Procedure : 2019/2162(INI)
Stadium plenaire behandeling
Documentencyclus : A9-0264/2020

Ingediende teksten :

A9-0264/2020

Debatten :

PV 18/01/2021 - 22
CRE 18/01/2021 - 22

Stemmingen :

Aangenomen teksten :

P9_TA(2021)0017

<Date>{15/12/2020}15.12.2020</Date>
<NoDocSe>A9-02264/2020</NoDocSe>
PDF 202kWORD 64k

<TitreType>VERSLAG</TitreType>

<Titre>over Meer vissen in de zee? Maatregelen ter bevordering van het herstel van de bestanden boven het niveau van de maximale duurzame opbrengst, met inbegrip van gebieden voor herstel van de visbestanden en beschermde mariene gebieden</Titre>

<DocRef>(2019/2162(INI))</DocRef>


<Commission>{PECH}Commissie visserij</Commission>

Rapporteur: <Depute>Caroline Roose</Depute>

ERRATA/ADDENDA
AMENDEMENTEN
ONTWERPRESOLUTIE VAN HET EUROPEES PARLEMENT
 TOELICHTING
 INFORMATIE OVER DE GOEDKEURING IN DE BEVOEGDE COMMISSIE
 HOOFDELIJKE EINDSTEMMING IN DE BEVOEGDE COMMISSIE

ONTWERPRESOLUTIE VAN HET EUROPEES PARLEMENT

over Meer vissen in de zee? Maatregelen ter bevordering van het herstel van de bestanden boven het niveau van de maximale duurzame opbrengst, met inbegrip van gebieden voor herstel van de visbestanden en beschermde mariene gebieden

(2019/2162(INI))

Het Europees Parlement,

 gezien artikel 3, lid 3, van het Verdrag betreffende de Europese Unie (VEU) en de artikelen 11, 39 en 191 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU),

 gezien Verordening (EU) nr. 1380/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 11 december 2013 inzake het gemeenschappelijk visserijbeleid (GVB)[1],

 gezien Richtlijn 2008/56/EG van het Europees Parlement en de Raad van 17 juni 2008 tot vaststelling van een kader voor communautaire maatregelen betreffende het beleid ten aanzien van het mariene milieu (kaderrichtlijn mariene strategie)[2],

 gezien artikel 13 van het Verdrag van Lissabon, waarin is bepaald dat de Unie en de lidstaten bij het formuleren van het beleid van de Unie op het gebied van onder meer visserij ten volle rekening moeten houden met hetgeen vereist is voor het welzijn van dieren als wezens met gevoel, en derhalve de grootst mogelijke zorg moeten besteden aan de desbetreffende voorschriften inzake dierenwelzijn,

 gezien Verordening (EU) 2019/1241 van het Europees Parlement en de Raad van 20 juni 2019 betreffende de instandhouding van visbestanden en de bescherming van mariene ecosystemen door middel van technische maatregelen[3],

 gezien Richtlijn 92/43/EEG van de Raad van 21 mei 1992 inzake de instandhouding van de natuurlijke habitats en de wilde flora en fauna[4] en Richtlijn 2009/147/EG van het Europees Parlement en de Raad van 30 november 2009 inzake het behoud van de vogelstand[5],

 gezien Verordening (EG) nr. 1099/2009 van de Raad van 24 september 2009 inzake de bescherming van dieren bij het doden[6], en met name artikel 3, waarvan het kernbeginsel dat er “[b]ij het doden van dieren en daarmee verband houdende activiteiten [...] [voor wordt] gezorgd dat de dieren elke vermijdbare vorm van pijn, spanning of lijden wordt bespaard” van toepassing is op vissen,

 gezien Richtlijn 2014/89/EU van het Europees Parlement en de Raad van 23 juli 2014 tot vaststelling van een kader voor maritieme ruimtelijke planning (richtlijn maritieme ruimtelijke planning)[7],

 gezien Richtlijn 91/676/EEG van de Raad van 12 december 1991 inzake de bescherming van water tegen verontreiniging door nitraten uit agrarische bronnen[8], met name wat afspoeling van meststoffen betreft,

 gezien Verordening (EG) nr. 1049/2001 van het Europees Parlement en de Raad van 30 mei 2001 inzake de toegang van het publiek tot documenten van het Europees Parlement, de Raad en de Commissie[9] en Verordening (EG) nr. 1367/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 6 september 2006 betreffende de toepassing van de bepalingen van het Verdrag van Aarhus betreffende toegang tot informatie, inspraak bij besluitvorming en toegang tot de rechter inzake milieuaangelegenheden op de communautaire instellingen en organen[10],

 gezien de EU-biodiversiteitsstrategie voor 2030 zoals uiteengezet in de mededeling van de Commissie van 20 mei 2020 getiteld “EU-biodiversiteitsstrategie voor 2030 – De natuur terug in ons leven brengen” (COM(2020)0380),

 gezien zijn resolutie van 16 januari 2018 over internationale oceaangovernance: een agenda voor de toekomst van onze oceanen in de context van de duurzameontwikkelingsdoelstellingen (SDG’s) voor 2030[11],

 gezien de editie van 2020 van het verslag van de Voedsel- en Landbouworganisatie van de Verenigde Naties (FAO) getiteld “State of World Fisheries and Aquaculture” (De toestand van de mondiale visserij en aquacultuur) (SOFIA-verslag 2020),

 gezien de mededeling van de Commissie van 20 mei 2020 getiteld “Een ‘van boer tot bord’-strategie voor een eerlijk, gezond en milieuvriendelijk voedselsysteem” (COM(2020)0381),

 gezien de mededeling van de Commissie van 16 juni 2020 getiteld “Naar een duurzamere visserij in de EU: stand van zaken en oriëntaties voor 2021” (COM(2020)0248),

 gezien de Verklaring van Johannesburg inzake duurzame ontwikkeling van 2002, het Uitvoeringsplan van Johannesburg en het slotdocument van de Rio+20-Conferentie van de Verenigde Naties over duurzame ontwikkeling van juni 2012 getiteld “The future we want” (De toekomst die wij willen),

 gezien het verslag van 2020 van het Wetenschappelijk, Technisch en Economisch Comité voor de visserij (WTECV) van de Commissie over monitoring van de prestaties van het gemeenschappelijk visserijbeleid (STECF-Adhoc-20-01),

