VERSLAG over de bescherming van personen met een handicap via verzoekschriften: geleerde lessen (verzoekschriften nrs. 2582/2013, 2551/2014, 0074/2015, 0098/2015, 1140/2015, 1305/2015, 1394/2015, 0172/2016, 0857/2016, 1056/2016, 1147/2016, 0535/2017, 1077/2017, 0356/2018, 0367/2018, 0371/2018, 0530/2018, 0724/2018, 0808/2018, 0959/2018, 0756/2019, 0758/2019, 0954/2019, 1124/2019, 1170/2019, 1262/2019, 0294/2020, 0470/2020, 0527/2020, 0608/2020, 0768/2020, 0988/2020, 1052/2020, 1139/2020, 1205/2020, 1299/2020, 0103/2021 en andere)

    4.8.2021 - (2020/2209(INI))

    Commissie verzoekschriften
    Rapporteur: Alex Agius Saliba 
    Rapporteurs voor advies (*):
    Radan Kanev, Commissie werkgelegenheid en sociale zaken
    Tom Vandendriessche, Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken
    (*) Procedure met medeverantwoordelijke commissies – Artikel 57 van het Reglement

    Procedure : 2020/2209(INI)
    Stadium plenaire behandeling
    Documentencyclus :  
    A9-0261/2021
    Ingediende teksten :
    A9-0261/2021
    Aangenomen teksten :

    ONTWERPRESOLUTIE VAN HET EUROPEES PARLEMENT

    over de bescherming van personen met een handicap via verzoekschriften: geleerde lessen (verzoekschriften nrs. 2582/2013, 2551/2014, 0074/2015, 0098/2015, 1140/2015, 1305/2015, 1394/2015, 0172/2016, 0857/2016, 1056/2016, 1147/2016, 0535/2017, 1077/2017, 0356/2018, 0367/2018, 0371/2018, 0530/2018, 0724/2018, 0808/2018, 0959/2018, 0756/2019, 0758/2019, 0954/2019, 1124/2019, 1170/2019, 1262/2019, 0294/2020, 0470/2020, 0527/2020, 0608/2020, 0768/2020, 0988/2020, 1052/2020, 1139/2020, 1205/2020, 1299/2020, 0103/2021 en andere)

    (2020/2209(INI))

    Het Europees Parlement,

     gezien de in de titel van deze resolutie vermelde verzoekschriften over kwesties in verband met handicaps, en gezien de eerdere beraadslagingen van de Commissie verzoekschriften,

     gezien artikel 2 van het Verdrag betreffende de Europese Unie,

     gezien de artikelen 19, 48, 67, lid 4, 153, 165, 168 en 174 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU),

     gezien het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, en met name de artikelen 3, 21, 24, 26, 34, 35, 41 en 47,

     gezien de Europese pijler voor sociale rechten, met name de beginselen 1, 3, 10 en 17,

     gezien het VN-Verdrag inzake de rechten van personen met een handicap (het Gehandicaptenverdrag), dat op 21 januari 2011 in werking is getreden, volgens Besluit 2010/48/EG van de Raad van 26 november 2009 betreffende de sluiting door de Europese Gemeenschap van het Verdrag van de Verenigde Naties inzake de rechten van personen met een handicap[1],

     gezien de algemene opmerkingen over het Gehandicaptenverdrag als gezaghebbende leidraad voor de tenuitvoerlegging ervan,

     gezien de gedragscode tussen de Raad, de lidstaten en de Commissie tot vaststelling van interne regelingen voor de uitvoering door en de vertegenwoordiging van de Europese Unie met betrekking tot het Verdrag van de Verenigde Naties inzake de rechten van personen met een handicap[2],

     gezien de slotopmerkingen van het VN-Comité voor de rechten van personen met een handicap van 2 oktober 2015 over het initiële verslag van de Europese Unie,

     gezien het VN-Verdrag inzake de rechten van het kind,

     gezien het strategisch onderzoek van de Europese Ombudsman naar de wijze waarop de Commissie ervoor zorgt dat personen met een handicap toegang hebben tot haar websites,

     gezien de handeling van de Raad tot vaststelling van een herziene versie van het EU-kader dat is voorgeschreven door artikel 33, lid 2, van het VN-Verdrag inzake de rechten van personen met een handicap,

     gezien het strategisch onderzoek van de Europese Ombudsman naar de wijze waarop de Commissie toezicht houdt op EU-middelen die worden gebruikt voor de bevordering van het recht op zelfstandig wonen van personen met een handicap en ouderen,

     gezien het door het Bureau van de Europese Unie voor de grondrechten opgestelde verslag over de grondrechten 2020,

     gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité van 11 december 2019 getiteld “Vormgeving van de EU-agenda voor de rechten van gehandicapten 2020-2030”,

     gezien de index voor gendergelijkheid 2020 van het Europees instituut voor gendergelijkheid,

     gezien Verordening (EG) nr. 1371/2007 van het Europees Parlement en de Raad van 23 oktober 2007 betreffende de rechten en verplichtingen van reizigers in het treinverkeer[3],

     gezien Richtlijn (EU) 2019/882 van het Europees Parlement en de Raad van 17 april 2019 betreffende de toegankelijkheidsvoorschriften voor producten en diensten[4],

     gezien Richtlijn (EU) 2016/2102 van het Europees Parlement en de Raad van 26 oktober 2016 inzake de toegankelijkheid van de websites en mobiele applicaties van overheidsinstanties[5],

     gezien Richtlijn (EU) 2018/1972 van het Europees Parlement en de Raad van 11 december 2018 tot vaststelling van het Europees wetboek voor elektronische communicatie[6],

     gezien Richtlijn (EU) 2019/1158 van het Europees Parlement en de Raad van 20 juni 2019 betreffende het evenwicht tussen werk en privéleven voor ouders en mantelzorgers en tot intrekking van Richtlijn 2010/18/EU van de Raad[7],

     gezien Richtlijn 2000/78/EG van de Raad van 27 november 2000 tot instelling van een algemeen kader voor gelijke behandeling in arbeid en beroep[8],

     gezien de mededeling van de Commissie van 3 maart 2021 getiteld “Een Unie van gelijkheid: Strategie voor de rechten van personen met een beperking 2021-2030 (COM(2021)0101),

     gezien het voorstel van de Commissie voor een richtlijn van de Raad betreffende de toepassing van het beginsel van gelijke behandeling van personen ongeacht godsdienst of overtuiging, handicap, leeftijd of seksuele geaardheid (COM(2008)0426, “de antidiscriminatierichtlijn”), en het standpunt van het Parlement van 2 april 2009 hierover[9],

     gezien de aanbeveling van de Raad van 4 juni 1998 over een parkeerkaart voor personen met een handicap[10],

     gezien Aanbeveling (EU) 2021/1004 van de Raad van 14 juni 2021 tot invoering van een Europese kindergarantie[11],

     gezien het werkdocument van de diensten van de Commissie van 27 november 2020 over de beoordeling van het Solidariteitsfonds van de Europese Unie 2010-2020 (SWD(2020)0291),

     gezien zijn resolutie van 17 april 2020 over gecoördineerde EU-maatregelen om de COVID-19-pandemie en de gevolgen ervan te bestrijden[12],

     gezien zijn resolutie van 18 juni 2020 over de Europese strategie inzake handicaps post-2020[13],

     gezien zijn resolutie van 8 juli 2020 over de rechten van personen met een verstandelijke handicap en hun familie tijdens de COVID-19-crisis[14],

     gezien zijn resolutie van 29 april 2021 over de Europese Green Deal[15],

     gezien zijn resolutie van 10 maart 2021 over de tenuitvoerlegging van Richtlijn 2000/78/EG tot instelling van een algemeen kader voor gelijke behandeling in arbeid en beroep in het licht van het VN-Verdrag inzake de rechten van personen met een handicap[16],

     gezien zijn resolutie van 29 november 2018 over de situatie van vrouwen met een handicap[17],

     gezien zijn studie van 3 november 2016 getiteld “European Structural and Investment Funds and people with disabilities in the European Union”,

     gezien zijn studie van 15 september 2017 getiteld “Inclusive education for learners with disabilities”,

     gezien zijn studie van 9 oktober 2015 getiteld “The protection role of the Committee on Petitions in the context of the implementation of the UN Convention on the Rights of Persons with Disabilities” en de geactualiseerde versies van 2016, 2017 en 2018,

     gezien zijn grondige analyse van 15 augustus 2016 getiteld “The European Accessibility Act”,

     gezien zijn studie van 8 mei 2018 getiteld “Transport and tourism for persons with disabilities and persons with reduced mobility”,

     gezien zijn studie van 15 juli 2020 getiteld “The Post-2020 European disability strategy”,

     gezien artikel 54 en artikel 227, lid 3, van zijn Reglement,

     gezien de adviezen van de Commissie werkgelegenheid en sociale zaken en de Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken,

     gezien de brief van de Commissie rechten van de vrouw en gendergelijkheid,

     gezien het verslag van de Commissie verzoekschriften (A9-0261/2021),

    A. overwegende dat circa 1 % van alle verzoekschriften die de Commissie verzoekschriften elk jaar ontvangt, betrekking heeft op diverse kwesties in verband met handicaps;

    B. overwegende dat er in de EU naar schatting 87 miljoen personen met een handicap zijn[18];

    C. overwegende dat 37 % van de mensen van 15 jaar en ouder in de EU (matige of ernstige) fysieke of zintuiglijke beperkingen heeft[19];

    D. overwegende dat uit verzoekschriften over kwesties in verband met handicaps blijkt met welke problemen personen met een handicap worden geconfronteerd, en dat hieruit tevens blijkt dat zij in hun dagelijks leven met discriminatie en belemmeringen te maken krijgen en niet de in het Gehandicaptenverdrag verankerde fundamentele vrijheden en grondrechten genieten, zoals toegang tot het openbaar vervoer en de bebouwde omgeving, het gebruik van gebarentalen, en financiering van en gelijke toegang tot onderwijs en beroepsopleiding;

    E. overwegende dat algemeen wordt erkend dat personen met een handicap in het dagelijks leven nog steeds te maken hebben met een veelvoud aan belemmeringen en discriminatie waardoor zij niet de fundamentele vrijheden en grondrechten genieten die zijn verankerd in de toepasselijke rechtskaders van de EU en de VN; overwegende dat hierbij onder meer moet worden gedacht aan de wederzijdse erkenning van de status van persoon met een handicap door de lidstaten (aangezien het vrije verkeer van personen met een handicap in de EU wordt belemmerd door een gebrek hieraan), toegang tot het openbaar vervoer, fysieke, zintuiglijke en cognitieve toegankelijkheid van de bebouwde omgeving, goederen, diensten en programma’s, het gebruik van gebarentalen en alle andere middelen en types van toegankelijke communicatie en informatie, financiering van en gelijke toegang tot onderwijs en beroepsopleiding, toegang tot de arbeidsmarkt, toegang tot individuele ondersteuning en opneming in de gemeenschap, en gelijke kansen en gelijke behandeling in arbeid en beroep;

    F. overwegende dat alle personen met een handicap gelijke rechten op voet van gelijkheid met anderen hebben ten aanzien van alle aspecten van het leven, en dat er niet mag worden getornd aan hun waardigheid en hun recht op gelijke behandeling, zelfstandig wonen, autonomie en volledige deelname aan de samenleving, waarbij zij mogen verwachten dat hun bijdrage aan de sociale en economische vooruitgang van de EU wordt geëerbiedigd en naar waarde wordt geschat;

    G. overwegende dat de verzoekschriften die door personen met een handicap of over kwesties in verband met handicaps bij het Parlement worden ingediend, als een bron van informatie dienen over de lacunes bij de uitvoering van het Gehandicaptenverdrag zowel op nationaal als EU-niveau, en ertoe kunnen bijdragen wetgeving op alle beleidsterreinen te formuleren;

    H. overwegende dat de Commissie verzoekschriften een “beschermende rol” vervult door te zorgen voor de naleving door de EU van het Gehandicaptenverdrag in het kader van de beleidsvorming en wetgevende maatregelen op EU-niveau; overwegende dat de Raad op zijn 3513e bijeenkomst op 16 januari 2017 heeft besloten de Commissie verzoekschriften te vragen om samen met de Europese Ombudsman, het Bureau van de Europese Unie voor de grondrechten en het Europees Gehandicaptenforum een EU-kader op te stellen;

    I. overwegende dat de Commissie werkgelegenheid en sociale zaken heeft onderstreept hoe belangrijk verzoekschriften over de rechten van personen met een handicap zijn in het licht van de rol en verantwoordelijkheden van het Parlement die zijn uiteengezet in het EU-kader voor het toezicht op de uitvoering van het Gehandicaptenverdrag;

    J. overwegende dat de Commissie verzoekschriften gezien haar rol de speciale taak heeft om de rechten van personen met een handicap in de EU te beschermen, waarbij de uitoefening van hun fundamentele vrijheden en grondrechten wordt gewaarborgd door het EU-recht en het Gehandicaptenverdrag; overwegende dat de beschikbare informatie over deze rechten ontoereikend en onvoldoende toegankelijk is;

    K. overwegende dat de Commissie werkgelegenheid en sociale zaken ten zeerste waardeert dat de Commissie verzoekschriften een essentiële rol vervult als brug tussen de mensen in de EU, het Parlement en de andere EU-instellingen, en als belangrijk instrument om burgers te betrekken bij de participatieve democratie; overwegende dat het recht op het indienen van een verzoekschrift bij het Parlement een van de grondrechten is van elk individu en elke organisatie die in de EU is gevestigd en tegelijkertijd een onmisbare directe bron van feitelijke informatie vormt;

    L. overwegende dat het recht op het indienen van verzoekschriften en de verzoekschriftenprocedure zichtbaarder en toegankelijker moeten zijn voor alle mensen en organisaties in de EU, met inbegrip van personen met een handicap; overwegende dat de Commissie verzoekschriften in dit verband moet zorgen voor meer zichtbaarheid en voldoende informatie door middel van gerichte informatie- en bewustmakingscampagnes, met speciale aandacht voor kwetsbare groepen, waaronder personen met een handicap; overwegende dat het Parlement nog geen index van de doeltreffendheid van zijn verzoekschriftensysteem heeft ontwikkeld en ook geen statistische gegevens heeft verzameld over de behandeling van verzoekschriften;

    M. overwegende dat het Gehandicaptenverdrag het eerste internationale mensenrechtenverdrag is dat door de EU en al haar lidstaten is geratificeerd;

    N. overwegende dat het Facultatief Protocol bij het Gehandicaptenverdrag niet is geratificeerd door de EU en vijf lidstaten;

    O. overwegende dat een Unie van gelijkheid voor allen, in alle betekenissen van het woord, een van de prioriteiten in de politieke richtsnoeren van de huidige Commissie is;

    P. overwegende dat in verzoekschriften herhaaldelijk is gewezen op de beperkingen die personen met een handicap ondervinden bij de toegang tot onderwijs, waardoor zij minder aan onderwijsactiviteiten deelnemen dan het gemiddelde van de bevolking, wat op zijn beurt het risico van sociale en economische uitsluiting met zich meebrengt; overwegende dat een op de vier personen met een handicap het onderwijssysteem voortijdig verlaat[20];

    Q. overwegende dat de invoering van het ambt van commissaris voor Gelijkheid een belangrijke rol heeft gespeeld bij de vaststelling van de nieuwe strategie inzake de rechten van personen met een handicap 2021-2030 (Europese strategie inzake handicaps 2021-2030);

    R. overwegende dat het Parlement in zijn resoluties regelmatig bij de lidstaten heeft aangedrongen op de uitvoering van passende beleidsmaatregelen om ervoor te zorgen dat personen met een handicap hun sociale, politieke en economische rechten volledig kunnen uitoefenen;

    S. overwegende dat de lidstaten de verantwoordelijkheid hebben om ervoor te zorgen dat alle mensen in de EU recht hebben op een doeltreffende voorziening in rechte voor een onafhankelijke, onpartijdige en vooraf bij wet ingestelde rechtbank en dat zij zich kunnen laten adviseren, verdedigen en vertegenwoordigen;

    T. overwegende dat 24 lidstaten uitgebreid verslag hebben uitgebracht over de gemaakte voortgang bij de uitvoering van het Gehandicaptenverdrag, waarbij toegankelijkheid een van de kernbeginselen van het Verdrag is, nadat de Commissie verzoekschriften de permanente vertegenwoordigingen van alle lidstaten om informatie had gevraagd over verzoekschrift nr. 0535/2017;

    U. overwegende dat de voorgestelde antidiscriminatierichtlijn, die door een horizontale aanpak meer bescherming tegen alle soorten discriminatie zou bieden, nog steeds in de Raad geblokkeerd is en dat dit al meer dan tien jaar duurt;

    V. overwegende dat toegankelijkheid een eerste vereiste is voor de uitoefening van alle andere in het Gehandicaptenverdrag verankerde rechten op voet van gelijkheid met anderen; overwegende dat de Commissie diverse maatregelen heeft voorgesteld voor het controleren van de uitvoering van de bestaande wetgeving inzake toegankelijkheid, alsmede nieuwe maatregelen om een Europa zonder belemmeringen tot stand te brengen;

    W. overwegende dat initiatieven op EU-niveau zoals de toegankelijkheidsprijs “Acces City Award” een stimulans vormen om de openbare ruimte aan te passen aan de behoeften van ouderen en personen met een handicap; overwegende dat deze wedstrijd steden onderscheidt die beloven bij hun politieke besluitvorming een inclusieve aanpak ten aanzien van personen met een handicap te volgen, hun rechten te eerbiedigen, rekening te houden met hun behoeften, en een maatschappelijke dialoog aan te gaan met gehandicapten- en ouderenorganisaties; overwegende dat de aanpassing van de openbare ruimte niet alleen een bijdrage zal leveren aan de bestrijding van sociale uitsluiting, maar ook aan de bevordering van economische groei;

    X. overwegende dat in verscheidene verzoekschriften de problemen worden geschetst die personen met een handicap ondervinden met de toegang tot de bebouwde omgeving, het vervoer, informatie- en communicatietechnologieën en ‑systemen (ICT) en andere voorzieningen en diensten die aan het publiek worden aangeboden, alsook de noodzaak om die toegang te verbeteren;

    Y. overwegende dat het absoluut noodzakelijk is dat de EU- instellingen ervoor zorgen dat hun websites over de nodige technische specificaties beschikken om toegankelijk te zijn voor personen met een handicap, zodat zij rechtstreeks correcte informatie kunnen krijgen over alle onderwerpen die hen als burgers aangaan, en zodat documenten, video’s en websites toegankelijker worden en alternatieve manieren van communicatie worden bevorderd;

    Z. overwegende dat bij het Parlement een interdepartementale werkgroep voor gebarentaal is opgericht om maatregelen te nemen om gevolg te geven aan het verzoek in verzoekschrift nr. 1056/2016 om het mogelijk te maken verzoekschriften in te dienen in de nationale gebarentalen die in de Europese Unie worden gebruikt;

    AA. overwegende dat de maatregelen die regeringen tijdens de uitzonderlijk grote gezondheidscrisis ten gevolge van de COVID-19-pandemie nemen, te allen tijde de grondrechten en fundamentele vrijheden van de burgers moeten eerbiedigen en niet discriminerend mogen zijn ten aanzien van personen met een handicap;

    AB. overwegende dat uit verscheidene verzoekschriften blijkt dat de COVID-19-pandemie de situatie van personen met een handicap heeft verergerd en dat zelfs de meest fundamentele mensenrechten van personen met een handicap zijn geschonden, zoals de toegang tot gezondheidszorg, tot maatregelen ter bescherming tegen de verspreiding van de ziekte en tot onderwijs;

    AC. overwegende dat het Parlement moet waarborgen dat de COVID-19-maatregelen in overeenstemming zijn met het Handvest en het VN-Verdrag inzake de rechten van personen met een handicap;

    AD. overwegende dat instellingen voor personen met een handicap en ouderen, zoals dagcentra of scholen, door de moeilijke situatie tijdens de COVID-19-crisis soms tijdelijk zijn gesloten; overwegende dat de zorg voor personen met een verstandelijke beperking tijdens deze noodsituatie is afgewenteld op hun familieleden; overwegende dat personen met een handicap die verbleven in instellingen die open bleven, tijdens de pandemie zwaar zijn getroffen door hun afhankelijkheid van fysiek contact met verzorgers en ondersteunend personeel, een gebrek aan personeel, een gebrek aan persoonlijke beschermingsmiddelen en ontsmettingsmiddelen, met hoge ziektecijfers en een toename van het aantal sterfgevallen als gevolg;

    AE. overwegende dat de lockdownmaatregelen bijzonder negatieve gevolgen hebben gehad voor personen met een handicap;

    AF. overwegende dat in verzoekschriften herhaaldelijk is gewezen op het feit dat de arbeidsmogelijkheden van personen met een handicap beperkt zijn; overwegende dat de gemiddelde kloof tussen de arbeidsparticipatie van mensen met en zonder handicap in de EU 25 % bedraagt[21];

    AG. overwegende dat de arbeidsparticipatie van personen met een handicap laag is, namelijk 50,6 %, ten opzichte van 74,8 % bij personen zonder handicap; overwegende dat de ongelijkheid tussen personen met en zonder handicap is toegenomen door de pandemie en de sociale en economische crisis;

    AH. overwegende dat werk in gesegregeerde instellingen niet bevorderlijk is voor de integratie van personen met een handicap op de arbeidsmarkt;

    AI. overwegende dat bijna een op de vier ondervraagde EU-burgers enige mate van functiebeperking als gevolg van gezondheidsproblemen heeft gemeld[22];

