Procedure : 2020/2043(INI)
Stadium plenaire behandeling
Documentencyclus : A9-0019/2021

Ingediende teksten :

A9-0019/2021

Debatten :

PV 08/03/2021 - 18
PV 08/03/2021 - 20
CRE 08/03/2021 - 18
CRE 08/03/2021 - 20

Stemmingen :

Aangenomen teksten :

P9_TA(2021)0071

<Date>{15/02/2021}15.2.2021</Date>
<NoDocSe>A9-0019/2021</NoDocSe>
PDF 291kWORD 114k

<TitreType>VERSLAG</TitreType>

<Titre>op weg naar een met de WTO verenigbaar EU-mechanisme voor koolstofcorrectie aan de grens</Titre>

<DocRef>(2020/2043(INI))</DocRef>


<Commission>{ENVI}Commissie milieubeheer, volksgezondheid en voedselveiligheid</Commission>

Rapporteur: <Depute>Yannick Jadot</Depute>

Rapporteurs voor advies (*):

Karin Karlsbro, Commissie internationale handel

Luis Garicano, Commissie economische en monetaire zaken

(*) Prodecure met medeverantwoordelijke commissies – Artikel 57 van het Reglement

AMENDEMENTEN
ONTWERPRESOLUTIE VAN HET EUROPEES PARLEMENT
 TOELICHTING
 ADVIES VAN DE COMMISSIE INTERNATIONALE HANDEL
 ADVIES VAN DE COMMISSIE ECONOMISCHE EN MONETAIRE ZAKEN
 ADVIES VAN DE BEGROTINGSCOMMISSIE
 ADVIES VAN DE COMMISSIE INDUSTRIE, ONDERZOEK EN ENERGIE
 INFORMATIE OVER DE GOEDKEURING IN DE BEVOEGDE COMMISSIE
 HOOFDELIJKE EINDSTEMMING IN DE BEVOEGDE COMMISSIE

ONTWERPRESOLUTIE VAN HET EUROPEES PARLEMENT

op weg naar een met de WTO verenigbaar EU-mechanisme voor koolstofcorrectie aan de grens

(2020/2043(INI))

Het Europees Parlement,

 gezien de Overeenkomst van Parijs, die op 12 december 2015 werd goedgekeurd op de 21e Conferentie van de Partijen (COP21) bij het Raamverdrag van de Verenigde Naties inzake klimaatverandering (UNFCCC) in Parijs,

 gezien het rapport over de emissiekloof van het Milieuprogramma van de Verenigde Naties (UNEP) van 2019,

 gezien de speciale verslagen van de Intergouvernementele Werkgroep inzake klimaatverandering (IPCC) over de opwarming van de aarde met 1,5 °C en over de oceanen en de cryosfeer,

 gezien de mededeling van de Commissie van 11 december 2019 over de Europese Green Deal (COM(2019)0640),

 gezien de mededeling van de Commissie van 17 september 2020 over een ambitieuzere klimaatdoelstelling voor Europa voor 2030 (COM(2020)0562) en de daaraan gekoppelde effectbeoordeling (SWD(2020)0176),

 gezien de conclusies van de Europese Raad van 12 december 2019 en van 17 tot en met 21 juli 2020,

 gezien zijn resolutie van 23 juli 2020 over de conclusies van de buitengewone Europese Raad van 17 tot en met 21 juli 2020[1],

 gezien de conclusies en aanbevelingen van de Europese Rekenkamer in haar speciaal verslag nr. 18/2020 van 15 september 2020, met als titel “Het emissiehandelssysteem van de EU: gerichtere toewijzing van kosteloze rechten noodzakelijk”,

 gezien zijn resolutie van 28 november 2019 over de noodsituatie op het gebied van klimaat en milieu[2],

 gezien zijn resolutie van 15 januari 2020 over de Europese Green Deal[3],

 gezien zijn standpunt over de klimaatdoelstelling voor 2030, namelijk een vermindering van de broeikasgasemissies met 60 % ten opzichte van het niveau van 1990[4],

 gezien artikel 54 van zijn Reglement,

 gezien de adviezen van de Commissie internationale handel, de Commissie economische en monetaire zaken, de Begrotingscommissie en de Commissie industrie, onderzoek en energie,

 gezien het verslag van de Commissie milieubeheer, volksgezondheid en voedselveiligheid (A9-0019/2021),

A. overwegende dat de negatieve gevolgen van de klimaatverandering een directe bedreiging vormen voor het levensonderhoud van mensen en voor ecosystemen op het land en in zee zoals bevestigd door de speciale verslagen van de IPCC over de opwarming van de aarde met 1,5 °C en over de oceanen en de cryosfeer; overwegende dat deze gevolgen ongelijk verdeeld zijn en dat de armere landen en mensen er de negatiefste gevolgen van ondervinden;

B. overwegende dat de klimaatverandering volgens de Wereldgezondheidsorganisatie (WHO) vanaf 2030 naar verwachting verantwoordelijk zal zijn voor circa 250 000 extra sterfgevallen per jaar als gevolg van ondervoeding, malaria, diarree en hittestress;

C. overwegende dat de gemiddelde temperatuur op aarde reeds is gestegen tot meer dan 1,1 °C boven de pre-industriële niveaus[5];

D. overwegende dat de EU en haar lidstaten zich in de Overeenkomst van Parijs ertoe hebben verbonden om klimaatmaatregelen te nemen op basis van het recentste wetenschappelijk bewijs en zich ten doel hebben gesteld om uiterlijk in 2050 klimaatneutraliteit te bereiken;

E. overwegende dat de EU er de voorbije decennia in is geslaagd de territoriale broeikasgasemissies te ontkoppelen van de economische groei, waarbij de broeikasgasemissies met 24 % zijn afgenomen, terwijl het bbp tussen 1990 en 2019 met meer dan 60 % is gestegen; overwegende dat hierbij geen rekening wordt gehouden met de aan internationale handel gerelateerde broeikasgasemissies van de EU, waardoor haar mondiale koolstofvoetafdruk wordt onderschat;

F. overwegende dat de verhouding tussen ingevoerde en uitgevoerde emissies van de EU in 2015 ongeveer 3:1 bedroeg, aangezien de EU 1,317 miljard ton CO2 invoerde en 424 miljoen ton uitvoerde[6];

G. overwegende dat de bestaande EU-wetgeving de tot dusver vastgestelde klimaatdoelstellingen doeltreffend heeft bereikt; overwegende dat de huidige opzet van het emissiehandelssysteem (EU-ETS) en in het bijzonder de bestaande bepalingen over koolstoflekkage geen effectieve stimulansen hebben geboden voor de noodzakelijke decarbonisatie van bepaalde (met name industriële) sectoren en in sommige gevallen de begunstigde ondernemingen onrechtmatig uitzonderlijke winsten hebben opgeleverd, zoals beklemtoond door de Europese Rekenkamer[7];

H. overwegende dat de Commissie moet blijven werken aan de ontwikkeling van methoden om de koolstof- en milieuvoetafdruk van een product te bepalen, waarbij de volledige levenscyclus van het product in aanmerking wordt genomen en wordt gegarandeerd dat de berekening van de ingebedde emissies van producten, met inbegrip van de emissies als gevolg van internationaal vervoer, de realiteit zo dicht mogelijk benadert;

I. overwegende dat de Commissie eveneens de traceerbaarheid van producten en diensten moet onderzoeken om nauwkeuriger alle gevolgen van de levenscycli daarvan aan te wijzen, zoals de ontginning en het gebruik van grondstoffen, het fabricageproces, het energiegebruik en de gebruikte vervoerswijze, met als doel databases op te zetten;

J. overwegende dat momenteel ongeveer 27 % van de mondiale CO2-emissies die vrijkomen bij de verbranding van brandstoffen, verband houden met de internationale handel in goederen[8]; overwegende dat 90 % van het internationale goederenvervoer over zee verloopt met aanzienlijke broeikasgasemissies tot gevolg; overwegende dat in de initiële nationaal bepaalde bijdrage (NDC) van de EU alleen rekening is gehouden met de broeikasgasemissies van het vervoer over het water in de EU; overwegende dat dit moet worden herzien in het licht van de aangescherpte doelstelling van de EU voor 2030;

K. overwegende dat uit de COVID-19-crisis enkele belangrijke lessen zijn getrokken en dat daarom in het voorstel van de Commissie voor een nieuw herstelinstrument – NextGenerationEU – wordt benadrukt dat de Europese autonomie en veerkracht moeten worden versterkt en dat er behoefte is aan korte ketens, in het bijzonder aan kortere voedselvoorzieningsketens;

L. overwegende dat de Commissie over een geïntegreerde visie op het klimaatbeleid moet beschikken, bijvoorbeeld door de emissiereductiedoelstellingen, zoals die voor het zeevervoer, aan te pakken in coördinatie met strategieën voor koolstofbeprijzing;

M. overwegende dat het garanderen van doeltreffende en zinvolle koolstofprijzen als onderdeel van een breder regelgevingskader kan dienen als een economische stimulans voor de ontwikkeling van productiemethoden met een kleinere broeikasgasvoetafdruk en investeringen kan aansporen in innovatie en nieuwe technologieën die bijdragen aan het koolstofvrij maken en de circulariteit van de economie van de EU; overwegende dat een doeltreffend mechanisme voor koolstofcorrectie aan de grens in dit verband een rol kan spelen;

N. overwegende dat de handel een belangrijk instrument kan zijn om duurzame ontwikkeling te bevorderen en te helpen bij de bestrijding van de klimaatverandering; overwegende dat de interne markt van de EU ’s werelds op een na grootste consumentenmarkt is, waardoor de Unie zich in een unieke positie bevindt als wereldwijde normbepaler;

O. overwegende dat de strijd tegen de klimaatverandering een factor vormt in het concurrentievermogen en de sociale rechtvaardigheid, en hierdoor grote mogelijkheden biedt op het gebied van industriële ontwikkeling, werkgelegenheid, innovatie en regionale ontwikkeling;

P. overwegende dat artikel XX van de Algemene Overeenkomst inzake Tarieven en Handel (GATT) toestaat dat leden van de Wereldhandelsorganisatie (WTO) de noodzakelijke maatregelen treffen om het leven of de gezondheid van mens, dier of plant (b), of natuurlijke hulpbronnen (g) te beschermen;

Q. overwegende dat de EU moet aanvaarden dat een derde land een mechanisme voor koolstofcorrectie aan de grens kan opzetten als dat land een hogere koolstofprijs toepast;

R. overwegende dat de Amerikaanse president Biden zich in zijn verkiezingsprogramma positief heeft uitgelaten over de mogelijkheid om koolstofvergoedingen of quota op te leggen aan koolstofintensieve goederen uit landen die zich niet houden aan hun klimaat- en milieuverplichtingen; overwegende dat hierdoor nieuwe kansen zouden ontstaan voor samenwerking tussen de EU en de VS in de strijd tegen de klimaatverandering en voor een herstel van dit cruciale partnerschap;

S. overwegende dat de grotere ambitie van de EU in verband met de klimaatverandering geen risico op koolstoflekkage voor de Europese bedrijven tot gevolg mag hebben;

Algemene opmerkingen

1. maakt zich grote zorgen over het feit dat geen enkele van de ingediende NDC’s, ook die van de EU en haar lidstaten niet, momenteel in overeenstemming is met de doelstelling om de mondiale temperatuurstijging ver onder 2 °C te houden, zoals bepaald in de Overeenkomst van Parijs, en inspanningen te leveren om de mondiale temperatuurstijging te beperken tot 1,5 °C boven de pre-industriële niveaus;

2. maakt zich zorgen over het gebrek aan samenwerking door een aantal van de handelspartners van de EU tijdens de internationale klimaatonderhandelingen van de afgelopen jaren, waardoor, zoals recent bij de COP25 werd waargenomen, ons collectief mondiaal vermogen om de doelstellingen van de Overeenkomst van Parijs te halen wordt ondermijnd; spoort alle partijen aan zich aan te sluiten bij een collectieve en op wetenschappelijke gegevens gebaseerde mondiale aanpak die kan leiden tot de verwezenlijking van deze doelstellingen; roept de Commissie en de Raad op om er in het UNFCCC een transparant, eerlijk en inclusief besluitvormingsproces op na te houden;

3. beklemtoont dat de EU en haar lidstaten de verantwoordelijkheid dragen en beschikken over de mogelijkheid om op het gebied van mondiale klimaatmaatregelen een leidende rol te blijven vervullen samen met ’s werelds andere grootste emittenten; wijst erop dat de EU het voortouw heeft genomen bij de mondiale klimaatactie, hetgeen blijkt uit de doelstelling die zij heeft vastgesteld om uiterlijk in 2050 klimaatneutraliteit te bereiken en haar plan om haar emissiereductiedoelstelling voor broeikasgassen voor 2030 te verhogen; spoort de Commissie en de lidstaten ertoe aan hun klimaatdiplomatie voor en na de vaststelling van het wetgevingsvoorstel voor een mechanisme voor koolstofcorrectie aan de grens te intensiveren en met name te zorgen voor een onafgebroken dialoog met de handelspartners teneinde de mondiale klimaatactie te stimuleren; beklemtoont de behoefte aan gelijklopende diplomatieke inspanningen om ervoor te zorgen dat de landen in het gebied van het Europees nabuurschap al in een vroeg stadium worden betrokken;

4. benadrukt de centrale rol van burgers en consumenten in de energietransitie en het belang van het bevorderen en ondersteunen van de keuzevrijheid van de consument om de gevolgen van klimaatverandering te beperken door het bevorderen van duurzame activiteiten en bijkomende voordelen die leiden tot een betere kwaliteit van leven;

5. neemt kennis van het voorstel van de Commissie om een nettovermindering van de emissie van broeikasgassen met ten minste 55 % ten opzichte van het niveau van 1990 vast te stellen als klimaatdoelstelling van de EU tegen 2030; beklemtoont echter dat het Parlement een hogere doelstelling van 60 % heeft vastgesteld;

6. merkt op dat de EU haar interne emissie van broeikasgassen aanzienlijk heeft verminderd, maar dat de in de invoer in de EU vervatte emissie van broeikasgassen voortdurend is toegenomen, wat de inspanningen van de Unie om haar mondiale broeikasgasvoetafdruk te verkleinen, ondermijnt; beklemtoont dat de netto-invoer van goederen en diensten in de EU goed is voor meer dan 20 % van de interne CO2-emissies van de Unie; is van oordeel dat het broeikasgasgehalte van ingevoerde producten beter moet worden gemonitord, zodat kan worden nagegaan welke maatregelen mogelijk zijn om de mondiale broeikasgasvoetafdruk van de EU te verkleinen;

Het ontwerpen van een met de WTO verenigbaar mechanisme voor koolstofcorrectie aan de grens

7. steunt de invoering van een mechanisme voor koolstofcorrectie aan de grens op voorwaarde dat het verenigbaar is met de WTO-regels en de vrijhandelsovereenkomsten van de EU, in de zin dat het niet-discriminerend is en geen verkapte beperking van de internationale handel inhoudt; is van mening dat een dergelijk mechanisme de Europese bedrijven en de handelspartners van de EU een stimulans zou bieden om hun activiteiten koolstofvrij te maken, en op die manier het klimaatbeleid van de EU en het mondiale klimaatbeleid in de richting van broeikasgasneutraliteit zou ondersteunen overeenkomstig de doelstellingen van de Overeenkomst van Parijs; stelt in ondubbelzinnige bewoordingen dat een mechanisme voor koolstofcorrectie aan de grens uitsluitend moet worden opgezet om klimaatdoelstellingen te bevorderen en niet mag worden misbruikt als instrument ter bevordering van protectionisme, ongerechtvaardigde discriminatie of beperkingen; benadrukt dat dit mechanisme de groene doelstellingen van de EU moet ondersteunen, met name om de in de EU-industrie en in de internationale handel vervatte emissie van broeikasgassen beter aan te pakken, maar tegelijkertijd niet discriminerend mag zijn en moet streven naar een mondiaal gelijk speelveld;

8. beklemtoont dat er een bijzondere regeling moet komen voor de minst ontwikkelde landen en de kleine eilandstaten in ontwikkeling, teneinde hun specifieke kenmerken en de mogelijke negatieve gevolgen van het mechanisme voor koolstofcorrectie aan de grens voor hun ontwikkeling in aanmerking te nemen;