 gezien het Verdrag inzake biologische diversiteit (VBD), en met name streefdoel 11 van de Aichi-biodiversiteitsdoelen, die deel uitmaken van het strategisch plan voor biodiversiteit 2011-2020 dat is opgenomen in het VBD,

 gezien het mondiaal evaluatieverslag van 2019 over biodiversiteit en ecosysteemdiensten van het intergouvernementeel platform voor wetenschap en beleid inzake biodiversiteit en ecosysteemdiensten (IPBES),

 gezien het speciaal verslag van 2019 van de Intergouvernementele Werkgroep inzake klimaatverandering (IPCC) getiteld “The Ocean and Cryosphere in a Changing Climate” (De oceaan en de cryosfeer in een veranderend klimaat),

 gezien de resolutie van de Internationale Unie voor behoud van de natuur (IUCN) van 2016 over het vergroten van het bereik van beschermde mariene gebieden met het oog op een doeltreffende instandhouding van de mariene biodiversiteit,

 gezien duurzameontwikkelingsdoelstelling (SDG) 14 van de Agenda 2030 voor duurzame ontwikkeling van de Verenigde Naties, die betrekking heeft op de instandhouding en het duurzame gebruik van de oceanen, zeeën en mariene hulpbronnen,

 gezien het verslag van de Commissie van 25 juni 2020 over de uitvoering van de kaderrichtlijn mariene strategie (COM(2020)0259),

 gezien zijn resolutie van 16 januari 2020 over de 15e bijeenkomst van de Conferentie van de partijen bij het Verdrag inzake biologische diversiteit (COP15)[12],

 gezien het verslag van de Wereldbank van 2017 getiteld “The sunken billions revisited: Progress and Challenges in Global Marine Fisheries” (Gezonken miljarden: Vooruitgang en uitdagingen in de mondiale zeevisserij),

 gezien Speciaal verslag nr. 1/2017 van de Europese Rekenkamer van 21 februari 2017 getiteld “Meer inspanningen nodig om het Natura 2000-netwerk zo te ontwikkelen dat het volledige potentieel ervan wordt gerealiseerd”,

 gezien Verslag nr. 17/2019 van het Europees Milieuagentschap (EEA) van 25 juni 2020 getiteld “Marine messages II” (Berichten van de zee II),

 gezien het besluit van de Europese Ombudsman in zaak 640/2019/FP over de transparantie van het besluitvormingsproces van de Raad van de EU voor de vaststelling van de jaarlijkse verordeningen inzake vangstquota (totaal toegestane vangsten),

 gezien Verslag nr. 3/2015 van het EEA van 1 oktober 2015 getiteld “Marine protected areas in Europe’s seas: An overview and perspective for the future” (Beschermde mariene gebieden in de Europese zeeën: overzicht en perspectieven voor de toekomst),

 gezien het verslag van de Commissie van 1 oktober 2015 inzake de voortgang bij het vaststellen van beschermde mariene gebieden (zoals vereist krachtens artikel 21 van de kaderrichtlijn mariene strategie 2008/56/EG) (COM(2015)0481),

 gezien het verslag van de Commissie van 31 juli 2018 ter beoordeling van de programma’s van maatregelen van de lidstaten in het kader van de kaderrichtlijn mariene strategie (COM(2018)0562),

 gezien de mededeling van de Commissie van 16 juni 2020, getiteld “Naar een duurzamere visserij in de EU: stand van zaken en oriëntaties voor 2021” (COM(2020)0248),

 gezien artikel 54 van zijn Reglement,

 gezien het verslag van de Commissie visserij (A9-0264/2020),

A. overwegende dat het doel van het gemeenschappelijk visserijbeleid (GVB) is te garanderen dat visserij- en aquacultuuractiviteiten uit ecologisch oogpunt duurzaam zijn op de lange termijn en worden beheerd op een manier die strookt met de doelstellingen voordelen te realiseren op economisch en sociaal gebied en op het gebied van werkgelegenheid, en bij te dragen tot de beschikbaarheid van voedselvoorraden; overwegende dat om het doel van een geleidelijk herstel en behoud van populaties van visbestanden boven een biomassaniveau dat de maximale duurzame opbrengst kan opleveren te kunnen bereiken, het exploitatieniveau voor de maximale duurzame opbrengst indien mogelijk in 2015 bereikt moest zijn en geleidelijk toenemend voor alle bestanden uiterlijk in 2020 verwezenlijkt moest zijn;

B. overwegende dat SDG 14 de oproep inhoudt om de oceanen, zeeën en mariene hulpbronnen in stand te houden en duurzaam te gebruiken;

C. overwegende dat het doel van de kaderrichtlijn mariene strategie is het mariene milieu te beschermen en in stand te houden, de verslechtering ervan te voorkomen en mariene ecosystemen te herstellen, en uiterlijk in 2020 een goede milieutoestand van de mariene wateren van de EU te bereiken;

D. overwegende dat een goede milieutoestand gebaseerd is op elf beschrijvende elementen; overwegende dat beschrijvend element 3 betrekking heeft op de populaties van alle commercieel geëxploiteerde soorten vis en schaal- en schelpdieren die zich binnen veilige biologische grenzen bevinden en een opbouw qua leeftijd en grootte vertonen die kenmerkend is voor een gezond bestand;

E. overwegende dat beschrijvend element 3 voor een goede milieutoestand drie primaire beoordelingscriteria omvat – (I) duurzaamheid van de exploitatie, (II) voortplantingsvermogen en (III) behoud van het aandeel oudere en grotere vissen – maar dat slechts 10,5 % van de bestanden kan worden beoordeeld aan de hand van de criteria (I) en (II) en dat er op Europees niveau geen bevredigende gemeenschappelijke beoordelingsmethode bestaat voor criterium (III);

F. overwegende dat de verzameling van gegevens over bepaalde visbestanden dringend moet worden verbeterd, met name wat betreft bestanden in de Zwarte Zee, de Middellandse Zee en Macaronesië, zodat een wetenschappelijke beoordeling kan worden uitgevoerd die van essentieel belang is voor een duurzaam beheer van de bestanden;

G. overwegende dat de maatregelen voor visserijbeheer die in het kader van het GVB zijn vastgesteld hun vruchten afwerpen, aangezien het aantal visbestanden dat op duurzaam niveau wordt bevist, stijgt, waardoor hogere opbrengsten mogelijk zijn voor bestanden die overbevist werden;

