Procedure : 2019/2159(INI)
Stadium plenaire behandeling
Documentencyclus : A9-0170/2021

Ingediende teksten :

A9-0170/2021

Debatten :

Stemmingen :

Aangenomen teksten :

P9_TA(2021)0307

<Date>{25/05/2021}25.5.2021</Date>
<NoDocSe>A9-0170/2021</NoDocSe>
PDF 215kWORD 65k

<TitreType>VERSLAG</TitreType>

<Titre>over de uitdagingen en perspectieven voor de visserijsector in de Zwarte Zee</Titre>

<DocRef>(2019/2159(INI))</DocRef>


<Commission>{PECH}Commissie visserij</Commission>

Rapporteur: <Depute>Ivo Hristov</Depute>

ONTWERPRESOLUTIE VAN HET EUROPEES PARLEMENT
 TOELICHTING
 INFORMATIE OVER DE GOEDKEURING IN DE BEVOEGDE COMMISSIE
 HOOFDELIJKE EINDSTEMMING IN DE ADVISERENDE COMMISSIE

ONTWERPRESOLUTIE VAN HET EUROPEES PARLEMENT

over de uitdagingen en perspectieven voor de visserijsector in de Zwarte Zee

(2019/2159(INI))

Het Europees Parlement,

 gezien Verordening (EU) 2019/2236 van de Raad van 16 december 2019 tot vaststelling, voor 2020, van de vangstmogelijkheden voor bepaalde visbestanden en groepen visbestanden in de Middellandse Zee en de Zwarte Zee[1],

 gezien Verordening (EU) nr. 1380/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 11 december 2013 inzake het gemeenschappelijk visserijbeleid[2],

 gezien duurzameontwikkelingsdoelstelling 14 van de VN over leven in het water,

 gezien Richtlijn 2008/56/EG van het Europees Parlement en de Raad van 17 juni 2008 tot vaststelling van een kader voor communautaire maatregelen betreffende het beleid ten aanzien van het mariene milieu[3] (Kaderrichtlijn mariene strategie),

 gezien Verordening (EU) 2019/982 van het Europees Parlement en de Raad van 5 juni 2019 tot wijziging van Verordening (EU) nr. 1343/2011 tot vaststelling van een aantal bepalingen voor de visserij in het GFCM-overeenkomstgebied (General Fisheries Commission for the Mediterranean – Algemene Visserijcommissie voor de Middellandse Zee)[4],

 gezien Richtlijn 92/43/EEG van de Raad van 21 mei 1992 inzake de instandhouding van de natuurlijke habitats en de wilde flora en fauna (habitatrichtlijn),

 gezien Richtlijn 2014/89/EU van het Europees Parlement en de Raad van 23 juli 2014 tot vaststelling van een kader voor maritieme ruimtelijke planning[5],

 gezien Verordening (EU) nr. 508/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 15 mei 2014 inzake het Europees Fonds voor maritieme zaken en visserij[6] (EFMZV),

 gezien de verordening inzake het Europees Fonds voor maritieme zaken, visserij en aquacultuur en tot wijziging van Verordening (EU) 2017/1004,

 gezien zijn wetgevingsresolutie van 10 maart 2021 over het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Verordening (EG) nr. 1224/2009 van de Raad, en tot wijziging van Verordeningen (EG) nr. 768/2005, (EG) nr. 1967/2006, (EG) nr. 1005/2008 van de Raad, en Verordening (EU) 2016/1139 van het Europees Parlement en de Raad wat betreft visserijcontroles[7],

 gezien de middellangetermijnstrategie (2017-2020) van de GFCM voor de duurzaamheid van de visserij in de Middellandse en Zwarte Zee en haar beslissing inzake een nieuwe strategie voor de periode 2021-2025,

 gezien het op 3 november 2020 tijdens de vergadering op hoog niveau genomen besluit van de GFCM over de gezamenlijke ontwikkeling van een nieuwe strategie voor de visserij en aquacultuur in de Middellandse en Zwarte Zee voor de periode 2021-2025,

 gezien de voorstellen van de Commissie over de Europese Green Deal en de EU-biodiversiteitsstrategie voor 2030,

 gezien de ministeriële verklaringen aangenomen na de vergaderingen in Boergas (31 mei 2018) en Boekarest (9 mei 2019) over een gemeenschappelijk maritiem programma voor de Zwarte Zee, die door alle zes aan de Zwarte Zee gelegen landen zijn ondertekend,

 gezien het handvest van de Organisatie voor Economische Samenwerking in het Zwarte-Zeegebied, dat gericht is op verbetering van de beleidsdialoog en van het beleid op het gebied van milieubescherming en de uitwisseling van statistische gegevens,

 gezien de strategische onderzoeks- en innovatieagenda voor de Zwarte Zee, die in 2019 is gelanceerd en gericht is op het bevorderen van een gedeelde visie voor een productieve, gezonde, veerkrachtige en duurzame Zwarte Zee, uiterlijk in 2030,

 gezien de verklaringen in verband met de conferenties op hoog niveau over de visserij en de aquacultuur in de Zwarte Zee, gehouden in Boekarest in 2016 en in Sofia in 2018 (de ministeriële verklaring van Sofia),

 gezien de conferenties op hoog niveau met belanghebbenden in het Zwarte-Zeegebied over de blauwe economie in het Zwarte-Zeegebied, gehouden in Boekarest (2014), Sofia (2015), Odessa (2016) en Batoemi (2017),

 gezien het Verdrag van 1992 inzake de bescherming van de Zwarte Zee tegen verontreiniging (het Verdrag van Boekarest), alsmede de protocollen van dit verdrag, waarbij Bulgarije en Roemenië partij zijn en waarbij de Europese Unie de status van waarnemer heeft, en gezien het werk dat de Commissie op grond van dit Verdrag verricht om de Zwarte Zee te beschermen tegen vervuiling,

 gezien de ministeriële verklaring over de bescherming van de Zwarte Zee van 7 april 1993,

 gezien het geïntegreerde monitoring- en evaluatieprogramma voor de Zwarte Zee van de Commissie voor de bescherming van de Zwarte Zee tegen verontreiniging voor de jaren 2017-2022 (BSIMAP 2017-2022),

 gezien het project “BlackSea4Fish”, dat financieel wordt gesteund door de EU en een jaarlijkse begroting van circa 1 100 000 EUR heeft, en dat gericht is op het duurzaam beheer van de visbestanden in de Zwarte Zee,

 gezien de aanbeveling van de GFCM van 2018 over een regionaal onderzoeksprogramma voor de visserij van de geaderde stekelhoorn (Rapana venosa) in de Zwarte Zee, dat tot doel heeft een schatting te maken van de verspreiding, de abondantie, de grootte en de leeftijdsstructuur van de populatie van de geaderde stekelhoorn in de deelnemende landen (Bulgarije, Roemenië, Turkije, Georgië en Oekraïne),

 gezien het verslag van 11 december 2020 van het Wetenschappelijk, Technisch en Economisch Comité voor de visserij van de Commissie over de beoordeling van de evenwichtsindicatoren voor essentiële vlootsegmenten en de evaluatie van nationale verslagen over de inspanningen van de lidstaten om een evenwicht te bereiken tussen vlootcapaciteit en vismogelijkheden,

 gezien het verslag van beleidsondersteunende afdeling B van het Parlement van 2010 over visserij in de Zwarte Zee,

 gezien de Gedragscode van de Voedsel- en Landbouworganisatie van 1995 voor een verantwoorde visserij,

 gezien de verslagen van het regionale initiatief EU-Ontwikkelingsprogramma van de Verenigde Naties (de projecten Emblas I en Emblas II), die hebben bijgedragen tot de versterking van de capaciteiten van drie landen (Georgië, Oekraïne en Rusland) voor biologische en chemische monitoring van de waterkwaliteit in de Zwarte Zee in overeenstemming met EU-wetgeving op het gebied van water, en die respectievelijk tussen 2013 en 2014 (Emblas I) en 2014 en 2018 (Emblas II) ten uitvoer zijn gelegd,

