Procedure : 2020/2262(INI)
Stadium plenaire behandeling
Documentencyclus : A9-0191/2021

Ingediende teksten :

A9-0191/2021

Debatten :

PV 23/06/2021 - 26
CRE 23/06/2021 - 26

Stemmingen :

PV 24/06/2021 - 11
PV 24/06/2021 - 18

Aangenomen teksten :

P9_TA(2021)0316

<Date>{02/06/2021}2.6.2021</Date>
<NoDocSe>A9-0191/2021</NoDocSe>
PDF 214kWORD 70k

<TitreType>VERSLAG</TitreType>

<Titre>over gezonde regelgeving en subsidiariteit en evenredigheid in de Europese Unie – verslag over beter wetgeven betreffende de jaren 2017, 2018 en 2019</Titre>

<DocRef>(2020/2262(INI))</DocRef>


<Commission>{JURI}Commissie juridische zaken</Commission>

Rapporteur: <Depute>Mislav Kolakušić</Depute>

AMENDEMENTEN
ONTWERPRESOLUTIE VAN HET EUROPEES PARLEMENT
 ADVIES VAN DE COMMISSIE INTERNE MARKT EN CONSUMENTENBESCHERMING
 ADVIES VAN DE COMMISSIE CONSTITUTIONELE ZAKEN
 INFORMATIE OVER DE GOEDKEURING IN DE BEVOEGDE COMMISSIE
 HOOFDELIJKE EINDSTEMMING IN DE BEVOEGDE COMMISSIE


PR_INI

INHOUD

Blz.

ONTWERPRESOLUTIE VAN HET EUROPEES PARLEMENT

ADVIES VAN DE COMMISSIE INTERNE MARKT EN CONSUMENTENBESCHERMING

ADVIES VAN DE COMMISSIE CONSTITUTIONELE ZAKEN

INFORMATIE OVER DE GOEDKEURING IN DE BEVOEGDE COMMISSIE

HOOFDELIJKE EINDSTEMMING IN DE BEVOEGDE COMMISSIE


 


 

ONTWERPRESOLUTIE VAN HET EUROPEES PARLEMENT

over gezonde regelgeving en subsidiariteit en evenredigheid in de Europese Unie – verslag over beter wetgeven betreffende de jaren 2017, 2018 en 2019

(2020/2262(INI))

Het Europees Parlement,

 gezien artikel 5 van het Verdrag betreffende de Europese Unie (VEU),

 gezien Protocol nr. 1 betreffende de rol van de nationale parlementen in de Europese Unie,

 gezien Protocol nr. 2 betreffende de toepassing van de beginselen van subsidiariteit en evenredigheid,

 gezien het Interinstitutioneel Akkoord van 16 december 2003 over beter wetgeven, en de meest recente versie daarvan, het Interinstitutioneel Akkoord van 13 april 2016 over beter wetgeven,

 gezien de praktische regelingen die op 22 juli 2011 zijn overeengekomen tussen de bevoegde diensten van het Europees Parlement en de Raad voor de tenuitvoerlegging van artikel 294, lid 4, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU) bij akkoorden in eerste lezing,

 gezien het jaarverslag 2017 van de Commissie over de toepassing van de beginselen van subsidiariteit en evenredigheid (COM(2018)0490), het jaarverslag 2018 van de Commissie over de toepassing van de beginselen van subsidiariteit en evenredigheid (COM(2019)0333) en het jaarverslag 2019 van de Commissie over de toepassing van de beginselen van subsidiariteit en evenredigheid (COM(2020)0272),

 gezien de mededeling van de Commissie, getiteld “Een grotere rol voor de beginselen van subsidiariteit en evenredigheid bij de beleidsvorming van de EU” (COM(2018)0703), en de bijlage daarbij,

 gezien de taskforce Subsidiariteit, Evenredigheid en “Minder en efficiënter optreden”, die zijn bevindingen op 10 juli 2018 presenteerde,

 gezien de adviezen en resoluties van het Europees Comité van de Regio’s, met name de resolutie van 1 februari 2018 over de wijziging van de verordening houdende gemeenschappelijke bepalingen voor de ESI-fondsen ter ondersteuning van structurele hervormingen[1], het advies van 9 oktober 2018, getiteld “Nadenken over Europa: de inbreng van regionale en lokale overheden bij het herstellen van het vertrouwen in de Europese Unie” (CDR 1230/2018), en de resolutie van 10 december 2020 over het werkprogramma van de Europese Commissie voor 2021[2], en gezien de prioriteiten van het Europees Comité van de Regio’s voor 2020-2025 - “Europa dichter bij de mensen via de dorpen, steden en regio’s”, vastgesteld tijdens de zitting van 30 juni - 2 juli 2020,

 gezien de 9e subsidiariteitsconferentie “Active Subsidiarity: creating EU added value together” (Actieve subsidiariteit: samen Europese meerwaarde creëren), die op 22 november 2019 in Rome werd georganiseerd door het Comité van de Regio’s en de Conferentie van voorzitters van Italiaanse regionale parlementen,

 gezien de samenwerkingsovereenkomst van 5 februari 2014 tussen het Europees Parlement en het Comité van de Regio’s,

 gezien de resolutie van het Europees Parlement van 15 januari 2020 over de Europese Green Deal[3], waarin het zich ingenomen toont met de toezegging van de Commissie om ervoor te zorgen dat alle EU-maatregelen bijdragen aan het bereiken van een duurzame toekomst en een rechtvaardige transitie en om de richtsnoeren voor betere regelgeving dienovereenkomstig bij te werken, in verband waarmee het Parlement erop aandringt dat het beginsel “duurzaamheid voorop” geïntegreerd wordt in de agenda’s voor betere regelgeving van de EU en haar lidstaten,

 gezien zijn resolutie van 9 juni 2016 over een open, doeltreffend en onafhankelijk Europees ambtenarenapparaat[4],

 gezien artikel 54 van zijn Reglement,

 gezien de adviezen van de Commissie interne markt en consumentenbescherming en de Commissie constitutionele zaken,

 gezien het verslag van de Commissie juridische zaken (A9-0191/2021),

A. overwegende dat de uitoefening van de bevoegdheden van de EU wordt beheerst door de beginselen van subsidiariteit en evenredigheid; overwegende dat het subsidiariteitsbeginsel bedoeld is ter bescherming van de bevoegdheid van de lidstaten om besluiten te nemen en op te treden op gebieden die niet onder de exclusieve bevoegdheid van de Unie vallen, en dat op grond van dit beginsel optreden door de Unie slechts gerechtvaardigd is indien de doelstellingen van het optreden niet voldoende door de lidstaten kunnen worden verwezenlijkt, maar “vanwege de omvang en de gevolgen van het overwogen optreden” beter door de Unie kunnen worden bereikt; overwegende dat dit beginsel ook in de EU-Verdragen is opgenomen om ervoor te zorgen dat de uitoefening van bevoegdheden zo dicht mogelijk bij de burger plaatsvindt, overeenkomstig het nabijheidsbeginsel voorzien in artikel 10, lid 3, VEU;

B. overwegende dat de Commissie-Juncker in juli 2017 een herziene reeks richtsnoeren voor betere regelgeving en een bijbehorende toolbox heeft vastgesteld; overwegende dat de Commissie haar portaal voor betere regelgeving heeft uitgebreid om het voor burgers gemakkelijker te maken om online informatie te vinden; overwegende dat de Commissie het op zich heeft genomen de beginselen van subsidiariteit en evenredigheid in het Europese democratische proces en gedurende het hele wetgevingsproces centraal te stellen en daartoe een taskforce Subsidiariteit, Evenredigheid en “Minder en efficiënter optreden” heeft opgericht, die op 10 juli 2018 zijn verslag heeft uitgebracht;

C. overwegende dat de taskforce aanbevelingen heeft gedaan om er enerzijds voor te zorgen dat de beginselen van subsidiariteit en evenredigheid op dezelfde wijze worden begrepen en om de toepassing van die beginselen in het kader van de werkzaamheden van de EU-instellingen te verbeteren en anderzijds lokale en regionale overheden en nationale parlementen een prominentere rol te geven, met als doel “actieve subsidiariteit” te bereiken, waarmee het draagvlak voor het EU-beleid kan worden vergroot; overwegende dat hierbij antwoord werd gegeven op vragen als “Hoe kunnen we ervoor zorgen dat de beginselen van subsidiariteit en evenredigheid binnen de EU-instellingen beter worden toegepast?” en “Hoe kunnen we de betrokkenheid van regionale en lokale autoriteiten en nationale parlementen bij de EU-beleidsvorming en de uitvoering daarvan vergroten?”;

D. overwegende dat de Commissie in haar mededeling van 23 oktober 2018, getiteld “Een grotere rol voor de beginselen van subsidiariteit en evenredigheid bij de beleidsvorming van de EU” (COM(2018)0703), nogmaals wijst op de belangrijke rol van subsidiariteit en evenredigheid in het kader van het realiseren van betere wetgeving, en maatregelen voorstelt die naar aanleiding van het verslag van de taskforce moeten worden genomen, en die onder meer inhouden dat meer aandacht moet uitgaan naar de standpunten van lokale en regionale overheden, dat binnen de EU een gemeenschappelijke visie op subsidiariteit en evenredigheid moet worden bevorderd, dat bij de evaluatie van bestaande wetgeving grondiger moet worden gekeken naar subsidiariteit en evenredigheid en dat nationale parlementen moeten worden geholpen om hun taken effectiever te vervullen;