H. overwegende dat volgens het WTECV nog steeds ongeveer 38 % van de bestanden in het noordoostelijke deel van de Atlantische Oceaan en ongeveer 92 % van de bestanden in de Middellandse Zee en de Zwarte Zee overbevist wordt, d.w.z. geëxploiteerd wordt op een niveau dat boven de maximale duurzame opbrengst (MDO) ligt, hoewel de wettelijke verplichting bestaat uiterlijk in 2020 een einde te maken aan overbevissing; overwegende dat volgens het SOFIA-verslag 2020 van de FAO 62,5 % van de bestanden in de Middellandse Zee en de Zwarte Zee overbevist werd in 2017;

I. overwegende dat de door de Commissie voorgestelde totaal toegestane vangsten (TAC’s) in het noordoostelijke deel van de Atlantische Oceaan in overeenstemming zijn met de MDO voor alle 78 bestanden waarvoor wetenschappelijk advies beschikbaar was;

J. overwegende dat de Raad in 2019 de TAC’s voor 62 van de 78 soorten in overeenstemming heeft gebracht met de MDO; overwegende dat derhalve wordt verwacht dat in 2020 meer dan 99 % van de aanlandingen in de Oostzee, de Noordzee en de Atlantische Oceaan die uitsluitend door de EU worden beheerd, afkomstig zullen zijn uit duurzaam beheerde visserijen;

K. overwegende dat de biomassa in het noordoostelijke deel van de Atlantische Oceaan sinds 2007 is blijven toenemen en in 2018 voor de volledig beoordeelde bestanden 48 % hoger lag dan in 2003; overwegende dat de situatie in de Middellandse Zee en de Zwarte Zee sinds het begin van de gegevensreeksen in 2003 in wezen ongewijzigd is gebleven, hoewel er sinds 2012 mogelijk sprake is van een lichte toename van de biomassa;

L. overwegende dat bevissing op het niveau van de maximale economische opbrengst verwijst naar vangst op een niveau waarop de economische baten voor de vloten worden gemaximaliseerd, hetgeen de veerkracht van de sector vergroot, en waarop visbestanden boven de MDO worden gehouden;

M. overwegende dat voor meersoortenvisserij het beheer van soorten op basis van het MDO-model onmogelijk toepasbaar is, zelfs als er sprake is van wetenschappelijk goed bekende en gedocumenteerde visserij;

N. overwegende dat het GVB nog niet volledig ten uitvoer is gelegd en dat sommige maatregelen ervan, zoals de instelling van gebieden voor herstel van de visbestanden, nog niet zijn toegepast;

O. overwegende dat volgens het IPBES wereldwijd 66 % van het mariene milieu is gewijzigd door menselijke druk en dat volgens de FAO 34,2 % van de visbestanden op biologisch niet-duurzame wijze wordt bevist;

P. overwegende dat de IUCN ervoor pleit dat ten minste 30 % van alle mariene habitats uiterlijk in 2020 wordt omgevormd tot een netwerk van beschermde mariene gebieden (MPA’s) die in hoge mate worden beschermd, naast andere doeltreffende gebiedsgebonden instandhoudingsmaatregelen, waarbij het doel is dat in ten minste 30 % van de oceaan geen winning plaatsvindt, zonder rekening te houden met de sociaal-economische gevolgen;

Q. overwegende dat in het SOFIA-verslag 2020 van de FAO wordt herhaald dat beheer het beste instrument voor instandhouding en de enige weg naar duurzaamheid is, en dat bestanden die effectief worden beheerd steeds duurzamer worden, waarbij 78,7 % van de huidige wereldwijde aanlandingen van zeevis afkomstig is van biologisch duurzame bestanden;

R. overwegende dat in de EU-biodiversiteitsstrategie voor 2030 wordt aangedrongen op een wettelijk bindend streefcijfer om ten minste 30 % van het zeegebied van de EU te beschermen en 10 % van het zeegebied van de EU strikt te beschermen;

S. overwegende dat elektronische monitoring op afstand, bijvoorbeeld aan de hand van bijna in real time doorgestuurde positiegegevens, en de verscherping van controles ter plaatse een positieve rol spelen bij de handhaving van MPA’s;

T. overwegende dat het verlies van mariene biodiversiteit sociaal-economische gevolgen heeft voor de visserijsector, overzeese en kustgemeenschappen en de samenleving als geheel en derhalve moet worden voorkomen; overwegende dat volgens de Wereldbank het herstel van de vispopulaties grotere economische baten zou opleveren dan de huidige staat van de zeevispopulaties;

U. overwegende dat gezonde habitats, waaronder zandbanken, zeegrasvelden en koraalriffen, van essentieel belang zijn om de werking van het mariene ecosysteem te herstellen en de visbestanden aan te vullen en om te voorzien in koolstofputten met het oog op de beperking van de klimaatverandering;

V. overwegende dat goed beheerde MPA’s van essentieel belang zijn om de biodiversiteit te vergroten en de natuurlijke habitats van andere soorten, zoals vogels, in stand te houden;

W. overwegende dat er een sterke wetenschappelijke consensus bestaat dat MPA’s gunstig zijn voor de visserij vanwege hun overloopeffect en positieve effecten op de populatietoename, bijvoorbeeld door de bescherming van reproductiegebieden, jonge exemplaren en grote moederdieren met een hoog reproductievermogen;

X. overwegende dat verontreiniging die afkomstig is van het land, met name in gedeeltelijk afgesloten zeebekkens, en van andere mariene activiteiten ook van invloed is op het herstel van visbestanden;

Y. overwegende dat de totale biomassa van de onder quota vallende soorten binnen de door de EU beheerde bestanden in 2018 48 % hoger lag dan in 2003;

Z. overwegende dat in het wild gevangen vis veruit de gezondste en meest milieuvriendelijke bron van eiwitten op aarde is dankzij de lage CO2-voetafdruk van de visserijsector; overwegende dat vis en schaal- en schelpdieren dan ook de beste keuze vormen om de klimaatverandering tegen te gaan;

AA. overwegende dat de aanbeveling van de Europese Ombudsman om proactief documenten over de vaststelling van de TAC-regelgeving openbaar te maken, tot dusver niet is opgevolgd door de Raad van de EU;

AB. overwegende dat vissen op MDO-niveau positieve resultaten blijft opleveren in het noordoostelijke deel van de Atlantische Oceaan;