 gezien de aanbeveling van de GFCM van 2009 over het opstellen van een lijst van vaartuigen waarmee vermoedelijk IOO-visserij (illegale, ongemelde en ongereglementeerde visserij) is bedreven in het gebied waar de GFCM bevoegdheid heeft,

 gezien het onlineplatform GFCM Regional Repository of National Legislation (GFCM-Lex) dat momenteel nationale wetgeving inzake de instandhouding van mariene biologische rijkdommen en ecosystemen in de drie GFCM-landen bevat en dat de GFCM in de toekomst moet uitbreiden naar het hele GFCM-gebied (met inbegrip van de Zwarte Zee),

 gezien het Verdrag inzake het behoud van wilde dieren en planten en hun natuurlijk leefmilieu in Europa (het Verdrag van Bern) van 1979, het Verdrag inzake de bescherming van trekkende wilde diersoorten van 1979, de Overeenkomst inzake de internationale handel in bedreigde in het wild levende dier- en plantensoorten van 1973, het Verdrag inzake biologische diversiteit van 1992 en het in het kader van het Verdrag van Bern vastgestelde pan-Europese actieplan voor steuren van 2018,

 gezien het verslag van de GFCM van 2020 over de staat van de visserij in de Middellandse en Zwarte Zee,

 gezien zijn resolutie van 13 september 2011 over het huidige en toekomstige visserijbeheer in de Zwarte Zee[8],

 gezien zijn resolutie van 21 januari 2021 getiteld “Meer vissen in de zee? Maatregelen ter bevordering van het herstel van de bestanden boven het niveau van de maximale duurzame opbrengst, met inbegrip van gebieden voor herstel van de visbestanden en beschermde mariene gebieden”[9],

 gezien het steunmechanisme voor de Zwarte Zee, dat tot doel heeft regeringen, particuliere investeerders, handelsorganisaties en industriële verenigingen, onderzoeksinstellingen, universiteiten en het grote publiek te begeleiden en te steunen bij het zoeken naar mogelijkheden om deel te nemen aan maritieme activiteiten in het kader van de blauwe economie in het Zwarte-Zeegebied,

 gezien het EU-initiatief Synergie voor het Zwarte-Zeegebied en de drie verslagen van de Commissie van 19 juni 2008 (COM(2008)0391), 20 januari 2015 (SWD(2015)0006) en 5 maart 2019 (SWD(2019)0100), over de uitvoering van dit initiatief,

 gezien de EU-strategie voor de Donauregio, die er onder andere op gericht is belangrijke zaken zoals biodiversiteit en sociaal-economische ontwikkeling in de landen in de Donaubekken te bevorderen en te coördineren,

 gezien artikel 54 van zijn Reglement,

 gezien het verslag van de Commissie visserij (A9-0170/2021),

A. overwegende dat de Zwarte Zee een half-ingesloten zee is die alleen door de Middellandse Zee via de Zee van Marmara en de Egeïsche Zee met de oceaan is verbonden en die grenst aan zes landen (Bulgarije, Roemenië, Turkije, Georgië, Oekraïne en Rusland), waarvan er slechts twee lid zijn van de Europese Unie (Bulgarije en Roemenië);

B. overwegende dat de Zwarte Zee sinds de jaren 60 in milieuopzicht dramatische veranderingen heeft ondergaan als gevolg van bedreigingen als eutrofiëring, de introductie van invasieve soorten en overbevissing;

C. overwegende dat de veranderingen in de milieuomstandigheden in de Zwarte Zee in gang zijn gezet door de verdwijning van grote roofdieren in de pelagische voedselketen en de daaropvolgende vermindering van het aantal planktivore vissen;

D. overwegende dat de Zwarte Zee een aanzienlijke anoxische laag heeft (87 %) en dat de zuurstofhoudende laag van de Zwarte Zee de afgelopen 20 jaar met 20 tot 25 meter is afgenomen; overwegende dat menselijk handelen, zoals verontreiniging, vernietiging van habitats en overbevissing, ertoe heeft geleid dat het ecosysteem van de Zwarte Zee er in de jaren 80 sterk op achteruit is gegaan; overwegende dat er 50 tot 200 meter onder het zeeoppervlak geen onderwaterleven is, met uitzondering van enkele anaerobe bacteriën;

E. overwegende dat acht soorten uit de Zwarte Zee van groot belang zijn voor de visserijsector (Europese ansjovis (Engraulis encrasicolus), Europese sprot (Sprattus sprattus), horsmakreel (Trachurus mediterraneus), tarbot (Scophthalmus maximus), wijting (Merlangius merlangus), gestreepte zeebarbeel (Mullus barbatus), geaderde stekelhoorn (Rapana venosa), doornhaai (Squalus acanthias)), waarvan de meeste gedeelde bestanden zijn en waarvan er twee onder quota vallen, met name sprot, die een autonoom quotum heeft en tarbot, die een vangstquotum heeft dat is vastgesteld door de GFCM; overwegende dat andere soorten, zoals doornhaai, wijting en ansjovis, onbeschermd blijven; overwegende dat het quotum voor sprot voor de periode 2020-2022 met 11 445 ton per jaar voor de EU (8 032,5 ton voor Bulgarije en 3 442,5 ton voor Roemenië) hetzelfde is als in 2011, terwijl het EU-quotum voor tarbot is verhoogd van 114 naar 150 ton per jaar en gelijk wordt verdeeld over Bulgarije en Roemenië;

F. overwegende dat een systeem van maximale duurzame opbrengsten voor soorten die van economisch belang zijn in de landen in het de Zwarte-Zeegebied niet alleen gunstig zal zijn voor de biodiversiteit, maar ook voor de duurzaamheid van de visserijsector op middellange en lange termijn; overwegende dat Roemenië een nationaal quotum heeft ingevoerd voor andere soorten dan de twee soorten waarvoor een EU-quotum geldt, zoals voor geaderde stekelhoorn, Middellandse-Zeemossel (Mytilus galloprovincialis), grondels (Ponticola cephalargoides), venusschelp (Chamelea gallina), wijting en doornhaai;

G. overwegende dat volgens de cijfers van 2018 de jaarlijkse visconsumptie per inwoner in Bulgarije (7,00 kg) en Roemenië (7,99 kg) ruim onder het Europese gemiddelde (24,36 kg) ligt, wat als een groeikans voor de lokale visserijsector kan worden gezien;

H. overwegende dat gemiddeld 91 % van de vissersvloot van de zes kuststaten in de Zwarte Zee bestaat uit kleine vaartuigen; overwegende dat bijna 95 % van de Bulgaarse vloot en 87 % van de Roemeense vloot tot deze categorie behoort;

I. overwegende dat volgens de GFCM de bijvangst van kwetsbare haaien- en roggensoorten en zeezoogdieren, zoals dolfijnen en bruinvissen, door de kleinschalige sector in de Zwarte Zee aanzienlijk is;

J. overwegende dat kleinschalige visserij kenmerkend is voor de regio van de Zwarte Zee en de Beneden-Donau;

K. overwegende dat er in de Zwarte Zee IOO-vissersvaartuigen actief zijn en de aan de Zwarte Zee gelegen landen weinig capaciteit hebben om visserijactiviteiten te controleren; overwegende dat er volgens de meest recente beschikbare gegevens van de GFCM van 4 tot en met 8 november 2019 65 vaartuigen als IOO-vissersvaartuigen zijn geïdentificeerd;