E. overwegende dat de Commissie uitvoering is blijven geven aan haar versterkte agenda voor betere regelgeving en is doorgegaan met het integreren van de beginselen van subsidiariteit en evenredigheid in alle stadia van de beleidsvorming;

F. overwegende dat de Commissie op 3 juli 2020 een geheel vernieuwde versie van de portaalsite “Geef uw mening” heeft gelanceerd om het voor burgers gemakkelijker te maken online een bijdrage te leveren aan de totstandkoming van EU-wetgeving en -beleid; overwegende dat deze nieuwe versie van de portaalsite ervoor moet zorgen dat de Commissie de burgers beter kan raadplegen en beter met de burgers kan communiceren en dat de transparantie groter wordt; overwegende dat het portaal onderdeel is van de agenda voor betere regelgeving en ten doel heeft de kwaliteit van de EU-beleidsvorming te verbeteren;

G. overwegende dat de portaalsite “Geef uw mening” een nuttig instrument is gebleken om burgers en belanghebbenden in staat te stellen deel te nemen aan de totstandkoming van het beleid van de Commissie; overwegende dat de Europese Rekenkamer in 2019 echter een speciaal verslag heeft gepubliceerd met daarin een reeks aanbevelingen voor verbetering van het portaal, met name wat betreft het gebruik van vertalingen;

H. overwegende dat de Commissie sinds 2018 haar verslagen over de toepassing van de beginselen van subsidiariteit en evenredigheid bij het opstellen van EU-wetgeving samenvoegt met haar verslagen over de betrekkingen met nationale parlementen, waardoor de standpunten van de nationale parlementen een grotere zichtbaarheid krijgen en overlappingen tussen de verschillende jaarverslagen worden vermeden;

I. overwegende dat de Commissie in 2017 52 gemotiveerde adviezen van nationale parlementen over het subsidiariteitsbeginsel heeft ontvangen, en dat het er in 2018 en 2019 respectievelijk 37 en 0 waren;

J. overwegende dat het feit dat er in 2019 geen gemotiveerde adviezen van nationale parlementen werden ontvangen niet het gevolg was van een betere toepassing van de beginselen van subsidiariteit en evenredigheid, maar een gevolg was van het feit dat 2019 een overgangsjaar was tussen twee Commissies, waarin het Europees Parlement werd ontbonden en er Europese verkiezingen werden gehouden, waardoor er minder wetgevingsinitiatieven en -voorstellen waren dan in de voorafgaande jaren;

K. overwegende dat het Parlement inziet dat een grotere betrokkenheid van de nationale parlementen bij het democratisch toezicht op nauwere samenwerking op beleidsgebieden waarop de lidstaten en de Unie een gedeelde bevoegdheid hebben, in aanvulling op het toezicht door het Europees Parlement, noodzakelijk is;

L. overwegende dat het Comité van de Regio’s recentelijk, in maart 2021, regionale hubs 2.0 heeft ingevoerd; overwegende dat dit project een initiatief van het Comité is en ten doel heeft de uitvoering van het EU-beleid in de praktijk te monitoren;

M. overwegende dat de Raad voor regelgevingstoetsing onder meer bevoegd is om de kwaliteit van effectbeoordelingen te toetsen;

N. overwegende dat de Commissie heeft toegezegd toepassing te zullen geven aan het beginsel “één erbij, één eraf”, op grond waarvan ieder wetsvoorstel dat nieuwe lasten voor burgers en bedrijven met zich meebrengt, gecompenseerd moet worden door intrekking van EU-regelgeving met vergelijkbare lasten op hetzelfde beleidsterrein, maar dat zij dit beginsel tot dusver niet met succes heeft toegepast;

O. overwegende dat uit de huidige crisis is gebleken dat het noodzakelijk is om onnodige regeldruk in kaart te brengen en te verlichten zodat ervoor kan worden gezorgd dat EU-wetgeving de beoogde voordelen oplevert en dat onnodige kosten worden beperkt, en dit binnen een redelijke termijn, en dat er met name vaart moet worden gemaakt met ondersteuningsmaatregelen ten behoeve van consumenten, kleine en middelgrote ondernemingen (kmo’s) en micro-ondernemingen; overwegende dat wetgeving, met het oog op de belangen van consumenten, werknemers, kmo’s en burgers in het algemeen, evenwichtig, duidelijk, omvattend en inclusief moet zijn en in voorkomend geval gebaseerd moet zijn op wetenschappelijk bewijs; benadrukt dat micro-ondernemingen en kmo’s alleen verplichtingen opgelegd moeten krijgen die in verhouding staan tot hun specifieke kenmerken en de kenmerken van hun sector, en spoort de Commissie ertoe aan krachtige handhavingsmaatregelen te nemen om marktversnippering tegen te gaan, ongerechtvaardigde marktbelemmeringen weg te nemen en een gelijk speelveld te waarborgen; overwegende dat betere regelgeving echter iedereen ten goede moet komen en de belangen van de Europese samenleving moet dienen;

P. overwegende dat het Parlement, de Commissie en de Raad als wetgevende organen de beginselen van bevoegdheidstoedeling, subsidiariteit en evenredigheid moeten eerbiedigen; overwegende dat die beginselen alleen worden nageleefd als de nationale bevoegdheden strikt worden geëerbiedigd en dat EU-wetgeving moet aansluiten op de wensen van de burgers door ervoor te zorgen dat de omzetting en toepassing van wetgeving altijd geschiedt in overeenstemming met het nationale recht, om op die manier een gelijk speelveld voor de EU-burgers te waarborgen;

1. wijst op het belang van de jaarverslagen van de Commissie over subsidiariteit en evenredigheid;

2. is ingenomen met de voortdurende aandacht voor het subsidiariteits- en het evenredigheidsbeginsel, die voor de Europese Unie leidende beginselen zijn; wijst erop dat het belangrijk is om ervoor te zorgen dat er op EU-niveau een uniforme opvatting bestaat ten aanzien van subsidiariteit en evenredigheid, en wijst op de zorgen die in eerdere verslagen naar voren zijn gebracht zijn over de enigszins summiere aard van de jaarverslagen over subsidiariteit en evenredigheid van de Commissie, waarin vaak niet in detail wordt ingegaan op de wijze waarop deze beginselen in het kader van de EU-beleidsvorming in acht worden genomen; constateert dat de jaarverslagen van de Commissie over subsidiariteit en evenredigheid steeds omvattender worden;

3. wijst erop dat overeenkomstig het subsidiariteitsbeginsel, zoals neergelegd in artikel 5 VWEU, de besluitvorming op het meest geschikte beleidsniveau en zo dicht mogelijk bij burgers en ondernemingen moet plaatsvinden, en dat dit beginsel te allen tijde geëerbiedigd moet worden, en dat maatregelen op EU-niveau gerechtvaardigd moeten zijn in het licht van de mogelijkheden die er zijn op nationaal, regionaal of lokaal niveau, waarbij de volgende drie processen van belang zijn: ex-postbeoordeling, effectbeoordeling en raadpleging van belanghebbenden; spoort de Commissie aan de afstand tussen de EU en haar burgers nog kleiner te maken; wijst erop dat lokale en regionale overheden ongeveer 70 % van de EU-wetgeving uitvoeren en toepassen; is van mening dat het zorgvuldig raadplegen van de gekozen vertegenwoordigers van de burgers over EU-aangelegenheden een zeer doeltreffende manier is om de afstand tussen de EU en haar burgers te verkleinen; verzoekt de nationale autoriteiten van de lidstaten en de relevante belanghebbenden om zich in een vroeg stadium van het besluitvormingsproces actiever op te stellen en subsidiariteits- en evenredigheidscontroles en beoordelingen van de administratieve lasten uit te voeren, om te waarborgen dat de EU op andere gebieden dan de gebieden waarop zij een exclusieve bevoegdheid heeft niet optreedt, tenzij optreden op EU-niveau doeltreffender is dan optreden op nationaal, regionaal of lokaal niveau; wijst er voorts op dat het evenredigheidsbeginsel met zich meebrengt dat het optreden van de EU niet verder mag gaan dan wat nodig is om de doelstellingen van de Verdragen te verwezenlijken; spoort de Commissie aan om de doeltreffendheid en doelmatigheid van de procedure voor het toetsen van de subsidiariteit te evalueren om de zwakke punten ervan in kaart te brengen en aan te pakken;

4. wijst erop dat de huidige opzet van de procedure voor subsidiariteitstoetsing ertoe leidt dat de commissies voor EU-aangelegenheden van de nationale parlementen enorm veel tijd moeten besteden aan technische en juridische beoordelingen, maar daarbij gebonden zijn aan korte termijnen, waardoor er geen tijd is voor een diepgaander politiek debat over het Europees beleid;

5. pleit voor herziening van het VWEU en voor toekenning aan het Europees Parlement van een rechtstreeks initiatiefrecht inzake wetgeving, aangezien het Europees Parlement de Europese burgers rechtstreeks vertegenwoordigt;

6. wijst erop dat het belangrijk is dat de noodzaak van wetgevingsinitiatieven en de gevolgen (economische, milieu- en sociale gevolgen) voor alle belangrijke sectoren naar behoren worden toegelicht om er op die manier voor te zorgen dat de beginselen van subsidiariteit en evenredigheid worden nageleefd;