9. herinnert aan de specifieke beperkingen en uitdagingen waarmee de ultraperifere gebieden worden geconfronteerd, met name vanwege hun afgelegen ligging, hun insulaire karakter en hun beperkte markt, en vraagt dat bij het mechanisme voor koolstofcorrectie aan de grens naar behoren rekening wordt gehouden met hun specifieke kenmerken, in overeenstemming met artikel 349 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU);

10. herinnert eraan dat de invoering van een mechanisme voor koolstofcorrectie aan de grens deel moet uitmaken van een pakket wetgevingsmaatregelen om ervoor te zorgen dat de broeikasgasemissies van de productie en consumptie in de EU snel afnemen, met name door een toename van de energie-efficiëntie en het gebruik van hernieuwbare energiebronnen; benadrukt dat het mechanisme voor koolstofcorrectie aan de grens gepaard moet gaan met beleid dat erop gericht is investeringen in koolstofarme industriële processen mogelijk te maken en te bevorderen, onder meer door middel van innovatieve financieringsinstrumenten, het nieuwe actieplan voor de circulaire economie en een breder industriebeleid van de EU dat zowel ecologisch ambitieus als sociaal rechtvaardig is, met als doel richting te geven aan een koolstofarme herindustrialisering van Europa die op lokaal niveau kwaliteitsvolle banen zal creëren en het mededingingsvermogen van de Europese economie zal garanderen en tegelijkertijd de klimaatambitie van de EU zal verwezenlijken en voorspelbaarheid en zekerheid zal bieden voor investeringen ten behoeve van klimaatneutraliteit;

11. beklemtoont dat productnormen kunnen zorgen voor een koolstofarme, hulpbronnenefficiënte productie en kunnen bijdragen aan de beperking van de negatieve milieueffecten van het gebruik van producten; verzoekt de Commissie derhalve, als aanvulling op de invoering van een mechanisme voor koolstofcorrectie aan de grens, om voor producten die in de EU in de handel worden gebracht, ambitieuzere en bindende normen en standaarden op het gebied van de vermindering van de emissie van broeikasgassen en besparingen op hulpbronnen en energie, voor te stellen ter ondersteuning van het beleidskader voor duurzame producten en het nieuwe actieplan voor de circulaire economie;

12. in van mening dat, teneinde mogelijke verstoringen van de interne markt en de waardeketen te voorkomen, een mechanisme voor koolstofcorrectie aan de grens van toepassing moet zijn op alle ingevoerde producten en grondstoffen die onder het EU-ETS vallen, ook wanneer die in halffabricaten of eindproducten zijn vervat; benadrukt dat in eerste instantie (reeds tegen 2023) en na uitvoering van een effectbeoordeling het mechanisme voor koolstofcorrectie aan de grens van toepassing dient te zijn op de elektriciteitssector en op energie-intensieve industriële sectoren zoals cement, staal, aluminium, olieraffinage, papier, glas, chemische stoffen en meststoffen, die aanzienlijke gratis emissierechten blijven krijgen en nog steeds goed zijn voor 94 % van de industriële emissies van de EU;

13. beklemtoont dat het broeikasgasemissiegehalte van de invoer moet worden berekend op basis van transparante, betrouwbare en geactualiseerde productspecifieke benchmarks op het niveau van de installaties in derde landen, en dat, als de importeur geen gegevens ter beschikking stelt, standaard rekening moet worden gehouden met het wereldwijde gemiddelde broeikasgasemissiegehalte van individuele producten, uitgesplitst naar verschillende productiemethoden met uiteenlopende emissie-intensiteiten; is van mening dat bij de vaststelling van koolstofprijzen voor invoer zowel de directe als de indirecte emissies moeten worden afgedekt en er bijgevolg eveneens rekening moet worden gehouden met de landspecifieke koolstofintensiteit van het elektriciteitsnet of, indien de importeur gegevens ter beschikking heeft gesteld, met de koolstofintensiteit van het energieverbruik op het niveau van de installatie;

14. stelt vast dat de Commissie momenteel alle opties voor de invoering van een mechanisme voor koolstofcorrectie aan de grens in kaart brengt, uiteenlopend van fiscale instrumenten tot mechanismen die gebruikmaken van het EU-ETS; beklemtoont dat de modaliteiten voor het ontwerp van een mechanisme voor koolstofcorrectie aan de grens moeten worden onderzocht in aanvulling op de herziening van het EU-ETS om ervoor te zorgen dat ze complementair en consistent zijn, en om overlappingen te voorkomen die zouden leiden tot een dubbele bescherming van industriële sectoren in de EU; onderstreept dat het belangrijk is dat een mechanisme voor koolstofcorrectie aan de grens middels een transparant proces tot stand komt, onder meer door in samenwerking met het Europees Parlement in gesprek te gaan met de WTO en de handelspartners van de EU en door de doeltreffendheid, doelmatigheid en wettelijke haalbaarheid van de verschillende vormen van een mechanisme voor koolstofcorrectie aan de grens zorgvuldig te beoordelen en te vergelijken, met als doel de totale mondiale emissie van broeikasgassen te verminderen; hamert erop dat het mechanisme voor koolstofcorrectie aan de grens in eerste instantie een milieudoel dient en dat milieucriteria derhalve het zwaarst moeten wegen bij de keuze van het instrument, door te zorgen voor een voorspelbare en voldoende hoge koolstofprijs die aanzet tot decarbonisatie-investeringen, teneinde de doelstellingen van de Overeenkomst van Parijs te verwezenlijken;

15. benadrukt dat het belangrijk is dat voor elke optie wordt beoordeeld wat de effecten zijn op de levensstandaard van consumenten, met name die uit kwetsbaardere groepen, alsook op de inkomsten; verzoekt de Commissie in de effectbeoordeling ook rekening te houden met de gevolgen die de inkomsten uit het mechanisme voor koolstofcorrectie aan de grens als eigen middelen hebben voor de EU-begroting, afhankelijk van het ontwerp en de gekozen modaliteiten;

16. is van oordeel dat, teneinde het eventuele risico van koolstoflekkage aan te pakken en tegelijkertijd verenigbaar te zijn met de regels van de WTO, het mechanisme voor koolstofcorrectie aan de grens het koolstofgehalte van ingevoerde producten moet belasten op een wijze die een weerspiegeling vormt van de koolstofkosten die EU-producenten betalen; beklemtoont dat koolstofbeprijzing in het kader van het mechanisme voor koolstofcorrectie aan de grens een weerspiegeling moet vormen van de dynamische evolutie van de prijs van EU-emissierechten in het kader van het EU-ETS en dat er tegelijkertijd voor moet worden gezorgd dat de koolstofprijs voorspelbaar en minder volatiel is; is van mening dat importeurs emissierechten moeten kopen uit een voorraad emissierechten die niet tot het EU-ETS behoort en waarvan de koolstofprijs overeenstemt met die van het EU-ETS op de transactiedag; onderstreept dat de invoering van het mechanisme voor koolstofcorrectie aan de grens slechts een van de maatregelen is om de doelstellingen van de Europese Green Deal te verwezenlijken en gepaard moet gaan met noodzakelijke maatregelen in de niet-ETS-sectoren en met een ambitieuze hervorming van het EU-ETS om ervoor te zorgen dat deze regeling een zinvolle koolstofbeprijzing oplevert die volledig in overeenstemming is met het beginsel dat de vervuiler betaalt, en om bij te dragen tot de noodzakelijke vermindering van de broeikasgasemissies overeenkomstig de geactualiseerde klimaatdoelstelling van de EU voor 2030 en het doel van netto nul broeikasgasemissies in 2050, onder meer door een aanpassing van de lineaire reductiefactor, een verlaging van het plafond en een evaluatie van de mogelijke behoefte aan een minimumprijs voor koolstof;

17. beklemtoont dat een accijns (of belasting) op het koolstofgehalte van alle geconsumeerde producten (zowel in de EU gemaakt, als in derde landen) het risico van koolstoflekkage niet volledig elimineert, technisch ingewikkeld is gezien de complexiteit van het traceren van koolstof in mondiale waardeketens, en consumenten zwaar zou kunnen belasten; erkent dat een vaste heffing of belasting op ingevoerde producten een eenvoudig instrument kan zijn om een sterk en stabiel milieuprijssignaal voor ingevoerde koolstof af te geven; is evenwel van oordeel dat een dergelijke belasting, vanwege de vaste aard ervan, een minder flexibel instrument zou zijn om de evoluerende prijs van het EU-ETS te weerspiegelen; beklemtoont dat, in de praktijk, een evoluerende belasting die automatisch de prijs van het EU-ETS weerspiegelt, equivalent zou zijn aan een denkbeeldig ETS; erkent dat, indien voor een mechanisme voor koolstofcorrectie aan de grens van fiscale aard wordt gekozen, als rechtsgrond voor artikel 192, lid 2, VWEU zou kunnen worden gekozen;

18. beklemtoont dat importeurs de mogelijkheid moeten krijgen om, overeenkomstig de EU-normen voor monitoring, rapportage en verificatie van het EU-ETS, te bewijzen dat het koolstofgehalte van hun producten onder die waarde ligt en dus in aanmerking te komen voor een dienovereenkomstig aangepast te betalen bedrag, teneinde innovatie en investeringen in duurzame technologieën overal in de wereld te bevorderen; denkt niet dat dit een onevenredig zware last voor kmo’s oplevert; benadrukt dat de invoering van het mechanisme moet worden ondersteund door een reeks EU-normen die moeten voorkomen dat het mechanisme wordt omzeild of onrechtmatig wordt gebruikt, en voor het beheer ervan een sterke, onafhankelijke infrastructuur nodig is;

19. beklemtoont dat het mechanisme voor koolstofcorrectie aan de grens moet waarborgen dat importeurs van derde landen niet twee keer moeten betalen voor het koolstofgehalte van hun producten, teneinde te zorgen voor gelijke behandeling en non-discriminatie; verzoekt de Commissie zorgvuldig te kijken naar de gevolgen van de verschillende opties voor het mechanisme voor koolstofcorrectie aan de grens voor de minst ontwikkelde landen;

20. wijst erop dat het mechanisme, in tegenstelling tot het ETS, het verbranden van hout als brandstof niet mag behandelen als een koolstofneutraal gegeven en dat de koolstof die is ingebed in gehakt hout en de vernielde bodem, in het herziene en geactualiseerde kader een prijs moet hebben;

21. verzoekt de Commissie met klem het risico dat exporteurs naar de EU proberen het mechanisme te omzeilen of de doeltreffendheid ervan in gevaar te brengen, bijvoorbeeld door de productie te heroriënteren tussen markten of halffabricaten uit te voeren, zoveel mogelijk te beperken;

Handelsgerelateerde aspecten van een mechanisme voor koolstofcorrectie aan de grens

22. dringt erop aan dat de Overeenkomst van Parijs met de bijbehorende doelstelling van 1,5 °C een van de voornaamste leidende beginselen van het handelsbeleid wordt waarop alle handelsinitiatieven en beleidsinstrumenten moeten worden afgestemd, door dit onder andere als een essentieel onderdeel in vrijhandelsovereenkomsten op te nemen; is ervan overtuigd dat een dergelijk doelgericht handelsbeleid een belangrijk instrument kan zijn om de economieën in de richting van decarbonisatie te sturen, teneinde de klimaatdoelstellingen van de Overeenkomst van Parijs en de Europese Green Deal te verwezenlijken;

23. maakt zich ernstig zorgen over de uitholling van het multilateraal handelsstelsel; doet een beroep op de Commissie om actief met de regeringen van handelspartners samen te werken om te zorgen voor een aanhoudende dialoog over dit initiatief en aldus stimulansen te bieden voor klimaatmaatregelen, zowel binnen de Unie als door haar handelspartners; beklemtoont dat het handelsbeleid kan en moet worden gebruikt om een positieve milieuagenda te bevorderen en grote verschillen in de niveaus van milieuambitie tussen de EU en de rest van de wereld te vermijden, en dat een mechanisme voor koolstofcorrectie aan de grens moet worden opgezet als een aanvullende maatregel bovenop de maatregelen in het kader van de hoofdstukken handel en duurzame ontwikkeling van de vrijhandelsovereenkomsten van de EU; benadrukt dat het initiatief uiteindelijk wereldwijde maatregelen tot doel moet hebben die het mechanisme voor koolstofcorrectie aan de grens overbodig maken, naarmate de rest van de wereld de CO2-emissies vermindert tot het ambitieuze niveau dat de EU zich heeft gesteld; is daarom van mening dat het mechanisme voor koolstofcorrectie aan de grens moet worden beschouwd als een middel om te helpen dit proces te versnellen en niet als een manier om het protectionisme te doen toenemen; verwacht dat de Commissie het initiatief neemt tot onderhandelingen over een mondiale aanpak in het kader van de WTO of de G20;

24. is van mening dat de internationale handel en het handelsbeleid essentiële factoren voor de transitie naar een klimaatneutrale, hulpbronnenefficiënte, circulaire wereldeconomie zijn en als zodanig de wereldwijde inspanningen ter verwezenlijking van de VN-doelstellingen inzake duurzame ontwikkeling en de Overeenkomst van Parijs ondersteunen; is van mening dat er dringend behoefte is aan een omvattende hervorming van de WTO, zodat zij eerlijke handel kan waarborgen en tegelijk de opwarming van de aarde tegengaan; merkt op dat de GATT-regels uit 1947 dateren en is van mening dat zij moeten worden herbekeken tegen de achtergrond van de huidige klimaatcrisis; verwacht dat de Commissie snel initiatieven neemt om de WTO te hervormen, zodat zij verenigbaar wordt met de klimaatdoelstellingen; verzoekt de Commissie haar inspanningen op te voeren voor het verwezenlijken van de mondiale CO2-beprijzing en het bevorderen van de handel in technologieën voor de bescherming van klimaat en milieu, bijvoorbeeld door middel van initiatieven op het gebied van het handelsbeleid, zoals de WTO-overeenkomst inzake milieugoederen;

25. roept de Commissie op om multilaterale WTO-hervormingen na te streven die het internationale handelsrecht afstemmen op de doelstellingen van de Overeenkomst van Parijs en op andere aspecten van het internationaal recht, met name de verdragen van de Internationale Arbeidsorganisatie (IAO); wijst erop dat een mechanisme voor koolstofcorrectie aan de grens verenigbaar is met de WTO-regels als het met een duidelijke milieudoelstelling wordt ontwikkeld om de mondiale emissie van broeikasgassen te verminderen en als het het hoogste niveau van milieu-integriteit in acht neemt;

26. onderstreept dat het mechanisme voor koolstofcorrectie aan de grens kan helpen de doelstellingen inzake duurzame ontwikkeling te verwezenlijken; herinnert eraan dat de bevordering van fatsoenlijk werk ook een doelstelling inzake duurzame ontwikkeling is en verzoekt de Commissie met klem ervoor te zorgen dat goederen die in de EU in de handel worden gebracht, worden geproduceerd in omstandigheden die in overeenstemming zijn met de IAO-verdragen;

27. merkt op dat, met het oog op de verenigbaarheid met de WTO-regels, de bepalingen van de GATT, zoals artikel I (het beginsel van de behandeling als meest begunstigde natie), artikel III (het beginsel van nationale behandeling) en, indien nodig, artikel XX (algemene uitzonderingen), de basis kunnen vormen voor elk ontwerp van het mechanisme voor koolstofcorrectie aan de grens dat enkel en alleen gebaseerd moet zijn op milieuoverwegingen, meer bepaald op het verminderen van de wereldwijde CO2-emissies en het voorkomen van koolstoflekkage;