L. overwegende dat voor de periode 2014-2020 meer dan 88 miljoen EUR uit het EFMZV werd toegekend aan Bulgarije en meer dan 168 miljoen EUR aan Roemenië; overwegende dat de absorptiepercentages van beide landen volgens de meest recente beschikbare informatie van 31 december 2020 tot de laagste van de EU blijven behoren voor wat betreft bestede middelen, met 36,34 % voor Bulgarije en 33,72 % voor Roemenië; overwegende dat lage absorptiepercentages kunnen worden geïnterpreteerd als gemiste kansen voor de visserijgemeenschappen in deze landen;

M. overwegende dat de adviesraad voor de Zwarte Zee operationeel is en deelneemt aan de uitwerking van het EU-beleid met betrekking tot de visserij in de Zwarte Zee; overwegende dat het visserijbeheer voor de Zwarte Zee wordt uitgevoerd door de GFCM;

N. overwegende dat de Commissie voor de bescherming van de Zwarte Zee tegen verontreiniging handelt op grond van het mandaat van de Zwarte-Zeelanden (Bulgarije, Georgië, Roemenië, Rusland, Turkije en Oekraïne) die het Verdrag van Boekarest hebben ondertekend en kort daarna hebben geratificeerd; overwegende dat dit Verdrag alle verdragspartijen ertoe verplicht verontreiniging van de Zwarte Zee te voorkomen, te verminderen en te beheersen, teneinde het mariene milieu van de Zwarte Zee te beschermen en in stand te houden;

O. overwegende dat de klimaatverandering bijdraagt aan een stijging van de luchttemperatuur in het Zwarte-Zeegebied, die gevolgen heeft voor de temperatuur van het zeewater, en daarmee ook voor de biodiversiteit en de mariene soorten; overwegende dat deze verandering gevolgen heeft voor de visserijsector, aangezien het de natuurlijke hulpbronnen waarvan de sector afhankelijk is betreft;

P. overwegende dat de Commissie de Europese Green Deal en de EU-biodiversiteitsstrategie voor 2030 heeft voorgesteld, die de basis vormen voor wetgevingspakketten die het acquis communautaire op milieugebied wijzigen; overwegende dat dit nieuwe kansen zal opleveren en maatregelen mogelijk zal maken om milieuaspecten beter te integreren in sectoraal beleid, soorten en habitats te herstellen en milieuvriendelijkere investeringen en milieuvriendelijker beleid te bevorderen;

Q. overwegende dat de Zwarte Zee door haar kenmerken, zoals haar grote stroomgebied, een bijzonder gevoelig gebied is voor verontreiniging door zwerfvuil op zee en voor de accumulatie van microplastics; overwegende dat de Zwarte Zee volgens het in het kader van het Emblas-Plus-project opgestelde verslag over de Zwarte Zee bijna twee keer zo veel afval bevat als de Middellandse Zee, wat ongetwijfeld gevolgen heeft voor de biodiversiteit, de visbestanden en de visserijsector;

R. overwegende dat er in de Zwarte Zee drie endemische ondersoorten walvisachtigen zijn, namelijk de Zwarte Zee-dolfijn (Delphinus delphis ponticus), de Zwarte Zee-tuimelaar (Tursiops truncatus ponticus) en de Zwarte Zee-bruinvis (Phocoena phocoena relicta), die allen met uitsterven worden bedreigd en waarvan er twee – de Zwarte Zee-tuimelaar en de Zwarte Zee-bruinvis – zijn opgenomen in de habitatrichtlijn; overwegende dat al deze soorten carnivoren zijn die voornamelijk vis eten;

S. overwegende dat de geaderde stekelhoorn als een invasieve soort wordt beschouwd die in de Zwarte Zee geen natuurlijke vijanden heeft, en daarom een ernstige bedreiging vormt voor de populaties van andere organismen; overwegende dat deze soort tegelijkertijd een belangrijke bron van inkomsten is geworden en ook een doelsoort is voor commerciële vissersvaartuigen;

T. overwegende dat het ecosysteem van de Zwarte Zee voor zijn watertoevoer afhankelijk is van grote Europese rivieren zoals de Donau; overwegende dat deze afhankelijkheid een nauw verband tot stand brengt tussen de ecologische toestand van de Donau en andere rivieren en de ecologische toestand van de Zwarte Zee; overwegende dat deze rivieren grote hoeveelheden natuurlijke en antropogene reststoffen van binnenlandse bronnen vervoeren; overwegende dat zowel de Donau als de Zwarte Zee een habitat is voor bepaalde soorten, met name steurachtigen (Acipenseriformes) en de Zwarte Zee-elft (Alosa immaculata);

U. overwegende dat factoren zoals de aantasting van de habitat van die soorten, de verstoring van de trekroutes en de overbevissing voor kaviaar en vlees, alsmede verontreiniging, ertoe hebben geleid dat de steuren van de Donau en de Zwarte Zee nagenoeg zijn uitgestorven; overwegende dat vanwege de drastische vermindering van het aantal paaivissen in de steurbestanden de natuurlijke voortplanting van die soort tegenwoordig zeer zeldzaam is geworden; overwegende dat zowel de Donau als de Zwarte Zee ooit grote steurpopulaties hadden;

V. overwegende dat de sterke afname van kuiters, hetgeen wordt geassocieerd met de teruglopende populaties, aan de basis van een falende natuurlijke voortplanting ligt, omdat de weinige resterende mannetjes- en vrouwtjessteuren nog minder kans hebben om elkaar tegen te komen en te paaien;

W. overwegende dat uit de gegevens van de onderzoeksinstituten blijkt dat de populaties van de steursoorten gefragmenteerd zijn, dat bepaalde generaties ontbreken, dat de natuurlijke voortplanting van de steursoorten onvoldoende is, dat het aantal volwassen exemplaren dat naar de Donau migreert om zich voort te planten uiterst gering is en dat vijf steursoorten (sterlet (Acipenser ruthenus), Donausteur (Acipenser gueldenstaedtii), stersteur (Acipenser stellatus), gewone steur (Acipenser sturio) en beluga (Huso huso)) op het punt staan uit te sterven, terwijl de slatdicksteur (Acipenser nudiventris) reeds als uitgestorven wordt beschouwd;

X. overwegende dat de visserijsector in de EU reeds strenge normen hanteert, die moeten worden herzien en aangepast om in de gehele waardeketen ecologische en sociale duurzaamheid te waarborgen, waaronder arbeidsrechten en dierengezondheid en -welzijn, en om visserijproducten van hoge kwaliteit te leveren;

Y. overwegende dat de recreatievisserij kansen kan bieden, zoals de diversificatie van activiteiten of inkomsten, en tegelijkertijd verenigbaar is met milieudoelstellingen, aangezien recreatief vissen een zeer selectieve vorm van visserij is;

Z. overwegende dat de COVID-19-pandemie ernstige gevolgen voor de visserijsector in de Zwarte Zee heeft; overwegende dat uit analyses is gebleken dat de visserijsector in de Zwarte Zee het tijdens de pandemie zwaar te verduren heeft gehad, met een afname van tot 80 % van de activiteiten van operationele schepen na een aanvankelijke daling van de productie met ongeveer 75 %;

AA. overwegende dat de COVID-19-crisis heeft aangetoond dat visserij en aquacultuur belangrijk zijn voor het waarborgen van toegang tot voedsel;

Toestand van de bestanden in de Zwarte Zee die van groot economisch belang zijn

1. onderstreept de grote strategische en geopolitieke belangen die in het Zwarte Zeebekken op het spel staan, onder meer als gevolg van de zeer specifieke milieuomstandigheden, die bijzondere aandacht, een gerichte aanpak, strenge milieunormen en collectieve acties vereisen voor het verwezenlijken van een duurzame blauwe economie en duurzame groei; beklemtoont dat de samenwerking tussen de kuststaten van de Zwarte Zee verder moet worden versterkt en verdiept met het oog op een doeltreffend beheer van de visbestanden en een doeltreffende aanpak van de uitdagingen waar de regio voor staat, onder meer via de GFCM; dringt in dit verband aan op een regionaal capaciteitsplan dat zorgt voor een passend evenwicht tussen de beschikbare natuurlijke hulpbronnen, de milieuveiligheid en het behoud van de vlootcapaciteit van alle landen die aan de Zwarte Zee liggen;

