Procedure : 2019/2166(INI)
Stadium plenaire behandeling
Documentencyclus : A9-0254/2021

Ingediende teksten :

A9-0254/2021

Debatten :

PV 04/10/2021 - 14
CRE 04/10/2021 - 14

Stemmingen :

PV 05/10/2021 - 9
PV 06/10/2021 - 2

Aangenomen teksten :

P9_TA(2021)0406

<Date>{23/07/2021}23.7.2021</Date>
<NoDocSe>A9-0254/2021</NoDocSe>
PDF 242kWORD 78k

<TitreType>VERSLAG</TitreType>

<Titre>over de gevolgen van intiem partnergeweld en van voogdijrechten voor vrouwen en kinderen</Titre>

<DocRef>(2019/2166(INI))</DocRef>


<Commission>{CJ02}Commissie juridische zaken

Commissie vrouwenrechten en gendergelijkheid</Commission>

Rapporteurs: <Depute>Luisa Regimenti, Elena Kountoura</Depute>

(Gezamenlijke commissievergaderingen – Artikel 58 van het Reglement)

ONTWERPRESOLUTIE VAN HET EUROPEES PARLEMENT
 MINDERHEIDSSTANDPUNT
 INFORMATIE OVER DE GOEDKEURING IN DE BEVOEGDE COMMISSIE
 HOOFDELIJKE EINDSTEMMING IN DE BEVOEGDE COMMISSIE


PR_INI

INHOUD

Blz.

ONTWERPRESOLUTIE VAN HET EUROPEES PARLEMENT

MINDERHEIDSSTANDPUNT

INFORMATIE OVER DE GOEDKEURING IN DE BEVOEGDE COMMISSIE

HOOFDELIJKE EINDSTEMMING IN DE BEVOEGDE COMMISSIE



ONTWERPRESOLUTIE VAN HET EUROPEES PARLEMENT

over de gevolgen van intiem partnergeweld en van voogdijrechten voor vrouwen en kinderen

(2019/2166(INI))

Het Europees Parlement,

 gezien artikel 2 en artikel 3, lid 3, van het Verdrag betreffende de Europese Unie en de artikelen 6, 8 en 67 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU),

 gezien Richtlijn 2012/29/EU van het Europees Parlement en de Raad van 25 oktober 2012 tot vaststelling van minimumnormen voor de rechten, de ondersteuning en de bescherming van slachtoffers van strafbare feiten (de richtlijn slachtofferrechten)[1],

 gezien de artikelen 21, 23, 24 en 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (het Handvest),

 gezien het Verdrag van de Raad van Europa inzake het voorkomen en bestrijden van geweld tegen vrouwen en huiselijk geweld (Verdrag van Istanbul), dat op 1 augustus 2014 in werking is getreden,

 gezien het VN-Verdrag inzake de rechten van het kind van 20 november 1989,

 gezien algemene opmerking nr. 13 van het Comité voor de rechten van het kind van 18 april 2011 over het recht van het kind op vrijwaring tegen alle vormen van geweld,

 gezien het Verdrag van Den Haag van 25 oktober 1980 betreffende de burgerrechtelijke aspecten van internationale ontvoering van kinderen,

 gezien het Verdrag van Den Haag van 29 mei 1993 inzake de bescherming van kinderen en de samenwerking op het gebied van interlandelijke adoptie,

 gezien Richtlijn (EU) 2016/800 van het Europees Parlement en de Raad van 11 mei 2016 betreffende procedurele waarborgen voor kinderen die verdachte of beklaagde zijn in een strafprocedure[2],

 gezien het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens,

 gezien het VN-Verdrag inzake de uitbanning van alle vormen van discriminatie van vrouwen, dat op 18 december 1979 is aangenomen, en algemene aanbeveling nr. 35 over gendergerelateerd geweld tegen vrouwen, houdende een actualisering van algemene aanbeveling nr. 19 over geweld tegen vrouwen van het Comité voor de uitbanning van discriminatie van vrouwen,

 gezien de Europese pijler voor sociale rechten, en met name beginsel 2,

 gezien de Agenda 2030 voor duurzame ontwikkeling, die op 1 januari 2016 van kracht werd, en met name duurzameontwikkelingsdoelstelling 5 inzake gendergelijkheid en doelstelling 16.2 inzake het beëindigen van misbruik, uitbuiting, handel en alle vormen van geweld tegen en het martelen van kinderen,

 gezien het voorstel van de Commissie van 4 maart 2016 voor een besluit van de Raad over de sluiting, door de Europese Unie, van het Verdrag van de Raad van Europa inzake het voorkomen en bestrijden van geweld tegen vrouwen en huiselijk geweld (COM(2016)0109),

 gezien de mededeling van de Commissie van 5 maart 2020, getiteld “Een Unie van gelijkheid: strategie voor gendergelijkheid 2020-2025” (COM(2020)0152), en met name de eerste doelstelling om vrouwen en meisjes te vrijwaren van geweld en stereotypes,

 gezien de mededeling van de Commissie van 12 november 2020, getiteld “Een Unie van gelijkheid: strategie voor gelijkheid van lhbtiq’ers 2020-2025” (COM(2020)0698),

 gezien de mededeling van de Commissie van 24 juni 2020, getiteld “EU-strategie inzake de rechten van slachtoffers (2020-2025)” (COM(2020)0258),

 gezien het werkdocument van de diensten van de Commissie van 6 maart 2019, getiteld “2019 Report on equality between women and men in the EU” (SWD(2019)0101),

 gezien zijn resolutie van 12 september 2017 over het voorstel voor een besluit van de Raad over de sluiting, door de Europese Unie, van het Verdrag van de Raad van Europa inzake het voorkomen en bestrijden van geweld tegen vrouwen en huiselijk geweld[3],

 gezien zijn resolutie van 28 november 2019 over de toetreding van de EU tot het Verdrag van Istanbul en andere maatregelen ter bestrijding van gendergerelateerd geweld[4],

 gezien zijn resolutie van 17 december 2020 over de noodzaak van een specifieke Raadsformatie voor gendergelijkheid[5],

 gezien zijn resolutie van 21 januari 2021 over het genderperspectief in de COVID-19-crisis en de periode na de crisis[6],

 gezien zijn resolutie van 21 januari 2021 over de EU-strategie inzake gendergelijkheid[7],

 gezien Richtlijn 2011/99/EU van het Europees Parlement en de Raad van 13 december 2011 betreffende het Europees beschermingsbevel[8],

 gezien Verordening (EU) nr. 606/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 12 juni 2013 betreffende de wederzijdse erkenning van beschermingsmaatregelen in burgerlijke zaken[9],

 gezien Verordening (EG) nr. 2201/2003 van de Raad van 27 november 2003 betreffende de bevoegdheid en de erkenning en tenuitvoerlegging van beslissingen in huwelijkszaken en inzake de ouderlijke verantwoordelijkheid (de verordening Brussel II bis)[10],

 gezien het verslag van het Europees Instituut voor gendergelijkheid (EIGE) over de gendergelijkheidsindex 2020,

 gezien de studie van het EIGE van 12 juni 2019, getiteld “Understanding intimate partner violence in the EU: the role of data”,

 gezien de studie van het EIGE van 18 november 2019, getiteld “A guide to risk assessment and risk management of intimate partner violence against women for police”,

 gezien het verslag van het Bureau van de Europese Unie voor de grondrechten (FRA) van 3 maart 2014, getiteld “Geweld tegen vrouwen: een Europese enquête”,

 gezien het Platform van onafhankelijke deskundigen inzake discriminatie van en geweld tegen vrouwen (EDVAW-platform) en zijn verklaring van 31 mei 2019, getiteld “Intimate partner violence against women is an essential factor in the determination of child custody”,

 gezien de verklaring van de voorzitter van de Groep van deskundigen van de Raad van Europa inzake actie tegen geweld tegen vrouwen en huiselijk geweld, Marceline Naudi, van 24 maart 2020, getiteld “For many women and children, the home is not a safe place”, over de noodzaak om in tijden van een pandemie vast te houden aan de normen van het Verdrag van Istanbul,

 gezien artikel 54 van zijn Reglement,

 gezien het gezamenlijke overleg van de Commissie juridische zaken en de Commissie vrouwenrechten en gendergelijkheid overeenkomstig artikel 58 van het Reglement,

 gezien het verslag van de Commissie juridische zaken en de Commissie vrouwenrechten en gendergelijkheid (A9-0254/2021),

A. overwegende dat gendergelijkheid een fundamentele waarde en een kerndoelstelling van de EU is en in alle beleidsmaatregelen van de EU terug te vinden moet zijn; overwegende dat het recht op gelijke behandeling en non-discriminatie een grondrecht is dat verankerd is in de Verdragen[11] en het Handvest[12] en dat volledig moet worden geëerbiedigd; overwegende dat gendergerelateerd geweld in al zijn soorten een extreme vorm van discriminatie van vrouwen is en een schending van de mensenrechten die diepgeworteld is in genderongelijkheid, die op haar beurt door het geweld wordt bestendigd en versterkt; overwegende dat dit soort geweld voortvloeit uit genderstereotypen over de rol en de capaciteiten van vrouwen en mannen en ongelijke machtsverhoudingen in de samenleving, en deze genderstereotypen in stand houdt; overwegende dat het nog altijd wijdverbreid is en vrouwen in alle lagen van de samenleving treft, ongeacht leeftijd, opleiding, inkomen, sociale positie of land van herkomst of verblijf; overwegende dat het een van de grootste obstakels is voor het bereiken van gendergelijkheid; overwegende dat vrouwen en kinderen in de EU als gevolg van verschillen in beleid en wetgeving in de lidstaten niet hetzelfde niveau van bescherming genieten tegen gendergerelateerd geweld;

B. overwegende dat, ondanks talrijke gevallen van formele erkenning en vooruitgang op het gebied van gendergelijkheid, vrouwen nog steeds worden gediscrimineerd en benadeeld, en dat er nog altijd sociale, economische en culturele ongelijkheden bestaan; overwegende dat volgens de gendergelijkheidsindex van 2020 van EIGE in geen van de lidstaten reeds sprake is van volledige gelijkheid van vrouwen en mannen; overwegende dat de vorderingen van de EU op het gebied van gendergelijkheid nog altijd traag verlopen, aangezien de indexscore er gemiddeld om de twee jaar met één punt op vooruitgaat; overwegende dat de EU er in dat tempo bijna zeventig jaar over zal doen om gendergelijkheid te verwezenlijken; overwegende dat dit Parlement al heeft verzocht om de instelling van een nieuwe Raadsformatie waarin de ministers en staatssecretarissen bijeenkomen die belast zijn met gendergelijkheid;

C. overwegende dat verschillende vormen van onderdrukking niet afzonderlijk bestaan, maar elkaar overlappen en dezelfde personen tegelijkertijd treffen, waardoor intersectionele vormen van discriminatie ontstaan; overwegende dat discriminatie op grond van gender vaak gepaard gaat met discriminatie op andere gronden, zoals ras, huidskleur, etnische of sociale afkomst, genetische kenmerken, taal, godsdienst of overtuiging, politieke of andere denkbeelden, het behoren tot een nationale minderheid, eigendom, geboorte, handicap, leeftijd en seksuele geaardheid;

D. overwegende dat er de afgelopen tien jaar op mondiaal en EU-niveau een zichtbaar en georganiseerd offensief tegen gendergelijkheid en vrouwenrechten in gang is gezet, onder meer in de EU;

E. overwegende dat gendergelijkheid een essentiële voorwaarde is voor een innovatieve, concurrerende en welvarende EU-economie, die leidt tot nieuwe banen en grotere productiviteit, met name in de context van de digitalisering en de transitie naar een groene economie;

F. overwegende dat intiem partnergeweld betrekking heeft op elke daad van fysiek, seksueel, psychologisch of economisch geweld tussen voormalige of huidige echtgenoten of partners, ongeacht of de dader in dezelfde woning als het slachtoffer verblijft of heeft verbleven; overwegende dat intiem partnergeweld een van de meest voorkomende vormen van gendergerelateerd geweld is, waarbij naar schatting 22 % van de vrouwen slachtoffer is geweest van fysiek en/of seksueel geweld en 43 % slachtoffer is geweest van psychisch geweld door hun partner[13]; overwegende dat vrouwen en kinderen onevenredig zwaar getroffen worden door dit soort geweld; overwegende dat onder “huiselijk geweld” alle vormen van fysiek, seksueel, psychologisch of economisch geweld worden verstaan die plaatsvinden binnen het gezin of het huishouden of tussen voormalige of huidige echtgenoten of partners, ongeacht of de dader in dezelfde woning als het slachtoffer verblijft of heeft verbleven[14]; overwegende dat huiselijk geweld een ernstig en vaak langdurig en verborgen sociaal probleem is dat systematisch een lichamelijk en/of psychologisch trauma veroorzaakt met ernstige gevolgen voor de slachtoffers en voor het emotionele, economische en sociale welzijn van het hele gezin, omdat de dader een persoon is die het slachtoffer zou moeten kunnen vertrouwen; overwegende dat 70 tot 85 % van de kinderen die het slachtoffer zijn van geweld hun misbruiker kennen en dat de overgrote meerderheid van die kinderen slachtoffers zijn van mensen die zij vertrouwen[15]; overwegende dat de slachtoffers door hun misbruiker vaak worden onderworpen aan dwangmatige controle, bestaande uit intimidatie, controle, afzondering en misbruik;