28. wijst op het non-discriminatiebeginsel van artikel III van de GATT; beklemtoont dat een gelijke behandeling van invoer en binnenlandse productie een essentieel criterium is om de verenigbaarheid met de WTO van eender welke maatregel te garanderen; benadrukt dat het mechanisme voor koolstofcorrectie aan de grens een alternatief moet zijn voor de bestaande maatregelen in het EU-recht ter voorkoming van koolstoflekkage in sectoren die onder het EU-ETS vallen, in die zin dat het een gelijk speelveld tussen producenten in de EU en producenten in derde landen tot stand zou brengen door de toepassing van een heffing op de ingebedde koolstofemissies in alle goederen in die sectoren, ongeacht hun herkomst, waardoor de Europese industrie volledig zou worden beschermd tegen koolstoflekkage en de overdracht van emissies naar derde landen zou worden vermeden; onderstreept dat de tenuitvoerlegging van het mechanisme voor koolstofcorrectie aan de grens daarom gepaard moet gaan met de gelijktijdige, geleidelijke, snelle en uiteindelijk volledige afschaffing van die maatregelen voor de betrokken sectoren om dubbele bescherming voor EU-installaties te vermijden, waarbij wel een analyse moet worden gemaakt van de gevolgen voor de uitvoer en de afhankelijke sectoren in de hele waardeketen; benadrukt dat bij het ontwerp van het mechanisme voor koolstofcorrectie aan de grens een eenvoudig beginsel in acht moet worden genomen, namelijk dat één ton koolstof geen dubbele bescherming mag genieten;

29. onderstreept dat het voor het concurrentievermogen van de Europese bedrijven belangrijk is dat er een mondiaal gelijk speelveld tot stand wordt gebracht, zonder evenwel schadelijke klimaat- en milieueffecten te veroorzaken; dringt er daarom bij de Commissie op aan de mogelijke invoering van uitvoerkortingen in overweging te nemen, maar alleen als hun positieve impact op het klimaat en hun verenigbaarheid met de WTO-regels duidelijk kunnen worden aangetoond; beklemtoont dat moet worden voorkomen dat minder efficiënte productiemethoden van Europese uitvoerende bedrijven worden gestimuleerd met nadelige klimaateffecten tot gevolg, en dat de verenigbaarheid met de WTO moet worden gegarandeerd, en dat daarom elke mogelijke vorm van uitvoersteun transparant en evenredig dient te zijn, niet mag leiden tot enig concurrentievoordeel voor de uitvoerende industrie van de EU in derde landen en strikt beperkt moet blijven tot de efficiëntste installaties, zodat de stimulansen voor de uitvoerende EU-bedrijven om hun broeikasgasemissies te verlagen overeind blijven;

30. beklemtoont dat elk mechanisme voor de industriële sectoren in de EU en daarbuiten een stimulans moet bieden om schone en concurrerende producten te produceren, en koolstoflekkage moet voorkomen, zonder de handelsmogelijkheden in gevaar te brengen;

31. merkt op dat het mechanisme voor koolstofcorrectie aan de grens deel uitmaakt van de Europese Green Deal en een instrument vormt om uiterlijk in 2050 het doel van netto nul broeikasgasemissies te bereiken; merkt op dat de koolstof- en handelsintensiefste industriële sectoren direct of indirect door het mechanisme voor koolstofcorrectie aan de grens kunnen worden getroffen en dat deze sectoren gedurende het gehele proces moeten worden geraadpleegd; constateert voorts dat het mechanisme voor koolstofcorrectie aan de grens zodanig van invloed kan zijn op de toeleveringsketens dat zij de koolstofkosten zouden internaliseren; benadrukt dat het mechanisme voor koolstofcorrectie aan de grens gemakkelijk te beheren moet zijn en geen onnodige financiële en administratieve lasten mag opleggen aan ondernemingen, met name kmo’s;

Het mechanisme voor koolstofcorrectie aan de grens en eigen middelen

32. erkent dat het mechanisme voor koolstofcorrectie aan de grens kan worden toegepast als een uitbreiding van de huidige regeling voor douanerechten of als een aanvullende regeling binnen het bestaande EU-ETS-kader; benadrukt dat beide benaderingen volledig in overeenstemming kunnen zijn met een initiatief inzake eigen middelen;

33. schaart zich achter het voornemen van de Commissie om inkomsten uit het mechanisme voor koolstofcorrectie aan de grens te gebruiken als nieuwe eigen middelen voor de EU-begroting en verzoekt de Commissie volledige transparantie over het gebruik van deze inkomsten te garanderen; wijst er evenwel op dat de rol die het mechanisme voor koolstofcorrectie aan de grens in de begroting speelt, slechts een nevenproduct van het instrument mag zijn; is van mening dat deze nieuwe inkomsten moeten leiden tot meer steun voor klimaatactie en de doelstellingen van de Green Deal, zoals de rechtvaardige transitie en het koolstofvrij maken van de Europese economie, alsook tot een toename van de bijdrage van de EU aan internationale klimaatgerelateerde financiering ten gunste van de minst ontwikkelde landen en de kleine eilandstaten in ontwikkeling, die het meest kwetsbaar zijn voor de klimaatverandering, met name om hen te helpen een industrialisatieproces te ondergaan dat op schone en koolstofvrije technologieën is gebaseerd; verzoekt de Commissie in haar komende voorstel rekening te houden met de sociale gevolgen van het mechanisme en die zo goed mogelijk te beperken; beklemtoont dat de inkomsten uit een mechanisme voor koolstofcorrectie aan de grens in geen geval mogen worden gebruikt als verkapte subsidies voor sterk vervuilende Europese industrietakken, aangezien hierdoor de verenigbaarheid van het mechanisme met de WTO in het gedrang zou komen;

34. herinnert eraan dat het Parlement, de Raad en de Commissie in het Interinstitutioneel Akkoord betreffende de begrotingsdiscipline, de samenwerking in begrotingszaken en een goed financieel beheer, alsmede betreffende nieuwe eigen middelen, met inbegrip van een routekaart voor de invoering van nieuwe eigen middelen (IIA)[9], zijn overeengekomen in het volgende meerjarig financieel kader (MFK) nieuwe eigen middelen te creëren, waaronder het mechanisme voor koolstofcorrectie aan de grens; benadrukt dat het oriënteren van de geldstromen uit het mechanisme voor koolstofcorrectie aan de grens naar de EU-begroting zal helpen om de kwestie van fiscale gelijkwaardigheid op te lossen en zal zorgen voor een billijk verdeelde impact in de lidstaten en een slanke structuur met minimale algemene beheerskosten; concludeert derhalve dat het definiëren van de opbrengsten als eigen middelen van de EU zal zorgen voor een lager aandeel van de bni-bijdragen in de financiering van de EU-begroting en zal helpen om de impact van het mechanisme voor koolstofcorrectie aan de grens billijk te verdelen onder de lidstaten; is van oordeel dat besparingen op nationaal niveau als gevolg van de lagere bni-bijdragen de lidstaten meer fiscale ruimte zullen geven; beklemtoont dat de toepassing van het mechanisme gepaard moet gaan met de afschaffing van milieuschadelijke subsidies voor energie-intensieve bedrijfstakken, met name belastingvrijstellingen en -verminderingen voor het energiegebruik van energie-intensieve sectoren;

35. neemt nota van de diverse voorzichtige ramingen van de inkomsten, gaande van 5 tot 14 miljard EUR per jaar, afhankelijk van het toepassingsgebied en het ontwerp van het nieuwe instrument; benadrukt dat de EU-begroting in alle gevallen bijzonder geschikt is om schommelingen langs ontvangstenzijde of zelfs regressieve effecten op de lange termijn op te vangen;

36. is vastbesloten ervoor te zorgen dat de eigen middelen op basis van het mechanisme voor koolstofcorrectie aan de grens deel zullen uitmaken van een pakket aan eigen middelen dat het niveau van de totale uitgaven kan dekken die naar verwachting nodig zullen zijn voor de aflossing van de hoofdsom en de rente van de leningen die in het kader van NextGenerationEU zijn aangegaan, en dit met inachtneming van het universaliteitsbeginsel; herinnert er bovendien aan dat overschotten van het aflossingsplan in de EU-begroting moeten blijven als algemene inkomsten;

37. herinnert eraan dat de invoering van een pakket aan eigen middelen, zoals is vastgelegd in de routekaart voor de invoering van nieuwe eigen middelen in het kader van het IIA, kan helpen de uitgaven op EU-niveau beter toe te spitsen op prioritaire gebieden en collectieve goederen, wat vergeleken met nationale uitgaven veel efficiënter is; herinnert eraan dat als een van de drie instellingen zich niet houdt aan de in het IIA vastgelegde afspraken, de andere instellingen dat juridisch kunnen aanvechten;

38. roept de instellingen op om actief gevolg te geven, naar de geest en de letter, aan de routekaart voor de invoering van nieuwe eigen middelen in het kader van het IIA, waarin is bepaald dat deze nieuwe eigen middelen uiterlijk op 1 januari 2023 in werking treden;

Implementatie van het mechanisme voor koolstofcorrectie aan de grens en andere aspecten

39. benadrukt dat de implementatie van het mechanisme voor koolstofcorrectie aan de grens gepaard moet gaan met de afschaffing van alle vormen van milieuonvriendelijke subsidies aan energie-intensieve industrieën op nationaal niveau; verzoekt de Commissie de verschillende praktijken van de lidstaten op dat gebied te evalueren in het licht van het principe dat de vervuiler betaalt;

40. vraagt dat het mechanisme voor koolstofcorrectie aan de grens wordt gemonitord door een onafhankelijke instantie onder toezicht van de Commissie die regelmatig verslag uitbrengt en op verzoek minstens tweemaal per jaar transparante informatie bezorgt aan het Parlement, de Raad en de Commissie;

41. merkt op dat de EU wereldwijd de grootste importeur van koolstof is en dat het koolstofgehalte van uit de EU uitgevoerde goederen veel lager ligt dan dat van ingevoerde goederen; leidt daaruit af dat de Europese inspanningen in de strijd tegen de klimaatverandering het gemiddelde op internationaal niveau overtreffen; benadrukt dat bij het bepalen van de algehele klimaateffecten van de Unie er een gedegen rapportagemethode nodig is waarin rekening wordt gehouden met de emissies van in de EU ingevoerde goederen en diensten;

42. wijst erop dat voldoende internationale klimaatinspanningen, bijvoorbeeld grootschalige, robuuste en consistente internationale koolstofbeprijzing en volledig concurrerende lage-emissietechnologieën, -producten en -productieprocessen het mechanisme mettertijd achterhaald zullen maken; is van mening dat klimaatverandering een wereldomspannend probleem is dat vraagt om mondiale oplossingen, en meent derhalve dat de EU de vaststelling van een mondiaal kader voor CO2-beprijzing moet blijven steunen overeenkomstig artikel 6 van de Overeenkomst van Parijs; moedigt de Commissie aan het mechanisme op te zetten volgens een duidelijk en ambitieus tijdschema voor de invoering en de ontwikkeling ervan; wijst erop dat bepaalde technische oplossingen voor CO2-reductie nog in het proefstadium verkeren en verzoekt daarom de Commissie haar inspanningen voort te zetten om deze verder te ontwikkelen; verzoekt de Commissie het mechanisme op te zetten als onderdeel van een omvattend en op de lange termijn gericht beleidspakket dat het mogelijk moet maken uiterlijk in 2050 een uiterst energie- en hulpbronnenefficiënte economie met een netto-nuluitstoot van broeikasgassen tot stand te brengen;

43. wijst erop dat het klimaatbeleid en het industriebeleid van de EU en het doel om duurzame economische groei in stand te houden en te laten toenemen, hand in hand moeten gaan; benadrukt dat elk mechanisme ingebed moet worden in de industriestrategie, teneinde voor de industrie een stimulans te creëren voor het produceren van schone en concurrerende producten;

44. onderstreept dat een goed functionerend mechanisme moet zorgen voor de vermindering van in de EU ingevoerde emissies en voor een zo doeltreffend mogelijke klimaatbescherming tegen het risico op koolstoflekkage, met inachtneming van de WTO-regels; wijst erop dat het mechanisme zo moet zijn opgezet dat het doeltreffend en eenvoudig kan worden toegepast terwijl gedrag om het te omzeilen wordt voorkomen, zoals het omleiden van grondstofstromen of de invoer van halffabricaten of eindproducten die niet onder het mechanisme vallen;

45. verzoekt de Commissie technische adviezen en ondersteuning te verstrekken aan industrieën in binnen- en buitenland, met name voor kmo’s, bij het opzetten van betrouwbare boekhoudsystemen voor broeikasgasemissies voor invoer om ervoor te zorgen dat het Europese bedrijfsleven sterk blijft zonder technische belemmeringen voor handelspartners op te werpen;

46. pleit voor een speciale evaluatie van de gevolgen van het mechanisme voor kmo’s en de concurrentie op de interne markt; pleit voor de totstandbrenging, indien nodig, van een ondersteuningsmechanisme voor kmo’s om deze te helpen zich met succes aan te passen aan de nieuwe marktrealiteit, teneinde te voorkomen dat zij het slachtoffer worden van de oneerlijke praktijken van grotere marktdeelnemers;

47. merkt verder op dat oneerlijke concurrentie op de Europese markt alleen kan worden voorkomen indien het mechanisme geen concurrentienadelen oplevert in verband met concurrerende materialen; onderstreept dat voor de meest klimaatvriendelijke materialen geen concurrentienadelen zouden mogen gelden;

48. beklemtoont zijn belangrijke rol als vertegenwoordiger van Europese burgers en hun belangen en als bijdrager aan de verwezenlijking van EU-prioriteiten zoals klimaatbescherming, duurzame groei en het internationale concurrentievermogen; vraagt de Commissie en de Raad derhalve het Parlement als medewetgever volledig te betrekken bij het wetgevingsproces om het mechanisme vast te stellen;

°

° °

49. verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad en de Commissie.

 


 

TOELICHTING

De klimaatverandering is niet langer alleen een vraagstuk voor wetenschappers en de toekomstige generaties. We worden dagelijks in eigen land, in onze directe omgeving, geconfronteerd met de rampzalige gevolgen ervan. En we kijken ontzet naar de verwoestende beelden die ons vanuit de hele wereld bereiken. Klimaatrampen zoals branden, hittegolven, droogtes, overstromingen, vloedgolven, orkanen, smeltende ijskappen, pandemieën, ontheemde bevolkingsgroepen maken allemaal deel uit van de realiteit waarin wij nu leven En we zitten nog maar aan een gemiddelde opwarming van 1,1 °C!

Met de Overeenkomst van Parijs is opgeroepen tot een algemene mobilisatie. We moeten onze ambities versnellen en de lat hoger leggen, aangezien ons huidige klimaatbeleid zal leiden tot een opwarming van 3 tot 4 °C of, volgens de meest pessimistische scenario’s, zelfs meer. Dit zou een ongekende chaos over de hele wereld ontketenen! De Europese Unie moet de verantwoordelijkheid op zich nemen voor de broeikasgasemissies die zij produceert en die welke zij, in toenemende mate, invoert. En zij heeft een centrale rol te spelen in het multilateralisme en de onontbeerlijke internationale samenwerking. Als economische en handelsgrootmacht moet zij het goede voorbeeld geven.

De Europese burgers zijn zich bewust geworden van de urgentie en de gevaren. Zij dragen hun steentje bij. Jongeren nemen deel aan klimaatprotesten. Een toenemend deel van de economische marktdeelnemers investeert massaal in hernieuwbare energie, in de energiesoberheid en -efficiëntie van gebouwen en vervoer en in het decarboniseren van de industrie en diensten. Landbouwers laten zien dat landbouw kan bijdragen tot de afkoeling van de planeet, in plaats van tot de opwarming ervan. Om de klimaatverandering te bestrijden, moeten we meer doen dan alleen de gevaarlijke effecten ervan tegengaan; we hebben een collectieve wil nodig om ons ontwikkelingsmodel om te vormen tot iets dat duurzamer, sociaal rechtvaardiger, veerkrachtiger en soevereiner is. De decarbonisatie is niet alleen noodzakelijk, maar moet ook worden gezien als een kans, als een krachtige motor voor het scheppen van werkgelegenheid, technologische, sociale, industriële en democratische innovatie, en als een regionale nivelleerder.