2. onderstreept dat in de ministeriële verklaring van Sofia van 7 juni 2018 reeds is gewezen op de noodzaak van een op samenwerking gebaseerde benadering om de problemen met betrekking tot de visserij in de Zwarte Zee aan te pakken, zoals de duurzaamheid van mariene hulpbronnen, een betere gegevensverzameling of de strijd tegen illegale, ongemelde en ongereglementeerde (IOO) visserij; verzoekt de Europese Commissie om een verslag te publiceren over de uitvoering van de ministeriële verklaring van Sofia;

3. benadrukt dat samenwerking op voet van gelijkheid op het gebied van visserijbeheer nodig is in het Zwarte Zeegebied vanwege de gedeelde bestanden en de mondiale uitdagingen, die de nationale grenzen overstijgen;

4. wijst erop dat voor de Middellandse Zee en de Zwarte Zee 64 van de 65 vlootsegmenten waarvoor de zogenoemde “duurzame exploitatie”-indicator kon worden berekend in 2018 uit balans waren;

5. benadrukt het belang van de bevordering van maatregelen ter ondersteuning van het verzamelen en verwerken van wetenschappelijke gegevens;

6. dringt erop aan dat alle Zwarte Zeelanden bij het GFCM-Lex-project worden betrokken, teneinde het gemeenschappelijk beheer van de visbestanden beter en sneller te faciliteren en te coördineren;

7. is verontrust over het feit dat, na decennia van steeds grotere door de mens veroorzaakte druk op de ecosystemen en de visbestanden van de Zwarte Zee en de Donau, uit de meest recente gegevens blijkt dat slechts één vissoort (sprot) duurzaam wordt bevist en dat de andere visbestanden overbevist worden, en dat sommige daarvan bijna volledig zijn uitgeput; neemt er nota van dat er zich de afgelopen jaren positieve tendensen hebben voorgedaan voor sommige bestanden, bijvoorbeeld de tarbot, waarvan het totaal toegestane vangstquotum voor de periode 2020-2022 is verhoogd, maar dat er voor de Zwarte Zee nog geen sprake is van een significante verbetering op algemeen niveau; benadrukt dat alle ontwikkelingen van de tarbot- en sprotbestanden in de Zwarte Zee gepaard moeten gaan met permanente beschermingsmaatregelen, zoals beheersplannen;

8. erkent de rol van de overheden in het gehele Zwarte Zeebekken, die verschillende beleidslijnen hanteren en die zorgen voor toezicht, controle en duurzaam beheer, en die bijdragen tot de verbetering van de duurzaamheid van de visserijsector;

9. roept de Bulgaarse en de Roemeense autoriteiten op de sector te helpen door middelen vrij te maken die specifiek gericht zijn op het verbeteren van de selectiviteit van de vissersvaartuigen door middel van betere netten; is van mening dat een dergelijke gerichte maatregel de hoeveelheden en de soorten ongewenste bijvangst zal verminderen;

10. dringt erop aan op het institutionele en menselijke kapitaal van de landen die aan de Zwarte Zee liggen gezamenlijk in te zetten met het oog op onderzoeks- en toepassingsactiviteiten ter verbetering van de biologische hulpbronnen van de Zwarte Zee en de bestanden van de soorten die van economisch belang zijn;

11. benadrukt dat het feit dat er te weinig informatie is over de visserijactiviteit, de hoeveelheden en de samenstelling van vangsten en de gevolgen daarvan voor de huidige staat van de visbestanden een kritieke kwestie is voor het Zwarte Zeegebied; beklemtoont daarom dat moet worden voorzien in afdoende financiering voor de wetenschappelijke organen die deze bestanden, zowel de vissen, met inbegrip van trekkende soorten zoals steuren en Pontische elften, bedreigde walvisachtigen, als andere soorten dan vissoorten (geaderde stekelhoorn, mossel enz.) in de Zwarte Zee bestuderen, alsmede de relevante parameters voor het mariene ecosysteem; dringt aan op meer samenwerking tussen de lidstaten op het gebied van controleaangelegenheden waarbij gebruik wordt gemaakt van passende digitale technologieën en specifieke verplichte wetenschappelijke instrumenten zoals camera’s aan boord of verplichte waarnemers aan boord, indien van toepassing en in overeenstemming met de toepasselijke EU-wetgeving;

12. is ingenomen met het door de GFCM opgezette regionaal onderzoeksprogramma naar de populatie van de geaderde stekelhoorn, aangezien dit zal bijdragen tot het bereiken van een consensus over deze soort; is van mening dat dit zal bijdragen tot de ontwikkeling van een wetenschappelijk gefundeerde exploitatie, die sociaal-economische voordelen voor gemeenschappen en milieuvoordelen voor het ecosysteem van de Zwarte Zee kan opleveren door de impact van deze invasieve soort te beperken;

13. onderstreept het belang van de invoering van een nultolerantiebeleid ten opzichte van IOO-visserij in de Zwarte Zee; is ingenomen met de inspanningen van de GFCM in dit verband en dringt er bij alle kuststaten op aan zich ook in hun wateren in te zetten voor de beëindiging van IOO-visserij en hun krachten daarbij te bundelen;

14. dringt er bij alle kuststaten op aan duurzame visserij te bevorderen, wat onder meer inhoudt dat overbevissing wordt tegengegaan en/of dat een einde wordt gemaakt aan de bijvangst van bedreigde soorten, zoals steuren, elften en andere soorten;

15. dringt er bij alle intergouvernementele instellingen en organen op aan om, samen met onder meer alle kuststaten van de Zwarte Zee, duurzame visserij te vergemakkelijken en hun visbestanden te controleren en om, overeenkomstig hun toezeggingen, gegevens hierover op een grondige en omvattende manier te delen, teneinde een hoge ecosysteemstatus van deze mariene habitats te waarborgen;

16. herinnert eraan dat betrouwbare officiële statistieken die regelmatig in alle kuststaten worden verzameld via een geharmoniseerde methode, regelmatige monitoring en gezamenlijke regelgevende maatregelen van cruciaal belang zijn voor het welslagen van een degelijk visserijbeheer in de Zwarte Zee; roept in dit verband de respectieve autoriteiten in beide lidstaten en de samenwerkende landen op om regelmatig en grondig onderzoek te doen naar de visbestanden, waarvoor nationale financiering en steun van cruciaal belang zijn;

17. benadrukt de noodzaak van samenwerking op het gebied van lokale en regionale communicatie binnen de verschillende kuststaten van de Zwarte Zee, zodat een gemeenschappelijke en coherente aanpak van het beheer van de visbestanden kan worden gevolgd;

18. herinnert aan de mogelijkheden die nieuwe technologieën bieden en aan de grote toegevoegde waarde die zij kunnen hebben voor het onderzoek en de planning van het visserijbeheer; herinnert eraan dat er projecten via het EFMZV worden gefinancierd die onder andere tot doel hebben de zeebodem in kaart te brengen en onderzoek te doen naar de aanwezigheid van plastic in de zeebodem;

19. dringt er bij de kuststaten van de Zwarte Zee op aan om te investeren in digitalisering van statistieken en gegevens over visbestanden in het Zwarte Zeebekken, teneinde een beter en duurzaam beheer van de bestanden te vergemakkelijken; pleit voor een gemeenschappelijke methode voor de indiening en het gebruik van deze gegevens;

20. roept de visserijsector in de regio op te overwegen om gebruik te maken van ondergewaardeerde en ongebruikte visbestanden die ook een bron van eiwitten vormen;