G. overwegende dat de niveaus van intiem partnergeweld in afgelegen en plattelandsgemeenschappen nog hoger zijn dan in stedelijke gebieden; overwegende dat vrouwen in afgelegen en plattelandsgebieden vaker te kampen hebben met intiem partnergeweld en dat de frequentie en de ernst van het lichamelijke, psychologische en economische misbruik waarvan zij het slachtoffer zijn groter is, hetgeen nog wordt verergerd door het feit zij verder weg wonen van alle mogelijke voorzieningen en diensten waar zij hulp zouden kunnen zoeken; overwegende dat gebrekkige kennis over huiselijk geweld bij gezondheids-, sociale en juridische diensten in afgelegen en plattelandsgebieden een groot probleem is voor de slachtoffers van intiem partnergeweld;

H. overwegende dat op EU-niveau de meeste eenoudergezinnen uit alleenstaande moeders bestaan die economisch gezien zeer kwetsbaar zijn, met name moeders met lage lonen, en eerder geneigd zijn om de arbeidsmarkt te verlaten wanneer zij kinderen krijgen, waardoor zij ook benadeeld worden als zij de arbeidsmarkt weer proberen te betreden; overwegende dat in de EU 40,3 % van de eenoudergezinnen in 2019 risico op armoede of sociale uitsluiting liep[16];

I. overwegende dat 30 % van de vrouwen die slachtoffer zijn geweest van seksueel geweld door een voormalige of huidige partner, ook in de jeugd seksueel geweld heeft ervaren, en dat 73 % van de moeders die slachtoffer zijn geweest van fysiek en/of seksueel geweld door een partner zegt dat ten minste een van hun kinderen zich ervan bewust is dat dergelijk geweld heeft plaatsgevonden[17];

J. overwegende dat de lockdown- en social-distancingmaatregelen tijdens de COVID-19-pandemie in veel lidstaten gepaard zijn gegaan met een exponentiële toename van het aantal gevallen en de intensiteit van intiem partnergeweld, psychologisch geweld, dwingende controle en cybergeweld, en met een stijging van 60 % van het aantal noodoproepen van slachtoffers van huiselijk geweld[18]; overwegende dat het gebod om thuis te blijven en de alarmerende opwelling van de zogenaamde “schaduwpandemie” het voor vrouwen en kinderen moeilijk heeft gemaakt om toegang te krijgen tot doeltreffende bescherming, steundiensten en de rechter, en aan het licht heeft gebracht dat er onvoldoende steunmiddelen en -structuren waren en dat slachtoffers beperkte toegang tot steundiensten hadden, waardoor velen van hen zich niet op behoorlijke en tijdige bescherming hebben kunnen beroepen; overwegende dat lidstaten beste praktijken moeten uitwisselen over specifieke maatregelen om slachtoffers tijdige en toegankelijke bijstand te bieden, waaronder sms-diensten voor noodoproepen en contactpunten voor bijstand in apotheken en supermarkten; overwegende dat, ondanks het feit dat dit verschijnsel zich vaak voordoet, er in de EU om diverse redenen, en vooral tijdens de COVID-19-pandemie, nog steeds te weinig aangifte wordt gedaan van intiem partnergeweld tegen vrouwen door de slachtoffers, hun familie, vrienden, kennissen en buren; overwegende dat er een aanzienlijk gebrek is aan alomvattende, vergelijkbare en naar geslacht uitgesplitste gegevens, waardoor het moeilijk is de gevolgen van de crisis volledig te beoordelen; overwegende dat uit de enquête van het FRA over geweld tegen vrouwen blijkt dat slechts 14 % van de slachtoffers bij de politie aangifte doet van hun ernstigste incidenten van geweld binnen intieme relaties, en dat twee derde van de vrouwelijke slachtoffers systematisch geen aangifte doet bij de autoriteiten, hetzij uit angst of een gebrek aan informatie over de rechten van slachtoffers, hetzij vanwege de wijdverbreide overtuiging dat intiem partnergeweld een privéaangelegenheid is die niet naar buiten mag worden gebracht[19];

K. overwegende dat het huiselijk en gendergerelateerd geweld is toegenomen als gevolg van de lockdownmaatregelen die tijdens de COVID-19-pandemie zijn getroffen; overwegende dat volgens het laatste verslag van Europol[20] het online seksueel misbruik van kinderen in de EU dramatisch is gestegen;

L. overwegende dat er tijdens de lockdowns sprake was van een aanzienlijke toename van huiselijk geweld tegen lhbti’ers, met name jonge mensen;

M. overwegende dat economisch geweld tegen vrouwen in de vorm van materiële schade, beperking van de toegang tot financiële middelen, onderwijs of de arbeidsmarkt, of de niet-naleving van financiële verplichtingen zoals de betaling van alimentatie, ook gepaste aandacht verdient, aangezien de beperking van hun financiële onafhankelijkheid en het gezinsinkomen hand in hand gaat met andere vormen van geweld en een extra struikelblok voor slachtoffers vormt; overwegende dat financieel afhankelijke slachtoffers zich vaak genoodzaakt zien bij de dader in dezelfde woning te blijven wonen om financiële onzekerheid, dakloosheid of armoede te voorkomen, en dat deze tendens is verergerd door de COVID-19-pandemie; overwegende dat eerlijke beloning en economische onafhankelijkheid van cruciaal belang zijn voor het vermogen van vrouwen om uit relaties met misbruik en geweld te stappen; overwegende dat in sommige lidstaten de tenuitvoerlegging van rechterlijke beslissingen met betrekking tot financiële vergoedingen ertoe kan leiden dat het slachtoffer in contact moet blijven met de misbruiker, waardoor zij weer de kans loopt slachtoffer te worden van fysiek en emotioneel misbruik;

N. overwegende dat kinderen zogenoemde “getuigen van geweldpleging[21]” kunnen zijn in de huiselijke en gezinsomgeving, doordat ze te maken krijgen met een vorm van mishandeling door middel van fysiek, verbaal, psychologisch, seksueel of economisch geweld tegen referentiepersonen of andere voor hen belangrijke personen met wie ze een affectieve band hebben; overwegende dat dergelijk geweld zeer ernstige gevolgen heeft voor de psychologische en emotionele ontwikkeling van het kind en dat het daarom van essentieel belang is om in regelingen bij scheiding en toewijzing van het ouderlijk gezag terdege aandacht te besteden aan dit soort geweld, waarbij ervoor gezorgd moet worden dat het belang van het kind vooropstaat, met name bij het bepalen van het voogdij- en bezoekrecht in scheidingszaken; overwegende dat het getuige van geweldpleging zijn niet altijd gemakkelijk te herkennen is; overwegende dat vrouwen die het slachtoffer zijn van huiselijk geweld in voortdurende spanning leven en emotionele problemen ondervinden; overwegende dat rechtbanken in zaken met betrekking tot huiselijk geweld en kinderbescherming deskundigen moeten raadplegen die over de nodige kennis en middelen beschikken, zodat wordt voorkomen dat er beslissingen tegen de moeder worden genomen waarbij niet naar behoren rekening is gehouden met alle omstandigheden;

O. overwegende dat onderwijs een fundamentele rol speelt bij de vorming van het vermogen van kinderen en jongeren om hen te helpen gezonde relaties op te bouwen, vooral door les te geven over rolpatronen, gendergelijkheid, machtsverhoudingen in relaties, het belang van toestemming en het respecteren van grenzen, en daarmee bijdraagt aan de bestrijding van gendergerelateerd geweld; overwegende dat volgens de “International technical guidance on sexuality education” van Unesco duurzame programma’s voor omvattende seksuele voorlichting kinderen en jongeren in staat stellen correcte kennis, positieve attitudes en vaardigheden op dit gebied, inclusief eerbiediging van de mensenrechten, gendergelijkheid, toestemming en diversiteit, te verwerven; overwegende dat kinderen en jongeren hierdoor beter voor zichzelf kunnen opkomen;

P. overwegende dat, om het probleem van de uitbanning van gendergerelateerd geweld aan te pakken, moet worden uitgegaan van consistente en vergelijkbare administratieve gegevens die gebaseerd zijn op een robuust en gecoördineerd kader voor gegevensverzameling; overwegende dat de huidige beschikbare gegevens die door de rechtshandhavings- en justitiële autoriteiten van de lidstaten worden verzameld, niet de volledige omvang van intiem partnergeweld weergeven, noch de impact en langetermijneffecten daarvan op zowel vrouwen als kinderen, aangezien de meeste lidstaten geen naar gender uitgesplitste vergelijkbare gegevens over geweld verzamelen en evenmin intiem partnergeweld als een specifiek strafbaar feit erkennen, hetgeen resulteert in een grijs gebied waardoor de werkelijke prevalentie en omvang van intiem partnergeweld aanzienlijk ongekwantificeerd is en niet in kaart kan worden gebracht; overwegende dat er ook onvoldoende gegevens beschikbaar zijn over de verhoogde risico’s en prevalentie van huiselijk geweld en intiem partnergeweld voor specifieke groepen, zoals achtergestelde of gediscrimineerde groepen vrouwen;

Q. overwegende dat in sommige lidstaten intiem partnergeweld tegen vrouwen vaak veronachtzaamd wordt en dat de standaardregel van gedeelde voogdij of ouderlijke macht de bovenhand lijkt te hebben bij voogdij over kinderen en bij omgangs- en bezoekregelingen en -beslissingen; overwegende dat het negeren van dergelijk geweld ernstige gevolgen heeft voor vrouwen en kinderen, en zelfs kan escaleren tot feminicide en/of infanticide; overwegende dat slachtoffers van intiem partnergeweld speciale beschermingsmaatregelen nodig hebben; overwegende dat de situatie van de slachtoffers aanzienlijk verslechtert als zij economisch of maatschappelijk afhankelijk zijn van de dader; overwegende dat het daarom van essentieel belang is om bij het nemen van beslissingen over scheidings- en voogdijregelingen ten volle rekening te houden met dit soort geweld en om beschuldigingen van geweld aan te pakken voordat beslissingen over voogdij en bezoekregelingen worden genomen; overwegende dat de rechtbanken van de lidstaten moeten waarborgen dat op basis van het beginsel van het “belang van het kind” een grondige beoordeling wordt uitgevoerd om de voogdij- en bezoekrechten vast te leggen, waarbij het kind wordt gehoord, alle relevante diensten worden ingeschakeld, psychologische ondersteuning wordt geboden en rekening wordt gehouden met de deskundigheid van alle betrokken beroepsbeoefenaars;

R. overwegende dat de risicobeoordelingen door rechtshandhavingsinstanties in de meeste lidstaten geen informatie bevatten die kinderen hebben verstrekt over hun ervaringen met intiem partnergeweld;

S. overwegende dat bij alle beslissingen met betrekking tot kinderen, met inbegrip van familiegeschillen, het belang van het kind voorop staat; overwegende dat het recht van elk kind om contact met beide ouders te onderhouden, zoals vastgelegd in artikel 8 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens en artikel 9 van het VN-Verdrag inzake de rechten van het kind, daarom moet worden beperkt indien dit in het belang van het kind is;

T. overwegende dat kinderen overeenkomstig artikel 12 van het VN-Verdrag inzake de rechten van het kind en de artikelen 4 en 16 van Richtlijn (EU) 2016/800 het recht hebben om op een kindvriendelijke manier hun mening te uiten in alle aangelegenheden die hen betreffen, ook in gerechtelijke en bestuurlijke procedures, en dat naar behoren rekening moet worden gehouden met hun mening in overeenstemming met de leeftijd en rijpheid van het kind;

U. overwegende dat twee van de meest prestigieuze instellingen op het gebied van geestelijke gezondheid, de Wereldgezondheidsorganisatie en de American Association of Psychology, het gebruik van het zogenoemde ouderverstotingssyndroom en soortgelijke concepten en termen van de hand wijzen, aangezien zij kunnen worden gebruikt als strategie tegen slachtoffers van geweld door de ouderlijke vaardigheden van de slachtoffers in twijfel te trekken, hun argumenten te verwerpen en geen acht te slaan op het geweld waaraan kinderen worden blootgesteld; overwegende dat volgens de aanbeveling van het EDVAW-platform aantijgingen van gewelddadige vaders over het gebruik van ouderverstoting door moeders beschouwd moeten worden als een verdere vorm van controle en machtsuitoefening door overheidsinstanties en -actoren, waaronder degenen die beslissen over het ouderlijk gezag over het kind[22];

V. overwegende dat anonieme aangiften en aangiften die later door het slachtoffer worden ingetrokken een belemmering kunnen vormen voor het onderzoek door de autoriteiten en de preventie van verder geweld kunnen hinderen;

W. overwegende dat strafrechtelijke procedures naar aanleiding van een klacht over huiselijk geweld vaak volledig los van scheidings- en toewijzingsprocedures worden behandeld; overwegende dat dit kan betekenen dat gedeelde voogdij over de kinderen en/of een bezoekrecht wordt opgelegd die de rechten en veiligheid van het slachtoffer en de kinderen in gevaar brengen; overwegende dat dit onomkeerbare gevolgen kan hebben voor de mentale en emotionele ontwikkeling van kinderen, waardoor hun belangen in feite worden geschaad; overwegende dat de lidstaten er daarom voor moeten zorgen dat slachtoffers, naargelang van hun behoeften, kosteloos toegang krijgen tot vertrouwelijke diensten voor slachtofferhulp die vóór, tijdens en gedurende een passende periode na een strafrechtelijke procedure optreden in het belang van de slachtoffers, onder meer via een systeem van psychosociale ondersteuning – met name tijdens en na de ondervragingsprocedures – waarbij rekening wordt gehouden met de emotionele spanningen die met de omstandigheden gepaard gaan;