7. is van mening dat bevordering van de Europese Unie door middel van betere regelgeving belangrijk is om de EU-burgers en -ondernemingen stabiliteit en rechtszekerheid te bieden en daarmee te zorgen voor groei, banen en welvaart;

8. is van mening dat de toepassing van de beginselen van subsidiariteit en evenredigheid altijd het startpunt is voor beleidsvorming en een essentieel onderdeel is van de beleidscyclus;

9. neemt kennis van de conclusies van de taskforce Subsidiariteit, Evenredigheid en “Minder en efficiënter optreden”; vestigt de aandacht op het feit dat het Parlement heeft aangegeven van mening te zijn dat deelname door het Parlement aan de door de Commissie opgezette taskforce afbreuk zou doen aan zijn institutionele rol en positie als het enige rechtstreeks verkozen orgaan van de Europese Unie, dat burgers en bedrijven op Unie-niveau vertegenwoordigt en politieke controle uitoefent op de Commissie, en dat het Parlement om die reden niet is ingegaan op de uitnodiging om leden te benoemen voor de taskforce; is ingenomen met de resultaten en aanbevelingen in het verslag van de taskforce, waarin wordt gesteld dat er op alle gebieden waarop de EU optreedt sprake is van Europese meerwaarde, en is ingenomen met het feit dat de taskforce om die reden dan ook geen verdragsrechtelijke bevoegdheden of beleidsgebieden heeft aangewezen waarop de EU haar bevoegdheden definitief, geheel of gedeeltelijk, aan de lidstaten dient terug te geven; verzoekt de Commissie om een follow-up te geven aan de conclusies in het verslag en met name lokale en regionale overheden beter en ten volle te betrekken bij haar raadplegingsprocedures, en ervoor te zorgen dat bij de beoordeling van beide beginselen in het gehele besluitvormingsproces gebruik wordt gemaakt van een “modelbeoordelingstabel”; merkt op dat dit een krachtig engagement vergt, onder meer van de medewetgevers van de EU; stelt voorts voor de bestaande kaders voor interparlementaire samenwerking te evalueren en verder te ontwikkelen;

10. is van mening dat ieder voorstel van de Commissie een positief effect moet hebben op het leven van burgers, en dat de kosten van elk voorstel evenredig en op te brengen moeten zijn;

11. benadrukt dat de nationale parlementen in een zo vroeg mogelijk stadium bij het wetgevingsproces betrokken moeten worden, bij voorkeur onmiddellijk na bekendmaking van de routekaart en tijdens de raadplegingsfase; is van mening dat er ook voorafgaand aan de indiening van voorstellen voor nieuwe rechtshandelingen meer aandacht moet worden besteed aan subsidiariteit, en dat met name de raadplegingsfase moet worden benut om proactief de standpunten en punten van zorg van de nationale parlementen in kaart te brengen, omdat daarmee kan worden voorkomen dat er gebruik wordt gemaakt van de “gele kaart” en bovendien problemen tijdens de onderhandelingsfase kunnen worden voorkomen;

12. is ingenomen met de maatregel om nationale parlementen te helpen hun taak effectiever te vervullen door de periode van 20 december tot en met 10 januari niet mee te tellen bij de berekening van de periode van acht weken waarin nationale parlementen hun gemotiveerde adviezen mogen indienen;

13. wijst erop dat het belangrijk is dat nationale parlementen deelnemen in het wetgevingsproces op EU-niveau; stelt vast dat het aantal van nationale parlementen ontvangen gemotiveerde adviezen tussen 2017 en 2019 weliswaar is blijven afnemen en dat er in 2019 helemaal geen gemotiveerde adviezen zijn ingediend, maar dat het aantal bij de Commissie ingediende adviezen en bij het Europees Parlement ingediende bijdragen, onder meer inzake niet-wetgevingsinitiatieven, aanhoudend hoog blijft, en dat dit blijk geeft van een positieve en toekomstgerichte betrokkenheid van de nationale parlementen bij de EU-beleidscyclus; stelt vast dat deze bijdragen in vele gevallen betrekking hadden op belangrijke institutionele kwesties zoals de voltooiing van de economische en monetaire unie (EMU) en de activering van overbruggingsclausules; merkt op dat er met betrekking tot geen enkel voorstel meer dan vier gemotiveerde adviezen zijn ingediend; herinnert eraan dat de Verdragen voorzien in interparlementaire samenwerking en dat de nationale parlementen op grond van de Verdragen bevoegd zijn om wetgevings- en niet-wetgevingsinitiatieven te beoordelen; is verheugd over het feit dat de nationale parlementen actief deelnemen aan de wetgevingsdialoog met de EU-instellingen via andere instrumenten dan de procedure voor toetsing aan het subsidiariteitsbeginsel; herinnert eraan dat de “oranje kaart” nog nooit en de “gele kaart” nog maar drie keer is geactiveerd, op een totaal van 439 gemotiveerde adviezen en 5 513 adviezen in de periode 2007-2019; merkt op dat de toepassing van het recht van de nationale parlementen om de naleving van het subsidiariteitsbeginsel te controleren aan de hand van het zogenoemde systeem voor vroegtijdige waarschuwing (EWS) heeft geleid tot verbetering van de betrekkingen tussen de EU-instellingen en de nationale parlementen; spoort de Commissie aan na te gaan of zij een informele “groenekaartprocedure” kan invoeren; wijst op de toezegging van de Commissie om in de toekomst gemeenschappelijke antwoorden te formuleren als ten minste vier parlementen een gemotiveerd advies hebben uitgebracht, en om te voorzien in de technische flexibiliteit om de termijn van acht weken waarbinnen de nationale parlementen hun adviezen moeten uitbrengen per geval te kunnen versoepelen; is van mening dat de Conferentie over de toekomst van Europa de burgers een uitstekende gelegenheid biedt om kenbaar te maken wat de werkelijke gevolgen van wetgeving op nationaal niveau zijn en om suggesties te doen voor manieren om de doelstellingen inzake beter wetgeven te bereiken, onder meer door het proces van toetsing van de subsidiariteit tegen het licht te houden; herinnert eraan dat transparantie en openbaarheid essentieel zijn voor het wetgevingsproces en dat daarom de betrokkenheid van nationale en regionale parlementen gerechtvaardigd is, en dat er hiermee een bijdrage geleverd wordt aan de legitimiteit van het democratisch wetgevingsproces van de Europese Unie en het vertrouwen van de burgers daarin; is in dit verband ingenomen met de vooruitgang die het Parlement heeft geboekt wat betreft de openbaarmaking van documenten met meer kolommen, als gevolg van het arrest De Capitani;

14. merkt op dat in 2016 26 van de in totaal 41 kamers van nationale parlementen gemotiveerde adviezen hebben uitgebracht, en dat dat er in 2017 en 2018 respectievelijk 19 en 14 waren; wijst erop dat deze daling gepaard gaat met een daling van het totale aantal gemotiveerde adviezen;

15. benadrukt dat deze trend met betrekking tot het aantal adviezen en gemotiveerde adviezen in de periode 2007-2019 laat zien dat de nationale parlementen in toenemende mate vragen om meer politieke dialoog en meer betrokkenheid bij het debat over het EU-beleid, en daardoor minder tijd besteden aan de normatieve analyse van wetgevingsvoorstellen van de EU;

16. stelt vast dat 2019 het eerste jaar was sinds de invoering van de procedure voor toetsing aan het subsidiariteitsbeginsel waarin nationale parlementen geen enkel gemotiveerd advies hebben ingediend, hetgeen veroorzaakt werd door een forse daling in de wetgevingsactiviteiten van de Commissie tijdens het overgangsjaar tussen twee Commissies;

17. herinnert eraan dat de Commissie verplicht is om belanghebbenden voorafgaand aan ieder wetgevingsvoorstel zo uitgebreid mogelijk te raadplegen, rekening houdend met de regionale en lokale dimensie van de beoogde maatregelen;

18. herinnert eraan dat de toepassing van het “denk eerst klein”-beginsel, zoals vastgelegd in de “Small Business Act”, een essentieel onderdeel is van de evenredigheidsbeoordeling die voorafgaand aan ieder wetgevingsvoorstel moet worden uitgevoerd en dat er hiermee naar gestreefd wordt te waarborgen dat de standpunten van kmo’s worden gehoord en hun belangen in een zo vroeg mogelijk stadium worden meegewogen, om een gunstig ondernemingsklimaat te creëren voor de ontwikkeling van kmo’s, die de ruggengraat van de Europese economie vormen;

19. betreurt de praktijk waarbij de “efficiëntie van het besluitvormingsproces van de instelling” standaard wordt aangevoerd als reden om de toegang tot voorbereidende wetgevingsdocumenten te weigeren, waardoor het gevaar bestaat dat het weigeren van de toegang van het publiek tot documenten niet alleen in uitzonderingsgevallen gebeurt, maar de regel wordt;

20. is ingenomen met het feit dat een interinstitutioneel akkoord is gesloten over een verplicht transparantieregister voor de EU-instellingen, waaronder de Raad;