21. verzoekt de wetenschappelijke gemeenschappen in de lidstaten onderzoek te doen naar het potentieel van een zuurstofvrije omgeving;

22. onderstreept de rol van de niet-gouvernementele sector in het besluitvormingsproces met betrekking tot de Zwarte Zee; beveelt aan een mechanisme op te zetten om de niet-gouvernementele sector bij dit proces te betrekken;

23. is ingenomen met de steun die via de EFMZV-programma’s aan de visserij- en aquacultuursector is verleend om de schadelijke gevolgen van de COVID-19-pandemie voor de lokale visserijsector te verzachten; herinnert er echter aan dat wegens administratieve vereisten en beperkingen niet alle getroffen belanghebbenden van die steun konden profiteren, waardoor sommige zich in een ongunstigere situatie bevonden dan andere;

24. onderstreept het belangrijke werk dat de adviesraad voor de Zwarte Zee zowel op regionaal als op EU-niveau verricht door expertise te verstrekken over de visserijsector en de trends die deze sector beïnvloeden; verzoekt in dit verband de Bulgaarse en Roemeense autoriteiten bij te dragen aan de werking van de raad zodat deze zijn functies kan uitoefenen en daarnaast alle belanghebbenden, waaronder kleinschalige vissers, in staat kan stellen deel te nemen aan de werkzaamheden en het besluitvormingsproces van de raad;

Handelsaspecten

25. wijst erop dat de visserijsector het mogelijk maakt om visserijproducten aan te bieden op lokale markten waar traditioneel weinig vis wordt gegeten; verzoekt de bevoegde autoriteiten in Bulgarije en Roemenië de visserij- en aquacultuursector te helpen meer bekendheid te geven aan het lokale aanbod en de cumulatieve positieve effecten die duurzame visserij en aquacultuur kunnen hebben op de lokale economie;

26. onderkent en benadrukt dat de visserij in de Zwarte Zee een aanzienlijke bijdrage levert aan de regionale en lokale economie doordat zij directe inkomsten genereert, de bestedingen stimuleert en zorgt voor cruciale werkgelegenheid, hetzij zelfstandig, hetzij via samenwerking met andere sectoren zoals toerisme en vervoer; pleit voor een versterking van de samenwerking tussen alle sectoren die het mariene milieu gebruiken, teneinde betere resultaten te bereiken en een beter evenwicht tot stand te brengen tussen de belangen van het milieu, de industrie en de kleinschalige visserij;

27. herinnert eraan dat de invoer van producten ertoe heeft geleid dat ambachtelijk bereide producten minder populair zijn geworden en dat hun prijsniveau is gedaald en bijna niet meer winstgevend is, waardoor de traditionele, op vis gebaseerde bedrijfsmodellen in gevaar worden gebracht;

28. herinnert eraan dat de vissersvloot van de Zwarte Zee hoofdzakelijk uit kleine vissersvaartuigen bestaat, hetgeen de noodzaak onderstreept van een meer op maat gesneden aanpak en beleid ten aanzien van dit segment van de visserijsector; is bezorgd over het feit dat de kleinschalige vissers in vergelijking met andere sectoren een instabieler en lager inkomen hebben, hetgeen hen kwetsbaar maakt voor onvoorziene ontwikkelingen of crises; roept de autoriteiten van de aan de Zwarte Zee gelegen lidstaten op om vertegenwoordigers van de kleinschalige visserij op een transparante en inclusieve wijze te betrekken bij beleidsontwikkeling en -discussies;

29. herinnert eraan dat de wereldwijde vraag naar eiwitten toeneemt en dat de visserij- en de aquacultuursectoren hier een belangrijke bijdragen aan kunnen leveren; is van mening dat het ondersteunen van mariene aquacultuur zou kunnen bijdragen aan de ontwikkeling en groei van de sector in de komende jaren en bovendien de druk op de wilde bestanden zou kunnen verlichten; is van mening dat voor duurzame aquacultuur meer wetenschappelijk onderzoek nodig is naar zaken als dichtheid en neveneffecten, waarmee rekening moet worden genomen bij het ontwerpen van beleid voor de aquacultuursector in de Zwarte Zee;

30. verzoekt de lokale visserijgemeenschappen te overwegen oorsprongsbenamingen in te voeren voor de producten van de Zwarte Zee als zijnde afkomstig uit een gebied van regionaal of lokaal belang; verzoekt de lokale en regionale autoriteiten deze gemeenschappen hierbij te ondersteunen;

Een gericht beleid voor de sector

31. verzoekt de lidstaten van de regio te overwegen de sector bij te staan door deze op te nemen in hun nationale programma’s voor 2021-2027 of in andere nationale instrumenten, en middelen op te nemen voor campagnes over de voordelen van visconsumptie en het belang van duurzame visserij, de sector te steunen door de totstandbrenging van lokale voedselketens om de toegang tot de markt te vergemakkelijken, met name voor kleinschalige vissers, en de visserij-infrastructuur (bijv. vismarkten, visveilingen enz.) waar mogelijk te ontwikkelen, te verbeteren of te faciliteren; verzoekt de lidstaten in de regio meer te investeren in de uitvoering, het toezicht op en de handhaving van EU-wetgeving op het gebied van milieu en visserij;

32. dringt er bij de bevoegde autoriteiten in Roemenië en Bulgarije op aan om in hun respectieve operationele programma’s van het EFMZV voor de periode 2021-2027 een tranche op te nemen van een gerichte regeling voor jonge vissers om de visserijsector te verjongen, onder meer door subsidie te verlenen voor de eerste aanschaf van een vissersvaartuig, alsook maatregelen om de vervuiling terug te dringen door subsidies te verlenen voor de vervanging van de motoren van oude vissersvaartuigen door nieuwe, milieuvriendelijkere exemplaren;

33. benadrukt dat de druk voor de aanpassing aan de nieuwe uitdagingen niet alleen bij de visserij- en de aquacultuursector mag liggen, aangezien deze sectoren al strenge milieu- en sociale normen hanteren; dringt er daarom op aan om de aandacht ook te richten op andere mariene activiteiten zoals recreatievisserij, kusttoerisme, haven- en scheepvaartactiviteiten en activiteiten in verband met de exploitatie van hulpbronnen, waarvoor strengere normen nodig zijn om de blauwe transitie te doen slagen;

34. benadrukt de rol die de lokale plaatselijke actiegroepen voor de visserij spelen bij de uitwisseling en de bevordering van goede praktijken die van belang zijn voor de wetenschap, lokale belanghebbenden en de sector, onder de leden van de respectieve vissersgemeenschappen en tevens via internationale samenwerking; dringt er bij de bevoegde autoriteiten in Bulgarije en Roemenië op aan nationale steun te verlenen voor de uitwisseling van beste praktijken met de andere kuststaten van de Zwarte Zee, die goede praktijken hanteren op het gebied van het beheer van de bestanden van economisch belangrijke soorten, zoals de tarbot;

35. wijst op de noodzaak om de goede praktijken in de visserijsector in stand te houden door de economische lasten voor kleinschalige vissers en hun organisaties te verlichten;

36. dringt erop aan dat opleiding en onderwijs in de sector, zowel op het niveau van het middelbaar als van het hoger onderwijs, aantrekkelijker worden gemaakt door middel van bijvoorbeeld gerichte voorlichtingscampagnes en open dagen voor toekomstige studenten in samenwerking met de publieke en de particuliere sector;