De doelstelling van klimaatneutraliteit uiterlijk tegen 2050, de Green Deal en de klimaatwet maken duidelijk dat de bestrijding van de klimaatverandering centraal staat binnen de politieke agenda van de Unie. Desondanks roepen de resoluties van het Europees Parlement, de agenda van de Commissie en de debatten binnen de Raad op om de inspanningen uit te breiden en te verbeteren. De doelstelling van een vermindering van de emissies met 40 % tegen 2030 is achterhaald. Wetenschappers raden aan die doelstelling te verhogen tot 65 %. Maar wat de nieuwe doelstelling ook wordt, we moeten het volledige Europese beleid op dit gebied grondig en systematisch herzien, met name de ETS-richtlijn, die in sterke mate de prijs van koolstof, en dus de stimulans om te decarboniseren, bepaalt. Zonder een aanzienlijke verlaging van de koolstofemissierechten, de snelle afschaffing van de gratis emissierechten die bijdragen tot de geringe efficiëntie van de koolstofmarkt en de vastlegging van een minimumprijs per ton CO2 is een ambitieus klimaatbeleid niet mogelijk.

Hoewel het nog niet ver genoeg gaat, gaat het klimaatbeleid van de Unie verder dan dat van veel van haar handelspartners. Willen wij de strijd tegen klimaatverandering benutten als een industriële, economische en sociale kans, dan mag het decarboniseren van onze economie niet leiden tot een nieuwe de-industrialisatiegolf, aangezien dat koolstoflekkage en investeringsverliezen met zich meebrengt. Het is onze plicht ervoor te zorgen dat de eisen die wij aan onze bedrijven stellen, hen niet benadelen ten opzichte van concurrenten die ingevoerde producten op de interne markt brengen en deze produceren in landen die hun zinnen lager hebben gezet dan de Unie. Dat is precies waarom we een mechanisme voor koolstofcorrectie aan de grens nodig hebben.

Het mechanisme voor koolstofcorrectie aan de grens is een onontbeerlijk instrument dat een opwaartse spiraal op gang zal brengen die in de eerste plaats gericht is op het beschermen van het klimaat. Het mechanisme heeft verschillende doelstellingen:

 versterken van de klimaatmaatregelen op EU-niveau;

 onze partners aanmoedigen hun ambitieniveau te verhogen;

 onze producenten beschermen tegen oneerlijke concurrentie;

 bevorderen van reshoring van economische activiteiten naar Europa;

 opvoeren van de eigen middelen van de Unie.

Met het oog hierop dient het mechanisme voor koolstofcorrectie aan de grens te voldoen aan verschillende criteria:

 Het moet op termijn van toepassing zijn op alle ingevoerde producten om ervoor te zorgen dat het onze volledige koolstofvoetafdruk dekt en verstoringen op de interne markt voorkomt. Bij wijze van overgangsregeling zal het van toepassing zijn op de belangrijkste grondstoffen waarvan de productie een grote CO2-emissie veroorzaakt en wordt afgedekt door de Europese koolstofmarkt.

 Het moet zo snel mogelijk en uiterlijk vanaf 2023 worden toegepast. Hoe korter de overgangsperiode, hoe beter het aansluit op de ETS-markt. Een doeltreffend mechanisme voor koolstofcorrectie aan de grens moet het einde betekenen van gratis emissierechten. Zoals vermeld door de Europese Rekenkamer in haar Speciaal verslag nr. 18/2020 getiteld “Het emissiehandelssysteem van de EU: gerichtere toewijzing van kosteloze rechten noodzakelijk” hebben deze gratis emissierechten, die het belangrijkste instrument zijn voor de bestrijding van koolstoflekkage, geleid tot aanzienlijke negatieve gevolgen en onverhoopte winsten.

 Het moet overeenstemmen met de multilaterale handelsvoorschriften, rekening houdend met het feit dat verschillende artikelen van de GATT het mogelijk maken op te treden ten gunste van zaken die van groter belang zijn dan de handel, zoals milieu en gezondheid.

 Het dient als nieuwe bron van eigen middelen bij te dragen tot de Europese begroting. Wij zijn van mening dat deze inkomstenstroom naar de Green Deal en de rechtvaardige transitie moet gaan, waarbij een aanzienlijk deel moet worden bestemd voor de ondersteuning van de transitie in de armste landen en de landen die het hardst worden getroffen door de klimaatverandering.

De Europese burgers kijken naar de Europese Unie voor daadkrachtige en ambitieuze klimaatmaatregelen. Voorts verwachten de burgers dat de Unie een einde maakt aan de “naïviteit” en het cynisme die zij heeft ontwikkeld op het gebied van handelsbeleid, waarbij de sociale, milieu- en industriële kosten van de overeenkomsten die zij ondertekent al te vaak worden genegeerd.

Het mechanisme voor koolstofcorrectie aan de grens biedt een uitstekende kans om op verschillende fronten tegelijk actie te ondernemen: klimaat, industrie, werkgelegenheid, veerkracht, onafhankelijkheid en reshoring. Als zodanig is het een belangrijke politieke en democratische lakmoesproef voor de Unie. Het Europees Parlement moet op dit gebied het voortouw nemen!


 

ADVIES VAN DE COMMISSIE INTERNATIONALE HANDEL (14.12.2020)

<CommissionInt>aan de Commissie milieubeheer, volksgezondheid en voedselveiligheid</CommissionInt>


<Titre>op weg naar een met de WTO verenigbaar EU-mechanisme voor koolstofcorrectie aan de grens</Titre>

<DocRef>(2020/2043(INI))</DocRef>

Rapporteur voor advies (*): <Depute>Karin Karlsbro</Depute>

(*) Medeverantwoordelijke commissie – Artikel 57 van het Reglement

 

 

 

SUGGESTIES

De Commissie internationale handel verzoekt de bevoegde Commissie milieubeheer, volksgezondheid en voedselveiligheid onderstaande suggesties in haar ontwerpresolutie op te nemen:

1. is ingenomen met de doelstelling van de Europese Unie om tegen 2050 een sociaal rechtvaardige transitie naar klimaatneutraliteit tot stand te brengen, evenals met de doelstelling om tegen 2030 de emissies met 60 % te verminderen, zoals het Parlement voorstelt; dringt erop aan meer ambitie te blijven tonen bij de klimaatinspanningen in het kader van het EU-handelsbeleid en op veel andere beleidsterreinen; dringt erop aan dat de Overeenkomst van Parijs met de bijbehorende doelstelling van 1,5 °C een van de voornaamste leidende beginselen van het handelsbeleid wordt waarop alle handelsinitiatieven en beleidsinstrumenten moeten worden afgestemd, door dit onder andere als een essentieel onderdeel in vrijhandelsovereenkomsten op te nemen; is ervan overtuigd dat een dergelijk doelgericht handelsbeleid een belangrijk instrument kan zijn om de economieën in de richting van decarbonisatie te sturen, teneinde de klimaatdoelstellingen van de Overeenkomst van Parijs en de Europese Green Deal te verwezenlijken; benadrukt dat door het toegenomen ambitieniveau van de EU op het gebied van klimaatverandering het risico van koolstoflekkage zou kunnen toenemen; verzoekt de Commissie in al haar beleidsmaatregelen te zorgen voor een volledige bescherming tegen koolstoflekkage en daarbij rekening te houden met het concurrentievermogen van de Europese kleine en middelgrote ondernemingen (kmo’s); merkt op dat, hoewel de Unie in 2018 de eigen binnenlandse broeikasgasemissies met 23,2 % heeft verlaagd ten opzichte van het niveau van 1990, haar aan internationale handel gerelateerde broeikasgasemissies voortdurend zijn toegenomen; wijst erop dat de netto-invoer van goederen en diensten in de EU meer dan 20 % van de binnenlandse CO2-emissies van de Unie vertegenwoordigt;

2. steunt, bij gebrek aan een mondiale koolstofprijs en een multilaterale oplossing, het voornemen van de Commissie om een eerlijk en transparant, efficiënt en marktgebaseerd EU-mechanisme voor koolstofcorrectie aan de grens voor te stellen, mits het verenigbaar is met de WTO-regels en de vrijhandelsovereenkomsten van de EU, in de zin dat het niet-discriminerend is en geen verkapte beperking van de internationale handel inhoudt, en mits het evenredig is, gebaseerd op het beginsel dat de vervuiler betaalt en geschikt voor de doeltreffende verwezenlijking van de klimaatdoelstellingen van de EU; is van oordeel dat een mechanisme voor koolstofcorrectie aan de grens van toepassing moet zijn op goederen uit alle derde landen die nog niet deelnemen aan een effectieve koolstofbeprijzingsregeling of overeenkomende maatregelen met vergelijkbare doelstellingen en kosten als die van het EU-systeem voor de emissiehandel (EU-ETS) ter voorkoming van discriminatie op basis van oorsprong, en is van mening dat de kosten van een minder ambitieuze koolstofbeprijzing aftrekbaar moeten zijn van het mechanisme voor koolstofcorrectie aan de grens;

3. is ervan overtuigd dat een mechanisme voor koolstofcorrectie aan de grens tot doel moet hebben het risico van koolstoflekkage voor de EU te voorkomen en aldus bij te dragen aan de algemene doelstelling van het verminderen van de wereldwijde emissies en de EU te helpen haar verbintenissen na te komen; wijst erop dat een EU-mechanisme voor koolstofcorrectie aan de grens uitsluitend bedoeld is om de klimaatdoelstellingen vooruit te helpen en het risico van koolstoflekkage te verminderen, en dat dit op een evenredige en evenwichtige wijze moet gebeuren, wetenschappelijk onderbouwd moet zijn en niet mag worden misbruikt als middel om meer protectionisme, ongerechtvaardigde discriminatie of beperkingen te introduceren in het al zwaar belaste mondiale landschap van internationale handel; dringt erop aan in dit verband buitensporige bureaucratie te vermijden; stelt vast dat een van de gevolgen van de maatregelen zal zijn het risico van een verlegging van de productie naar landen buiten de EU te voorkomen, aangezien door een dergelijke verplaatsing de inspanningen van de EU om de emissies te verminderen en het internationale milieubeschermingsbeleid van de EU te bevorderen, worden tenietgedaan;

4. merkt op dat, met het oog op de verenigbaarheid met de WTO-regels, de bepalingen van de Algemene Overeenkomst inzake Tarieven en Handel (GATT), zoals artikel I (het beginsel van de behandeling als meest begunstigde natie), artikel III (het beginsel van nationale behandeling) en, indien nodig, artikel XX (algemene uitzonderingen), de basis kunnen vormen voor elk ontwerp-mechanisme voor koolstofcorrectie aan de grens aan de grens, en dat dit louter gebaseerd moet zijn op milieuoverwegingen: het verminderen van de wereldwijde CO2-emissies en het voorkomen van koolstoflekkage;

5. dringt aan op een grondige effectbeoordeling die medio 2021 samen met het wetsvoorstel moet worden ingediend, op maximale transparantie en op stimulansen voor samenwerking met en deelneming van de WTO en de handelspartners van de EU, in coördinatie met het Europees Parlement; merkt op dat de effectbeoordeling moet worden uitgevoerd met als doel het risico van koolstoflekkage en bijgevolg de totale wereldwijde emissies te verminderen; verzoekt derhalve de Commissie de volgende aspecten in de effectbeoordeling op te nemen:

a. de gevolgen van het mechanisme voor koolstofcorrectie aan de grens voor de duurzame innovatie en de veranderende handelsstromen en toeleveringsketens;

b. een evaluatie van de toegevoegde waarde van het mechanisme voor koolstofcorrectie aan de grens in vergelijking met alternatieve opties;

c. mogelijke proefsectoren voor een vroegtijdige toepassing waarin de koolstofgehalten van goederen gemakkelijk kunnen worden bepaald;

d. de mogelijke weerslag op de industrie in de EU van een mechanisme dat louter toegespitst is op basismaterialen, hetgeen tot gevolg kan hebben dat er meer halffabricaten en afgewerkte producten worden ingevoerd waarop het mechanisme niet van toepassing is, vooral wanneer het mechanisme de bestaande maatregelen tegen koolstoflekkage vervangt;

e. of en hoe de energiesector moet worden opgenomen in het specifieke geval van invoer van met koolstofrijke brandstoffen geproduceerde elektriciteit;

f.  de mogelijke gevolgen voor EU-bedrijven, vooral kmo’s, ten aanzien van de internationale concurrentie, indien de onderdelen van producten duurder zijn;

g. een analyse van een combinatie van belangrijke variabelen, met inbegrip van sectoren, landen en broeikasgasemissies, die in het mechanisme voor koolstofcorrectie aan de grens worden opgenomen, evenals hun samenhang met bestaande maatregelen tegen koolstoflekkage;

h. speciale aandacht voor de minst ontwikkelde landen en ontwikkelingslanden om ervoor te zorgen dat een mechanisme voor koolstofcorrectie aan de grens geen negatieve impact heeft op hun ontwikkeling;

6. wijst erop dat in de effectbeoordeling nauwgezet moet worden gekeken naar de wijze waarop het mechanisme voor koolstofcorrectie aan de grens in wisselwerking zou staan met de bestaande maatregelen tegen koolstoflekkage in het kader van het EU-emissiehandelssysteem (ETS), en ook naar de vraag of de huidige maatregelen of gratis toewijzingen een aanvulling moeten vormen op het mechanisme voor koolstofcorrectie aan de grens in de beginfase en of zij moeten worden afgeschaft waarbij dubbele bescherming en discriminatie van invoer moet worden voorkomen, alsmede de vraag of dit mechanisme al dan niet geleidelijk moet worden ingevoerd met het oog op verenigbaarheid met de WTO, waarbij de voorspelbaarheid en stabiliteit voor EU-bedrijven moeten worden gehandhaafd;

7. beklemtoont dat elk mechanisme voor de industriële sectoren in de EU en daarbuiten een stimulans moet bieden om schone en concurrerende producten te produceren, en koolstoflekkage moet voorkomen, zonder de handelsmogelijkheden in gevaar te brengen; wijst op de rol die een dergelijk mechanisme, indien het evenwichtig is en op een passende manier wordt toegepast, kan spelen in energie-intensieve sectoren, zoals de staal-, cement- en aluminiumsector, gezien de handelsintensiteit in deze sectoren en hun deelname aan het ETS;

8. merkt op dat het mechanisme voor koolstofcorrectie aan de grens deel uitmaakt van de Europese Green Deal en een instrument vormt om in 2050 het doel van netto nul broeikasgasemissies te bereiken; merkt op dat de koolstof- en handelsintensiefste industriële sectoren direct of indirect door het mechanisme voor koolstofcorrectie aan de grens kunnen worden getroffen en dat deze sectoren gedurende het gehele proces moeten worden geraadpleegd; constateert voorts dat het mechanisme voor koolstofcorrectie aan de grens zodanig van invloed kan zijn op de toeleveringsketens dat zij de koolstofkosten zouden internaliseren; benadrukt dat het mechanisme voor koolstofcorrectie aan de grens gemakkelijk te beheren moet zijn en geen onnodige financiële en administratieve lasten mag opleggen aan ondernemingen, met name kmo’s;

9. vraagt dat met de inkomsten uit het mechanisme voor koolstofcorrectie aan de grens mondiale en Europese klimaatmaatregelen worden ondersteund; stelt voor dat de inkomsten opnieuw in de EU-begroting worden geïnvesteerd voor onderzoek, innovatie en de ontwikkeling van koolstofneutrale technologieën ter ondersteuning van de duurzame transitie van de industrie, en in klimaatsteun om te zorgen voor verenigbaarheid met de WTO;

10. maakt zich ernstig zorgen over de uitholling van het multilateraal handelsstelsel; doet een beroep op de Commissie om actief met de regeringen van handelspartners samen te werken om te zorgen voor een aanhoudende dialoog over dit initiatief en aldus stimulansen te bieden voor klimaatmaatregelen, zowel binnen de Unie als door haar handelspartners; beklemtoont dat het handelsbeleid kan en moet worden gebruikt om een positieve milieuagenda te bevorderen en grote verschillen in de niveaus van milieuambitie tussen de EU en de rest van de wereld te vermijden, en dat een mechanisme voor koolstofcorrectie aan de grens moet worden opgezet als een aanvullende maatregel bovenop de maatregelen in het kader van de hoofdstukken handel en duurzame ontwikkeling van de vrijhandelsovereenkomsten van de EU; benadrukt dat het initiatief uiteindelijk wereldwijde maatregelen tot doel moet hebben die het mechanisme voor koolstofcorrectie aan de grens overbodig maken, naarmate de rest van de wereld de CO2-emissies vermindert tot het ambitieuze niveau dat de EU zich heeft gesteld; is daarom van mening dat een mechanisme voor koolstofcorrectie aan de grens moet worden beschouwd als een middel om te helpen dit proces te versnellen en niet als een manier om het protectionisme te doen toenemen; verwacht dat de Commissie het initiatief neemt tot onderhandelingen over een mondiale aanpak in het kader van de WTO of de G20;

11. pleit voor een berekeningsmethode voor koolstofgehalten dat niet discrimineert tussen producenten uit de EU en derde landen, en dat zo dicht mogelijk bij het daadwerkelijke koolstofgehalte van de betrokken goederen komt; wijst op de moeilijkheden in verband met de berekening van het koolstofgehalte van producten uit de EU-lidstaten en derde landen, en dringt aan op voortdurende inspanningen om ervoor te zorgen dat het koolstofgehalte van producten vergelijkbaar is; wijst erop dat technologie voor het opsporen en traceren van het koolstofgehalte en de koolstofprestaties van complexe producten nuttig kan zijn bij de toepassing van een mechanisme voor koolstofcorrectie aan de grens op deze producten; merkt op dat het mechanisme voor koolstofcorrectie aan de grens aan landen en producenten stimulansen moet bieden voor het delen van informatie over koolstofbeprijzing en het koolstofgehalte van producten;

12. is van mening dat de internationale handel en het handelsbeleid essentiële factoren voor de transitie naar een klimaatneutrale, hulpbronnenefficiënte, circulaire wereldeconomie zijn en als zodanig de wereldwijde inspanningen ter verwezenlijking van de VN-doelstellingen inzake duurzame ontwikkeling en de Overeenkomst van Parijs ondersteunen; is van mening dat er dringend behoefte is aan een omvattende hervorming van de WTO, zodat zij eerlijke handel kan waarborgen en tegelijk de opwarming van de aarde tegengaan; merkt op dat de GATT-regels uit 1947 dateren en is van mening dat zij moeten worden herbekeken tegen de achtergrond van de huidige klimaatcrisis; verwacht dat de Commissie snel initiatieven neemt om de WTO te hervormen, zodat zij verenigbaar wordt met de klimaatdoelstellingen; verzoekt de Commissie haar inspanningen op te voeren voor het verwezenlijken van de mondiale CO2-beprijzing en het bevorderen van de handel in technologieën voor de bescherming van klimaat en milieu, bijvoorbeeld door middel van initiatieven op het gebied van het handelsbeleid, zoals de WTO-overeenkomst inzake milieugoederen.

