met betrekking tot managementfuncties en verzoekt om strategieën om ervoor te zorgen dat een aanzienlijk aantal vrouwen met verschillende achtergronden functies met besluitvormingsbevoegdheden bekleden bij de Commissie; wijst op de inspanningen die daartoe reeds zijn gedaan bij de samenstelling van de huidige Commissie en beklemtoont dat dezelfde ambitie nodig is voor het Parlement; verzoekt de lidstaten bindende quota in te voeren in hun kiesstelsels om gelijke vertegenwoordiging van vrouwen en mannen in zowel het Europees Parlement als in nationale parlementen te waarborgen;

80. juicht het engagement van de Commissie toe om de deelname van vrouwen als kiezers en kandidaten aan de verkiezingen voor het Europees Parlement van 2024 te bevorderen; benadrukt in dit verband de noodzaak van een herziening van de Verkiezingsakte om ervoor te zorgen dat leden van het Europees Parlement die gebruikmaken van hun recht op moederschapsverlof, vaderschapsverlof of ouderschapsverlof tijdelijk kunnen worden vervangen; verzoekt de Commissie de Verkiezingsakte navenant te herzien en vraagt de Raad deze herziening goed te keuren;

81. verlangt dat vrouwen hun levensloop ook op het platteland en in perifere gebieden kunnen verwezenlijken; wijst erop dat zij daartoe over de noodzakelijke infrastructuur moeten beschikken, er nieuwe bedrijven moeten worden opgericht, herintreding op de arbeidsmarkt moet worden vergemakkelijkt en de samenwerking tussen zeer verschillende partners moet worden bevorderd om de toegang tot de arbeidsmarkt voor die vrouwen te ondersteunen, aan te moedigen, te vergemakkelijken en te bevorderen, gelijke kansen te waarborgen en de sociale cohesie in de dorpen te versterken;

82. benadrukt de actieve en cruciale rol van vrouwen in de economie van plattelandsgebieden en betreurt dat er nog steeds aanzienlijke genderverschillen bestaan op het gebied van werkgelegenheid in de agrarische sector en inzake de toegang tot sociale zekerheid, opleiding, zwangerschapsverlof en ouderdomspensioenen; dringt er bij de Commissie, de lidstaten en de regionale en lokale autoriteiten op aan met name op vrouwen gerichte projecten te ondersteunen met betrekking tot het opzetten van innovatieve landbouwactiviteiten in plattelandsgebieden en ontvolkte gebieden, ter versterking van hun positie op de landbouwmarkt, die een bron van nieuwe banen kan zijn; verzoekt de Commissie voorts de financieringsmogelijkheden in het kader van de tweede pijler van het gemeenschappelijk landbouwbeleid (GLB) in kaart te brengen om de toegang van vrouwen tot land te vergroten en hun arbeidsomstandigheden in plattelandsgebieden aan te pakken, met name die van seizoenswerkers;

83. verzoekt de Commissie zich extra in te spannen en concrete maatregelen en specifieke fondsen voor te stellen om de feminisering van armoede en onzeker werk te bestrijden, met bijzondere aandacht voor vrouwen die worden geconfronteerd met meerdere vormen van discriminatie;

84. herhaalt zijn verzoek aan de Commissie en de lidstaten in verband met zijn resolutie van 28 april 2016 over vrouwen die als huishoudelijk personeel en als verzorger werken in de EU; verzoekt de Commissie met klem een kader in te voeren voor de professionalisering van huishoudelijk werk en zorg, dat moet leiden tot erkenning en standaardisering van de relevante beroepen en vaardigheden alsmede de mogelijkheid om een loopbaan op te bouwen, de lidstaten aan te moedigen om systemen op te zetten voor professionalisering, scholing, de doorlopende ontwikkeling van vaardigheden en de erkenning van de kwalificaties van vrouwelijk huishoudelijk personeel en verzorgers, alsook overheidsinstanties voor arbeidsbemiddeling op te zetten om de professionalisering te versterken;

85. verzoekt de lidstaten beleid voor de sector van de podiumkunsten te bevorderen en te ontwikkelen waarin de beginselen van gelijke kansen en gendergelijkheid binnen alle activiteiten worden geëerbiedigd, met bijzondere aandacht voor het wegnemen van de negatieve effecten van hardnekkige verschillen en ongelijkheden, zoals de genderkloof in de muzieksector, die in alle regio’s en in Europa voor ruwweg 70 % uit mannen en 30 % uit vrouwen bestaat en waar vrouwen 20 % of minder uitmaken van de geregistreerde componisten en tekstschrijvers, gemiddeld 30 % minder verdienen dan mannen, slechts 2,3 % van de klassieke werken componeren die tijdens concerten worden uitgevoerd en slechts 15 % van de platenmaatschappijen in handen hebben;

86. maakt zich zorgen over het gebrek aan sociale mobiliteit dat de arbeidsmobiliteit van vrouwen belemmert; benadrukt de noodzaak van verbetering van de kansen op arbeidsmobiliteit binnen de EU;

Digitaal beleid voor gendergelijkheid

87. vindt het betreurenswaardig dat vrouwen ondervertegenwoordigd zijn in de digitale economie en de KI-, ICT- en STEM-sectoren als het gaat om onderwijs, opleiding en werk, en wijst erop dat dit tot de verergering en reproductie van stereotypen en gendervooroordelen kan leiden via de programmering van kunstmatige intelligentie en andere programma’s; wijst op de mogelijke voordelen en kansen, maar ook op de mogelijke problemen van digitalisering voor vrouwen en meisjes, en dringt er bij de Commissie op aan te garanderen dat bij de uitvoering van de strategie voor de eengemaakte markt en de digitale agenda concrete gendermainstreamingmaatregelen worden vastgesteld, zodat eventuele negatieve effecten van de digitalisering voor vrouwen en meisjes tijdig kunnen worden voorkomen en een duidelijke koppeling wordt gewaarborgd tussen toezeggingen om korte metten te maken met stereotypen en integrale acties om de onafhankelijkheid van vrouwen bij de vorming van de digitale arbeidsmarkt te garanderen; verzoekt de Commissie concrete maatregelen voor te stellen om technologieën en kunstmatige intelligentie in te zetten als instrumenten in de strijd om genderstereotypen uit te bannen en om meisjes en vrouwen te stimuleren opleidingen te volgen op het gebied van STEM, evenals op het gebied van ICT, en dit loopbaantraject door te zetten;

88. verzoekt de Commissie en de lidstaten de horizontale en verticale segregatie op de arbeidsmarkt en discriminerende praktijken bij de besluitvorming over aanwerving en bevordering aan te pakken, met inbegrip van beleid ter bevordering van de integratie van vrouwen uit gemarginaliseerde groepen op de arbeidsmarkt;

89. pleit ervoor de traditionele rolmodellen en genderspecifieke waarderingen van beroepen en werkzaamheden structureel op de schop te nemen om een maatschappelijke verandering in gang te zetten teneinde van oudsher bestaande vooroordelen en genderstereotypen te overwinnen, en benadrukt in dit verband het belang van bewustmaking van iedereen die betrokken is bij studie- en beroepskeuze;

90. onderstreept het belang van toegang tot en de ontwikkeling van digitale vaardigheden voor oudere vrouwen, vrouwen in plattelandsgebieden en kansarme vrouwen en meisjes met beperkte toegang tot nieuwe technologieën, zodat zij kunnen deelnemen aan het maatschappelijk leven en contact kunnen onderhouden met vrienden en familie;

91. is ingenomen met de toezeggingen van de Commissie dat zij Horizon Europa zal benutten om inzichten en oplossingen te genereren voor de bestrijding van potentiële gendervooroordelen in KI; verzoekt echter dat alle beschikbare fondsen worden gebruikt om projecten te ondersteunen die meisjes en vrouwen aanmoedigen hun digitale vaardigheden uit te breiden en hen in contact brengt met STEM;

92. merkt op dat in tijden zoals die van de huidige coronaviruspandemie de rol van en de mogelijkheden voor telewerken en werken op afstand toenemen; verzoekt de Commissie om de rol van telewerken en werken op afstand op te nemen in de strategie als belangrijke factor voor het bereiken van evenwicht tussen werk en privéleven;

Gendermainstreaming in alle beleidsmaatregelen van de EU en financiering van beleid op het gebied van gendergelijkheid

93. benadrukt dat gendermainstreaming en genderbudgettering essentiële instrumenten zijn om de effecten van verschillende beleidsacties en de toepassing van de begroting op mannen en vrouwen te beoordelen en beter te richten, en moeten worden gebruikt in het volledige beleidvormingsproces en voor alle begrotingsacties;

94. wijst nogmaals op het belang van gendermainstreaming als systematische aanpak voor de verwezenlijking van gendergelijkheid; is daarom ingenomen met de oprichting, door de Commissie, van een nieuwe taskforce voor gelijkheid en dringt erop aan dat deze taakgroep goed wordt getraind en wordt voorzien van adequate middelen, en dat zij regelmatig verslag uitbrengt aan de Commissie vrouwenrechten en gendergelijkheid over haar werkzaamheden; onderstreept het belang van transparantie en de betrokkenheid van vrouwenrechten- en maatschappelijke organisaties met verschillende achtergronden; verzoekt de Commissie met klem bepalingen vast te stellen uit hoofde waarvan directoraten-generaal verplicht rekening moeten houden met de inbreng van de taskforce, alsook opleidingen voor al het personeel en processen ter monitoring en beoordeling van de mainstreaming overeenkomstig haar missie te ontwikkelen;

95. verzoekt de Commissie, het Parlement en de Raad een thematisch subprogramma op te richten voor vrouwen in plattelandsgebieden via de strategische plannen in het kader van het gemeenschappelijk landbouwbeleid, en dit subprogramma te financieren vanuit het Europees Landbouwgarantiefonds (ELGF) en het Europees Landbouwfonds voor Plattelandsontwikkeling (Elfpo); benadrukt dat er met dit subprogramma naar moet worden gestreefd vrouwen aan te moedigen aan het werk te gaan en te ondernemen door kansen te benutten met betrekking tot agrotoerisme en de ontwikkeling van digitale dorpen, een betere toegang tot grond voor vrouwelijke boeren, krediet en financiële instrumenten, vaardigheden en prestaties via onderwijs, opleiding en adviesdiensten, een verhoogde deelname in lokale actiegroepen en de ontwikkeling van lokale partnerschappen in het kader van het Leader-programma; verzoekt in dit opzicht EU-fondsen te bestemmen voor betere levens- en arbeidsomstandigheden in plattelandsgebieden, waaronder betere toegang tot diensten en ontwikkeling van infrastructuur, met bijzondere aandacht voor toegang tot breedbandinternet en de ondersteuning van initiatieven op het gebied van ondernemerschap, en zo bij te dragen tot de empowerment van vrouwen in plattelandsgebieden; verzoekt de lidstaten beste praktijken uit te wisselen met betrekking tot een beroepsstatus voor echtgenotes die meewerken in landbouwbedrijven en er zo voor te zorgen dat vrouwen recht hebben op sociale zekerheid, met inbegrip van zwangerschapsverlof en pensioen, en verzoekt de Commissie hiertoe richtsnoeren op te stellen;

96. verzoekt de Commissie ondernemerschap onder vrouwen en hun toegang tot leningen en aandelenfinanciering te bevorderen via EU-programma’s en -fondsen, en is ingenomen met het voornemen van de Commissie om in 2020 nieuwe maatregelen in te voeren om door vrouwen geleide start-ups en kleine en middelgrote ondernemingen te ondersteunen en gendergelijkheid te bevorderen in het kader van Horizon Europa; benadrukt dat de verplichte indiening van een gendergelijkheidsplan door aanvragers een cruciaal instrument is om op dit terrein stappen voorwaarts te maken; benadrukt dat voorlichting moet worden gegeven over de bestaande en toekomstige mogelijkheden voor EU-financiering voor vrouwen en meisjes die ondernemen, en dat de zichtbaarheid van vrouwelijke leiders moet worden vergroot teneinde krachtigere rolmodellen te introduceren en bestaande stereotypen te doorbreken;

97. benadrukt dat de respons op de COVID-19 epidemie zou kunnen worden gebruikt om aanvullende middelen vrij te maken die de lidstaten kunnen aanwenden om slachtoffers van geweld te ondersteunen;

98. is zeer bezorgd over het feit dat er in de Europese Green Deal en gerelateerde initiatieven geen aandacht is voor het genderperspectief en dat er niet in wordt verwezen naar gendergelijkheid; dringt erop aan dat gendermainstreaming wordt opgenomen in het milieu- en klimaatbeleid van de EU, waaronder de Green Deal, en benadrukt dat al deze beleidsmaatregelen gepaard moeten gaan met gendereffectbeoordelingen om de bestaande genderongelijkheden en andere vormen van sociale exclusie aan te pakken; dringt er bij de Commissie op aan financiële en institutionele steun te vergroten voor een gendergelijk klimaatbeleid, en sterke beleidsmaatregelen te treffen ter bevordering van de gelijke deelname van vrouwen aan besluitvormingsorganen en hun deelname aan nationaal en lokaal klimaatbeleid, hetgeen van cruciaal belang is om op lange termijn klimaatrechtvaardigheid te bereiken, en de rol van vrouwen en meisjes als katalysatoren van verandering te erkennen en te ondersteunen;

99. verzoekt de Commissie een concrete routekaart uit te werken om de verbintenissen van het verlengde genderactieplan als afgesproken op de COP25 waar te maken en een permanent contactpunt voor genderkwesties en klimaatverandering in het leven te roepen, met voldoende begrotingsmiddelen, om genderverantwoordelijke klimaatactie in de EU en wereldwijd uit te voeren en te monitoren;

100. benadrukt dat de middelen voor EU-programma’s die betrekking hebben op het stimuleren van gendergelijkheid en vrouwenrechten moeten worden verhoogd in het volgende MFK, met name in het herstelplan NextGenerationEU, en verzoekt de Commissie in het herziene voorstel voor het volgend MFK een clausule inzake gendermainstreaming op te nemen; dringt er bij de Commissie op aan dat zij haar inspanningen intensiveert om genderbudgettering te implementeren als integraal onderdeel van de begrotingsprocedure, in alle stadia en voor alle begrotingsposten, en dat zij afzonderlijke begrotingslijnen voor gerichte acties opneemt; benadrukt dat iedere nieuwe maatregel of strategie of ieder nieuw mechanisme moet worden onderworpen aan een gendereffectbeoordeling; dringt er bij de Commissie en de Raad op aan in deze context te investeren in de zorgeconomie en een Zorgdeal voor Europa op te stellen, in aanvulling op de Europese Green Deal;

101. dringt er bij de Commissie op aan rekening te houden met gendergelijkheid en een levenscyclusperspectief bij de opstelling van de jongste Europese beleidsmaatregelen en -strategieën, die zullen bijdragen tot een grotere economische onafhankelijkheid van vrouwen om de ongelijkheden op dit gebied op de langere termijn terug te dringen;

102. dringt er bij de Commissie en de lidstaten op aan maatregelen te treffen om ervoor te zorgen dat vrouwen kunnen profiteren van de kansen die geboden worden door de groene transitie; benadrukt dat genderbeleid moet worden gemainstreamd in werkgelegenheidsbeleidsmaatregelen die verband houden met duurzaamheid en rechtvaardige transitie om te zorgen voor een goede werk-privébalans, gelijke beloning, een fatsoenlijk inkomen, persoonlijke ontwikkeling en passende sociale bescherming; dringt erop aan dat projecten die gefinancierd worden in het kader van milieuprogramma’s of toegang willen hebben tot investeringen voor klimaatactie een genderperspectief moeten bevatten;

103. dringt er bij de lidstaten en de Commissie op aan de gendergelijkheid en empowerment van vrouwen binnen sport in ruime zin te vergroten, gezien de krachtige en onmiskenbare rol die sport kan spelen bij het ondersteunen van vrouwen en meisjes om genderstereotypen te doorbreken, het opbouwen van vertrouwen en het verbeteren van de leidinggevende vaardigheden; vraagt de lidstaten en de Commissie effectieve platforms te bieden om vrouwelijke rolmodellen en leiders op internationaal, nationaal en lokaal niveau te bevorderen; roept de lidstaten op beleidsmaatregelen te bevorderen en te ontwikkelen ter bestrijding van een loonkloof tussen de genders en ongelijkheden in geldprijzen, en elke vorm van geweld tegen vrouwen in de sport, en te zorgen dat vrouwen meer aandacht krijgen in de sportmedia en in besluitvormingsposities; verzoekt de Europese Commissie sport op te nemen in de geplande campagne om genderstereotypen te bestrijden;

104. dringt er bij de EU op aan een intersectioneel gendergelijkheidsperspectief vast te stellen om te reageren op COVID-19 en aanzienlijke middelen vanuit de Faciliteit voor herstel en veerkracht toe te wijzen aan maatregelen inzake gendergelijkheid, met name in sectoren die in hoge mate door vrouwen worden gedomineerd, en ter bevordering van vrouwenrechten; dringt er op aan dat de financiering gebaseerd moet zijn op een meetbaar gendermainstreamingsbeginsel op basis waarvan kan worden gezorgd voor een eerlijke, adequate en coherente verdeling van de middelen; vraagt verder om een coronafonds gericht op gendergelijkheid ter ondersteuning van de strijd tegen de bestaande ongelijkheden;