21. benadrukt dat effectbeoordelingen vooraf in combinatie met raadplegingen van belanghebbenden belangrijke instrumenten zijn om tot goed onderbouwde besluiten te komen en ervoor te zorgen dat de beginselen van subsidiariteit en evenredigheid worden geëerbiedigd en dat besluiten controleerbaar en doeltreffend zijn; benadrukt dat een regelmatige dialoog en passend en transparant overleg met alle relevante belanghebbenden bevorderd en aangemoedigd moeten worden; is ingenomen met het gebruik van de instrumenten voor betere wetgeving en met de samenwerking met diverse deskundigen op EU-niveau bij het opstellen van effectbeoordelingen; wijst erop dat deze instrumenten vereenvoudigd moeten worden en dat ervoor gezorgd moet worden dat ze door belanghebbenden eenvoudiger te begrijpen en gebruiken zijn; benadrukt dat het dringend noodzakelijk is dat effectbeoordelingen in het algemeen verbeterd worden wat betreft subsidiariteit en evenredigheid; benadrukt dat in het kader van alle effectbeoordelingen, evaluaties en geschiktheidscontroles een beoordeling van de subsidiariteit en evenredigheid zou moeten worden uitgevoerd; is ingenomen met het gebruik van instrumenten zoals het programma voor gezonde en resultaatgerichte regelgeving (Refit) en de Raad voor regelgevingstoetsing, die er sinds 2017 aan werken om mogelijkheden te vinden voor vereenvoudiging van wetgeving en het zo laag mogelijk houden van de kosten, alvorens de Commissie een herziening van bestaande wetgeving voorstelt; is voorts ingenomen met het feit dat hieruit voortvloeiende initiatieven worden opgenomen in de jaarlijkse werkprogramma’s van de Commissie en door middel van het Refit-scorebord worden gemonitord; merkt in dit kader op dat het werkprogramma van de Commissie voor 2020 44 Refit-initiatieven bevat; benadrukt dat in het kader van dergelijke processen op een geïntegreerde en evenwichtige manier rekening moet worden gehouden met economische, milieu- en sociale effecten, gebruik moet worden gemaakt van zowel kwalitatieve als kwantitatieve analyses, en ook aandacht moet worden besteed aan de kosten van niet-harmonisatie op EU-niveau; wijst erop dat de toetsingsinstrumenten verder kunnen worden ondersteund en verbeterd door andere instrumenten, zoals het Fit for Future-platform (F4F) of gelijksoortige platforms ter zake; is van mening dat het Refit-platform aldus moet worden uitgebreid dat de aandacht niet slechts uitgaat naar regeldruk, maar ook naar subsidiariteits- en evenredigheidskwesties; herinnert eraan dat het toekomstbestendig maken van regelgeving onder andere inhoudt dat ervoor gezorgd moet worden dat regelgeving economisch, sociaal en ecologisch duurzaam is; juicht het toe dat de twee beginselen onderdeel vormen van de kwaliteitsbeoordeling die wordt uitgevoerd door de Raad voor regelgevingstoetsing; beklemtoont echter dat de onafhankelijkheid van de Raad voor verbetering vatbaar is;

22. benadrukt dat systematische evaluatie van wetgeving een steeds belangrijker rol speelt bij de verwezenlijking van betere regelgeving; wijst er in dit kader op dat het belangrijk is dat het Europees Parlement, de Raad en de Commissie eraan werken om een meer gestructureerde samenwerking tot stand te brengen, om de toepassing en doeltreffendheid van het Unierecht te beoordelen met het oog op de verbetering daarvan; wijst erop dat de lidstaten Uniewetgeving snel, tijdig en correct moeten toepassen, zodat naar behoren kan worden beoordeeld of er aanvullende wetgeving nodig is;

23. onderstreept dat “strategische prognoses” een sleutelrol kunnen spelen bij het toekomstbestendig maken van het EU-beleid omdat er daarmee voor kan worden gezorgd dat er bij kortetermijninitiatieven rekening wordt gehouden met langetermijnperspectieven; wijst erop dat “prognose-elementen” volledig zullen worden opgenomen in de agenda voor betere regelgeving van de Commissie en in effectbeoordelingen en evaluaties; merkt tevens op dat “strategische prognoses” het Refit-programma, dat mogelijkheden in kaart brengt om de regeldruk te verminderen en ervoor zorgt dat bestaande EU-wetgeving ook in de toekomst nog toereikend is, zullen ondersteunen;

24. merkt op dat de Raad voor regelgevingstoetsing in 2017 in totaal 53 effectbeoordelingen en 17 afzonderlijke evaluaties onder de loep heeft genomen; merkt op dat voor 43 % van de effectbeoordelingen en 41 % van de evaluaties die de Raad voor regelgevingstoetsing heeft onderzocht in eerste instantie een negatief advies werd afgegeven en dat de diensten bij bijna alle effectbeoordelingen de verslagen moesten verbeteren om te voldoen aan de kwaliteitsnormen van de Raad voor regelgevingstoetsing; concludeert dat de kwaliteit van de initiële effectbeoordelingen en evaluaties aanzienlijk moet worden verbeterd; betreurt dat de Raad in 2019 slechts één effectbeoordeling heeft onderzocht;

25. steunt de toezegging van de Commissie om eerst een evaluatie uit te voeren alvorens wetgevingshandelingen in overweging te nemen; is van mening dat de Commissie en de nationale autoriteiten nauw moeten blijven samenwerken om de daadwerkelijke gevolgen van EU-wetgeving voor burgers, bedrijven en het milieu in kaart te brengen; is tevens ingenomen met de inbreng van de nationale parlementen in het kader van de evaluaties vooraf door middel van een informele politieke dialoog en gezamenlijke initiatiefadviezen; verzoekt de lidstaten te zorgen voor een snelle en coherente omzetting, uitvoering en handhaving van wetgeving, en af te zien van praktijken die leiden tot buitensporige en ongerechtvaardigde administratieve belemmeringen die de goede werking van de interne markt kunnen ondermijnen;

26. is verheugd over de inspanningen van de Commissie om aan de hand van effectbeoordelingen een brede en omvattende waaier aan mogelijke wetgeving inzake de interne markt te evalueren; benadrukt dat onafhankelijke en onpartijdige effectbeoordelingen een essentieel en waardevol instrument zijn om tot goed onderbouwde politieke besluiten te komen via het wetgevend besluitvormingsproces (waarbij de communautaire methode wordt gevolgd), hetgeen nodig is om snel te kunnen reageren op urgente uitdagingen zoals de digitale en de duurzame transitie; is van mening dat de inhoud van effectbeoordelingen moet worden verbeterd en het gebruik ervan moet worden uitgebreid door rekening te houden met aanvullende elementen, zodat de bijdrage ervan actueler en waardevoller wordt en zij bij besluitvorming op politiek niveau beter in acht worden genomen; herinnert voorts aan het beperkte aantal effectbeoordelingen door het Parlement en de Raad in verband met inhoudelijke wijzigingen;

27. wijst op de rol van de Onderzoeksdienst van het Europees Parlement, die effectbeoordelingen vooraf en analyses van de EU-meerwaarde van voorstellen en tevens uitvoeringsanalyses opstelt; vindt dat de samenwerking tussen de Commissie en de Onderzoeksdienst van het Europees Parlement zou moeten worden verbeterd om tot gestroomlijnde, snelle en grondige analyses te komen van wetgevingsmaatregelen, inhoudelijke wijzigingen van bestaande wetgeving en mogelijke alternatieven en de mogelijke kosten en voordelen, verwachte administratieve lasten, administratieve rompslomp voor kmo’s en de kosten van het niet nemen van maatregelen op EU-niveau daarvan;

28. is ingenomen met de ontwikkeling van de portaalsite “Geef uw mening” en de verbeteringen die met betrekking tot die site zijn doorgevoerd; verzoekt de Commissie te werken aan de verdere ontwikkeling van dergelijke instrumenten om burgers en belanghebbenden direct toegang te bieden tot en te betrekken bij de EU-beleidsvorming;

29. adviseert de Commissie om naar behoren rekening te houden met de aanbevelingen van de Europese Rekenkamer over het portaal “Geef uw mening”, met name door ervoor te zorgen dat meer informatie in meer talen geraadpleegd kan worden, om burgers en belanghebbenden in staat te stellen hun mening te geven over onderwerpen waarvoor er “een brede publieke belangstelling” bestaat;

30. steunt de inzet van de Commissie op het gebied van beleidsevaluaties en pleit ervoor dat er vaker beoordelingen achteraf worden opgesteld om ervoor te zorgen dat er meer inzicht komt in de doeltreffendheid en voordelen van wetgeving, en wijst erop dat die inzichten vervolgens benut kunnen worden bij de ontwikkeling van nieuw beleid en gebruikt kunnen worden om de aanpak van regelgeving te verbeteren;

31. wijst erop dat evaluaties achteraf ook een belangrijk instrument zijn om de gevolgen van wetgeving voor burgers en ondernemingen te beoordelen, waarbij speciale aandacht moet worden besteed aan de gevolgen voor kmo’s;

32. verzoekt de Commissie nog meer gebruik te maken van herschikkings- en codificatieprocedures om secundaire wetgeving te stroomlijnen;

33. steunt de consolidatie van antwoorden indien zeven of meer nationale parlementen gemotiveerde adviezen uitbrengen over een van de wetgevingsvoorstellen van de Commissie, maar de drempel voor het initiëren van de “gele kaart”-procedure niet is bereikt; is van mening dat de standpunten van de nationale parlementen hierdoor meer zichtbaarheid krijgen;