X. overwegende dat de Unie volgens artikel 67 VWEU een ruimte van vrijheid, veiligheid en recht moet zijn waarin de grondrechten worden geëerbiedigd, waarbij niet-discriminerende toegang tot de rechter voor iedereen van cruciaal belang is;

Y. overwegende dat moet worden gewaarborgd dat de veiligheid en bescherming van de slachtoffers in familierechtelijke zaken prioriteit hebben; overwegende dat alternatieve methoden van geschillenbeslechting (bijvoorbeeld bemiddeling) noch voor, noch tijdens gerechtelijke procedures gebruikt mogen worden in gevallen waarin sprake is van geweld tegen vrouwen en kinderen, zodat verder leed voor de slachtoffers wordt voorkomen;

Z. overwegende dat de partijen bij het Verdrag van Istanbul wetgevende of andere noodzakelijke maatregelen moeten nemen om ervoor te zorgen dat bij het bepalen van het voogdij- en bezoekrecht met betrekking tot kinderen rekening wordt gehouden met incidenten van huiselijk geweld en dat de uitoefening van een bezoek- of voogdijrecht niet ten koste gaat van de rechten en de veiligheid van het slachtoffer of de kinderen[23]; overwegende dat het Verdrag van Istanbul acht jaar na de inwerkingtreding ervan nog niet is geratificeerd door zes EU-lidstaten of door de EU zelf; overwegende dat het Verdrag van Istanbul het belangrijkste internationale kader is dat momenteel bestaat om gendergerelateerd geweld te voorkomen en te bestrijden;

AA. overwegende dat gedeelde voogdij in situaties van intiem partnergeweld vrouwen blootstelt aan het voortduren van vermijdbaar geweld, door hen te dwingen in de buurt van hun misbruikers te blijven en hen te blijven blootstellen aan fysiek en psychologisch geweld en emotioneel misbruik, hetgeen directe of indirecte gevolgen kan hebben voor de kinderen; overwegende dat in het geval van intiem partnergeweld het recht van vrouwen en kinderen om te worden beschermd en een leven zonder fysiek en psychologisch geweld te leiden, voorrang moet krijgen op de voorkeur voor gedeelde voogdij; overwegende dat de slechte behandeling van kinderen door de daders van intiem partnergeweld vaak ook wordt gebruikt om macht en geweld uit te oefenen tegen hun moeder, hetgeen een vorm van indirect gendergerelateerd geweld is dat in sommige lidstaten bekend staat als plaatsvervangend geweld;

AB. overwegende dat hulplijnen een essentieel kanaal vormen om hulp te krijgen, maar dat slechts 13 lidstaten de EU-hulplijn 116 006 hebben ingevoerd voor alle slachtoffers van misdrijven, en dat slechts een paar lidstaten beschikken over gespecialiseerde hulplijnen voor slachtoffers van intiem partnergeweld;

AC. overwegende dat intiem partnergeweld inherent verbonden is met geweld tegen kinderen en kindermisbruik; overwegende dat de blootstelling van kinderen aan huiselijk geweld ook als geweld tegen kinderen moet worden beschouwd; overwegende dat kinderen die worden blootgesteld aan huiselijk geweld negatieve mentale en/of fysieke gezondheidsgevolgen ondervinden die acuut en chronisch van aard kunnen zijn; overwegende dat slachtofferschap van kinderen in situaties van geweld tegen vrouwen kan voortduren en escaleren in het kader van ouderlijke geschillen over voogdij en zorg; overwegende dat de geestelijke gezondheid en het welzijn van kinderen achteruit zijn gegaan door de maatregelen die zijn getroffen om COVID-19 aan te pakken; overwegende dat het aantal diensten voor geestelijke gezondheidszorg voor kinderen per lidstaat sterk verschilt en in veel lidstaten niet toereikend is;

AD. overwegende dat opgroeien in een gewelddadige thuisomgeving zeer negatieve gevolgen heeft voor de fysieke, emotionele en sociale ontwikkeling van het kind en het latere gedrag als volwassene; overwegende dat blootstelling aan geweld als kind, hetzij door zelf mishandeling te ondergaan en/of getuige te zijn van partnergeweld, een risicofactor is om kwetsbaar te worden voor slachtofferschap of geweldpleging als volwassene, of om gedragsproblemen, lichamelijke of geestelijke gezondheidsproblemen te krijgen;

AE. overwegende dat uit recente verslagen blijkt dat slachtoffers van misdrijven, ondanks de geboekte vooruitgang, nog steeds niet in staat zijn hun rechten in de EU ten volle uit te oefenen; overwegende dat de toegang tot hulpdiensten essentieel is voor vrouwen die slachtoffer zijn van intiem partnergeweld; overwegende dat er nog steeds onvoldoende gespecialiseerde en algemene hulpdiensten voor slachtoffers van intiem partnergeweld zijn; overwegende dat slachtoffers van misdrijven vaak moeilijkheden ondervinden om hun recht te halen door een gebrek aan informatie en onvoldoende ondersteuning en bescherming; overwegende dat slachtoffers vaak te maken krijgen met secundaire victimisatie in strafrechtelijke procedures en bij het eisen van schadeloosstelling; overwegende dat er diverse gevallen zijn waarin wetshandhavers en rechtsstelsels niet voldoende hulp kunnen bieden aan vrouwen en kinderen die het slachtoffer zijn van huiselijk geweld; overwegende dat slachtoffers van gendergerelateerd geweld soms worden verwaarloosd of ongepast worden bejegend wanneer zij aangifte doen van geweld; overwegende dat maatschappelijke en openbare organisaties, met name degene die met en voor kinderen en slachtoffers van huiselijk en gendergerelateerd geweld werken, een belangrijke rol spelen bij het voorkomen en bestrijden van huiselijk geweld en intiem partnergeweld; overwegende dat dergelijke organisaties dankzij hun praktijkervaring ook belangrijke bijdragen kunnen leveren aan beleid en wetgeving; overwegende dat EU-financieringsprogramma’s, zoals het programma Justitie en het programma Burgers, gelijkheid, rechten en waarden, gebruikt kunnen worden bij ondersteuningsactiviteiten ter bescherming en ondersteuning van slachtoffers van huiselijk en gendergerelateerd geweld, onder meer door de toegang tot de rechter te waarborgen en financiering te verstrekken aan organisaties die met slachtoffers werken;

AF. overwegende dat grensoverschrijdende scheidings- en toewijzingsprocedures complexer van aard zijn en gewoonlijk meer tijd in beslag nemen; overwegende dat de toegenomen mobiliteit binnen de EU geleid heeft tot een groeiend aantal grensoverschrijdende geschillen over ouderlijke verantwoordelijkheid en het gezag over het kind; overwegende dat de automatische erkenning van beslissingen in procedures inzake de toewijzing van het ouderlijk gezag waarbij sprake is van gendergerelateerd geweld problematisch is, aangezien de wetgeving over gendergerelateerd geweld per lidstaat verschilt en niet alle lidstaten intiem partnergeweld erkennen als een strafbaar feit en een vorm van gendergerelateerd geweld; overwegende dat de Commissie zich meer moet inspannen voor een consequente en concrete toepassing in alle lidstaten van de beginselen en doelstellingen die zijn neergelegd in het VN-Verdrag inzake de rechten van het kind, dat door alle EU-lidstaten is geratificeerd; overwegende dat de lidstaten als verdragspartij bij het VN-Verdrag inzake de rechten van het kind het belang van het kind bij ieder overheidsoptreden altijd voorop moeten stellen, ook in het geval van grensoverschrijdende familiegeschillen; overwegende dat artikel 83, lid 1, van het VWEU de mogelijkheid biedt om minimumvoorschriften vast te stellen betreffende de bepaling van strafbare feiten en sancties in verband met vormen van bijzonder zware criminaliteit met een grensoverschrijdende dimensie die voortvloeit uit de aard of de gevolgen van deze strafbare feiten of uit een bijzondere noodzaak om deze op gemeenschappelijke basis te bestrijden; overwegende dat artikel 83, lid 2, van het VWEU de mogelijkheid biedt minimumvoorschriften met betrekking tot de definitie van strafbare feiten en sancties vast te stellen wanneer dit nodig is voor een doeltreffende uitvoering van beleid van de Unie op een gebied waarop harmonisatiemaatregelen zijn vastgesteld;

AG. overwegende dat artikel 82, lid 2, van het VWEU voorziet in de mogelijkheid tot vaststelling van minimumvoorschriften die in de lidstaten van toepassing zijn ter bevordering van de wederzijdse erkenning van vonnissen en rechterlijke beslissingen en van de politiële en justitiële samenwerking in strafzaken met een grensoverschrijdende dimensie, in het bijzonder met betrekking tot de rechten van slachtoffers van misdrijven;

Algemene opmerkingen

1. veroordeelt in de krachtigste bewoordingen alle vormen van gendergerelateerd geweld, huiselijk geweld en geweld tegen vrouwen; betreurt het dat in het bijzonder vrouwen en kinderen, in al hun verscheidenheid, blootgesteld blijven aan intiem partnergeweld, wat een ernstige schending van hun mensenrechten en waardigheid vormt en ook de economische zelfstandigheid van vrouwen aantast, een verschijnsel dat door de COVID-19-crisis is versterkt;

2. herinnert eraan dat de speciale VN-rapporteur inzake geweld tegen vrouwen heeft opgemerkt dat tijdens de COVID-19-crisis duidelijk is geworden dat internationale verdragen ter bescherming tegen en voorkoming van gendergerelateerd geweld niet goed ten uitvoer zijn gelegd; roept de lidstaten op dringend iets te doen aan de toename van intiem partnergeweld tijdens de COVID-19-pandemie en spoort de lidstaten aan nationale innovaties, richtsnoeren, beste praktijken en protocollen uit te wisselen die succesvol zijn gebleken bij de aanpak van intiem partnergeweld en bij de ondersteuning van slachtoffers, met name tijdens noodsituaties; roept de Commissie op om deze praktijken aan te moedigen; verzoekt de lidstaten en de lokale autoriteiten om de omvang van gendergerelateerd geweld te meten en om de slachtoffers van gendergerelateerd en huiselijk geweld te ondersteunen door hun veiligheid en economische onafhankelijkheid te waarborgen via toegang tot specifieke huisvesting en essentiële publieke voorzieningen, zoals gezondheidszorg, vervoer en professionele psychologische ondersteuning; verzoekt de Commissie een EU-protocol inzake geweld tegen vrouwen in crisis- en noodsituaties op te stellen teneinde geweld tegen vrouwen te voorkomen, slachtoffers tijdens noodsituaties zoals de COVID-19-pandemie te ondersteunen, een veilig en flexibel waarschuwingssysteem voor noodgevallen op te zetten en diensten voor het beschermen van slachtoffers, zoals hulplijnen, veilige opvang en gezondheidsdiensten, als “essentiële diensten” aan te bieden; onderstreept in dit verband dat er specifieke maatregelen nodig zijn om de bestaande verschillen tussen wetten, beleid en diensten van de lidstaten en het toegenomen huiselijk en gendergerelateerd geweld tijdens de COVID-19-pandemie aan de orde te stellen;

3. benadrukt dat daders vaak rechtszaken gebruiken om hun macht en controle uit te breiden en om hun slachtoffers te blijven intimideren en angst aan te jagen; benadrukt in dit verband dat het kind en de aanvraagprocedure voor gedeelde voogdij vaak door de gewelddadige ouder worden gemanipuleerd om contact te houden met de moeder na de scheiding; benadrukt dat daders de kinderen vaak misbruiken of ermee dreigen hen schade te berokkenen of mee te nemen om hun partners en ex-partners schade toe te brengen; wijst erop dat dit ernstige gevolgen heeft voor de harmonische ontwikkeling van het kind; herinnert eraan dat dit ook een vorm van gendergerelateerd geweld is; merkt op dat het achterhouden van de alimentatie door daders gebruikt kan worden als een vorm van bedreiging of misbruik van de slachtoffers; wijst erop dat deze praktijk de slachtoffers grote psychologische schade kan toebrengen en financiële problemen kan creëren of verergeren; verzoekt de lidstaten maatregelen te treffen om ervoor te zorgen dat alimentatie vanuit slachtofferfondsen rechtstreeks aan slachtoffers wordt verstrekt, zodat wordt voorkomen dat het slachtoffer in financieel opzicht wordt misbruikt en nog meer schade wordt toegebracht;

4. is ingenomen met de toezegging van de Commissie in de strategie voor gendergelijkheid 2020-2025 om gendergerelateerd geweld de kop in te drukken en wijst in verband hiermee op het belang van de volledige en snelle uitvoering van de hoofddoelstellingen ervan; wijst op de alarmerende cijfers over gendergerelateerd geweld, waaruit blijkt dat patriarchaal gedrag dringend moet worden veranderd; wijst erop dat gezamenlijk optreden essentieel is om vrouwenrechten overal in Europa op hetzelfde niveau te tillen en te harmoniseren; roept daarom op tot de invoering van een Raadsformatie voor gendergelijkheid binnen de Europese Raad om vertegenwoordigers van de lidstaten de mogelijkheid te bieden regelmatig bijeen te komen, wetgeving voor te bereiden en beste praktijken uit te wisselen; benadrukt dat maatregelen ter bestrijding van gendergerelateerd en huiselijk geweld een intersectionele aanpak behoeven, met als doel zo inclusief mogelijk te zijn en elke vorm van discriminatie te voorkomen;