    AJ. overwegende dat het recht op sociale bescherming en arbeid, het gebruik van de Europese structuur- en investeringsfondsen met inachtneming van de EU-verordeningen en het Gehandicaptenverdrag, alsook andere kwesties die onder de bevoegdheid van de Commissie werkgelegenheid en sociale zaken vallen, behoren tot de meest voorkomende zorgpunten in verband met de gelijke behandeling van personen met een handicap die in de door het Parlement ontvangen verzoekschriften tot uiting komen;

    AK. overwegende dat de Commissie verzoekschriften veel verzoekschriften met betrekking tot Richtlijn 2000/78/EG van de Raad ontvangt over de niet-toepassing van het beginsel van gelijke behandeling op het gebied van inclusief onderwijs, werkgelegenheid, beroepsopleiding, bevordering en arbeidsvoorwaarden van personen met een handicap; overwegende dat de lidstaten en de EU het Gehandicaptenverdrag hebben geratificeerd en dat artikel 24 daarvan bepaalt dat de ondertekenaars ervoor moeten zorgen dat personen met een handicap toegang hebben tot een leven lang leren, volwassenenonderwijs, beroepsopleiding, algemeen tertiair en secundair onderwijs en gratis en verplicht basisonderwijs;

    AL. overwegende dat toegang tot hoogwaardige banen, onderwijs en opleiding, gezondheidszorg, sociale bescherming, ook over de grenzen heen, passende huisvesting, steun voor zelfstandig wonen en gelijke kansen voor deelname aan vrijetijdsactiviteiten en het gemeenschapsleven, essentieel zijn voor de levenskwaliteit van personen met een handicap;

    AM. overwegende dat de onlangs gepresenteerde Europese strategie inzake handicaps 2021-2030 een welkome stap is in de richting van het verhelpen van de problemen waar personen met een handicap mee te maken hebben, maar dat zij nog steeds worden geconfronteerd met belemmeringen en discriminatie; overwegende dat in 2019 28,4 % van alle personen met een handicap (van 16 jaar en ouder) in de EU risico liep op armoede of sociale uitsluiting[23]; overwegende dat de Europese strategie inzake handicaps 2021-2030 daar iets aan zal moeten doen;

    AN. overwegende dat in beginsel 17 van de Europese pijler van sociale rechten het volgende wordt gesteld: “personen met een handicap hebben recht op inkomenssteun waarmee een waardig leven wordt gewaarborgd, op diensten die hen in staat stellen om op de arbeidsmarkt en in de samenleving actief te zijn en op een werkomgeving die aan hun behoeften is aangepast”;

    AO. overwegende dat beschutte werkplaatsen gericht moeten zijn op inclusie, re-integratie en overgang naar de open arbeidsmarkt, maar vaak een gesegregeerde omgeving zijn waarin werkenden met een handicap niet de status van werknemer hebben en geen arbeidsrechten genieten, wat duidelijk in strijd is met het Gehandicaptenverdrag; overwegende dat inclusieve modellen van ondersteunde werkgelegenheid, indien zij op rechten zijn gebaseerd en als werkgelegenheid worden erkend, kunnen bijdragen tot de eerbiediging van de rechten van personen met een handicap en tot inclusie in en overgang naar de open arbeidsmarkt;

    AP. overwegende dat de door de COVID-19-pandemie ontstane economische crisis een ernstige bedreiging vormt voor de Europese economieën en het behoud van banen; overwegende dat personen uit kansarme groepen, met name personen met een handicap, bijzonder hard door de pandemie zijn getroffen; overwegende dat de COVID-19-preventiemaatregelen voor personen met een handicap zowel kansen als uitdagingen vormden wat de toegankelijkheid en inclusiviteit van de arbeidsmarkt betreft;

    AQ. overwegende dat de EU via het tijdelijke herstelinstrument NextGenerationEU respons en herstel in verband met COVID-19 moet ondersteunen waarbij rekening wordt gehouden met personen met een handicap; overwegende dat het essentiële belang en de veerkracht van het maatschappelijk middenveld en vrijwilligersorganisaties die werkzaam zijn in de gehandicaptensector tijdens de COVID-19-crisis andermaal zijn aangetoond;

    AR. overwegende dat de COVID-19-preventiemaatregelen nieuwe belemmeringen hebben opgeworpen voor personen met een handicap en de bestaande uitsluiting op alle gebieden van het arbeidsleven hebben verergerd; overwegende dat personen met een handicap meer risico lopen om hun werk te verliezen en moeite hebben om opnieuw werk te vinden; overwegende dat COVID-19 een negatief effect heeft gehad op de toegankelijkheid en inclusiviteit van de arbeidsorganisatie en de arbeidsregelingen, alsook op de arbeidsparticipatie en de arbeidsomstandigheden van personen met een handicap, en veel personen met een handicap heeft blootgesteld aan de negatieve gevolgen van telewerken;

    AS. overwegende dat in 2019 bijna 18 miljoen kinderen in de EU (22,2 % van de kinderpopulatie) leefden in huishoudens met een risico op armoede of sociale uitsluiting; overwegende dat kinderen met een handicap specifieke nadelen ondervinden, die ze bijzonder kwetsbaar maken; overwegende dat hieruit andermaal blijkt hoe belangrijk het is om kinderen in nood gratis en daadwerkelijke toegang te waarborgen tot hoogwaardige voorschoolse educatie en opvang, onderwijs- en schoolactiviteiten, minstens één gezonde maaltijd per schooldag en gezondheidszorg, alsook daadwerkelijke toegang tot gezonde voeding en adequate huisvesting, zoals bepaald in de aanbeveling van de Raad tot instelling van een Europese kindergarantie;

    AT. overwegende dat alle EU-lidstaten het VN-Verdrag inzake de rechten van het kind hebben geratificeerd, waardoor het voor hen bindend is, en overwegende dat in artikel 3, lid 3, van het Verdrag betreffende de Europese Unie de doelstelling van de EU is vastgesteld om erop toe te zien dat de rechten van het kind worden beschermd; overwegende dat het Handvest de bescherming van de rechten van het kind door de EU-instellingen en door de lidstaten garandeert wanneer zij het EU-recht toepassen; overwegende dat het Parlement zijn resolutie over de Europese kindergarantie met een grote meerderheid heeft aangenomen, en dat daarin met klem wordt gevraagd ervoor te zorgen dat alle kinderen van de vroege kinderjaren tot de adolescentie toegang hebben tot inclusief onderwijs, ook Romanikinderen, kinderen met een handicap, staatloze en migrantenkinderen en kinderen die leven in humanitaire noodsituaties;

    AU. overwegende dat werkgerelateerde discriminatie van personen met een handicap verband houdt met een gebrek aan inclusief onderwijs en inclusieve beroepsopleiding, evenals met de segregatie en discriminatie op het gebied van huisvesting, gezondheidszorg en het gebrek aan toegang tot vervoer en andere diensten en producten;

    AV. overwegende dat het Parlement in zijn resolutie over gelijke behandeling in arbeid en beroep in het licht van het Gehandicaptenverdrag de tekortkomingen van Richtlijn 2000/78/EG van de Raad aan het licht heeft gebracht;

    AW. overwegende dat Richtlijn (EU) 2019/1158 vereist dat de lidstaten beoordelen of de voorwaarden voor toegang tot en de gedetailleerde regelingen voor ouderschaps-, zorg- en arbeidsverlof moeten worden aangepast aan de specifieke behoeften van ouders in bijzonder kansarme situaties, zoals ouders met een handicap, alleenstaande, gescheiden of adoptieouders van kinderen met een handicap of een langdurige ziekte, of ouders in moeilijke omstandigheden;

    AX. overwegende dat personen met een handicap in hun dagelijks leven met tal van obstakels worden geconfronteerd, onder meer wanneer ze proberen persoonlijke bijstand te krijgen, deel uit te maken van de maatschappij, adequate en betaalbare toegankelijke huisvesting te vinden en betaalbare zorg en op de persoon toegesneden sociale opvang en gezondheidszorg te krijgen;

    AY. overwegende dat werkloosheid en een gebrek aan hoogwaardige en duurzame banen voor personen met een handicap de belangrijkste factoren zijn die bijdragen tot een hoog risico op armoede, sociale uitsluiting en dakloosheid onder personen met een handicap;

    AZ. overwegende dat in 2017 een derde van de volwassenen met een handicap in de EU in een huishouden woonde waarvan de financiële middelen niet toereikend waren om de gebruikelijke noodzakelijke uitgaven te dekken; overwegende dat in 2019 bijna twee derde van de EU-bevolking met een arbeidsbeperking zonder sociale uitkeringen, toeslagen of pensioen het risico zou hebben gelopen in armoede te vervallen[24];

    BA. overwegende dat personen met een handicap een diverse groep vormen en dat zij vaak te maken krijgen met intersectionele discriminatie, en dat de cumulatieve effecten daarvan merkbare gevolgen hebben voor de werkgelegenheid;

    BB. overwegende dat de vorderingen op het gebied van de-institutionalisering verschillen van lidstaat tot lidstaat en dat er, hoewel er op dit vlak in de EU beleid is ingevoerd en aanzienlijke middelen zijn uitgetrokken, nog steeds een miljoen mensen in instellingen verblijven; overwegende dat er verscheidene verzoekschriften zijn ingediend over misbruik van EU-gelden voor de de-institutionalisering van personen met een handicap; overwegende dat de Europese Ombudsman in februari 2021 op eigen initiatief een onderzoek heeft ingesteld naar de rol van de Commissie, die erop moet toezien dat de lidstaten de EU-middelen gebruiken om van verzorgingstehuizen over te schakelen op het bevorderen van zelfstandig wonen van personen met een handicap en ouderen; overwegende dat de lidstaten het proces van de-institutionalisering moeten versnellen en dat de Commissie hun voortgang nauwlettend moet volgen;

    BC. overwegende dat bij het verzamelen van EU-statistieken over de bevolking geen rekening wordt gehouden met de aard van de handicap van een persoon en het aantal personen met een handicap dat in verzorgingstehuizen woont, waardoor de naleving van artikel 31 van het Gehandicaptenverdrag wordt belemmerd;

    BD. overwegende dat de lijst van uitkeringen en rechten die uit de gehandicaptenstatus voortvloeien, alsook de instanties die deze rechten vaststellen en erkennen, verschillen van lidstaat tot lidstaat;

    BE. overwegende dat het aantal personen met een handicap en personen die zorg en langdurige zorg nodig hebben in de EU naar verwachting drastisch zal toenemen, onder meer als gevolg van demografische uitdagingen en de toename van chronische gezondheidsproblemen; overwegende dat de meeste langdurige zorg momenteel wordt verleend door meestal onbetaalde en overwegend vrouwelijke mantelzorgers; overwegende dat beleidsmaatregelen om demografische uitdagingen aan te pakken en te reageren op groeiende zorg- en langetermijnbehoeften zo moeten worden ontworpen dat ze niet leiden tot een grotere druk op mantelzorgers;

    BF. overwegende dat een handicap vaak het gevolg is van arbeidsongevallen of wordt verworven door een chronische aandoening die verband houdt met beroepsziekten en blootstelling aan gevaren voor de gezondheid;

    BG. overwegende dat het streven naar een betere integratie en de bescherming van de rechten van personen met een handicap op alle beleidsterreinen tot uiting moet komen, ook in het proces van het Europees Semester;

    BH. overwegende dat de EU en de lidstaten alle nodige maatregelen moeten nemen om de in het Gehandicaptenverdrag verankerde rechten ten uitvoer te leggen, en bestaande maatregelen die discriminatie van personen met een handicap inhouden, moeten aanpassen of intrekken; overwegende dat de EU en de lidstaten de grondrechten van personen met een handicap op alle beleidsgebieden en in alle programma’s moeten beschermen en bevorderen;

    BI. overwegende dat 46 miljoen vrouwen en meisjes in de Europese Unie leven met een handicap[25];

    BJ. overwegende dat vrouwen en meisjes met een handicap te maken hebben met meervoudige intersectionele discriminatie en uitdagingen als gevolg van het snijvlak van gender en handicap met seksuele gerichtheid, genderidentiteit, genderexpressie, geslachtskenmerken, land van herkomst, klasse, migratiestatus, leeftijd, of ras of etnische afkomst; overwegende dat vrouwen met een handicap uit minderheidsgroepen vaker te maken krijgen met drievoudige discriminatie wegens hun kwetsbare situatie; overwegende dat discriminatie belemmeringen opwerpt voor hun deelname aan alle aspecten van het leven, onder meer sociaal-economische nadelen, sociale uitsluiting, gendergerelateerd geweld, gedwongen sterilisatie en abortus, gebrek aan toegang tot gemeenschapsdiensten, cultuur, sport en vrijetijdsbesteding, slechte huisvesting, institutionalisering en ontoereikende gezondheidszorg; overwegende dat deze belemmeringen hun kans verkleinen om ten volle deel te nemen en actief mee te werken aan de samenleving, onder meer in het onderwijs en op de arbeidsmarkt;

    BK. overwegende dat in de Europese Unie 20,6 % van de vrouwen met een handicap voltijds werkt, ten opzichte van 28,5 % van de mannen met een handicap[26]; overwegende dat uit cijfers blijkt dat gemiddeld 29,5 % van de vrouwen met een handicap in de EU risico loopt op armoede en sociale uitsluiting, ten opzichte van 27,5 % van de mannen met een handicap[27];

    BL. overwegende dat in het Gehandicaptenverdrag wordt opgemerkt dat vrouwen en meisjes met een handicap een groter risico lopen op geweld, zowel binnen de huiselijke kring als daarbuiten; overwegende dat sommige lidstaten het Verdrag van de Raad van Europa inzake het voorkomen en bestrijden van geweld tegen vrouwen en huiselijk geweld (het Verdrag van Istanbul) nog niet hebben geratificeerd; overwegende dat de uitbreiding van de vormen van criminaliteit als bedoeld in artikel 83, lid 1, van het VWEU tot specifieke vormen van gendergerelateerd geweld meer bescherming zal bieden aan vrouwen en meisjes met een handicap;

    Governance en tenuitvoerlegging

    1. onderstreept dat op alle niveaus aan bewustmaking over de in het Gehandicaptenverdrag verankerde rechten van personen met een handicap moet worden gedaan teneinde hun rechten en waardigheid te beschermen en een vruchtbare samenwerking en uitwisseling van good practices tussen de lidstaten te bevorderen; wijst op de noodzaak van algemeen aanvaarde definities van handicap, de-institutionalisering, leven in de gemeenschap, zelfstandig wonen en inclusief onderwijs; moedigt de lidstaten aan om de coördinatiemechanismen te versterken;

    2. benadrukt dat de lidstaten zich meer moeten inspannen om personen met een handicap ondersteuning te bieden op de volgende prioritaire gebieden: gezondheid, onderwijs, toegankelijkheid, werkgelegenheid en arbeidsomstandigheden, zelfstandig wonen, coördinatie, levensomstandigheden, sociale bescherming en bewustmaking;

    3. vraagt de lidstaten die het Facultatief Protocol bij het Gehandicaptenverdrag nog niet hebben geratificeerd, dat onverwijld te doen, en vraagt de EU het volledig te ratificeren; vraagt de Raad het nodige te doen opdat de EU tot het Facultatief Protocol toetreedt;

    4. is van oordeel dat het Facultatief Protocol een onscheidbaar onderdeel van het Gehandicaptenverdrag vormt; wijst erop dat het Facultatief Protocol burgers een forum biedt om te communiceren over vermeende schendingen van de bepalingen van het Verdrag door een staat die partij is bij het Verdrag, en het VN-Comité voor de rechten van personen met een handicap in staat stelt vertrouwelijk onderzoek te verrichten wanneer het informatie krijgt die wijst op een ernstige of systematische schending door een staat die partij is bij het Verdrag;

    5. verzoekt de Commissie met het oog op de volledige naleving van het Gehandicaptenverdrag een uitgebreide en transversale evaluatie van de wetgeving en de financieringsprogramma’s van de EU te verrichten en gehandicaptenorganisaties en de leden van het EU-kader voor het toezicht op de uitvoering van het Gehandicaptenverdrag daar op constructieve wijze bij te betrekken;

    6. verzoekt de Commissie en de lidstaten bij de ontwikkeling en uitvoering van beleid en maatregelen rekening te houden met de diversiteit en de heterogeniteit van personen met een handicap;

    7. neemt nota van de vooruitgang die de lidstaten hebben geboekt met de effectieve tenuitvoerlegging en monitoring van het Gehandicaptenverdrag en met de aanpassing van de toegankelijkheidsmaatregelen aan de normen van het Gehandicaptenverdrag; verzoekt de lidstaten onverwijld bevoegde instanties aan te wijzen om als contactpunten te dienen, en coördinatiesystemen op alle bestuursniveaus in te voeren, overeenkomstig artikel 33 van het Gehandicaptenverdrag, teneinde dit ten uitvoer te leggen en te monitoren; benadrukt dat de lidstaten ervoor moeten zorgen dat een significant aantal personen met een handicap bij de werkzaamheden van deze instanties worden betrokken;

    8. steunt het voorstel van de Commissie om een gehandicaptenplatform op te richten om het beheer van de samenwerking op EU-niveau ter zake en van de uitvoering van de Europese strategie inzake handicaps 2021-2030 en de nationale strategieën inzake handicaps te versterken;

    9. herinnert eraan dat een nieuw gehandicaptenplatform van de EU moet stroken met de richtsnoeren die zijn vastgesteld in de Europese pijler voor sociale rechten;

    10. verzoekt de lidstaten meer bekendheid te geven aan het Gehandicaptenverdrag en de Europese strategie inzake handicaps 2021-2030 door nationale bewustmakingscampagnes over handicaps te organiseren die voor iedereen toegankelijk zijn en waarbij personen met een handicap alsook de familieleden en organisaties die hen vertegenwoordigen, betrokken worden; verzoekt de lidstaten ambitieuze tijdschema’s voor de uitvoering van de strategie vast te stellen; verzoekt de Commissie in het kader van de komende gedelegeerde handeling betreffende het herziene sociale scorebord een reeks gedetailleerde indicatoren te ontwikkelen om de voortgang bij de verwezenlijking van de doelen en doelstellingen van de strategie te meten, en om ervoor te zorgen dat de verbintenissen in deze documenten door alle betrokkenen worden nagekomen;

    11. is ingenomen met de oproep van de Commissie aan alle instellingen, organen, agentschappen en delegaties van de EU om “coördinatoren op het gebied van handicaps” aan te wijzen; herhaalt zijn verzoek om contactpunten in te richten in alle instellingen en agentschappen van de EU, met inbegrip van het Parlement en de Raad, met een centraal contactpunt bij het secretariaat-generaal van de Commissie, die worden ondersteund door een passend interinstitutioneel mechanisme; verzoekt de EU-instellingen bij de benoeming van de coördinatoren op het gebied van handicaps voorrang te geven aan personen met een handicap;

    12. is ingenomen met de plannen van de Commissie om de werking van het EU-kader voor het toezicht op de uitvoering van het Gehandicaptenverdrag in 2022 te onderzoeken en op basis daarvan maatregelen voor te stellen; verzoekt de Commissie het EU-kader en de onafhankelijkheid ervan te versterken, vooral door te zorgen voor meer betrokkenheid en participatie van deskundigen, niet-gouvernementele organisaties, de sociale partners en in het bijzonder personen met een handicap, zonder discriminatie op grond van het soort handicap of andere persoonlijke omstandigheden; onderstreept dat het EU-kader gebaseerd moet zijn op gedetailleerde, actuele, hoogwaardige en naar soort handicap uitgesplitste gegevens, voortbouwend op de werkzaamheden van de Washingtongroep inzake handicapstatistieken;

    13. verzoekt de EU-instellingen en de lidstaten opnieuw te bevestigen dat zij zich inzetten voor de verwezenlijking van inclusieve gelijkheid voor personen met een handicap, en het Gehandicaptenverdrag, met inbegrip van artikel 27 betreffende arbeid en werkgelegenheid, volledig uit te voeren;

    14. vraagt de Commissie en de lidstaten duidelijke doelen te stellen ter verbetering van de levens- en arbeidsomstandigheden van personen met een handicap, met eerbiediging van de beginselen van toegankelijkheid en non-discriminatie, en te investeren in gelijke kansen en de participatie van personen met een handicap op alle gebieden van het leven;

    15. wijst erop dat de Commissie verzoekschriften een specifieke rol vervult bij het waarborgen dat de EU het Gehandicaptenverdrag eerbiedigt bij de beleidsvorming en de vaststelling van wetgevingsmaatregelen; stelt vast dat de commissie in het kader van die verantwoordelijkheid een aantal verzoekschriften behandelt over kwesties in verband met handicaps, debatten, thematische workshops en openbare hoorzittingen over het onderwerp organiseert, resoluties en verslagen opstelt en bezoeken ter plaatse brengt;

    16. benadrukt dat personen met een handicap toegang moeten hebben tot de nodige ondersteuning en bijstand bij het opstellen en indienen van verzoekschriften die aan de ontvankelijkheidscriteria voldoen teneinde via verzoekschriften aan het Parlement effectieve toegang tot de rechter te krijgen; dringt aan op een betere zichtbaarheid van het verzoekschriftenmechanisme door meer bewustmaking en betrokkenheid en deelname van personen met een handicap of hun vertegenwoordigers bij de behandeling van verzoekschriften;

    17. dringt er bij de lidstaten op aan nationale actieplannen te ontwikkelen om iets te doen aan de tekortkomingen in de toegang tot informatie over openbare veiligheid, afstandsonderwijs en online leren, persoonlijke bijstand, zorg en ondersteunende diensten voor personen met een handicap;