34. neemt kennis van het “één erbij, één eraf”-beginsel, waarbij belanghebbenden een rol spelen en waarmee de Commissie ernaar streeft nieuwe lasten voor met name micro-ondernemingen en kmo’s te compenseren door intrekking van regelgeving op EU-niveau op hetzelfde beleidsgebied die vergelijkbare lasten met zich meebrengt voor burgers en bedrijven; benadrukt dat deze aanpak er niet toe mag leiden dat in strijd wordt gehandeld met de doelstellingen van betere regelgeving en niet mag leiden tot onoverwogen besluiten om wetgeving of minder strenge normen in te trekken, en dat het doel ervan moet zijn de EU-wetgeving te moderniseren en te hervormen om nieuwe maatschappelijke uitdagingen het hoofd te kunnen bieden; benadrukt dat voorkomen moet worden dat de opstelling, omzetting en uitvoering van EU-handelingen leidt tot extra onnodige administratieve lasten, maar dat dit niet mag uitmonden in deregulering of het niet opstellen van regelgeving, en de parlementen van de lidstaten er evenmin van mag weerhouden om ambitieuzere maatregelen vast te stellen of in stand te houden of strengere normen op het gebied van sociale bescherming, milieubescherming of consumentenbescherming vast te stellen in situaties waarin het recht van de Unie slechts in minimumnormen voorziet;

35. benadrukt dat er alleen maar beleid en regelgeving van hoge kwaliteit tot stand kan worden gebracht als bestuurlijke en wetgevende besluitvormingsprocessen open, efficiënt, transparant en onafhankelijk zijn; benadrukt dat invoering van geharmoniseerde administratieve procedures zou bijdragen aan goede bestuurlijke en regelgevingspraktijken in de EU en zou zorgen voor een sterkere koppeling tussen deskundige besluitvorming en democratische legitimiteit;

36. is in dit verband ingenomen met het feit dat de Commissie in 2020, voortbouwend op de ervaringen die zijn opgedaan met het Refit-platform, het platform “Fit for Future” heeft opgericht, een deskundigengroep op hoog niveau waaraan wordt deelgenomen door diverse belanghebbenden, deskundigen van de lidstaten en vertegenwoordigers van het Comité van de Regio’s en het Europees Economisch en Sociaal Comité, die de Commissie adviezen geeft over hoe zij EU-wetgeving doeltreffender kan maken, bestaande maatregelen die mogelijk onnodig belastend zijn in kaart brengt, en de Commissie adviseert hoe zij deze maatregelen kan vereenvoudigen en moderniseren, onder meer door middel van digitalisering, om ervoor te zorgen dat EU-wetgeving de EU-burgers en -ondernemingen helpt en niet tot last is;

37. spoort nationale parlementen aan regionale parlementen met wetgevingsbevoegdheid bij EU-wetgevingsinitiatieven te betrekken, en pleit ervoor dat deze parlementen systematisch worden geraadpleegd over belangrijke initiatieven, met name als er sprake is van een verband met regionale bevoegdheden; herinnert eraan dat dergelijke parlementen vertegenwoordigd zijn in het Comité van de Regio’s, en dat zij overeenkomstig artikel 6 van Protocol nr. 2 bij het VWEU door de nationale parlementen kunnen worden geraadpleegd;

38. herinnert eraan dat de ontwikkelingen op het gebied van digitale innovatie zeer snel gaan en dat ondernemers de drijvende kracht vormen achter de digitale agenda; acht het daarom van zeer groot belang dat er toekomstbestendige regels worden vastgesteld die gelijke tred houden met digitale innovatie, waarbij echter de beginselen van subsidiariteit en evenredigheid geëerbiedigd moeten worden; merkt op dat de belangrijkste wetgevingsprioriteiten van de EU voor 2017-2019 voor een groot deel initiatieven waren die onder de bevoegdheid van de Commissie interne markt en consumentenbescherming (IMCO) vielen en voornamelijk gericht waren op de tenuitvoerlegging van de strategie voor de interne markt en de strategie voor een digitale eengemaakte markt, waarbij de nadruk lag op regelgeving bedoeld om ongerechtvaardigde en onevenredige belemmeringen weg te nemen en nieuwe kansen te creëren ten behoeve van consumenten en ondernemingen;

39. herinnert eraan dat EU-wetgeving in de meeste gevallen in de plaats komt van 27 uiteenlopende wetten, waardoor de versnippering van de interne markt vermindert; verzoekt de Commissie er bij de beoordeling van de subsidiariteit en evenredigheid voor te zorgen dat initiatieven gericht op de totstandbrenging van een diepere en eerlijker interne markt een belangrijk onderdeel van de toekomstige jaarlijkse programmering blijven vormen, en daarbij een hoog niveau van consumentenbescherming te waarborgen;

40. benadrukt dat de doelstellingen van beter wetgeven regelmatig moeten worden herzien en geëvalueerd aan de hand van de criteria van de agenda voor betere wetgeving, met inbegrip van monitoring en verslaglegging; wijst erop dat de doelstellingen goed met elkaar in evenwicht moeten zijn en op hun doeltreffendheid moeten worden geëvalueerd, rekening houdend met de middelen die worden ingezet voor activiteiten op het gebied van betere regelgeving en voor externe bijdragen; wijst op het belang van vergelijkbare EU-brede gegevens voor deze evaluatie en verzoekt de Commissie na te gaan of het gebruik van de instrumenten voor betere regelgeving heeft bijgedragen tot het bereiken van doelstellingen zoals betere beleidsresultaten;

41. verzoekt de Commissie deze resolutie in aanmerking te nemen bij het opstellen van de aangekondigde mededeling over betere regelgeving;

42. verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie, het Comité van de Regio’s, het Europees Economisch en Sociaal Comité en de regeringen en parlementen van de lidstaten.


 

ADVIES VAN DE COMMISSIE INTERNE MARKT EN CONSUMENTENBESCHERMING (15.4.2021)

<CommissionInt>aan de Commissie juridische zaken</CommissionInt>


<Titre>inzake gezonde regelgeving en subsidiariteit en proportionaliteit – verslag over beter wetgeven betreffende de jaren 2017, 2018 en 2019</Titre>

<DocRef>(2020/2262(INI))</DocRef>

Rapporteur voor advies: <Depute>Barbara Thaler</Depute>

 

SUGGESTIES

De Commissie interne markt en consumentenbescherming verzoekt de bevoegde Commissie juridische zaken onderstaande suggesties in haar ontwerpresolutie op te nemen:

1. herinnert eraan dat het met het oog op een goed functionerende, concurrerende en duurzame interne markt belangrijk is om over doeltreffende instrumenten voor beter wetgeven te beschikken die volledig rekening houden met subsidiariteit en evenredigheid; onderstreept dat de wetgeving ten voordele van consumenten en kmo’s evenwichtig, duidelijk, alomvattend en inclusief moet zijn en, waar nodig, gebaseerd moet zijn op de nodige wetenschappelijke gegevens; wijst erop dat wetgeving doeltreffend moet zijn wat de gewenste resultaten betreft; stipt bovendien aan dat alle betrokken partijen zowel de wetgeving als hun rechten en plichten gemakkelijk moeten kunnen begrijpen;

2. herhaalt dat in een veerkrachtige interne markt doelstellingen zoals het verbeteren van de competitiviteit, digitalisering, duurzaamheid en consumentenbescherming moeten worden geschraagd door een intensiever gebruik van controle-instrumenten; juicht het gebruik van zulke instrumenten toe, zoals het programma voor gezonde en resultaatgerichte regelgeving (Refit) en de Raad voor regelgevingstoetsing; wijst erop dat de controle-instrumenten verder kunnen worden ondersteund en verbeterd door andere instrumenten, zoals het Fit for Future-platform (F4F) of andere speciale platforms; benadrukt dat dergelijke instrumenten op kwantitatieve en kwalitatieve wijze, en in de mate van het mogelijke, rekening moeten houden met de gevolgen van bovengenoemde doelstellingen, met inbegrip van de economische en sociale aspecten en de kosten van niet-harmonisatie op EU-niveau; wijst erop dat het Parlement bij de toetsingsprocedures moet worden betrokken;

3. onderstreept dat met name kmo’s ernstig blijven lijden onder de COVID-19-pandemie en andere onvoorziene gebeurtenissen met een grote economische impact, en gerichte ondersteuning en meer flexibiliteit nodig hebben om snel te kunnen reageren op de voortdurend veranderende eisen van onze economie; wijst erop dat bij het interne wetgevingsproces rekening moet worden gehouden met de volgende belangrijke elementen: de vereenvoudiging van administratieve procedures om ongerechtvaardigde en onnodige lasten te vermijden; de beginselen “denk eerst klein” en “one in, one out”, die niet gebruikt mogen worden om wetgeving automatisch in te trekken, noch om afbreuk te doen aan de reeds bereikte beschermingsnormen voor consumenten en bedrijven; coördinatie-inspanningen op Europees en nationaal niveau op het gebied van uitvoering en handhaving; de bevordering van een samenleving waarin ondernemerschap wordt gekoesterd in overeenstemming met de waarden van een sociale markteconomie met zeer groot concurrentievermogen, en een hoog niveau van consumentenbescherming;