5. wijst erop dat het Verdrag van Istanbul van cruciaal belang is voor de bestrijding van gendergerelateerd geweld tegen vrouwen en huiselijk geweld; betreurt dat dit verdrag nog niet door de Europese Unie is geratificeerd en dat tot nu toe slechts 21 EU-lidstaten het verdrag hebben geratificeerd; dringt aan op de snelle ratificatie en tenuitvoerlegging ervan op nationaal en EU-niveau; verzoekt Bulgarije, Hongarije, Letland, Litouwen, Slowakije en de Tsjechische Republiek om het Verdrag van Istanbul te ratificeren; herhaalt dat het Parlement het recente besluit van de Poolse minister van Justitie om officieel van start te gaan met de opzegging door Polen van het Verdrag van Istanbul krachtig heeft veroordeeld, aangezien dit een ernstige achteruitgang zou zijn op het gebied van gendergelijkheid, vrouwenrechten en de strijd tegen gendergerelateerd geweld; verzoekt de Commissie door te gaan met het ontwikkelen van een alomvattend kader van beleidsmaatregelen, programma’s en andere initiatieven om geweld tegen vrouwen en huiselijk geweld tegen te gaan, en voldoende en geschikte middelen toe te wijzen aan acties die verband houden met de uitvoering van het Verdrag van Istanbul door middel van de financieringsprogramma’s die zijn vastgelegd in het meerjarig financieel kader 2021-2027 en het onderdeel Daphne van het programma Rechten en waarden; steunt van harte alle campagnes die oproepen tot de ratificatie en tenuitvoerlegging van het Verdrag van Istanbul; staat achter het plan van de Commissie om te blijven aandringen op de ratificatie ervan in de hele EU; veroordeelt ten stelligste alle pogingen om het Verdrag van Istanbul in diskrediet te brengen en veroordeelt de pogingen die in sommige lidstaten worden ondernomen om de geboekte vooruitgang in de strijd tegen gendergerelateerd geweld, met inbegrip van huiselijk geweld, teniet te doen; constateert met grote bezorgdheid dat het verdrag nog niet in de hele EU effectief wordt toegepast; verzoekt de lidstaten die het verdrag hebben geratificeerd, te zorgen voor de volledige, doeltreffende en praktische uitvoering ervan, waarbij bijzondere aandacht wordt geschonken aan artikel 31 van het Verdrag van Istanbul, en alle nodige maatregelen te treffen om te verzekeren dat bij de vaststelling van het voogdij- en bezoekrecht van kinderen rekening wordt gehouden met incidenten van intiem partnergeweld en dat de uitoefening van een bezoek- of voogdijrecht de rechten en de veiligheid van het slachtoffer of de kinderen niet in gevaar brengt;

6. verzoekt de Commissie en de Raad om gendergerelateerd geweld toe te voegen aan de lijst met vormen van grensoverschrijdende criminaliteit voorzien in artikel 83, lid 1, VWEU, gelet op de bijzondere noodzaak om dit soort misdrijven op gemeenschappelijke basis te bestrijden; verzoekt de Commissie dit als grondslag te gebruiken om bindende maatregelen en een holistische EU-kaderrichtlijn voor te stellen betreffende de preventie en bestrijding van alle vormen van gendergerelateerd geweld, waaronder de gevolgen van intiem partnergeweld voor vrouwen en kinderen, en daarin uniforme normen en zorgvuldigheidsverplichtingen op te nemen betreffende het verzamelen van gegevens, het voorkomen en onderzoeken van geweldsincidenten, het beschermen van de slachtoffers en getuigen, en het vervolgen en bestraffen van de daders; wijst erop dat dergelijke nieuwe wetgevingsmaatregelen in ieder geval in overeenstemming moeten zijn met de rechten, verplichtingen en doelstellingen uit hoofde van het Verdrag van Istanbul en een aanvulling moeten vormen op de ratificatie van het verdrag; pleit ervoor het Verdrag van Istanbul aan te merken als de minimumstandaard en aanvullende maatregelen te nemen om gendergerelateerd geweld en huiselijk geweld uit te bannen;

7. verzoekt de lidstaten en de Commissie specifieke maatregelen vast te stellen om cybergeweld, met inbegrip van online-intimidatie, cyberpesten en vrouwonvriendelijke haatzaaiende uitlatingen, uit te bannen, aangezien kinderen en met name meisjes hiervan onevenredig vaak het slachtoffer worden, en de toename van deze vormen van gendergerelateerd geweld tijdens de COVID-19-pandemie specifiek aan te pakken; verzoekt de Commissie relevante regelgevingen en andere mogelijke acties voor te stellen om haatzaaiende uitlatingen en online-intimidatie uit te bannen;

8. betreurt dat de Commissie en de lidstaten te weinig financiering voor de bestrijding van huiselijk geweld beschikbaar stellen, gelet op de omvang van dit verschijnsel; merkt op dat lidstaten die hun financiering aanzienlijk hebben verhoogd betere resultaten hebben geboekt, met name bij de vermindering van het aantal feminicides; verzoekt de Commissie en de lidstaten de financiering voor de bestrijding van huiselijk geweld te verhogen; uit zijn bezorgdheid over de versnippering van de financiering, de korte duur van de financiering en de administratieve lasten die de toegang van verenigingen tot deze financiering kunnen beperken en daarmee de kwaliteit van de hulp aan slachtoffers van huiselijk geweld en hun kinderen kunnen aantasten; vraagt de Commissie en de lidstaten te streven naar het verstrekken van stabiele en langdurige financiering;

Bescherming, veiligheid en steun voor slachtoffers van gendergerelateerd geweld: aandacht voor intiem partnergeweld bij beslissingen inzake voogdijrechten en bezoekregelingen

9. herinnert eraan dat bij alle maatregelen betreffende kinderen het belang van het kind voorop moet staan; herinnert aan het recht van een kind dat gescheiden leeft van een of beide ouders om regelmatig persoonlijke betrekkingen en rechtstreekse contacten te onderhouden met beide ouders, tenzij dit tegen de belangen van het kind indruist; wijst erop dat gedeelde voogdij en ongecontroleerde bezoeken in beginsel wenselijk zijn om ervoor te zorgen dat ouders gelijke rechten en verantwoordelijkheden genieten, tenzij dit tegen de belangen van het kind indruist; wijst erop dat het tegen de belangen van het kind indruist als de wet automatisch ouderlijke verantwoordelijkheden toekent aan een van de ouders of aan beide; herinnert eraan dat, overeenkomstig het VN-Verdrag inzake de rechten van het kind, de beoordeling van de belangen van het kind een unieke activiteit is die voor elk kind afzonderlijk moet worden uitgevoerd, rekening houdend met de specifieke omstandigheden van elk kind; benadrukt dat intiem partnergeweld duidelijk onverenigbaar is met de belangen van het kind en met gedeelde voogdij en zorg, vanwege de ernstige gevolgen ervan voor vrouwen en kinderen, waaronder het risico op geweld na de scheiding en extreme daden als feminicide en infanticide; benadrukt dat bij de vaststelling van regelingen voor de toewijzing van voogdij, omgangs- en bezoekrechten, de bescherming van vrouwen en kinderen tegen geweld en het belang van het kind centraal moeten staan en voorrang moeten hebben op andere criteria; onderstreept daarom dat de rechten en aanspraken van daders of vermeende daders tijdens of na afloop van gerechtelijke procedures, waaronder met betrekking tot vermogen, privacy, gezag over het kind, omgang, contact en bezoek, moeten worden bepaald met inachtneming van de mensenrechten van vrouwen en kinderen, zoals het recht op leven en lichamelijke, seksuele en psychologische integriteit, alsook gebaseerd moeten zijn op het belang van het kind[24]; wijst er daarom op dat de intrekking van voogdij- en bezoekrechten van de gewelddadige partner en de toekenning van exclusieve voogdij aan de moeder, indien zij het slachtoffer is van geweld, de enige manier kan zijn om verder geweld en secundaire victimisatie van de slachtoffers te voorkomen; benadrukt dat de toewijzing van alle ouderlijke verantwoordelijkheden aan de ene ouder gepaard moet gaan met relevante compensatiemechanismen, zoals sociale bijstand en prioritaire toegang tot collectieve en individuele zorgvoorzieningen;

10. benadrukt dat het negeren van intiem partnergeweld bij beslissingen over voogdij- en bezoekrecht een nalatige schending van de mensenrechten vormt, zoals het recht op leven, het recht op een leven zonder geweld en het recht op een gezonde ontwikkeling van vrouwen en kinderen; dringt er krachtig op aan iedere vorm van geweld, waaronder het getuige zijn van geweld tegen een ouder of naaste, in de wet en de praktijk als een schending van de mensenrechten en van het belang van het kind aan te merken; is ernstig bezorgd over het aanhoudend grote aantal gevallen van feminicide in Europa, de meest extreme vorm van geweld tegen vrouwen; maakt zich zorgen over de ontoereikende bescherming die aan vrouwen geboden wordt, zoals blijkt uit het aantal feminicides en infanticides dat plaatsvindt nadat vrouwen aangifte hebben gedaan van gendergerelateerd geweld; wijst erop dat, in het belang van het kind, de ouder die van feminicide wordt beschuldigd systematisch en voor de gehele duur van de procedure uit zijn ouderlijk gezag moet worden ontheven; benadrukt verder dat kinderen moeten worden vrijgesteld van onderhoudsverplichtingen jegens een ouder die veroordeeld is wegens feminicide; verzoekt de lidstaten met klem ervoor te zorgen dat alle vrouwen die slachtoffer zijn van intiem partnergeweld, in al hun diversiteit en ongeacht hun status, adequate en kosteloze toegang tot de rechter en tot slachtofferhulp hebben, en waar nodig te zorgen voor vertolkingsdiensten; roept de lidstaten op ervoor te zorgen dat de diensten rekening houden met de meervoudige vormen van discriminatie waarmee vrouwen en kinderen te kampen hebben; verzoekt de lidstaten vrouwen die aangifte doen van gendergerelateerd geweld betere zorg, beter toezicht en betere bescherming te bieden; verzoekt de lidstaten ervoor te zorgen dat hulpdiensten een gecoördineerde aanpak hanteren bij het identificeren van vrouwen die gevaar lopen, zodat wordt gewaarborgd dat al deze maatregelen voor alle vrouwen en meisjes binnen hun rechtsgebied beschikbaar en toegankelijk zijn; benadrukt dat, nadat een dader op heterdaad is betrapt, het slachtoffer naar een veilige plaats moet worden gebracht en dat de kinderen tegen de dader moeten worden beschermd; wijst er bovendien op dat wanneer niet aan de wettelijke voorwaarden wordt voldaan, de vermeende dader desondanks onmiddellijk uit de woning van het slachtoffer moet worden gezet en afstand moet houden van de werkplek van het slachtoffer om het risico op verder geweld te voorkomen;

11. verzoekt de lidstaten systemen te ontwikkelen die het mogelijk maken dat derde personen en verenigingen het bezoek van de kinderen aan de gewelddadige ex-partner verzorgen, zodat moeders die het slachtoffer zijn van huiselijk geweld zo min mogelijk in contact hoeven te komen met hun ex-partner indien deze bezoek- of omgangsrechten heeft of het ouderlijk gezag deelt; is van mening dat vrouwen gebruik moeten kunnen maken van dergelijke mechanismen zodra zij aangifte hebben gedaan van huiselijk geweld; is van mening dat deze taak specifieke vaardigheden vergt en dat de personen die verantwoordelijk zijn voor de begeleiding van de kinderen een gepaste opleiding moeten krijgen; is van oordeel dat het beheer van deze mechanismen in handen van gespecialiseerde verenigingen en instellingen moet zijn;

12. maakt zich zorgen over de enorme verschillen tussen de lidstaten in de aanpak van gendergerelateerd geweld; uit zijn bezorgdheid over de situatie van vrouwen die slachtoffer zijn van gendergerelateerd geweld, maar in gebieden wonen waar weinig hulpverlening voorhanden is en waar het moeilijk is toegang te krijgen tot de rechter en openbare en juridische diensten om voor hun rechten op te komen; is bezorgd over het feit dat gespecialiseerde ondersteuningsdiensten niet in alle lidstaten in gelijke mate worden aangeboden; verzoekt de lidstaten te zorgen voor een adequate geografische dekking van gespecialiseerde ondersteuningsdiensten voor onmiddellijke, kortdurende en langdurende hulpverlening aan slachtoffers, ongeacht de verblijfsstatus van de vrouwen in kwestie of hun vermogen of bereidheid mee te werken aan de procedure tegen de vermoedelijke dader; verzoekt de lidstaten slachtoffers universele toegang te bieden tot juridische diensten en gepersonaliseerde diensten en maatregelen die afgestemd zijn op de context waarin intiem partnergeweld plaatsvindt in plattelandsgebieden; wijst op de noodzaak om netwerken te creëren van verschillende diensten en programma’s, zodat gendergerelateerd geweld tegen vrouwen in afgelegen en plattelandsgebieden succesvol kan worden bestreden; verzoekt de Commissie en de lidstaten de mogelijkheid te onderzoeken om voor dit doeleinde een EU-fonds op te zetten, met name fondsen voor regionale ontwikkeling;