37. herinnert eraan dat het lage opleidingsniveau van de vissers (11 % van de vissers in Bulgarije en 53 % van de vissers in Roemenië hebben een lager opleidingsniveau dan een middelbare schooldiploma) proactieve maatregelen op verschillende niveaus vereist om ervoor te zorgen dat er geschoolde en goed opgeleide arbeidskrachten zijn, die vertrouwd zijn met de noodzakelijke technische, sociale en milieunormen, en die zullen bijdragen aan het duurzamer maken van visbestanden; pleit voor een sterke maatschappelijke dimensie in de duurzame blauwe groei in het Zwarte Zeegebied met inachtneming van de belangrijkste beginselen van de Europese pijler van sociale rechten, met name wat betreft werknemers met een onzeker dienstverband, seizoenarbeiders en zwartwerkers en de toegang voor vrouwen tot de sector;

38. is ingenomen met de inspanningen voor de oprichting van demonstratiecentra in Roemenië, Turkije en Bulgarije, die in samenwerking met de GFCM tot stand zijn gekomen en de visserij aantrekkelijker kunnen maken voor plaatselijke bedrijven en belanghebbenden;

39. dringt aan op de volledige en spoedige uitvoering van de kaderrichtlijn mariene strategie;

Milieu, biodiversiteit en klimaatverandering

40. vraagt dat er doelgerichte maatregelen worden genomen en dat er voldoende middelen worden ingezet teneinde in het hele stroomgebied de verontreiniging en de bijvangst van kwetsbare Elasmobranchii (zoals de doornhaai) en zeezoogdieren te verminderen en de inspanningen voor de instandhouding van het milieu en de biodiversiteit snel op te voeren met behulp van gemeenschappelijke programma’s en een gemeenschappelijke begroting, waarbij met name de financiële middelen uit het Europees Fonds voor maritieme zaken, visserij en aquacultuur moeten worden gebruikt; vraagt om uitgebreid onderzoek en schattingen met betrekking tot de plasticverontreiniging en de effecten van plastic en andere verontreinigende stoffen op de levende organismen in de Zwarte Zee; vraagt om systematische meting van de verontreiniging van het Zwarte Zeebekken door stikstof; dringt tevens aan op het uitvoeren van onderzoeken in het gehele stroomgebied om vergelijkingen mogelijk te maken van de samenstelling en accumulatie van zwerfvuil op zee binnen en tussen landen;

41. herinnert eraan dat de visserij- en de aquacultuursector geen veroorzakers zijn van temperatuurstijging en dus klimaatverandering, maar juist te lijden hebben onder de gevolgen ervan, zoals een hogere luchttemperatuur die de watertemperatuur van de bovenste lagen in zee verhoogt;

42. pleit voor een snelle opzet van monitoringnetwerken en -programma’s waarmee systematisch de toestand van het milieu in de Zwarte Zee kan worden gemeten, zoals voorgeschreven door het Verdrag van Boekarest;

43. benadrukt het belang van maatregelen om IOO-visserij te voorkomen; spoort de kuststaten ertoe aan het beleid ter bestrijding van IOO-visserij in de Zwarte Zee te versterken;

44. verzoekt de kuststaten van de Zwarte Zee te investeren in wetenschappelijk onderzoek en de verzameling van gegevens met betrekking tot de gevolgen van de klimaatverandering voor de ecosystemen van de Zwarte Zee en de Beneden-Donau; herinnert eraan dat dit onder meer inhoudt dat aan de wetenschappelijke gemeenschap voldoende middelen ter beschikking moeten worden gesteld om ter plaatse onderzoek te verrichten met betrekking tot de migratieroutes, de overwintering, de voeding en het bereiken van de vruchtbare leeftijd, hetgeen ook van invloed zal zijn op de kenmerken en de beschikbaarheid van de bestanden;

45. beklemtoont dat de vermindering van de verontreiniging vanaf het land van cruciaal belang is om zowel de eutrofiëring als de aanwezigheid van schadelijke stoffen die de toestand van de levende mariene hulpbronnen aantasten, terug te dringen;

46. onderstreept het belang van de beschermde mariene gebieden (MPA’s) voor de instandhouding van de biodiversiteit en het stoppen en terugdraaien van de huidige achteruitgang van het mariene milieu, en benadrukt dat MPA’s zijn opgezet om habitats van hoge ecologische waarde te beschermen; benadrukt dat voor het afbakenen van deze gebieden sociaal-economische studies en compensatieregelingen voor leden van de kustgemeenschappen noodzakelijk zijn; is van mening dat de aanwijzing van elke MPA gebaseerd moet zijn op de beste beschikbare kennis en moet worden afgestemd met alle belanghebbenden, zoals lokale autoriteiten, de wetenschappelijke gemeenschap en vissersorganisaties;

47. is zeer verontrust over het reële risico op uitsterven van de vijf resterende steursoorten in de Zwarte Zee en het stroomgebied van de Donaumonding; wijst op de inspanningen die zijn geleverd door de autoriteiten in Bulgarije en Roemenië door een algeheel verbod op steurvisserij in te voeren dat sinds 2008 van kracht is voor de Zwarte Zee en sinds 2011 voor de Donau, en dat met nog eens vijf jaar is verlengd (tot 2026); is ingenomen met de inspanningen die deskundigen van ngo’s en overheidsinstanties hebben geleverd en ondersteund om de steurbestanden in deze gebieden aan te vullen, en wijst erop dat dit voortdurend in het oog moet worden gehouden; is van mening dat bij de inspanningen ook aquacultuurvoorzieningen moeten worden betrokken; roept alle kuststaten op strenge maatregelen voor de instandhouding van de steur in te voeren en programma’s voor het uitzetten van steur in de hele Zwarte Zee op te zetten;

48. is bezorgd over het feit dat het onderzoek naar klimaatverandering en de gevolgen daarvan voor de Zwarte Zee niet toereikend is, terwijl het in de komende jaren toch van cruciaal belang zal zijn; verzoekt de kuststaten onderzoek te financieren dat betrekking heeft op de vissoorten (fysiologie, migratieroutes en voortplanting) en de veranderingen in hun voedselketen die van invloed zijn op de bestanden;

49. is van mening dat regelmatige meting van de dynamiek van de bestanden noodzakelijk is om adequate beheersmaatregelen te kunnen formuleren; herinnert eraan dat de bestanden van economisch belangrijke soorten als gevolg van overbevissing en door de mens veroorzaakte druk gevoeliger en kwetsbaarder zijn voor klimaatverandering;

50. dringt er bij de respectieve toezichthoudende autoriteiten op aan op doeltreffende wijze toezicht te houden op Natura 2000-gebieden en MPA’s in de Zwarte Zee;

51. verzoekt de lidstaten de ex-situ-kweek van steuren te ontwikkelen met het doel om de lokale populatie voor niet-commerciële doeleinden weer aan te vullen; verzoekt de lidstaten te voorzien in omschakelingsprogramma’s en alternatieve bestaansmiddelen voor vissers die op steur vissen, teneinde het aantal illegale vangsten te verminderen;

52. verzoekt de lidstaten de totstandbrenging van vistrappen te ondersteunen teneinde het voor steuren en andere trekkende soorten mogelijk te maken de dammen van de IJzeren Poort en Gabčíkovo te passeren;

53. onderstreept de noodzaak om gebieden aan te wijzen waar wilde populaties van steuren, elften en andere vissoorten kunnen herstellen; verzoekt de bevoegde autoriteiten in de betrokken lidstaten een daartoe strekkend voorstel in te dienen, dat zowel de instandhouding van de biodiversiteit als het beheer van de visserij ten goede zal komen;

54. verzoekt de lidstaten de mogelijkheden te onderzoeken om toe te treden tot het Verdrag van Barcelona inzake de bescherming van het mariene milieu en de kustgebieden van de Middellandse Zee, teneinde de daarin opgenomen doelstellingen met betrekking tot de bescherming van soorten en habitats af te stemmen op die van het Verdrag van Boekarest;

55. wijst erop dat meer wetenschappelijk onderzoek nodig is naar de populatie van sommige weekdieren zoals Chamalea gallina om de verspreiding van de soorten beter in kaart te brengen en daarnaast te onderzoeken of het mogelijk is deze soorten te gebruiken voor mariene aquacultuur;