4. vraagt de nationale en regionale autoriteiten van de lidstaten en de relevante belanghebbenden om nauwere betrokkenheid bij subsidiariteits- en evenredigheidscontroles van EU-wetgeving en bij beoordelingen van de administratieve lasten van deze wetgeving in een vroeg stadium van het besluitvormingsproces, door gebruikmaking van de beschikbare instrumenten op EU-niveau en via de relevante brancheorganisaties; is ingenomen met de inbreng van de nationale parlementen over initiatieven in verband met wetgeving inzake de interne markt;

5. herinnert aan de aanbevelingen van de Rekenkamer over de verbetering van de empirische onderbouwing en de waarschijnlijke gevolgen ervan voor de besluitvorming, met het oog op de bevordering, monitoring en handhaving van de tenuitvoerlegging en toepassing van het EU-recht; verzoekt de lidstaten bovendien te zorgen voor een snelle en coherente omzetting, uitvoering en handhaving van de wetgeving, en af te zien van praktijken die buitensporige en ongerechtvaardigde administratieve belemmeringen veroorzaken die de goede werking van de interne markt kunnen ondermijnen; verzoekt de Commissie richtsnoeren te verstrekken aan de lidstaten over de wijze waarop onnodig complexe en/of belastende regels die de interne markt belemmeren, kunnen worden vereenvoudigd;

6. waarschuwt dat wetgeving die resulteert in onnodige, ongerechtvaardigde en onevenredige administratieve lasten, in verschillende mate negatieve gevolgen kan hebben voor micro-ondernemingen, kmo’s en consumenten doordat zij het concurrentievermogen belemmert en verhindert dat de interne markt goed kan functioneren en dat het potentieel ervan ten volle wordt benut; verzoekt de Commissie om de geschiktheidscontrole voor kmo’s te versterken, met als doel objectieve informatie te verzamelen over de toegevoegde waarde alsook over de kosten en baten van het optreden van de EU, om uiteindelijk meer rekening te houden met de gevolgen van toekomstige wetten en administratieve initiatieven voor kmo’s, en om mogelijke aanbevelingen te formuleren over de wijze waarop micro-ondernemingen en kmo’s beter kunnen worden geholpen bij de tenuitvoerlegging van nieuwe vereisten;

7. onderstreept dat micro-ondernemingen en kmo’s alleen verplichtingen moeten worden opgelegd die in verhouding staan met hun specifieke kenmerken en de kenmerken van hun sector, en moedigt de Commissie ertoe aan resolute handhavingsmaatregelen te nemen om marktversnippering te beperken, ongerechtvaardigde marktbelemmeringen weg te nemen en met alle beschikbare middelen een gelijk speelveld te waarborgen, zodat de keuzemogelijkheden van de consument niet worden beperkt en een hoog niveau van consumentenbescherming wordt behouden; is van mening dat er meer rekening moet worden gehouden met de termijn die kmo’s nodig hebben om zich aan te passen aan de nieuwe wet- en regelgeving, en wijst op de voordelen van het opzetten van informatie-instrumenten, zoals het éénloketsysteem voor micro-ondernemingen en kmo’s, die de deelname van kmo’s aan de interne markt zouden kunnen bevorderen;

8. herinnert eraan dat digitale innovatie zich snel ontwikkelt en dat ondernemers de drijvende kracht vormen achter de digitale agenda; acht het daarom van vitaal belang om, zonder afbreuk te doen aan de beginselen van subsidiariteit en evenredigheid, toekomstbestendige regels vast te stellen die gelijke tred houden met digitale innovatie; merkt op dat de belangrijkste wetgevingsprioriteiten van de EU voor 2017-2019 voor een groot deel initiatieven waren die onder de bevoegdheid van de Commissie interne markt en consumentenbescherming (IMCO) vielen en voornamelijk gewijd waren aan de tenuitvoerlegging van de strategie voor de interne markt en de strategie voor een digitale eengemaakte markt, waarbij de nadruk lag op regelgeving om ongerechtvaardigde en onevenredige belemmeringen weg te nemen en nieuwe kansen te grijpen ten voordele van consumenten en bedrijven;

9. herinnert eraan dat EU-wetgeving in het algemeen 27 uiteenlopende regels vervangt, waardoor de versnippering van de interne markt wordt tegengegaan; verzoekt de Commissie bij de beoordeling van subsidiariteit en evenredigheid ervoor te zorgen dat initiatieven gericht op de totstandbrenging van een diepere en eerlijkere interne markt een belangrijke pijler van toekomstige jaarlijkse programmering blijven, met behoud van een hoog niveau van consumentenbescherming;

10. onderstreept de behoefte aan bevordering en aanmoediging van een regelmatige dialoog en passend en transparant overleg met alle relevante belanghebbenden; is ingenomen met het gebruik van de instrumenten voor betere wetgeving en de samenwerking met diverse relevante deskundigen op EU-niveau bij het opstellen van effectbeoordelingen en nieuwe wetgeving; onderstreept de noodzaak om deze instrumenten te vereenvoudigen en de begrijpelijkheid en het gebruik ervan voor de belanghebbenden te verbeteren; herinnert aan het arrest van het Hof van Justitie van de EU in zaak T‑540/15[5], waarin werd geconcludeerd dat de EU-instellingen in beginsel op specifiek verzoek toegang moeten verlenen tot documenten betreffende lopende trialogen krachtens Verordening (EG) nr. 1049/2001 inzake de toegang van het publiek tot documenten van het Parlement, de Raad en de Commissie;

11. is verheugd over de inspanningen van de Commissie om aan de hand van effectbeoordelingen een brede en omvattende waaier aan eventuele wetgeving inzake de interne markt te evalueren; benadrukt dat onafhankelijke en onpartijdige effectbeoordelingen een essentieel en waardevol instrument zijn om tot goed onderbouwde politieke besluiten te komen via het wetgevend besluitvormingsproces (waarbij de communautaire methode wordt gehandhaafd), hetgeen nodig is om snel te kunnen reageren op dringende uitdagingen zoals de digitale en duurzame transitie; is van mening dat de inhoud van effectbeoordelingen moet worden verbeterd en het gebruik ervan moet worden uitgebreid door rekening te houden met aanvullende elementen, zodat de bijdrage ervan actueler en waardevoller wordt en zij bij besluitvorming op politiek niveau beter in acht worden genomen; herinnert bovendien aan het beperkte aantal effectbeoordelingen die het Parlement en de Raad hebben uitgevoerd met betrekking tot hun substantiële wijzigingen;

12. verzoekt de Commissie de volgende maatregelen in overweging te nemen op het gebied van effectbeoordelingen:

 verbeteren van de transparantie en verantwoordingsplicht ten overstaan van het Europees Parlement;

 zetten van verdere stappen in de richting van alomvattende onafhankelijke effectbeoordelingen en verbeteren van de kwaliteit van de analyse, met bijzondere aandacht voor subsidiariteit en evenredigheid;

 voorbereiden van effectbeoordelingen voor alle voorstellen in het werkprogramma van de Commissie;

 kwantificeren en evalueren van de kosten en baten van alle overwogen opties, indien mogelijk;

 versterken van het onderdeel geschiktheidscontrole voor kmo’s van effectbeoordelingen;

 gebruiken van effectbeoordelingen om de EU-meerwaarde van wetgevingsvoorstellen te verduidelijken;

 gebruik blijven maken van evaluaties vooraf en voorlopige effectbeoordelingen in het kader van haar mededelingen en strategieën in het wetgevingsproces, met als doel een gedetailleerde en voorlopige analyse te verstrekken van de gevolgen ervan voor de werking van de interne markt;

13. benadrukt dat de doelstellingen van beter wetgeven regelmatig moeten worden herzien en geëvalueerd aan de hand van de criteria van de agenda voor betere wetgeving, met inbegrip van monitoring en verslaglegging; wijst erop dat de doelstellingen goed met elkaar in evenwicht moeten zijn en op hun doeltreffendheid moeten worden geëvalueerd, rekening houdend met de middelen die worden ingezet voor activiteiten op het gebied van betere regelgeving en voor externe bijdragen; herinnert aan het belang van vergelijkbare EU-brede gegevens voor deze evaluatie en verzoekt de Commissie na te gaan of het gebruik van de instrumenten voor betere regelgeving heeft bijgedragen tot het bereiken van doelstellingen zoals betere beleidsresultaten.