    18. verzoekt de Commissie verzoekschriften statistische gegevens over de behandeling van verzoekschriften te verzamelen en verschaffen, en benadrukt dat de commissie – net als alle commissies van het Parlement – ervoor moet zorgen dat zij in vertolking in gebarentaal kan voorzien om toegang tot informatie en participatie te waarborgen;

    19. vraagt de Commissie en de lidstaten het belang van toegankelijke en hoogwaardige ondersteunende diensten en systemen voor zelfstandig wonen beter te erkennen; benadrukt de noodzaak om strategieën en normen te bevorderen voor gepersonaliseerde en kwalitatief hoogwaardige ondersteuning voor afhankelijke personen met een handicap en hun verzorgers, met inbegrip van betere sociale bescherming en verschillende vormen van ondersteuning voor mantelzorgers; vraagt de Commissie een strategische EU-zorgagenda te presenteren als een verdere stap voorwaarts in de kwalitatieve empowering van de gezondheidszorgsector in de EU, met inbegrip van verleners van persoonlijke en huishouddiensten; herhaalt dat de zorgagenda ook rekening moet houden met de situatie van de 100 miljoen mantelzorgers in de EU, die 80 % van de langdurige zorg verstrekken, maar wier werk meestal geen erkenning krijgt;

    20. beveelt aan dat de Commissie verzoekschriften jaarlijks een verslag opstelt over de problemen die in verzoekschriften met betrekking tot personen met een handicap aan de orde worden gesteld en daarin aanbevelingen doet;

    21. verzoekt de Commissie de Europese strategie inzake handicaps 2021-2030 structureel te integreren in het proces van het Europees Semester, aangezien dat dient te worden gebruikt als bron van inspiratie voor de beleidsmaatregelen en ‑aanpak van de lidstaten, om de samenleving inclusiever te maken en om de arbeidsintegratie en sociale bescherming van mensen met een handicap te ondersteunen; verzoekt de Commissie een jaarlijkse evaluatie uit te voeren van de mainstreaming van handicaps in het Europees Semester;

    22. verzoekt de Commissie en de lidstaten een gemeenschappelijke definitie van handicap vast te stellen, in overeenstemming met de in 2015 aangenomen slotopmerkingen van het Comité voor de rechten van personen met een handicap over het initiële verslag van de Europese Unie, en ervoor te zorgen dat de status van gehandicapte door alle lidstaten wederzijds wordt erkend, zodat het vrije verkeer van personen met een handicap en de uitoefening en erkenning van hun aan het EU-burgerschap verbonden rechten worden gewaarborgd;

    23. vraagt de Commissie ervoor te zorgen dat de EU en de lidstaten volledig voldoen aan alle relevante EU- en VN-verplichtingen inzake de rechten van personen met een handicap, met name het Gehandicaptenverdrag en de algemene toelichtingen van het VN-Comité voor de rechten van personen met een handicap op het Gehandicaptenverdrag, alsook aan de relevante maatregelen en financieringsregels van de EU, en vraagt de Commissie personen met een handicap en hun families en verzorgers te ondersteunen en de uitwisseling van best practices op dit gebied mogelijk te maken;

    24. benadrukt dat personeel bij justitie en politie meer en regelmatige bewustmakingsopleidingen moeten krijgen over crisisinterventie en ‑beheer en de-escalatie van conflicten bij interactie met personen met specifieke handicaps;

    Gegevensbescherming

    25. vraagt de Commissie erop toe te zien dat de lidstaten Verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens, en tot intrekking van Richtlijn 95/46/EG (algemene verordening gegevensbescherming – AVG)[28] correct ten uitvoer leggen en de nodige maatregelen te nemen om de gevoelige gegevens van personen met een handicap te beschermen;

    26. benadrukt dat de verwerking van persoonsgegevens volledig in overeenstemming moet zijn met de AVG; onderstreept dat de verwerking van genetische of biometrische gegevens met het oog op de unieke identificatie van een natuurlijke persoon en van gegevens over de gezondheid (gevoelige persoonsgegevens) uit hoofde van de AVG verboden is, tenzij deze uitdrukkelijk is toegestaan bij de AVG;

    Participatie

    27. onderstreept dat organisaties van personen met een handicap moeten worden geraadpleegd en actief moeten worden betrokken bij alle fasen van de planning, vaststelling, uitvoering en monitoring van alle soorten maatregelen, opdat deze maatregelen bijdragen aan de bevordering van hun grondrechten; is ingenomen met de toezegging van de Commissie om organisaties van personen met een handicap op passende wijze te betrekken bij alle fasen van de uitvoering van de Europese strategie inzake handicaps 2021-2030;

    28. wijst andermaal op het belang van de raadpleging en participatie van personen met een handicap en hun belangenorganisaties bij de vaststelling van maatregelen in verband met de COVID-19-pandemie, zoals herstel- en vaccinatieplannen, en bij elke mogelijke toekomstige crisis;

    29. benadrukt dat de volledige en effectieve participatie van personen met een handicap in alle facetten van het dagelijks leven en de samenleving van cruciaal belang is voor de uitoefening van hun grondrechten;

    30. herinnert eraan dat veel personen met een handicap nog steeds buiten het gemeenschapsleven staan en geen controle over hun dagelijks leven hebben, met name degenen die in verzorgingshuizen wonen, zoals ook is gebleken tijdens de COVID-19-pandemie, die de uitdagingen voor personen in instellingen aan het licht heeft gebracht en heeft verergerd; dringt er bij de lidstaten op aan om ondersteunende diensten in alle beleidsmaatregelen te mainstreamen opdat personen met een handicap het gelijke recht genieten om zelfstandig te wonen en deel uit te maken van de gemeenschap;

    31. dringt er bij de lidstaten op aan ervoor te zorgen dat personen met een handicap zonder enige beperking bij het besluitvormingsproces worden betrokken; merkt op dat het Gehandicaptenverdrag volwaardige politieke participatie vereist, wat betekent dat personen met een handicap op gelijke voet met anderen moeten kunnen deelnemen aan verkiezingen en besluitvormingsprocessen; verzoekt de Commissie ervoor te zorgen dat de lidstaten in ondersteunde naturalisatieprocedures of specifieke ontheffingen van naturalisatietoetsen voor personen met een handicap voorzien om hun toegang tot burgerschap te waarborgen;

    32. herinnert aan het grote aantal Europese burgers dat hun kiesrechten niet heeft kunnen uitoefenen, onder meer tijdens de verkiezingen voor het Europees Parlement, wegens hun handicap of geestelijkegezondheidsproblemen; verzoekt de Commissie en de lidstaten daarom ervoor te zorgen dat het stemrecht van personen met een handicap bij Europese verkiezingen daadwerkelijk wordt gewaarborgd;

    Vrij verkeer

    33. is ingenomen met het voornemen van de Commissie om uiterlijk eind 2023 een voorstel in te dienen voor de invoering van een EU-gehandicaptenkaart die in alle lidstaten wordt erkend, waarmee de proefprojecten inzake de EU-gehandicaptenkaart en de EU-parkeerkaart voor personen met een handicap worden uitgebreid; is van oordeel dat een EU-gehandicaptenkaart, die in alle lidstaten verplicht dient te zijn, een belangrijk instrument zal zijn om personen met een handicap te helpen hun recht op vrij verkeer uit te oefenen in een Europa zonder belemmeringen;

    34 verzoekt de Commissie en de lidstaten ambitieus te zijn wat betreft de reikwijdte van de rechten die gebruikers van de kaart zullen hebben, en ervoor te zorgen dat de kaart in alle lidstaten op correcte wijze wordt ingevoerd, zo nodig door middel van bindende EU-wetgeving;

    35. merkt op dat er in sommige EU-landen waar al een gehandicaptenkaart is ingevoerd, misbruik is gemeld, hetgeen soms negatieve gevolgen heeft voor personen die daadwerkelijk in aanmerking komen; benadrukt daarom dat op alle niveaus aan bewustmaking moet worden gedaan en dat er maatregelen moeten worden genomen om misbruik van de nieuwe EU-gehandicaptenkaart te voorkomen;

    36. verzoekt de Commissie om personen met een handicap en hun familie en helpers in heel Europa vrij te stellen van tolheffing om hun bewegingsvrijheid te bevorderen, met name wanneer er meerdere trajecten nodig zijn om hun medische verzorging en welzijn te garanderen;

    37. verzoekt de Commissie het wetgevingskader inzake de deelname van personen met een handicap aan toerisme verder te versterken; merkt op dat 25 % van de kiezers in de EU stelt enige mate van beperking of handicap te hebben[29] en dat de totale omzet van toegankelijk toerisme voor personen met een handicap en personen met beperkte mobiliteit in de EU in 2012 ongeveer 786 miljard EUR bedroeg[30];

    38. is bijzonder verheugd over de vaststelling van betere rechten voor treinreizigers met een handicap en beperkte mobiliteit, en met name over de geleidelijke afschaffing van de huidige vrijstellingen voor de lidstaten en de verkorting van de termijn waarbinnen personen met een handicap of beperkte mobiliteit vooraf om bijstand moeten verzoeken; vraagt de lidstaten om zo spoedig mogelijk te zorgen voor kortere kennisgevingstermijnen voor personen met een handicap die bij reizen bijstand nodig hebben, teneinde hen in staat te stellen hun recht op vrij verkeer gemakkelijker uit te oefenen, en om termijnen voor toegankelijkheid vast te stellen; vraagt dat de regels die bij de herschikking van Verordening (EG) nr. 1371/2007 zijn vastgesteld, in alle lidstaten snel ten uitvoer worden gelegd; verzoekt de Commissie te overwegen een voorstel in te dienen over de rechten van reizigers met een handicap in het vervoer in de stad en op het platteland, teneinde de nog bestaande lacunes weg te werken; vraagt dat er voor het vervoer over zee een even doeltreffend pakket wordt vastgesteld;

    39. verzoekt de Commissie de lidstaten te ondersteunen om op lokaal, regionaal en nationaal niveau de nodige voorwaarden te scheppen om personen met een handicap in staat te stellen op voet van gelijkheid met anderen gebruik te maken van hun recht op vrij verkeer, zelfbeschikking en persoonlijke keuzes, zelfstandig te leven en in de maatschappij te participeren, zoals vastgesteld in artikel 19 van het Gehandicaptenverdrag; vraagt de lidstaten de informatie die door overheidsdiensten wordt verstrekt, beter toegankelijk te maken door open en toegankelijke formaten te gebruiken;

    Toegankelijkheid

    40. neemt nota van het voorstel van de Commissie voor de oprichting van het centrum voor hulpbronnen “AccessibleEU“ tegen 2022; verzoekt de Commissie een EU-agentschap voor toegankelijkheid (“Europese Toegangsraad”) op te richten dat tot taak zou hebben technische specificaties voor toegankelijkheid te ontwikkelen ter ondersteuning van specifieke EU-beleidsmaatregelen en ‑wetgeving, te overleggen met rechthebbenden, belanghebbenden en niet-gouvernementele organisaties, de lidstaten en de EU-instellingen te helpen om op geharmoniseerde wijze voor toegankelijkheid te zorgen ten bate van de interne markt, en aan bewustmaking te doen over het belang van toegankelijkheid voor gelijke samenlevingen;

    41. verzoekt de Commissie en de lidstaten zorgt te dragen voor de cognitieve, zintuiglijke en fysieke toegankelijkheid van EU-initiatieven voor de digitalisering van de arbeidsmarkt;

    42. betreurt dat toegang tot de bebouwde omgeving en fysieke toegankelijkheid niet zijn opgenomen in het toepassingsgebied van de Europese toegankelijkheidswet; verzoekt de Commissie de Europese toegankelijkheidswet als uitgangspunt te nemen bij het vaststellen van een degelijk EU-kader voor een toegankelijke en inclusieve omgeving met volledig toegankelijke openbare ruimten, diensten, met inbegrip van openbaar vervoer, communicatie en financiële diensten, en de bebouwde omgeving; is ingenomen met het initiatief “Access City Award van de Commissie”;

    43. is verheugd over de resultaten van de “European Access City”-wedstrijd; verzoekt de lidstaten soortgelijke wedstrijden op nationaal niveau in te voeren;

    44. herinnert eraan dat de meest voorkomende zorgen van indieners van verzoekschriften over de gelijke behandeling van personen met een handicap betrekking hebben op toegankelijkheid en sociale bescherming, alsook op arbeidsrechten en het recht op zelfstandig wonen in de gemeenschap; verzoekt de lidstaten daarom alle wetgeving op het gebied van toegankelijkheid, met inbegrip van Richtlijn (EU) 2019/882 (de Europese toegankelijkheidswet), volledig ten uitvoer te leggen en voortdurend te monitoren, teneinde belemmeringen voor werknemers met een handicap op effectief en definitief weg te nemen en ervoor te zorgen dat er toegankelijke diensten beschikbaar zijn en dat ze onder de juiste voorwaarden worden verleend; vraagt de lidstaten in dit verband om bij de omzetting van de Europese toegankelijkheidswet in nationale wetgeving rekening te houden met de onderlinge samenhang tussen de toegankelijkheid van diensten en de toegankelijkheid van de gebouwde omgeving;

    45. benadrukt dat volledige toegankelijkheid moet worden gewaarborgd op alle openbare plaatsen in Europa; betreurt dat de Europese strategie inzake handicaps 2021-2030 momenteel in veel opzichten wordt veronachtzaamd, en met name dat er te veel openbare gebouwen met architecturale belemmeringen zijn, hetgeen een ergerlijke vorm van discriminatie vormt; verzoekt de Commissie toegankelijkheid in alle beleidsgebieden te integreren en verzoekt de lidstaten de bestaande wetgeving volledig ten uitvoer te leggen;

    46. betreurt dat in sommige lidstaten ontoegankelijke noodnummers ertoe hebben geleid dat sommige personen met een handicap niet in staat waren met essentiële hulpdiensten te communiceren; dringt er daarom bij de lidstaten op aan om Richtlijn 2018/1972 tot vaststelling van het Europees wetboek voor elektronische communicatie zorgvuldig ten uitvoer te leggen;

    47. verzoekt de lidstaten zorg te dragen voor een snelle uitvoering op alle niveaus van Richtlijn (EU) 2016/2102 inzake de toegankelijkheid van de websites en mobiele applicaties van overheidsinstanties, zodat personen met een handicap in een toegankelijk formaat, met inbegrip van de nationale gebarentalen, toegang krijgen tot alle informatie die zij nodig hebben; is verheugd dat de Commissie het initiatief heeft genomen tot een actieplan voor webtoegankelijkheid voor alle instellingen, organen en agentschappen van de EU om ervoor te zorgen dat EU-websites en de op deze websites en onlineplatformen gepubliceerde documenten voldoen aan de Europese normen inzake toegankelijkheid, die moeten worden uitgebreid; verzoekt alle instellingen, organen en agentschappen van de EU uiterlijk in 2022 de Europese normen inzake toegankelijkheid na te leven;

    48. dringt er bij de lidstaten op aan om de richtlijn audiovisuele mediadiensten, die veel vertraging heeft opgelopen, in nationaal recht om te zetten en, overeenkomstig artikel 7 daarvan, toegankelijke audiovisuele mediadiensten aan te bieden aan personen met een handicap;

    49. dringt er bij de EU-instellingen op aan om het niveau en de kwaliteit van de toegankelijkheidsvoorzieningen in al hun gebouwen te verhogen en de bestaande belemmeringen voor de toegankelijkheid van hun websites, debatten en documentatie weg te nemen, d.w.z. de geproduceerde informatie toegankelijk te maken, bijvoorbeeld door te zorgen voor vertaling in de gebarentalen van de verschillende lidstaten en door documenten in braille en in gemakkelijk leesbare taal te produceren;

    50. benadrukt hoe belangrijk het is om in alle relevante beleidslijnen en instrumenten snel aandacht te besteden aan toegankelijkheidsvraagstukken, ook wat betreft de regels voor overheidsopdrachten en de toegankelijkheid van verzoekschriften aan het Parlement;

    51. verzoekt de betrokken diensten van het Parlement hun inspanningen voort te zetten en het project inzake de interdepartementale werkgroep voor gebarentaal zo snel mogelijk af te ronden teneinde te voldoen aan de verzoeken van verzoekschrift nr. 1056/2016 om het mogelijk te maken verzoekschriften in te dienen in de nationale gebarentalen die in de EU worden gebruikt, opdat het grondrecht om verzoekschriften in te dienen, toegankelijker wordt voor gebruikers van gebarentalen;

    52. wijst erop dat er bij commissievergaderingen, plenaire zittingen en alle andere vergaderingen van het Europees Parlement in vertolking in gebarentaal en vertalingen in gemakkelijk leesbare taal moet worden voorzien zodat ze toegankelijk zijn voor personen met een handicap;

    Bestrijding van discriminatie

    53. merkt op dat er geen wederzijdse erkenning van de gehandicaptenstatus tussen de lidstaten bestaat; verzoekt de lidstaten in een geest van wederzijds vertrouwen samen te werken om de in een andere lidstaat toegekende status te erkennen; wijst op de doelstelling van de Commissie om met de lidstaten samen te werken om de reikwijdte van de wederzijdse erkenning van de gehandicaptenstatus uit te breiden op gebieden zoals arbeidsmobiliteit en de voordelen die aan de dienstverleningsvoorwaarden verbonden zijn; benadrukt dat de voordelen van de EU-gehandicaptenkaart moeten worden uitgebreid zodat het ook mogelijk wordt om gebruik te maken van wederzijds erkende voordelen met betrekking tot de toegang tot gezondheidszorg; onderstreept in dit verband het belang van snelle maatregelen ter uitvoering van de Europese gehandicaptenkaart; wijst nogmaals op de noodzaak van een wederzijds begrip van de‑institutionalisering en de toepassing daarvan, alsook van zelfstandig leven in de gemeenschap, teneinde de strategieën van de lidstaten en de EU-fondsen beter af te stemmen op het Gehandicaptenverdrag;

    54. erkent dat de Europese gehandicaptenkaart op vele gebieden zou kunnen worden toegepast, zowel wat betreft de toegang tot tal van diensten zonder discriminatie als wat betreft veiligheid in gevaarlijke situaties of in noodgevallen; wijst erop dat de kaart ervoor zou zorgen dat een persoon met een handicap onmiddellijk wordt herkend door de betrokken ordediensten;

    55. betreurt dat kinderen en volwassenen met een handicap volgens de WHO[31] meer risico lopen om het slachtoffer van geweld te worden dan kinderen en volwassenen zonder handicap; wijst erop dat met name kinderen met een handicap in vergelijking met kinderen zonder handicap 3,7 keer meer kans maken om het slachtoffer te worden van enige vorm van geweld, 3,6 keer meer kans maken om slachtoffer te worden van fysiek geweld en 2,9 keer meer kans maken om slachtoffer te worden van seksueel geweld; onderstreept dat kinderen met geestelijke of verstandelijke beperkingen een van de meest kwetsbare groepen vormen en 4,6 keer meer kans maken om het slachtoffer te worden van seksueel geweld dan kinderen zonder handicap; vraagt daarom dat er een Europees kader wordt gecreëerd voor de bescherming van personen met een handicap tegen alle vormen van geweld;

    56. benadrukt dat er dringend EU-wetgeving moet komen om burgers in de EU te beschermen tegen alle vormen van discriminatie, en acht dit van wezenlijk belang voor de correcte uitvoering van het beleid in het kader van het Gehandicaptenverdrag; dringt er bij de lidstaten op aan om de horizontale antidiscriminatierichtlijn van de EU, die de Commissie in 2008 heeft voorgelegd, aan te nemen; verzoekt de Commissie met een alternatieve oplossing te komen om zo spoedig mogelijk voortuitgang te boeken bij het tegengaan van discriminatie in de hele EU, op alle gebieden van het leven;

    57. veroordeelt alle vormen van medische discriminatie jegens personen met een handicap ten stelligste; wijst erop dat de maatregelen die de lidstaten in dit verband vaststellen, moeten stroken met het Gehandicaptenverdrag, en gelijke en niet-discriminerende toegang tot de gezondheidszorg en sociale diensten moeten waarborgen; benadrukt dat bij de respons op toekomstige gezondheidscrises (van paraatheid tot behandeling) moet worden gewaarborgd dat personen met een handicap niet in de steek worden gelaten; verzoekt de betrokken autoriteiten in dit verband met klem om personen met een handicap dezelfde medische behandeling te verlenen als alle andere personen, met inbegrip van intensieve medische zorg, ook tijdens gezondheidscrises zoals de COVID-19-pandemie; wijst erop dat het belangrijk is dat de gezondheidszorg altijd een centrale rol speelt bij de bescherming van personen met een handicap;

    58. vraagt de Commissie nogmaals samen met het Hof van Justitie van de Europese Unie werk te maken van strategieën inzake communicatie en toegankelijkheid om ervoor te zorgen dat personen met een handicap zonder enige vorm van discriminatie toegang hebben tot het rechtsstelsel van de EU; verzoekt de Commissie en de lidstaten door te gaan met empowermentprogramma’s voor personen met een handicap die hen in staat stellen gevallen van discriminatie te herkennen en te melden;

    59. veroordeelt elke vorm van discriminatie van personen met een handicap op de werkplek; verzoekt de lidstaten en de Commissie beleidsmaatregelen te nemen om pesterijen op grond van handicap op de werkplek te voorkomen; vraagt de lidstaten ook om, in samenwerking met de werkgevers, beleidsmaatregelen te nemen om te voorkomen dat mensen met een handicap op de werkplek worden gecyberpest;