13. is ingenomen met de EU-strategie inzake slachtofferrechten (2020-2025) waarin wordt ingegaan op de specifieke behoeften van slachtoffers van gendergerelateerd geweld, met name de specifieke aanpak van psychologisch geweld tegen vrouwen en de langetermijneffecten ervan op hun mentale gezondheid; verzoekt de Commissie, tijdens haar evaluatie van de richtlijn slachtofferrechten, de hiaten in de EU-wetgeving aan te pakken, na te gaan of het genderaspect van victimisatie naar behoren en doeltreffend in aanmerking wordt genomen, vooral met betrekking tot internationale normen inzake geweld tegen vrouwen, zoals die van het Verdrag van Istanbul, en de wetgeving inzake de rechten van slachtoffers en de bescherming en schadeloosstelling van slachtoffers naar behoren aan te scherpen; dringt erop aan door te gaan met de bevordering van slachtofferrechten, ook via bestaande instrumenten zoals het Europees beschermingsbevel; verzoekt de Commissie met klem ervoor te zorgen dat alle lidstaten de richtlijn slachtofferrechten omzetten in hun nationale wetgeving en deze volledig en accuraat ten uitvoer leggen, zodat slachtoffers van intiem partnergeweld volledige toegang krijgen tot diverse vormen van hulpverlening, waaronder zowel gespecialiseerde als algemene diensten, zoals de hulplijn 116 006 voor de slachtoffers van misdrijven;

14. beveelt de lidstaten aan alternatieve mechanismen te creëren voor slachtoffers die geen aangifte doen, zodat zij toch hun erkende rechten als slachtoffers van intiem partnergeweld, zoals hun sociale en arbeidsrechten, kunnen uitoefenen, bijvoorbeeld op basis van deskundigenrapporten van gespecialiseerde overheidsdiensten, waarin hun status van slachtoffer van gendergerelateerd geweld wordt bevestigd;

Bescherming en ondersteuning: toegang tot rechtsbescherming, noodwoningen en slachtofferfondsen

15. wijst op de essentiële rol van financiële steun aan slachtoffers die hen helpt financieel onafhankelijk te worden van hun gewelddadige partner; wijst erop dat de meeste vrouwen armer worden tijdens scheidings- en echtscheidingsprocedures, en dat sommige vrouwen hun aanspraak op een eerlijk aandeel en hun rechten opgeven uit angst om de voogdij te verliezen; verzoekt de lidstaten daarom speciale aandacht te besteden aan het risico dat slachtoffers van huiselijk geweld tijdens een scheidings- en echtscheidingsproces in een nog hachelijkere toestand belanden; benadrukt dat de economische belemmeringen die een vrouw ervan kunnen weerhouden aangifte te doen van het geweld waarvan zij het slachtoffer is geworden, moeten worden weggenomen; wijst erop dat een toereikend inkomen en economische onafhankelijkheid essentiële factoren zijn om vrouwen in staat te stellen uit schadelijke en gewelddadige relaties te stappen; verzoekt de lidstaten specifieke maatregelen door te voeren om economisch geweld tegen te gaan, het kapitaal en inkomen van slachtoffers van gendergerelateerd geweld te beschermen en te voorzien in een kader voor het nemen van snelle en doeltreffende beslissingen over alimentatie voor kinderen, teneinde de slachtoffers van gendergerelateerd geweld zelfredzamer te maken en hun financiële zekerheid en economische onafhankelijkheid te vergroten, zodat zij controle over hun eigen leven krijgen, mede door ondersteuning van vrouwelijke ondernemers en werknemers; verzoekt de Commissie en de lidstaten dergelijke onafhankelijkheid te bevorderen en te ondersteunen; is ingenomen met het voorstel voor een richtlijn betreffende toereikende minimumlonen[25] en het voorstel betreffende bindende maatregelen voor beloningstransparantie[26]; wijst op het belang van de uitvoering van de richtlijn betreffende het evenwicht tussen werk en privéleven[27], die met name van cruciaal belang is voor alleenstaande ouders, door hen oplossingen te bieden voor hun specifieke arbeidssituatie en hun zorgtaken, door er bijvoorbeeld voor te zorgen dat er toegankelijke en geschikte opvangvoorzieningen tot hun beschikking staan; verzoekt de lidstaten te zorgen voor passende financiële steun en compensatiemechanismen voor slachtoffers en een mechanisme op te zetten om de uitvoering en doeltreffendheid van de maatregelen voor het voorkomen van economisch geweld tegen vrouwen te coördineren, te monitoren en regelmatig te beoordelen;

16. verzoekt de lidstaten volledige toegang tot voldoende rechtsbescherming, doeltreffende hoorzittingen en gerechtelijke bevelen, opvang en advies, alsook slachtofferfondsen en financiële ondersteuningsprogramma’s te bevorderen en te waarborgen voor vrouwen die het slachtoffer zijn van intiem partnergeweld; verzoekt de lidstaten te waarborgen dat aan moeders die slachtoffer zijn van huiselijk geweld, en hun kinderen, bijstand wordt verleend in de vorm van maatschappelijke, educatieve en financiële steun, bijvoorbeeld uit slachtofferfondsen voor vrouwen die het slachtoffer zijn van huiselijk geweld, zodat deze moeders over de noodzakelijke middelen beschikken om voor hun kinderen te zorgen en te voorkomen dat zij de voogdij verliezen; verzoekt de lidstaten specifieke procedures toe te passen op basis van gemeenschappelijke minimumnormen en steun te verlenen aan slachtoffers van huiselijk geweld, om te voorkomen dat zij opnieuw slachtoffer worden ten gevolge van gedeelde voogdij of door het volledige verlies van de voogdij over hun kinderen; verzoekt de lidstaten ervoor te zorgen dat de gerechtskosten van de slachtoffers van huiselijk geweld worden gedekt indien zij over onvoldoende middelen beschikken en te waarborgen dat zij worden bijgestaan door advocaten die gespecialiseerd zijn in huiselijk geweld; verzoekt de Commissie onderzoek te doen naar de vaststelling van minimumnormen voor beschermingsbevelen in de hele Unie; verzoekt de lidstaten te waarborgen dat slachtoffers van intiem partnergeweld tijdens alle fasen van hun gerechtelijke procedures toegang hebben tot psychologische bijstand en begeleiding;

17. betreurt het gebrek aan geschikte noodopvang en tijdelijke opvangmogelijkheden voor slachtoffers van intiem partnergeweld en hun kinderen; verzoekt de lidstaten centra voor noodopvang te openen die specifiek bestemd zijn voor gevallen van intiem partnergeweld en altijd toegankelijk zijn, teneinde de opvang- en beschermingsdiensten voor vrouwen die het slachtoffer zijn van huiselijk geweld en voor de kinderen die daarbij betrokken zijn, uit te breiden, te verbeteren en adequaat te maken; verzoekt de Commissie en de lidstaten geschikte middelen toe te wijzen aan de bevoegde autoriteiten, onder meer via projecten, en dringt aan op financiering voor de oprichting en uitbreiding van opvangcentra, alsook andere geschikte maatregelen, zodat vrouwelijke slachtoffers van geweld in alle vertrouwelijkheid in een veilige schuilplaats in de nabije omgeving kunnen worden opgevangen;

18. betreurt dat vrouwen geconfronteerd worden met een gebrek aan geschikte sociale, medische en psychologische bijstand; roept de lidstaten ertoe op de verlening van doeltreffende, toegankelijke, universele en kwalitatieve medische en psychologische ondersteuning te waarborgen voor slachtoffers van gendergerelateerd geweld, met inbegrip van de verlening van diensten op het gebied van seksuele en reproductieve gezondheid, in het bijzonder in tijden van crisis, wanneer dergelijke ondersteuning als essentieel moet worden beschouwd, bijvoorbeeld door te investeren in telegeneeskunde om de voortzetting van de medische dienstverlening te waarborgen;

19. verzoekt de lidstaten patiëntgerichte medische zorg te bieden die het mogelijk maakt huiselijk geweld in een vroeg stadium vast te stellen, en om professionele therapeutische behandeling te organiseren alsook huisvestingsprogramma’s en juridische diensten voor slachtoffers op te zetten, zodat de gevolgen van intiem partnergeweld aanzienlijk kunnen worden beperkt en verder geweld kan worden voorkomen;

20. verzoekt de lidstaten virtuele mogelijkheden te onderzoeken om slachtoffers van geweld te helpen, onder meer op het gebied van geestelijke gezondheid en begeleiding, met aandacht voor de bestaande ongelijkheden in de toegang tot diensten op het gebied van informatietechnologie;

21. juicht reeds bestaande goede praktijken in sommige lidstaten voor het voorkomen van verder geweld toe, zoals het opnemen van de telefoonnummers van slachtoffers in speciale lijsten die verband houden met stalking en intiem partnergeweld, zodat toekomstige noodoproepen met deze nummers absolute prioriteit krijgen en doeltreffend ingrijpen door de politie makkelijker wordt gemaakt;

Bescherming van en steun voor kinderen

22. benadrukt dat het belangrijk is om op EU-niveau gemeenschappelijke juridische definities en minimumnormen vast te stellen voor de bestrijding van gendergerelateerd geweld en voor de bescherming van kinderen die het slachtoffer zijn van gendergerelateerd geweld, aangezien intiem partnergeweld, het getuige zijn van geweldpleging en plaatsvervangend geweld in veel rechtsstelsels niet worden erkend; wijst erop dat kinderen die in hun gezinsomgeving getuige zijn van geweld niet als slachtoffers van gendergerelateerd geweld worden erkend, hetgeen rechtstreekse gevolgen heeft voor de verzameling van gegevens bij politiële en justitiële diensten en voor grensoverschrijdende samenwerking; wijst erop dat kinderen die getuige zijn van intiem partnergeweld of te lijden hebben onder plaatsvervangend geweld, in strafrechtelijke en onderzoeksprocedures de status van slachtoffer van gendergerelateerd geweld moeten krijgen, zodat zij betere rechtsbescherming en passende bijstand kunnen genieten; beveelt daarom aan systematische, met name psychologische, follow-upprocedures op te stellen voor kinderen die slachtoffer of getuige zijn van huiselijk geweld, teneinde de door deze situatie veroorzaakte verstoringen in hun leven op te vangen en te voorkomen dat zij dit geweld als volwassene herhalen; verzoekt de lidstaten ook specifieke bepalingen in te voeren inzake het zogenoemde getuige van geweldpleging zijn, met inbegrip van bepalingen voor specifieke verzwarende omstandigheden;

23. verzoekt de lidstaten een jaarlijkse campagne te houden om kinderen op de hoogte te brengen en andere burgers bewust te maken van de rechten van kinderen; verzoekt de lidstaten specifieke centra op te richten voor de hulpverlening aan kinderen die het slachtoffer van geweld zijn, met inbegrip van kinderartsen en therapeuten die gespecialiseerd zijn in gendergerelateerd geweld; verzoekt de lidstaten contactpunten voor kinderen op te zetten die gemakkelijk bereikbaar zijn, ook per telefoon, e-mail, onlinechats enz., waar zij kunnen praten en vragen kunnen stellen over geweld tegen henzelf, gezins- of familieleden, aangifte kunnen doen, alsook informatie of advies kunnen krijgen of kunnen worden doorverwezen naar een andere organisatie voor verdere hulp;

24. wijst erop dat het kind vooral de kans moet krijgen om te worden gehoord, hetgeen van cruciaal belang is om bij de behandeling van voogdij- en pleegzorgzaken vast te kunnen stellen wat in het belang van het kind is, in overeenstemming met de leeftijd en rijpheid van het kind; wijst erop dat dergelijke hoorzittingen in alle gevallen, maar vooral wanneer wordt vermoed dat er sprake is van intiem partnergeweld, in een kindvriendelijke omgeving moeten worden gehouden door opgeleide beroepsbeoefenaars, zoals artsen en psychologen, met inbegrip van beroepsbeoefenaars die gekwalificeerd zijn in kinderneuropsychiatrie, teneinde het effect van vertrouwen in anderen op de harmonische ontwikkeling van het kind te analyseren en te voorkomen dat het trauma en de victimisatie nog erger worden; dringt aan op de vaststelling van Europese minimumnormen betreffende de wijze waarop deze hoorzittingen moeten plaatsvinden; wijst erop dat het belangrijk is een bestendig hoog niveau van psychologische bijstand, psychiatrische zorg en sociale begeleiding voor slachtoffers en hun kinderen te waarborgen gedurende het volledige herstelproces na misbruik;

25. wijst op de noodzaak van speciale hulpverlening en specifieke procedures en normen voor gevallen waarin het slachtoffer of het betrokken kind een handicap heeft of tot een bijzonder kwetsbare groep behoort;

26. is ermee ingenomen dat de Commissie een brede strategie voorstelt voor het beschermen van kwetsbare kinderen en het bevorderen van een kindvriendelijke justitie; onderstreept de noodzaak om de rechten van de kwetsbaarste kinderen te beschermen, met speciale aandacht voor kinderen met een handicap, de preventie en bestrijding van geweld en de bevordering van een kindvriendelijke justitie; dringt aan op een snelle en volledige uitvoering van deze strategie door alle lidstaten; dringt er bij de Commissie en de lidstaten op aan concrete maatregelen te nemen om seksueel misbruik en seksuele uitbuiting van kinderen te bestrijden door te investeren in preventieve maatregelen en behandelingsprogramma’s gericht op het voorkomen van recidive, met effectievere steun voor slachtoffers, en door te zorgen voor betere samenwerking tussen rechtshandhavingsinstanties en maatschappelijke organisaties; wijst erop dat in verdachte gevallen van kindermisbruik meteen tot actie moet worden overgegaan, zodat de veiligheid van het kind wordt gewaarborgd en verder of potentieel geweld wordt voorkomen, waarbij het recht van het kind om tijdens het hele proces te worden gehoord, wordt gehandhaafd; is van oordeel dat dergelijke maatregelen een onmiddellijke risicobeoordeling en bescherming moeten omvatten, met een brede waaier aan doeltreffende maatregelen, zoals voorlopige maatregelen of beschermings- of dwangbevelen zolang de feiten worden onderzocht; herinnert eraan dat in alle procedures waarbij kinderen slachtoffers van geweld zijn het beginsel van snelheid moet worden toegepast; benadrukt dat rechtbanken die gevallen van kindermishandeling behandelen ook gespecialiseerd moeten zijn in gendergerelateerd geweld;