 


INFORMATIE OVER DE GOEDKEURING IN DE ADVISERENDE COMMISSIE

Datum goedkeuring

10.12.2020

 

 

 

Uitslag eindstemming

+:

–:

0:

34

2

5

Bij de eindstemming aanwezige leden

Barry Andrews, Anna-Michelle Asimakopoulou, Tiziana Beghin, Geert Bourgeois, Udo Bullmann, Jordi Cañas, Daniel Caspary, Miroslav Číž, Arnaud Danjean, Paolo De Castro, Emmanouil Fragkos, Raphaël Glucksmann, Enikő Győri, Roman Haider, Christophe Hansen, Heidi Hautala, Danuta Maria Hübner, Herve Juvin, Karin Karlsbro, Maximilian Krah, Danilo Oscar Lancini, Bernd Lange, Margarida Marques, Gabriel Mato, Sara Matthieu, Emmanuel Maurel, Carles Puigdemont i Casamajó, Samira Rafaela, Inma Rodríguez-Piñero, Massimiliano Salini, Helmut Scholz, Sven Simon, Dominik Tarczyński, Mihai Tudose, Kathleen Van Brempt, Marie-Pierre Vedrenne, Jörgen Warborn, Jan Zahradil

Bij de eindstemming aanwezige vaste plaatsvervangers

Marco Campomenosi, Nicola Danti, Manuela Ripa

 


HOOFDELIJKE EINDSTEMMING IN DE ADVISERENDE COMMISSIE

34

+

PPE

Anna-Michelle Asimakopoulou, Daniel Caspary, Arnaud Danjean, Enikő Győri, Christophe Hansen, Danuta Maria Hübner, Gabriel Mato, Massimiliano Salini, Sven Simon, Jörgen Warborn

S&D

Udo Bullmann, Miroslav Číž, Paolo De Castro, Raphaël Glucksmann, Bernd Lange, Margarida Marques, Inma Rodríguez-Piñero, Mihai Tudose, Kathleen Van Brempt

RENEW

Barry Andrews, Jordi Cañas, Karin Karlsbro, Samira Rafaela, Nicola Danti, Marie-Pierre Vedrenne

ID

Herve Juvin, Danilo Oscar Lancini, Marco Campomenosi

VERTS/ALE

Manuela Ripa, Heidi Hautala, Sara Matthieu

ECR

Emmanouil Fragkos

NI

Tiziana Beghin, Carles Puigdemont i Casamajó

 

2

-

ID

Roman Haider, Maximilian Krah

 

5

0

ECR

Geert Bourgeois, Dominik Tarczynski, Jan Zahradil

GUE/NGL

Emmanuel Maurel, Helmut Scholz

 

Verklaring van de gebruikte tekens:

+ : voor

- : tegen

0 : onthouding

 

 


ADVIES VAN DE COMMISSIE ECONOMISCHE EN MONETAIRE ZAKEN (11.12.2020)

<CommissionInt>aan de Commissie milieubeheer, volksgezondheid en voedselveiligheid</CommissionInt>


<Titre>inzake “op weg naar een met de WTO verenigbaar EU-mechanisme voor koolstofcorrectie aan de grens”</Titre>

<DocRef>(2020/2043(INI))</DocRef>

Rapporteur voor advies (*): <Depute>Luis Garicano</Depute>

 

(*) Medeverantwoordelijke commissie – Artikel 57 van het Reglement

 

 

SUGGESTIES

De Commissie economische en monetaire zaken verzoekt de bevoegde Commissie milieubeheer, volksgezondheid en voedselveiligheid onderstaande suggesties in haar ontwerpresolutie op te nemen:

1. is van oordeel dat het mechanisme voor koolstofcorrectie aan de grens eerst en vooral tot doel moet hebben klimaatverandering te bestrijden en bij te dragen aan de verwezenlijking van de klimaatdoelstellingen van de EU door het risico van koolstoflekkage aan te pakken en stimulansen te bieden voor investeringen in groene en energie-efficiënte technologieën op EU- en mondiaal niveau, en daarbij bij te dragen aan de mondiale reductie van broeikasgasemissies; is van mening dat het uiteindelijke doel het ontwikkelen van een doeltreffend mondiaal klimaatbeleid moet zijn;

2. is van oordeel dat de onlangs in het kader van de Europese Green Deal vastgestelde doelstelling van het tegen 2050 bereiken van klimaatneutraliteit, de door het Parlement overeengekomen doelstelling van een reductie van de broeikasgasemissies met ten minste 60 % tegen 2030, alsook de internationale verbintenissen die de Unie in het kader van de Overeenkomst van Parijs is aangegaan aanzienlijke decarbonisatie-inspanningen op EU-niveau zullen vergen, resulterend in een (waarschijnlijk veel) hogere koolstofprijs voor binnenlandse producenten in het kader van het EU-emissiehandelssysteem (EU-ETS) (in vergelijking met de huidige prijs); is dan ook van oordeel dat, bij ontstentenis van een mondiale prijs voor koolstofemissies, het risico van koolstoflekkage wel eens zou kunnen toenemen; verwelkomt het in dit verband dat de Raad en de Commissie toezeggen een met de WTO verenigbaar EU-mechanisme voor koolstofcorrectie aan de grens te zullen invoeren dat waarborgt dat de prijs van importen het koolstofgehalte daarvan weerspiegelt, hetgeen bijdraagt aan de totstandbrenging van een gelijk speelveld voor EU-producenten en producenten uit derde landen, en waarborgt dat de klimaatdoelstellingen van de EU niet worden ondermijnd door de verplaatsing van productie en/of een toename van importen uit landen met een minder ambitieus klimaatbeleid, én bijdraagt aan een rechtvaardige transitie;

3. stelt vast dat de Commissie momenteel alle opties voor de invoering van een mechanisme voor koolstofcorrectie aan de grens in kaart brengt, uiteenlopend van fiscale instrumenten tot mechanismen die op het EU-ETS stoelen; beklemtoont dat een accijns (of belasting) op het koolstofgehalte van alle geconsumeerde producten (zowel in de EU gemaakt, als in derde landen) het risico van koolstoflekkage niet volledig elimineert, technisch ingewikkeld is gezien de complexiteit van het traceren van koolstof in mondiale waardeketens, en consumenten zwaar zou kunnen belasten; is van oordeel dat, om het risico van koolstoflekkage aan te pakken en tegelijkertijd verenigbaar te zijn met de regels van de WTO, het mechanisme voor koolstofcorrectie aan de grens het koolstofgehalte van importen moet belasten op een wijze die een weerspiegeling vormt van de koolstofkosten die EU-producenten betalen; is in dit verband van oordeel dat het mechanisme één enkele koolstofprijs moet hanteren voor zowel EU-producenten als importeurs, teneinde compatibel te zijn met het WTO-beginsel van non-discriminatie; is van oordeel dat de optie die het best de door EU-producenten betaalde koolstofkosten weerspiegelt én in automatische prijsaanpassing voorziet én met het non-discriminatiebeginsel strookt, een op het EU-ETS stoelend mechanisme is; spoort de Commissie derhalve aan te kiezen voor een mechanisme dat importeurs ertoe zou verplichten rechten te kopen voor het volume aan koolstofemissies in hun producten; denkt dat dit kan worden gerealiseerd middels de vorming van een specifieke, aan ETS-prijzen gelinkte pool van rechten voor importen (een denkbeeldig ETS), of middels de integratie van importeurs in de bestaande pool van rechten van het EU-ETS; wijst erop dat dit laatste mogelijkerwijs voor bijkomende technische uitdagingen zorgt, zoals het waarborgen van prijsstabiliteit (hetgeen misschien kan worden gerealiseerd via het tot een passend niveau optrekken van het bestaande plafond en het gebruiken van de marktstabiliteitsreserve) en het introduceren van waarborgen om het risico van eventuele marktinterferentie te vermijden; erkent dat een vaste heffing of belasting op importen een eenvoudig instrument kan zijn om een sterk en stabiel milieuprijssignaal voor geïmporteerde koolstof af te geven; is evenwel van oordeel dat een dergelijke belasting, vanwege de vaste aard ervan, een minder flexibel instrument zou zijn om de evoluerende prijs van het EU-ETS te weerspiegelen; beklemtoont dat, in de praktijk, een evoluerende belasting die automatisch de prijs van het EU-ETS weerspiegelt, equivalent zou zijn aan een denkbeeldig ETS; erkent dat, indien voor een mechanisme voor koolstofcorrectie aan de grens van fiscale aard wordt gekozen, als rechtsgrond voor artikel 192, lid 2, VWEU zou kunnen worden gekozen; hamert erop dat het mechanisme voor koolstofcorrectie aan de grens in eerste instantie een milieudoel dient en dat dientengevolge milieucriteria het zwaarst moeten wegen bij de keuze van het instrument; benadrukt dan ook dat het gekozen instrument voor een voorspelbare en voldoende hoge koolstofprijs moet zorgen die aanzet tot decarbonisatie-investeringen, teneinde bij te dragen tot verwezenlijking van de doelstellingen van de Overeenkomst van Parijs;

4. is van oordeel dat het mechanisme voor koolstofcorrectie aan de grens idealiter van toepassing moet zijn op alle importen (van grondstoffen tot halffabrikaten en eindproducten) met onder het EU-ETS vallende basismaterialen, teneinde verstoringen tussen producten op de interne markt en in de waardeketen te vermijden; onderkent de technische moeilijkheden om het mechanisme reeds in 2023 van toepassing te laten zijn op alle onder het EU-ETS vallende basismaterialen, en begrijpt dat in de eerste fase misschien prioriteit moet worden toegekend aan sectoren met een hoog risico van koolstoflekkage; waarschuwt de Commissie evenwel voor de potentiële schade aan EU-industrieën indien niet alle sectoren van het EU-ETS onder het mechanisme zouden vallen en verzoekt haar een voorstel te presenteren met een zo breed mogelijk toepassingsgebied; verzoekt de Commissie, indien zij voor een stapsgewijze benadering opteert, tegelijkertijd ook een bindende routekaart te presenteren voor het verruimen van het toepassingsgebied van het mechanisme in kwestie;

5. vindt dat het mechanisme voor koolstofcorrectie aan de grens het koolstofgehalte van onder zijn toepassingsgebied vallende importen idealiter zo precies mogelijk moet meten; beveelt desalniettemin aan het mechanisme zó op te zetten dat het koolstofgehalte van alle importen objectief wordt gemeten aan de hand van de samenstelling van hun basismaterialen (zoals aangegeven in het voorstel van het Europees Economisch en Sociaal Comité); wijst erop dat deze approximatie elk basismateriaal dat onder het EU-ETS valt, zou meten en zou vermenigvuldigen met een corresponderende koolstofintensiteitswaarde; beklemtoont evenwel dat importeurs de mogelijkheid moeten krijgen om, overeenkomstig de EU-normen voor monitoring, rapportage en verificatie (MRV) van het EU-ETS, te bewijzen dat het koolstofgehalte van hun producten onder die waarde ligt en dus in aanmerking te komen voor een dienovereenkomstig aangepast te betalen bedrag, teneinde innovatie en investeringen in duurzame technologieën overal in de wereld te bevorderen; denkt niet dat dit een onevenredig zware last voor kmo’s oplevert; benadrukt dat de invoering van het mechanisme moet worden ondersteund door een reeks EU-normen die moeten voorkomen dat het mechanisme wordt omzeild of onrechtmatig wordt gebruikt, en voor het beheer ervan een sterke, onafhankelijke infrastructuur behoeft;

6. stelt voor de implementatie van het mechanisme voor koolstofcorrectie aan de grens, na een passende overgangsperiode, te koppelen aan de geleidelijke (volledige) uitfasering van de gratis toewijzing van rechten, aangezien het mechanisme bedoeld is te waarborgen dat EU-producenten en importeurs met dezelfde koolstofkosten op de markt van de EU worden geconfronteerd; benadrukt dat de uitfasering van de gratis toewijzing van rechten gedurende een overgangsperiode volgens een voorspelbaar tijdschema moet gebeuren; is van oordeel dat de overgangsperiode hulpbronnen- en energie-intensieve industrieën regelgevingszekerheid moet bieden; beklemtoont dat er geen sprake moet zijn van dubbele bescherming en dat het mechanisme met de WTO verenigbaar moet zijn; is van oordeel dat het mechanisme voor koolstofcorrectie aan de grens met het oog hierop de waarde van de gratis toewijzingen moet afleiden van het te betalen bedrag dat importeurs in rekening wordt gebracht, zodat het mechanisme en gratis toewijzingen naast elkaar kunnen bestaan zonder in dubbele compensatie te resulteren en toch WTO-compatibel te zijn; geeft aan dat deze uitfasering gekoppeld moet worden aan de invoering van WTO-compatibele en bij de milieudoelstellingen van de EU aansluitende ondersteunende maatregelen voor exporten; verzoekt de Commissie te onderzoeken of gedeeltelijke exportkortingen mogelijk zijn op basis van de bestaande benchmarklogica van de meest koolstofefficiënte producenten, waarbij niet meer dan het huidige niveau van gratis toegewezen rechten wordt vergoed, teneinde krachtige decarbonisatiestimulansen te handhaven, in combinatie met garanties betreffende een gelijk speelveld voor EU-exporten;

7. beklemtoont dat het mechanisme voor koolstofcorrectie aan de grens moet waarborgen dat importeurs van derde landen niet twee keer moeten betalen voor het koolstofgehalte van hun producten, teneinde te zorgen voor gelijke behandeling en non-discriminatie; verzoekt de Commissie zorgvuldig te kijken naar de gevolgen van de verschillende opties voor het mechanisme voor koolstofcorrectie aan de grens voor de minst ontwikkelde landen;

8. dringt erop aan de opbrengsten van het mechanisme voor koolstofcorrectie aan de grens als EU-inkomsten te beschouwen;

9. beschouwt het bovenstaande voorstel als een sterke basis voor compatibiliteit met de WTO-regels, aangezien het geen onderscheid maakt tussen producenten enerzijds en importeurs anderzijds (of tussen producenten en importeurs onderling), op transparante en wetenschappelijke criteria stoelt, en bijdraagt tot zijn voornaamste doelstelling van bescherming van het milieu en de gezondheid; verzoekt de Commissie bilaterale en multilaterale gesprekken met handelspartners te voeren om de invoering van het mechanisme voor koolstofcorrectie aan de grens te versoepelen en tegenmaatregelen te vermijden; steunt de Commissie bij haar inspanningen op het vlak van milieuduurzaamheid in WTO-verband, teneinde het internationale handelsrecht af te stemmen op de doelstellingen van de Overeenkomst van Parijs; verzoekt de Commissie het Parlement bij alle stadia van de ontwikkeling van het mechanisme voor koolstofcorrectie aan de grens te betrekken; dringt aan op de ontwikkeling van een monitoringmechanisme en een herzieningsproces waarbij het Parlement zo nauw mogelijk wordt betrokken.