    60. benadrukt dat moet worden voorkomen dat personen wier handicap onverenigbaar is met detentie, in de gevangenis terechtkomen, en dat in alternatieven voor gevangenisstraf moet worden voorzien; vraagt de lidstaten ervoor te zorgen dat de grondbeginselen van gelijke behandeling, non-discriminatie, redelijke aanpassingen en toegankelijkheid worden geëerbiedigd ten aanzien van gedetineerden met een handicap;

    61. vraagt de lidstaten informatie en good practices uit te wisselen, met name met betrekking tot de overgang van institutionele zorg naar zelfstandig wonen, de verstrekking van toegankelijke en betaalbare huisvesting voor personen met een handicap en integratie in de samenleving;

    62. benadrukt dat redelijke huisvesting, toegankelijkheid en universeel ontwerp van cruciaal belang zijn voor de bestrijding van discriminatie ten aanzien van personen met een handicap; onderstreept dat effectieve niet-discriminerende toegang gepaard moet gaan met het in kaart brengen en verwijderen van obstakels en belemmeringen voor de toegang van personen met een handicap tot goederen, diensten en voorzieningen die voor het grote publiek beschikbaar zijn; benadrukt dat effectieve, niet-discriminerende toegang voor personen met een handicap waar mogelijk moet worden geboden onder dezelfde voorwaarden als voor personen zonder handicap, en dat het gebruik van hulpmiddelen door personen met een handicap moet worden vergemakkelijkt, zo nodig met inbegrip van hulpmiddelen voor mobiliteit en toegang, zoals erkende geleidehonden en andere assistentiehonden[32]; herinnert eraan dat toegankelijkheidsnormen moeten worden vastgesteld in overleg met personen met een handicap en hun vertegenwoordigende organisaties, aangezien hun deskundigheid van essentieel belang is voor het in kaart brengen van belemmeringen voor de toegankelijkheid; benadrukt dat redelijke huisvesting, toegankelijkheid en universeel ontwerp van cruciaal belang zijn voor de bestrijding van discriminatie ten aanzien van personen met een handicap;

    63. wijst op de cruciale rol van familieleden die bijstand verlenen aan personen met een handicap en vaak in al hun zorg- en hulpbehoeften voorzien; benadrukt in dit verband dat het beleid en de strategieën op EU- en nationaal niveau familieleden en mantelzorgers stevig moeten ondersteunen; acht het van essentieel belang dat hun rol als mantelzorgers op Europees niveau wederzijds wordt erkend;

    64. wijst op het belang van het recht van personen met een handicap om hun grondrechten op voet van gelijkheid uit te oefenen; benadrukt dat moet worden erkend dat personen met een handicap in alle aspecten van het leven op voet van gelijkheid met anderen handelingsbekwaam zijn, overeenkomstig artikel 12 van het Gehandicaptenverdrag; verzoekt de lidstaten tijdig passende maatregelen te nemen om personen met wat voor handicap dan ook in alle fasen van de procedure effectieve, eerlijke en inclusieve toegang tot justitie en rechtshandhaving te bieden;  benadrukt dat voorzieningen en diensten toegankelijk moeten zijn om gelijke toegang tot de rechter en de hele gerechtelijke procedure te waarborgen, zonder discriminatie;

    65. benadrukt dat er financiële steun nodig is opdat personen met een handicap helpers kunnen inhuren of in dienst kunnen nemen of familieleden financieel kunnen ondersteunen, omdat hun zorgdiensten tijd en geld kosten en omdat dit absoluut noodzakelijk is ter ondersteuning van personen met een handicap en hun mantelzorgers;

    66. wijst erop dat personen met een handicap sociaal gemarginaliseerd worden en worden uitgesloten van de arbeidsmarkt en het economisch en maatschappelijk leven; betreurt dat personen met een handicap, met name degenen met een grote zorgbehoefte, een groot risico lopen om in een instelling te belanden, aangezien de huidige financiële steun van de lidstaten niet toereikend is, met name om vanuit de gemeenschap verzorgde, mensgerichte ondersteuning te bieden waarmee de rechten van personen met een handicap kunnen worden beschermd[33];

    67. benadrukt dat artikel 19 van het Gehandicaptenverdrag voorziet in het recht om zelfstandig te wonen en deel uit te maken van de gemeenschap; vraagt de lidstaten een proces in gang te zetten dat leidt tot een verschuiving van de woonsituatie van personen met een handicap van institutionele settings naar een systeem dat deelname aan de maatschappij mogelijk maakt en waarin gemeenschapsdiensten worden geleverd op basis van individuele wensen en voorkeuren; verzoekt de lidstaten specifieke streefcijfers met duidelijke tijdschema’s in hun de-institutionaliseringsstrategieën op te nemen en voldoende middelen uit te trekken voor de uitvoering van deze strategieën;

    68. betreurt dat personen met een handicap en hun ondersteunende netwerk in de vaccinatiestrategie van de EU zijn uitgesloten van de prioritaire groepen; roept de lidstaten ertoe op personen met een handicap en hun ondersteunende netwerk prioritaire toegang tot vaccinatie te bieden; benadrukt in dit verband dat vaccinatie tegen COVID-19 gebaseerd moet zijn op de vrijwillige en geïnformeerde toestemming van personen met een handicap en dat de autonomie en handelingsbekwaamheid van alle personen met een handicap, met inbegrip van personen met een verstandelijke handicap, personen met psychosociale handicaps en autistische personen, niet mogen worden ondermijnd door maatregelen die geacht worden in het algemeen belang of het belang van de persoon te zijn;

    69. vraagt dat de EU en de lidstaten een onderzoek instellen naar de onevenredig hoge COVID-19-infectie- en ‑sterftecijfers in verpleeg- en verzorgingshuizen, woonvoorzieningen voor ouderen en personen met een handicap en andere sociale diensten, om inzicht te krijgen in de oorzaken, vast te stellen wie hiervoor verantwoordelijk was en de nodige maatregelen te nemen om dergelijke gevallen in de toekomst te voorkomen;

    70. vraagt dat de locaties waar wordt gevaccineerd, fysiek toegankelijk zijn en dat ter plaatse begeleiding en hulp wordt geboden aan wie die daar behoefte aan heeft; vraagt dat er waar in nodig gratis of goedkope gerichte programma’s voor toegankelijk vervoer wordt voorzien;

    Werkgelegenheid en sociale zaken

    71. is bezorgd over de hoge werkloosheid onder personen met een handicap, met name onder vrouwen met een handicap, vergeleken met andere groepen in de EU; verzoekt de lidstaten een wetgevings- en beleidskader te bevorderen en te waarborgen voor de deelname van personen, en met name vrouwen, met een handicap aan de arbeidsmarkt, met inbegrip van personen met onzichtbare beperkingen, chronische aandoeningen en leerstoornissen;

    72. vraagt de lidstaten een intersectionele benadering te volgen, met name in hun beleid en maatregelen voor het creëren van inclusieve werkgelegenheid; betreurt dat meervoudige en intersectionele discriminatie onvoldoende aan bod komen in de Europese strategie inzake handicaps 2021-2030; verzoekt de Commissie daarom bij de uitvoering van de strategie bijzondere nadruk te leggen op intersectionaliteit en duidelijke, meetbare en ambitieuze doelen voor diversiteit op de werkplek vast te stellen, die rekening houden met de heterogeniteit van personen met een handicap, om meervoudige en intersectionele discriminatie aan te pakken; benadrukt dat het belangrijk is om de efficiëntie van de strategie te monitoren met betrokkenheid van personen met een handicap en de organisaties die hen vertegenwoordigen;

    73. verzoekt de Commissie en de lidstaten sociale ondernemingen die vooral werk bieden aan personen met een handicap, te bevorderen en te steunen, aangezien zij een hefboom zijn om het scheppen van fatsoenlijke banen te stimuleren;

    74. moedigt de lidstaten aan om personen met aanzienlijke en ernstige handicaps vroegtijdige toegang tot openbare pensioenregelingen te verlenen om het risico op armoede en sociale uitsluiting op hogere leeftijd tegen te gaan;

    75. verzoekt de lidstaten de onderontwikkeling en onderfinanciering van de openbare diensten voor arbeidsvoorziening aan te pakken om de arbeidsparticipatie van personen met een handicap te verbeteren; dringt er bij de lidstaten op aan de banden tussen openbare diensten voor arbeidsvoorziening en wervingsbureaus te versterken;

    76. wijst erop dat beschutte werkplekken die conform het Gehandicaptenverdrag werken, een positieve rol spelen bij de overgang van personen met een handicap naar de open arbeidsmarkt;

    77. dringt er bij de lidstaten op aan om steun te verlenen voor op rechten gebaseerde, inclusieve en fatsoenlijke modellen voor individuele plaatsing en ondersteuning (“ondersteunde werkgelegenheid”) als middel voor personen met een handicap om, waar mogelijk, over te stappen naar de open arbeidsmarkt;

    78. verzoekt de Commissie zo snel mogelijk te beginnen met de herziening van de richtlijn gelijke behandeling in arbeid en beroep en deze volledig te harmoniseren met de bepalingen van het Gehandicaptenverdrag, en een participatieve procedure te volgen om rechtstreekse en volledige betrokkenheid van organisaties die personen met een handicap vertegenwoordigen te waarborgen;

    79. wijst erop dat steunregelingen voor aanwerving niet mogen leiden tot lagere lonen voor personen met een handicap, vooral niet wanneer er sprake is van medefinanciering door de overheid; wijst erop dat de aanwerving van personen met een handicap wat loon en arbeidstijd betreft, gebaseerd moet zijn op het arbeidskader dat voor andere werknemers geldt, waarbij dat kader op hun behoeften wordt afgestemd; is van mening dat personen met een handicap niet op de open arbeidsmarkt kunnen worden opgenomen zonder algemeen kader van arbeidswetgeving en bevordering van zowel loon- als collectieve onderhandelingen;

    80. wijst erop dat financiële bijstand nodig is opdat personen met een handicap gekwalificeerde helpers kunnen inhuren of in dienst kunnen nemen;

    81. dringt er bij de lidstaten op aan te zorgen voor een passende coördinatie van de sociale zekerheid voor personen met een handicap, mede door ervoor te zorgen dat zij invaliditeitssteun blijven ontvangen om de aan hun handicap gerelateerde extra kosten te dekken, zelfs wanneer zij de arbeidsmarkt betreden of een bepaald inkomensniveau overschrijden, om hun integratie op de arbeidsmarkt te ondersteunen en hun waardigheid en gelijkheid te helpen waarborgen; is van mening dat dit moet gebeuren door een wijziging van Verordening (EG) nr. 883/2004 en door raadpleging van organisaties die personen met een handicap vertegenwoordigen;

    82. vraagt de lidstaten informatie en good practices uit te wisselen, met name met betrekking tot de overgang van institutionele zorg naar zelfstandig wonen, de verstrekking van toegankelijke en betaalbare huisvesting voor personen met een handicap en integratie in de samenleving;

    83. verzoekt de Commissie en de lidstaten hun inspanningen op te voeren om de aanhoudende arbeidsparticipatiekloof tussen mensen met en zonder handicap te dichten en de toegang van personen met een handicap tot hoogwaardige en duurzame banen te bevorderen; is in dit verband verheugd dat de Commissie in het actieplan voor de Europese pijler van sociale rechten voorstelt om die arbeidsparticipatiekloof op te nemen in het herziene sociale scorebord;

    84. verzoekt de lidstaten Richtlijn 2000/78/EG van de Raad volledig ten uitvoer te leggen; dringt er bij de lidstaten op aan om personen met een handicap meer kansen op een baan te bieden door de richtlijn, en met name artikel 5 betreffende redelijke aanpassingen, beter ten uitvoer te leggen en door EU-middelen en financiering uit hoofde van de herstel- en veerkrachtfaciliteit te investeren in opleidingen en banencreatie voor personen met een handicap;

    85. benadrukt dat afstemming van vraag en aanbod op de arbeidsmarkt, beroepsprofilering, gelijktijdig werken en leren, steun voor inwerken en opleiding, en mogelijkheden voor loopbaanontwikkeling een belangrijke rol spelen om personen met een handicap te helpen betaald werk te krijgen en behouden;

    86. vraagt de lidstaten ervoor te zorgen dat de arbeidsmarkt en werkomgevingen open, inclusief en toegankelijk zijn voor personen met een handicap, arbeidsbemiddelingsdiensten te ondersteunen en aan bewustmaking te doen over inclusieve arbeidsmethoden, passende stimulansen te geven en ondersteunende maatregelen te nemen voor bedrijven, in het bijzonder micro-, kleine en middelgrote ondernemingen, die personen met een handicap aanwerven en opleiden, en ervoor te zorgen dat algemene regelingen voor zelfstandigen toegankelijk zijn voor en ondersteuning bieden aan personen met een handicap;

    87. vraagt de lidstaten aanpassingen op de werkplek aan te moedigen en maatregelen te nemen om de gezondheid en veiligheid op het werk te verbeteren; verzoekt de Commissie in het komende strategisch EU-kader voor gezondheid en veiligheid op het werk speciale aandacht te besteden aan werknemers met een handicap en ambitieuze doelen te stellen;

    88. vraagt de EU-instellingen en de lidstaten een quotaregeling voor personen met een handicap in te voeren om inclusieve werkplekken te bevorderen;

    Overheidsopdrachten en EU-middelen

    89. herinnert eraan dat de aanbestedingsprocedures in de lidstaten moeten worden toegepast en afgerond op een wijze die de grondrechten van de begunstigden, met inbegrip van personen met een handicap, volledig eerbiedigt; wijst erop dat de lidstaten bij het toepassen van de wetgeving inzake overheidsopdrachten volledig moeten voldoen aan het Gehandicaptenverdrag, met name wat betreft de keuze van de communicatiemiddelen, de technische specificaties, de gunningscriteria en de voorwaarden voor de uitvoering van de opdracht;

    90. herinnert eraan dat goede openbare voorzieningen, met name op het gebied van gezondheidszorg en onderwijs, essentieel zijn om de gelijke behandeling van personen met een handicap te waarborgen, ongeacht hun economische situatie; verzoekt de lidstaten de EU-middelen te gebruiken om deze voorzieningen en de bijbehorende infrastructuur te verbeteren, overeenkomstig de geest van de initiatieven React-EU en NextGenerationEU;

    91. vraagt de Commissie en de lidstaten in de definitieve tekst van de partnerschapsovereenkomsten met betrekking tot de Europese structuur- en investeringsfondsen en in de programma’s van deze fondsen doelstellingen en benaderingen op te nemen om de levensomstandigheden van personen met een handicap te verbeteren, met inachtneming van de beginselen van toegankelijkheid en non-discriminatie, en te investeren in gelijke kansen en de participatie van personen met een handicap op alle gebieden van het leven, met inbegrip van steun voor de overgang van leven in een instelling naar leven in de gemeenschap; verzoekt de Commissie het gebruik van EU-middelen overeenkomstig het Gehandicaptenverdrag nauwlettend te monitoren; benadrukt dat de definities van toegankelijkheid, participatie en leven in de gemeenschap geleidelijk moeten worden geharmoniseerd om de samenhang tussen de lidstaten te versterken;

    92. verzoekt de lidstaten gebruik te maken van de kansen die betreffende EU-fondsen bieden voor het scheppen van banen en opleidingen voor personen met een handicap, om ervoor te helpen zorgen dat openbare ruimten en infrastructuur volledig toegankelijk zijn en dat door de EU gefinancierde maatregelen ten goede komen aan personen met een handicap; betreurt dat de EU-middelen in een aantal lidstaten nog steeds worden gebruikt om nieuwe, gescheiden omgevingen voor personen met een handicap te bouwen;

    93. onderstreept dat de hulpmiddelen die personen met een handicap nodig hebben, adequaat moeten worden gefinancierd zodat zij in hun dagelijks leven, voor hun werk en bij hun maatschappelijke participatie kunnen beschikken over de beste beschikbare technologie en hulpmiddelen;

    94. benadrukt dat EU-middelen nooit mogen worden gebruikt voor de financiering van ontoegankelijke producten, diensten of infrastructuur;

    95. verzoekt de Commissie en de lidstaten ervoor te zorgen dat programma’s en strategieën voor plattelandsontwikkeling specifieke maatregelen omvatten om personen met een handicap die op het platteland wonen, te bereiken en hen te betrekken bij de opstelling en de uitvoering van die programma’s en strategieën;

    Digitalisering

    96. verzoekt de lidstaten de mogelijkheden en het potentieel van digitalisering en digitale oplossingen te onderzoeken en de waarde van ondersteunende en adaptieve technologieën voor personen met een handicap te erkennen, met inachtneming van de bescherming van persoonsgegevens en ethische overwegingen; herinnert eraan dat het potentieel van het gebruik van digitale hulpmiddelen en ondersteunende technologieën afhankelijk is van de mogelijkheden van personen met een handicap om hun digitale vaardigheden te ontwikkelen; benadrukt dat de ontwikkeling van de nodige digitale vaardigheden en kennis van AI kwetsbare groepen, zoals personen met een handicap, de kans op toegang tot de arbeidsmarkt kan geven;

    97. wijst erop dat de COVID-19-pandemie heeft laten zien dat de digitale transformatie ten goede moet komen aan de hele bevolking, zonder enige vorm van discriminatie of uitsluiting; benadrukt het belang van informatie- en communicatietechnologie (ICT) voor mobiliteit, communicatie en de toegang tot openbare diensten; verzoekt de lidstaten daarom de participatie van personen met een handicap actief te bevorderen door hun de nodige middelen ter beschikking te stellen om hun toegang tot online overheidsdiensten te waarborgen;

    98. vraagt de EU-instellingen de hoogste toegankelijkheidsnormen te hanteren voor hun infrastructuur, diensten en digitale diensten, alles in het werk te stellen om hun documenten over wetgevingsprocedures op een gebruiksvriendelijke en toegankelijke manier te verspreiden en ervoor te zorgen dat personen met een handicap naar behoren en volledig toegang hebben tot hun websites en contactformulieren; moedigt de lidstaten aan om programma’s te ontwikkelen voor de inclusie van personen met een handicap in de samenleving door middel van sport, kunst, cultuur en vrijetijdsactiviteiten, en ter bevordering van hun deelname aan het politieke proces zonder enige beperking;

    Onderzoek

    99. verzoekt de Commissie verder onderzoek te verrichten naar de impact en de gezondheidsgerelateerde effecten van nieuwe technologieën op personen met een handicap, zoals het effect van ledverlichting op lichtgevoelige personen;

    100. wijst erop dat voor de ontwikkeling van passend en doeltreffend beleid dat beoogt een toegankelijke samenleving voor alle personen met een handicap in de EU te creëren, vergelijkbare en betrouwbare EU-gegevens nodig zijn; verzoekt de Commissie en de lidstaten daarom meer werk te maken van een gemeenschappelijk kader van Europese statistieken over personen en huishoudens, teneinde betrouwbare statistieken en gegevens te verzamelen over de deelname van personen met een handicap aan de verschillende onderwijsniveaus en ‑types en aan arbeid en sociale activiteiten;

    101. benadrukt dat er moet worden geïnvesteerd in innovatie en onderzoek met betrekking tot de arbeidsparticipatie en ondernemerschap van personen met een handicap, teneinde hun financiële zelfredzaamheid en hun deelname aan het economisch en maatschappelijk leven te ondersteunen;

    102. benadrukt de behoefte aan meer onderzoek en innovatie op het gebied van toegankelijke technologie om de inclusiviteit van de arbeidsmarkten voor personen met een handicap te vergroten; benadrukt het belang van informatie- en communicatietechnologie voor personen met een handicap wat mobiliteit, communicatie en de toegang tot overheidsdiensten betreft;

    Onderwijs

    103. is verheugd dat de lidstaten bereid zijn een inclusief onderwijsbeleid te voeren; verzoekt de lidstaten de capaciteit van hun onderwijsstelsels om alle lerenden kwalitatief hoogwaardig en toegankelijk onderwijs te bieden, verder te vergroten door specifieke maatregelen en gepersonaliseerde ondersteuning te bevorderen, zoals toegankelijke en op maat gesneden leerplannen en leermiddelen, toegankelijke ICT en passend digitaal onderwijs; verzoekt de Commissie de kindergarantie een grotere rol toe te bedelen bij het waarborgen van de gelijke behandeling van kinderen met een handicap, en een prijs voor toegankelijke scholen in overweging te nemen; verzoekt de Commissie en de lidstaten daarom te investeren in cursussen voor onderwijspersoneel over de behoeften van personen met een handicap; wijst er andermaal op dat de uitvoering en toewijzing van de betreffende financieringsprogramma’s van de EU moeten bijdragen aan de transitie naar inclusief onderwijs; benadrukt dat de toegang van personen met een handicap tot onderwijs moet worden gewaarborgd, ook tijdens crises zoals de COVID-19-pandemie, en dat de lidstaten alle vormen van discriminatie en uitsluiting op dit gebied moeten tegengaan; benadrukt dat de deelname van jongeren met een handicap aan opleidingen moet worden vergroot en dat daarbij rekening moet worden gehouden met de behoeften van deze jongeren, zodat zij een betere toegang tot de arbeidsmarkt krijgen; wijst erop dat kinderen uit taalminderheden en kinderen met speciale onderwijsbehoeften er baat bij hebben om gedurende de eerste jaren onderwijs te krijgen in hun moedertaal als zij moeite hebben met taalgebruik en communicatie; verzoekt de lidstaten ervoor te zorgen dat kinderen met speciale onderwijsbehoeften toegang hebben tot onderwijs in minderheidstalen;