105. herhaalt dat het genderperspectief moet wordt opgenomen in de aanstaande strategie voor een gelijke behandeling van mensen met een handicap 2021, met gepaste aandacht voor betere toegang tot de arbeidsmarkt via gerichte maatregelen en acties;

106. wijst op zijn resolutie van 29 november 2018 over de situatie van vrouwen met een handicap[41]; verzoekt de Commissie met klem in het kader van de Europese strategie inzake handicaps voor de periode na 2020 een geconsolideerd voorstel te presenteren waarin de ontwikkeling van positieve maatregelen voor vrouwen met een handicap is opgenomen om hun volledige en daadwerkelijke arbeidsmarktparticipatie te waarborgen en de discriminatie en vooroordelen uit te bannen waarmee zij te maken krijgen, met inbegrip van maatregelen ter bevordering van werkgelegenheid, scholing, arbeidsbemiddeling, gelijke loopbaanontwikkeling, gelijke beloning, toegankelijkheid van en redelijke aanpassingen op de werkplek en aanvullende scholing, met aandacht voor hun digitale inclusie en het belang van een goed evenwicht tussen werk en privéleven; vraagt tevens dat in de maatregelen in verband met de genderloon-, de genderpensioen- en de zorgkloof uitdrukkelijk rekening wordt gehouden met de behoeften van ouders en verzorgers van kinderen met een handicap, met name vrouwen en eenoudergezinnen; wijst erop dat er een garantie voor de rechten van gehandicapten moet komen, met specifieke maatregelen die aansluiten bij de behoeften van vrouwen met een handicap, en dat de jongerengarantie moet worden versterkt;

107. verzoekt de Commissie om vooral de kwetsbaarste vrouwen te bereiken; dringt er derhalve bij de Commissie op aan dat er in alle relevante acties geen vrouwen aan hun lot worden overgelaten;

108. vestigt de aandacht op het gebrek aan een genderperspectief op het gebied van gezondheid en veiligheid op het werk; benadrukt dat gendermainstreaming integraal deel moet uitmaken van de ontwikkeling van beleid voor gezondheid en veiligheid op het werk en preventiestrategieën voor alle sectoren, ook tijdens de aanstaande herziening door de Commissie van het strategisch kader voor gezondheid en veiligheid op het werk voor de periode na 2020; dringt er bij de Commissie, de lidstaten en de sociale partners op aan ziekten die nog niet als beroepsziekten en werkgerelateerde ziekten zijn erkend en in het bijzonder voorkomen in door vrouwen beheerste banen of specifiek vrouwen treffen, als dusdanig te beschouwen, gendergelijkheid te integreren in de gezondheid en veiligheid in beroepen die door mannen worden gedomineerd, waar er nog veel lacunes zijn, onder meer met betrekking tot sanitaire installaties, arbeidsmiddelen of persoonlijke beschermingsmiddelen, de bescherming en veiligheid van zwangere vrouwen op de werkplek te waarborgen en maatregelen te treffen om ervoor te zorgen dat vrouwen na het zwangerschapsverlof kunnen terugkeren naar hun functie, en de arbeidsrisico’s in door vrouwen beheerste sectoren, waaronder huishoudelijk werk en zorg in de huiselijke context, te evalueren;

109. verzoekt de Commissie borstvoeding te promoten, omdat is aangetoond dat moedermelk gezond is voor zuigelingen, met name vroeg geborenen; dringt er bij de Commissie op aan beleidsmaatregelen te steunen die gericht zijn op bevordering van moedermelk, met inbegrip van zowel borstvoeding als gedoneerde moedermelk, voor vroeg geborenen en grensoverschrijdende melkbanken te bevorderen om ervoor te zorgen dat vrouwen in grensregio’s gebruik kunnen maken van deze faciliteit wanneer zij daar behoefte aan hebben;

110. dringt erop aan dat alle algemene initiatieven voor gendergelijkheid die binnen de Europese Unie worden bevorderd, ook een handicapperspectief omvatten; dringt erop aan dat de bescherming wordt gewaarborgd van slachtoffers van gendergerelateerd geweld met een handicap die onder voogdijschap staan of anderszins beperkt handelingsbekwaam zijn, en dringt daartoe aan op effectieve toegang tot de rechter voor deze groep, alsmede op opleiding en capaciteitsopbouw voor de medewerkers van de gespecialiseerde diensten die bij het proces betrokken zijn (zoals strafrechtprofessionals of gezondheidswerkers); dringt aan op de invoering van een toegankelijk onderwijssysteem zonder stereotypering dat meisjes en vrouwen met een handicap in staat stelt hun studie- en werkdomein te kiezen op basis van hun wensen en talenten, en niet gehinderd door ontoegankelijkheid, vooroordelen of stereotypen; steunt de deelname van vrouwen met een handicap als rolmodellen voor verandering in de gendergelijkheids- en vrouwenrechtenbewegingen; dringt erop aan dat vrouwen en meisjes met een handicap, ook die welke in instellingen verblijven, worden opgenomen in alle plannen voor de preventie van borst- en baarmoederhalskanker in de lidstaten, en dat deze groep wordt opgenomen in alle programma’s ter bestrijding van hiv/aids en andere programma’s om seksueel overdraagbare aandoeningen uit te roeien; dringt erop aan dat alle indicatoren en gegevens die in het kader van gendergelijkheidskwesties worden verzameld, naar leeftijd, handicap en geslacht worden uitgesplitst;

Het bestrijden van verzet tegen gendergelijkheid

111. herhaalt dat er behoefte is aan regelmatige uitwisseling van beste praktijken tussen de lidstaten, de Commissie en de voornaamste belanghebbenden (zoals medewerkers van de gezondheidszorg, regelgevers en maatschappelijke organisaties) op het gebied van genderaspecten in de gezondheidszorg, met inbegrip van richtsnoeren voor alomvattende seksuele en relationele voorlichting, seksuele en reproductieve gezondheid en rechten (SRGR) en een genderbewuste respons op epidemieën; verzoekt de Commissie nadere maatregelen te treffen en de SRGR te waarborgen tijdens de implementatie van de huidige strategie voor gendergelijkheid en SRGR op te nemen in haar volgende EU-gezondheidsstrategie; verzoekt de Commissie de lidstaten te ondersteunen bij de versterking van hun gezondheidsstelsels en bij de levering van hoogwaardige, universele toegang tot gezondheidsdiensten voor iedereen, en de ongelijkheid in toegang tot gezondheidsdiensten terug te dringen, inclusief die tot SRGR-diensten tussen en binnen lidstaten; vraagt de lidstaten in dit opzicht te zorgen voor veilige, tijdige en volledige toegang tot SRGR en de noodzakelijke gezondheidsdiensten;

112. vraagt de Commissie de ongelijkheden op het gebied van gezondheidszorg aan te pakken binnen de aanstaande EU-gezondheidsstrategie, die gericht zou moeten zijn op toegang tot preventieve zorg in alle stadia van het leven, en gezondheid en veiligheid van vrouwen op de werkplek, met een specifieke genderfocus in de Europese kankerbestrijding; onderstreept het belang van genderspecifieke geneeskunde en genderspecifiek onderzoek, en benadrukt daarom dat investeringen in onderzoek naar de verschillen tussen mannen en vrouwen met betrekking tot hun gezondheid moet worden gesteund via Horizon Europa om gezondheidsstelsels aan te moedigen ervoor te zorgen dat ze afgestemd zijn op de verschillende behoeften van mannen en vrouwen;

113. dringt er bij de Commissie op aan onderzoek naar niet-hormonale anticonceptie voor vrouwen te steunen, om hun meer alternatieven te bieden en onderzoek naar anticonceptiemiddelen voor mannen te steunen, om te zorgen voor gelijke toegang tot en gebruik van anticonceptiemiddelen en gedeelde verantwoordelijkheid;

114. eist ondersteuning van vrouwenrechtenverdedigers en vrouwenrechtenorganisaties in de EU en wereldwijd, inclusief organisaties die actief zijn op het gebied SRGR en LGBTI+, door verhoogde en geoormerkte financiële ondersteuning in het volgende MFK; benadrukt verder de financiële moeilijkheden waar ze mee kampen ten gevolge van de huidige crisis en dringt erop aan meer middelen toe te wijzen zodat zij hun werkzaamheden kunnen voortzetten; is ernstig bezorgd over verslechtering van de bestaande vrouwenrechten en gendergelijkheid in sommige lidstaten, en met name over de pogingen in Polen om abortuszorg verder te criminaliseren en de toegang van jongeren tot allesomvattende seksuele opvoeding te ondermijnen, en over de doorgevoerde hervorming die de rechten van transgenders en interseksuelen in Hongarije aantast; pleit voor voortdurend toezicht op de stand van zaken met betrekking tot de vrouwenrechten en gendergelijkheid, met inbegrip van desinformatie en regressieve initiatieven in alle lidstaten, alsook voor een alarmsysteem om achteruitgang te kunnen signaleren; verzoekt de Commissie onderzoek naar het verband tussen antidemocratische bewegingen en aanvallen op en desinformatiecampagnes over de vrouwenrechten en gendergelijkheid alsook over de democratie te ondersteunen, en vraagt de Commissie de onderliggende oorzaken daarvan te analyseren, en haar inspanningen op te voeren om deze tegen te gaan en feitenonderzoek te ontwikkelen en een tegendiscours en bewustmakingscampagnes te organiseren;

115. dringt er bij de Commissie op aan een wereldwijde campagne op te zetten tegen de verhoogde aanvallen waar zij aan blootstaan en ervoor te zorgen dat mensenrechtenverdedigers worden vrijgelaten, waarbij speciale aandacht uitgaat naar vrouwenrechtenverdedigers; dringt aan op onmiddellijke opneming in de EU-richtsnoeren inzake mensenrechtenverdedigers van een bijlage om aanvullende strategieën en instrumenten te erkennen en te ontwikkelen om een betere en doeltreffendere respons te kunnen geven op de specifieke situatie, bedreigingen en risicofactoren waar verdedigers van de mensenrechten van vrouwen mee te kampen hebben, en deze te voorkomen;

116. dringt er bij de Commissie en de lidstaten op aan vrouwen te beschermen die bijzonder kwetsbaar zijn voor meervoudige discriminatie waarbij erkend moet worden dat veel vrouwen gediscrimineerd worden op grond van geslacht, etniciteit, nationaliteit, leeftijd, handicap, sociale status, seksuele geaardheid, genderidentiteit en migratiestatus, en ervoor te zorgen dat er maatregelen worden getroffen om hier rekening mee te houden en te voorzien in de behoeften van deze groep;

117. wijst op zijn resolutie van 12 februari 2019 over de behoefte aan een versterkt strategisch EU-kader voor de nationale strategieën voor integratie van de Roma voor de periode na 2020[42], waarin wordt gesteld dat in de meeste lidstaten geen verbetering is waargenomen op het gebied van de toegang tot werkgelegenheid, dat er ernstige bezorgdheid bestaat met betrekking tot huisvesting en er maar weinig vooruitgang is geboekt betreffende armoede, en dat er behoefte is aan een sterk genderperspectief in het EU-kader; maakt zich zorgen over de haatzaaiende taal jegens Roma in verband met de COVID-19-pandemie en de aanvullende beperkingen die sommige lidstaten hebben ingevoerd om Romagemeenschappen in quarantaine te plaatsen, en vreest voor de nadelige gevolgen voor de meest kwetsbare groepen Roma, zoals meisjes, jonge vrouwen, oudere vrouwen, mensen met een handicap en LGBTIQ+-personen; verzoekt de Commissie met klem het strategisch EU-kader voor de gelijkheid en inclusie van Roma zo snel mogelijk goed te keuren, de impact van het coronavirus op de Romagemeenschappen nader te onderzoeken en maatregelen te treffen om een sterke negatieve reactie tegen hen te voorkomen;

118. dringt er bij de Commissie op aan een concreet kader op te stellen voor de rechten en bescherming van sekswerkers gedurende en na de crisis; dringt er verder op aan maatregelen en strategieën te ontwikkelen om discriminatie van sekswerkers tegen te gaan met betrekking tot toegang tot financiering, huisvesting, gezondheidszorg, onderwijs en andere diensten;

119. benadrukt dat de audiovisuele en gedrukte media een van de sectoren vormen die een aanzienlijk cultureel, sociaal en economisch gewicht hebben en een afspiegeling vormen van de maatschappij en cultuur, en deze mede vormgeven; betreurt dat vrouwen zwaar zijn ondervertegenwoordigd in belangrijke creatieve posities in deze sector, met inbegrip van de filmindustrie in Europa en wereldwijd; dringt er bij de Commissie op aan genderstereotypen in de media tegen te gaan en gendergelijke content te bevorderen; benadrukt dat mediageletterdheid moet worden bevorderd en dat alle relevante belanghebbenden moeten worden voorzien van genderbewuste media/onderwijsinitiatieven; dringt er bij de lidstaten op aan wetgeving aan te nemen om seksistische advertenties in de media te verbieden en opleiding en praktische cursussen over bestrijding van genderstereotypen op scholen voor journalistiek, communicatie, media en reclame te bevorderen; dringt er bij de Commissie op aan beste praktijken op het gebied van bestrijding van seksistische reclame-uitingen te delen; verzoekt de lidstaten beleid te ontwikkelen en uit te voeren om hardnekkige ongelijkheden in de hele audiovisuele sector uit te bannen en aldus te zorgen voor betere kansen voor vrouwen en meisjes;

Gendergelijkheid via externe betrekkingen

120. pleit, overeenkomstig artikel 8 VWEU, waarin gesteld wordt dat de Unie er bij elk optreden naar moet streven de ongelijkheden tussen mannen en vrouwen op te heffen en de gelijkheid van mannen en vrouwen te bevorderen, voor samenhang tussen en wederzijdse versterking van het interne en het externe beleid van de EU met betrekking tot meervoudige discriminatie en de beginselen van gendermainstreaming en gendergelijkheid om genderstereotypen en -normen alsook schadelijke praktijken en discriminerende wetgeving te bestrijden, en daarbij ook te bevorderen dat vrouwen via externe betrekkingen gelijkelijk al hun mensenrechten kunnen uitoefenen; wijst in dit verband met name op het handelsbeleid, de ontwikkelingssamenwerking en het mensenrechtenbeleid van de EU; benadrukt de primaire rol van empowerment van vrouwen teneinde het ontwikkelingsbeleid doelmatig te kunnen uitvoeren; herinnert aan het belang van onderwijs voor de empowerment van vrouwen en meisjes, zowel in de EU als in partnerlanden; benadrukt dat onderwijs niet alleen een recht is, maar ook een cruciaal instrument om (gedwongen) huwelijken op jonge leeftijd en tienerzwangerschappen tegen te gaan; dringt er op aan dat het externe beleid van de EU ertoe bijdraagt dat meisjes naar school blijven gaan en dat hun onderwijs in de partnerlanden wordt voortgezet als prioriteit; is verheugd over de hernieuwde verbintenis inzake vrouwen- en meisjesrechten en de verwijzing naar de duurzameontwikkelingsdoelen (SDG’s) en met name SDG 5 als centraal beleidskader voor de strategie voor gendergelijkheid;

121. verzoekt de Commissie in samenwerking met de lidstaten toezicht te houden op en te werken aan de volledige uitvoering van het actieprogramma van Peking, het ICPD-actieprogramma en de uitkomsten van de herzieningsconferenties ervan, en alle duurzameontwikkelingsdoelstellingen, waaronder de doelstellingen 3.7 en 5.6, zowel binnen als buiten de EU, aan de hand van indicatoren die in overeenstemming zijn met het wereldwijde kader van indicatoren voor de SDG’s van de VN;

122. roept de Commissie op het nieuwe genderactieplan III (GAP III), dat voortbouwt op het huidige GAP II, snel aan te nemen teneinde in 2021 de uitvoering ervan als belangrijk instrument ter bevordering van gendergelijkheid en empowerment van vrouwen en meisjes in externe relaties te starten; benadrukt dat dit document als mededeling moet worden opgesteld en vergezeld moet gaan van duidelijke, meetbare, tijdsgebonden indicatoren, met inbegrip van de toewijzing van rollen en verantwoordelijkheden aan de verschillende actoren; dringt er op aan in het nieuwe actieplan de doelstelling van 85 % te handhaven dat alle nieuwe programma’s bijdragen tot gendergelijkheid en een nieuwe doelstelling in te voeren dat 20 % van de programma’s gendergelijkheid als hoofddoelstelling heeft; eist dat het nieuwe instrument voor nabuurschapsbeleid, ontwikkeling en internationale samenwerking in dit opzicht gendergelijkheid en vrouwenrechten prioriteert binnen geografische en thematische programma’s; verwelkomt de verschuiving binnen de institutionele cultuur van de diensten van de Commissie en de Europese Dienst voor extern optreden om effectiever uitvoering te geven aan de verbintenissen van de EU ten aanzien van vrouwenrechten en gendergelijkheid;

123. verzoekt de Commissie de rol van de EU als katalysator voor gendergelijkheid overal ter wereld verder te versterken;

124. dringt er bij de Commissie op aan meer begrip te tonen voor de bijzondere behoeften van vrouwelijke migranten en asielzoekende meisjes en vrouwen met betrekking tot de toegang tot gezondheids- en onderwijsondersteuning en financiële zekerheid om te voorkomen dat ze seksueel worden uitgebuit en ervoor te zorgen dat hun rechten worden geëerbiedigd;

125. vraagt de Commissie met klem ervoor te zorgen dat met name vrouwen in migratie- en asielopvangcentra worden beschermd tegen gendergerelateerd geweld en pleit voor aanpassing van de infrastructuur voor vrouwen en meisjes alsmede aangepaste opleidingen voor het personeel, voor zover nodig;

126. is verheugd over een op waarden gebaseerd EU-handelsbeleid met een hoog beschermingsniveau van arbeids- en milieurechten, alsmede de eerbiediging van grondrechten en mensenrechten, met inbegrip van gendergelijkheid; herinnert eraan dat gendermainstreaming moet worden toegepast op alle EU-handels- en investeringsovereenkomsten en dat deze een ambitieus en afdwingbaar hoofdstuk over handel en duurzame ontwikkeling moeten bevatten; is verheugd dat de Commissie heeft toegezegd er voor de eerste keer voor te zullen zorgen dat in de gemoderniseerde associatieovereenkomst tussen de EU en Chili een specifiek hoofdstuk over handel en gendergelijkheid wordt opgenomen, dat voortbouwt op de bestaande internationale voorbeelden;

127. herhaalt dat het de werkzaamheden van de Commissie op dit gebied blijft steunen;

 

°

° °

128. verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad en de Commissie.