Verbetering van het visserijbeheer om een einde te maken aan overbevissing

1. herhaalt zijn verzoek om een volledige uitvoering van het GVB, teneinde de visbestanden te herstellen en te behouden boven een biomassaniveau dat een MDO kan opleveren;

2. benadrukt dat de natuur, vissen en andere levende organismen een intrinsieke waarde hebben, ook als ze niet worden geëxploiteerd door middel van menselijke activiteiten;

3. verzoekt de Commissie en de lidstaten de wetenschappelijke dekking te versterken, met als doel om uiterlijk in 2025 100 % van de visbestanden die in Europese wateren worden bevist te evalueren en voor al deze bestanden de MDO te berekenen, indien dit wetenschappelijk gezien mogelijk is;

4. wijst erop dat de lidstaten verantwoordelijk zijn voor de verzameling van gegevens en dat deze gegevens van essentieel belang zijn voor de beoordeling van de gezondheid van visbestanden; wijst erop dat de Commissie uit hoofde van artikel 23 van Verordening (EU) 2017/1004 betreffende de instelling van een Uniekader voor de verzameling, het beheer en het gebruik van gegevens in de visserijsector[13] bij het Europees Parlement en de Raad een verslag over de uitvoering en de werking van deze verordening moet indienen;

5.  verzoekt de Commissie werk te maken van haar TAC-voorstellen en verzoekt de Raad TAC’s vast te stellen op MDO-niveau, zoals bepaald in de GVB-verordening;

6. dringt er bij de Commissie, de lidstaten en de wetenschappelijke wereld op aan een op wetenschap gebaseerd model te ontwikkelen voor de optimalisering van het beheer en de exploitatie van meersoortenvisserij; merkt op dat dit model het mogelijk moet maken beheersdoelstellingen toe te passen die vergelijkbaar zijn met het gebruik van MDO in het hele GVB, zodat kan worden gevolgd hoe de toegepaste beheersregels zich ontwikkelen;

7. verzoekt de Commissie met klem de uitvoering van de ecosysteemgerichte benadering van het visserijbeheer te versterken, onder meer door in toenemende mate meersoortenbenaderingen toe te passen, teneinde de negatieve gevolgen van visserijactiviteiten en andere factoren zoals de klimaatverandering voor mariene ecosystemen, visbestanden en de samenleving tot een minimum te beperken en de klimaatveerkracht van oceanen te waarborgen; herhaalt dat volledig gedocumenteerde visserij- en kwaliteitsgegevens van essentieel belang zijn om het visserijbeheer te verbeteren; verzoekt de Commissie en de lidstaten de nodige stappen te zetten om de verzameling van gegevens over recreatievisserij te verbeteren, rekening houdend met de milieueffecten en sociaal-economische waarde ervan;

8. verzoekt de Commissie steun te blijven verlenen voor plannen om de selectiviteit te verbeteren en, met het oog op de invoering van een ecosysteemgerichte benadering van het visserijbeheer, vast te stellen welke praktijken schadelijk zijn voor visbestanden, de biodiversiteit in de oceanen en mariene milieus, en te voorzien in maatregelen om deze praktijken te beperken en te veranderen;

9. verzoekt de Commissie steun te blijven verlenen voor plannen om de selectiviteit en de overleving van niet-doelsoorten te verbeteren en rekening te houden met de resultaten van studies die de schadelijke gevolgen aantonen van visserijtechnieken zoals bodemberoerend vistuig of visaantrekkende voorzieningen (FAD’s) door het gebruik ervan sterk te beperken;

10. is van oordeel dat de EU na de evaluatie van het GVB uiterlijk in 2022 de huidige praktijk van het visserijbeheer waar nodig moet aanpassen en de overgang naar visserij met een lage impact moet versnellen, zodat niet alleen wordt gezorgd voor het behoud van visbestanden op het huidige niveau, maar ook – belangrijker nog – voor het herstel van visbestanden en mariene ecosystemen, in overleg met belanghebbenden, met name de visserijsector, en meent dat de EU dergelijke maatregelen moet ondersteunen via het Europees Fonds voor maritieme zaken en visserij;

11. is van mening dat de aandacht en steun in het bijzonder moeten worden gericht op kleinschalige visserij, die potentieel minder roofbouw pleegt en duurzamer van aard is, niet alleen wat betreft het beheer van biologische hulpbronnen maar ook vanuit sociaal-economisch oogpunt;

12. verzoekt de Commissie de harmonisatie van de indicatoren onder criterium (III) met betrekking tot een goede milieutoestand waarin is voorzien in de kaderrichtlijn mariene strategie te steunen, met als doel om benchmarks en een beoordelingsmethode vast te stellen die gemeenschappelijk zijn voor alle lidstaten;

13. verzoekt de Commissie te bestuderen of het nuttig kan zijn om voor visserijbeheer andere indicatoren te gebruiken dan MDO, door rekening te houden met interacties tussen soorten en sociaal-economische factoren, alsook met de effecten van klimaatverandering en verontreiniging; merkt op dat andere indicatoren zoals de maximale economische opbrengst door sommige landen worden onderzocht en toegepast;

14. wijst erop dat voor de beperking van de druk van menselijke activiteiten meer onderzoek en innovatie in de visserijsector nodig zijn met het oog op de ontwikkeling van optimale werkmethoden die gekoppeld zijn aan de circulaire economie, duurzaamheid en de selectiviteit van vistuig;

15. benadrukt het belang van de kleinschalige kustvisserij en is van oordeel dat deze sector een belangrijke bijdrage kan leveren aan de overgang naar een duurzaam beheer van visbestanden; verzoekt alle lidstaten daarom om in het kader van hun nationale quota een groter aandeel toe te wijzen aan deze sector;

16. verzoekt de Commissie te waarborgen dat de lidstaten programma’s voor gegevensverzameling vaststellen die betrekking hebben op de gevolgen van visserijactiviteiten voor het milieu in het algemeen, onder meer wat de bijvangst van kwetsbare soorten betreft, alsook de gevolgen voor de zeebodem;

17. eist dat de Raad proactief alle documenten over de vaststelling van TAC-regelgeving openbaar maakt, overeenkomstig de aanbeveling van de Europese Ombudsman, en zich houdt aan Verordening (EG) nr. 1049/2001 en Verordening (EG) nr. 1367/2006;

Uitbreiding van het netwerk van beschermde gebieden en verbetering van het beheer daarvan