    104. wijst erop dat inclusief onderwijs en inclusieve beroepsopleidingsprogramma’s twee van de belangrijkste voorwaarden zijn voor een meer inclusieve arbeidsmarkt; verzoekt de Commissie ervoor te zorgen dat de komende EU-aanpak van microcredentials voor levenslang leren en inzetbaarheid toegankelijk en inclusief is, en dat daarbij wordt nagedacht over manieren om de uitoefening van het recht van personen met een handicap op arbeid te verbeteren; verzoekt de lidstaten gebruik te maken van de kansen die de verbeterde jongerengarantie biedt voor werkgelegenheid, onderwijs, stages of leerlingplaatsen voor jongeren met een handicap, en te zorgen voor gelijke toegang voor personen met een handicap en beleid op maat;

    105. benadrukt het belang van vroegtijdige, geïndividualiseerde en uitgebreide ondersteuning van kinderen met een handicap, hun ouders en hun verzorgers; verzoekt de lidstaten bijzondere aandacht te besteden aan kinderen met een handicap en speciale onderwijsbehoeften;

    106. vestigt de aandacht op het belang van vroegtijdige interventie en op het feit dat kinderen met een handicap vanaf de eerste levensfasen moeten deelnemen aan en worden betrokken bij de samenleving; wijst erop dat de financieringsmogelijkheden voor inclusief onderwijs, voor zover dit mogelijk en raadzaam is, moeten worden verruimd, zowel voor de bevordering van de invloed van inclusief onderwijs op kinderen met of zonder handicap als voor de financiering van onderzoek naar inclusief onderwijs; is van mening dat het gebruik van nieuwe technologieën moet worden aangemoedigd, met inbegrip van ICT, mobiliteits- en andere hulpmiddelen en technologieën die geschikt zijn voor personen met een handicap; benadrukt dat onderwijs van cruciaal belang is voor de individuele ontwikkeling en dat toegankelijke leeromgevingen voor personen met een handicap hun de mogelijkheid bieden een volwaardige bijdrage te leveren aan alle facetten van de samenleving;

    107. benadrukt dat personen met een handicap volledig moeten worden geïntegreerd op de arbeidsmarkt door het bevorderen van inclusief onderwijs en vormen van flexibele arbeid die aan hun behoeften kunnen tegemoetkomen (zoals telewerken of slim werken), en door gehandicaptenorganisaties volledig te betrekken bij de ontwikkeling van inclusieve strategieën;

    108. wijst erop dat personen met een handicap vaak vaardigheden en kwalificaties van een hoog niveau hebben die niet worden benut, waardoor zij zich niet kunnen ontplooien en de sociale en economische waarde van hun inclusie in de maatschappij onbenut blijft;

    109. is ervan overtuigd dat de lidstaten kinderen met een handicap passende ondersteuning moeten bieden om het openbaar onderwijs in staat te stellen de ruggengraat te worden van individuele leertrajecten;

    110. erkent het cruciale belang van onderwijs en sport bij het opgroeien en de ontwikkeling van kinderen met een handicap, in het bijzonder kinderen met autisme; betreurt dat die essentiële activiteiten hun zijn ontnomen door het afstandsonderwijs tijdens de pandemie; hoopt dat het onderwijs voor die kinderen prioriteit krijgt in het heropeningsbeleid van de lidstaten;

    111. stelt voor om projecten op te zetten om aan bewustmaking te doen over de behoeften van personen met een handicap en daarbij op positieve wijze gebruik te maken van culturele tools, bijvoorbeeld door culturele evenementen te bevorderen, in het kader van een bredere educatieve strategie om de rechten van personen met een handicap te bevorderen en te beschermen;

    112. verzoekt de lidstaten de richtsnoeren na te leven die de Commissie in haar mededeling “De Europese onderwijsruimte tegen 2025 tot stand brengen” heeft geformuleerd met betrekking tot de verplichting van regeringen om inclusief onderwijs in alle onderwijs- en opleidingssectoren te bevorderen overeenkomstig de toezeggingen uit hoofde van het Gehandicaptenverdrag; vraagt dat in het nationale, Europese en regionale onderwijsbeleid een inclusief systeem wordt opgenomen dat het mogelijk maakt leerlingen met een handicap in het formeel onderwijs te integreren teneinde iedere vorm van discriminatie te vermijden;

    Bescherming van de rechten van vrouwen met een handicap

    113. is ingenomen met de Europese strategie inzake handicaps 2021-2030 en de verwijzingen daarin naar de specifieke uitdagingen waarmee vrouwen en meisjes met een handicap worden geconfronteerd; vraagt dat de intersectie van gender en handicap wordt geïntegreerd in alle beleidsmaatregelen, programma’s en initiatieven van de EU en in de nationale actieplannen van de lidstaten; dringt aan op een optimaal gebruik van de bestaande en toekomstige financieringsinstrumenten van de EU om toegankelijkheid en non-discriminatie te bevorderen;

    114. verzoekt de Commissie en de lidstaten ervoor te zorgen dat vrouwen met een handicap zich volledig kunnen ontplooien, vooruit kunnen komen en hun lot in eigen handen kunnen nemen, en hun deelname aan de openbare besluitvorming te bevorderen; wijst erop dat passende maatregelen moeten worden genomen om ervoor te zorgen dat ten volle rekening wordt gehouden met hun standpunten en dat, naast specifieke adviesorganen inzake handicaps, de participatie van organisaties die vrouwen met een handicap vertegenwoordigen wordt bevorderd;

    115. verzoekt de Commissie en de lidstaten het gendergerelateerd geweld waarmee vrouwen en meisjes met een handicap worden geconfronteerd, dringend aan te pakken via het Verdrag van Istanbul en door de vormen van criminaliteit als bedoeld in artikel 83, lid 1, van het VWEU uit te breiden tot specifieke vormen van gendergerelateerd geweld; verzoekt de Commissie dit als rechtsgrondslag te gebruiken om bindende maatregelen en een holistische EU-kaderrichtlijn voor te stellen om alle vormen van gendergerelateerd geweld te voorkomen en te bestrijden; verzoekt de Commissie er via de strategie voor gendergelijkheid en de strategie voor de rechten van slachtoffers voor te zorgen dat de behoeften van vrouwen met een handicap in aanmerking worden genomen in initiatieven die ondersteuning bieden aan slachtoffers, en ervoor te zorgen dat slachtoffersteun wordt opgezet in overeenstemming met het beginsel van toegankelijkheid;

    116. betreurt de discriminatie op grond van geslacht die vrouwen en meisjes met fysieke of cognitieve handicaps ervaren in de medische sector; is van mening dat vrouwen en meisjes met een handicap volledige en gelijke toegang moeten hebben tot medische behandelingen die aan hun specifieke behoeften tegemoetkomen, via handicapspecifieke gezondheidszorg- en algemene diensten; verzoekt de lidstaten medisch personeel te laten bijscholen over de specifieke behoeften van vrouwen en meisjes met een handicap, en ervoor te zorgen dat vrouwen en meisjes met een handicap alle passende informatie krijgen om hen in staat te stellen vrijelijk beslissingen te nemen over hun gezondheid;

    117. dringt aan op universele eerbiediging van en toegang tot seksuele en reproductieve gezondheid en rechten; betreurt dat de seksuele en reproductieve gezondheid en rechten van vrouwen in sommige landen worden aangevallen, hetgeen bijzonder schadelijk is voor vrouwen en meisjes met een handicap, die met bijkomende belemmeringen worden geconfronteerd bij de toegang tot gezondheidszorg; benadrukt dat de lidstaten alle nodige maatregelen moeten nemen om gedwongen sterilisatie te bestrijden; dringt er bij de lidstaten op aan te zorgen voor overheidsinvesteringen om volledige toegang tot seksuele en reproductieve gezondheid en rechten voor vrouwen en meisjes met een handicap te waarborgen; betreurt dat meisjes met een handicap vaak geen seksuele voorlichting krijgen; dringt er bij de lidstaten op aan uitgebreide en inclusieve voorlichting over seksualiteit en relaties te verzekeren;

    118. vraagt de lidstaten te zorgen voor een toegankelijk en niet-stereotiep onderwijssysteem, met inclusieve maatregelen op het gebied van onderwijs die vrouwen en meisjes met een handicap voorbereiden op de arbeidsmarkt, met bijzondere aandacht voor digitale vaardigheden en een leven lang leren, en de vrije studiekeuze van meisjes en vrouwen met een handicap te garanderen, zodat zij een baan kunnen kiezen die aan hun wensen tegemoetkomt en waarin zij zich volledig kunnen ontplooien, en waar zij niet worden beperkt door ontoegankelijkheid, vooroordelen en stereotypen; erkent het verband tussen onderwijs en latere werkgelegenheid; benadrukt de noodzaak van volledige toegang tot onderwijs om de werkgelegenheidskloof te dichten;

    119. verzoekt de Commissie en de lidstaten iets te doen aan de arbeidsparticipatiekloof waarmee vrouwen met een handicap worden geconfronteerd, met name door genderstereotypen aan te pakken, hun deelname aan de digitale economie te versterken, hun vertegenwoordiging in onderwijs, opleiding en banen in STEM-vakken en ‑beroepen te vergroten en belemmeringen voor de arbeidsparticipatie zoals seksuele intimidatie te bestrijden; verzoekt de Commissie en de lidstaten concrete maatregelen te nemen om ervoor te zorgen dat vrouwen met een handicap deelnemen aan de besluitvorming en gelijke beloning voor gelijk werk ontvangen via bindende loontransparantiemaatregelen, om hun hoge risico op armoede onder werkenden te beperken en om arbeidsregelingen zoals flexibele werkregelingen en ouderschapsverlof aan te passen aan hun specifieke behoeften; verzoekt de Commissie en de lidstaten om via het actieplan voor de sociale economie bedrijfsmodellen en initiatieven voor de sociale economie te ondersteunen die erop gericht zijn de sociale en arbeidsintegratie van vrouwen met een handicap te verbeteren;

    120. merkt op dat het verzamelen van meer gegevens en informatie van cruciaal belang is om inzicht te krijgen in de situatie van vrouwen en meisjes met een handicap; dringt aan op relevante, nauwkeurige en uitgesplitste gegevens waarin rekening wordt gehouden met gender en handicaps, om inzicht te krijgen in de uitdagingen waarmee vrouwen met een handicap, met name op de arbeidsmarkt, worden geconfronteerd;

    °

    ° °

    121. verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Commissie, de Raad, de regeringen en parlementen van de lidstaten, het Bureau van de Europese Unie voor de grondrechten, het Comité van de Regio’s, het Europees Economisch en Sociaal Comité en de Verenigde Naties.

     


     

    TOELICHTING

     

    Inleiding

     

    Tot een kwart van de Europese kiezers verklaart in enige mate aan een fysiek gebrek of een handicap te lijden. Meer dan tien jaar geleden trad de EU tot het Verdrag van de Verenigde Naties inzake de rechten van personen met een handicap (het Gehandicaptenverdrag), en het verdrag trad op 23 januari 2011 in de EU in werking. Het Gehandicaptenverdrag is het eerste bindende mensenrechteninstrument dat is gericht op personen met een handicap met als doel "het volledige genot door alle personen met een handicap van alle mensenrechten en fundamentele vrijheden op voet van gelijkheid te bevorderen, beschermen en waarborgen, en ook de eerbiediging van hun inherente waardigheid te bevorderen”. De EU en al haar lidstaten zijn partij bij het Gehandicaptenverdrag en Ierland was de laatste lidstaat die het verdrag in 2018 heeft geratificeerd. Krachtens dit verdrag is de EU verplicht gelijke rechten voor personen met een handicap te bevorderen, beschermen en monitoren in alle aspecten van de uitvoering ervan.

     

    Op basis van de resultaten van de vorige Europese strategie inzake handicaps 2010-2020 heeft de Europese Commissie in maart 2021 de nieuwe strategie voor de rechten van personen met een handicap 2021-2030 vastgesteld. De nieuwe strategie inzake handicaps is erop gericht het leven van personen met een handicap in een onbelemmerd Europa te verbeteren en de sociale en economische inclusie en participatie van personen met een handicap te vergemakkelijken in een samenleving die vrij is van discriminatie, en met volledige naleving van hun rechten op voet van gelijkheid met anderen. Het is belangrijk te vermelden dat de commissaris voor Gelijkheid een belangrijke rol speelde bij de vaststelling van de strategie inzake de rechten van personen met een handicap 2021-2030.

     

    Via zijn verzoekschriftenprocedure heeft de Commissie verzoekschriften van het Parlement (PETI) een rechtstreekse rol bij de bescherming van de rechten van personen met een handicap in de EU.

     

    Het percentage ingediende verzoekschriften in verband met de rechten van personen met een handicap is de afgelopen vrij stabiel gebleven: in 2018 werden 23 verzoekschriften ingediend (1,2 %); in 2019 werden 12 verzoekschriften ingediend (0,6 %) en in 2020 werden 20 verzoekschriften ingediend (1,2 %). De meest voorkomende zorgen van indieners in verband met de gelijke behandeling van gehandicapten betreffen de toegankelijkheid en sociale bescherming, de wederzijdse erkenning van handicaps in de lidstaten en inclusief onderwijs en arbeidsrechten. Uit de door het Europees Parlement ontvangen verzoekschriften blijkt met welke belemmeringen personen met een handicap worden geconfronteerd op verschillende gebieden, zoals toegang tot openbaar vervoer, de bebouwde omgeving, het gebruik van gebarentalen, financiering en toegang tot onderwijs.

     

    Hoewel gehandicaptenvraagstukken een klein aandeel van de ingediende verzoekschriften uitmaken, zijn zij van groot belang voor de verantwoordelijkheid van het Parlement om de rechten en gelijkheid van gehandicapten uit hoofde van het internationale recht te bevorderen, monitoren en beschermen. De commissie PETI vervult een “beschermende rol” door te zorgen voor de naleving door de EU van het Gehandicaptenverdrag in het kader van de beleidsvorming en wetgevende maatregelen op EU-niveau; Met deze rol is aan de commissie PETI een grote institutionele verantwoordelijkheid in het kader van de EU toebedeeld.

     

    Uit hoofde van Artikel 33, lid 2, van het Gehandicaptenverdrag zijn de staten die partij zijn, verplicht de uitvoering van dit Verdrag te bevorderen, beschermen en monitoren. Het EU-kader bestaat uit het Europees Parlement, de Europese Ombudsman, het Bureau van de Europese Unie voor de grondrechten en het Europees Gehandicaptenforum. Dit kader vult de nationale monitoringkaders aan.

     

    In de plenaire vergadering komen gehandicaptenvraagstukken regelmatig aan bod en de commissie PETI organiseert elk jaar een workshop of hoorzitting over de rechten van personen met een handicap. De meest recente werd op 28 oktober 2020 gehouden. De Europese Ombudsman, het Bureau van de Europese Unie voor de grondrechten, de Commissie, het Europees Gehandicaptenforum, ngo’s en deskundigen nemen actief aan deze workshops/hoorzittingen deel.

     

    De doelstellingen van dit verslag omvatten, maar zijn niet beperkt tot:

     

     het zorgen voor bewustmaking van de problemen waarmee personen met een handicap worden geconfronteerd;

     het richten van een dringend verzoek aan de EU-lidstaten om ervoor te zorgen dat bestaande EU-wetgeving inzake de bescherming, bevordering en monitoring van de rechten van personen met een handicap adequaat wordt nageleefd;

     het richten van een verzoek aan de Commissie om de monitoring van de uitvoering van EU-wetgeving te intensiveren en de bestaande EU-wetgeving te verbeteren, wanneer blijkt dat deze niet volstaat om de rechten van personen met een handicap te beschermen;

     

     

    Bevindingen van het verslag:

     

    Gehandicaptenverdrag

     

    De rapporteur onderstreept het belang van bewustmaking van de in het Gehandicaptenverdrag verankerde rechten voor personen met een handicap, alsmede de noodzaak de samenwerking en uitwisseling van goede praktijken tussen de lidstaten te bevorderen. De rapporteur moedigt tevens de raadpleging en betrokkenheid van gehandicaptenorganisaties aan in elke fase tot aan de goedkeuring van maatregelen om ervoor te zorgen dat deze maatregelen niet uitmonden in een schending van de grondrechten van personen met een handicap.

     

    Contactpunten

     

    In artikel 33, lid 1, van het Gehandicaptenverdrag wordt geëist dat de staten die partij zijn, contactpunten aanwijzen voor aangelegenheden die betrekking hebben op de uitvoering van het verdrag. Aangezien deze nog niet in alle lidstaten zijn aangewezen, dringt de rapporteur erop aan dat dit onverwijld gebeurt.

     

    In artikel 33, lid 2 en 3, van het Gehandicaptenverdrag wordt van de staten die partij zijn geëist dat zij een onafhankelijke monitoringinstantie aanwijzen of oprichten ter bevordering, bescherming en monitoring van de uitvoering van het verdrag, en dat het maatschappelijk middenveld wordt betrokken bij en volledig kan participeren in het monitoringproces.

     

    In Bulgarije bijvoorbeeld is het steunpunt het departement voor de integratie van personen met een handicap bij het ministerie van Arbeid en Sociaal Beleid. In zijn slotopmerkingen uit 2018 toonde het VN-Comité voor de rechten van personen met een handicap zich bezorgd over het feit dat Bulgarije nog steeds geen onafhankelijke monitoringinstantie had aangewezen, overeenkomstig artikel 33, lid 2 en 3, van het Gehandicaptenverdrag. Het Comité beval aan dat Bulgarije een dergelijke instantie aanwijst en ervoor zorgt dat personen met een handicap volledig en actief bij een dergelijke onafhankelijke monitoringinstantie wordt betrokken[34].

     

    Facultatief protocol

     

    Via het Facultatief Protocol kunnen individuele personen bij het VN-Comité voor de rechten van personen met een handicap melding maken van vermeende schendingen van hun grondrechten door een staat die partij is bij het Gehandicaptenverdrag. Vervolgens kan het VN-Comité voor de rechten van personen met een handicap een vertrouwelijk onderzoek op basis van deze melding starten. Het Facultatief Protocol is door de meeste EU-lidstaten geratificeerd, maar vijf lidstaten moeten dit nog doen (Bulgarije, Ierland, Nederland, Polen en Portugal). De EU heeft het protocol nog niet geratificeerd. De voornaamste zorg rond de ratificatie door de EU zijn de mogelijke repercussies van deze ratificatie voor de nationale rechtsorde van de lidstaten die het Facultatief Protocol nog niet hebben geratificeerd. In een aantal lidstaten heerst met name bezorgdheid dat, indien het VN-Comité voor de rechten van personen met een handicap een ongunstig advies inzake de EU uitbrengt, alle lidstaten, ook die welke expliciet ervoor hebben gekozen het Facultatief Protocol niet op nationaal niveau te ratificeren, gedwongen zouden worden zich bij de interpretatie van het comité neer te leggen. De meest voor de hand liggende bezorgdheid inzake de vertraagde ratificatie door de EU betreft echter de rechtsonzekerheid voor de burgers in de landen die het Facultatief Protocol wel hebben ondertekend: sommige rechten (die welke onder de bevoegdheid van de lidstaat vallen) zouden afdwingbaar zijn bij het VN-comité, terwijl andere rechten (die welke onder de gedeelde of exclusieve bevoegdheid van de EU vallen) niet afdwingbaar zouden zijn. De weerstand tegen de ratificatie van het Facultatief Protocol door de EU zal afnemen, wanneer of indien alle resterende EU-lidstaten het Facultatief Protocol op nationaal niveau ratificeren en aldus hun eigen verplichtingen uit hoofde van het verdrag op die van de EU afstemmen.

     

    Toegang tot de rechter

     

    De rapporteur moedigt de Commissie ertoe aan samen te werken met het HvJ-EU ten aanzien van communicatie- en toegankelijkheidsstrategieën, om ervoor te zorgen dat personen met een handicap toegang hebben tot het rechtssysteem van de EU.

     

    Wederzijdse erkenning van de gehandicaptenstatus

     

    Momenteel bestaat er geen wederzijdse erkenning van de gehandicaptenstatus tussen de EU-lidstaten, hetgeen belemmeringen opwerpt voor personen met een handicap die voor hun werk, studie of een andere reden naar een andere lidstaat verhuizen. In de strategie inzake de rechten van personen met een handicap 2021-2030 wordt de invoering van een Europese gehandicaptenkaart vóór eind 2023 voorgesteld om het proefproject inzake de Europese gehandicaptenkaart en de Europese parkeerkaart voor personen met een handicap uit te breiden. De Europese gehandicaptenkaart zal een zeer belangrijk instrument zijn om personen met een handicap te helpen hun recht op vrij verkeer in een onbelemmerd Europa uit te oefenen. Daarom zou deze in alle lidstaten verplicht moeten zijn.

     

    Rechten en mobiliteit van treinreizigers

     

    De rapporteur is ingenomen met de herschikking van de verordening betreffende de rechten van treinreizigers, vooral met de geleidelijke afschaffing van de huidige vrijstellingen voor lidstaten en de kortere termijn voor het aanvragen van bijstand door personen met een handicap of beperkte mobiliteit. De lidstaten worden aangemoedigd te zorgen voor kortere kennisgevingstermijnen om personen met een handicap of beperkte mobiliteit in staat te stellen nog spontaner en gemakkelijker te reizen.

     

    In reactie op verzoekschrift nr. 0535/2017 heeft de Commissie verzoekschriften tijdens haar vergadering van 24 april 2018 besloten de lidstaten om inlichtingen te verzoeken over de voortgang bij de uitvoering van het Gehandicaptenverdrag. Tot op heden hebben 24 lidstaten gereageerd en op vier reacties wordt nog gewacht (Denemarken, Italië, Spanje en Cyprus). De reacties omvatten onder andere een beschrijving van de aangewezen contactpunten, de uitvoerings- en monitoringkaders en diverse nationale plannen ter bevordering en bescherming van de rechten van personen met een handicap.