 

TOELICHTING

In het kader van het vijfentwintigjarige bestaan van het actieprogramma van Peking zullen dit jaar overal ter wereld diverse beoordelingen worden uitgevoerd om te bepalen hoeveel vooruitgang is geboekt bij de verwezenlijking van gendergelijkheid. Uit deze beoordelingen zal eens te meer heel duidelijk blijken dat er op het gebied van echte gendergelijkheid, die zich uitstrekt tot alle facetten van het leven, maar moeizaam vooruitgang wordt geboekt en dat genderongelijkheden ondanks onze vele inspanningen hardnekkig in stand blijven.

Geweld tegen vrouwen en vrouwenmoorden zijn nog altijd een dagelijkse realiteit, van economische onafhankelijkheid voor vrouwen is vanwege de sterke segregatie in het onderwijs en op de arbeidsmarkt nog altijd niet te spreken, en de last van ongelijke beloning en onbetaalde zorgtaken rust voornamelijk op de schouders van vrouwen. Daarnaast worden vrouwen nog altijd uitgesloten van besluitvormingsfuncties. Politieke, economische en culturele functies die de gelegenheid bieden een verschil te maken en verandering te brengen in deze (structurele) ongelijkheden worden niet eerlijk onder de genders verdeeld.

De EU scoort in de door het Europees Instituut voor gendergelijkheid (EIGE) opgestelde index voor gendergelijkheid gemiddeld 67,4 uit 100 punten en is daarmee, wat de verwezenlijking van volledige gelijkheid betreft, nog maar net over de helft, wat inhoudt dat de bovenstaande veronderstellingen gegrond zijn.

De verwezenlijking van gendergelijkheid is in het verleden belemmerd door de maatregelen die in het kader van de economische crisis zijn getroffen en de gevolgen daarvan, alsook door het gebrek aan politieke wil om hieraan ondanks de tegenslagen van de afgelopen tien jaar prioriteit toe te kennen. Dit uit zich vandaag de dag in moedwillige aanvallen en verzetsbewegingen in verschillende lidstaten, waarbij niet wordt gestreefd naar vooruitgang, maar juist naar de handhaving van de status quo. Dankzij de krachtige bewegingen van burgers in een aantal lidstaten kon de gevreesde achteruitgang (in ieder geval op papier) niet worden doorgezet en kon de pleitbezorgers voor volledige gelijkheid en aanvullende maatregelen niet het zwijgen worden opgelegd. Dit zou ook voor onze politieke wil moeten gelden. Genderongelijkheid en structurele discriminatie worden echter tot op de dag van vandaag versterkt door verschillende maatschappelijke problemen, zoals onlangs bij de uitbraak van COVID-19 is gebleken. Vrouwen houden de samenleving draaiende met hun werk in wezenlijke sectoren zoals de gezondheidszorg en de voedselvoorziening, maar de toegang die zij nodig hebben tot seksuele- en reproductieve-gezondheidsdiensten, alsook tot ondersteunende voorzieningen in geval van geweld, zoals hulplijnen en opvanghuizen, is in tijden van crisis doorgaans beperkt.

We moeten hier zo snel mogelijk een einde aan maken en een ambitieus, gemeenschappelijk kader voor de komende vijf jaar in het leven roepen om doeltreffende, samenhangende maatregelen vast te stellen ter bestrijding van alle vormen van discriminatie tegen mannen en vrouwen. We moeten alles in het werk stellen om discriminatie op grond van afkomst, seksuele geaardheid, genderidentiteit, handicap, geloof, klasse, nationaliteit en leeftijd uit te bannen. Dit vereist een intersectionele aanpak; niet alleen op het gebied van gendergelijkheid, maar op alle Europese beleidsterreinen.

De rapporteur is voorts van mening dat de economische, maatschappelijke en werkgelegenheidsdoelstellingen van de EU pas kunnen worden bereikt als volledige gendergelijkheid is verwezenlijkt. Gelijkheid moet daarom worden gezien als een strategisch en universeel doel. Dit betekent dat de beginselen van gendermainstreaming, gendereffectbeoordeling en genderbudgettering uitgebreid in de werkzaamheden van de instellingen en lidstaten van de EU moeten worden opgenomen.

De Commissie heeft met haar voorstel voor een nieuwe EU-strategie voor gendergelijkheid, dat zij binnen de eerste honderd dagen van haar ambtstermijn heeft voorgelegd, een duidelijk politiek signaal afgegeven dat alle inspanningen om gendergelijkheid te verwezenlijken, moeten worden ondersteund. In het voorstel worden gemeenschappelijke doelstellingen geformuleerd, alsook de nodige maatregelen op het gebied van vrouwenrechten en gendergelijkheid in de EU, om gendergerelateerd geweld en stereotypen uit te bannen, om gelijke deelname en kansen op de arbeidsmarkt, met inbegrip van loontransparantie, te waarborgen en gelijke beloning voor gelijke of gelijkwaardige arbeid daarmee tot een realiteit te maken, en om eindelijk genderevenwicht te bereiken in besluitvormingsfuncties. In het voorstel wordt bovendien uitgegaan van het idee van gelijke verzorgers en gelijke verdieners, waarbij maatregelen worden voorgesteld die het voor mannen en vrouwen mogelijk moeten maken om een gelijk aandeel in betaald en onbetaald werk op zich te nemen.

De rapporteur is met name ingenomen met de toezegging om gendervooroordelen en stereotypen te bestrijden, die onder de voornaamste redenen voor discriminatie vallen, alsook met de doorlopende toepassing van een intersectionele aanpak, waarbij de inspanningen zijn gericht op mannen en vrouwen in al hun diversiteit. Deze aanpak is hard nodig om een verschil te maken voor alle mannen en vrouwen in de EU.

De strategie van de Commissie biedt ruimte voor doorlopende wijzigingen. Het Europees Parlement zal de deze daarom voortdurend in het oog houden en zal bovendien aanvullende acties en maatregelen voorstellen. Er zullen op dit verslag meerdere verslagen volgen waarin niet alleen de positieve, geplande maatregelen zullen worden uitgestippeld, maar ook de aanvullende doelstellingen, acties en maatregelen zullen worden onderstreept die nodig zijn om alomvattende, samenhangende beleidsvorming op EU-niveau tot stand te brengen, zodat het idee van een genderrechtvaardige EU en wereld eindelijk kan worden waargemaakt.

 


 

 

ADVIES VAN DE COMMISSIE WERKGELEGENHEID EN SOCIALE ZAKEN (23.7.2020)

<CommissionInt>aan de Commissie vrouwenrechten en gendergelijkheid</CommissionInt>


<Titre>inzake de EU-strategie inzake gendergelijkheid</Titre>

<DocRef>(2019/2169(INI))</DocRef>

Rapporteur voor advies: <Depute>Eugenia Rodríguez Palop</Depute>

 

 

SUGGESTIES

De Commissie werkgelegenheid en sociale zaken verzoekt de bevoegde Commissie vrouwenrechten en gendergelijkheid onderstaande suggesties in haar ontwerpresolutie op te nemen:

 gezien de Europese pijler van sociale rechten, en met name de beginselen 2, 3, 6, 9 en 15,

 gezien de Agenda 2030 voor duurzame ontwikkeling van de Verenigde Naties en de doelstellingen inzake duurzame ontwikkeling (SDG’s), en met name doelstellingen 1, 5, 8 en 10 en de bijbehorende streefcijfers en indicatoren,

 gezien het Verdrag van de Internationale Arbeidsorganisatie (IAO) betreffende gelijke beloning uit 1951 en het IAO-Verdrag inzake geweld en intimidatie uit 2019,

 gezien de aanbeveling van de Commissie van 7 maart 2014 “Het beginsel van gelijke beloning voor mannen en vrouwen versterken door transparantie”[43],

 gezien het strategisch engagement voor gendergelijkheid 2016-2019 van de Commissie,

 gezien het EU-actieplan 2017-2019 van de Commissie: De loonkloof tussen vrouwen en mannen aanpakken (COM(2017)0678),

 gezien het verslag van de Commissie van 2019 over de gelijkheid van mannen en vrouwen in de EU,

 gezien Richtlijn 2006/54/EG van het Europees Parlement en de Raad van 5 juli 2006 betreffende de toepassing van het beginsel van gelijke kansen en gelijke behandeling van mannen en vrouwen in arbeid en beroep[44] en Richtlijn (EU) 2019/1158 van het Europees Parlement en de Raad van 20 juni 2019 betreffende het evenwicht tussen werk en privéleven voor ouders en mantelzorgers en tot intrekking van Richtlijn 2010/18/EU van de Raad[45],

 gezien de gendergelijkheidsindex van het Europees Instituut voor gendergelijkheid (EIGE), en met name het verslag over 2019,

 gezien de conclusies van de Raad van 13 juni 2019 over het dichten van de loonkloof tussen mannen en vrouwen: kernbeleid en kernmaatregelen,

 gezien de conclusies van de Raad van 10 december 2019 over gendergelijke economieën in de EU: volgende stappen,

 gezien zijn resolutie van 26 mei 2016 over armoede: een genderperspectief[46],

 gezien zijn resolutie van 19 januari 2017 over een Europese pijler van sociale rechten[47],

 gezien zijn resolutie van 14 juni 2017 over de noodzaak van een EU-strategie tot beëindiging en preventie van de genderpensioenkloof[48],

 gezien zijn resolutie van 3 oktober 2017 over de economische empowerment van vrouwen in de particuliere en openbare sector in de EU[49],

 gezien zijn resolutie van 16 november 2017 over de bestrijding van ongelijkheid als hefboom om het scheppen van banen en groei te stimuleren[50],

 gezien zijn resolutie van 30 januari 2020 over de loonkloof tussen mannen en vrouwen[51],

 gezien de mededeling van de Commissie van 5 maart 2020 “Een Unie van gelijkheid: strategie voor gendergelijkheid 2020-2025” (COM(2020)0152),

 gezien zijn resolutie van 17 april 2020 over gecoördineerde EU-maatregelen om de COVID-19-pandemie en de gevolgen ervan te bestrijden[52],

A. overwegende dat gendergelijkheid een kernwaarde en een van de gemeenschappelijke en fundamentele beginselen van de Europese Unie is, zoals vastgelegd in artikel 2 en artikel 3, lid 3, van het VEU, de artikelen 8 en 19 van het VWEU en artikel 23 van het Handvest van de grondrechten, wat getuigt van het engagement van de EU voor gendermainstreaming in al haar beleidsmaatregelen en activiteiten; overwegende dat in artikel 157 VWEU uitdrukkelijk is bepaald dat de lidstaten er zorg voor moeten dragen dat het beginsel van gelijke beloning van mannelijke en vrouwelijke werknemers voor gelijke of gelijkwaardige arbeid wordt toegepast;

B. overwegende dat de inkomens van vrouwen in de hele EU onevenredig lager zijn dan die van mannen; overwegende dat volgens de meest recente cijfers van de Commissie het verschil in uurloon tussen mannen en vrouwen in de EU 15,7 %[53] bedraagt, hoewel dit per lidstaat aanzienlijk verschilt; overwegende dat de loonkloof tussen mannen en vrouwen oploopt tot 40 %[54] wanneer ook de werkgelegenheidspercentages en de totale arbeidsmarktparticipatie in aanmerking worden genomen; overwegende dat in de EU slechts 8 %[55] van de mannen in deeltijd werkzaam is, tegenover bijna een derde (31 %)[56] van de vrouwen in de EU, om uiteenlopende redenen, waaronder stereotypen, structurele factoren en maatschappelijke verwachtingen; overwegende dat loontransparantie een aanzienlijke bijdrage kan leveren tot het dichten van de genderloonkloof, ongelijkheid kan tegengaan en kan helpen om de stelselmatige onderschatting van alsmede het gebrek aan waardering en de onvoldoende beloning voor het werk van vrouwen aan het licht te brengen die ten grondslag liggen aan de aanhoudende loonongelijkheid tussen mannen en vrouwen; overwegende dat collectieve onderhandelingen oneerlijke loondifferentiatie kunnen terugdringen, loontransparantie kunnen bevorderen en lage lonen in het algemeen kunnen aanpakken;

C. overwegende dat een intersectionele benadering van cruciaal belang is om inzicht te krijgen in de verschillende vormen van discriminatie die de genderloonkloof nog verder vergroten voor vrouwen vanwege de combinatie van identiteiten en de wisselwerking van gender en andere sociale factoren zoals handicaps; overwegende dat meer dan de helft van de vrouwen in de werkende leeftijd met een handicap economisch inactief is; overwegende dat het percentage vrouwen met een handicap dat te maken heeft met ernstige materiële deprivatie in alle lidstaten hoger is dan dat van vrouwen zonder handicap;

D. overwegende dat de participatie van vrouwen op de arbeidsmarkt wel is toegenomen maar dat er nog steeds sprake is van ongelijkheden tussen mannen en vrouwen, waardoor vrouwen in kwetsbare of precaire situaties kunnen terechtkomen; overwegende dat het verschil in arbeidsparticipatie tussen mannen en vrouwen in de EU op 11,6 %[57] ligt; overwegende dat vrouwen ondervertegenwoordigd zijn in goedbetaalde sectoren en besluitvormingsposities en vaker banen hebben waarvoor zij overgekwalificeerd zijn, waarbij één op de vijf vrouwelijke werknemers in de EU in de laagste loongroep valt, en slechts één op de tien mannen; overwegende dat een van de gevolgen van de genderloonkloof een genderkloof van 37 %[58] in pensioeninkomsten is, iets wat de komende decennia nog zal aanhouden, en een ongelijke mate van economische onafhankelijkheid tussen vrouwen en mannen; overwegende dat er serieuze inspanningen nodig zijn om al deze genderkloven te dichten;

E. overwegende dat er in sommige lidstaten sprake is van een zichtbare terugval, ook op gebieden als de economische empowerment van vrouwen, en dat het gevaar bestaat dat gendergelijkheid lager op de agenda van de lidstaten kan komen te staan;

F. overwegende dat de COVID-19-crisis vrouwen onevenredig treft in de sociaal-economische sfeer en zal leiden tot nog grotere ongelijkheid en discriminatie tussen mannen en vrouwen op de arbeidsmarkt, aangezien vrouwen minder verdienen, minder spaargeld hebben en lagere pensioenen krijgen, zij vaker atypisch en onzeker werk verrichten en vaker in armoede verkeren, zij geen gelijke toegang tot sociale bescherming hebben, zij als gevolg van de crisis een groter risico op ontslag of arbeidsduurverkorting lopen, en zij bij een lockdown geconfronteerd worden met toegenomen en specifieke lasten, zoals werken op afstand in stresserende omstandigheden, gevallen van overwerk en ongelijke verdeling van onbetaald huishoudelijk werk en zorgtaken; overwegende dat de meeste eerstelijnswerkers vrouwen zijn, die in bepaalde sectoren vaak ten onrechte ondergewaardeerd en onderbetaald worden;

G. overwegende dat voornamelijk vrouwen zorg en hulp verlenen om de maatschappij te beschermen tijdens de huidige COVID-19-crisis, en dat zij tegelijkertijd meer blootstaan aan het risico van besmetting omdat zij oververtegenwoordigd zijn in vitale beroepen waarin zij extra gevaar lopen[59], zoals in het geval van verpleegsters en andere gezondheidswerkers, apotheekmedewerkers, caissières in supermarkten, ouderenverzorgers en schoonmakers als gevolg van seksesegregatie op de arbeidsmarkt;