 


INFORMATIE OVER DE GOEDKEURING IN DE ADVISERENDE COMMISSIE

Datum goedkeuring

14.4.2021

 

 

 

Uitslag eindstemming

+:

–:

0:

42

2

0

Bij de eindstemming aanwezige leden

Andrus Ansip, Pablo Arias Echeverría, Alessandra Basso, Adam Bielan, Biljana Borzan, Vlad-Marius Botoş, Markus Buchheit, Anna Cavazzini, Dita Charanzová, Deirdre Clune, Carlo Fidanza, Evelyne Gebhardt, Alexandra Geese, Maria Grapini, Svenja Hahn, Virginie Joron, Eugen Jurzyca, Arba Kokalari, Marcel Kolaja, Kateřina Konečná, Jean-Lin Lacapelle, Maria-Manuel Leitão-Marques, Morten Løkkegaard, Adriana Maldonado López, Antonius Manders, Beata Mazurek, Leszek Miller, Dan-Ştefan Motreanu, Anne-Sophie Pelletier, Miroslav Radačovský, Christel Schaldemose, Andreas Schwab, Tomislav Sokol, Ivan Štefanec, Róża Thun und Hohenstein, Kim Van Sparrentak, Marion Walsmann, Marco Zullo

Bij de eindstemming aanwezige vaste plaatsvervangers

Clara Aguilera, Jordi Cañas, Claude Gruffat, Sylvie Guillaume, Jiří Pospíšil, Barbara Thaler

 


HOOFDELIJKE EINDSTEMMING IN DE ADVISERENDE COMMISSIE

42

+

ECR

Adam Bielan, Carlo Fidanza, Eugen Jurzyca, Beata Mazurek

ID

Alessandra Basso, Markus Buchheit, Virginie Joron, Jean-Lin Lacapelle

NI

Miroslav Radačovský

PPE

Pablo Arias Echeverría, Deirdre Clune, Arba Kokalari, Antonius Manders, Dan-Ştefan Motreanu, Jiří Pospíšil, Andreas Schwab, Tomislav Sokol, Ivan Štefanec, Barbara Thaler, Róża Thun und Hohenstein, Marion Walsmann

Renew

Andrus Ansip, Vlad-Marius Botoş, Jordi Cañas, Dita Charanzová, Svenja Hahn, Morten Løkkegaard, Marco Zullo

S&D

Clara Aguilera, Biljana Borzan, Evelyne Gebhardt, Maria Grapini, Sylvie Guillaume, Maria-Manuel Leitão-Marques, Adriana Maldonado López, Leszek Miller, Christel Schaldemose

Verts/ALE

Anna Cavazzini, Alexandra Geese, Claude Gruffat, Marcel Kolaja, Kim Van Sparrentak

 

2

-

The Left

Kateřina Konečná, Anne-Sophie Pelletier

 

0

0

 

 

 

Verklaring van de gebruikte tekens:

+ : voor

- : tegen

0 : onthouding

 

 

 

ADVIES VAN DE COMMISSIE CONSTITUTIONELE ZAKEN (15.4.2021)

<CommissionInt>aan de Commissie juridische zaken</CommissionInt>


<Titre>inzake gezonde regelgeving en subsidiariteit en evenredigheid in de Europese Unie – verslag over beter wetgeven betreffende de jaren 2017, 2018 en 2019</Titre>

<DocRef>(2020/2262(INI))</DocRef>

Rapporteur voor advies: <Depute>Gerolf Annemans</Depute>

SUGGESTIES

De Commissie constitutionele zaken verzoekt de bevoegde Commissie juridische zaken onderstaande suggesties in haar ontwerpresolutie op te nemen:

1. stelt vast dat het aantal van nationale parlementen ontvangen gemotiveerde adviezen tussen 2017 en 2019 weliswaar is blijven afnemen, maar dat het aantal bij de Commissie ingediende adviezen en bij het Europees Parlement ingediende bijdragen, onder meer inzake niet-wetgevingsinitiatieven, aanhoudend hoog blijft, en dat hieruit de positieve en toekomstgerichte betrokkenheid van de nationale parlementen bij de EU-beleidscyclus en de behoefte aan versterking van het subsidiariteitsbeginsel blijken; stelt vast dat het hierbij meermaals ging om belangrijke institutionele kwesties zoals de voltooiing van de economische en monetaire unie (EMU) en de activering van overbruggingsclausules; herinnert aan de belangrijke rol die de nationale parlementen kunnen spelen bij het vormgeven van EU-beleid en -wetgeving, zoals uiteengezet in Protocol nr. 1 bij het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en verzoekt de Commissie gebruik te maken van alle mogelijke middelen om de actieve betrokkenheid van de nationale parlementen bij het wetgevingsproces van de EU te ondersteunen;

2. onderstreept dat het belangrijk is ten volle gebruik te maken van de bestaande instrumenten ter versterking van de rol van nationale parlementen in de structuren van de Unie, zoals de Conferentie van voorzitters van de parlementen van de Europese Unie, de Conferentie van in communautaire aangelegenheden gespecialiseerde organen (Cosac) en andere gezamenlijke parlementaire en gezamenlijke commissievergaderingen; herinnert eraan dat er in de Verdragen een rol is vastgelegd voor interparlementaire samenwerking en dat de nationale parlementen volgens de Verdragen bevoegd zijn om toezicht te houden op wetgevings- en niet-wetgevingsinitiatieven;

3. dringt erop aan dat naast het Europees Parlement ook de nationale parlementen meer betrokken worden bij het democratisch toezicht op nauwere samenwerking, mits er sprake is van beleidsgebieden met gedeelde bevoegdheden;

4. verwelkomt de website “Geef uw mening” als een nuttig toegangspunt waardoor burgers en belanghebbenden kunnen deelnemen aan de totstandkoming van EU-beleid; dringt aan op de verdere ontwikkeling van instrumenten die meer rechtstreekse betrokkenheid van de EU-burger mogelijk maken;

5. is ingenomen met het feit dat een interinstitutioneel akkoord is gesloten over een verplicht transparantieregister voor de EU-instellingen, met inbegrip van de Raad;

6 is van oordeel dat de transparantie van het wetgevingsproces van het grootste belang is om de actieve deelname van burgers aan het besluitvormingsproces te waarborgen; is ingenomen met de vooruitgang die het Parlement heeft geboekt bij de openbaarmaking van de documenten met kolommen, als gevolg van het arrest De Capitani; herinnert aan zijn oproep voor de ontwikkeling van een gezamenlijke databank over de stand van zaken van wetgevingsdossiers, als een instrument om de betrokkenheid van burgers bij het wetgevingsproces te vergroten;

7. neemt kennis van de conclusies van de taskforce inzake subsidiariteit, evenredigheid en “minder en efficiënter optreden” van juli 2018; is met name ingenomen met het concept “actieve subsidiariteit”, dat erop gericht is grotere inbreng in het EU-beleid te bevorderen; verzoekt de Commissie deze conclusies ten uitvoer te leggen, en met name de lokale en regionale overheden beter te betrekken bij haar raadplegingsprocedures, alsook de “modeltabel” te hanteren, die gebaseerd is op de criteria uit het oorspronkelijk aan het Verdrag van Amsterdam gehechte Protocol inzake subsidiariteit en proportionaliteit alsook op de relevante jurisprudentie van het Hof van Justitie van de Europese Unie, voor de beoordeling van beide beginselen in het gehele besluitvormingsproces; merkt op dat hiervoor een sterk engagement nodig is, ook van de medewetgevers van de EU;

8. erkent de inspanningen die de Commissie heeft geleverd met het oog op het subsidiariteitsbeginsel, alsook het feit dat zij dit beginsel eerbiedigt; wijst op de huidige trend, namelijk dat nationale parlementen vragen om meer politieke dialoog over EU-beleid; raadt aan een meer politieke benadering te ontwikkelen van het subsidiariteitscontrolemechanisme in de EU, teneinde meer toegevoegde waarde voor burgers te ontwikkelen, en daarbij het Europees Comité van de Regio’s meer te betrekken, dat als hoeder van het subsidiariteitsbeginsel en vertegenwoordiger van regionale en lokale overheden kan optreden;

9. dringt met klem aan op een herziening van het bovengenoemde mechanisme met het doel dit functioneler, efficiënter en flexibeler te maken, zodat lokale en regionale overheden, en nationale parlementen, de tijd krijgen die noodzakelijk is om een werkelijk debat over de Europese politiek te voeren;

10. benadrukt dat de huidige structuur van de procedure voor het subsidiariteitscontrolemechanisme ertoe leidt dat de commissies voor EU-aangelegenheden van de nationale parlementen buitensporig veel tijd besteden aan technische en juridische beoordelingen met korte termijnen, hetgeen de doelstelling ondermijnt om tot een diepgaander politiek debat over Europees beleid te komen;

11. wijst erop dat er in 2019 159 verslagen en geen gemotiveerde adviezen zijn ingediend, tegen respectievelijk 4 918 en 439 in de afgelopen negen jaar; wijst er bovendien op dat de “gelekaartprocedure” slechts drie keer is toegepast en de “oranje kaart” nog nooit is gebruikt;

12. moedigt de Commissie en het Parlement aan om de doeltreffendheid en doelmatigheid van de subsidiariteitsprocedure te evalueren om de zwakke punten ervan vast te stellen en aan te pakken; benadrukt het belang van tijdige en adequate informatieverstrekking van de EU aan nationale en regionale parlementen, om te verzekeren dat de geraadpleegde parlementen proactief bewust worden gemaakt van ontwikkelingen en om een reactie worden gevraagd, ook op openbare raadplegingen; stelt voor dat de Commissie een actievere rol gaat aannemen bij de follow-up met en de raadpleging van nationale en regionale parlementen; is van oordeel dat een strengere procedure zal zorgen voor een versterkte interactie tussen de verschillende bestuurs- en beleidsniveaus;

13. brengt in herinnering dat de transparantie en openbaarheid inherent zijn aan het wetgevingsproces en dat dit bovendien de betrokkenheid van nationale en regionale parlementen rechtvaardigt; voegt hieraan toe dat openheid en transparantie tot een grotere legitimiteit van en tot meer vertrouwen in het democratische wetgevingsproces van de Europese Unie leiden;