INFORMATIE OVER DE GOEDKEURING IN DE ADVISERENDE COMMISSIE

Datum goedkeuring

10.12.2020

 

 

 

Uitslag eindstemming

+:

–:

0:

39

7

8

Bij de eindstemming aanwezige leden

Gunnar Beck, Marek Belka, Isabel Benjumea Benjumea, Stefan Berger, Gilles Boyer, Francesca Donato, Derk Jan Eppink, Engin Eroglu, Jonás Fernández, Raffaele Fitto, Frances Fitzgerald, José Manuel García-Margallo y Marfil, Sven Giegold, Valentino Grant, Claude Gruffat, José Gusmão, Enikő Győri, Danuta Maria Hübner, Othmar Karas, Billy Kelleher, Aurore Lalucq, Philippe Lamberts, Aušra Maldeikienė, Pedro Marques, Jörg Meuthen, Csaba Molnár, Siegfried Mureşan, Caroline Nagtegaal, Luděk Niedermayer, Lefteris Nikolaou-Alavanos, Lídia Pereira, Kira Marie Peter-Hansen, Sirpa Pietikäinen, Dragoș Pîslaru, Antonio Maria Rinaldi, Joachim Schuster, Ralf Seekatz, Pedro Silva Pereira, Paul Tang, Irene Tinagli, Ernest Urtasun, Inese Vaidere, Johan Van Overtveldt, Stéphanie Yon-Courtin, Marco Zanni, Roberts Zīle

Bij de eindstemming aanwezige vaste plaatsvervangers

Marc Angel, Manon Aubry, Gabriele Bischoff, Damien Carême, Eugen Jurzyca, Chris MacManus, Margarida Marques, Andreas Schwab

 


 

HOOFDELIJKE EINDSTEMMING IN DE ADVISERENDE COMMISSIE

39

+

GUE/NGL

Manon Aubry, José Gusmão

PPE

Isabel Benjumea Benjumea, Stefan Berger, Frances Fitzgerald, José Manuel García Margallo y Marfil, Danuta Maria Hübner, Othmar Karas, Aušra Maldeikienė, Siegfried Mureşan, Luděk Niedermayer, Lídia Pereira, Sirpa Pietikäinen, Andreas Schwab, Ralf Seekatz, Inese Vaidere

Renew

Gilles Boyer, Engin Eroglu, Billy Kelleher, Dragoș Pîslaru, Stéphanie Yon Courtin

S&D

Marc Angel, Marek Belka, Gabriele Bischoff, Jonás Fernández, Aurore Lalucq, Margarida Marques, Pedro Marques, Csaba Molnár, Joachim Schuster, Pedro Silva Pereira, Paul Tang, Irene Tinagli

Verts/ALE

Damien Carême, Sven Giegold, Claude Gruffat, Philippe Lamberts, Kira Marie Peter Hansen, Ernest Urtasun

 

7

-

ECR

Derk Jan Eppink, Eugen Jurzyca, Roberts Zīle

ID

Gunnar Beck, Jörg Meuthen

NI

Lefteris Nikolaou Alavanos

PPE

Enikő Győri

 

8

0

ECR

Raffaele Fitto, Johan Van Overtveldt

GUE/NGL

Chris MacManus

ID

Francesca Donato, Valentino Grant, Antonio Maria Rinaldi, Marco Zanni

Renew

Caroline Nagtegaal

 

Verklaring van de gebruikte tekens:

+ : voor

- : tegen

0 : onthouding

 

 


 

ADVIES VAN DE BEGROTINGSCOMMISSIE (11.12.2020)

<CommissionInt>aan de Commissie milieubeheer, volksgezondheid en voedselveiligheid</CommissionInt>


<Titre>inzake “op weg naar een met de WTO verenigbaar EU-mechanisme voor koolstofcorrectie aan de grens”</Titre>

<DocRef>(2020/2043(INI))</DocRef>

Rapporteur voor advies: <Depute>Elisabetta Gualmini</Depute>

 

SUGGESTIES

De Begrotingscommissie verzoekt de bevoegde Commissie milieubeheer, volksgezondheid en voedselveiligheid onderstaande suggesties in haar ontwerpresolutie op te nemen:

1. herinnert eraan dat een mechanisme voor koolstofcorrectie aan de grens (CBAM) al geruime tijd als mogelijkheid wordt gezien voor een echte, groene bron van eigen middelen voor de EU-begroting en behoort tot het “pakket” aan voorkeursopties voor eigen middelen, zoals opgenomen in de wetgevingsresolutie van het Parlement van 16 september 2020[10];

2. erkent dat het CBAM in de eerste plaats tot doel moet hebben het klimaat te beschermen, het probleem van koolstoflekkage te verhelpen, een gelijk speelveld voor decarbonisatiekosten tot stand te brengen, de vraag naar koolstofarme producten en processen te doen toenemen, concurrentie- en handelsverstoringen te voorkomen, en het concurrentievermogen van de industrie in de EU in stand te houden; benadrukt dat het CBAM de EU zal helpen haar klimaatdoelstellingen te halen, en tegelijkertijd een gelijk speelveld in de internationale handel zal garanderen en de productieverplaatsing naar derde landen met minder ambitieuze milieuregelgeving zal terugdringen, met inachtneming van het beginsel dat de vervuiler betaalt, hetgeen de rest van de wereld moet aanmoedigen klimaatmaatregelen te nemen in lijn met de Overeenkomst van Parijs en de Europese Green Deal; is van mening dat de invoering van een CBAM uiteindelijk zal leiden tot meer innovatie en investeringen in groenere technologieën; beklemtoont bovendien dat bij het ontwerpen van het CBAM het hoogste niveau van milieu-integriteit in acht moet worden genomen;

3. verzoekt de Commissie om vóór zij een wetgevingsvoorstel doet, een grondige effectbeoordeling te verrichten van de verschillende ontwerpen voor de tenuitvoerlegging van het CBAM; dringt erop aan dat in deze effectbeoordeling vanaf het begin rekening wordt gehouden met verschillende scenario’s, zoals de mogelijkheid om alle huidige en toekomstige sectoren van het emissiehandelssysteem (ETS) te omvatten, en met de specifieke eigenschappen van de sectoren die eventueel onder het mechanisme kunnen vallen; acht het onontbeerlijk dat bij de beoordeling wordt nagegaan welke gevolgen de verschillende modellen hebben voor het vermogen om broeikasgasemissies terug te dringen, de economische en sociale gevolgen voor de industrie in de EU, met bijzondere aandacht voor kmo’s, het concurrentievermogen van EU-exporteurs en mogelijke tegenmaatregelen van derde landen en hun leveranciers ten aanzien van het bedrijfsleven in de EU; is tegelijkertijd van oordeel dat, om sterke stimulansen voor het koolstofarm maken van de economie te handhaven en een gelijk speelveld voor EU-goederen op derde markten te waarborgen, in de effectbeoordeling ook moet worden gekeken naar de voordelen en waarschijnlijke gevolgen van exportkortingen (ook indien gefaseerd) in de sectoren die wel en niet onder het CBAM vallen, alsook naar hun complementariteit met de maatregelen inzake koolstoflekkage in het kader van de ETS-regeling; benadrukt dat het belangrijk is dat voor elke optie een analyse wordt gemaakt van de gevolgen voor de levensstandaard van consumenten, met name uit kwetsbaardere groepen, en de gevolgen voor inkomsten; verzoekt de Commissie in de effectbeoordeling ook rekening te houden met de gevolgen die de inkomsten uit het CBAM als eigen middelen hebben voor de EU-begroting, afhankelijk van het ontwerp en de gekozen modaliteiten;

4. onderstreept dat het belangrijk is dat verstoringen van de interne markt en protectionistische maatregelen tegen de EU worden vermeden; merkt op dat de grotere ambities van de EU op het gebied van de klimaatverandering leiden tot een verhoogd risico op koolstoflekkage, vanwege de lagere milieunormen en het gebrek aan ambitieuze klimaatmaatregelen in derde landen; verzoekt de Commissie dan ook in al haar beleidsmaatregelen te zorgen voor een volledige bescherming tegen koolstoflekkage; stelt voor het mechanisme niet-discriminerend, progressief, en met de Wereldhandelsorganisatie verenigbaar te maken, en moedigt de Commissie met klem aan open te staan voor een multilaterale aanpak die effectief kan bijdragen aan mondiale klimaatmaatregelen in overeenstemming met de Overeenkomst van Parijs en die vergeldingsmaatregelen tegen de economie van de EU kan voorkomen; dringt er bij de Commissie op aan tegelijkertijd multilaterale WTO-hervormingen na te streven die het internationale handelsrecht afstemmen op de doelstellingen van de Overeenkomst van Parijs; is van oordeel dat het, gezien de wereldwijde pandemie en de daaruit voortvloeiende economische crises, des te meer noodzakelijk is internationaal beleid te ontwikkelen dat de eisen inzake klimaatactie kan verzoenen met een sterk concurrentievermogen van de industrie en eerlijke handel;

5. erkent dat het CBAM kan worden toegepast als een uitbreiding van de huidige regeling voor douanerechten of als een aanvullende regeling binnen het bestaande ETS-kader; benadrukt dat beide benaderingen volledig in overeenstemming kunnen zijn met een initiatief inzake eigen middelen; benadrukt dat het tweede model, dat overeenkomstig de ETS-normen gecentraliseerd is voor sectoren en koolstofprijzen, de totstandbrenging van gelijkwaardige koolstofbeprijzingsniveaus voor EU- en niet-EU-producten bevordert, en aldus een gelijk speelveld in de internationale handel garandeert en verenigbaarheid met het WTO-recht verzekert, met name met artikel III van de Algemene Overeenkomst betreffende tarieven en handel (GATT); wijst erop dat het definitieve mechanisme uiteindelijk een zo groot mogelijk deel van de invoer moet bestrijken, maar dat het CBAM in een initiële fase moet worden beperkt tot specifieke, op basis van de effectbeoordeling gekozen sectoren van de economie;

6. herinnert eraan dat het Parlement, de Raad en de Commissie in het Interinstitutioneel Akkoord betreffende de begrotingsdiscipline, de samenwerking in begrotingszaken en een goed financieel beheer, alsmede betreffende nieuwe eigen middelen, met inbegrip van een routekaart voor de invoering van nieuwe eigen middelen (IIA), zijn overeengekomen in het volgende meerjarig financieel kader (MFK) nieuwe eigen middelen te creëren, waaronder het CBAM; benadrukt dat het oriënteren van de geldstromen uit het CBAM naar de EU-begroting zal helpen om de kwestie van fiscale gelijkwaardigheid op te lossen, en zal zorgen voor een billijk verdeelde impact in de lidstaten en een slanke structuur met minimale algemene beheerskosten; concludeert derhalve dat het definiëren van de opbrengsten als eigen middelen van de EU zal zorgen voor een lager aandeel van de bni-bijdragen in de financiering van de EU-begroting en zal helpen om de impact van het CBAM billijk te verdelen onder de lidstaten; is van oordeel dat besparingen op nationaal niveau als gevolg van de lagere bni-bijdragen de lidstaten meer fiscale ruimte zullen geven; beklemtoont dat de toepassing van het mechanisme gepaard moet gaan met de afschaffing van milieuschadelijke subsidies voor energie-intensieve bedrijfstakken, met name belastingvrijstellingen en -verminderingen voor het energiegebruik van energie-intensieve sectoren;

7. is ingenomen met het feit dat het CBAM, wanneer dit een basis voor eigen middelen wordt, zoals is vastgelegd in het IIA, de ontvangstenzijde van de EU-begroting beter zal afstemmen op strategische beleidsdoelstellingen zoals de Europese Green Deal, de strijd tegen de klimaatverandering en de circulaire economie, en dat dit ook zal bijdragen tot het genereren van nevenvoordelen, stimulansen en EU-meerwaarde; is van mening dat de opbrengsten van het CBAM gezien hun aard en oorsprong strikt verband houden met het beleid inzake klimaat, buitengrenzen en handel op EU-niveau, en bijgevolg een uitermate geschikte basis vormen voor eigen middelen van de EU; benadrukt dat de inkomsten uit het CBAM om redenen van milieu-integriteit dus niet zullen worden gebruikt om beleid of maatregelen te subsidiëren die indruisen tegen de Overeenkomst van Parijs en de doelstellingen van de Europese Green Deal;

8. beklemtoont dat het broeikasgasemissiegehalte van de betrokken invoer moet worden berekend op basis van transparante en betrouwbare productspecifieke benchmarks die het wereldwijde gemiddelde broeikasgasemissiegehalte van individuele producten weergeven, waarbij rekening wordt gehouden met verschillende productiemethoden en hun uiteenlopende emissie-intensiteit; is van mening dat bij de vaststelling van koolstofprijzen voor invoer eveneens rekening moet worden gehouden met de landspecifieke koolstofintensiteit van het elektriciteitsnet;

9. neemt nota van de diverse voorzichtige ramingen van de inkomsten, gaande van 5 tot 14 miljard EUR per jaar, afhankelijk van het toepassingsgebied en het ontwerp van het nieuwe instrument; benadrukt dat de EU-begroting in alle gevallen bijzonder geschikt is om schommelingen langs ontvangstenzijde of zelfs regressieve effecten op de lange termijn op te vangen;

10. is vastbesloten ervoor te zorgen dat de eigen middelen op basis van het CBAM deel zullen uitmaken van een pakket aan eigen middelen dat het niveau van de totale uitgaven kan dekken die naar verwachting nodig zullen zijn voor de aflossing van de hoofdsom en de rente van de leningen die in het kader van NextGenerationEU zijn aangegaan, en dit met inachtneming van het universaliteitsbeginsel; herinnert er bovendien aan dat overschotten van het aflossingsplan in de EU-begroting moeten blijven als algemene inkomsten; onderstreept dat elke vorm van bestemming van de inkomsten van het CBAM strijdig zou zijn met het IIA, het besluit betreffende de eigen middelen en het Financieel Reglement;

11. herinnert eraan dat de invoering van een pakket aan eigen middelen, zoals is vastgelegd in de routekaart voor de invoering van nieuwe eigen middelen in het kader van het Interinstitutioneel Akkoord, kan helpen de uitgaven op het niveau van de Unie beter toe te spitsen op prioritaire gebieden en collectieve goederen, wat vergeleken met nationale uitgaven veel efficiënter is; herinnert eraan dat als een van de drie instellingen zich niet houdt aan de in het IIA vastgelegde afspraken, de andere instellingen dat juridisch kunnen aanvechten;

12. roept de instellingen op om actief gevolg te geven, naar de geest en de letter, aan de routekaart voor de invoering van nieuwe eigen middelen in het kader van het Interinstitutioneel Akkoord, waarin is bepaald dat deze nieuwe eigen middelen uiterlijk op 1 januari 2023 in werking treden.