H. overwegende dat de economische empowerment van vrouwen en hun gelijke toegang tot financiële middelen essentieel zijn voor het bereiken van gendergelijkheid en het bestrijden van armoede en sociale uitsluiting; overwegende dat als vrouwen niet hetzelfde loon betaald krijgen, zij minder mogelijkheden hebben om economisch onafhankelijk te worden en op eigen benen te staan; overwegende dat het armoedecijfer onder werkende vrouwen van 8,0 % tot 3,8 % zou kunnen dalen als vrouwen hetzelfde betaald kregen als mannen[60]; overwegende dat 2,5 miljoen van de 5,6 miljoen kinderen die in armoede leven, niet meer arm zouden zijn als de loonkloof tussen mannen en vrouwen werd gedicht; overwegende dat de genderkloof in het brutomaandloon onder werknemers tussen 15 en 24 jaar (7 %) meer dan vijf keer lager was dan bij werknemers van 65 jaar of ouder (genderkloof van 38 %) en dat er thans ook sprake blijkt van een duidelijke loonachterstand als gevolg van het moederschap, met loonverschillen tussen vrouwen met resp. zonder afhankelijke kinderen, alsook tussen moeders en vaders; overwegende dat het risico op armoede in de loop van het leven sterk toeneemt als gevolg van het cumulatieve effect van loonverschillen, zoals blijkt uit de armoede onder personen van 75 jaar en ouder, en voornamelijk voorkomt bij vrouwen, met name vanwege onbetaalde zorgtaken die vooral vrouwen op zich nemen, levenslange verschillen in loon en/of arbeidsduur, en de lagere pensioenen die daarvan het gevolg zijn; overwegende dat armoede het meest voorkomt in gezinnen waar vrouwen de enige kostwinner zijn, waarbij 35 % van de alleenstaande moeders in de EU in 2017 het risico liep in armoede te vervallen, tegenover 28 % van de alleenstaande vaders[61];

I. overwegende dat de strategie voor gendergelijkheid 2020-2025 en de versterking van genderbewust beleid op EU-niveau van het allergrootste belang zijn om te voorkomen dat de impact van de COVID-19-crisis de genderkloof verder vergroot en om ervoor te zorgen dat de maatregelen de discriminatie van vrouwen helpen verminderen;

J. overwegende dat volgens de VN bijna 35 % van de vrouwen wereldwijd psychologische of seksuele intimidatie op de werkplek of intimidatie met ernstige gevolgen voor de persoonlijke en professionele ambities ervaart, wat schadelijk is voor hun gevoel van eigenwaarde en voor hun onderhandelingspositie met het oog op een eerlijkere beloning; overwegende dat eerlijke beloning en economische onafhankelijkheid essentiële voorwaarden zijn voor het vermogen van vrouwen om zich te onttrekken aan een gewelddadige relatie;

K. overwegende dat een op de drie vrouwen in de EU sinds haar 15e te maken heeft gehad met fysiek en/of seksueel geweld;

1. neemt kennis van de grond voor EU-interventie die wordt beschreven in de routekaart van de Commissie ten behoeve van de strategie voor gendergelijkheid; onderstreept het belang van een strategie voor gendergelijkheid die specifieke maatregelen van de lidstaten ter bevordering van gelijke behandeling ondersteunt en op elkaar afstemt en daarop een aanvulling vormt;

2. wijst erop dat de werkomgeving nog steeds ongelijk is wat betreft inkomen, loopbaanperspectieven, door vrouwen beheerste sectoren en toegang tot sociale bescherming, onderwijs en scholing; wijst erop dat al deze dimensies moeten worden aangepakt om gendergelijkheid te bewerkstelligen;

3. is ingenomen met de evaluatie door de Commissie van het bestaande kader voor gelijke beloning voor gelijke of gelijkwaardige arbeid, de start van een raadplegingsproces over de manier waarop meer gendergelijkheid in de arbeidsomgeving kan worden bereikt, het aanstaande verslag over de toereikendheid van de pensioenen en de mogelijke verstrekking van pensioenkredieten voor zorggerelateerde loopbaanonderbrekingen in het kader van bedrijfspensioenregelingen;

4. maakt zich zorgen over het gebrek aan sociale mobiliteit dat de arbeidsmobiliteit van vrouwen belemmert; benadrukt de noodzaak van verbetering van de kansen op arbeidsmobiliteit binnen de EU;

5. verzoekt de Commissie binnen een jaar een herziening van Richtlijn 2006/54/EG voor te leggen, rekening houdend met de recente evaluatie van de werking en tenuitvoerlegging van de EU-wetgeving inzake gelijke beloning en in overeenstemming met de vaste rechtspraak van het Hof van Justitie; is van mening dat deze herziening een voor alle beroepssectoren bindende definitie van “gelijkwaardige arbeid”, inclusief het perspectief “gender”, alsook een verwijzing naar verschillende vormen van discriminatie en aanvullende maatregelen ter waarborging van de handhaafbaarheid van de richtlijn dient te omvatten;

6. herinnert eraan dat artikel 21 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie het non-discriminatiebeginsel omvat, inclusief discriminatie op grond van geslacht;

7. wijst op zijn resolutie van 30 januari 2020 over de loonkloof tussen mannen en vrouwen; verzoekt om een onmiddellijke herziening van het actieplan en om een ambitieus nieuw actieplan voor de loonkloof tussen mannen en vrouwen uiterlijk eind 2020, waarin duidelijke doelstellingen voor de lidstaten moeten worden vastgesteld om de genderloonkloof de komende vijf jaar te verkleinen en ervoor te zorgen dat dergelijke doelstellingen in de landspecifieke aanbevelingen aan bod komen; wijst er met name op dat in het nieuwe actieplan een intersectioneel perspectief moet worden opgenomen; verzoekt de Commissie en de lidstaten de sociale partners en maatschappelijke organisaties te betrekken bij de ontwikkeling van het nieuwe beleid om de loonkloof tussen mannen en vrouwen te dichten en de statistieken, het onderzoek en de analyses te verbeteren en verder te ontwikkelen, teneinde de vooruitgang bij het dichten van de loonkloof tussen mannen en vrouwen beter te kunnen meten en volgen, met bijzondere aandacht voor groepen personen die met meervoudige en intersectionele vormen van discriminatie worden geconfronteerd; verzoekt de Commissie aandacht te besteden aan de factoren die tot de pensioenkloof leiden en de lidstaten te ondersteunen bij hun maatregelen om deze te dichten door een indicator voor de genderpensioenkloof vast te stellen om de opeenstapeling van ongelijkheden te kunnen beoordelen waarmee vrouwen in de loop van hun leven te maken krijgen;

8. verzoekt de Commissie en de lidstaten de horizontale en verticale segregatie op de arbeidsmarkt en discriminerende praktijken bij de besluitvorming over aanwerving en bevordering aan te pakken, met inbegrip van beleid ter bevordering van de integratie van vrouwen uit gemarginaliseerde groepen op de arbeidsmarkt; wijst op de noodzaak van investeringen in onderwijs en beroepsopleidingen en genderbewuste wervings- en selectieprocessen in de particuliere en openbare sector, en met name in toekomstgerichte sectoren zoals STEM en de digitale sector, waar vrouwen ondervertegenwoordigd zijn; wijst er in dit verband op dat discriminatie op grond van gender niet alleen schadelijk is voor het individu, maar ook voor de samenleving als geheel;

9. verzoekt de Commissie nogmaals zo snel mogelijk en uiterlijk eind 2020 wetgeving in verband met transparantie inzake lonen voor mannen en vrouwen voor te stellen[62]; herhaalt voorts de urgentie daarvan in de huidige crisis, die de bestaande genderongelijkheid en discriminatie op de arbeidsmarkt nog zal verergeren; verzoekt de Commissie te overwegen om met inachtneming van de specifieke kenmerken van kleine en middelgrote ondernemingen concrete maatregelen in te voeren die van toepassing zijn op zowel de openbare als de particuliere sector, waarbij wordt voortgebouwd op haar aanbeveling uit 2014, zoals: a) de vaststelling van duidelijke criteria voor de beoordeling van de waarde van werk, b) genderneutrale functiewaarderings- en classificatiesystemen, c) controles van en verslagen over het loon van mannen en vrouwen om gelijke beloning te waarborgen, d) het recht van werknemers op volledige looninformatie en op verhaal, en e) duidelijke doelstellingen voor de prestaties van bedrijven op het gebied van gelijke behandeling; dringt voorts aan op een betere toegang tot de rechter en op de invoering van sterkere procedurele rechten om loondiscriminatie te bestrijden; verzoekt de Commissie de rol van de sociale partners en van collectieve onderhandelingen op alle niveaus (nationaal, sectoraal, lokaal en in bedrijven) in de nieuwe wetgeving inzake loontransparantie te bevorderen; vraagt de Commissie daar krachtige handhavingsmaatregelen in op te nemen voor wie de wetgeving niet naleeft;

10. wijst erop dat werkende vrouwen op bestuurlijk niveau nog steeds ondervertegenwoordigd zijn; herinnert eraan dat volgens gegevens die Eurostat in 2019 heeft gepubliceerd, slechts 28 % van de leden van de raden van bestuur van beursgenoteerde bedrijven in de EU en slechts 18 % van het hoger management vrouw is en dat bij de grootste bedrijven in de EU slechts 8 % van de CEO’s een vrouw is; verzoekt de lidstaten de richtlijn vrouwelijke bestuurders uit het slop te halen en snel een ambitieus standpunt van de Raad goed te keuren om de wanverhouding tussen vrouwen en mannen in besluitvormingsfuncties op het hoogste niveau aan te pakken; verzoekt de Commissie tevens erop toe te zien dat de EU-instellingen het goede voorbeeld geven en ervoor zorgen dat ten minste 50 % van de leidinggevende functies wordt bekleed door vrouwen; roept de lidstaten verder op ervoor te zorgen dat bedrijven openheid van zaken geven over het percentage vrouwen in leidinggevende functies en ook informatie verstrekken over de beloningsniveaus; betreurt dat de horizontale antidiscriminatierichtlijn nog steeds door de Raad wordt geblokkeerd, en verzoekt de Commissie nieuwe antidiscriminatiewetgeving voor te stellen;

11. herinnert eraan dat ondervertegenwoordiging van vrouwen in het openbare en politieke leven afbreuk doet aan de goede werking van democratische instellingen en processen; roept de lidstaten dan ook op om maatregelen te stimuleren en te steunen die een evenwichtige deelname van mannen en vrouwen aan de nationale, regionale en lokale besluitvorming faciliteren;

12. verzoekt de Commissie en de lidstaten maatregelen vast te stellen ter bestrijding van het zogeheten “glazen plafond”, zoals verlenging van het ouderschapsverlof, toegang tot hoogwaardige en betaalbare kinderopvang, en uitbanning van alle vormen van directe en indirecte discriminatie in verband met promoties op de arbeidsmarkt;

13. verzoekt de Commissie en de lidstaten gelijke arbeidsmarktparticipatie en gelijke kansen op de arbeidsmarkt voor mannen en vrouwen te waarborgen en de feminisering van armoede in al haar verschijningsvormen, met inbegrip van armoede op oudere leeftijd, aan te pakken, in het bijzonder door rekening te houden met de factor “gender” wat de beschikbaarheid van en de toegang tot voldoende pensioenrechten betreft, teneinde de genderpensioenkloof te dichten, en door de arbeidsvoorwaarden te verbeteren in sectoren en beroepen waarin vrouwen sterk oververtegenwoordigd zijn, zoals de horeca, toerisme, schoonmaakdiensten en de zorgsector; wijst op het belang van het aanpakken van de culturele onderwaardering van banen waarin vrouwen sterk oververtegenwoordigd zijn, alsook op het belang van het bestrijden van dergelijke stereotypen en van de oververtegenwoordiging van vrouwen in atypische vormen van werk; verzoekt de lidstaten te zorgen voor gelijke behandeling van vrouwelijke migranten (ook door middel van een herziening van het stelsel van erkenning van beroepskwalificaties), alsook van andere bijzonder kwetsbare groepen vrouwen; verzoekt de Commissie en de lidstaten om het bereik van collectieve onderhandelingen op sectoraal niveau en de betrokkenheid van de sociale partners bij de beleidsvorming te vergroten, teneinde stabiele en kwalitatief hoogwaardige werkgelegenheid te bevorderen; benadrukt het belang van strategieën om ondernemersinitiatieven van vrouwen aan te moedigen en te ondersteunen;

14. merkt op dat de groeiende kluseconomie gevolgen heeft voor werknemers, die minder vaak lid zijn van een vakbond en een lage werkzekerheid hebben als gevolg van factoren als onstabiele werktijden en een onstabiel inkomen, onvoldoende bescherming van de arbeidsrechten, onzekerheid omtrent sociale zekerheid en pensioenen, of gebrek aan doorgroei- en omscholingsmogelijkheden; is bezorgd over het feit dat de daarmee gepaard gaande onzekerheid, die nog wordt verergerd door de lockdownmaatregelen als gevolg van de huidige crisis, bijzonder nadelig uitpakt voor vrouwen op de in hoge mate “vergenderde” arbeidsmarkt, aangezien de zorglast nog steeds op hun schouders rust, met name voor vrouwen die te maken hebben met elkaar overlappende vormen van discriminatie; roept de lidstaten op gerichte maatregelen voor sociale bescherming in te voeren ten behoeve van vrouwelijke freelancers en vrouwen die werkzaam zijn in de kluseconomie, verzoekt de Commissie de uitvoering van Richtlijn 2010/41/EU van het Europees Parlement en de Raad van 7 juli 2010 betreffende de toepassing van het beginsel van gelijke behandeling van zelfstandig werkzame mannen en vrouwen nauwlettend te volgen[63];

15. benadrukt dat de lidstaten dienen te komen met op feiten gebaseerd en goed doordacht arbeidsmarktbeleid en hervormingen op dat gebied die de arbeidsomstandigheden van vrouwen daadwerkelijk verbeteren en meer banen van goede kwaliteit scheppen;

16. onderstreept dat gelijke kansen en een hogere arbeidsmarktparticipatie van vrouwen kunnen leiden tot meer banen, economische voorspoed en concurrentie in Europa; verzoekt de Commissie en de lidstaten doelen vast te stellen om het aantal onzekere banen en onvrijwillig deeltijdwerk te verminderen teneinde de situatie van vrouwen op de arbeidsmarkt te verbeteren; benadrukt dat voltijdwerk de norm dient te zijn;

17. roept de lidstaten op de last van de regelgeving voor bedrijven te verlichten en de hoge belastingen op arbeid te verlagen om de werkgelegenheid en de arbeidsmarktparticipatie onder vrouwen te stimuleren;

18. verzoekt de Commissie een zorgdeal voor Europa voor te stellen, met een alomvattende benadering van alle zorgbehoeften en -diensten en de vaststelling van minimumnormen en kwaliteitsrichtsnoeren voor zorg gedurende de gehele levenscyclus, ook voor kinderen, ouderen en personen die langdurige zorg behoeven; verzoekt de Commissie en de lidstaten opgesplitste gegevens over de verstrekking van zorgdiensten te verzamelen; verzoekt de lidstaten IAO-Verdrag nr. 189 inzake huishoudelijk personeel te ratificeren en volledig toe te passen, en verder te gaan dan de zorgdoelstellingen van Barcelona, en ervoor te zorgen dat in de desbetreffende behoeften wordt voorzien middels investeringen in kwalitatief hoogwaardige, toegankelijke en betaalbare universele openbare zorgvoorzieningen, en deze te moderniseren zodat vrouwen niet hoeven te kiezen tussen hun gezin en deelname aan de arbeidsmarkt; dringt er bij de lidstaten op aan de richtlijn betreffende het evenwicht tussen werk en privéleven[64] snel en volledig om te zetten en uit te voeren en verzoekt hen verder te gaan dan de minimumnormen van de richtlijn door maatregelen in te voeren zoals volledig betaald verlof, de bevordering van de gelijke rol van mannen als verzorgers, om zo genderstereotypen in het opnemen van vader-/moederschapsverlof te bestrijden, de erkenning van de rol van mantelzorgers door hun toegang tot sociale zekerheid en hun recht op pensioenrechten te waarborgen, steun voor diensten die zijn afgestemd op de specifieke uitdagingen en behoeften van ouders en/of familieleden die zorg dragen voor personen met een handicap of langdurige ziekte of voor ouderen, en flexibele werkregelingen die niet ten koste gaan van de lonen van de werknemer of de toegang tot sociale en arbeidsrechten en uitkeringen, en het recht van werknemers eerbiedigen om onbereikbaar te zijn; dringt er bij de Commissie op aan ieder jaar nauwlettend en systematisch te controleren hoe de lidstaten de richtlijn betreffende het evenwicht tussen werk en privéleven ten uitvoer leggen;

19. herhaalt zijn verzoek aan de Commissie en de lidstaten in verband met zijn resolutie van 28 april 2016 over vrouwen die als huishoudelijk personeel en als verzorger werken in de EU[65]; verzoekt de Commissie met klem een kader in te voeren voor de professionalisering van huishoudelijk werk en zorg, dat moet leiden tot erkenning en standaardisering van de relevante beroepen en vaardigheden alsmede de mogelijkheid om een loopbaan op te bouwen, de lidstaten aan te moedigen om systemen op te zetten voor professionalisering, scholing, de doorlopende ontwikkeling van vaardigheden en de erkenning van de kwalificaties van vrouwelijk huishoudelijk personeel en verzorgers, alsook overheidsinstanties voor arbeidsbemiddeling op te zetten om de professionalisering te versterken;

20. merkt op dat in tijden zoals die van de huidige coronaviruspandemie de rol van en de mogelijkheden voor telewerken en werken op afstand toenemen; verzoekt de Commissie om telewerken en werken op afstand op te nemen in de strategie als een belangrijke factor voor het bereiken van evenwicht tussen werk en privéleven;