     

    In Verordening (EG) nr. 1371/2007 van het Europees Parlement en de Raad van 23 oktober 2007 betreffende de rechten en verplichtingen van reizigers in het treinverkeer wordt aan de lidstaten de optie geboden nationale vrijstellingen voor de toepassing van de bepalingen van de verordening toe te kennen aan het binnenlandse reizigersverkeer per spoor. Letland en Roemenië hebben de meeste nationale vrijstellingen toegekend[35]. In verzoekschrift nr. 0857/2016 wordt specifiek geklaagd over de situatie in Roemenië waarbij indiener aangeeft dat het binnenlandse spoorwegsysteem in Roemenië niet is aangepast aan de behoeften van personen met een handicap of beperkte mobiliteit.

     

    Toegankelijkheid

     

    Ten aanzien van de toegankelijkheid werd Richtlijn (EU) 2019/882 van het Europees Parlement en de Raad van 17 april 2019 betreffende de toegankelijkheidsvoorschriften voor producten en diensten (“de Europese toegankelijkheidswet”) vastgesteld ter harmonisatie van de bepalingen inzake de toegankelijkheidsvoorschriften voor bepaalde producten en diensten. Harmonisatie leidt tot het wegnemen van belemmeringen op de interne markt en een toename van toegankelijke producten en diensten en aldus tot een inclusievere samenleving en het vergemakkelijken van een zelfstandig leven voor personen met een handicap. Hoewel dit een stap in de goede richting is, geven maatschappelijke organisaties blijk van hun teleurstelling dat de richtlijn niet verder is gegaan, aangezien de toegankelijkheid van de bebouwde omgeving en een nalevingsverplichting ten aanzien van overheidsopdrachten en het gebruik van EU-middelen zijn weggelaten uit het toepassingsgebied van de richtlijn.

     

    In het licht van deze lacunes doet de rapporteur een beroep op de Raad om deze impasse te doorbreken en de goedkeuring van de antidiscriminatierichtlijn van de EU te bespoedigen. Hierbij wordt onderstreept dat geen enkele ongerechtvaardigde beperking van het toepassingsgebied van deze richtlijn mag worden geaccepteerd om klachten over de Europese toegankelijkheidswet te voorkomen. Het valt met name te betreuren dat de toegang tot de bebouwde omgeving niet binnen het toepassingsgebied van de toegankelijkheidswet valt, en de Commissie wordt verzocht een robuust EU-kader voor een toegankelijke en inclusieve omgeving vast te stellen.

     

    De rapporteur herinnert eraan dat de lidstaten moeten zorgen voor de toegankelijkheid van de websites en mobiele applicaties van overheidsinstanties overeenkomstig Richtlijn (EU) 2016/2102.

     

    Bovendien bouwt het verslag voort op verzoekschrift nr. 1056/2016 namens de Europese Dovenunie waarin het Parlement wordt verzocht om het indienen van verzoekschriften in de nationale gebarentalen van de EU toe te staan. De interdepartementale werkgroep voor gebarentaal werkt aan de nodige maatregelen bij het Parlement om aan het verzoek van de indiener gevolg te geven en het grondrecht om verzoekschriften in te dienen toegankelijker te maken voor de gebruikers van gebarentaal.

     

    Overheidsopdrachten

     

    De rapporteur wijst erop dat de grondrechten van begunstigden moeten worden nageleefd bij het plaatsen van overheidsopdrachten. Hierbij wordt benadrukt dat de lidstaten bij het uitvoeren van wetgeving op het gebied van overheidsopdrachten het Gehandicaptenverdrag moeten naleven.

     

    Inclusief onderwijs

     

    Inclusief onderwijsbeleid in de lidstaten wordt toegejuicht, maar de rapporteur moedigt hen ertoe aan verdere stappen te nemen om de capaciteit van de onderwijsstelsels te vergroten om hoogkwalitatief inclusief onderwijs aan alle lerenden te bieden, aangezien inclusief onderwijs de basis legt voor een inclusieve arbeidsmarkt.

     

    Gemakkelijk leesbare versie

     

    De rapporteur vond het belangrijk dat dit verslag toegankelijk zou zijn voor mensen met een handicap. Daarom vindt u hieronder een gemakkelijk leesbare versie van het verslag. De rapporteur spreekt zijn dank en waardering uit aan Inclusion Europe en Autism Europe voor het opstellen van een gemakkelijk leesbare versie van het verslag.

     

     

    Dit document is een verslag van het Europees Parlement.

     

    Het Europees Parlement maakt wetten

    voor mensen van de Europese Unie.

     

    Wetten zijn regels die we moeten volgen.

     

    De Europese Unie is een groep van 27 landen.

    We noemen de Europese Unie ook wel de EU.

     

    Deze landen hebben zich verenigd

    om politiek en economisch sterker te staan.

     

    De EU maakt wetten

    voor de mensen uit deze landen.

     

    Dit verslag gaat over verzoekschriften

    om mensen met een handicap te helpen.

     

    Verzoekschriften zijn klachten die mensen

    indienen bij de Commissie verzoekschriften.

     

    De Commissie verzoekschriften maakt deel uit

    van het Europees Parlement.

     

    De Commissie verzoekschriften heeft rechtstreeks contact

    met mensen van de Europese Unie.

     

    Iedereen in de EU

    die vindt dat zijn rechten niet worden nageleefd

    kan een verzoekschrift sturen aan de Commissie verzoekschriften.

     

    Rechten zijn alles wat we mogen doen.

    Veel mensen met een handicap hebben te maken met belemmeringen:

     op het gebied van onderwijs

     voor het vinden van een baan

     op hun werk

     bij het reizen naar andere landen

     bij het nemen van het openbaar vervoer

     voor informatie

     voor hulp en steun

     

     

    Dit willen wij veranderen:

     

    Wij willen dat mensen met een handicap

    dezelfde rechten hebben

    op alle gebieden van het leven,

    zonder discriminatie.

     

    Daarom moeten EU-landen

    het onderling eens worden

    over dezelfde gehandicaptenstatus.

     

    Kinderen met een handicap moeten

    naar dezelfde school kunnen als anderen in de EU.

     

    Reizen naar een ander land in de EU moet kunnen zonder belemmeringen.

    Reizen met het openbaar vervoer

    moet in ieder land in de EU

    kunnen zonder belemmeringen.

     

    Het binnengaan van een gebouw

    moet in ieder land van de EU

    kunnen zonder belemmeringen.

     

    Mensen die een verzoekschrift indienen

    moeten het recht hebben

    dat in gebarentaal te doen.

     

    Wij willen dat mensen met een handicap

    worden geaccepteerd en gewaardeerd.

     

    Dat betekent dat we allen gelijk zijn en

    tegelijkertijd dat iedereen bijzonder is.

     

    Iedereen heeft een talent.

    Talenten zijn nuttig op alle gebieden van het leven

    in een Europa zonder belemmeringen.

     

     

     

    Niet-uitputtende lijst van verzoekschriften die voor het verslag zijn bestudeerd

     

     

    2582/2013

    over vermeende discriminatie van kinderen met een handicap door de Spaanse autoriteiten

    2551/2014

    over discriminatie op het werk

    0074/2015

    over de precaire situatie van personen met een handicap in Hongarije

    0098/2015

    over steun voor verzorgers uit de familie van gehandicapten in Italië

    1140/2015

    over de toegangsrechten binnen de Europese Unie voor personen die assistentiehonden nodig hebben

    1305/2015

    over problemen die personen met een handicap ondervinden om toegankelijke informatie te krijgen van de Ierse nationale overheid

    1394/2015

    over de aanbestedingsrichtlijn van de Europese Unie en de nationale tenuitvoerlegging daarvan die leidt tot discriminatie op grond van handicap

    0172/2016

    over verlaging van de invaliditeitsgraad in de autonome regio Valencia

    0857/2016

    over de moeilijkheden waarmee personen met beperkte mobiliteit in Roemenië worden geconfronteerd

    1056/2016

    waarin het Europees Parlement wordt verzocht het indienen van verzoekschriften toe te staan in nationale gebarentalen die worden gebruikt in de EU

    1147/2016

    over gezondheidszorg en sociale uitkeringen voor hulpbehoevenden (zieken, ouderen, personen met leermoeilijkheden, autisme enz.)

    0535/2017

    met betrekking tot de mobiliteit van personen met een handicap in de Europese Unie

    1077/2017

    over het Verdrag van de Verenigde Naties inzake de rechten van personen met een handicap

    0356/2018

    over problemen die door personen met een handicap worden ervaren in Bulgarije

    0367/2018

    over het recht op werk van personen met een handicap

    0371/2018

    over inclusief onderwijs voor kinderen met bijzondere behoeften

    0530/2018

    over de algemene verordening gegevensbescherming (AVG) die van invloed is op de toegang tot het internet voor personen met een aandoening

    0724/2018

    over de fundamentele rechten van mensen met niet-erkende handicaps

    0808/2018

    over de gezondheidseffecten van ledverlichting

    0959/2018

    over het niet-verlenen van gezondheidszorg in Roemenië aan personen met een handicap

    0756/2019

    over een gehandicaptenkaart die in de hele EU geldt

    0758/2019

    over het gebruik van de EU-parkeerkaart in Nederland

    0954/2019

    over maatregelen om discriminatie van doven en slechthorenden te voorkomen

    1124/2019

    over de gehandicaptenkaart in Duitsland

    1170/2019

    over de rechten van personen met een handicap in Griekenland

    1262/2019

    over de erkenning van de mate van invaliditeit in andere lidstaten

    0294/2020

    over onvoldoende socialezekerheidsbijdragen voor personen met een beperking in Letland

    0470/2020

    over de rechten van personen met een verstandelijke handicap tijdens de COVID-19-crisis

    0527/2020

    over gegevensbescherming door de Duitse belastingautoriteiten

    0608/2020

    over de inclusie van personen met een handicap

    0768/2020

    over het beheer van zorgcentra voor ouderen en hulpbehoevenden tijdens de COVID-19-pandemie in Castilië en León

    0988/2020

    over toegankelijke huisvesting voor persoon met een beperking en personen met beperkte mobiliteit

    1052/2020

    over een school voor buitengewoon onderwijs in Vedemoro (Spanje)

    1139/2020

    over het gebrek aan geschikte banen voor personen met een handicap in Galicië

    1205/2020

    over de EU-brede invoering van werkplaatsen voor personen met een handicap

    1299/2020

    over de gelijke erkenning van de mate van handicap van mensen met een zeldzame ziekte in Spanje

    0103/2021

    over het recht op onderwijs voor kinderen met een handicap in gespecialiseerde centra in Spanje


     

     

     

    ADVIES VAN DE COMMISSIE WERKGELEGENHEID EN SOCIALE ZAKEN (2.7.2021)

    aan de Commissie verzoekschriften

    inzake de bescherming van personen met een handicap door middel van verzoekschriften: geleerde lessen

    (2020/2209(INI))

    Rapporteur voor advies: Radan Kanev

     

     

    SUGGESTIES

    De Commissie werkgelegenheid en sociale zaken verzoekt de bevoegde Commissie verzoekschriften onderstaande suggesties in haar ontwerpresolutie op te nemen:

    A. overwegende dat de Commissie werkgelegenheid en sociale zaken ten zeerste waardeert dat de Commissie verzoekschriften een essentiële rol vervult als brug tussen de EU-burgers, het Parlement en de andere EU-instellingen, en als belangrijk instrument om burgers te betrekken bij de participatieve democratie; overwegende dat het recht op het indienen van een verzoekschrift bij het Parlement een van de grondrechten is van elk individu en elke organisatie die in de EU is gevestigd en tegelijkertijd een onmisbare directe bron van feitelijke informatie vormt;

    B. overwegende dat de Commissie verzoekschriften gezien haar rol de speciale taak heeft om de rechten van personen met een handicap in de EU te beschermen, waarbij de uitoefening van hun fundamentele vrijheden en grondrechten wordt gewaarborgd door het EU-recht en het VN-Verdrag betreffende de rechten van personen met een handicap; overwegende dat de beschikbare informatie over deze rechten ontoereikend en onvoldoende toegankelijk is;

    C. overwegende dat het recht op het indienen van verzoekschriften en de verzoekschriftenprocedure zichtbaarder en toegankelijker moeten zijn voor alle mensen en organisaties in de EU, met inbegrip van personen met een handicap; overwegende dat de Commissie verzoekschriften moet zorgen voor meer zichtbaarheid en voldoende informatie in dit verband door middel van gerichte informatie- en bewustmakingscampagnes, met speciale aandacht voor kwetsbare groepen, waaronder personen met een handicap; overwegende dat het Parlement nog geen index voor de doeltreffendheid van zijn verzoekschriftensysteem heeft ontwikkeld en ook geen statistische gegevens heeft verzameld over de behandeling van verzoekschriften;

    D. overwegende dat er in de EU naar schatting 87 miljoen personen met een handicap zijn[36]; overwegende dat de Commissie werkgelegenheid en sociale zaken heeft onderstreept hoe belangrijk verzoekschriften over de rechten van personen met een handicap zijn in het licht van de rol en verantwoordelijkheden van het Parlement die zijn uiteengezet in het EU-kader voor het toezicht op de uitvoering van het VN-Verdrag inzake de rechten van personen met een handicap;

    E. overwegende dat bijna een op de vier ondervraagde EU-burgers enige mate van functionele beperkingen meldde als gevolg van gezondheidsproblemen[37];

    F. overwegende dat circa 1 % van alle verzoekschriften die de Commissie verzoekschriften elk jaar ontvangt, verband houdt met diverse problemen en moeilijkheden die personen met een handicap in het dagelijks leven ondervinden; overwegende dat de sociale bescherming en arbeidsrechten, het gebruik van de Europese structuur- en investeringsfondsen onder naleving van de EU-verordeningen en het VN-Verdrag inzake de rechten van personen met een handicap, alsmede andere kwesties die onder de bevoegdheid van de Commissie werkgelegenheid en sociale zaken vallen, behoren tot de meest voorkomende zorgen in verband met de gelijke behandeling van gehandicapten die in de door het Parlement ontvangen verzoekschriften tot uiting komen;

    G. overwegende dat de Commissie verzoekschriften een groot aantal verzoekschriften met betrekking tot Richtlijn 2000/78/EG van de Raad ontvangt over de niet-toepassing van het beginsel van gelijke behandeling op het gebied van inclusief onderwijs, werkgelegenheid, beroepsopleidingen, promotie en de arbeidsomstandigheden voor personen met een handicap; overwegende dat de lidstaten en de EU het VN-Verdrag inzake de rechten van personen met een handicap hebben geratificeerd, en dat in artikel 24 daarvan is bepaald dat de ondertekenaars ervoor moeten zorgen dat personen met een handicap toegang hebben tot een leven lang leren, volwassenenonderwijs, beroepsopleiding, algemeen tertiair en secundair onderwijs en gratis en verplicht basisonderwijs;

    H. overwegende dat alle EU-lidstaten het Verdrag van de Verenigde Naties inzake de rechten van het kind hebben geratificeerd, waardoor het voor hen bindend is, en overwegende dat in artikel 3, lid 3, van het Verdrag betreffende de Europese Unie de doelstelling van de EU is vastgesteld om erop toe te zien dat de rechten van het kind worden beschermd; overwegende dat de bescherming van de rechten van het kind bij de uitvoering van het EU-recht door de EU-instellingen en de lidstaten is gewaarborgd in het EU-Handvest van de grondrechten; overwegende dat het Parlement zijn resolutie over een Europese kindergarantie met een grote meerderheid heeft aangenomen, en dat daarin met klem wordt verzocht ervoor te zorgen dat alle kinderen van de vroege kinderjaren tot de adolescentie toegang hebben tot inclusief onderwijs, ook Romanikinderen, kinderen met een handicap, staatloze en migrantenkinderen en kinderen die leven in humanitaire noodsituaties;

    I. overwegende dat toegang tot hoogwaardige werkgelegenheid, onderwijs en opleiding, gezondheidszorg, sociale bescherming, ook over de grenzen heen, geschikte huisvesting, steun voor zelfstandig wonen en gelijke kansen voor deelname aan vrijetijdsactiviteiten en het gemeenschapsleven, essentieel zijn voor de kwaliteit van leven van personen met een handicap;

    J. overwegende dat algemeen wordt erkend dat personen met een handicap in het dagelijks leven nog steeds te maken hebben met een veelvoud aan belemmeringen en discriminatie waardoor zij niet de fundamentele vrijheden en grondrechten genieten die zijn verankerd in de toepasselijke rechtskaders van de EU en de VN; overwegende dat hierbij onder meer moet worden gedacht aan de wederzijdse erkenning van de status van gehandicapte tussen lidstaten (aangezien het vrije verkeer van personen met een handicap in de EU wordt belemmerd door een gebrek hieraan), toegang tot het openbaar vervoer, fysieke, zintuiglijke en cognitieve toegankelijkheid van de bebouwde omgeving, goederen, diensten en programma’s, het gebruik van gebarentalen en alle andere middelen en vormen van toegankelijke communicatie en informatie, de financiering van en gelijke toegang tot onderwijs en beroepsopleiding, toegang tot de arbeidsmarkt, toegang tot individuele ondersteuning en opneming in de gemeenschap, en gelijke kansen en gelijke behandeling in arbeid en beroep;

    K. overwegende dat de onlangs gepresenteerde strategie inzake de rechten van personen met een handicap 2021-2030 een welkome stap is naar het aanpakken van de kwesties waar personen met een handicap tegenaan lopen, maar dat deze personen nog steeds worden geconfronteerd met belemmeringen en discriminatie; overwegende dat in 2019 van alle personen met een handicap in de EU (van 16 jaar en ouder) 28,4 % het risico liep om in armoede of sociale uitsluiting te vervallen[38]; overwegende dat de strategie 2021-2030 daar iets aan moet doen;

    L. overwegende dat in beginsel 17 van de Europese pijler van sociale rechten het volgende wordt gesteld: “personen met een handicap hebben recht op inkomenssteun waarmee een waardig leven wordt gewaarborgd, op diensten die hen in staat stellen om op de arbeidsmarkt en in de samenleving actief te zijn en op een werkomgeving die aan hun behoeften is aangepast”;

    M. overwegende dat beschutte werkplaatsen gericht moeten zijn op inclusie, re-integratie en transitie naar de open arbeidsmarkt, maar vaak een gesegregeerde omgeving zijn waarin de werkers met een handicap niet de status van werknemer hebben en geen arbeidsrechten, wat duidelijk in strijd is met het VN-Verdrag inzake de rechten van personen met een handicap; overwegende dat inclusieve modellen van ondersteunde werkgelegenheid, indien zij op rechten zijn gebaseerd en als werkgelegenheid worden erkend, kunnen bijdragen tot de eerbiediging van de rechten van personen met een handicap en tot inclusie in en de transitie naar de open arbeidsmarkt;

    N. overwegende dat de gemiddelde kloof tussen de arbeidsparticipatie van personen met en zonder een handicap in de EU 25 % bedraagt[39]; overwegende dat de arbeidsparticipatie van personen met een handicap, met name van vrouwen, jongeren en lager opgeleiden met een handicap, onaanvaardbaar laag blijft;

    O. overwegende dat de door de COVID-19-pandemie ontstane economische crisis een ernstige bedreiging vormt voor de Europese economieën en het behoud van werkgelegenheid; overwegende dat personen uit kansarme groepen, met name personen met een handicap, bijzonder hard door de pandemie worden getroffen; overwegende dat preventiemaatregelen in het kader van COVID-19 personen met een handicap zowel kansen als uitdagingen hebben opgeleverd wat betreft de toegankelijkheid en inclusiviteit van de arbeidsmarkt;

    P. overwegende dat de EU via NextGenerationEU een respons en herstel in verband met COVID-19 moet ondersteunen, waarbij rekening wordt gehouden met personen met een handicap; overwegende dat het essentiële belang en de veerkracht van het maatschappelijk middenveld en vrijwilligersorganisaties die werkzaam zijn in de gehandicaptensector tijdens de COVID-19-crisis wederom zijn aangetoond;

    Q. overwegende dat in 2019 bijna 18 miljoen kinderen in de EU (22,2 % van de kinderpopulatie) leefden in huishoudens met een risico op armoede of sociale uitsluiting; overwegende dat kinderen met een handicap specifieke nadelen ondervinden die ze bijzonder kwetsbaar maken; overwegende dat hieruit andermaal blijkt hoe belangrijk het is voor kinderen in nood gratis en daadwerkelijke toegang te waarborgen tot hoogwaardige voorschoolse educatie en opvang, onderwijs- en schoolactiviteiten, minstens één gezonde maaltijd per schooldag en gezondheidszorg, evenals daadwerkelijke toegang tot gezonde voeding en adequate huisvesting, zoals bepaald in de aanbeveling van de Raad tot instelling van een Europese kindergarantie;

    R. overwegende dat discriminatie op het werk van personen met een handicap verband houdt met een gebrek aan inclusief onderwijs en inclusieve beroepsopleiding, evenals met de segregatie en discriminatie op het gebied van huisvesting, gezondheidszorg en de gebrekkige toegang tot vervoer en andere diensten en producten;

    S. overwegende dat het Europees Parlement in zijn resolutie over gelijke behandeling in arbeid en beroep in het licht van het VN-Verdrag inzake de rechten van personen met een handicap de tekortkomingen aan het licht heeft gebracht van Richtlijn 2000/78/EG van de Raad tot instelling van een algemeen kader voor gelijke behandeling in arbeid en beroep;