56. verzoekt de kuststaten van de Zwarte Zee een gemeenschappelijke aanpak te vinden om eraan bij te dragen dat walvisachtigen stabiele populatieniveaus kunnen bereiken en om hun staat van instandhouding te verbeteren; pleit voor gerichte maatregelen, zoals akoestische afschrikmiddelen en andere passende middelen om de toestand van bedreigde soorten in de Zwarte Zee, zoals dolfijnen, te verbeteren;

57. verzoekt de Commissie en de bevoegde autoriteiten in Bulgarije en Roemenië financiële middelen beschikbaar te stellen voor onderzoek naar de toestand van de Pontische elft (Alosa spp.), die nu in bijlage V bij de habitatrichtlijn (Richtlijn 92/43/EEG) is opgenomen, met inbegrip van wetenschappelijke en sociaal-economische analyses, waarbij wordt nagegaan of het nodig is deze soort naar bijlage II of zelfs bijlage I bij de richtlijn over te brengen, indien aan de nodige criteria wordt voldaan;

58. verzoekt de Commissie dringend te overwegen de steur, die momenteel is opgenomen in bijlage V bij de habitatrichtlijn, over te brengen naar bijlage II of zelfs bijlage I bij die richtlijn;

Concrete maatregelen

59. verzoekt de Commissie om de mogelijkheid te onderzoeken om een meerjarig beheersplan voor de Zwarte Zee in te voeren, naar het voorbeeld van andere zeebekkens;

60. stelt vast dat de Commissie in haar mededeling over de stand van zaken van het gemeenschappelijk visserijbeleid en raadpleging over de vangstmogelijkheden elk jaar meldt dat de visbestanden in de Zwarte Zee overbevist zijn; is derhalve van mening dat de situatie in dit zeebekken dringend moet worden verbeterd;

61. verzoekt de Commissie om een stand van zaken op te maken van de uitvoering van het gemeenschappelijk visserijbeleid, in het bijzonder in de Zwarte Zee, waarbij bijzondere aandacht wordt geschonken aan de manier waarop de lidstaten aan de Zwarte Zee het EFMZV 2014-2020 hebben gebruikt om tot een duurzaam beheer van de visbestanden te komen en de biodiversiteit te verbeteren;

°

° °

62. verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie, de regeringen en de parlementen van de lidstaten, de regeringen en de parlementen van Oekraïne, de Russische Federatie, Georgië en de Republiek Turkije, de Algemene Visserijcommissie voor de Middellandse Zee, de Organisatie voor Economische Samenwerking in het Zwarte Zeegebied en de Commissie voor de bescherming van de Zwarte Zee tegen verontreiniging.

 


TOELICHTING

Toen Bulgarije en Roemenië op 1 januari 2007 lid werden van de Europese Unie, werden de wetgeving van de Unie en het gemeenschappelijk visserijbeleid (GVB) van toepassing op de territoriale wateren van die twee landen. Het is de bedoeling om het evenwicht te verbeteren tussen de bescherming van het milieu en de biodiversiteit enerzijds en het behoud en/of de totstandbrenging van economische bestaansmiddelen anderzijds.

 

De exclusieve economische zones van Bulgarije en Roemenië dekken slechts 15 % van het water van de Zwarte Zee af. Dat betekent dat het deel van de Zwarte Zee dat onder de jurisdictie van de Europese Unie valt, nauw verbonden is met wateren die zich buiten de Unie bevinden. In dat kader en met het oog op een doeltreffend beheer van de visbestanden is het essentieel een constructieve en actieve dialoog na te streven met alle andere landen die aan de Zwarte Zee liggen (Turkije, Rusland, Oekraïne en Georgië), en ook met de Republiek Moldavië, die niet rechtstreeks aan de Zwarte Zee grenst, maar wel in het waterwingebied ervan valt en dus ook het ecologisch evenwicht en de ontwikkeling ervan beïnvloedt.

 

De uitdagingen waaraan de visserijsector van de Zwarte Zee het hoofd moet bieden en de mogelijkheden waarover de sector beschikt, zijn zowel afhankelijk van de specifieke eigenschappen ervan als van de evolutie op de markt. De uitdagingen kunnen verband houden met natuurlijke factoren of menselijke activiteit, zoals vervuiling (die de Zwarte Zee direct of indirect treft via de waterlopen die erin uitmonden), de overexploitatie van hulpbronnen, de invoering van invasieve uitheemse soorten, een gebrek aan een alomvattende aanpak om de zichtbaarheid van de sector, alsmede de erdoor gegenereerde rijkdom, te vergroten, een personeelstekort in de sector en een gebrek aan de (financiële, materiële en/of personele) middelen die nodig zijn om gegevens te verzamelen over de visbestanden en de andere soorten van het Zwarte Zeebekken.

 

Om de uitdagingen waarmee de visserijsector van de Zwarte Zee wordt geconfronteerd, te analyseren, is het zeer belangrijk erop te wijzen dat die zee een half-ingesloten zee is die slechts indirect, via de Middellandse Zee (via de Zee van Marmara en de Egeïsche Zee), met de oceaan is verbonden. De uitwisseling van water en stoffen is hier dus beperkt. Die situatie brengt een gevaar met zich mee, onder meer voor het milieu, en heeft ook gevolgen voor mariene organismen, onder meer voor soorten die belangrijk zijn voor de visserijsector. Afval, met name plastic, maar ook chemicaliën die rechtstreeks in de zee worden geloosd of die in de zee terechtkomen via de waterlopen die erin uitmonden of de bijrivieren daarvan, zal doorgaans in de zee aanwezig blijven. Het verslag van Emblas-Plus van 2017 bevat verschillende indicatoren voor de kwaliteit van de territoriale wateren van de landen rond de Zwarte Zee. Volgens dat verslag zijn het stadsafval, het industrieel afval, het luchtvervoer over lange afstanden, de landbouw, de havens en de maritieme activiteiten het meest vervuilend voor het water van de Zwarte Zee. Er moet op worden gewezen dat die indicatoren een zeer zorgwekkend beeld schetsen van de toestand van het water, met name in het oostelijke deel van de Zwarte Zee. Teneinde de mariene verontreiniging te verminderen, moeten, rekening houdend met de specifieke kenmerken van de Zwarte Zee, alle verontreinigende stoffen van de volledige waterlopen die uitmonden in de Zwarte Zee, in kaart worden gebracht. Wetenschappers zijn het nog niet volledig eens over de gevolgen van microplastics voor de gezondheid van mariene soorten, en dus voor de gevolgen ervan voor de gezondheid van de consument, maar alle beschikbare informatie over de oorzaken van verontreiniging geeft aan dat er geen reden is om het onderwerp buiten beschouwing te laten. Integendeel, alles moet in het werk worden gesteld om die vervuiling tot nul terug te brengen.

 

Een ander belangrijk kenmerk van de Zwarte Zee is het lage zoutgehalte van de bovenste lagen van de zee, gemiddeld 17,5 mg/l, vergeleken met ongeveer 35 mg/l in de oceanen. Ook dat heeft te maken met de beperkte uitwisseling van water tussen de zee en de oceaan. Volgens ramingen van de FAO leidt het lagere zoutgehalte van de Zwarte Zee tot een minder grote biodiversiteit (1 200 soorten) dan in de Middellandse Zee (bijna 7 000 soorten), maar door de betere zoetwaterinstroom doet fytoplankton het in het algemeen beter in de Zwarte Zee dan in de Middellandse Zee. Ook de dichtheid van het zoöplankton ligt relatief hoog. Dat biedt goede ontwikkelingsperspectieven voor bepaalde sectoren, zoals de aquacultuur van soorten die kunnen overleven en floreren in brak water. Die sector beschikt over een aanzienlijk groeipotentieel voor de komende jaren, dankzij de maatschappelijke, economische en milieuvoordelen die erdoor kunnen worden gecreëerd. In dat verband dienen de lidstaten ondernemerschap in de sector te ondersteunen met specifieke programma’s en maatregelen, in het kader van het Gemeenschapsrecht, en met andere rechtsinstrumenten.