21. verzoekt de Commissie en de lidstaten om, in overleg met de sociale partners, genderbewuste richtsnoeren op het gebied van gezondheid en veiligheid op het werk te ontwikkelen die specifiek gericht zijn op eerstelijnsberoepen, teneinde werknemers in die beroepen te beschermen in geval van toekomstige uitbraken; onderstreept dat veranderingen in de arbeidsomstandigheden zoals telewerken weliswaar kansen bieden om flexibele werkregelingen en het evenwicht tussen werk en privéleven te verbeteren maar ook de ruimte om de dingen los te laten kunnen beïnvloeden en de werkdruk kunnen verhogen, waarbij vrouwen veel zwaarder worden getroffen dan mannen omdat zij een overheersende of traditionele rol spelen in de zorg voor gezin en huishouden; verzoekt de Commissie derhalve een genderbewust wetgevingsvoorstel in te dienen over het recht op onbereikbaar zijn, alsook een richtlijn geestelijk welzijn op de werkplek die tot doel heeft angststoornissen, depressie en burn-out als beroepsziekten te erkennen, en mechanismen vast te stellen om deze aandoeningen te voorkomen en de getroffen werknemers weer aan het werk te krijgen;

22. vestigt de aandacht op het gebrek aan een genderperspectief op het gebied van gezondheid en veiligheid op het werk; benadrukt dat gendermainstreaming integraal deel moet uitmaken van de ontwikkeling van beleid voor gezondheid en veiligheid op het werk en preventiestrategieën voor alle sectoren, ook tijdens de aanstaande herziening door de Commissie van het strategisch kader voor gezondheid en veiligheid op het werk voor de periode na 2020; dringt er bij de Commissie, de lidstaten en de sociale partners op aan ziekten die nog niet als beroepsziekten en werkgerelateerde ziekten zijn erkend en in het bijzonder voorkomen in door vrouwen beheerste banen of specifiek vrouwen treffen, als dusdanig te beschouwen, gendergelijkheid te integreren in de gezondheid en veiligheid in beroepen die door mannen worden gedomineerd, waar er nog veel lacunes zijn, onder meer met betrekking tot sanitaire installaties, arbeidsmiddelen of persoonlijke beschermingsmiddelen, de bescherming en veiligheid van zwangere vrouwen op de werkplek te waarborgen en maatregelen te treffen om ervoor te zorgen dat vrouwen na het zwangerschapsverlof kunnen terugkeren naar hun functie, en de arbeidsrisico’s in door vrouwen beheerste sectoren, waaronder huishoudelijk werk en zorg in de huiselijke context, te evalueren;

23. verzoekt de Commissie Richtlijn 92/85/EEG van de Raad van 19 oktober 1992 inzake de tenuitvoerlegging van maatregelen ter bevordering van de verbetering van de veiligheid en de gezondheid op het werk van werkneemsters tijdens de zwangerschap, na de bevalling en tijdens de lactatie te herzien, om ervoor te zorgen dat vrouwen in heel Europa op voet van gelijkheid met mannen kunnen profiteren van het vrije verkeer van werknemers[66];

24. maakt zich grote zorgen over de aard, de omvang en de ernst van geweld en intimidatie in de werkomgeving en de impact van alle vormen van geweld tegen vrouwen en meisjes in werksituaties; is in dit verband ingenomen met het onlangs aangenomen IAO-Verdrag nr. 190 inzake geweld en intimidatie op het werk, en verzoekt de lidstaten dit onverwijld te ratificeren en ten uitvoer te leggen; verzoekt de Commissie en de lidstaten tevens doeltreffende en bindende maatregelen in te voeren om geweld en intimidatie op de werkplek te definiëren en te verbieden, onder meer door te zorgen voor effectieve toegang tot genderresponsieve, veilige en doelmatige mechanismen voor klachtenbehandeling en geschillenbeslechting, opleidingen en bewustmakingscampagnes, ondersteunende diensten en rechtsmiddelen; verzoekt de Raad de ratificering door de EU van het Verdrag van Istanbul, waarin ook wordt verwezen naar de vaststelling van maatregelen om slachtoffers bij te staan bij het vinden van werk, dringend af te ronden en dringt er bij de lidstaten die dit nog niet hebben gedaan, op aan dit verdrag te ratificeren en ten uitvoer te leggen; verzoekt de Commissie een richtlijn voor te stellen met een holistische benadering van het voorkomen en bestrijden van alle vormen van geweld tegen alle vrouwen en de huidige EU-wetgeving ter voorkoming van seksuele intimidatie te versterken, in het licht van de bepalingen van IAO-Verdrag nr. 190 en het Verdrag van Istanbul; herhaalt dat opleiding over seksuele aangelegenheden en gendergelijkheidskwesties onontbeerlijk is om gendergerelateerd geweld te bestrijden;

25. wijst erop dat het sociaal isolement en de afzondering als gevolg van COVID-19 hebben geleid tot een aanzienlijke toename van gendergerelateerd geweld in Europa; is dan ook van oordeel dat alle lidstaten de maatregelen ter bescherming van vrouwen zowel tijdens de crisis als daarna moeten aanscherpen; herinnert eraan dat economische onafhankelijkheid bij de aanpak van gendergerelateerd geweld van zeer groot belang is, en stelt in dit verband voor een specifiek programma voor de sociale en arbeidsintegratie van slachtoffers van gendergerelateerd geweld in Europa uit te werken dat tot doel heeft hun inzetbaarheid actief te bevorderen;

26. is van mening dat vrouwelijke werknemers die het slachtoffer zijn van gendergerelateerd geweld, recht dienen te hebben op arbeidstijdherschikking of -verkorting en overplaatsing naar een andere werkplek; is van mening dat gendergerelateerd geweld dient te worden opgenomen in risico-evaluaties van de werkplek;

27. betreurt dat er zo weinig aandacht is voor de genderdimensie van mensenhandel voor uitbuiting op arbeidsgebied, met name in het geval van huishoudelijk personeel als gevolg van de beperkingen die de familiewoning als werkplek met zich meebrengt met betrekking tot de mogelijkheden tot inspectie en controle van de werkactiviteiten; herinnert aan zijn resolutie van 28 april 2016 over vrouwen die als huishoudelijk personeel en als verzorger werken in de EU, en verzoekt de Commissie en de lidstaten het onderzoek op dit gebied te bevorderen, teneinde de mechanismen voor de identificatie en bescherming van de slachtoffers te verbeteren, en ngo’s, vakbonden, overheidsinstanties en alle burgers bij het opsporingsproces te betrekken;

28. verzoekt de Commissie met een Europese strategie voor sociale bescherming te komen met het oog op het vrije verkeer van werknemers en in het bijzonder de feminisering van armoede, met bijzondere nadruk op eenoudergezinnen waarbij een vrouw aan het hoofd staat;

29. betreurt dat er in de strategie voor gendergelijkheid 2020-2025 met geen woord wordt gerept over de bescherming van vrouwen en meisjes die blootstaan aan het risico van sociale uitsluiting, armoede en dakloosheid, en verzoekt de Commissie die problemen aan te pakken in het komende actieplan voor integratie en inclusie teneinde te voorkomen dat deze vrouwen worden uitgesloten van sociaal-economisch beleid en in een neerwaartse armoedespiraal terechtkomen;

30. juicht het toe dat de Commissie heeft beloofd een actieplan te zullen presenteren voor de uitvoering van de Europese pijler van sociale rechten; onderstreept dat het belangrijk is het genderperspectief te integreren, met gebruikmaking van een intersectionele benadering, in overeenstemming met beginselen 2 en 3 van de pijler; verzoekt de Commissie toe te zien op de gendereffecten van macro-economisch beleid en van de groene en de digitale transitie; dringt erop aan om in de opvolger van de Europa 2020-strategie een genderpijler en een overkoepelende doelstelling inzake gendergelijkheid in te voeren;

31. wijst erop dat financierings- en belastingbeleid een sterke gendercomponent vertonen; juicht de inzet van de Commissie toe om de genderdimensie te integreren in het meerjarig financieel kader, en met name wat het Europees Sociaal Fonds Plus (ESF+) betreft, ter bevordering van de arbeidsmarktparticipatie van vrouwen, het evenwicht tussen werk en privéleven en vrouwelijk ondernemerschap, maar betreurt het gebrek aan genderbudgettering in het nieuwe MFK en de structuurfondsen; verzoekt de Commissie het gebruik van genderbudgettering verder te bevorderen en te verbeteren, en verzoekt de lidstaten het genderperspectief in het belastingbeleid te integreren, onder meer door hun fiscaal beleid aan een genderevaluatie te onderwerpen om zo belastinggerelateerde genderdiscriminatie weg te werken;

32. herhaalt zijn oproepen aan de Commissie en de lidstaten om de verzameling van naar gender uitgesplitste gegevens[67], statistieken, onderzoek en analyse, alsmede de steun voor en maatregelen ter verbetering van de institutionele en maatschappelijke capaciteitsopbouw op het gebied van gegevensverzameling en -analyse, verder te ontwikkelen en te verbeteren, met name wat betreft de participatie van vrouwen op de arbeidsmarkt en op gebieden als informele werkgelegenheid, ondernemerschap, toegang tot financiering en tot gezondheidszorgdiensten, onbetaald werk, armoede en het effect van socialebeschermingsstelsels; dringt er tevens bij het EIGE en alle andere betrokken EU-instellingen en agentschappen/bureaus op aan nieuwe indicatoren uit te werken en op te nemen, bijvoorbeeld voor armoede onder werkenden, tijdarmoede, verschillen in tijdsindeling, de waarde van zorgwerk (betaald/onbetaald), alsook verschillen in de mate waarin vrouwen en mannen gebruikmaken van de richtlijn betreffende het evenwicht tussen werk en privéleven; verzoekt de Commissie deze gegevens te gebruiken voor een daadwerkelijke uitvoering van gendereffectbeoordelingen van haar beleidsmaatregelen en programma’s en die van andere EU-agentschappen en -instellingen;

33. benadrukt dat het van groot belang is dat gendergelijkheidsaspecten in verband met de toekomstige werkomgeving, waaronder vergroening en digitalisering van de economie, worden aangepakt; dringt erop aan de nieuwe EU-strategie voor gendergelijkheid en de Europese Green Deal sterker met elkaar te verbinden; verzoekt de Commissie het verband tussen klimaatveranderingsbeleid en gendergelijkheid te versterken in haar toekomstige voorstellen; dringt er bij de Commissie op aan stelselmatig gendereffectbeoordelingen uit te voeren en genderbudgettering in te voeren door gendergelijkheid te integreren in het Fonds voor een rechtvaardige transitie en in relevante klimaatacties en -maatregelen van de Green New Deal;

34. stipt aan dat meervoudige discriminatie moet worden bestreden, met name van kwetsbare groepen, waaronder vrouwen met een handicap, zwarte vrouwen, migrantenvrouwen, vrouwen uit etnische minderheden en Roma-vrouwen, oudere vrouwen, alleenstaande moeders, LGBTIQ+’s en dakloze vrouwen, en benadrukt dat het van belang is dat zij profiteren van de doelstellingen en acties van de EU-strategie voor gendergelijkheid 2020-2025; verzoekt de Commissie duidelijke richtsnoeren vast te stellen voor de uitvoering van het intersectioneel kader, waarbij voorrang dient te worden gegeven aan de participatie van de groepen die worden getroffen door de elkaar overlappende vormen van discriminatie om de uiteenlopende gevolgen van beleid en acties te beoordelen teneinde op elk gebied met een gepast antwoord te komen dat is gebaseerd op het beginsel van non-discriminatie;

35. wijst op zijn resolutie van 29 november 2018 over de situatie van vrouwen met een handicap[68]; verzoekt de Commissie met klem in het kader van de Europese strategie inzake handicaps voor de periode na 2020 een geconsolideerd voorstel te presenteren waarin de ontwikkeling van positieve maatregelen voor vrouwen met een handicap is opgenomen om hun volledige en daadwerkelijke arbeidsmarktparticipatie te waarborgen en de discriminatie en vooroordelen uit te bannen waarmee zij te maken krijgen, met inbegrip van maatregelen ter bevordering van werkgelegenheid, scholing, arbeidsbemiddeling, gelijke loopbaanontwikkeling, gelijke beloning, toegankelijkheid van en redelijke aanpassingen op de werkplek en aanvullende scholing, met aandacht voor hun digitale inclusie en het belang van een goed evenwicht tussen werk en privéleven; vraagt tevens dat in de maatregelen in verband met de genderloonkloof, de genderpensioenkloof en de zorgkloof uitdrukkelijk rekening wordt gehouden met de behoeften van ouders en verzorgers van kinderen met een handicap, en met name vrouwen en eenoudergezinnen; wijst erop dat er een garantie voor de rechten van gehandicapten moet komen, met specifieke maatregelen die aansluiten bij de behoeften van vrouwen met een handicap, en dat de jongerengarantie moet worden versterkt;

36. verzoekt de Commissie en de lidstaten de inclusieve gelijkheid van vrouwen en meisjes met een handicap in alle levenssferen te waarborgen, hun seksuele en reproductieve rechten te garanderen, hen te beschermen tegen huiselijk geweld en geweld door zorgverstrekkers en hulpverleners, alsmede hiertoe programma’s inzake bewustmaking en capaciteitsopbouw te starten voor professionals in de gezondheidszorg, sociale en zorgdiensten, het onderwijs, opleiding en arbeidsbemiddeling, politie en justitie;

37. benadrukt de actieve en cruciale rol van vrouwen in de economie van plattelandsgebieden en betreurt dat er nog steeds aanzienlijke genderverschillen bestaan op het gebied van werkgelegenheid in de agrarische sector en inzake de toegang tot sociale zekerheid, opleiding, zwangerschapsverlof en ouderdomspensioenen; dringt er bij de Commissie, de lidstaten en de regionale en lokale autoriteiten op aan met name op vrouwen gerichte projecten te ondersteunen met betrekking tot het opzetten van innovatieve landbouwactiviteiten in plattelandsgebieden en ontvolkte gebieden, ter versterking van hun positie op de landbouwmarkt, die een bron van nieuwe banen kan zijn; verzoekt de Commissie voorts de financieringsmogelijkheden in het kader van de tweede pijler van het GLB in kaart te brengen om de toegang van vrouwen tot land te vergroten en hun arbeidsomstandigheden in plattelandsgebieden aan te pakken, met name die van seizoenswerkers;

38. wijst op zijn resolutie van 12 februari 2019 over de behoefte aan een versterkt strategisch EU-kader voor de nationale strategieën voor integratie van de Roma voor de periode na 2020[69], waarin wordt gesteld dat in de meeste lidstaten geen verbetering is waargenomen op het gebied van de toegang tot werkgelegenheid, dat er ernstige bezorgdheid bestaat met betrekking tot huisvesting en er maar weinig vooruitgang is geboekt betreffende armoede, en dat er behoefte is aan een sterk genderperspectief in het EU-kader; maakt zich zorgen over de haatzaaiende taal jegens Roma in verband met de COVID-19-pandemie en de aanvullende beperkingen die sommige lidstaten hebben ingevoerd om Romagemeenschappen in quarantaine te plaatsen, en vreest voor de nadelige gevolgen voor de meest kwetsbare groepen Roma, zoals meisjes, jonge vrouwen, oudere vrouwen, mensen met een handicap en LGBTIQ+-personen; verzoekt de Commissie met klem het strategisch EU-kader voor de gelijkheid en inclusie van Roma zo snel mogelijk goed te keuren, de impact van het coronavirus op de Roma nader te onderzoeken en maatregelen te treffen om sterke negatieve reacties te voorkomen;

39. maakt zich zorgen over het gebrek aan een uitdrukkelijk verbod op discriminatie op grond van iemands genderidentiteit en genderexpressie in het EU-recht; merkt op dat LGBTIQ+-personen nog steeds worden gediscrimineerd, geïntimideerd en uitgesloten van de arbeidsmarkt; herinnert aan zijn resolutie van 14 februari 2019 over de toekomst van de lijst van acties ter bevordering van de gelijkheid van LGBTI-personen[70] en die van 18 december 2019 over openbare discriminatie en haatzaaiende uitlatingen ten aanzien van LGBTI-personen[71]; verzoekt de Commissie het strategisch kader over de gelijkheid van LGBTIQ+-personen zo snel mogelijk goed te keuren, in aansluiting op haar lijst van acties ter bevordering van de gelijkheid van LGBTI-personen 2016-2019, en daarin specifieke maatregelen op te nemen ter bestrijding van discriminatie op het werk op grond van seksuele gerichtheid, genderidentiteit, genderexpressie en geslachtskenmerken;

40. is ingenomen met het voorstel van de Commissie om het Fonds voor asiel, migratie en integratie aan te wenden om de lidstaten aan te moedigen actie te ondernemen om de integratie van vrouwen te ondersteunen, maar betreurt dat er geen andere concrete maatregelen worden overwogen om de beperkte toegang tot werkgelegenheid in de EU voor vrouwen uit derde landen en de specifieke kwetsbaarheid van vrouwelijke vluchtelingen en asielzoekers alsmede vrouwen en meisjes zonder papieren aan te pakken; verzoekt de Commissie zich te buigen over de situatie van alle vrouwelijke migranten en in het volgende meerjarig financieel kader voorrang te geven aan de integratiedoelstelling van het fonds door middel van genderbudgettering, de toewijzing van meer middelen voor bij- en nascholing, omscholing om de overstap naar een goede baan met goede arbeidsomstandigheden te vergemakkelijken, en vergroting van hun arbeidsmarktparticipatie en toepassing van concretere maatregelen om de belemmeringen uit de weg te ruimen waarmee vrouwelijke migranten te kampen hebben;