27. dringt er bij de Commissie en de lidstaten op aan concrete maatregelen te nemen om een einde te maken aan seksueel misbruik van kinderen door te investeren in preventieve maatregelen, door specifieke programma’s op te zetten voor mogelijke daders en door te voorzien in een meer doeltreffende ondersteuning van slachtoffers; verzoekt de lidstaten de samenwerking tussen rechtshandhavingsinstanties en maatschappelijke organisaties voor de bestrijding van seksueel misbruik en seksuele uitbuiting van kinderen te versterken;

28. wijst erop dat geweld tegen kinderen ook verband kan houden met gendergerelateerd geweld, hetzij omdat zij getuige zijn van geweld tegen de moeder, hetzij omdat zij zelf het slachtoffer zijn van mishandeling, wanneer dit een indirect middel is om macht uit te oefenen over en psychologisch geweld te gebruiken tegen de moeder; merkt op dat ondersteuningsprogramma’s voor kinderen die worden blootgesteld aan huiselijk geweld cruciaal zijn om schade op lange termijn te beperken; verzoekt de lidstaten te blijven werken aan innovatieve programma’s om in de behoeften van deze kinderen te voorzien, bijvoorbeeld door dienstverleners die met kinderen werken te leren om signalen vroegtijdig te herkennen, om gepaste respons en ondersteuning te bieden en effectieve psychologische bijstand te verlenen aan kinderen tijdens straf- en civielrechtelijke procedures waarbij zij betrokken zijn; beveelt de lidstaten ten zeerste aan systematische procedures in te voeren voor kinderen die slachtoffer of getuige zijn van huiselijk geweld, met inbegrip van psychologische ondersteuning, teneinde de door deze situatie veroorzaakte verstoringen in hun leven op te vangen en te voorkomen dat zij dit geweld als volwassene herhalen;

Preventie: opleiding van beroepsbeoefenaars

29. dringt aan op voortdurende, doeltreffende capaciteitsopbouw en verplichte gerichte opleiding voor beroepsbeoefenaars die zaken behandelen met betrekking tot gendergerelateerd geweld, kindermishandeling, en, in het algemeen, alle vormen van huiselijk geweld en de mechanismen ervan, met inbegrip van manipulatie, psychologisch geweld en dwingende controle; benadrukt dat deze opleiding daarom bestemd moet zijn voor de rechterlijke macht, rechtshandhavers, gespecialiseerde beoefenaars van juridische beroepen, forensisch-medisch personeel, gezondheidswerkers, maatschappelijk werkers, leerkrachten en kinderverzorgers, alsook voor overheidspersoneel dat op deze gebieden werkzaam is; dringt erop aan dat in deze opleiding ook het belang wordt beklemtoond van intiem partnergeweld voor de rechten van kinderen en voor hun bescherming en welzijn; pleit ervoor dat de beroepsbeoefenaars hun kennis over en begrip van de huidige beschermingsmaatregelen, de veiligheidsaspecten, de gevolgen van de misdrijven, de behoeften van de slachtoffers en de manier waarop moet worden ingespeeld op deze behoeften via deze opleiding verbeteren, en dat hun geschikte vaardigheden worden bijgebracht, zodat ze beter met slachtoffers kunnen communiceren en hen beter kunnen ondersteunen; bepleit dat ze via deze opleiding de situatie met behulp van betrouwbare risicobeoordelingsinstrumenten kunnen beoordelen en tekenen van misbruik kunnen herkennen; wijst op de noodzaak om de mechanismen te evalueren die door de betrokken beroepsbeoefenaars gebruikt worden voor het opsporen van deze tekenen; dringt erop aan dat bij deze opleiding prioriteit wordt gegeven aan de behoeften en zorgen van slachtoffers en dat wordt erkend dat geweld tegen vrouwen en huiselijk geweld moeten worden aangepakt met behulp van een specifieke, genderbewuste en op mensenrechten gebaseerde aanpak, waarbij regionale, nationale en internationale normen en maatregelen worden nageleefd; verzoekt de EU en haar lidstaten om die opleidingen te ontwikkelen en te financieren; wijst in dit verband op het belang van het Europees netwerk voor justitiële opleiding; benadrukt dat maatschappelijke en openbare organisaties die met en voor kinderen en slachtoffers van huiselijk en gendergerelateerd geweld werken, moeten worden gevraagd hun praktische kennis en ervaring tijdens deze opleidingen te delen of hier op zijn minst bij te worden betrokken; verzoekt de Commissie dergelijke opleidingen te faciliteren en te coördineren, met bijzondere aandacht voor grensoverschrijdende gevallen;

30. verzoekt de lidstaten ervoor te zorgen dat hun politiële en justitiële diensten naar behoren zijn gefinancierd, uitgerust en opgeleid om klachten over huiselijk geweld te behandelen en erop te reageren; betreurt dat de onderfinanciering en de bezuinigingen op deze diensten kunnen leiden tot procedurele gebreken, een gebrek aan informatie voor klagers over de voortgang van de procedures en excessieve vertragingen, die niet te verenigen zijn met de bescherming van de slachtoffers en hun herstel; benadrukt de belangrijke rol van sociale en psychologische hulpverleners bij de politie voor het bieden van concrete en menselijke steun aan de slachtoffers van huiselijk geweld; roept de lidstaten op alle verenigingen te voorzien van de noodzakelijke middelen, zodat vrouwen en kinderen die slachtoffer zijn van huiselijk geweld geholpen kunnen worden; verzoekt de Commissie en de lidstaten beter samen te werken bij de invoering van maatregelen, teneinde de identificatie van slachtoffers van huiselijk geweld en intiem partnergeweld te verbeteren en slachtoffers en getuigen van geweld mondiger maken om naar buiten te treden en aangifte te doen, aangezien dit bij intiem partnergeweld in veel gevallen niet gebeurt;

31. verzoekt de Commissie en het Europees justitieel netwerk een EU-platform op te zetten voor wederzijds leren en het uitwisselen van beste praktijken tussen rechtsbeoefenaars en beleidsmakers uit verschillende lidstaten die werkzaam zijn op alle relevante gebieden;

32. beveelt ten zeerste aan dat de lidstaten gespecialiseerde rechtbanken of afdelingen oprichten, en ook voorzien in passende wetgeving, opleiding, procedures en richtsnoeren voor alle beroepsbeoefenaars die met slachtoffers van intiem partnergeweld te maken hebben, met inbegrip van bewustmaking van gendergerelateerd geweld en genderstereotypen, om discrepanties tussen rechterlijke beslissingen en discriminatie of secundaire victimisatie tijdens gerechtelijke, medische, politiële, kinderbeschermings- en voogdijprocedures te voorkomen, om ervoor te zorgen dat kinderen en vrouwen naar behoren worden gehoord, dat voorrang wordt gegeven aan hun bescherming en dat zij schadevergoeding krijgen; benadrukt de noodzaak om specifieke rechtbanken of afdelingen en een kind- en vrouwslachtoffervriendelijke justitie te versterken, en om geïntegreerde teams voor de beoordeling van gendergerelateerd geweld op te zetten, bestaande uit forensische artsen, psychologen en maatschappelijk werkers die zullen samenwerken met de overheidsdiensten die gespecialiseerd zijn in gendergerelateerd geweld en belast zijn met de verlening van bijstand aan slachtoffers; benadrukt dat het belangrijk is om juridische beschermingsmaatregelen ten volle toe te passen voor de bescherming van vrouwen en kinderen tegen geweld en dat dergelijke maatregelen niet mogen worden beperkt op grond van ouderlijke rechten; dringt erop aan beslissingen over gedeelde voogdij uit te stellen, totdat klachten over intiem partnergeweld naar behoren zijn onderzocht en er een risicobeoordeling is uitgevoerd;

33. benadrukt dat de onderlinge verwevenheid van strafrechtelijke, civiele en andere gerechtelijke procedures moet worden erkend om de justitiële en andere juridische maatregelen naar aanleiding van intiem partnergeweld te coördineren en stelt de lidstaten daarom voor maatregelen vast te stellen om civiele en strafzaken die betrekking hebben op hetzelfde gezin aan elkaar te koppelen, opdat nadelige discrepanties tussen rechterlijke en andere juridische beslissingen effectief kunnen worden voorkomen wanneer de slachtoffers kinderen en vrouwen zijn; betreurt het gebrek aan voorlopige maatregelen om slachtoffers te beschermen en het gebrek aan tijdelijke mechanismen om de gewelddadige ouder gedurende gerechtelijke procedures, die doorgaans enkele jaren duren, uit het ouderlijk gezag te ontheffen; verzoekt de lidstaten om die beschermende maatregelen te ontwikkelen en uit te proberen; verzoekt de lidstaten in dit verband om opleidingen te organiseren voor alle betrokken beroepsbeoefenaars, alsook voor eventuele betrokken vrijwilligers, en om maatschappelijke organisaties die met en voor kinderen en slachtoffers werken bij deze opleidingscursussen te betrekken; verzoekt de bevoegde nationale autoriteiten de coördinatie tussen de rechtbanken te verbeteren door contacten tussen de parketten te bevorderen, zodat kwesties inzake ouderlijke verantwoordelijkheid met spoed kunnen worden opgelost, en zodat familierechtbanken bij de vaststelling van voogdij- en bezoekrechten rekening kunnen houden met alle kwesties in verband met gendergerelateerd geweld tegen vrouwen;

34. verzoekt de lidstaten een platform op te zetten voor de regelmatige uitwisseling van beste praktijken tussen civiel- en strafrechtelijke rechtbanken, rechtsbeoefenaars die gevallen van huiselijk en gendergerelateerd geweld, kindermishandeling en scheidings- en voogdijzaken behandelen, en alle andere relevante belanghebbenden;

35. verzoekt de Commissie en de lidstaten om relevante maatschappelijke organisaties, in het bijzonder degene die met en voor kinderen en slachtoffers van huiselijk en gendergerelateerd geweld werken, te betrekken bij de ontwikkeling, uitvoering en evaluatie van beleid en wetgeving; pleit ervoor deze maatschappelijke organisaties op EU-, nationaal en lokaal niveau structureel te ondersteunen, ook financieel, ter vergroting van hun vermogen om slachtoffers bijstand te verlenen en hun belangen te behartigen, alsook om ervoor te zorgen dat iedereen toegang heeft tot hun diensten, met inbegrip van advies en ondersteuning;

36. herhaalt dat het volledig achter de vergroting staat van de capaciteit van de dienstverleners in de verschillende sectoren (justitie, rechtshandhaving, gezondheidszorg en sociale diensten) voor het bijhouden van de gegevens en databanken; verzoekt de lidstaten om nationale richtsnoeren en goede praktijken vast te stellen, alsook om voorlichtingscursussen over intiem partnergeweld te geven aan het personeel op alle niveaus van de eerstelijnsdienstverlening, wat essentieel is om vrouwen die bescherming zoeken gepaste begeleiding te geven; verzoekt de lidstaten toezicht te houden op de dienstverlening in de verschillende sectoren en de noodzakelijke budgetten vast te stellen die aansluiten bij de behoeften;

37. beveelt de nationale autoriteiten aan om, ter ondersteuning van kinder- en vrouwenrechten, met name richtsnoeren op te stellen voor en te verspreiden onder beroepsbeoefenaars die betrokken zijn bij gevallen van intiem partnergeweld en voogdijzaken, waarbij rekening wordt gehouden met risicofactoren (met betrekking tot kinderen of gezinsleden, de omgeving, de maatschappij of recidiverend geweld), zodat intiem partnergeweld kan worden beoordeeld;

38. merkt op dat dergelijke richtsnoeren gezondheidswerkers moeten helpen om in hun beroepsomgeving het publiek bewust te maken van de aanzienlijke gevolgen van geweld tegen vrouwen, met inbegrip van intiem partnergeweld, voor de geestelijke gezondheid van vrouwen;

39. benadrukt het belang in deze procedures van de rol van alle relevante forensische deskundigen en beroepsbeoefenaars, zoals artsen, forensisch-klinische psychologen en maatschappelijk werkers die forensische en psychologische expertise verstrekken, niet alleen voor vrouwen die het slachtoffer zijn van huiselijk geweld of misbruik, maar ook voor de getroffen kinderen, met name wanneer de omgeving waarin zij leven niet geschikt is om hun gezondheid, waardigheid, emotioneel evenwicht en levenskwaliteit te beschermen; herinnert er daarom aan dat de betrokken forensische deskundigen en beroepsbeoefenaars onder meer moeten kunnen profiteren van richtsnoeren die gebaseerd zijn op een reeks gegevens, ervaringen en goede praktijken op EU-niveau; merkt op dat forensische artsen door hun specifieke technische en medische kennis vanuit juridisch oogpunt de meest geschikte beroepsbeoefenaars zijn om specialisten (zoals kinderartsen, gynaecologen en psychologen) bij hun werk te ondersteunen, aangezien zij de juiste opleiding gevolgd hebben en beschikken over de vakbekwaamheid om tekenen van geweld te herkennen en, indien daar aanleiding toe is, de meldingsplicht na te komen en contact te onderhouden met justitiële autoriteiten;