14. wijst op de toezegging van de Commissie om in de toekomst gemeenschappelijke antwoorden te formuleren wanneer ten minste vier parlementen een gemotiveerd advies hebben uitgebracht, en om geval per geval te voorzien in technische flexibiliteit om de termijn van acht weken te versoepelen waarbinnen de nationale parlementen hun adviezen moeten uitbrengen, met name om de adviezen van regionale parlementen met wetgevende bevoegdheden beter te integreren in de adviezen van nationale parlementen; is ingenomen met het feit dat de Commissie de maand augustus al regelmatig buiten beschouwing laat en steunt het idee van soortgelijke technische verlengingen voor vakantieperioden gedurende het hele jaar;

15. merkt op dat de tenuitvoerlegging van het recht van de nationale parlementen om de naleving van het subsidiariteitsbeginsel te controleren aan de hand van het zogenoemde systeem voor vroegtijdige waarschuwing (EWS) de betrekkingen tussen de EU-instellingen en de nationale parlementen gedeeltelijk heeft verbeterd;

16. spoort de Commissie aan na te gaan of zij een informele “groenekaartprocedure” kan invoeren, met als doel de nationale parlementen bij te staan, en stelt voor dat zij de mogelijkheid krijgen hun initiatieven ook aan het Europees Parlement voor te stellen;

17. moedigt de Commissie verder aan Europa dichter bij zijn burgers te brengen door haar samenwerking met de lokale, regionale en nationale beleidsmakers verder te ontwikkelen;

18. stelt ook voor de bestaande kaders voor interparlementaire samenwerking te evalueren en verder te ontwikkelen, zoals de Cosac, de Interparlementaire Conferentie voor het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid en het gemeenschappelijk veiligheids- en defensiebeleid, de Interparlementaire Conferentie over stabiliteit, economische coördinatie en governance in de Europese Unie, de Gezamenlijke Parlementaire Controlegroep over Europol en de Europese parlementaire week;

19. stelt voor tijdens de Conferentie over de toekomst van Europa wetgevingsvoorstellen te bespreken waarin gestreefd wordt naar een hechtere samenwerking tussen de nationale parlementen en de Commissie over wetgevingsvoorstellen; wijst erop dat eventuele nieuwe instrumenten in overeenstemming moeten zijn met het subsidiariteitsbeginsel, met inachtneming van de exclusieve bevoegdheden van de Unie;

20. wijst erop dat lokale en regionale overheden ongeveer 70 % van de EU-wetgeving uitvoeren[6]; is van mening dat het nauw raadplegen van hun gekozen vertegenwoordigers in EU-aangelegenheden een zeer doeltreffende manier is om de EU-instellingen dichter bij de burger te brengen;

21. spoort nationale parlementen aan regionale parlementen met wetgevingsbevoegdheid bij EU-wetgevingsinitiatieven te betrekken, en pleit ervoor deze parlementen systematisch te raadplegen over belangrijke initiatieven, met name als er sprake is van een verband met regionale bevoegdheden; herinnert eraan dat dergelijke parlementen vertegenwoordigd zijn in het Europees Comité van de Regio’s, en dat zij overeenkomstig artikel 6 van Protocol nr. 2 bij het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie door de nationale parlementen kunnen worden geraadpleegd;

22. is er voorstander van dat nationale parlementen gezamenlijke initiatiefadviezen uitbrengen;

23. is van mening dat het Refit-platform zo moet worden ontwikkeld dat de aandacht niet enkel uitgaat naar de regeldruk, maar ook naar subsidiariteits- en evenredigheidskwesties, en dat lokale en regionale overheden meer betrokken moeten worden; waarschuwt voor de strikte toepassing door de Commissie van het beginsel “één erbij, één eraf” in het kader van procedures voor de vaststelling van betere wetgeving;

24. benadrukt de rol van het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Europees Comité van de Regio’s in het Refit-programma, aangezien hun inbreng, waarin de standpunten van regionale en lokale overheden en het maatschappelijk middenveld worden verwoord, belangrijk is voor een evenwichtig beleidsbeoordelingsproces;

25. benadrukt dat onnodige administratieve lasten weliswaar moeten worden vermeden bij de opstelling, omzetting en uitvoering van EU-handelingen, maar dat dit niet mag uitmonden in deregulering of een gebrek aan regelgeving en de lidstaten er evenmin van mag weerhouden om ambitieuzere maatregelen te behouden of te treffen en striktere normen op het gebied van sociale bescherming, milieu- en consumentenbescherming vast te stellen in gevallen waarin in de EU-wetgeving enkel minimumnormen worden omschreven; benadrukt dat de lidstaten overregulering bij de omzetting van EU-wetgeving moeten vermijden als eerste stap om een stortvloed aan nieuwe regelgeving te voorkomen.

 


INFORMATIE OVER DE GOEDKEURING IN DE ADVISERENDE COMMISSIE

Datum goedkeuring

13.4.2021

 

 

 

Uitslag eindstemming

+:

–:

0:

23

1

4

Bij de eindstemming aanwezige leden

Gerolf Annemans, Gabriele Bischoff, Damian Boeselager, Geert Bourgeois, Fabio Massimo Castaldo, Leila Chaibi, Włodzimierz Cimoszewicz, Gwendoline Delbos-Corfield, Pascal Durand, Charles Goerens, Esteban González Pons, Sandro Gozi, Brice Hortefeux, Laura Huhtasaari, Giuliano Pisapia, Paulo Rangel, Antonio Maria Rinaldi, Domènec Ruiz Devesa, Jacek Saryusz-Wolski, Helmut Scholz, Pedro Silva Pereira, Sven Simon, Antonio Tajani, Mihai Tudose, Guy Verhofstadt, Rainer Wieland

Bij de eindstemming aanwezige vaste plaatsvervangers

Othmar Karas, Niklas Nienaß

 

 


HOOFDELIJKE EINDSTEMMING IN DE ADVISERENDE COMMISSIE

23

+

ECR

Geert Bourgeois, Jacek Saryusz-Wolski

ID

Gerolf Annemans, Laura Huhtasaari, Antonio Maria Rinaldi

NI

Fabio Massimo Castaldo

PPE

Esteban González Pons, Brice Hortefeux, Othmar Karas, Paulo Rangel, Sven Simon, Antonio Tajani, Rainer Wieland

S&D

Gabriele Bischoff, Włodzimierz Cimoszewicz, Giuliano Pisapia, Domènec Ruiz Devesa, Pedro Silva Pereira, Mihai Tudose

The Left

Leila Chaibi

Verts/ALE

Damian Boeselager, Gwendoline Delbos-Corfield, Niklas Nienaß

 

 

1

-

The Left

Helmut Scholz

 

 

4

0

Renew

Pascal Durand, Charles Goerens, Sandro Gozi, Guy Verhofstadt

 

 

 

 

 

INFORMATIE OVER DE GOEDKEURING IN DE BEVOEGDE COMMISSIE

Datum goedkeuring

27.5.2021

 

 

 

Uitslag eindstemming

+:

–:

0:

22

1

2

Bij de eindstemming aanwezige leden

Pascal Arimont, Manon Aubry, Gunnar Beck, Geoffroy Didier, Pascal Durand, Angel Dzhambazki, Ibán García Del Blanco, Jean-Paul Garraud, Esteban González Pons, Mislav Kolakušić, Gilles Lebreton, Karen Melchior, Jiří Pospíšil, Franco Roberti, Marcos Ros Sempere, Stéphane Séjourné, Raffaele Stancanelli, Adrián Vázquez Lázara, Marion Walsmann, Tiemo Wölken, Lara Wolters, Javier Zarzalejos

Bij de eindstemming aanwezige vaste plaatsvervangers

Patrick Breyer, Evelyne Gebhardt, Andrzej Halicki, Heidi Hautala, Ilhan Kyuchyuk, Angelika Niebler, Emil Radev, Luisa Regimenti, Yana Toom, Kosma Złotowski

 

 

 


HOOFDELIJKE EINDSTEMMING IN DE BEVOEGDE COMMISSIE

22

+

PPE

Pascal Arimont, Geoffroy Didier, Esteban González Pons, Jiří Pospíšil, Emil Radev, Marion Walsmann, Javier Zarzalejos

S&D

Ibán García Del Blanco, Franco Roberti, Marcos Ros Sempere, Tiemo Wölken, Lara Wolters

Renew

Pascal Durand, Ilhan Kyuchyuk, Stéphane Séjourné, Adrián Vázquez Lázara

ID

Jean-Paul Garraud, Gilles Lebreton

Verts/ALE

Patrick Breyer, Heidi Hautala

The Left

Manon Aubry

NI

Mislav Kolakušić

 

1

-

ID

Gunnar Beck

 

2

0

ECR

Angel Dzhambazki, Raffaele Stancanelli

 

Verklaring van de gebruikte tekens:

+ : voor

- : tegen

0 : onthouding

 

 

[1] PB C 176 van 23.5.2018, blz. 5.

[2] PB C 37 van 2.2.2021, blz. 1.

[3] Aangenomen teksten, P9_TA(2020)0005.

[4] PB C 86 van 6.3.2018, blz. 126.

[5] Arrest van het Gerecht van 22 maart 2018, De Capitani/Europees Parlement.

[6] Europees Comité van de Regio’s, getiteld “Betere regelgeving: inventarisatie en verdere inzet”.

Laatst bijgewerkt op: 18 juni 2021Juridische mededeling - Privacybeleid