41. verzoekt de Commissie en de lidstaten een genderbewust antwoord te formuleren op de sociale en economische impact van de COVID-19-crisis, teneinde de onevenredig grote en mogelijk langdurige gevolgen voor de rechten, inkomens en sociale bescherming van vrouwen tijdens en na de crisis te verzachten en een verdere toename van genderongelijkheid te voorkomen; is van mening dat een genderbewust herstel specifieke maatregelen moet omvatten om voor gelijke toegang van vrouwen tot de arbeidsmarkt te zorgen en om ongelijkheid en discriminatie bij de combinatie van werk en gezinsleven te voorkomen, met inbegrip van mogelijke uitdagingen die zich voordoen wanneer telewerken een verplichting wordt; dringt aan op specifieke maatregelen om de behoeften van jonge vrouwen aan te pakken, aangezien de werkloosheid en baanonzekerheid onder jongeren vele malen hoger ligt dan in welke andere leeftijdscategorie dan ook; is van mening dat de strategie voor gendergelijkheid kan bijdragen tot een eerlijke en efficiëntere uitvoering van het herstelplan van de EU;

42. is ingenomen met het instrument voor tijdelijke steun om het risico op werkloosheid in noodsituaties te beperken (SURE); verzoekt de Commissie en de lidstaten erop toe te zien dat SURE inkomensverlies van vrouwen ondervangt;

43. is ingenomen met het besluit van de Raad om de “algemene ontsnappingsclausule” te activeren en vraagt de lidstaten te investeren in openbare diensten, waaronder gratis kinderopvang en gezondheidszorg, teneinde nieuwe kwaliteitsbanen te scheppen en de sociaal-economische impact van de crisis te milderen; is van oordeel dat bezuinigingsmaatregelen nadelige langetermijngevolgen hebben, met name voor vrouwen, en in de periode na de COVID-19-crisis niet mogen worden opgelegd;

44. vraagt aandacht voor de onvermoeibare en bewonderenswaardige inzet van eerstelijnswerkers die de COVID-19-pandemie bestrijden, en van de essentiële werknemers die werken om het openbare leven, de overheidsdiensten en de toegang tot essentiële goederen draaiende te houden; benadrukt dat 70 % van alle gezondheidswerkers en sociaal werkers wereldwijd vrouw is en dat bepaalde beroepsbeoefenaren in deze sectoren vaak slechts het minimumloon ontvangen en onder onzekere arbeidsvoorwaarden werken; verzoekt de Commissie in dit verband vóór eind 2020 een uitgebreide beoordeling te maken van de invoering van een Europees rechtsinstrument om fatsoenlijke arbeidsomstandigheden voor alle werknemers te garanderen en het bereik van collectieve onderhandelingen te vergroten;

45. benadrukt dat 70 % van de werknemers in de gezondheidszorg en de sociale sector wereldwijd vrouw is en dat ook winkelpersoneel en schoonmakers grotendeels uit vrouwen bestaan, die vaak niet meer dan het minimumloon verdienen; wijst erop dat, net als bij eerdere crises, vrouwen economisch zwaar getroffen zullen worden, ook in de periode na de crisis; dringt om die reden aan op een progressieve en genderbewuste aanpak, voor zowel onmiddellijke als langetermijnmaatregelen, op nationaal en EU-niveau, op basis van naar geslacht uitgesplitste gegevens van goede kwaliteit; is in dit verband van oordeel dat in het herstelplan rekening dient te worden gehouden met de segregatie op de arbeidsmarkt om een herhaling van de gebeurtenissen tijdens eerdere crises te voorkomen, waarbij vooral de werkgelegenheid in mannelijke sectoren werd bevorderd en sectoren waarin vrouwen sterk oververtegenwoordigd waren naar het tweede plan werden verdrongen, en dat de dynamiek van segregatie op de arbeidsmarkt dient te worden doorbroken;

46. herinnert eraan dat het Economisch Wereldforum in 2018 de verwachting heeft uitgesproken dat er tot 2022 wereldwijd 58 miljoen nieuwe banen bijkomen die gerelateerd zijn aan artificiële intelligentie, maar slechts 24,9 % van alle vrouwen die een studie in het hoger onderwijs volgen, studeert af in een richting die met nieuwe technologieën te maken heeft; onderstreept dat het van essentieel belang is ervoor te zorgen dat vrouwen evenwichtig vertegenwoordigd zijn in de wetenschappelijke en technologische sector; wijst erop dat een hoger aantal vrouwen in een beroep dat met nieuwe technologieën te maken heeft, Europa een bedrag van tot wel 16 miljard EUR zou kunnen opleveren;

47. roept de lidstaten op de participatie van vrouwen in de ICT-sector te bevorderen en te vereenvoudigen alsook vrouwen de mogelijkheid te bieden om te investeren en te ondernemen;

48. merkt op dat uit onderzoek blijkt dat de genderloonkloof in hoge mate het gevolg is van het feit dat vrouwen en mannen in verschillende beroepen met verschillende beloningsniveaus werkzaam zijn; benadrukt dat gendersegregatie op de arbeidsmarkt begint met de studiekeuze en dat wijzigingen in de onderwijskeuzes bijgevolg noodzakelijk zijn om genderverschillen op de arbeidsmarkt te bestrijden; dringt er bij de lidstaten op aan de studiebegeleiding en beroepskeuzevoorlichting te verbeteren om ervoor te zorgen dat alle studenten zich bewust zijn van de kansen die de arbeidsmarkt biedt en de gevolgen van verschillende onderwijskeuzes;

49. merkt op dat de arbeidsmarktparticipatie onder vrouwen lager is dan onder mannen; onderstreept het belang van een verlaging van de belasting op inkomen om de arbeidsmarktparticipatie aan te moedigen;

50. verzoekt de Commissie zich nog meer in te zetten voor het verhogen van de arbeidsparticipatie van vrouwen in Europa en voor het faciliteren van hun toegang tot de arbeidsmarkt, bijvoorbeeld door zich sterker te maken voor de promotie van het ondernemerschap van vrouwen;

51. betreurt dat vrouwen minder vaak bedrijven oprichten en leiden; dringt er bij de lidstaten op aan bedrijfsvriendelijke hervormingen door te voeren om gelijkheid en vrouwelijk ondernemerschap te bevorderen;

52. verzoekt de Commissie en de lidstaten de sociale aspecten van de landspecifieke aanbevelingen uit te voeren, met eerbiediging van zowel het subsidiariteitsbeginsel als de nationale bevoegdheden;

53. juicht het engagement van de Commissie toe om de deelname van vrouwen als kiezers en kandidaten aan de verkiezingen voor het Europees Parlement van 2024 te bevorderen; benadrukt in dit verband de noodzaak van herziening van de Verkiezingsakte om ervoor te zorgen dat leden van het Europees Parlement die gebruikmaken van hun recht op moederschapsverlof, vaderschapsverlof of ouderschapsverlof tijdelijk kunnen worden vervangen; verzoekt de Commissie de Verkiezingsakte navenant te herzien en vraagt de Raad deze herziening goed te keuren;

54. erkent de voorname rol van ngo’s en vrouwenrechtenorganisaties in de strijd tegen genderongelijkheid, discriminatie en geweld tegen vrouwen; verzoekt de Commissie de bescherming, deelname en actieve betrokkenheid van maatschappelijke organisaties te waarborgen en te versterken door te ijveren voor instrumenten om middelen te verstrekken aan mensenrechtenverdedigers en maatschappelijke organisaties die zich inspannen om sterke negatieve reacties tegen en ondermijning van gendergelijkheid tegen te gaan en op te komen voor de seksuele en reproductieve gezondheid en rechten van vrouwen, zowel in de EU als elders ter wereld;

55. roept de lidstaten op een formele Raadsformatie over gendergelijkheid in het leven te roepen, zodat de ministers en staatssecretarissen die bevoegd zijn voor gendergelijkheid over een eigen discussieforum kunnen beschikken, en gendermainstreaming op alle beleidsterreinen van de EU, waaronder werkgelegenheid en sociaal beleid, te vergemakkelijken;

56. verzoekt de Commissie de rol van de EU als katalysator voor gendergelijkheid overal ter wereld verder te versterken.

INFORMATIE OVER DE GOEDKEURING IN DE ADVISERENDE COMMISSIE

Datum goedkeuring

16.7.2020

 

 

 

Uitslag eindstemming

+:

–:

0:

41

11

1

Bij de eindstemming aanwezige leden

Atidzhe Alieva-Veli, Abir Al-Sahlani, Marc Angel, Dominique Bilde, Gabriele Bischoff, Vilija Blinkevičiūtė, Milan Brglez, Sylvie Brunet, David Casa, Leila Chaibi, Margarita de la Pisa Carrión, Özlem Demirel, Klára Dobrev, Jarosław Duda, Estrella Durá Ferrandis, Rosa Estaràs Ferragut, Nicolaus Fest, Loucas Fourlas, Cindy Franssen, Heléne Fritzon, Helmut Geuking, Elisabetta Gualmini, Alicia Homs Ginel, France Jamet, Agnes Jongerius, Ádám Kósa, Stelios Kympouropoulos, Katrin Langensiepen, Miriam Lexmann, Elena Lizzi, Radka Maxová, Kira Marie Peter-Hansen, Manuel Pizarro, Dennis Radtke, Elżbieta Rafalska, Guido Reil, Daniela Rondinelli, Mounir Satouri, Monica Semedo, Beata Szydło, Eugen Tomac, Romana Tomc, Yana Toom, Nikolaj Villumsen, Marianne Vind, Maria Walsh, Stefania Zambelli, Tatjana Ždanoka

Bij de eindstemming aanwezige vaste plaatsvervangers

Marc Botenga, Jordi Cañas, Lukas Mandl, Samira Rafaela, Anna Zalewska

 


HOOFDELIJKE EINDSTEMMING IN DE ADVISERENDE COMMISSIE

41

+

PPE

David Casa, Jarosław Duda, Rosa Estaràs Ferragut, Loucas Fourlas, Cindy Franssen, Stelios Kympouropoulos, Ádám Kósa, Lukas Mandl, Dennis Radtke, Eugen Tomac, Romana Tomc, Maria Walsh

S&D

Marc Angel, Gabriele Bischoff, Vilija Blinkevičiūtė, Milan Brglez, Klára Dobrev, Estrella Durá Ferrandis, Heléne Fritzon, Elisabetta Gualmini, Alicia Homs Ginel, Agnes Jongerius, Manuel Pizarro, Marianne Vind

RENEW

Abir Al-Sahlani, Atidzhe Alieva-Veli, Sylvie Brunet, Jordi Cañas, Radka Maxová, Samira Rafaela, Monica Semedo, Yana Toom

VERTS/ALE

Katrin Langensiepen, Kira Marie Peter-Hansen, Mounir Satouri, Tatjana Ždanoka

GUE/NGL

Marc Botenga, Leila Chaibi, Özlem Demirel, Nikolaj Villumsen

NI

Daniela Rondinelli

 

11

-

PPE

Miriam Lexmann

ID

Dominique Bilde, Nicolaus Fest, France Jamet, Elena Lizzi, Guido Reil, Stefania Zambelli

ECR

Elżbieta Rafalska, Beata Szydło, Anna Zalewska, Margarita de la Pisa Carrión

 

1

0

ECR

Helmut Geuking

 

Verklaring van de gebruikte tekens:

+ : voor

- : tegen

0 : onthoudingen

 

 


 

 

ADVIES VAN DE COMMISSIE BURGERLIJKE VRIJHEDEN, JUSTITIE EN BINNENLANDSE ZAKEN (22.7.2020)

<CommissionInt>aan de Commissie rechten van de vrouwen en gendergelijkheid</CommissionInt>


<Titre>inzake de EU-strategie inzake gendergelijkheid</Titre>

<DocRef>(2019/2169(INI))</DocRef>

Rapporteur voor advies: <Depute>Evin Incir</Depute>

 

 

SUGGESTIES

De Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken verzoekt de bevoegde Commissie rechten van de vrouwen en gendergelijkheid onderstaande suggesties in haar ontwerpresolutie op te nemen:

A. overwegende dat overeenkomstig artikel 2 VEU de Europese Unie is gegrondvest op eerbied voor de menselijke waardigheid, vrijheid, democratie, gelijkheid, de rechtsstaat en eerbiediging van de mensenrechten; overwegende dat het recht op gelijke behandeling en non-discriminatie een grondrecht is en dat Europese burgers beschermd zijn tegen discriminatie op grond van artikel 21 van het Handvest van de grondrechten; overwegende dat in artikel 151 van het VWEU wordt verwezen naar de sociale grondrechten die zijn vastgelegd in het Europees Sociaal Handvest, en gendergelijkheid een belangrijk beginsel is van de Europese pijler van sociale rechten;

B. overwegende dat gendergerelateerd geweld een van de grootste uitdagingen blijft voor onze samenlevingen en, in al zijn vormen, een schending van de grondrechten inhoudt die alle geledingen van de maatschappij treft; overwegende dat gendergerelateerd geweld zowel een oorzaak als een gevolg is van de structurele ongelijkheden; overwegende dat de bestrijding van gendergerelateerd geweld inzicht vereist in de oorzaken ervan en de factoren die eraan bijdragen; overwegende dat vrouwen met elkaar overlappende identiteiten en kwetsbaarheden een groter risico lopen op geweld en intimidatie; overwegende dat Richtlijn 2011/36/EU van het Europees Parlement en de Raad van 5 april 2011 inzake de voorkoming en bestrijding van mensenhandel en de bescherming van slachtoffers daarvan, en ter vervanging van Kaderbesluit 2002/629/JBZ van de Raad[72], Richtlijn 2011/99/EU van het Europees Parlement en de Raad van 13 december 2011 betreffende het Europees beschermingsbevel[73], en Richtlijn 2012/29/EU van het Europees Parlement en de Raad van 25 oktober 2012 tot vaststelling van minimumnormen voor de rechten, de ondersteuning en de bescherming van slachtoffers van strafbare feiten en ter vervanging van Kaderbesluit 2001/220/JBZ van de Raad, een grondslag voor de bestrijding van gendergerelateerd geweld vormen[74]; overwegende dat het Verdrag van Istanbul het eerste juridisch bindende internationaal instrument is inzake het voorkomen en bestrijden van geweld tegen vrouwen, waarin een uitgebreid kader van wettelijke en beleidsmaatregelen is vastgesteld om geweld tegen vrouwen te voorkomen, slachtoffers bij te staan en daders te straffen; overwegende dat het Verdrag van Istanbul door zes lidstaten en de EU zelf nog moet worden geratificeerd of omgezet;

C. overwegende dat vrouwen in al hun verscheidenheid[75] te maken hebben met elkaar overlappende kwesties zoals structureel racisme, discriminatie, haatmisdrijven en haatuitingen, gebrekkige toegang tot de rechter en aanhoudende sociaaleconomische ongelijkheid, die dienen te worden erkend als grote belemmeringen voor de volledige uitoefening van de grondrechten en als belangrijke belemmeringen voor inclusie en gelijkheid; overwegende dat de antidiscriminatierichtlijn, die met zijn horizontale benadering een grotere mate van bescherming zou bieden, nu al meer dan een decennium in de Raad wordt geblokkeerd;

D. overwegende dat er thans sprake is van een ernstige terugval op het gebied van gendergelijkheid en vrouwenrechten, waaronder seksuele en reproductieve gezondheid en rechten; overwegende dat een sterk pact tussen de lidstaten van essentieel belang is om de rechten van vrouwen in Europa te bevorderen door de wetgeving en optimale praktijken te delen; overwegende dat er een commissaris is die zich uitsluitend bezighoudt met gelijkheid, dat het Parlement over een commissie voor de rechten van de vrouw en gendergelijkheid beschikt, maar dat de Raad geen specifiek orgaan inzake gendergelijkheid heeft en de voor gendergelijkheid verantwoordelijke ministers en staatssecretarissen niet over een speciaal discussieforum beschikken;

1. benadrukt de noodzaak van het behoud van een intersectionele benadering in de strategie voor gendergelijkheid en van nieuwe specifieke en meetbare projecten, met name ten aanzien van groepen die worden beschermd tegen discriminatie door het EU-recht en de jurisprudentie van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens en het Europees Hof van Justitie; benadrukt dat er op het gebied van gendergelijkheid geen vooruitgang mogelijk is zonder een intersectionele benadering, waarbij rekening wordt gehouden met de discriminatie van vrouwen in al hun verscheidenheid, en die specifieke acties omvat om de ongelijkheden aan te pakken waarmee vrouwen kampen die in het huidige gendergelijkheidsbeleid onzichtbaar worden gemaakt of over het hoofd worden gezien; is van mening dat dergelijke acties maatregelen moeten omvatten ten behoeve van positieve gelijkheid in het kader van het beleid van de EU-structuurfondsen, zoals steun voor strategische procesvoering, diversiteitsbeleid voor vrouwen in leidinggevende posities, ontwikkeling van scholing over de praktische toepassing van intersectionaliteit in netwerken van juridische deskundigen en voor de rechterlijke macht, en instelling van krachtige permanente raadplegingsmechanismen om het gesprek aan te gaan met vrouwen in al hun verscheidenheid, waaronder de meest gemarginaliseerde vrouwen; is verheugd over het feit dat intersectionaliteit ook zal worden gebruikt als transversaal beginsel voor het actieplan voor integratie en inclusie alsook de strategische EU-kaders inzake handicap, LGBTI+, integratie van de Roma en kinderrechten, en herinnert de Commissie eraan dat er op dit gebied extra inspanningen nodig zijn;