    T. overwegende dat Richtlijn (EU) 2019/1158 van het Europees Parlement en de Raad van 20 juni 2019 betreffende het evenwicht tussen werk en privéleven voor ouders en mantelzorgers en tot intrekking van Richtlijn 2010/18/EU van de Raad vereist dat de lidstaten beoordelen of de voorwaarden voor toegang tot en de gedetailleerde regelingen voor ouderschaps-, zorg- en arbeidsverlof moeten worden aangepast aan de specifieke behoeften van ouders in bijzonder kansarme situaties, zoals ouders met een handicap, alleenstaande, gescheiden of adoptieouders van kinderen met een handicap of een langdurige ziekte, of ouders in moeilijke omstandigheden;

    U. overwegende dat personen met een handicap in hun dagelijks leven met tal van hindernissen worden geconfronteerd, onder meer wanneer ze proberen persoonlijke bijstand te krijgen, deel uit te maken van de maatschappij, adequate en betaalbare toegankelijke huisvesting te vinden en betaalbare zorg en op de persoon toegesneden sociale opvang en gezondheidszorg te krijgen;

    V. overwegende dat werkloosheid en een gebrek aan hoogwaardige en duurzame banen voor personen met een handicap de belangrijkste factoren zijn die bijdragen tot een hoog risico op armoede, sociale uitsluiting en dakloosheid onder personen met een handicap;

    W. overwegende dat in 2017 een derde van de volwassenen met een handicap in de EU in een huishouden woonde waarvan de financiële middelen niet toereikend waren om de gebruikelijke noodzakelijke uitgaven te dekken; overwegende dat in 2019 bijna twee derde van de EU-bevolking met een arbeidsbeperking zonder sociale uitkeringen, toeslagen of pensioen het risico zou hebben gelopen in armoede te vervallen[40];

    X. overwegende dat personen met een handicap een diverse groep vormen en dat zij vaak te maken krijgen met intersectionele discriminatie, en dat de cumulatieve effecten daarvan merkbare gevolgen hebben voor de werkgelegenheid;

    Y. overwegende dat de vorderingen op het gebied van de de-institutionalisering verschillen van lidstaat tot lidstaat en dat er, hoewel er op dit vlak beleid is ingevoerd en er aanzienlijke middelen voor zijn uitgetrokken in de EU, nog steeds een miljoen mensen in instellingen wonen; overwegende dat diverse verzoekschriften zijn ingediend over het misbruik van EU-gelden voor de de-institutionalisering van personen met een handicap; overwegende dat de Europese Ombudsman in februari 2021 op eigen initiatief een onderzoek heeft ingesteld naar de rol van de Commissie om ervoor te zorgen dat de lidstaten EU-middelen gebruiken om het zelfstandig leven van personen met een handicap en ouderen te bevorderen, en om over te stappen van woonzorginstellingen; overwegende dat de lidstaten het proces van de-institutionalisering moeten versnellen en dat de Commissie hun voortgang nauwlettend moet volgen;

    Z. overwegende dat personen met een handicap in woonzorginstellingen tot de meest kwetsbaren behoren en het zwaarst getroffen zijn door de COVID-19-beperkingen, vanwege de tijdelijke sluiting van dagcentra en scholen, waardoor bestaande ongelijkheden en het risico op isolatie en sociale uitsluiting onder personen met een handicap zijn toegenomen; overwegende dat de zorg voor personen met een verstandelijke handicap in handen is gekomen van hun familieleden; overwegende dat indieners hebben gewezen op de moeilijke gezondheidssituatie en ontoereikende sanitaire maatregelen in enkele van de instellingen die open zijn gebleven en, als gevolg daarvan, de hoge ziekte- en sterftecijfers in deze instellingen;

    AA. overwegende dat bij het verzamelen van EU-statistieken over de bevolking geen rekening wordt gehouden met de aard van de handicap van een persoon en het aantal personen met een handicap dat in verzorgingstehuizen woont, waardoor de naleving van artikel 31 van het VN-Verdrag inzake de rechten van personen met een handicap wordt belemmerd;

    AB. overwegende dat er verschillende groepen personen met een handicap bestaan en dat sommige van deze groepen, bijvoorbeeld vrouwen, met bijkomende moeilijkheden en meervoudige discriminatie worden geconfronteerd; overwegende dat verschillende vormen van discriminatie tot sociale isolatie, eenzaamheid, psychologische trauma’s en depressie kunnen leiden;

    AC. overwegende dat preventiemaatregelen in het kader van COVID-19 nieuwe barrières hebben opgeworpen voor personen met een handicap en de bestaande uitsluiting op alle gebieden van het arbeidsleven hebben verergerd; overwegende dat personen met een handicap meer kans lopen hun werk te verliezen en moeite hebben om opnieuw werk te vinden; overwegende dat COVID-19 een negatief effect heeft gehad op de toegankelijkheid en inclusiviteit van de arbeidsorganisatie en arbeidsregelingen, alsook op de werkgelegenheid en de arbeidsomstandigheden van personen met een handicap, en veel personen met een handicap heeft blootgesteld aan de negatieve gevolgen van telewerken;

    AD. overwegende dat de lijst van uitkeringen en rechten die voortvloeien uit de gehandicaptenstatus per lidstaat verschilt, evenals de instanties die deze rechten definiëren en erkennen;

    AE. overwegende dat het aantal personen met een handicap en personen die zorg en langdurige zorg nodig hebben in de EU naar verwachting drastisch zal toenemen, onder meer als gevolg van demografische uitdagingen en de toename van chronische gezondheidsproblemen; overwegende dat de meeste langdurige zorg momenteel wordt verleend door meestal onbetaalde en overwegend vrouwelijke mantelzorgers; overwegende dat beleidsmaatregelen om demografische uitdagingen aan te pakken en te reageren op groeiende zorg- en langetermijnbehoeften zo moeten worden ontworpen dat ze niet leiden tot een grotere druk op mantelzorgers;

    AF. overwegende dat een handicap vaak het gevolg is van arbeidsongevallen of wordt verworven door een chronische aandoening die verband houdt met beroepsziekten en blootstelling aan gevaren voor de gezondheid;

    AG. overwegende dat het streven naar een betere integratie en de bescherming van de rechten van personen met een handicap op alle beleidsterreinen tot uiting moet komen, ook in het proces van het Europees Semester;

    1. verzoekt de Commissie ervoor te zorgen dat de EU en de lidstaten volledig voldoen aan alle relevante EU- en VN-verplichtingen betreffende de rechten van personen met een handicap, met name het VN-Verdrag inzake de rechten van personen met een handicap en de algemene toelichtingen van het VN-Comité voor de rechten van personen met een handicap op het verdrag, alsmede aan de relevante maatregelen en financieringsregels van de EU, en doet een beroep op de Commissie om hen en hun gezinnen en verzorgers te ondersteunen en de uitwisseling van optimale werkmethoden op dit gebied mogelijk te maken; verzoekt de Commissie erop toe te zien dat de rechten van personen met een handicap in aanmerking worden genomen bij het gebruik van EU-middelen en dringt er bij de Europese Rekenkamer op aan om de prestaties van EU-programma’s grondig te beoordelen, met bijzondere nadruk op onderwijs- en werkgelegenheidsprogramma’s;

    2. is ingenomen met de plannen van de Commissie om de werking van het EU-kader voor het toezicht op de uitvoering van het VN-Verdrag inzake de rechten van personen met een handicap in 2022 te onderzoeken en op basis daarvan maatregelen voor te stellen; verzoekt de Commissie het EU-kader en de onafhankelijkheid ervan te versterken, vooral door te zorgen voor meer betrokkenheid en participatie van deskundigen, niet-gouvernementele organisaties, sociale partners en met name personen met een handicap, zonder discriminatie op grond van het soort handicap of andere persoonlijke omstandigheden; onderstreept dat het EU-kader gebaseerd moet zijn op gedetailleerde, actuele, hoogwaardige en uitgesplitste gegevens naar de aard van iemands handicap, voortbouwend op de werkzaamheden van de Washingtongroep inzake handicapstatistieken;

    3. verzoekt de EU-instellingen en de lidstaten opnieuw te bevestigen dat zij zich inzetten voor de verwezenlijking van inclusieve gelijkheid voor personen met een handicap, en het VN-Verdrag inzake de rechten van personen met een handicap, met inbegrip van artikel 27 over werk en werkgelegenheid, volledig uit te voeren;

    4. doet een beroep op de Commissie en de lidstaten om duidelijke doelen te stellen ter verbetering van de levens- en arbeidsomstandigheden van personen met een handicap, met eerbiediging van de beginselen inzake toegankelijkheid en non-discriminatie, en met investeringen in gelijke kansen en de participatie van personen met een handicap op alle gebieden van het leven;

    5. verzoekt de EU en de lidstaten die dit nog niet hebben gedaan het Facultatief Protocol bij het VN-Verdrag inzake de rechten van personen met een handicap te ratificeren;

    6. herinnert eraan dat de Commissie verzoekschriften een specifieke rol vervult bij het waarborgen dat de EU het VN-Verdrag inzake de rechten van personen met een handicap eerbiedigt bij de beleidsvorming en het vaststellen van wetgevende maatregelen; stelt vast dat de commissie in het kader van die verantwoordelijkheid een aantal verzoekschriften behandelt over kwesties die verband houden met handicap, debatten, thematische workshops en openbare hoorzittingen over het onderwerp organiseert, resoluties en verslagen opstelt en missies ter plaatse organiseert;

    7. benadrukt dat personen met een handicap toegang moeten hebben tot de nodige ondersteuning en bijstand bij het opstellen en indienen van verzoekschriften die aan de ontvankelijkheidscriteria voldoen om via de verzoekschriften aan het Parlement effectieve toegang tot de rechter te krijgen; dringt aan op een betere zichtbaarheid van het verzoekschriftenmechanisme door middel van meer bewustmaking, evenals de betrokkenheid en deelname van personen met een handicap of hun vertegenwoordigers bij de behandeling van verzoekschriften;

    8. verzoekt de Commissie en de lidstaten sociale ondernemingen die gericht zijn op het in dienst nemen van personen met een handicap te promoten en te steunen, aangezien zij een hefboom zijn om het scheppen van fatsoenlijke banen te stimuleren;

    9. verzoekt de EU-instellingen met klem het niveau en de kwaliteit van de toegankelijkheidsvoorzieningen in al hun gebouwen te verhogen en de bestaande belemmeringen voor de toegankelijkheid van hun websites, debatten en documentatie weg te nemen, oftewel de geproduceerde informatie toegankelijk te maken, bijvoorbeeld door te zorgen voor vertaling in de gebarentalen van de verschillende lidstaten, documenten in braille en documenten in begrijpelijke taal;

    10. herinnert eraan dat het Parlement de lidstaten heeft verzocht zich te buigen over een mogelijke invoering van quota voor personen met een handicap om inclusieve werkplekken te bevorderen; nodigt de lidstaten en de EU-instellingen uit het goede voorbeeld te geven door personen met een handicap in dienst te nemen in hun overheidsinstellingen;

    11. dringt er bij de lidstaten op aan nationale actieplannen te ontwikkelen om het hoofd te bieden aan de tekortkomingen in de toegang tot informatie over openbare veiligheid, afstandsonderwijs en online leren, persoonlijke bijstand, zorg en ondersteunende diensten voor personen met een handicap;

    12. dringt bij de lidstaten aan op een intersectionele benadering, met name in hun beleid en maatregelen voor het creëren van inclusieve werkgelegenheid; betreurt dat meervoudige en intersectionele discriminatie onvoldoende aan bod komt in de strategie inzake de rechten van personen met een handicap 2021- 2030; verzoekt de Commissie daarom bij de uitvoering van de strategie bijzondere nadruk te leggen op intersectionaliteit en duidelijke, meetbare en ambitieuze doelen vast te stellen met betrekking tot diversiteit op de werkplek die de heterogeniteit van personen met een handicap weerspiegelen, om meervoudige en intersectionele discriminatie aan te pakken; benadrukt het belang van toezicht op de doelmatigheid van de strategie met betrekking tot de betrokkenheid van personen met een handicap en de organisaties die hen vertegenwoordigen;

    13. verzoekt de Commissie en de lidstaten te zorgen voor de cognitieve, zintuiglijke en fysieke toegankelijkheid van EU-initiatieven voor de digitalisering van de arbeidsmarkt;

    14. spoort de lidstaten aan om personen met aanzienlijke en ernstige handicaps vroegtijdige toegang te verlenen tot openbare pensioenregelingen om het risico op armoede en sociale uitsluiting op hoge leeftijd tegen te gaan;

    15. verzoekt de Commissie en de lidstaten een gemeenschappelijke definitie van handicap vast te stellen, in overeenstemming met de in 2015 aangenomen slotopmerkingen van het Comité voor de rechten van personen met een handicap over het initiële verslag van de Europese Unie, en te zorgen voor de wederzijdse erkenning van de status van gehandicapte in de lidstaten, met als doel om het vrije verkeer van personen met een handicap en de uitoefening en erkenning van hun aan het EU-burgerschap verbonden rechten te waarborgen;

    16. roept de Commissie en de lidstaten op om het belang van toegankelijke en hoogwaardige ondersteunende diensten en systemen voor zelfstandig wonen beter te erkennen; benadrukt de noodzaak om strategieën en normen te bevorderen voor gepersonaliseerde kwaliteitsondersteuning voor afhankelijke personen met een handicap en hun verzorgers, met inbegrip van verbeterde sociale bescherming en verschillende vormen van ondersteuning voor mantelzorgers; roept de Commissie op een strategische EU-zorgagenda te presenteren als een verdere stap voorwaarts in de kwalitatieve versterking van de gezondheidszorg in de EU en hierin eveneens verleners van persoonlijke en huishouddiensten op te nemen; herhaalt dat de zorgagenda ook de situatie moet weerspiegelen van de 100 miljoen mantelzorgers in de EU, die 80 % van de langdurige zorg verlenen maar van wie het werk veelal niet wordt erkend;

    17. verzoekt de lidstaten de onderontwikkeling en onderfinanciering van openbare diensten voor arbeidsvoorziening aan te pakken om de arbeidsparticipatie van personen met een handicap te verbeteren; dringt er bij de lidstaten op aan de banden tussen openbare diensten voor arbeidsvoorziening en wervingsbureaus te versterken;

    18. wijst op de positieve rol van overeenkomstig het VN-Verdrag beschutte werkplekken bij de overgang van personen met een handicap naar de open arbeidsmarkt;

    19. dringt er bij de lidstaten op aan om steun te bieden voor op rechten gebaseerde, inclusieve en fatsoenlijke modellen voor individuele plaatsing en ondersteuning (“ondersteunde werkgelegenheid”) als middel voor personen met een handicap om, waar mogelijk, over te stappen naar de open arbeidsmarkt;

    20. is verheugd over het feit dat tegen eind 2023 een in de gehele EU geldende gehandicaptenkaart beschikbaar zal zijn als onderdeel van de strategie inzake de rechten van personen met een handicap, waarmee de wederzijdse erkenning van de gehandicaptenstatus op meer gebieden zal worden vergemakkelijkt, zoals de arbeidsmobiliteit en de voordelen die verbonden zijn aan de voorwaarden van dienstverlening; verzoekt de Commissie en de lidstaten ambitieus te zijn met betrekking tot de reikwijdte van de rechten die de gebruikers van de kaart zullen hebben en ervoor te zorgen dat deze in elke afzonderlijke EU-lidstaat wordt ingevoerd, indien nodig door middel van bindende EU-wetgeving;

    21. merkt op dat er in sommige EU-landen waar al een gehandicaptenkaart is ingevoerd, misbruik is gemeld, hetgeen soms negatieve gevolgen heeft voor personen die daadwerkelijk in aanmerking komen; benadrukt daarom de noodzaak om het bewustzijn op alle niveaus te vergroten en maatregelen te nemen om misbruik van de nieuwe Europese gehandicaptenkaart te voorkomen;

    22. verzoekt de lidstaten nationale bewustmakingscampagnes op het gebied van handicaps te organiseren om meer bekendheid te geven aan het VN-Verdrag inzake de rechten van personen met een handicap en de EU-strategie inzake handicaps 2021-2030, die voor iedereen toegankelijk zijn en waarbij personen met een handicap evenals de familieleden en organisaties die hen vertegenwoordigen zijn betrokken; verzoekt de lidstaten ambitieuze tijdschema’s aan te nemen voor de uitvoering van de strategie; verzoekt de Commissie in het kader van de komende gedelegeerde handeling betreffende het herziene sociale scorebord een reeks gedetailleerde indicatoren te ontwikkelen om de voortgang bij de verwezenlijking van de doelen en doelstellingen van de strategie te meten, en om ervoor te zorgen dat de verbintenissen in deze documenten door alle betrokkenen worden nagekomen;

    23. onderstreept het belang van actieve betrokkenheid en participatie van personen met een handicap, de organisaties die hen vertegenwoordigen, sociale partners en alle andere relevante belanghebbenden bij de uitvoering en monitoring van de strategie inzake de rechten van personen met een handicap 2021-2030 en nationale strategieën inzake handicaps;

    24. verzoekt de Commissie en de lidstaten in de Europese structuur- en investeringsfondsen kredieten op te nemen voor de planning en programmering van beleid en maatregelen ten behoeve van de verbetering van de levensomstandigheden van personen met een handicap, met inachtneming van de beginselen van toegankelijkheid en non-discriminatie;

    25. herinnert eraan dat de meest voorkomende zorgen van indieners van verzoekschriften op het gebied van de gelijke behandeling van gehandicapten betrekking hebben op sociale zekerheid en op het recht op werk en het recht op zelfstandig leven in de gemeenschap; verzoekt de lidstaten in dit verband Richtlijn (EU) 2019/882 (de Europese toegankelijkheidswet) volledig uit te voeren en voortdurend toe te zien op alle wetgeving op het gebied van toegankelijkheid om belemmeringen voor werknemers met een handicap op doeltreffende wijze en definitief weg te nemen en ervoor te zorgen dat toegankelijke diensten beschikbaar zijn en dat deze diensten onder de juiste voorwaarden worden geleverd; verzoekt de lidstaten in dit verband bij de omzetting van de Europese toegankelijkheidswet in hun nationale wetgeving rekening te houden met de onderlinge samenhang tussen de toegankelijkheid van diensten en de toegankelijkheid van de bebouwde omgeving;

    26. verzoekt de Commissie de lidstaten te ondersteunen om op lokaal, regionaal en nationaal niveau de nodige voorwaarden te scheppen om personen met een handicap in staat te stellen op voet van gelijkheid met anderen gebruik te maken van hun recht op vrij verkeer, zelfbeschikking en persoonlijke keuzes, zelfstandig te leven en in de maatschappij te participeren, zoals vastgelegd in artikel 19 van het VN-Verdrag betreffende de rechten van personen met een handicap; roept de lidstaten op om te zorgen voor betere toegankelijkheid van informatie die door overheden wordt verstrekt door open en toegankelijke formaten te gebruiken;

    27. verzoekt de Commissie verzoekschriften om statistische gegevens over de behandeling van verzoekschriften te verzamelen en verstrekken, en benadrukt dat de commissie moet zorgen voor de mogelijkheid van vertolking in gebarentaal, evenals de overige commissies van het Europees Parlement, om de toegang tot informatie en participatie te waarborgen;

    28. verzoekt de lidstaten gebruik te maken van de kansen die diverse EU-fondsen bieden voor het scheppen van banen en opleiding voor personen met een handicap, om de volledige toegankelijkheid van openbare ruimten en infrastructuur te garanderen en te ondersteunen, en om erop toe te zien dat door de EU gefinancierde maatregelen ten goede komen aan personen met een handicap; betreurt het feit dat de EU-fondsen in een aantal lidstaten nog steeds worden ingezet voor het bouwen van nieuwe gescheiden omgevingen voor personen met een handicap;

    29. verzoekt de Commissie zo snel mogelijk te beginnen met de herziening van de richtlijn gelijke behandeling in arbeid en beroep en deze volledig te harmoniseren met de bepalingen van het VN-Verdrag inzake de rechten van personen met een handicap, en een participatief proces in te voeren dat bedoeld is om de rechtstreekse en volledige betrokkenheid van organisaties die personen met een handicap vertegenwoordigen te waarborgen;

    31. wijst erop dat het inhuren van ondersteunende systemen niet mag leiden tot lagere lonen voor personen met een handicap, vooral niet wanneer er sprake is van medefinanciering door de overheid; wijst erop dat de indienstneming van personen met een handicap gebaseerd moet zijn op het op andere werknemers toegepaste werkgelegenheidskader, wat betreft loon en arbeidstijd, waarbij dat kader op hun behoeften wordt afgestemd; is van mening dat personen met een handicap niet in de open arbeidsmarkt kunnen worden opgenomen zonder een algemeen kader van arbeidswetgeving, en bevordering van zowel loon- als collectieve onderhandelingen;

    32. verzoekt de Commissie en de lidstaten met klem in de publieke en private sector quotaregelingen voor personen met een handicap in te voeren om werkplekken inclusiever te maken;

    33. wijst op de noodzaak van financiële bijstand zodat personen met een handicap gekwalificeerde helpers kunnen inhuren of in dienst kunnen nemen;

    34. benadrukt hoe belangrijk het in alle relevante beleidslijnen en instrumenten snel aandacht te besteden aan toegankelijkheidsvraagstukken, ook wat betreft de regels voor overheidsopdrachten en de toegankelijkheid van verzoekschriften aan het Parlement;