 

Een belangrijk deel van de productie van de visserijsector van de Zwarte Zee is bestemd voor uitvoer. De bevordering van de internationale handel, ook voor die producten, zal dus bijdragen aan de ontwikkeling van de sector. In dat verband moeten de lidstaten de vissersgemeenschappen en hun verenigingen helpen zichtbaarder te worden. Met het oog hierop zouden zij de deelname van die vissersgemeenschappen en verenigingen aan internationale tentoonstellingen, handelsmissies en andere fora kunnen bevorderen. Kleine vissers zouden gemakkelijker toegang moeten krijgen tot de eindconsument.

 

De lage consumptie van visserij- en aquacultuurproducten in de twee EU-lidstaten die aan de Zwarte Zee liggen, biedt een aanzienlijk groeipotentieel op het gebied van binnenlandse consumptie. De huidige consumptieniveaus kunnen door economische factoren worden verklaard, maar de sector zou zijn producten en zijn aanbod kunnen diversifiëren, bijvoorbeeld door versneden eindproducten tegen meer betaalbare prijzen aan te bieden.

 

De bevoegde sectorale instellingen zouden tevens campagnes moeten overwegen teneinde de vraag naar visserijproducten te vergroten. Dergelijke initiatieven zouden op middellange en lange termijn een positief effect hebben op de visserijsector en zouden de duurzaamheid ervan waarborgen. Met het oog hierop moeten de sectorale productie en de voordelen van de consumptie ervan voor het voetlicht worden gebracht.

 

Vanuit macro-economisch oogpunt weegt de sector niet zwaar door in de nationale economieën van Bulgarije en Roemenië, maar op regionaal en lokaal niveau speelt hij een essentiële rol. Naast de banen in de sector zelf wordt er eveneens indirecte werkgelegenheid in andere sectoren gecreëerd. De interactie met, bijvoorbeeld, het lokale toerisme kan worden versterkt, met name door visserijproducten aan restaurants te leveren of door tentoonstellingen, evenementen en toeristische festivals te organiseren.

 

Het is belangrijk rekening te houden met de omvang en de leeftijd van de vissersvloot, en eveneens met de leeftijdspiramide van de vissers in de Zwarte Zee. Een aanzienlijk deel van de vaartuigen (ongeveer 95 % in Bulgarije en 86 % in Roemenië) zijn kleine vaartuigen die van generatie op generatie worden doorgegeven. De meeste vissers zijn amateurvissers die slechts een paar keer per seizoen/jaar uitvaren. Hun vangst is in het algemeen beperkt en wordt gebruikt voor eigen consumptie. Een deel van de bevolking is afhankelijk van die bestaansmiddelen en tradities. De kleinschalige visserij mag dan ook niet in onevenredige mate worden belemmerd door economisch ongerechtvaardigde eisen die tot de stopzetting ervan zouden leiden.

 

Het is cruciaal dat de lidstaten meer informatie en goede praktijken uitwisselen over het gebruik en de instandhouding van de visbestanden en de andere soorten van de Zwarte Zee. In dat verband moeten wetenschappelijke en professionele uitwisselingen met belanghebbenden uit de regio worden ondersteund, ook buiten het kader van de financiële instrumenten en de ondersteuning van de Unie.

 

Er moet absoluut voldoende aandacht aan de biodiversiteit in het Zwarte Zeebekken worden besteed, met name aan de rivieren die erin uitmonden en die onder het Gemeenschapsrecht vallen. De Donau, die door het grondgebied van zeven EU-lidstaten en twee andere landen stroomt, staat hierbij centraal. Die rivier is een belangrijke bron van biologische rijkdommen voor de Zwarte Zee, die een essentieel deel van de visserijen uitmaken. De steurvisserij op de Donau, in de monding van de Donau en in de aangrenzende wateren van de Zwarte Zee is met name van belang. Vanwege een aantal door de mens veroorzaakte redenen wordt die populatie tegenwoordig echter met een aantal dreigingen geconfronteerd. Die dreigingen omvatten de visserij en andere activiteiten, zoals de bouw van dammen op rivieren, die ervoor zorgen dat steuren en andere trekkende vissen hun traditionele paaigebieden niet kunnen bereiken. Vissen op steur is momenteel verboden. Er zijn eveneens campagnes opgestart voor de herintroductie van jonge vissen, maar aangezien steuren pas na meerdere jaren geslachtsrijp zijn, is het voorlopig moeilijk om de doeltreffendheid van die campagnes te beoordelen. Rekening houdend met die specifieke biologische kenmerken van de soort moet worden nagedacht over verbodsbepalingen op de langere termijn (voor de komende decennia). Gezien de kritieke toestand van de steurbestanden moeten er zowel op het niveau van de Unie als op lidstaatniveau drastische maatregelen voor de instandhouding ervan worden genomen.


INFORMATIE OVER DE GOEDKEURING IN DE BEVOEGDE COMMISSIE

Datum goedkeuring

10.5.2021

 

 

 

Uitslag eindstemming

+:

–:

0:

25

0

3

Bij de eindstemming aanwezige leden

François-Xavier Bellamy, Izaskun Bilbao Barandica, Isabel Carvalhais, Maria da Graça Carvalho, Rosanna Conte, Rosa D’Amato, Giuseppe Ferrandino, João Ferreira, Søren Gade, Francisco Guerreiro, Anja Hazekamp, Niclas Herbst, France Jamet, Pierre Karleskind, Francisco José Millán Mon, Grace O’Sullivan, Manuel Pizarro, Caroline Roose, Bert-Jan Ruissen, Annie Schreijer-Pierik, Ruža Tomašić, Peter van Dalen, Emma Wiesner, Theodoros Zagorakis

Bij de eindstemming aanwezige vaste plaatsvervangers

Carmen Avram, Nicolás González Casares, Valentino Grant, Ivo Hristov

 


HOOFDELIJKE EINDSTEMMING IN DE ADVISERENDE COMMISSIE

25

+

ECR

Bert-Jan Ruissen, Ruža Tomašić

PPE

François-Xavier Bellamy, Maria da Graça Carvalho, Peter van Dalen, Niclas Herbst, Francisco José Millán Mon, Annie Schreijer-Pierik, Theodoros Zagorakis

Renew

Izaskun Bilbao Barandica, Søren Gade, Pierre Karleskind, Emma Wiesner

S&D

Carmen Avram, Isabel Carvalhais, Giuseppe Ferrandino, Nicolás González Casares, Ivo Hristov, Manuel Pizarro

The Left

João Ferreira, Anja Hazekamp

Verts/ALE

Rosa D'Amato, Francisco Guerreiro, Grace O'Sullivan, Caroline Roose

 

 

0

-

 

 

3

0

ID

Rosanna Conte, Valentino Grant, France Jamet

 

Verklaring van de gebruikte tekens:

+ : voor

- : tegen

0 : onthouding

 

 

 

[1] PB L 336 van 30.12.2019, blz. 14.

[2] PB L 354 van 28.12.2013, blz. 22.

[3] PB L 164 van 25.6.2008, blz. 19.

[4] PB L 164 van 20.6.2019, blz. 1.

[5] PB L 257 van 28.8.2014, blz. 135.

[6] PB L 149 van 20.5.2014, blz. 1.

[7] Aangenomen teksten, P9_TA(2021)0076.

[8] PB C 51 E van 22.2.2013, blz. 37.

[9] Aangenomen teksten, P9_TA(2021)0017.

Laatst bijgewerkt op: 17 juni 2021Juridische mededeling - Privacybeleid