2. wijst er nogmaals op dat gendermainstreaming een onmisbaar instrument is voor het opheffen van ongelijkheden, het bevorderen van gendergelijkheid en het bestrijden van discriminatie; benadrukt dat de EU-instellingen en de lidstaten nauwer moeten samenwerken met het maatschappelijk middenveld, met inbegrip van bewegingen en organisaties van vrouwen, en met internationale organisaties, om op het gebied van gendergelijkheid vooruitgang te boeken; verzoekt de Commissie erop toe te zien dat gendermainstreaming in al het beleid en alle activiteiten van de Unie wordt doorgevoerd en concrete follow-upmaatregelen voor te stellen; is ingenomen met het voornemen om een taskforce voor gelijkheid op te zetten teneinde een intersectionele aanpak tot stand te brengen met betrekking tot gendermainstreaming in alle beleidsmaatregelen van de EU; is van mening dat versterking van de interinstitutionele betrekkingen op het gebied van gendermainstreaming een bijdrage kan leveren aan de ontwikkeling van genderbewust EU-beleid en dringt daarom aan op een gestructureerde samenwerking op het gebied van mainstreaming met alle institutionele partners, zoals het Parlement, de Commissie, de Raad en het Europees Instituut voor gendergelijkheid (EIGE); verzoekt de Commissie met klem duidelijke indicatoren, doelstellingen, middelen en toezichtmechanismen te gebruiken om ervoor te zorgen dat gendermainstreaming systematisch wordt opgenomen in alle fasen van de beleidsvorming op alle beleidsterreinen van de EU en hierbij een intersectionele benadering te volgen; verzoekt de Commissie in dit verband een stappenplan op te stellen voor de tenuitvoerlegging van gendermainstreaming, met inbegrip van genderbudgettering, en een intersectioneel perspectief op alle beleidsterreinen van de EU;

3. merkt op dat de ongelijkheid en de verschillende vormen van gendergerelateerd geweld jegens vrouwen en meisjes tijdens de COVID-19-crisis zijn toegenomen en is gealarmeerd door de aanzienlijke toename van met name het huiselijk geweld; roept de EU en de lidstaten op specifiek op vrouwen en meisjes gerichte acties en steunmaatregelen uit te voeren, onder meer door adequate diensten op te zetten om geweld tegen vrouwen en meisjes aan te pakken alsook in slachtofferhulp gespecialiseerde instanties als opvangcentra, hulplijnen, chatdiensten en andere creatieve ondersteuningsoplossingen; dringt erop aan dat dit naar behoren in overweging wordt genomen in het kader van de strategie voor gendergelijkheid en dat specifieke maatregelen worden uitgevoerd als reactie op deze ontwikkelingen;

4. roept de Raad en de Commissie nogmaals op tot hernieuwde inspanningen en de horizontale antidiscriminatierichtlijn snel goed te keuren teneinde de huidige leemte in de bescherming van het EU-rechtskader voor non-discriminatie op grond van leeftijd, handicap, godsdienst of overtuiging of seksuele gerichtheid in belangrijke levenssferen, zoals sociale bescherming, onderwijs en toegang tot goederen en diensten, te vullen, en te voorkomen dat er in de EU een kunstmatige hiërarchie van gronden wordt gehanteerd; is ingenomen met het voornemen van de Commissie om aanvullende antidiscriminatiewetgeving voor te stellen als beschreven in de politieke beleidslijnen voor de Europese Commissie 2019-2024; verzoekt de Commissie spoedig met relevante voorstellen te komen;

5. roept de lidstaten op regelmatig beste praktijken uit te wisselen en de rechten van vrouwen in Europa te bevorderen door de meest beschermende maatregelen en praktijken die momenteel in Europese landen worden toegepast, te onderschrijven; dringt er bij de Raad op aan een voor de Raad specifieke opleiding in gendergelijkheid op te zetten om gemeenschappelijke en concrete maatregelen in te voeren om de uitdagingen op het gebied van de rechten van vrouwen en gendergelijkheid aan te gaan en ervoor te zorgen dat kwesties inzake gendergelijkheid op het hoogste politieke niveau worden besproken; roept de Europese instellingen op genderpariteit in acht te nemen, met name in hun leidinggevende functies; verzoekt de Commissie concrete maatregelen en toezichtmechanismen goed te keuren om het genderevenwicht bij alle JBZ-instanties, ook op alle leidinggevende niveaus en op leidinggevende posities, te waarborgen;

6. uit zijn bezorgdheid over de wijde verbreiding van gendergerelateerd geweld in al zijn vormen en het gebrek aan volledige toegang tot seksuele en reproductieve gezondheid en rechten; veroordeelt de ernstige schendingen van de rechten van vrouwen en kinderen in de EU en daarbuiten, waaronder genitale verminking bij vrouwen, gedwongen abortus en sterilisatie, uithuwelijking op jonge leeftijd of onder dwang en andere schadelijke praktijken tegen vrouwen en meisjes; merkt op dat vrouwen die werkzaam zijn in de seksindustrie, waaronder de prostitutie, als gevolg van armoedediscriminatie of andere noodsituaties dagelijks te maken hebben met seksueel geweld en misbruik; verzoekt om een EU-breed actieplan om alle vormen van gendergerelateerd geweld te voorkomen en te bestrijden; betreurt het gebrek aan specifieke maatregelen in de Europese strategie voor gendergelijkheid ter ondersteuning van de seksuele en reproductieve gezondheid en rechten in de EU; benadrukt dat de lidstaten verplicht zijn om toezeggingen in verband met de reproductieve en seksuele gezondheid, zonder dwang, discriminatie en geweld, in acht te nemen, te beschermen en na te leven; pleit ervoor seksuele en reproductieve gezondheid en rechten op te nemen in de volgende EU-gezondheidsstrategie en te zorgen voor specifieke financiering voor de bescherming ervan; herinnert aan het belang van passende instrumenten om te bepalen hoe het is gesteld met de universele toegang tot seksuele en reproductieve gezondheid en rechten, en verzoekt de Commissie en de lidstaten met klem dat ieders seksuele en reproductieve gezondheid en rechten worden beschermd en toegepast; vraagt de Commissie de seksuele en reproductieve gezondheid en rechten in de lidstaten nauwgezet te volgen; beaamt dat het ontzeggen van seksuele en reproductieve gezondheidsdiensten en -rechten, met inbegrip van veilige, legale abortus, een vorm van geweld ten aanzien van vrouwen en meisjes is; herhaalt dat vrouwen en meisjes zeggenschap moeten hebben over hun lichaam en hun seksualiteit, en dat de rechten van LGBTI’s onlosmakelijk deel uitmaken van het streven naar de volledige eerbiediging van seksuele en reproductieve gezondheid en rechten; verzoekt nogmaals alle lidstaten omvattende seksuele voorlichting te waarborgen, evenals eenvoudige toegang tot gezinsplanning en het volledige spectrum van reproductieve en seksuele gezondheidsdiensten, met inbegrip van moderne anticonceptiemethoden en veilige en legale abortus; dringt aan op gerichte maatregelen om de seksuele vrijheid en onafhankelijkheid van vrouwen te waarborgen;

7. pleit voor de doeltreffende preventie van genderongelijkheid en gendergerelateerd geweld, onder meer door middel van educatieve maatregelen voor en door jongeren, en is van oordeel dat alle jongeren de vruchten moeten kunnen plukken van omvattende gezondheidsonderwijs en seksuele voorlichting, in het bijzonder meisjes en LGBTI-jongeren, die als geen ander de gevolgen van ongelijke gendernormen ondervinden; verzoekt de Commissie de lidstaten te steunen bij de vaststelling van een op omvattende seksuele voorlichting gerichte aanpak overeenkomstig de normen van de WHO en de richtsnoeren van de Unesco, en ervoor te zorgen dat iedereen toegang tot deze voorlichting heeft zonder discriminatie op welke grond dan ook; wijst op de belangrijke rol die maatschappelijke organisaties spelen bij het geven van seksuele voorlichting, en dringt er bij de Commissie op aan te voorzien in toereikende financiering voor de betrokken organisaties;

8. vindt het bijzonder zorgwekkend dat 33 % van de vrouwen in de EU te maken krijgt met lichamelijk en/of seksueel geweld; meent dat het uitblijven van toetreding door de EU tot het Verdrag van Istanbul afdoet aan haar geloofwaardigheid; dringt er bij de EU op aan om onverwijld de toetreding tot het Verdrag van Istanbul af te ronden; verzoekt de Commissie de ratificatie ervan door alle lidstaten te bepleiten en actief te steunen; verzoekt met name de zes lidstaten die het Verdrag van Istanbul nog niet hebben geratificeerd (Bulgarije, Tsjechië, Hongarije, Litouwen, Letland en Slowakije) dit alsnog te doen, aangezien het een fundamentele internationale mensenrechtennorm is om gendergerelateerd geweld uit te bannen; herinnert eraan dat de nieuwe wetgevingsmaatregelen inzake gendergerelateerd geweld een aanvulling moeten vormen op de ratificatie van het Verdrag van Istanbul; prijst de Commissie voor haar toezegging om maatregelen voor te stellen om dezelfde doelstellingen te bereiken als de toetreding tot het verdrag wordt geblokkeerd, met inbegrip van een initiatief tot uitbreiding van de in artikel 83, lid 1, VWEU omschreven gebieden van criminaliteit tot specifieke vormen van gendergerelateerd geweld;

9. uit haar bezorgdheid over de achteruitgang op het gebied van gendergelijkheid in een aantal lidstaten, aangedreven door een politiek discours dat vaak zijn oorsprong vindt op de hoogste niveaus van de overheid, bij bepaalde kerkelijke vertegenwoordigers en een overvloed aan ultraconservatieve organisaties die een patriarchale visie op de maatschappij propageren die de emancipatie, zelfstandigheid en waardigheid van vrouwen aantast; veroordeelt de verspreiding van politieke narratieven waarin de inhoud van het Verdrag van Istanbul met opzet verkeerd wordt uitgelegd en de toename van homofobe en transfobe haatuitingen alsook betreurenswaardige maatregelen als het bevorderen van LGBTI-vrije zones in Polen of het afschaffen van de wettelijke erkenning van transgenders in Hongarije, die ernstig inbreuk maken op de rechten van transgenders en interseksuele personen en hen in gevaar brengen; wijst erop dat het Europees Hof voor de Rechten van de Mens keer op keer duidelijk heeft verklaard dat wettelijke erkenning van de genderidentiteit onder het recht op privé- en gezinsleven valt in het Europees rechtskader, dat uitdrukkelijk wordt beschermd uit hoofde van artikel 8 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens;

10. verzoekt om een EU-breed actieplan om alle vormen van gendergerelateerd geweld te voorkomen en te bestrijden; verzoekt daartoe om de benoeming van een coördinator voor de uitvoering van dit actieplan teneinde het werk van de bevoegde commissaris aan te vullen in plaats van te herhalen; benadrukt evenwel dat alle dimensies van gendergerelateerd geweld bij voorkeur in dezelfde wetgeving moeten worden geregeld door de vaststelling van een richtlijn ter bestrijding van alle vormen van gendergerelateerd geweld; verzoekt de Commissie nogmaals dringend een rechtshandeling in te dienen inzake de preventie en bestrijding van alle vormen van gendergerelateerd geweld, waarbij alle mogelijke maatregelen verkend worden, waaronder gebruikmaking van het recht van wetgevend initiatief dat is verankerd in artikel 225 VWEU; verzoekt de Commissie met klem de inspanningen op dit gebied op te voeren; is ingenomen met het initiatief van de Commissie om een EU-netwerk voor het voorkomen van gendergerelateerd geweld en huiselijk geweld op te zetten, waarin alle lidstaten en belanghebbenden bijeen worden gebracht om goede praktijken uit te wisselen, en om opleiding, capaciteitsopbouw en ondersteunende diensten te financieren;

11. verzoekt de Commissie de continuïteit van de werkzaamheden van de EU-coördinator voor de bestrijding van mensenhandel te waarborgen door een mandaat te verlenen dat de ontwikkeling van nieuwe initiatieven mogelijk maakt; is ingenomen met de nieuwe, door de Commissie voor te stellen strategie ter bestrijding van mensenhandel; dringt aan op een herziening van Richtlijn 2011/36/EU inzake de voorkoming en bestrijding van mensenhandel en de bescherming van slachtoffers daarvan teneinde de bepalingen te versterken die voorzien in diensten en verblijfstitels voor slachtoffers van mensenhandel, het gebruik van door slachtoffers van mensenhandel verleende diensten strafbaar te stellen, en om te zorgen dat het misdrijf van mensenhandel met het oog op seksuele uitbuiting passend wordt gestraft; benadrukt de noodzaak om straffeloosheid van degenen die van mensenhandel profiteren te bestrijden; wijst erop dat in de meeste gevallen vrouwen slachtoffer zijn van mensenhandel, en benadrukt derhalve de noodzaak om inspanningen te concentreren op het bieden van hulp aan gesmokkelde vrouwen;

12. vraagt de Commissie met klem ervoor te zorgen dat met name vrouwen in migratie- en asielopvangcentra worden beschermd tegen gendergerelateerd geweld en pleit voor aanpassing van de infrastructuur voor vrouwen en meisjes alsmede aangepaste opleidingen voor het personeel, voor zover nodig;

13. wijst op het ontbreken van een gezamenlijke aanpak of uniforme definities voor de verschillende vormen van gendergerelateerd geweld, zoals cybergeweld, die niet genderneutraal zijn maar vooral gericht zijn op vrouwen en daarom een uiting van gendergerelateerd geweld zijn; verzoekt de Commissie een wetgevingsinstrument ter bestrijding van alle vormen van gendergerelateerd geweld, met inbegrip van cybergeweld en andere vormen van online agressie tegen vrouwen, voor te stellen, aangezien dreiging met geweld en mishandeling een aanzienlijke impact heeft op de geestelijke gezondheid van vrouwen op alle niveaus van hun persoonlijke ontwikkeling;

14. verzoekt de Commissie maatregelen te steunen om de salariskloof tussen mannen en vrouwen, een vorm van genderdiscriminatie, te verkleinen;

15. verzoekt de lidstaten te zorgen voor toegang tot de rechter of deze te verbeteren, onder meer door het opleiden van rechtshandhavings- en justitieel personeel op het gebied van gendergerelateerd geweld en haatmisdrijven, met inbegrip van die welke online zijn gepleegd, en te waarborgen dat de rechten van slachtoffers centraal worden gesteld om te voorkomen dat zij tijdens justitiële, medische en politiële procedures worden gediscrimineerd, getraumatiseerd raken of opnieuw in een slachtofferrol worden gedrukt; verzoekt de lidstaten ervoor te zorgen dat melding onder veilige omstandigheden kan plaatsvinden, onderrapportage aan te pakken, in rechtsbijstand alsook in geïntegreerde ondersteuningsdiensten en opvang te voorzien, alsook preventieve maatregelen te nemen die rekening houden met de specifieke behoeften van vrouwen en meisjes in al hun verscheidenheid; dringt er bij de lidstaten op aan straffeloosheid ten aanzien van seksueel en gendergerelateerd geweld aan te pakken; is ontsteld over de aanhoudende aanvallen op de seksuele en reproductieve gezondheid en rechten; verzoekt de Commissie om, op basis van haar beoordeling van de EU-instrumenten op dit gebied, zoals vermeld in de EU-strategie inzake de rechten van slachtoffers (2020-2025) (COM (2020)0258), onverwijld een voorstel voor een herziening van de richtlijn slachtofferrechten in te dienen om een specifiek hoofdstuk toe te voegen dat gewijd is aan slachtoffers van gendergerelateerd geweld;

16. wijst er nogmaals op dat vrouwenrechten mensenrechten zijn; onderstreept dat genderstereotypen mede ten grondslag liggen aan genderongelijkheid en dat traditionele genderrollen en -stereotypen in de vroege jeugd ontstaan, en een ernstig obstakel vormen voor de verwezenlijking van gendergelijkheid en tot genderdiscriminatie leidt; verzoekt de Commissie en de lidstaten hun inspanningen in verband met de aanpak van genderongelijkheid en genderstereotypen verder op te voeren door nauwere samenwerking met maatschappelijke organisaties die opkomen voor de rechten en de zelfbeschikking van vrouwen en met preventieve en educatieve maatregelen die essentieel zijn om genderstereotypen en -ongelijkheid te bestrijden; is in dit opzicht ingenomen met het voornemen van de Commissie om een communicatiecampagne voor de hele EU op te zetten ter bestrijding van genderstereotypen, met een focus op de betrokkenheid van jongeren; stelt met bezorgdheid vast dat er steeds minder ruimte is voor maatschappelijke organisaties en mensenrechtenactivisten op het gebied van vrouwengelijkheid, minderheden, vrouwenrechten en seksuele en reproductieve gezondheid en rechten; vraagt om intensievere maatregelen om het probleem aan te pakken van de krimpende ruimte voor het maatschappelijk middenveld, en onderstreept het belang van meer financiële steun voor maatschappelijke organisaties en gespecialiseerde diensten om de onafhankelijkheid en expertise ervan veilig te stellen; benadrukt het belang van toegankelijke en onafhankelijke opvang voor vrouwen en LGBTI’s; verzoekt de Commissie specifieke acties voor te stellen om ervoor te zorgen dat organisaties die essentiële diensten verlenen toegang hebben tot financiering en bescherming genieten tegen aanvallen of discriminerend gedrag; is ten zeerste verontrust over de terreinwinst in een aantal lidstaten van tegen gendergelijkheid en LGBTI’s gerichte bewegingen die de vastgestelde grondrechten op het gebied van gendergelijkheid trachten aan te vechten en pogen wetten en beleidsregels te blokkeren en terug te draaien die de vrouwenrechten beschermen en niet-binaire personen vrijwaren tegen haatmisdrijven en discriminatie;

17. pleit ervoor dat er uitgesplitste gegevens over gendergelijkheid worden verzameld en dat er jaarlijks verslag wordt uitgebracht over de stand van zaken wat betreft de uitvoering van de strategie voor gendergelijkheid; verzoekt de Commissie en de lidstaten de beschikbaarheid en vergelijkbaarheid van hoogwaardige uitgesplitste gegevens over gendergerelateerd geweld te verbeteren door middel van samenwerking met Eurostat, het Bureau van de Europese Unie voor de grondrechten en het EIGE; verzoekt de Commissie nogmaals een Europees waarnemingscentrum voor gendergerelateerd geweld op te richten; verzoekt de Commissie met klem genderbudgettering toe te passen als onlosmakelijk onderdeel in alle begrotingslijnen van de begrotingsprocedure; pleit ervoor de uitgaven voor gendergelijkheid te volgen en aan elke gerichte actie een onafhankelijke begrotingslijn toe te wijzen alsook deugdelijke indicatoren, effectbeoordelingen en een specifieke methodologie vast te stellen; vraagt om de ontwikkeling en toepassing van relevante mechanismen voor verantwoording en transparantie, evenals regelmatige en genderbewuste verslaglegging van de uitkomsten.