INFORMATIE OVER DE GOEDKEURING IN DE ADVISERENDE COMMISSIE

Datum goedkeuring

10.12.2020

 

 

 

Uitslag eindstemming

+:

–:

0:

33

2

4

Bij de eindstemming aanwezige leden

Rasmus Andresen, Robert Biedroń, Anna Bonfrisco, Olivier Chastel, Lefteris Christoforou, David Cormand, Paolo De Castro, José Manuel Fernandes, Eider Gardiazabal Rubial, Vlad Gheorghe, Elisabetta Gualmini, Francisco Guerreiro, Valérie Hayer, Eero Heinäluoma, Niclas Herbst, Monika Hohlmeier, Moritz Körner, Joachim Kuhs, Zbigniew Kuźmiuk, Ioannis Lagos, Hélène Laporte, Pierre Larrouturou, Janusz Lewandowski, Margarida Marques, Siegfried Mureşan, Victor Negrescu, Andrey Novakov, Jan Olbrycht, Dimitrios Papadimoulis, Bogdan Rzońca, Nicolae Ştefănuță, Nils Torvalds, Nils Ušakovs, Johan Van Overtveldt, Rainer Wieland, Angelika Winzig

Bij de eindstemming aanwezige vaste plaatsvervangers

Herbert Dorfmann, Niclas Herbst, Petros Kokkalis

 

 


HOOFDELIJKE EINDSTEMMING IN DE ADVISERENDE COMMISSIE

33

+

Verts/ALE

Rasmus Andresen, Damian Boeselager, David Cormand, Francisco Guerreiro

GUE/NGL

Petros Kokkalis, Dimitrios Papadimoulis

ID

Hélène Laporte

PPE

Lefteris Christoforou, Herbert Dorfmann, José Manuel Fernandes, Niclas Herbst, Monika Hohlmeier, Janusz Lewandowski, Siegfried Mureşan, Andrey Novakov, Jan Olbrycht, Rainer Wieland, Angelika Winzig

Renew

Olivier Chastel, Vlad Gheorghe, Valérie Hayer, Moritz Körner, Nicolae Ştefănuță, Nils Torvalds

S&D

Robert Biedroń, Paolo De Castro, Eider Gardiazabal Rubial, Elisabetta Gualmini, Eero Heinäluoma, Pierre Larrouturou, Margarida Marques, Victor Negrescu, Nils Ušakovs

 

2

-

ID

Joachim Kuhs

NI

Ioannis Lagos

 

4

0

ECR

Zbigniew Kuźmiuk, Bogdan Rzońca, Johan Van Overtveldt

ID

Anna Bonfrisco

 

Verklaring van de gebruikte tekens:

+ : voor

- : tegen

0 : onthouding

 

 


ADVIES VAN DE COMMISSIE INDUSTRIE, ONDERZOEK EN ENERGIE (17.12.2020)

<CommissionInt>aan de Commissie milieubeheer, volksgezondheid en voedselveiligheid</CommissionInt>


<Titre>Op weg naar een met de WTO verenigbaar EU-mechanisme voor koolstofcorrectie aan de grens</Titre>

<DocRef>(2020/2043(INI))</DocRef>

Rapporteur voor advies: <Depute>Jens Geier</Depute>

 

SUGGESTIES

De Commissie industrie, onderzoek en energie verzoekt de bevoegde Commissie milieubeheer, volksgezondheid en voedselveiligheid onderstaande suggesties in haar ontwerpresolutie op te nemen:

A. overwegende dat artikel XX van de Algemene Overeenkomst inzake Tarieven en Handel (GATT) toestaat dat leden van de Wereldhandelsorganisatie (WTO) de noodzakelijke maatregelen treffen om het leven of de gezondheid van mens, dier of plant (b), of natuurlijke hulpbronnen (g) te beschermen;

1. is ingenomen met de Overeenkomst van Parijs als een internationale verbintenis om de klimaatverandering te bestrijden en benadrukt dat de verenigbaarheid van alle internationale regelboeken met deze klimaatdoelstellingen grondig moet worden geëvalueerd; merkt op dat de EU verantwoordelijk is voor 9 % van de wereldwijde broeikasgasemissies en de op twee na grootste uitstoter van broeikasgassen ter wereld is; wijst daarnaast met bezorgdheid op het gebrek aan internationale klimaatinspanningen en maatregelen die ambitieus genoeg zijn om de in het kader van deze overeenkomst genomen besluiten uit te voeren, alsook de opzegging van de overeenkomst door de VS;

2. is ingenomen met de Europese inspanningen op dit gebied, zoals de invoering van de Europese Green Deal en het doel om een kostenefficiënte, rechtvaardige, sociaal evenwichtige en eerlijke transitie tot stand te brengen die uiterlijk in 2050 tot klimaatneutraliteit leidt; benadrukt dat een vermindering van de broeikasgasemissies met 60 % tegen 2030 overeind moet worden gehouden, en dat er tegelijkertijd voor moet worden gezorgd dat het beginsel dat de vervuiler betaalt consequent wordt toegepast;

3. meent dat asymmetrische klimaatbeschermingsmaatregelen niet voldoende zijn om klimaatverandering tegen te gaan; onderstreept dat het handelsbeleid kan en moet worden aangewend om een positieve milieuagenda te bevorderen en tegelijkertijd het concurrentievermogen van de EU te behouden, en om grote verschillen in milieuambities tussen de EU en de rest van de wereld te overbruggen; meent voorts dat een met de WTO verenigbaar EU-mechanisme voor koolstofcorrectie aan de grens (“het mechanisme”) de invoer van producten met lage emissies en de totstandkoming van technologieën en producten met lage emissies in de EU kan aanzwengelen, hetgeen leidt tot een dringend noodzakelijke vermindering van de in de EU ingevoerde emissies; is van mening dat het mechanisme kan leiden tot een toename van de internationale inspanningen om klimaatverandering tegen te gaan en een eerste stap kan zijn op weg naar internationale koolstoftarieven, mits het op een evenredige en evenwichtige manier wordt geïmplementeerd; stelt eveneens dat het mechanisme ervoor moet zorgen dat de maatregelen ter bestrijding van de klimaatverandering elkaar op internationaal niveau versterken, bijvoorbeeld door ze deel te laten uitmaken van de onderhandelingen in het kader van multilaterale milieuovereenkomsten;

4. merkt op dat de EU wereldwijd de grootste importeur van koolstof is en dat het koolstofgehalte van uit de EU uitgevoerde goederen veel lager ligt dan dat van ingevoerde goederen; leidt daaruit af dat de Europese inspanningen in de strijd tegen de klimaatverandering het gemiddelde op internationaal niveau overtreffen; benadrukt dat bij het bepalen van de algehele klimaateffecten van de Unie er een gedegen rapportagemethode nodig is waarin rekening wordt gehouden met de emissies van in de EU ingevoerde goederen en diensten;

5. benadrukt dat het mechanisme als hoofddoel heeft koolstofneutraliteit te bereiken, en internationale inspanningen op het gebied van het bestrijden van klimaatverandering aan te zwengelen; onderstreept dat het mechanisme het Europese bedrijfsleven in staat moet stellen een aanmerkelijke bijdrage te leveren aan de klimaatdoelstellingen van de EU, en derde landen in staat moet stellen een aanmerkelijke bijdrage te leveren aan de internationale klimaatdoelstellingen door aanzienlijke inspanningen te leveren om productieprocessen te decarboniseren, en onderstreept tegelijkertijd dat hiermee een gelijk speelveld voor het Europese bedrijfsleven tot stand moet worden gebracht; wijst er voorts op dat bij de koolstofbeprijzing ook de emissies die het gevolg zijn van het wegvervoer van ingevoerde producten in aanmerking moeten worden genomen; acht het noodzakelijk dat het toepassingsgebied van het mechanisme een zo groot mogelijk deel van de koolstofvoetafdruk van een product bestrijkt, d.w.z. door emissies uit energie in de productie en uiteindelijk in de waardeketen op te nemen, zonder dat dit leidt tot verstoringen van de interne markt, met name op downstreammarkten;

6. wijst erop dat voldoende internationale klimaatinspanningen, bijvoorbeeld grootschalige, robuuste en consistente internationale koolstofbeprijzing en volledig concurrerende lage-emissietechnologieën, -producten en -productieprocessen het mechanisme mettertijd achterhaald zullen maken; is van mening dat klimaatverandering een wereldomspannend probleem is dat vraagt om mondiale oplossingen, en meent derhalve dat de EU de vaststelling van een mondiaal kader voor CO2-beprijzing moet blijven steunen overeenkomstig artikel 6 van de Overeenkomst van Parijs; moedigt de Commissie aan het mechanisme op te zetten volgens een duidelijk en ambitieus tijdschema voor de invoering en de ontwikkeling ervan; wijst erop dat bepaalde technische oplossingen voor CO2-reductie nog in het proefstadium verkeren en verzoekt daarom de Commissie haar inspanningen voort te zetten om deze verder te ontwikkelen; verzoekt de Commissie voorts te zorgen voor gerichte en tijdige bescherming tegen koolstoflekkage voor alle sectoren waarvan wordt aangenomen dat zij risico’s lopen; verzoekt ten slotte de Commissie het mechanisme op te zetten als onderdeel van een omvattend en op de lange termijn gericht beleidspakket dat het mogelijk moet maken uiterlijk in 2050 een uiterst energie- en hulpbronnenefficiënte en netto-emissievrije economie tot stand te brengen;

7. beklemtoont dat het mechanisme deel moet uitmaken van een breder beleidspakket en aanvullende maatregelen met als doel investeringen in koolstofarme industriële processen mogelijk te maken en te bevorderen, de emissie-intensiteit van de industrie te verminderen en energie-efficiëntiemaatregelen en het gebruik van hernieuwbare energiebronnen te stimuleren; stelt dat het mechanisme gepaard moet gaan met een industriebeleid dat ecologisch ambitieus, economisch verantwoord en sociaal rechtvaardig is en zorgt voor meer veerkracht en een sterker mondiaal concurrentievermogen; stelt daarnaast voor om steun te verlenen aan de renovatie van de gebouwenvoorraad, de vervanging van grondstoffen voor de bouw, de uitvoering van het mechanisme voor een rechtvaardige transitie en stimulansen om koolstofarme materialen aan te schaffen via overheidsopdrachten, alsmede aan een krachtig openbaar innovatiebeleid, met uitsluiting van ondersteuning voor fossiele lock-intechnologieën; benadrukt dat de aanvullende rol van verbeterde productnormen overeenkomstig het EU-actieplan voor de circulaire economie in overweging moeten worden genomen;

8. herinnert aan de door de Unie behaalde resultaten door middel van de regulering van producteisen en -etikettering, waarmee verantwoordelijke consumptie kon worden gestimuleerd, de Europese burgers meer werden betrokken, en het concurrentievermogen van en de innovatie in de industrie werden ondersteund; verzoekt de Commissie een analoog productbeleid te verkennen dat nieuwe normen kan bevorderen en leidende markten kan ontsluiten voor koolstofarme, hulpbronnenefficiënte producten en technologieën, teneinde de overgang naar een duurzame economie veilig te stellen en te helpen garanderen dat het gebruik van producten minimale negatieve milieueffecten heeft;

9. beklemtoont dat asymmetrische klimaatacties wereldwijd, en meer in het bijzonder het gebrek aan ambitieuze klimaatacties van de Europese handelspartners, het risico op koolstoflekkage kunnen vergroten, resulterend in een toename van de mondiale emissies en een concurrentienadeel op de internationale markten voor het Europese bedrijfsleven, en dat Europese banen en waardeketens daardoor in het gedrang dreigen te komen; benadrukt dat het Europese bedrijfsleven economisch steeds meer onder druk komt te staan als gevolg van de COVID-19-crisis en de invoer van goedkope producten uit handelspartnerlanden; spoort de Commissie dan ook aan voor meer gerichte en doeltreffende klimaatbescherming en bescherming tegen koolstoflekkage te zorgen in de opzet van het mechanisme;

10. wijst erop dat het voorkomen van het risico op koolstoflekkage hand in hand gaat met het behoud van het industrieel concurrentievermogen van de EU en het vermijden van de overdracht van emissies naar derde landen via de verplaatsing van industriële activiteiten, investeringen en banen; benadrukt dat activiteiten die worden ondernomen om elk risico van koolstoflekkage te voorkomen, in overeenstemming moeten zijn met de klimaatdoelstellingen; benadrukt dat strategische sectoren bijzonder kwetsbaar zijn wat betreft de gevolgen voor hun productie- en investeringscapaciteit; onderstreept dat de mogelijke risico’s van bedrijfsverplaatsingen en uitbestedingen buiten de EU moeten worden beoordeeld; wijst voorts op de noodzaak om stimulansen te creëren voor regeringen en exporteurs van derde landen om hun emissies te verminderen;

11. wijst erop dat het klimaatbeleid en het industriebeleid van de EU en het doel om duurzame economische groei in stand te houden en te laten toenemen, hand in hand moeten gaan; benadrukt dat elk mechanisme ingebed moet worden in de industriestrategie, teneinde voor de industrie een stimulans te creëren voor het produceren van schone en concurrerende producten;

12. stelt een progressief en sectorspecifiek mechanisme voor dat in eerste instantie, na een grondige effectbeoordeling, de sectoren met het hoogste koolstofgehalte en de hoogste handelsintensiteit omvat, zoals de energie-intensieve staal-, cement- en aluminiumindustrie, de energiesector en de kunststoffen-, chemische en meststoffenindustrie, en geleidelijk aan tot andere sectoren wordt uitgebreid; is van mening dat een dergelijke opzet kan leiden tot minder internationale vergelding en kan dienen als proef voor het Europese bedrijfsleven; beklemtoont evenwel dat dit niet tot verstoringen van de interne markt of buitensporige administratieve lasten mag leiden, hetgeen de eerlijke, open en op regels gebaseerde marktwerking zou kunnen beperken en met name voor kleine en middelgrote ondernemingen (kmo’s) nadelig zou kunnen uitpakken, en niet mag uitgroeien tot een instrument dat protectionisme in de hand werkt;

Handelsaspecten

13. benadrukt dat het Europese bedrijfsleven, met inbegrip van kmo’s, toegang moet kunnen hebben tot de mondiale toeleveringsketens en wereldmarkten om competitief te blijven; is zeer bezorgd over de gevolgen van de uitholling van het multilateraal handelsstelsel en de toegenomen handelsbelemmeringen en handelsconflicten voor de Europese handelsbalans; dringt erop aan dat het mechanisme zodanig wordt ontworpen dat het risico van nieuwe handelsgeschillen wordt verminderd; verzoekt de Commissie derhalve een multilaterale benadering te volgen, zonder dat dit de doeltreffendheid van het mechanisme in de weg staat, door middel van een permanente dialoog met haar internationale handelspartners, met name met de partners die klimaatbescherming anders benaderen, teneinde mogelijke internationale vergeldingsmaatregelen tegen de EU te voorkomen;

14. spoort de Commissie met klem aan het mechanisme niet-discriminerend te maken en te laten stroken met het WTO-acquis en de bepalingen in de handelsovereenkomsten van de EU, bij voorkeur aan de hand van artikel XX (b) en (g), van de GATT-overeenkomst; moedigt de Commissie aan te zorgen voor een gelijk speelveld in de internationale handel, met inachtneming van het feit dat de Europese Unie het grootste handelsblok ter wereld is; wijst erop dat er terdege rekening moet worden gehouden met de beginselen van een vrije en eerlijke wereldmarkt;

15. verzoekt de Commissie door te gaan met het bevorderen van een mondiaal kader voor CO2-beprijzing en van de handel in technologieën voor de bescherming van klimaat en milieu, bijvoorbeeld door middel van initiatieven op het gebied van handelsbeleid als de WTO-overeenkomst inzake milieugoederen; benadrukt dat de Unie een voortrekkersrol kan vervullen door ambitieuze energie- en duurzaamheidshoofdstukken in haar handelsovereenkomsten op te nemen;

Methodologie

16. onderstreept dat een goed functionerend mechanisme moet zorgen voor de vermindering van in de EU ingevoerde emissies en voor een zo doeltreffend mogelijke klimaatbescherming tegen het risico op koolstoflekkage, met inachtneming van de WTO-regels; wijst erop dat het mechanisme zo moet zijn opgezet dat het doeltreffend en eenvoudig kan worden toegepast terwijl gedrag om het te omzeilen wordt voorkomen, zoals het omleiden van grondstofstromen of de invoer van halffabricaten of eindproducten die niet onder het mechanisme vallen;