18. benadrukt dat de Europese Unie weliswaar vooruitgang heeft geboekt en het streefcijfer heeft behaald om 10 % van de Europese wateren als beschermd gebied aan te merken, maar dat het netwerk van MPA’s nog verre van volledig effectief is, en wijst erop dat er voor slechts een zeer klein deel van de bestaande MPA’s beheersplannen en beschermingsmaatregelen voorhanden zijn;

19.  wijst erop dat MPA’s, indien ze succesvol zijn, grote sociaal-economische voordelen opleveren, met name voor kustgemeenschappen, de visserijsector en de sector toerisme, en dat MPA’s belangrijke ecologische functies kunnen vervullen voor de reproductie van visbestanden (als paaiplaats of kweekgebied met veel jonge vissen) en de veerkracht van visbestanden kunnen verbeteren;

20. is verheugd over het voorstel dat de Commissie in haar biodiversiteitsstrategie voor 2030 heeft gedaan om ten minste 30 % van het zeegebied in de EU te beschermen;

21. verzoekt de Commissie een effectbeoordeling van dit voorstel uit te voeren;

22. dringt er bij de Commissie met klem op aan richtsnoeren vast te stellen voor de MPA-streefdoelen die in elke maritieme regio van de EU moeten worden verwezenlijkt, met het oog op een evenwichtige geografische spreiding en ecologische representativiteit;

23. verzoekt de lidstaten door te gaan met het aanwijzen van MPA’s in het kader van de vogel-[14] en habitatrichtlijn[15] en de kaderrichtlijn mariene strategie om die doelstellingen te behalen;

24. pleit ervoor dat MPA’s worden ingesteld als onderdeel van een samenhangend netwerk van verbonden gebieden, waaronder offshore- en diepzeegebieden; herinnert aan de verplichting om in gebieden waar kwetsbare mariene ecosystemen (VME’s) voorkomen of kunnen voorkomen te stoppen met visserij met bodemberoerend vistuig dieper dan 400 m;

25. verzoekt de Commissie met klem sterke wetenschappelijk onderbouwde richtsnoeren voor de lidstaten op te stellen inzake het beheer van MPA’s en een classificatie van MPA’s vast te stellen waarbij rekening wordt gehouden met het stadium van totstandbrenging, de beheerplannen en de ecosysteemvoordelen van de gebieden, en wordt voortgebouwd op bestaande richtsnoeren zoals de mondiale normen van de IUCN;

26. hamert erop dat de Commissie visserijovereenkomsten met derde landen moet combineren met beheers- en bestuursmaatregelen zoals MPA’s, zodat het beheer van de visbestanden kan worden verbeterd en het hoofd kan worden geboden aan de vele cumulatieve effecten van deze overeenkomsten, zoals verontreiniging, illegale, ongemelde en ongereglementeerde visserij (IOO-visserij) en de ontwikkeling van bepaalde praktijken als industrievisserij die een bedreiging vormen voor de duurzaamheid van sommige visbestanden;

27. verzoekt de lidstaten met klem sterkere en meer doeltreffende beheersplannen vast te stellen voor de bestaande en toekomstige MPA’s en sterkere maatregelen op het gebied van controle, monitoring en bewaking in te voeren om te waarborgen dat MPA’s worden geëerbiedigd;

28. dringt erop aan dat de sectoren van zowel de commerciële als recreatievisserij, alsook de organisaties die bevoegd zijn voor het beheer van menselijke en economische activiteiten op zee (bv. regionale organisaties voor visserijbeheer (ROVB’s) of de Internationale Maritieme Organisatie) betrokken worden bij de controle, monitoring en bewaking van MPA’s;

29. benadrukt dat beter toezicht moet worden gehouden op door de EU-lidstaten ingediende maatregelen voor visserijbeheer in Natura 2000-gebieden, om ervoor te zorgen dat de instandhoudingsdoelstellingen overeenkomstig artikel 11 van het GVB worden verwezenlijkt;

30. benadrukt dat de aanwijzing van gebieden en de ontwikkeling van beheersmaatregelen gebaseerd moeten zijn op het beste beschikbare wetenschappelijke advies;

31. erkent dat MPA’s en andere beschermde gebieden alleen succesvol kunnen zijn als ze een stevige wetenschappelijke basis hebben en aanvaard worden door commerciële en recreatievissers, kustgemeenschappen en andere belanghebbende partijen, en als wordt gezorgd voor een duidelijke communicatie over wat precies wordt beschermd en hoe en waarom dit gebeurt; pleit er derhalve voor dat de visserijsector, met inbegrip van de ambachtelijke visserij, wetenschappelijke organen voor visserijbeheer en andere relevante belanghebbenden, worden betrokken bij het ontwerp, het bestuur en de monitoring van MPA’s; dringt erop aan dat participatie van het maatschappelijk middenveld wordt aangemoedigd door educatieve mariene gebieden tot stand te brengen;

32. benadrukt het belang van een alomvattende en samenhangende benadering bij de totstandbrenging van MPA’s, hetgeen inhoudt dat niet alleen commerciële visserij wordt beperkt, maar ook andere activiteiten worden aangepakt, zoals exploratie of exploitatie van fossiele brandstoffen, mijnbouw, grootschalige aquacultuur, baggeren, windmolenparken in zee, vervoer, recreatievisserij en andere vrijetijdsactiviteiten;

33. verzoekt de lidstaten het netwerk van gebieden voor het herstel van visbestanden in het kader van het GVB uit te breiden, met name wanneer er duidelijke bewijzen zijn dat zich daar paaiplaatsen bevinden of grote concentraties van vis die kleiner is dan de minimuminstandhoudingsreferentiegrootte; benadrukt dat in het volgende verslag over de werking van het GVB een evaluatie van de aanwijzing en het succes van deze gebieden moet worden opgenomen;

34. verzoekt de Commissie en de lidstaten om in het kader van internationale onderhandelingen over een verdrag voor het behoud en duurzaam gebruik van mariene biologische diversiteit in gebieden voorbij de grenzen van de nationale rechtsmacht en in het kader van ROVB’s te ijveren voor een ambitieus mondiaal mechanisme om MPA’s tot stand te brengen op volle zee of in gebieden voorbij de grenzen van de nationale rechtsmacht, en zich zodra er een akkoord is bereikt over mariene biologische diversiteit in gebieden voorbij de grenzen van de nationale rechtsmacht, proactief op te stellen bij de ontwikkeling van nieuwe, doeltreffend beheerde gebiedsgebonden beheersinstrumenten, waaronder MPA’s op volle zee; wijst erop dat de totstandbrenging van MPA’s in gebieden voorbij de grenzen van de nationale rechtsmacht moet worden ondersteund door sociaal-economische en ecologische effectbeoordelingen op basis van het beste beschikbare wetenschappelijke advies;