 


INFORMATIE OVER DE GOEDKEURING IN DE ADVISERENDE COMMISSIE

Datum goedkeuring

16.7.2020

 

 

 

Uitslag eindstemming

+:

–:

0:

48

16

3

Bij de eindstemming aanwezige leden

Magdalena Adamowicz, Konstantinos Arvanitis, Katarina Barley, Pietro Bartolo, Nicolas Bay, Vladimír Bilčík, Vasile Blaga, Ioan-Rareş Bogdan, Saskia Bricmont, Joachim Stanisław Brudziński, Jorge Buxadé Villalba, Damien Carême, Caterina Chinnici, Clare Daly, Marcel de Graaff, Lena Düpont, Laura Ferrara, Nicolaus Fest, Jean-Paul Garraud, Sylvie Guillaume, Andrzej Halicki, Balázs Hidvéghi, Evin Incir, Sophia in ‘t Veld, Patryk Jaki, Lívia Járóka, Fabienne Keller, Peter Kofod, Moritz Körner, Juan Fernando López Aguilar, Nuno Melo, Roberta Metsola, Nadine Morano, Javier Moreno Sánchez, Maite Pagazaurtundúa, Nicola Procaccini, Emil Radev, Paulo Rangel, Terry Reintke, Diana Riba i Giner, Ralf Seekatz, Michal Šimečka, Martin Sonneborn, Sylwia Spurek, Tineke Strik, Ramona Strugariu, Annalisa Tardino, Tomas Tobé, Milan Uhrík, Tom Vandendriessche, Bettina Vollath, Jadwiga Wiśniewska, Elena Yoncheva, Javier Zarzalejos

Bij de eindstemming aanwezige vaste plaatsvervangers

Abir Al-Sahlani, Bartosz Arłukowicz, Malin Björk, Delara Burkhardt, Gwendoline Delbos-Corfield, Nathalie Loiseau, Erik Marquardt, Sira Rego, Domènec Ruiz Devesa, Paul Tang, Hilde Vautmans, Tomáš Zdechovský

Bij de eindstemming aanwezige plaatsvervangers (art. 209, lid 7)

Sven Mikser

 


 

HOOFDELIJKE EINDSTEMMING IN DE ADVISERENDE COMMISSIE

48

+

EPP

Magdalena Adamowicz, Bartosz Arłukowicz, Vladimír Bilčík, Vasile Blaga, Ioan-Rareş Bogdan, Lena Düpont, Andrzej Halicki, Nadine Morano, Paulo Rangel, Ralf Seekatz, Tomas Tobé, Tomáš Zdechovský

S&D

Katarina Barley, Pietro Bartolo, Delara Burkhardt, Caterina Chinnici, Sylvie Guillaume, Evin Incir, Juan Fernando López Aguilar, Sven Mikser, Javier Moreno Sánchez, Domènec Ruiz Devesa, Sylwia Spurek, Paul Tang, Bettina Vollath, Elena Yoncheva

RENEW

Abir Al-Sahlani, Sophia In ‘T Veld, Fabienne Keller, Moritz Körner, Nathalie Loiseau, Maite Pagazaurtundúa, Michal Šimečka, Ramona Strugariu, Hilde Vautmans

GREENS/EFA

Saskia Bricmont, Damien Carême, Gwendoline Delbos-Corfield, Erik Marquardt, Terry Reintke, Diana Riba I Giner, Tineke Strik

EUL/NGL

Konstantinos Arvanitis, Malin Björk, Clare Daly, Sira Rego

NI

Laura Ferrara, Martin Sonneborn

 

16

-

EPP

Balázs Hidvéghi, Lívia Járóka, Roberta Metsola

ID

Nicolas Bay, Nicolaus Fest, Jean-Paul Garraud, Marcel De Graaff, Peter Kofod, Annalisa Tardino, Tom Vandendriessche

ECR

Joachim Stanisław Brudziński, Jorge Buxadé Villalba, Patryk Jaki, Nicola Procaccini, Jadwiga Wiśniewska

NI

Milan Uhrík

 

3

0

EPP

Nuno Melo, Emil Radev, Javier Zarzalejos

 

Verklaring van de gebruikte tekens:

+ : voor

- : tegen

0 : onthouding

 

 

 


INFORMATIE OVER DE GOEDKEURING IN DE BEVOEGDE COMMISSIE

Datum goedkeuring

9.11.2020

 

 

 

Uitslag eindstemming

+:

–:

0:

26

6

1

Bij de eindstemming aanwezige leden

Simona Baldassarre, Robert Biedroń, Vilija Blinkevičiūtė, Annika Bruna, Margarita de la Pisa Carrión, Rosa Estaràs Ferragut, Frances Fitzgerald, Cindy Franssen, Heléne Fritzon, Lina Gálvez Muñoz, Lívia Járóka, Arba Kokalari, Alice Kuhnke, Elżbieta Katarzyna Łukacijewska, Karen Melchior, Maria Noichl, Sandra Pereira, Pina Picierno, Sirpa Pietikäinen, Samira Rafaela, Evelyn Regner, Diana Riba i Giner, Eugenia Rodríguez Palop, María Soraya Rodríguez Ramos, Sylwia Spurek, Jessica Stegrud, Isabella Tovaglieri, Ernest Urtasun, Hilde Vautmans, Elissavet Vozemberg-Vrionidi, Chrysoula Zacharopoulou

Bij de eindstemming aanwezige vaste plaatsvervangers

Maria da Graça Carvalho, Jadwiga Wiśniewska

 

 


HOOFDELIJKE EINDSTEMMING IN DE BEVOEGDE COMMISSIE

26

+

GUE/NGL

Sandra Pereira, Eugenia Rodríguez Palop

Renew

Karen Melchior, Samira Rafaela, María Soraya Rodríguez Ramos, Hilde Vautmans, Chrysoula Zacharopoulou

PPE

Maria da Graça Carvalho, Rosa Estaràs Ferragut, Frances Fitzgerald, Cindy Franssen, Arba Kokalari, Sirpa Pietikäinen, Elissavet Vozemberg‑Vrionidi, Elżbieta Katarzyna Łukacijewska

S&D

Robert Biedroń, Vilija Blinkevičiūtė, Heléne Fritzon, Lina Gálvez Muñoz, Maria Noichl, Pina Picierno, Evelyn Regner

Verts/ALE

Alice Kuhnke, Diana Riba i Giner, Sylwia Spurek, Ernest Urtasun

 

6

-

ECR

Jessica Stegrud, Jadwiga Wiśniewska, Margarita de la Pisa Carrión

ID

Simona Baldassarre, Annika Bruna, Isabella Tovaglieri

 

1

0

PPE

Lívia Járóka

 

Verklaring van de gebruikte tekens:

+ : voor

- : tegen

0 : onthouding

 

[1] Richtlijn 79/7/EEG van de Raad van 19 december 1978 betreffende de geleidelijke tenuitvoerlegging van het beginsel van gelijke behandeling op het gebied van de sociale zekerheid (PB L 6 van 10.1.1979, blz. 24).

[2] Richtlijn 86/613/EEG van de Raad van 11 december 1986, betreffende de toepassing van het beginsel van gelijke behandeling van zelfstandig werkzame mannen en vrouwen, de landbouwsector daarbij inbegrepen, en tot bescherming van het moederschap (PB L 359 van 19.12.1986, blz. 56).

[3] Richtlijn 92/85/EEG van de Raad van 19 oktober 1992 inzake de tenuitvoerlegging van maatregelen ter bevordering van de verbetering van de veiligheid en de gezondheid op het werk van werkneemsters tijdens de zwangerschap, na de bevalling en tijdens de lactatie (PB L 348 van 28.11.1992, blz. 1).

[4] Richtlijn 2004/113/EG van de Raad van 13 december 2004 houdende toepassing van het beginsel van gelijke behandeling van mannen en vrouwen bij de toegang tot en het aanbod van goederen en diensten (PB L 373 van 21.12.2004, blz. 37).

[5] Richtlijn 2006/54/EG van het Europees Parlement en de Raad van 5 juli 2006 betreffende de toepassing van het beginsel van gelijke kansen en gelijke behandeling van mannen en vrouwen in arbeid en beroep (PB L 204 van 26.7.2006, blz. 23).

[6] Richtlijn 2010/18/EU van de Raad van 8 maart 2010 tot uitvoering van de door BUSINESSEUROPE, UEAPME, het CEEP en het EVV gesloten herziene raamovereenkomst en tot intrekking van Richtlijn 96/34/EG (PB L 68 van 18.3.2010, blz. 13).

[7] Richtlijn 2010/41/EU van het Europees Parlement en de Raad van 7 juli 2010 betreffende de toepassing van het beginsel van gelijke behandeling van zelfstandig werkzame mannen en vrouwen en tot intrekking van Richtlijn 86/613/EEG van de Raad (PB L 180 van 15.7.2010, blz. 1).

[8] PB L 188 van 12.7.2019, blz. 79.

[9] Aangenomen teksten, P9_TA(2020)0039.

[10] Aangenomen teksten, P9_TA(2020)0025.

[11] Aangenomen teksten, P8_TA(2019)0111.

[12] Aangenomen teksten, P9_TA(2019)0080.

[13] PB C 390 van 18.11.2019, blz. 19.

[14] Aangenomen teksten, P8_TA(2019)0014.

[15] PB C 162 van 10.5.2019, blz. 9.

[16] PB C 346 van 27.9.2018, blz. 6.

[17] PB C 331 van 18.9.2018, blz. 60.

[18] PB C 263 van 25.7.2018, blz. 49.

[19] PB C 252 van 18.7.2018, blz. 99.

[20] PB L 69 van 8.3.2014, blz. 112.

[21] PB C 76 van 28.2.2018, blz. 93.

[22] PB C 356 van 4.10.2018, blz. 89.

[23] PB C 285 van 29.8.2017, blz. 78.

[24] PB C 11 van 12.1.2018, blz. 35.

[25] PB C 298 van 23.8.2018, blz. 14.

[26] PB C 363 van 28.10.2020, blz. 80.

[27] Aangenomen teksten, P9_TA(2020)0054.

[28] PB C 458 van 19.12.2018, blz. 34.

[29] PB C 66 van 21.2.2018, blz. 44.

[30] PB C 407 van 4.11.2016, blz. 2.

[31] FRA-enquête 2014, de meest uitgebreide studie op EU-niveau op dit terrein, uitgevoerd in 28 lidstaten.

[32] Richtlijn (EU) 2019/1158 van het Europees Parlement en de Raad van 20 juni 2020 betreffende het evenwicht tussen werk en privéleven voor ouders en mantelzorgers en tot intrekking van Richtlijn 2010/18/EU van de Raad (PB L 188 van 12.7.2019, blz. 79).

[33] Mededeling van de Commissie, getiteld “Een Unie van gelijkheid: strategie voor gendergelijkheid 2020-2025” (COM(2020)0152.

[34] Resolutie van het Europees Parlement van 30 januari 2020 over de loonkloof tussen mannen en vrouwen (Aangenomen teksten, P9_TA(2020)0025).

[36] PB C 331 van 18.9.2018, blz. 60.

[37] Aangenomen teksten, P8_TA(2019)0129.

[38] Aangenomen teksten, P8_TA(2019)0101.

[39] Zie de resolutie van het Europees Parlement van 30 januari 2020 over de loonkloof tussen mannen en vrouwen.

[40] Richtlijn 2014/54/EU van het Europees Parlement en de Raad van 16 april 2014 betreffende maatregelen om de uitoefening van de in de context van het vrije verkeer van werknemers aan werknemers verleende rechten te vergemakkelijken (PB L 128 van 30.4.2014, blz. 8).

[41]PB C 363 van 28.10.2020, blz. 164.

[42] Aangenomen teksten, P8_TA(2019)0075.

[43] PB L 69 van 8.3.2014, blz. 112.

[44] PB L 204 van 26.7.2006, blz. 23.

[45] PB L 188 van 12.7.2019, blz. 79.

[46] PB C 76 van 28.2.2018, blz. 93.

[47] PB C 242 van 10.7.2018, blz. 24.

[48] PB C 331 van 18.9.2018, blz. 60.

[49] PB C 346 van 27.9.2018, blz. 6.

[50] PB C 356 van 4.10.2018, blz. 89.

[51] Aangenomen teksten, P9_TA(2020)0025.

[52] Aangenomen teksten, P9_TA(2020)0054.

[53] Mededeling van de Commissie aan het Europees Parlement, de Raad, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio’s. Een Unie van gelijkheid: strategie voor gendergelijkheid 2020-2025.

[54] Resolutie van het Europees Parlement van 30 januari 2020 over de loonkloof tussen mannen en vrouwen.

[55] Mededeling van de Commissie aan het Europees Parlement, de Raad, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio’s. Een Unie van gelijkheid: strategie voor gendergelijkheid 2020-2025.

[56] Mededeling van de Commissie aan het Europees Parlement, de Raad, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio’s. Een Unie van gelijkheid: strategie voor gendergelijkheid 2020-2025.

[57] Mededeling van de Commissie aan het Europees Parlement, de Raad, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio’s. Een Unie van gelijkheid: strategie voor gendergelijkheid 2020-2025.

[58] Resolutie van het Europees Parlement van 30 januari 2020 over de loonkloof tussen mannen en vrouwen.

[59] Volgens Eurostat is 78 % van alle gezondheidswerkers, onder wie 4,1 miljoen laagbetaalde verplegers met een groot blootstellingsrisico, vrouw: https://ec.europa.eu/eurostat/web/products-eurostat-news/-/DDN-20200409-2

[60] Volgens het Institute for Women’s Policy Research.

[61] Berekening van het EIGE, EU-SILC (statistieken van de Europese Unie over inkomens en levensomstandigheden).

[62] Resolutie van het Europees Parlement van 30 januari 2020 over de loonkloof tussen mannen en vrouwen.

[63] PB L 180 van 15.7.2010, blz. 1.

[64] PB L 188 van 12.7.2019, blz. 79.

[65] PB C 66 van 21.2.2018, blz. 30.

[66] Richtlijn 2014/54/EU van het Europees Parlement en de Raad van 16 april 2014 betreffende maatregelen om de uitoefening van de in de context van het vrije verkeer van werknemers aan werknemers verleende rechten te vergemakkelijken.

[67] Zie resolutie van het Europees Parlement van 30 januari 2020 over de loonkloof tussen mannen en vrouwen.

[68] Aangenomen teksten, P8_TA(2018)0484.

[69] Aangenomen teksten, P8_TA(2019)0075.

[70] Aangenomen teksten, P8_TA(2019)0129.

[71] Aangenomen teksten, P8_TA(2019)0101.

1 PB L 101 van 15.4.2011, blz. 1.

2 PB L 338 van 21.12.2011, blz. 2.

[74] PB L 315 van 14.11.2012, blz. 73.

[75] De uitdrukking “in al hun verscheidenheid” wordt in dit advies gebruikt om het standpunt te verkondigen dat vrouwen, mannen en niet-binaire personen tot heterogene categorieën behoren, met inbegrip van, maar niet beperkt tot, hun geslacht, ras, huidskleur, etnische of sociale afkomst, genetische kenmerken, taal, godsdienst of overtuiging, politieke of andere denkbeelden, het behoren tot een nationale minderheid, eigendom, geboorte, handicap, leeftijd, seksuele gerichtheid, genderidentiteit, genderexpressie of geslachtskenmerken, migratiestatus of sociaaleconomische status. Hiermee wordt het streven naar een gendergelijk Europa voor iedereen bevestigd waarbij niemand aan zijn lot wordt overgelaten.

Laatst bijgewerkt op: 4 december 2020Juridische mededeling - Privacybeleid