40. herinnert aan de bepalingen van de richtlijn slachtofferrechten; wijst erop dat vrouwelijke slachtoffers van gendergerelateerd geweld, en hun kinderen, vaak behoefte hebben aan bijzondere ondersteuning en bescherming in verband met het hoge risico van secundaire en herhaalde slachtoffervorming, van intimidatie en van vergelding in verband met dergelijk geweld; vraagt daarom aandacht te besteden aan de neiging om het slachtoffer de schuld te geven, een attitude die zich zelfs voordoet onder beroepsbeoefenaars in het strafrechtelijk systeem; dringt erop aan institutioneel geweld te erkennen en de kop in te drukken, met inbegrip van alle handelingen en nalatigheden van de autoriteiten en ambtenaren die de toegang tot betreffende overheidsdiensten of de uitoefening van de rechten van slachtoffers willen vertragen, belemmeren of voorkomen, met passende sancties en maatregelen om ervoor te zorgen dat de slachtoffers worden beschermd en schadeloosgesteld; wijst op het fundamentele belang van de beschikbaarheid van opleidingen, procedures en richtsnoeren voor alle beroepsbeoefenaars die met slachtoffers werken voor het vaststellen van tekenen van intiem partnergeweld, zelfs wanneer slachtoffers geen expliciete klachten hebben ingediend; stelt voor dat in deze richtsnoeren maatregelen worden opgenomen ter bevordering van veilige, respectvolle en niet op schuldgevoel gebaseerde behandelingsprogramma’s voor vrouwen die het slachtoffer zijn geworden van geweld, met inbegrip van intiem partnergeweld, en ter verspreiding van de beste behandelingen voor deze vrouwen en hun kinderen; verzoekt de Commissie en de lidstaten oplossingen te zoeken voor het probleem van anonieme aangiften en ingetrokken aangiften door te zorgen voor doeltreffende en snelle procedures ter bescherming van slachtoffers en door ervoor te zorgen dat gewelddadige partners ter verantwoording worden geroepen; pleit voor het opzetten van rechtshandhavingsdatabanken waarin alle verklaringen betreffende intiem partnergeweld (afgelegd door het slachtoffer of een derde) worden bijgehouden, teneinde verdere episoden van geweld te monitoren en te voorkomen; pleit voor meer maatschappelijke voorlichting en bewustmaking, alsook voor meer opleiding en onderwijs over intiem partnergeweld voor sociale en politiediensten in afgelegen en plattelandsgebieden, waarbij de nadruk moet liggen op het belang van onderwijs om kinderen te informeren en te ondersteunen, alsook op programma’s voor conflictoplossing, positieve rolmodellen en coöperatief spel;

Preventie: aanpakken van genderstereotypen en -vooroordelen – onderwijs en bewustmaking

41. uit zijn bezorgdheid over het feit dat genderstereotypen en -vooroordelen leiden tot ontoereikende reacties op gendergerelateerd geweld tegen vrouwen en tot een gebrek aan vertrouwen in vrouwen, met name in verband met vermeende valse beschuldigingen van kindermisbruik en huiselijk geweld; maakt zich ook zorgen over het gebrek aan specifieke opleiding voor rechters, aanklagers en rechtsbeoefenaars; benadrukt het belang van maatregelen die gericht zijn op de bestrijding van genderstereotypen en patriarchale vooroordelen door middel van onderwijs en bewustmakingscampagnes; verzoekt de lidstaten om de cultuur die de standpunten van vrouwen minacht te bewaken en te bestrijden; veroordeelt het gebruik, de aanvoering en aanvaarding van niet-wetenschappelijke theorieën en concepten in voogdijzaken die moeders benadelen die aangifte willen doen van gevallen van kindermisbruik of gendergerelateerd geweld door hen te beletten de voogdij over hun kinderen te krijgen of door hun ouderlijke rechten in te perken; benadrukt dat het zogenaamde “ouderverstotingssyndroom” en soortgelijke concepten en termen, die doorgaans gebaseerd zijn op genderstereotypen, in het nadeel kunnen werken van vrouwelijke slachtoffers van intiem partnergeweld door moeders ervan te beschuldigen dat het kind zijn vader “verstoot”, waardoor de vaardigheden van het slachtoffer als ouder in twijfel worden getrokken, geen acht wordt geslagen op de getuigenissen van het kind en op de risico’s op geweld waaraan de kinderen worden blootgesteld, en de rechten en de veiligheid van de moeder en de kinderen in gevaar worden gebracht; roept de lidstaten op het ouderverstotingssyndroom niet te erkennen in hun jurisprudentie en wetgeving, en het gebruik ervan in gerechtelijke procedures te ontmoedigen of zelfs te verbieden, met name tijdens onderzoeken om het bestaan van geweld vast te stellen;

42. wijst op het belang van voorlichtingscampagnes die getuigen (met name buren en collega’s) in staat stellen om tekenen van intiem partnergeweld te herkennen (in het bijzonder niet-lichamelijk geweld) en hun adviezen bieden over hoe zij de slachtoffers kunnen ondersteunen en helpen; verzoekt de Commissie en de lidstaten om bewustmakings-, informatie- en voorlichtingscampagnes te bevorderen ter bestrijding van gendervooroordelen en -stereotypen, alsook van alle vormen van huiselijk en gendergerelateerd geweld, zoals fysiek geweld, seksuele intimidatie, cybergeweld, psychologisch geweld en seksuele uitbuiting, in het bijzonder met betrekking tot nieuwe preventiemaatregelen en flexibele waarschuwingssystemen, en om rapportage aan te moedigen over de coördinatie van en samenwerking met erkende en gespecialiseerde vrouwenorganisaties; wijst erop dat het belangrijk is alle openbare structuren actief te betrekken bij het voeren van bewustmakingscampagnes;

43. benadrukt dat de daadwerkelijke bestraffing van daders essentieel is, zowel om verder geweld af te schrikken als om het vertrouwen in overheidsinstanties te versterken, met name onder de slachtoffers; wijst erop dat gevangenisstraf op zich niet voldoende is om toekomstig geweld te voorkomen en dat specifieke reclasserings- en heropvoedingsprogramma’s ook noodzakelijk zijn; verzoekt de lidstaten, zoals bepaald in artikel 16 van het Verdrag van Istanbul, de wetgevende of andere maatregelen te nemen die nodig zijn voor het opzetten of ondersteunen van programma’s om plegers van huiselijk geweld niet-gewelddadig gedrag in hun interpersoonlijke relaties aan te leren, teneinde verder geweld te voorkomen en gewelddadige gedragspatronen te veranderen; wijst erop dat de lidstaten er daarbij op toe moeten zien dat de veiligheid, ondersteuning en mensenrechten van de slachtoffers de eerste prioriteit zijn en dat deze programma’s, waar passend, in nauwe samenwerking met in slachtofferhulp gespecialiseerde instanties worden opgezet en uitgevoerd; wijst erop dat onderwijs essentieel is om gendergerelateerd geweld, en in het bijzonder intiem partnergeweld, uit te bannen; verzoekt de lidstaten, in lijn met de strategie voor gendergelijkheid 2020-2025, in officiële leerplannen en op alle onderwijsniveaus preventieprogramma’s aan te bieden waarin onder andere onderwijs wordt gegeven over de gelijkheid van vrouwen en mannen, wederzijds respect, geweldloze conflictoplossing in interpersoonlijke relaties, gendergerelateerd geweld tegen vrouwen, het recht op persoonlijke integriteit en op de leeftijd en het leervermogen afgestemde seksuele voorlichting; benadrukt dat aan de leeftijd aangepaste uitgebreide voorlichting over relaties en seksualiteit essentieel is om kinderen te beschermen tegen geweld en hun de vaardigheden te bieden die zij nodig hebben om veilige relaties op te bouwen, vrij van seksueel, gendergerelateerd en intiem partnergeweld; verzoekt de Commissie om steun te verlenen aan programma’s die gericht zijn op het voorkomen van gendergerelateerd geweld, onder meer door middel van het Daphne-onderdeel van het programma Burgers, gelijkheid, rechten en waarden, teneinde de doeltreffendheid van de preventieve maatregelen te waarborgen;

44. verzoekt de lidstaten om maatregelen aan te moedigen waarmee de ingebakken vooroordelen die nog altijd aan de genderzorgkloof ten grondslag liggen, worden weggewerkt;

45. wijst erop dat in strategieën ter voorkoming van intiem partnergeweld maatregelen moeten zijn opgenomen om de blootstelling aan geweld tijdens de kindertijd te verminderen, om de vaardigheden aan te leren voor het opbouwen van veilige en gezonde relaties en om sociale normen aan de kaak te stellen die dominant en autoritair gedrag van mannen ten aanzien van vrouwen, of andere vormen van seksistisch gedrag, in de hand werken;

46. verzoekt de Commissie om EU-brede bewustmakings- en onderwijscampagnes en de uitwisseling van beste praktijken te bevorderen als een noodzakelijke maatregel om huiselijk en gendergerelateerd geweld te voorkomen en om een klimaat van nultolerantie ten aanzien van geweld tot stand te brengen en een veiligere omgeving voor slachtoffers te creëren; wijst op de strategische rol van de media in dit verband; wijst er evenwel op dat in sommige lidstaten feminicide en gevallen van gendergerelateerd geweld nog steeds zo worden afgeschilderd dat de gewelddadige partner niet voor zijn daden verantwoordelijk wordt gesteld; wijst erop dat de media en de reclamewereld geen vrouwonvriendelijke en seksistische boodschappen mogen verspreiden, ook niet in een poging om geweld en de verantwoordelijkheden van gewelddadige partners te rechtvaardigen, te legitimeren of te bagatelliseren; is van mening dat huiselijk geweld ook voortkomt uit een genderstereotiepe benadering van het ouderschap; verzoekt de Commissie en de lidstaten daarom genderstereotypen de kop in te drukken en gendergelijkheid in ouderlijke verantwoordelijkheden te bevorderen, waarbij de ouderlijke taken eerlijk worden verdeeld en ervoor wordt gezorgd dat vrouwen niet een ondergeschikte rol krijgen toebedeeld; verzoekt de Commissie op EU-niveau de uitwisseling van beste praktijken met betrekking tot het preventie-, beschermings- en vervolgingsbeleid te stimuleren, alsook de uitwisseling van de beste praktische toepassingen daarvan; verzoekt de lidstaten deze EU-campagne aan te vullen door informatie te verspreiden over waar slachtoffers en getuigen aangifte van dit soort geweld kunnen doen, ook na afloop van de campagne, en daarbij, gezien de specifieke aard van de COVID-19-crisis, ook aandacht te besteden aan de gevolgen voor kinderen; verzoekt de Commissie ondersteuning te bieden aan activiteiten op scholen en in andere settings om kinderen en degenen die met kinderen werken bewuster te maken van criminaliteit en trauma’s, hen te leren waar zij hulp kunnen krijgen, hoe zij problemen kunnen melden en hoe zij weerbaarheid kunnen opbouwen;

Samenwerking tussen de lidstaten, ook in grensoverschrijdende gevallen

47. benadrukt het belang van de uitwisseling van informatie tussen rechtbanken, centrale autoriteiten van de lidstaten en politiediensten, met name met betrekking tot grensoverschrijdende voogdijzaken; hoopt dat de herziene regels van Verordening (EU) 2019/1111 van de Raad van 25 juni 2019 betreffende de bevoegdheid, de erkenning en tenuitvoerlegging van beslissingen in huwelijkszaken en inzake de ouderlijke verantwoordelijkheid, en betreffende internationale kinderontvoering[28], de samenwerking tussen de rechtsstelsels zullen versterken om doeltreffend te kunnen bepalen wat de belangen van het kind zijn, ongeacht de huwelijkse staat van zijn ouders of de gezinssamenstelling, en die van de slachtoffers van intiem partnergeweld; wijst erop dat het van belang is dat forensische artsen of andere betrokken beroepsbeoefenaars de bevoegde nationale autoriteit informatie verstrekken over intiem partnergeweld, wanneer zij van oordeel zijn dat dit geweld het leven van het volwassen slachtoffer of van het kind in gevaar brengt en dat het slachtoffer niet in staat is zichzelf te beschermen tegen de dader die morele of economische druk uitoefent om de instemming van het volwassen slachtoffer te krijgen; verzoekt de Commissie en de lidstaten de handhaving en de doeltreffende uitvoering van de verordening Brussel II bis te waarborgen; betreurt in dit verband dat het bij de laatste herziening daarvan niet is gelukt het toepassingsgebied uit te breiden naar geregistreerde partnerschappen en ongehuwde paren; is van mening dat dit leidt tot discriminatie en potentieel gevaarlijke situaties voor slachtoffers en kinderen van geregistreerde partners en ongehuwde paren; herinnert eraan dat het toepassingsgebied en de doelstellingen van de verordening Brussel II bis zijn gebaseerd op het beginsel van niet-discriminatie op grond van nationaliteit tussen burgers van de Unie en op het beginsel van wederzijds vertrouwen van de lidstaten in elkaars rechtsstelsels; vraagt de Commissie uiterlijk in augustus 2024 verslag te doen aan het Parlement over de tenuitvoerlegging en de effecten van deze verordeningen, mede in verband met intiem partnergeweld en de toewijzing van het gezagsrecht;