35. verzoekt de Commissie en de lidstaten het idee te bevorderen dat de oceaan als geheel de mens ecosysteemdiensten verleent en dat de oceanen daarom in internationale onderhandelingen onder auspiciën van de VN moeten worden erkend als gemeenschappelijke natuurlijke rijkdommen;

Het aanpakken van andere milieufactoren die een bedreiging vormen voor het herstel van visbestanden

36. benadrukt dat snelle en krachtige maatregelen ter bestrijding van de klimaatverandering van essentieel belang zijn voor het behoud van gezonde populaties en habitats van mariene organismen en derhalve voor de continuïteit van duurzame visserijactiviteiten en voedselzekerheid op de lange termijn; herinnert eraan dat overeenkomstig artikel 2 van de Overeenkomst van Parijs inzake klimaatverandering partijen ernaar moeten streven “het vermogen te vergroten tot aanpassing aan de nadelige gevolgen van klimaatverandering, en de veerkracht voor klimaatverandering en broeikasgasarme ontwikkeling te bevorderen, op een wijze die de voedselproductie niet in gevaar brengt”;

37. onderstreept dat MPA’s positief bijdragen aan de aanpassing aan klimaatverandering door de veerkracht van de ecosystemen te versterken; dringt er bij de lidstaten op aan de rol van MPA-netwerken te versterken in hun nationale strategieën voor aanpassing aan de klimaatverandering;

38. benadrukt dat voor het herstel en het behoud op een duurzaam niveau van de visbestanden ook het hoofd moet worden geboden aan bepaalde antropogene effecten die verband houden met klimaatverandering, zoals zuurstofdepletie en verzuring, en aan verscheidene hoofdzakelijk terrestrische maar ook mariene bronnen van verontreiniging die negatieve gevolgen hebben voor het herstel van de visbestanden of deze kwetsbaarder maken, zoals nitraten, afvalwater, meststoffen, bestrijdingsmiddelen, giftige chemische stoffen, verontreiniging door industriële activiteiten en massatoerisme, reststoffen van aquacultuur, verontreiniging door plastics en microplastics, zonnebrandcrème, hormonen, geluidshinder, olielekken en verloren of weggegooid vistuig;

39. verzoekt de Commissie een studie te publiceren over de gevolgen van die verschillende bronnen van verontreiniging voor het herstel van de visbestanden en voor de mariene ecosystemen;

40. benadrukt dat vissers moeten worden betrokken bij de strijd tegen de verontreiniging van de zeeën en oceanen; verzoekt de Commissie derhalve er bij de lidstaten op aan te dringen dat zij wetgeving vaststellen om vissers in staat te stellen op zee opgevist afval aan land te brengen; is van oordeel dat deze bepalingen moeten voorzien in een systeem van stimulansen voor vissers en het gebruik van passende inzamelsystemen;

41. benadrukt dat het belangrijk is om het overlevingspercentage van niet-doelsoorten te verhogen door verwondingen en stress bij de vangst en vrijlating te beperken;

42. verzoekt de Commissie deze verzoeken in overweging te nemen en erop te reageren in haar nieuwe actieplan voor de instandhouding van de visbestanden en de bescherming van de mariene ecosystemen, dat zij voornemens is uiterlijk in 2021, bij haar herziening van het GVB, in te dienen, evenals in alle komende wetgevingsvoorstellen;

°

° °

43. verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad en de Commissie, alsmede aan de regeringen en parlementen van de lidstaten.
 

TOELICHTING

2020 was het jaar waarin een goede milieutoestand van het mariene milieu gerealiseerd moest zijn en alle visbestanden op duurzame wijze moesten worden geëxploiteerd. De in het kader van het GVB genomen maatregelen beginnen vruchten af te werpen en het aantal visbestanden dat op duurzame wijze wordt geëxploiteerd, neemt toe, waardoor het mogelijk wordt de opbrengsten te verhogen voor bepaalde soorten die tot voor kort bedreigd waren. De doelstellingen van de kaderrichtlijn mariene strategie en het GVB zijn echter niet gehaald. Gezien de omvang van de uitdaging en de nieuwe gevaren van de klimaatverandering volstaat niet langer de logica om de hulpbronnen en het milieu in stand te houden, maar moet worden overgestapt naar een logica van herstel.

 

Een van de belangrijkste doelstellingen van het gemeenschappelijk visserijbeleid sinds 2013 is een einde te maken aan de overbevissing van alle Europese bestanden en de doelstelling van de maximale duurzame opbrengst (MDO) voor de exploitatie van de bestanden uiterlijk in 2020 toe te passen. Volgens het Wetenschappelijk, Technisch en Economisch Comité voor de visserij (WTECV) wordt 38 % van de bestanden in het noordoostelijke deel van de Atlantische Oceaan en 92 % van de bestanden in de Middellandse Zee nog steeds overbevist. Het GVB moet volledig worden uitgevoerd en er moeten aanvullende maatregelen worden genomen.

 

Alle bestanden worden niet onderworpen aan de wetenschappelijke evaluatie die nodig is om de MDO te berekenen, ondanks het aanzienlijke werk van de ICES. Het ontbreken van voldoende wetenschappelijke gegevens en het gebrek aan middelen om deze gegevens te analyseren, worden al te vaak gebruikt als argument om de afwezigheid van TAC’s en quota’s voor bepaalde soorten, met name in de Middellandse Zee, te rechtvaardigen. De Commissie en de lidstaten moeten de wetenschappelijke dekking verhogen, met als doelstelling dat uiterlijk in 2025 100 % van de bestanden in de Europese wateren wordt geëvalueerd en dat de MDO voor al deze bestanden kan worden berekend. Het is niet aanvaardbaar dat we blijven vissen op soorten waarvoor onvoldoende gegevens beschikbaar zijn, waardoor deze soorten in gevaar worden gebracht.