17. meent dat bij de berekeningsmethode zoveel mogelijk rekening moet worden gehouden met het werkelijke koolstofgehalte van ingevoerde goederen, zonder dat dit extra moeilijkheden en nadelen voor de Europese industrie met zich meebrengt; merkt op dat het verzamelen van geverifieerde en betrouwbare gegevens over het koolstofgehalte van een eindproduct of halffabricaat door de internationale waardeketens wordt bemoeilijkt; vraagt de Commissie daarom de technische haalbaarheid en de beschikbaarheid van betrouwbare gegevens van importeurs en exporteurs te beoordelen, bijvoorbeeld door het potentieel van geavanceerde technologieën zoals blockchain te onderzoeken, en zo nodig oplossingen voor te stellen; benadrukt daarom dat er een grondig systeem voor bewaking, rapportage en verificatie moet worden ingevoerd om de doeltreffendheid van het mechanisme te evalueren; is van oordeel dat verificatie door onafhankelijke derde partijen kan worden beschouwd als een instrument om de betrouwbaarheid van de gegevens te waarborgen;

18. verzoekt de Commissie technische adviezen en ondersteuning te verstrekken aan industrieën in binnen- en buitenland, met name voor kmo’s, bij het opzetten van betrouwbare boekhoudsystemen voor broeikasgasemissies voor invoer om ervoor te zorgen dat het Europese bedrijfsleven sterk blijft zonder technische belemmeringen voor handelspartners op te werpen; vraagt de Commissie voorts om ervoor te zorgen dat importeurs de mogelijkheid krijgen het lage koolstofgehalte van hun producten aan te tonen, zodat de koolstofheffing voor deze producten kan worden verlaagd of dat ze ervan kunnen worden vrijgesteld; verzoekt de Commissie de haalbaarheid van en de verenigbaarheid met het EU-emissiehandelssysteem te garanderen;

19. merkt verder op dat oneerlijke concurrentie op de Europese markt alleen kan worden voorkomen indien het mechanisme geen concurrentienadelen oplevert in verband met concurrerende materialen; onderstreept dat voor de meest klimaatvriendelijke materialen geen concurrentienadelen zouden mogen gelden;

20. is van mening dat bij het mechanisme rekening moet worden gehouden met de specifieke omstandigheden in de minst ontwikkelde landen waar de emissies van oudsher laag zijn; benadrukt dat dit de duurzame ontwikkeling van deze landen niet mag belemmeren en dat de situatie aldaar niet nog verder mag worden verergerd door verplaatsing van vervuilende industrieën die schadelijk zijn voor het milieu en de plaatselijke bevolking;

21. verzoekt de Commissie de mogelijkheid te onderzoeken om te beginnen met de uitvoering van het mechanisme met een geleidelijke afschaffing van kosteloze emissierechten, die gedurende een overgangsfase kunnen worden gehandhaafd totdat het mechanisme volledig is ingevoerd en functioneert; beklemtoont dat er geen sprake moet zijn van dubbele bescherming en dat het mechanisme met de WTO verenigbaar moet zijn;

22. vraagt de Commissie na te gaan of het mogelijk is om volledig met de WTO verenigbare uitvoerkortingen vast te stellen voor de meest deugdelijke industriële sectoren voor wat betreft de koolstofefficiëntie in de opzet van het mechanisme;

23. onderstreept dat volgens zijn resolutie van 14 november 2018 over het meerjarig financieel kader voor de jaren 2021-2027 – Standpunt van het Parlement met betrekking tot een akkoord[11] en zijn in de plenaire vergadering van 16 september 2020 aangenomen wetgevingsresolutie over het ontwerp van besluit van de Raad betreffende het stelsel van eigen middelen van de Europese Unie[12], de door het mechanisme gegenereerde middelen als Europese eigen middelen moeten worden beschouwd;

24. verzoekt de Commissie in haar komende voorstel rekening te houden met de sociale dimensie van het mechanisme om ervoor te zorgen dat de lasten eerlijk worden verdeeld; merkt op dat het mechanisme kan leiden tot hogere productprijzen voor consumenten; onderstreept dat de koopkracht van consumenten, met name die met een laag inkomen, niet nog verder onder druk mag komen te staan; verzoekt de Commissie en de lidstaten de potentiële gevolgen voor de levensstandaard vast te stellen, met name van kwetsbare groepen en in lidstaten die sterk afhankelijk zijn van invoer uit derde landen, en om doeltreffende maatregelen te treffen om huishoudens met een laag inkomen te ondersteunen en te streven naar de compensatie van het risico op prijsstijgingen voor ingevoerde goederen als gevolg van de invoering van het mechanisme;

25. verzoekt de Commissie alle beschikbare mogelijkheden voor verschillende mechanismen en maatregelen voorafgaand aan de presentatie van een wetgevingsvoorstel aan een grondige effectbeoordeling te onderwerpen om te evalueren in hoeverre deze de internationale klimaatactie stimuleren en het risico op koolstof- en investeringslekkage voorkomen, en om na te gaan welk instrument de doelstelling van de wereldwijde klimaatambitie op de meest doeltreffende manier realiseert; adviseert de Commissie om de doelstelling om uiterlijk in 2050 klimaatneutraliteit te bereiken als uitgangspunt te nemen bij het kiezen van het uiteindelijke mechanisme;

26. verzoekt de Commissie bij haar effectbeoordeling maatregelen in kaart te brengen voor sectoren waar het risico op koolstoflekkage het grootst is, rekening houdend met het concurrentievermogen van de sector; verzoekt de Commissie de effecten van het mechanisme voor handelspartners, met inbegrip van buurlanden en ontwikkelingslanden, te beoordelen; verzoekt de Commissie voorts de resultaten van de effectbeoordeling zo spoedig mogelijk en voorafgaand aan de bekendmaking van haar wetgevingsvoorstel openbaar te maken;

27. pleit voor een speciale evaluatie van de gevolgen van het mechanisme voor kmo’s en de concurrentie op de interne markt; pleit voor de totstandbrenging, indien nodig, van een ondersteuningsmechanisme voor kmo’s om deze te helpen zich met succes aan te passen aan de nieuwe marktrealiteit, teneinde te voorkomen dat zij het slachtoffer worden van de oneerlijke praktijken van grotere marktdeelnemers;

28. beklemtoont zijn belangrijke rol als vertegenwoordiger van Europese burgers en hun belangen en als bijdrager aan de verwezenlijking van EU-prioriteiten zoals klimaatbescherming, duurzame groei en het internationale concurrentievermogen; vraagt de Commissie en de Raad derhalve het Parlement als medewetgever te betrekken bij het wetgevingsproces om het mechanisme vast te stellen.


 

INFORMATIE OVER DE GOEDKEURING IN DE ADVISERENDE COMMISSIE

Datum goedkeuring

15.12.2020

 

 

 

Uitslag eindstemming

+:

–:

0:

37

32

4

Bij de eindstemming aanwezige leden

François Alfonsi, Nicola Beer, François-Xavier Bellamy, Hildegard Bentele, Tom Berendsen, Vasile Blaga, Manuel Bompard, Paolo Borchia, Markus Buchheit, Cristian-Silviu Buşoi, Jerzy Buzek, Carlo Calenda, Andrea Caroppo, Maria da Graça Carvalho, Ciarán Cuffe, Nicola Danti, Pilar del Castillo Vera, Christian Ehler, Valter Flego, Niels Fuglsang, Lina Gálvez Muñoz, Claudia Gamon, Jens Geier, Nicolás González Casares, Bart Groothuis, Christophe Grudler, András Gyürk, Henrike Hahn, Robert Hajšel, Ivo Hristov, Ivars Ijabs, Romana Jerković, Eva Kaili, Seán Kelly, Izabela-Helena Kloc, Łukasz Kohut, Zdzisław Krasnodębski, Andrius Kubilius, Miapetra Kumpula-Natri, Thierry Mariani, Eva Maydell, Joëlle Mélin, Iskra Mihaylova, Dan Nica, Angelika Niebler, Ville Niinistö, Aldo Patriciello, Mauri Pekkarinen, Mikuláš Peksa, Tsvetelina Penkova, Morten Petersen, Markus Pieper, Clara Ponsatí Obiols, Jérôme Rivière, Robert Roos, Sara Skyttedal, Maria Spyraki, Jessica Stegrud, Beata Szydło, Riho Terras, Grzegorz Tobiszowski, Patrizia Toia, Evžen Tošenovský, Marie Toussaint, Isabella Tovaglieri, Henna Virkkunen, Pernille Weiss, Carlos Zorrinho

Bij de eindstemming aanwezige vaste plaatsvervangers

Damien Carême, Eleonora Evi, Klemen Grošelj, Alicia Homs Ginel, Elena Lizzi

 

 


 

 

HOOFDELIJKE EINDSTEMMING IN DE ADVISERENDE COMMISSIE

37

+

PPE

François-Xavier Bellamy

S&D

Carlo Calenda, Niels Fuglsang, Lina Gálvez Muñoz, Jens Geier, Nicolás González Casares, Robert Hajšel, Alicia Homs Ginel, Ivo Hristov, Romana Jerković, Eva Kaili, Łukasz Kohut, Miapetra Kumpula-Natri, Dan Nica, Tsvetelina Penkova, Patrizia Toia, Carlos Zorrinho

RENEW

Nicola Beer, Nicola Danti, Valter Flego, Claudia Gamon, Klemen Groselj, Christophe Grudler, Ivars Ijabs, Iskra Mihaylova, Mauri Pekkarinen, Morten Petersen

VERTS/ALE

François Alfonsi, Damien Carême, Ciarán Cuffe, Eleonora Evi, Henrike Hahn, Ville Niinistö, Mikuláš Peksa, Marie Toussaint

GUE/NGL

Manuel Bompard

NI

Clara Ponsatí Obiols

 

32

-

PPE

Hildegard Bentele, Tom Berendsen, Vasile Blaga, Cristian-Silviu Buşoi, Jerzy Buzek, Maria da Graça Carvalho, Pilar Del Castillo Vera, Christian Ehler, András Gyurk, Seán Kelly, Andrius Kubilius, Eva Maydell, Angelika Niebler, Aldo Patriciello, Markus Pieper, Sara Skyttedal, Maria Spyraki, Riho Terras, Henna Virkkunen, Pernille Weiss

ID

Paolo Borchia, Markus Buchheit, Elena Lizzi, Isabella Tovaglieri

ECR

Izabela-Helena Kloc, Zdzisław Krasnodębski, Robert Roos, Jessica Stegrud, Beata Szydło, Grzegorz Tobiszowski, Evžen Tošenovský

NI

Andrea Caroppo

 

4

0

RENEW

Bart Groothuis

ID

Thierry Mariani, Joëlle Mélin, Jérôme Rivière

 

Verklaring van de gebruikte tekens:

+ : voor

- : tegen

0 : onthouding

 


INFORMATIE OVER DE GOEDKEURING IN DE BEVOEGDE COMMISSIE

Datum goedkeuring

5.2.2021

 

 

 

Uitslag eindstemming

+:

–:

0:

58

8

10

Bij de eindstemming aanwezige leden

Nikos Androulakis, Margrete Auken, Simona Baldassarre, Marek Paweł Balt, Traian Băsescu, Aurélia Beigneux, Monika Beňová, Sergio Berlato, Alexander Bernhuber, Malin Björk, Simona Bonafè, Delara Burkhardt, Pascal Canfin, Sara Cerdas, Mohammed Chahim, Tudor Ciuhodaru, Nathalie Colin-Oesterlé, Esther de Lange, Christian Doleschal, Marco Dreosto, Bas Eickhout, Cyrus Engerer, Eleonora Evi, Agnès Evren, Pietro Fiocchi, Andreas Glück, Catherine Griset, Jytte Guteland, Teuvo Hakkarainen, Martin Hojsík, Pär Holmgren, Jan Huitema, Yannick Jadot, Adam Jarubas, Karin Karlsbro, Petros Kokkalis, Joanna Kopcińska, Ryszard Antoni Legutko, Javi López, César Luena, Fulvio Martusciello, Liudas Mažylis, Joëlle Mélin, Tilly Metz, Silvia Modig, Dolors Montserrat, Alessandra Moretti, Dan-Ştefan Motreanu, Ljudmila Novak, Grace O’Sullivan, Jutta Paulus, Stanislav Polčák, Jessica Polfjärd, Luisa Regimenti, Frédérique Ries, María Soraya Rodríguez Ramos, Rob Rooken, Silvia Sardone, Christine Schneider, Günther Sidl, Ivan Vilibor Sinčić, Linea Søgaard-Lidell, Nicolae Ştefănuță, Nils Torvalds, Edina Tóth, Véronique Trillet-Lenoir, Petar Vitanov, Alexandr Vondra, Mick Wallace, Pernille Weiss, Michal Wiezik, Tiemo Wölken, Anna Zalewska

Bij de eindstemming aanwezige vaste plaatsvervangers

Manuel Bompard, István Ujhelyi, Inese Vaidere

 


HOOFDELIJKE EINDSTEMMING IN DE BEVOEGDE COMMISSIE

58

+

NI

Ivan Vilibor Sinčić

PPE

Traian Băsescu, Alexander Bernhuber, Nathalie Colin-Oesterlé, Christian Doleschal, Agnès Evren, Adam Jarubas, Fulvio Martusciello, Liudas Mažylis, Dolors Montserrat, Dan-Ştefan Motreanu, Ljudmila Novak, Stanislav Polčák, Jessica Polfjärd, Christine Schneider, Edina Tóth, Inese Vaidere, Pernille Weiss, Michal Wiezik

Renew

Pascal Canfin, Martin Hojsík, Jan Huitema, Karin Karlsbro, Frédérique Ries, María Soraya Rodríguez Ramos, Nicolae Ştefănuță, Linea Søgaard-Lidell, Nils Torvalds, Véronique Trillet-Lenoir

S&D

Nikos Androulakis, Marek Paweł Balt, Monika Beňová, Simona Bonafè, Delara Burkhardt, Sara Cerdas, Mohammed Chahim, Tudor Ciuhodaru, Cyrus Engerer, Jytte Guteland, Javi López, César Luena, Alessandra Moretti, Günther Sidl, István Ujhelyi, Petar Vitanov, Tiemo Wölken

The Left

Malin Björk, Petros Kokkalis, Silvia Modig, Mick Wallace

Verts/ALE

Margrete Auken, Bas Eickhout, Eleonora Evi, Pär Holmgren, Yannick Jadot, Tilly Metz, Grace O'Sullivan, Jutta Paulus

 

8

-

ECR

Sergio Berlato, Pietro Fiocchi, Joanna Kopcińska, Ryszard Antoni Legutko, Rob Rooken, Alexandr Vondra, Anna Zalewska

The Left

Manuel Bompard

 

10

0

ID

Simona Baldassarre, Aurelia Beigneux, Marco Dreosto, Catherine Griset, Teuvo Hakkarainen, Joëlle Mélin, Luisa Regimenti, Silvia Sardone

PPE

Esther de Lange

Renew

Andreas Glück

 

Verklaring van de gebruikte tekens:

+ : voor

- : tegen

0 : onthouding

 

 

[1] Aangenomen teksten, P9_TA(2020)0206.

[2] Aangenomen teksten, P9_TA(2019)0078.

[3] Aangenomen teksten, P9_TA(2020)0005.

[4] Amendementen van het Europees Parlement aangenomen op 8 oktober 2020 op het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van een kader voor de totstandbrenging van klimaatneutraliteit en tot wijziging van Verordening (EU) 2018/1999 (Europese klimaatwet), aangenomen teksten, P9_TA(2020)0253.

[5] Wereld Meteorologische Organisatie (WMO), “Statement on the State of the Global Climate in 2019”.

[6] Fezzigna, P., Borghesi, S., Caro, D., “Revising Emission Responsibilities through Consumption-Based Accounting: A European and Post-Brexit Perspective” in Sustainability, 17 januari 2019.

[7] Zie speciaal verslag nr. 18/2020 van de Europese Rekenkamer.

[8] Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling (OESO), “CO2 emissions embodied in international trade and domestic final demand: methodology and results using the OECD inter-country input-output database”, 23 november 2020.

[9] Aangenomen teksten, P9_TA(2020)0358.

[10] Aangenomen teksten, P9_TA(2020)0220.

[11] Aangenomen teksten, P8_TA(2018)0449.

[12] Aangenomen teksten, P9_TA(2020)0220.

Laatst bijgewerkt op: 26 februari 2021Juridische mededeling - Privacybeleid