48. wijst erop dat alle familiegeschillen diepgaande emotionele gevolgen hebben, maar dat grensoverschrijdende gevallen nog gevoeliger liggen en juridisch complexer zijn; benadrukt dat het publiek zich in hoge mate bewust moet zijn van complexe vraagstukken zoals grensoverschrijdende voogdijregelingen en alimentatieverplichtingen, met inbegrip van de noodzaak te zorgen voor duidelijkheid omtrent de rechten en verplichtingen van ouders en kinderen in elk land; wijst erop dat de lidstaten kunnen bijdragen tot de snellere afhandeling van dergelijke grensoverschrijdende familierechtszaken door binnen de nationale rechtbanken een systeem van gespecialiseerde kamers in te stellen, met inbegrip van eenheden die zich richten op gendergerelateerd geweld, bestaande uit forensisch-medisch personeel, psychologen en andere relevante beroepsbeoefenaars, en door samen te werken met overheidsdiensten die gespecialiseerd zijn in gendergerelateerd geweld en belast zijn met de verlening van bijstand aan slachtoffers; dringt erop aan specifieke aandacht te schenken aan de situatie van eenoudergezinnen en de grensoverschrijdende inning van alimentatie, aangezien de praktische uitvoering van de momenteel van kracht zijnde bepalingen – te weten Verordening (EG) nr. 4/2009 van de Raad van 18 december 2008 betreffende de bevoegdheid, het toepasselijke recht, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen, en de samenwerking op het gebied van onderhoudsverplichtingen en het VN-Verdrag betreffende de invordering van onderhoudsbijdragen in het buitenland – waarin de wettelijke voorschriften inzake de grensoverschrijdende inning van alimentatie zijn vastgelegd, problematisch blijft; benadrukt dat de rechtsinstrumenten voor de grensoverschrijdende inning van alimentatie moeten worden versterkt en dat er bovendien meer publieke bekendheid aan deze instrumenten moet worden gegeven; verzoekt de Commissie daarom nauw samen te werken met de lidstaten om praktische problemen te identificeren met betrekking tot de inning van alimentatie in grensoverschrijdende situaties en om hen te helpen bij de ontwikkeling van doeltreffende instrumenten voor het afdwingen van betalingsverplichtingen; benadrukt het belang van deze kwestie en de gevolgen ervan voor eenoudergezinnen, waaronder het risico op armoede;

49. spoort de lidstaten aan gegevens en tendensen te blijven analyseren op het gebied van de prevalentie en melding van alle vormen van gendergerelateerd en huiselijk geweld, evenals de gevolgen voor kinderen, zolang de lockdownmaatregelen gelden en in de periode onmiddellijk daarna;

50. verzoekt de Commissie en de lidstaten beter samen te werken om de slachtoffers van intiem partnergeweld genoeg mogelijkheden te bieden om naar buiten te treden en aangifte te doen, aangezien dit bij intiem partnergeweld in veel gevallen niet gebeurt; constateert de toezegging van de Commissie om een nieuwe EU-enquête over gendergerelateerd geweld uit te voeren, waarvan de resultaten in 2023 zullen worden gepresenteerd; verzoekt de Commissie en de lidstaten nauw samen te werken om voor de hele EU een permanent mechanisme tot stand te brengen waarmee op regelmatige basis geharmoniseerde, precieze, betrouwbare, vergelijkbare, hoogkwalitatieve en naar gender uitgesplitste gegevens kunnen worden verstrekt over de prevalentie, de oorzaken, de gevolgen voor vrouwen en kinderen en het beheer van intiem partnergeweld en voogdijrechten, en waarbij ten volle gebruik wordt gemaakt van de capaciteit en deskundigheid van het EIGE en Eurostat; herinnert eraan dat het verstrekken van nationale statistieken over gendergerelateerd geweld een actie is die in aanmerking komt voor financiering in het kader van het programma voor de interne markt voor 2021-2027; verzoekt de Commissie en de lidstaten ervoor te zorgen dat de gegevens onder meer worden uitgesplitst naar leeftijd, seksuele geaardheid, genderidentiteit, geslachtskenmerken, ras, etnische afkomst en gehandicaptenstatus om te waarborgen dat de ervaringen van vrouwen in al hun diversiteit worden vastgelegd; merkt op dat dit zal zorgen voor meer inzicht in de omvang en de oorzaken van het probleem, met name in de sociaal-economische groepen waarin gendergerelateerd geweld vaker voorkomt en andere bepalende factoren, alsook in de verschillende wetgevings- en beleidskaders in de lidstaten, die nauwkeurig kunnen worden onderzocht door middel van gedetailleerde vergelijkingen tussen landen voor het vaststellen van beleidskaders die van invloed zouden kunnen zijn op het vóórkomen van geweld; wijst daarnaast nadrukkelijk op het feit dat het belangrijk is dat de lidstaten statistieken vergaren over administratieve en juridische procedures betreffende de voogdij over kinderen waarbij intiem partnergeweld een rol speelt, en met name over de uitkomst van de vonnissen en de motivering van de beslissingen inzake voogdij- en bezoekrechten;

51. verzoekt de Commissie EU-brede bewustmakingscampagnes te bevorderen als een noodzakelijke maatregel om huiselijk geweld te voorkomen en een klimaat van nultolerantie ten aanzien van geweld tot stand te brengen;

°

° °

52. verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad en de Commissie.


 

MINDERHEIDSSTANDPUNT

ingediend overeenkomstig artikel 55, lid 4, van het Reglement

Andżelika Anna Możdżanowska, Margarita de la Pisa Carrión

 

 

Dit ontwerpverslag deugt juridisch noch formeel. Via dit verslag wordt gepoogd EU-wetgeving in te voeren over kwesties die onder de bevoegdheid van de lidstaten vallen, zoals gedeelde voogdij.

 

Het vormt een inbreuk op de nationale soevereiniteit doordat het de grenzen van hun bevoegdheden op het gebied van straf- en familierecht overschrijdt. In het kader hiervan moet worden benadrukt dat elke lidstaat het recht heeft zijn eigen regelgeving vast te stellen met betrekking tot de bescherming van slachtoffers van intiem geweld.

 

Bovendien is er geen sprake van wettelijk maar ideologisch taalgebruik, waarbij vage concepten als “feminicide” of “patriarchaat” worden gebruikt.

 

Het verslag vormt een schending van het beginsel van gelijkheid tussen mannen en vrouwen en is strijdig met het Handvest en de UVRM.

 

Er wordt voorgesteld in het geval van louter vermeend intiem partnergeweld de rechten van de vermeende agressor te beperken, zodat deze het recht op het vermoeden van onschuld en op een eerlijk proces wordt ontnomen. Dergelijke hypothesen werken de instrumentalisering van de rechterlijke macht in de hand en scheppen een uiterst gevaarlijk precedent.

 

In dit verslag wordt een verkeerd en negatief beeld van de moderne samenleving gegeven, waarin mannen worden gepresenteerd als potentiële agressors tegen vrouwen en/of kinderen.

 

Het verstoort de relatie tussen mannen, vrouwen, kinderen en het gezin zelf en biedt onvoldoende bescherming aan slachtoffers van intiem partnergeweld, ongeacht hun geslacht.

 

 

INFORMATIE OVER DE GOEDKEURING IN DE BEVOEGDE COMMISSIE

Datum goedkeuring

13.7.2021

 

 

 

Uitslag eindstemming

+:

–:

0:

43

3

4

Bij de eindstemming aanwezige leden

Isabella Adinolfi, Pascal Arimont, Simona Baldassarre, Gunnar Beck, Robert Biedroń, Vilija Blinkevičiūtė, Annika Bruna, Margarita de la Pisa Carrión, Rosa Estaràs Ferragut, Frances Fitzgerald, Cindy Franssen, Heléne Fritzon, Lina Gálvez Muñoz, Jean-Paul Garraud, Esteban González Pons, Christophe Hansen, Alice Kuhnke, Gilles Lebreton, Elżbieta Katarzyna Łukacijewska, Emmanuel Maurel, Karen Melchior, Andżelika Anna Możdżanowska, Maria Noichl, Pina Picierno, Sirpa Pietikäinen, Jiří Pospíšil, Samira Rafaela, Evelyn Regner, Diana Riba i Giner, Franco Roberti, Eugenia Rodríguez Palop, María Soraya Rodríguez Ramos, Marcos Ros Sempere, Christine Schneider, Sylwia Spurek, Raffaele Stancanelli, Jessica Stegrud, Hilde Vautmans, Adrián Vázquez Lázara, Elissavet Vozemberg-Vrionidi, Tiemo Wölken, Chrysoula Zacharopoulou, Javier Zarzalejos, Marco Zullo

Bij de eindstemming aanwezig vaste plaatsvervangers

Alessandra Basso, Brando Benifei, Lena Düpont, Elena Kountoura, Emmanuel Maurel, Luisa Regimenti, Susana Solís Pérez, Bettina Vollath

 


HOOFDELIJKE EINDSTEMMING IN DE BEVOEGDE COMMISSIE

43

+

PPE

Pascal Arimont, Lena Düpont, Rosa Estaràs Ferragut, Frances Fitzgerald, Cindy Franssen, Esteban González Pons, Elżbieta Katarzyna Łukacijewska, Sirpa Pietikäinen, Jiří Pospíšil, Luisa Regimenti, Elissavet Vozemberg-Vrionidi, Javier Zarzalejos

S&D

Brando Benifei, Robert Biedroń, Vilija Blinkevičiūtė, Heléne Fritzon, Lina Gálvez Muñoz, Maria Noichl, Pina Picierno, Evelyn Regner, Franco Roberti, Marcos Ros Sempere, Tiemo Wölken

Renew

Karen Melchior, Samira Rafaela, María Soraya Rodríguez Ramos, Susana Solís Pérez, Hilde Vautmans, Adrián Vázquez Lázara, Chrysoula Zacharopoulou, Marco Zullo

ID

Simona Baldassarre, Annika Bruna, Jean-Paul Garraud, Gilles Lebreton

Verts/ALE

Alice Kuhnke, Sergey Lagodinsky, Kira Marie Peter-Hansen, Diana Riba i Giner, Sylwia Spurek

The Left

Elena Kountoura, Emmanuel Maurel, Eugenia Rodríguez Palop

 

3

-

ECR

Andżelika Anna Możdżanowska, Margarita de la Pisa Carrión

ID

Gunnar Beck

 

4

0

ECR

Raffaele Stancanelli, Jessica Stegrud

PPE

Isabella Adinolfi, Christine Schneider

 

Verklaring van de gebruikte tekens:

+ : voor

- : tegen

0 : onthouding

 

 

[1] PB L 315 van 14.11.2012, blz. 57.

[2] PB L 132 van 21.5.2016, blz. 1.

[3] PB C 337 van 20.9.2018, blz. 167.

[4] PB C 232 van 16.6.2021, blz. 48.

[5] Aangenomen teksten, P9_TA(2020)037.

[6] Aangenomen teksten, P9_TA(2021)0024.

[7] Aangenomen teksten, P9_TA(2021)0025.

[8] PB L 338 van 21.12.2011, blz. 2.

[9] PB L 181 van 29.6.2013, blz. 4.

[10] PB L 338 van 23.12.2003, blz. 1.

[11] Artikel 2 en artikel 3, lid 3, van het Verdrag betreffende de Europese Unie en de artikelen 8, 10, 19 en 157 van het VWEU.

[12] De artikelen 21 en 23 van het Handvest.

[13] Verslag van het FRA van 3 maart 2014, getiteld “Geweld tegen vrouwen: een Europese enquête”.

[14] Verdrag van Istanbul.

[15] Raad van Europa, “Human Rights Channel: Stop Child Sexual Abuse in Sport”, geraadpleegd op 21 juli 2021.

[16] Eurostat, “Children at risk of poverty or social exclusion”, gegevens van oktober 2020.

[17] Verslag van het FRA van 3 maart 2014, getiteld “Geweld tegen vrouwen: een Europese enquête”.

[18] Persverklaring van dr. Hans Henri P. Kluge, regionaal directeur voor Europa van de Wereldgezondheidsorganisatie van 7 mei 2020, getiteld “During COVID-19 pandemic, violence remains preventable, not inevitable”.

[19]  Verslag van het FRA van 3 maart 2014, getiteld “Geweld tegen vrouwen: een Europese enquête”.

[20]  Europol-verslag van 19 juni 2020, getiteld “Exploiting isolation: offenders and victims of online child sexual abuse during the COVID-19 pandemic”.

[21] Toelichting van de Raad van Europa van 11 mei 2011 bij het Verdrag van de Raad van Europa inzake het voorkomen en bestrijden van geweld tegen vrouwen en huiselijk geweld.

[22] Verklaring van het EDVAW-platform van 31 mei 2019, getiteld “Intimate partner violence against women is an essential factor in the determination of child custody”.

[23] Artikel 31 van het Verdrag van Istanbul.

[24] Verdrag inzake de uitbanning van alle vormen van discriminatie van vrouwen, algemene aanbeveling nr. 35 over gendergerelateerd geweld tegen vrouwen, houdende een actualisering van algemene aanbeveling nr. 19.

[25] Voorstel van de Commissie van 28 oktober 2020 voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad betreffende toereikende minimumlonen in de Europese Unie (COM(2020)0682).

[26] Voorstel van de Commissie van 4 maart 2021 voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad ter versterking van de toepassing van het beginsel van gelijke beloning van mannen en vrouwen voor gelijke of gelijkwaardige arbeid door middel van beloningstransparantie en handhavingsmechanismen (COM(2021)0093).

[27] Richtlijn (EU) 2019/1158 van het Europees Parlement en de Raad van 20 juni 2019 betreffende het evenwicht tussen werk en privéleven voor ouders en mantelzorgers, PB L 188 van 12.7.2019, blz. 79.

[28] PB L 178 van 2.7.2019, blz. 1.

Laatst bijgewerkt op: 1 september 2021Juridische mededeling - Privacybeleid