 

Bovendien maakt de MDO het mogelijk om de visbestanden te stabiliseren, maar volstaat deze aanpak niet om de bestanden op duurzame wijze te herstellen. Wetenschappers hebben een andere indicator ontwikkeld, de maximale economische opbrengst (MEO). Terwijl de MDO gericht is op het realiseren van de grootste duurzame vangsten die mogelijk zijn, is de EMO erop gericht om te vissen beneden dit niveau, om ook de veerkracht van de visbestanden te verbeteren. In het speciaal verslag van de IPCC over oceanen en de cryosfeer is de aandacht gevestigd op de gevolgen van de klimaatverandering voor zeeën en vissen. In deze context en om de voedselzekerheid op lange termijn te garanderen, is het belangrijk een bepaalde marge te behouden die soorten in staat stelt het hoofd te bieden aan de gevolgen van de klimaatverandering, waarbij tegelijk het brandstofverbruik wordt verminderd. Vissen volgens de MEO, op het niveau waar het economische voordeel voor de visser het grootst is, verbetert ook de economische veerkracht van de sector. De MEO, die reeds wordt toegepast voor de uitsluitend door IJsland beheerde bestanden, maakt het mogelijk de vissers een beter inkomen te bieden en kan bijdragen tot het herstel van de meest bedreigde bestanden. De Commissie moet een verzoek om wetenschappelijk advies voor de MEO indienen en TAC’s op dit niveau vaststellen.

 

Ook een verbetering van de selectiviteit kan aanzienlijke vooruitgang opleveren. Het onderzoek om visserijtechnieken te ontwikkelen die minder gevolgen hebben voor het mariene milieu, moet worden voortgezet en de Europese Unie moet dit onderzoek ondersteunen. Veel studies hebben de aandacht gevestigd op de destructieve effecten van bepaalde technieken, zoals het gebruik van vistuig dat in contact komt met de zeebodem of visaantrekkende voorzieningen (Fish Aggregating Devices, FAD’s). Het gebruik hiervan moet strikt beperkt worden. De aanwezigheid van zogenaamde ecologische of biologisch afbreekbare FAD’s kan een oplossing zijn voor de door FAD’s veroorzaakte verontreiniging, maar het gebruik ervan kan geen oplossing zijn op lange termijn, gezien het niet-selectieve karakter van deze techniek.

 

De kleinschalige ambachtelijke visserij maakt al lang gebruik van minder schadelijke technieken. Deze kleinschalige lokale visserij, die veel banen creëert, kwalitatief hoogwaardige producten aanbiedt en millieuvriendelijker is, is de toekomst van de Europese visserij. Zij moet door onze regels worden beschermd en een billijk aandeel krijgen van de aan elke staat toegewezen TAC’s en quota.

 

De beheersmaatregelen voor de visserij alleen volstaan niet om de uitdaging aan te pakken van het behoud van de oceanen. Zoals bepaald in het gemeenschappelijk visserijbeleid kunnen zogenaamde ruimtelijke maatregelen, zoals beschermde mariene gebieden of gebieden voor herstel van de bestanden, helpen om visbestanden te herstellen en tegelijkertijd de mariene biodiversiteit te beschermen.

 

De instrumenten in het kader van het GVB, de kaderrichtlijn mariene strategie, de habitatrichtlijn, de vogelrichtlijn en de nationale wetgeving worden niet of slecht ingezet en worden onvoldoende gecoördineerd. Sommige, zoals de in artikel 8 van het GVB bedoelde gebieden voor herstel van de bestanden, worden slechts zeer zelden gebruikt. De diverse administraties die deze instrumenten beheren, zijn niet altijd dezelfde. De samenhang tussen de diverse instrumenten moet worden versterkt.

 

Volgens het Verdrag inzake biologische diversiteit en de VN-doelstellingen inzake duurzame ontwikkeling moest uiterlijk in 2020 10 % van de mondiale wateren beschermd zijn. De Europese Unie heeft dit cijfer gerealiseerd in 2017, althans op papier. Wetenschappers en de Internationale Unie voor behoud van de natuur en de natuurlijke hulpbronnen (IUCN) bevelen aan om tegen 2030 te komen tot de bescherming van 30 % van de wateren. Dit verzoek is overgenomen door het Europees Parlement in een aantal resoluties en vervolgens door de Commissie in de EU-biodiversiteitsstrategie voor 2030. Deze doelstelling moet nu worden verankerd in de EU-wetgeving en juridisch bindend worden gemaakt, opdat hij resultaten oplevert.

 

Het is echter belangrijk om te kijken naar wat schuilgaat achter deze 10 % of 30 % beschermde mariene gebieden. Uit diverse studies blijkt dat er voor veel beschermde mariene gebieden geen doeltreffende beheersplannen of maatregelen bestaan. Deze situatie mag niet blijven duren. De Commissie en de lidstaten moeten snel optreden om ervoor te zorgen dat alle bestaande beschermde mariene gebieden beschikken over doeltreffende beheersplannen.

 

Om de doelstelling van een goede milieutoestand van de zeeën te realiseren, is het belangrijk dat van deze 30 % beschermde gebieden 15 % van de Europese wateren een hoog niveau van bescherming geniet. De mariene gebieden met een hoog niveau van bescherming omvatten de gebieden waar alle vangsten (no-take) en elke economische activiteit verboden zijn, maar ook de gebieden voor herstel van de bestanden waarin is voorzien in het kader van het GVB en de gebieden waar alleen de meest problematische vangsttechnieken verboden zijn, op basis van de plaatselijke kenmerken en afhankelijk van de perioden van het jaar. Beschadigde gebieden, die in het verleden hebben geleden onder de vernietiging van het milieu, moeten worden hersteld. Om te garanderen dat de voorgestelde maatregelen op termijn correct worden uitgevoerd, moet op gezette tijden een voortgangsevaluatie worden uitgevoerd.

 

In deze zeer beschermde gebieden is het belangrijk verder te denken dan de visserij en ook maatregelen te nemen ter beperking van de negatieve effecten van andere economische activiteiten, zoals vervoer, opwekking van energie, winning van delfstoffen en fossiele brandstoffen, massatoerisme, baggerwerken en intensieve aquacultuur, alsmede om externe bronnen van verontreiniging te beperken.

 

Er zijn maar weinig gebieden voor herstel van de bestanden ingesteld sinds de invoering van dit instrument in 2014. Gebieden voor herstel van de bestanden als “Jabuka/Pomo Pit”, dat in 2017 is ingesteld door de Algemene Visserijcommissie voor de Middellandse Zee (GFCM), werpen echter al vruchten af. Dit gebied bevindt zich op een strategische locatie waar bepaalde soorten zich voortplanten, met name heek, en heeft het herstel mogelijk gemaakt van bestanden van deze soort, met een effect dat zichtbaar is buiten het beschermde gebied, en de maatregel heeft de steun van de plaatselijke vissers.

 

Andere voorbeelden van beschermde mariene gebieden, die aanvankelijk gecreëerd waren ter bescherming van een specifieke soort, hebben positieve gevolgen gehad voor de vispopulaties. In Zweden is het in een deel van Åsvikelandet-Kvädö (Natura 2000-gebied SE0230138) verboden om te vissen sinds 1979, ter bescherming van de zeearend. Dit heeft geleid tot een toename van het aantal en de omvang van de roofvissen (snoek, baars enz.) in de omliggende kustwateren van de Oostzee.

 

Aanvaarding van de beschermde mariene gebieden door de vissers is een essentieel onderdeel van hun succes. Het is van essentieel belang dat de vissers bij de voorbereiding en het beheer van beschermde mariene gebieden worden betrokken. Zij kunnen ook een rol spelen bij het toezicht op en de controle van beschermde gebieden, in combinatie met uitbreiding van het VMS (Vessel Monitoring System) en versterking van de controles ter plaatse.

 

Het is belangrijk dat de middelen van het huidige en toekomstige EFMZV in de eerste plaats worden ingezet voor de totstandbrenging van deze mariene gebieden met een hoog niveau van bescherming, voor de opleiding van belanghebbenden en voor het beheer en de controle van de beschermde gebieden.

 

Ten slotte is het belangrijk meer kennis te verwerven over de impact van diverse bronnen van verontreiniging op de mariene flora en fauna en passende maatregelen te nemen om deze verontreiniging te voorkomen of tot een minimum terug te brengen. In het verslag wordt de Commissie met name verzocht zich te buigen over de kwestie van nitraatverontreiniging, met name in gedeeltelijk omsloten zeeën, de behandeling van afvalwater, gewasbeschermingsmiddelen die worden gebruikt in de landbouw, industriële verontreiniging, verontreiniging door plastic en microplastics, sigarettenpeuken, zonnebrandcrème en hormonen.

 

Al deze beheersmaatregelen, technische, ruimtelijke en milieumaatregelen, zullen het niet alleen mogelijk maken om de milieudoelstellingen van de EU te realiseren in het kader van een ecosysteembenadering (instandhouding en herstel van de mariene flora, vogelsoorten enz.), maar ook om de gezondheid van de visbestanden te verbeteren, en zij zullen ten goede komen aan de visserijsector op lange termijn.

 


INFORMATIE OVER DE GOEDKEURING IN DE BEVOEGDE COMMISSIE

Datum goedkeuring

3.12.2020

 

 

 

Uitslag eindstemming

+:

–:

0:

16

8

4

Bij de eindstemming aanwezige leden

Clara Aguilera, François-Xavier Bellamy, Izaskun Bilbao Barandica, Isabel Carvalhais, Massimo Casanova, Rosanna Conte, Rosa D’Amato, Giuseppe Ferrandino, João Ferreira, Søren Gade, Francisco Guerreiro, Anja Hazekamp, Niclas Herbst, France Jamet, Pierre Karleskind, Predrag Fred Matić, Francisco José Millán Mon, Cláudia Monteiro de Aguiar, Grace O’Sullivan, Manuel Pizarro, Caroline Roose, Bert-Jan Ruissen, Annie Schreijer-Pierik, Ruža Tomašić, Peter van Dalen, Theodoros Zagorakis

Bij de eindstemming aanwezige vaste plaatsvervangers

Carmen Avram, Catherine Chabaud

 


HOOFDELIJKE EINDSTEMMING IN DE BEVOEGDE COMMISSIE

16

+

GUE/NGL

Anja Hazekamp

NI

Rosa D'Amato

PPE

François-Xavier Bellamy

RENEW

Izaskun Bilbao Barandica, Catherine Chabaud, Søren Gade, Pierre Karleskind

S&D

Clara Aguilera, Carmen Avram, Isabel Carvalhais, Giuseppe Ferrandino, Predrag Fred Matić, Manuel Pizarro

VERTS/ALE

Francisco Guerreiro, Grace O'Sullivan, Caroline Roose

 

8

-

ECR

Bert-Jan Ruissen, Ruža Tomašić

PPE

Niclas Herbst, Francisco José Millán Mon, Cláudia Monteiro de Aguiar, Annie Schreijer-Pierik, Theodoros Zagorakis, Peter van Dalen

 

4

0

GUE/NGL

João Ferreira

ID

Massimo Casanova, Rosanna Conte, France Jamet

 

Verklaring van de gebruikte tekens:

+ : voor

- : tegen

0 : onthoudingen

 

[1] PB L 354 van 28.12.2013, blz. 22.

[2] PB L 164 van 25.6.2008, blz. 19.

[3] PB L 198 van 25.7.2019, blz. 105.

[4] PB L 206 van 22.7.1992, blz. 7.

[5] PB L 20 van 26.1.2010, blz. 7.

[6] PB L 303 van 18.11.2009, blz. 1.

[7] PB L 257 van 28.8.2014, blz. 135.

[8] PB L 375 van 31.12.1991, blz. 1.

[9] PB L 145 van 31.5.2001, blz. 43.

[10] PB L 264 van 25.9.2006, blz. 13.

[11] PB C 458 van 19.12.2018, blz. 9.

[12] Aangenomen teksten, P9_TA(2020)0015.

[13] Verordening (EU) 2017/1004 van het Europees Parlement en de Raad van 17 mei 2017 betreffende de instelling van een Uniekader voor de verzameling, het beheer en het gebruik van gegevens in de visserijsector en voor de ondersteuning van wetenschappelijk advies over het gemeenschappelijk visserijbeleid en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 199/2008 van de Raad. PB L 157 van 20.6.2017, blz. 1.

[14] Richtlijn 2009/147/EG van het Europees Parlement en de Raad van 30 november 2009 inzake het behoud van de vogelstand. PB L 20 van 26.1.2010, blz. 7.

[15] Richtlijn 92/43/EEG van de Raad van 21 mei 1992 inzake de instandhouding van de natuurlijke habitats en de wilde flora en fauna. PB L 206 van 22.7.1992, blz. 7.

Laatst bijgewerkt op: 7 januari 2021Juridische mededeling - Privacybeleid