    35. verzoekt de lidstaten met klem te zorgen voor een passende coördinatie van de sociale zekerheid voor personen met een handicap, mede door ervoor te zorgen dat zij invaliditeitssteun blijven ontvangen om de aan hun handicap gerelateerde extra kosten te dekken, zelfs wanneer zij de arbeidsmarkt betreden of wanneer zij een bepaalde inkomensdrempel overschrijden, om hun integratie op de arbeidsmarkt te ondersteunen en hun waardigheid en gelijkheid te helpen waarborgen; is van mening dat dit moet gebeuren via wijziging van Verordening (EG) nr. 883/2004 en raadpleging van organisaties die personen met een handicap vertegenwoordigen;

    36. roept de lidstaten op om informatie en optimale werkmethoden uit te wisselen, met name met betrekking tot de overgang van institutionele zorg naar zelfstandig wonen, het verstrekken van toegankelijke en betaalbare huisvesting voor personen met een handicap en integratie in de samenleving;

    37. verzoekt de Commissie en de lidstaten hun inspanningen op te voeren om de aanhoudende arbeidsongeschiktheidskloof te dichten en de toegang van personen met een handicap tot hoogwaardige en duurzame banen te bevorderen; is in dit verband ingenomen met het voorstel van de Commissie in het actieplan voor de Europese pijler van sociale rechten om de arbeidsongeschiktheidskloof op te nemen in het herziene sociale scorebord;

    38. verzoekt de lidstaten om toe te zien op de volledige uitvoering van Richtlijn 2000/78/EG van de Raad van 27 november 2000 tot instelling van een algemeen kader voor gelijke behandeling in arbeid en beroep; dringt er bij de lidstaten op aan arbeidskansen voor personen met een handicap te ontwikkelen door hun uitvoering van de richtlijn, met name artikel 5 betreffende redelijke aanpassingen, te verbeteren, en door EU-middelen en financiering uit hoofde van de herstel- en veerkrachtfaciliteit te investeren in opleiding en het scheppen van banen voor personen met een handicap;

    39. benadrukt dat afstemming van vraag en aanbod op de arbeidsmarkt, beroepsprofilering, gelijktijdige tewerkstelling en opleiding, introductie op het werk, opleidingsondersteuning en mogelijkheden voor loopbaanontwikkeling een belangrijke rol spelen bij het helpen van personen met een handicap om betaald werk te verkrijgen en behouden;

    40. roept de lidstaten op ervoor te zorgen dat de arbeidsmarkt en werkomgevingen open, inclusief en toegankelijk zijn voor personen met een handicap, arbeidsbemiddelingsdiensten te ondersteunen en het bewustzijn van inclusieve arbeidsmethoden te vergroten, passende stimulansen en ondersteunende maatregelen te nemen voor bedrijven, met name micro-, kleine en middelgrote ondernemingen, die personen met een handicap aanwerven en opleiden, en ervoor te zorgen dat algemene regelingen voor zelfstandigen toegankelijk zijn voor en ondersteuning bieden aan personen met een handicap;

    41. wijst erop dat inclusief onderwijs en inclusieve beroepsopleidingsprogramma’s twee van de belangrijkste voorwaarden zijn voor een meer inclusieve arbeidsmarkt; verzoekt de Commissie ervoor te zorgen dat de aanstaande EU-aanpak van microcredentials voor levenslang leren en inzetbaarheid toegankelijk en inclusief is, en dat daarbij wordt nagedacht over manieren om de uitoefening van het recht op werk van personen met een handicap te verbeteren; verzoekt de lidstaten gebruik te maken van de kansen die de verbeterde jongerengarantie biedt voor werkgelegenheid, onderwijs, stages of leerlingplaatsen voor jongeren met een handicap, en te zorgen voor gelijke toegang voor personen met een handicap en beleid op maat;

    42. benadrukt de noodzaak om onderzoek en innovatie op het gebied van toegankelijke technologie te intensiveren, met als doel om de inclusiviteit van de arbeidsmarkten voor personen met een handicap te versterken; benadrukt het belang van informatie- en communicatietechnologie voor personen met een handicap waar het mobiliteit, communicatie en de toegang tot overheidsdiensten betreft;

    43. verzoekt de lidstaten de mogelijkheden en het potentieel van digitalisering en digitale oplossingen te onderzoeken en de waarde van ondersteunende en adaptieve technologieën voor personen met een handicap te erkennen, met inachtneming van de bescherming van persoonsgegevens en ethische overwegingen; herinnert eraan dat het potentieel van het gebruik van digitale hulpmiddelen en ondersteunende technologieën afhankelijk is van de mogelijkheden van personen met een handicap om hun digitale vaardigheden te ontwikkelen; benadrukt dat de ontwikkeling van de nodige digitale vaardigheden en kennis van AI mensen uit kwetsbare groepen, zoals personen met een handicap, de kans op toegang tot de arbeidsmarkt kan geven;

    44. roept de lidstaten op het recht op en de toegang tot inclusief onderwijs voor elk kind te garanderen, en verzoekt de lidstaten om alle beschikbare EU-middelen snel aan te wenden en te benutten om de uitvoering van de Europese kindergarantie te ondersteunen; benadrukt het belang van vroegtijdige, geïndividualiseerde en uitgebreide ondersteuning van kinderen met een handicap, hun ouders en verzorgers; verzoekt de lidstaten bijzondere aandacht te besteden aan kinderen met een handicap en speciale onderwijsbehoeften;

    45. roept de lidstaten op om aanpassingen op de werkplek te stimuleren en maatregelen te nemen om de gezondheid en veiligheid op het werk te verbeteren; verzoekt de Commissie om in het komende strategisch EU-kader voor gezondheid en veiligheid op het werk speciale aandacht te besteden aan werknemers met een handicap en ambitieuze doelen te stellen;

    46. verzoekt de Commissie en de lidstaten ervoor te zorgen dat programma’s en strategieën voor plattelandsontwikkeling specifieke maatregelen omvatten om personen met een handicap die op het platteland wonen te bereiken en hen te betrekken bij het ontwerp en de uitvoering van die programma’s en strategieën;

    47. benadrukt dat de toegang tot gezondheidszorg en onderwijs voor personen met een handicap moet worden gewaarborgd, ook tijdens crises zoals de COVID-19-pandemie, en dat de lidstaten alle vormen van discriminatie en uitsluiting op dit gebied moeten tegengaan;

    48. betreurt het feit dat personen met een handicap en hun ondersteunende netwerk in de vaccinatiestrategie van de EU zijn uitgesloten van de prioriteitsgroepen; roept de lidstaten ertoe op personen met een handicap en hun ondersteunende netwerk prioritaire toegang tot vaccinatie te bieden; dringt er in dit verband op aan dat het ontvangen van een COVID-19-vaccinatie gebaseerd moet zijn op de vrijwillige en geïnformeerde toestemming van personen met een handicap en dat de autonomie en handelingsbekwaamheid van alle personen met een handicap, met inbegrip van personen met een verstandelijke handicap, personen met psychosociale handicaps en autistische personen, niet mogen worden ondermijnd door maatregelen die geacht worden in het algemeen belang of het belang van de persoon te zijn;

    49. verzoekt de Raad de voorgestelde horizontale antidiscriminatierichtlijn per ommegaande te deblokkeren om de bescherming in de EU van personen met een handicap uit te breiden tot buiten de arbeidssfeer;

    50. herinnert eraan dat een nieuw Gehandicaptenplatform van de EU moet stroken met de richtsnoeren die zijn vastgesteld in de Europese pijler voor sociale rechten;

    51. roept op tot een EU- en nationaal onderzoek naar de onevenredige COVID-19-infectie- en -sterftecijfers in verpleeg- en verzorgingshuizen, woonvoorzieningen voor ouderen en personen met een handicap en andere sociale diensten, om inzicht te krijgen in de oorzaken, vast te stellen wie hiervoor verantwoordelijk is en de nodige maatregelen te nemen om dergelijke gevallen in de toekomst te voorkomen;

    52. verzoekt dat locaties waar vaccinaties worden afgeleverd, fysiek toegankelijk zijn en er live begeleiding en hulp wordt geboden voor degenen die daar behoefte aan hebben; roept op tot gratis of goedkope gerichte programma’s voor toegankelijk vervoer waar nodig.

     


    INFORMATIE OVER DE GOEDKEURING IN DE ADVISERENDE COMMISSIE

    Datum goedkeuring

    1.7.2021

     

     

     

    Uitslag eindstemming

    +:

    –:

    0:

    48

    0

    6

    Bij de eindstemming aanwezige leden

    Atidzhe Alieva-Veli, Abir Al-Sahlani, Marc Angel, Dominique Bilde, Gabriele Bischoff, Vilija Blinkevičiūtė, Milan Brglez, Sylvie Brunet, Jordi Cañas, David Casa, Margarita de la Pisa Carrión, Özlem Demirel, Klára Dobrev, Jarosław Duda, Estrella Durá Ferrandis, Lucia Ďuriš Nicholsonová, Rosa Estaràs Ferragut, Nicolaus Fest, Loucas Fourlas, Cindy Franssen, Heléne Fritzon, Helmut Geuking, Elisabetta Gualmini, Alicia Homs Ginel, Agnes Jongerius, Radan Kanev, Stelios Kympouropoulos, Katrin Langensiepen, Miriam Lexmann, Elena Lizzi, Lukas Mandl, Sandra Pereira, Kira Marie Peter-Hansen, Dragoş Pîslaru, Manuel Pizarro, Dennis Radtke, Elżbieta Rafalska, Guido Reil, Mounir Satouri, Monica Semedo, Vincenzo Sofo, Eugen Tomac, Romana Tomc, Marie-Pierre Vedrenne, Marianne Vind, Maria Walsh, Anna Zalewska, Stefania Zambelli, Tatjana Ždanoka, Tomáš Zdechovský

    Bij de eindstemming aanwezige vaste plaatsvervangers

    Konstantinos Arvanitis, Chiara Gemma, Eugenia Rodríguez Palop

     


    HOOFDELIJKE EINDSTEMMING IN DE ADVISERENDE COMMISSIE

    48

    +

    ID

    Dominique Bilde, Julie Lechanteux, Elena Lizzi, Stefania Zambelli

    NI

    Chiara Gemma

    PPE

    David Casa, Jarosław Duda, Rosa Estaràs Ferragut, Loucas Fourlas, Cindy Franssen, Helmut Geuking, Radan Kanev, Stelios Kympouropoulos, Miriam Lexmann, Lukas Mandl, Dennis Radtke, Eugen Tomac, Romana Tomc, Maria Walsh, Tomáš Zdechovský

    Renew

    Atidzhe Alieva-Veli, Abir Al-Sahlani, Sylvie Brunet, Jordi Cañas, Lucia Ďuriš Nicholsonová, Dragoş Pîslaru, Monica Semedo, Marie-Pierre Vedrenne

    S&D

    Marc Angel, Gabriele Bischoff, Vilija Blinkevičiūtė, Milan Brglez, Klára Dobrev, Estrella Durá Ferrandis, Heléne Fritzon, Elisabetta Gualmini, Alicia Homs Ginel, Agnes Jongerius, Manuel Pizarro, Marianne Vind

    The Left

    Konstantinos Arvanitis, Özlem Demirel, Sandra Pereira, Eugenia Rodríguez Palop

    Verts/ALE

    Katrin Langensiepen, Kira Marie Peter-Hansen, Mounir Satouri, Tatjana Ždanoka

     

    0

    -

     

     

     

    6

    0

    ECR

    Margarita de la Pisa Carrión, Elżbieta Rafalska, Vincenzo Sofo, Anna Zalewska

    ID

    Nicolaus Fest, Guido Reil

     

    Verklaring van de gebruikte tekens:

    + : voor

    - : tegen

    0 : onthouding

     


    ADVIES VAN DE VAN DE COMMISSIE BURGERLIJKE VRIJHEDEN, JUSTITIE EN BINNENLANDSE ZAKEN (18.6.2021)

    aan de Commissie verzoekschriften

    inzake de bescherming van personen met een handicap via verzoekschriften: opgedane ervaring

    (2020/2209(INI))

    Rapporteur voor advies (*): Tom Vandendriessche

    (*) Procedure met medeverantwoordelijke commissies – Artikel 57 van het Reglement

     

     


     

    SUGGESTIES

    De Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken verzoekt de bevoegde Commissie verzoekschriften onderstaande suggesties in haar ontwerpresolutie op te nemen:

    A. overwegende dat de EU en de lidstaten alle passende maatregelen moeten nemen voor de tenuitvoerlegging van de in het Verdrag inzake de rechten van personen met een handicap verankerde rechten, en bestaande maatregelen die discriminatie van personen met een handicap inhouden, moeten aanpassen of intrekken; overwegende dat de EU en de lidstaten op alle beleidsgebieden en in alle programma’s rekening moeten houden met de bescherming en bevordering van de grondrechten van personen met een handicap;

    B. overwegende dat het van essentieel belang is dat de nodige technische specificaties worden toegepast op de websites van de EU-instellingen, zodat deze toegankelijk zijn voor personen met een handicap en zodat personen met een handicap actuele informatie kunnen ontvangen over alle kwesties die hen aangaan, met het oog op het toegankelijker maken van documenten, video’s en websites en het stimuleren van het gebruik van alternatieve communicatiemiddelen;

    C. overwegende dat vrouwen met een handicap twee tot vijf keer meer kans lopen om het slachtoffer te worden van geweld dan andere vrouwen[41];

    Justitie

    1. pleit ervoor dat het Verdrag inzake de rechten van personen met een handicap op belangrijke gebieden van het leven van personen met een handicap daadwerkelijk ten uitvoer wordt gelegd, met name tijdens de huidige COVID-19-pandemie; wijst erop dat deze tenuitvoerlegging gepaard moet gaan met passende nationale integratiestrategieën; benadrukt het belang van ICT (informatie- en communicatietechnologie) voor mobiliteit, communicatie en de toegang tot openbare diensten; wijst erop dat de moeilijkheden waarmee personen met een handicap die in instellingen wonen, te maken hebben, door de COVID-19-pandemie aan het licht zijn gebracht en zijn verergerd;

    2. benadrukt dat personen met een handicap hun grondrechten op voet van gelijkheid moeten kunnen uitoefenen; beklemtoont dat moet worden erkend dat personen met een handicap in alle aspecten van het leven op voet van gelijkheid met anderen handelingsbekwaam zijn, overeenkomstig artikel 12 van het Verdrag inzake de rechten van personen met een handicap; verzoekt de lidstaten tijdig passende maatregelen te nemen om personen met wat voor handicap dan ook in alle stadia van het proces doeltreffende, eerlijke en inclusieve toegang tot het rechtsstelsel en rechtshandhaving te bieden; dringt er bij de lidstaten op aan bijzondere aandacht te besteden aan vrouwen met een handicap; benadrukt dat faciliteiten en diensten toegankelijk moeten zijn om gelijke toegang tot de rechter en de gehele gerechtelijke procedure te waarborgen zonder daarbij te discrimineren;

    3. benadrukt dat er meer en regelmatige bewustmakingscursussen nodig zijn voor justitie- en rechtshandhavingspersoneel over crisisinterventie en -beheer en de-escalatie van conflicten bij interactie met personen met een specifieke handicap;

    4. benadrukt dat de gevangenneming van personen wier handicap onverenigbaar is met detentie moet worden voorkomen en dat in deze gevallen alternatieven voor gevangenisstraf moeten worden geboden; doet een beroep op de lidstaten om ervoor te zorgen dat de grondbeginselen van gelijke behandeling, non-discriminatie, redelijke aanpassingen en toegankelijkheid voor gedetineerden met een handicap worden geëerbiedigd;

    Gegevensbescherming

    5. benadrukt dat de verwerking van persoonsgegevens volledig in overeenstemming moet zijn met Verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens, en tot intrekking van Richtlijn 95/46/EG (algemene verordening gegevensbescherming – AVG); onderstreept dat de verwerking van genetische of biometrische gegevens met het oog op de unieke identificatie van een natuurlijke persoon en gegevens over de gezondheid (gevoelige persoonsgegevens) uit hoofde van de AVG verboden is, tenzij deze uitdrukkelijk is toegestaan uit hoofde van de AVG;

    Bestuur

    6. meent dat er met prioriteit voor moet worden gezorgd dat overheidsdiensten, met inbegrip van digitale overheidsdiensten, toegankelijk zijn voor personen met een handicap; pleit voor beleidsmaatregelen ter bevordering van overheidsdiensten, met inbegrip van digitale overheidsdiensten, die toegankelijk zijn voor personen met een handicap en aansluiten bij de snelle ontwikkelingen op het gebied van informatietechnologie; herinnert eraan dat informatie toegankelijk moet zijn, met name door eenvoudige en begrijpelijke taal en illustraties te gebruiken voor personen met een leerbeperking[42];

    7. beklemtoont dat redelijke huisvesting, toegankelijkheid en universele vormgeving van cruciaal belang zijn voor de bestrijding van discriminatie ten aanzien van personen met een handicap; onderstreept dat doeltreffende niet-discriminerende toegang gepaard moet gaan met het in kaart brengen en verwijderen van obstakels en belemmeringen voor de toegang van personen met een handicap tot goederen, diensten en voorzieningen die voor het grote publiek beschikbaar zijn; benadrukt dat doeltreffende, niet-discriminerende toegang voor personen met een handicap waar mogelijk moet worden geboden onder dezelfde voorwaarden als voor personen zonder handicap, en dat het gebruik van hulpmiddelen door personen met een handicap moet worden vergemakkelijkt, met inbegrip van hulpmiddelen voor mobiliteit en toegang, zoals erkende geleidehonden en andere assistentiehonden waar nodig[43]; herinnert eraan dat die toegankelijkheidsnormen moeten worden vastgesteld in overleg met personen met een handicap en hun vertegenwoordigende organisaties, aangezien hun deskundigheid van essentieel belang is voor de vaststelling van toegankelijkheidsbelemmeringen; beklemtoont dat redelijke huisvesting, toegankelijkheid en universele vormgeving van cruciaal belang zijn voor de bestrijding van discriminatie ten aanzien van personen met een handicap;

    8. roept de EU-instellingen op de hoogste toegankelijkheidsnormen te hanteren voor hun infrastructuur, diensten en digitale diensten, alles in het werk te stellen om hun documenten met betrekking tot de wetgevingsprocedures op een gebruiksvriendelijke en toegankelijke manier te verspreiden en ervoor te zorgen dat personen met een handicap naar behoren en volledig toegang hebben tot hun websites en contactformulieren; spoort de lidstaten aan programma’s te ontwikkelen die gericht zijn op de inclusie van personen met een handicap in de samenleving door middel van sport, kunst, cultuur en vrijetijdsactiviteiten, alsook op de bevordering van hun deelname aan het politieke proces zonder enige beperking;

    9. verzoekt de lidstaten voorlichtingscampagnes te organiseren om de aandacht te vestigen op de problemen waarmee personen met een handicap te maken hebben; stelt voor projecten op te zetten om het bewustzijn over de behoeften van personen met een handicap te vergroten en daarbij op positieve wijze gebruik te maken van de kracht van cultuur, bijvoorbeeld door culturele evenementen te stimuleren, in het kader van een bredere voorlichtingsstrategie om de rechten van personen met een handicap te bevorderen en te beschermen;

    10. wijst erop dat personen met een handicap, en met name vrouwen met een handicap, nog altijd te maken hebben met meervoudige en intersectionele discriminatie op grond van hun handicap en hun gender, ras, etnische afkomst, leeftijd, godsdienst of overtuiging, seksuele geaardheid, migratiestatus of sociaaleconomische achtergrond; verzoekt de Commissie en de lidstaten bij de vormgeving en de tenuitvoerlegging van beleid en maatregelen rekening te houden met de diversiteit en heterogeniteit van personen met een handicap;

    11. benadrukt dat de volledige en doeltreffende deelname van personen met een handicap aan alle facetten van het dagelijks leven en de samenleving van cruciaal belang is voor de uitoefening van hun grondrechten;

    12. is van mening dat de voorgestelde horizontale antidiscriminatierichtlijn van de EU[44] een wetgevingshandeling is die essentieel is voor de correcte tenuitvoerlegging van beleid in het kader van het Verdrag inzake de rechten van personen met een handicap, en verzoekt de Raad met klem de onderhandelingen te deblokkeren;

    Werkgelegenheid

    13. vestigt de aandacht op de behoefte aan adequate financiering voor hulpmiddelen die personen met een handicap nodig hebben om ervoor te zorgen dat zij in hun dagelijks leven, voor hun werk en hun deelname aan de samenleving, kunnen beschikken over de beste beschikbare technologie en hulpmiddelen; verzoekt de lidstaten gebruik te maken van de EU-fondsen om deze voorzieningen en de bijbehorende infrastructuur te verbeteren;

    14. verzoekt de lidstaten een wetgevings- en beleidskader te bevorderen en te waarborgen voor de deelname van personen met een handicap aan de arbeidsmarkt; pleit voor de opstelling van economisch beleid om personen met een handicap in staat te stellen toegang te krijgen tot banen en een billijk loon in overeenstemming met hun intellectuele en fysieke vaardigheden;

    Onderwijs

    15. is van mening dat gelijkwaardig onderwijs van hoge kwaliteit voor personen met een handicap een prioriteit moet zijn en inclusief moet zijn voor zover dit mogelijk en raadzaam is; herinnert eraan dat onderwijs een fundamenteel mensenrecht is; spoort de lidstaten aan onderwijs van hoge kwaliteit en levenslang leren te bevorderen[45]; beklemtoont dat goed onderwijs belangrijk is voor de individuele ontwikkeling; onderstreept dat goed onderwijs kan helpen meer bekendheid te geven aan personen met een handicap; benadrukt dat de deelname van jongeren met een handicap aan opleidingen moet worden vergroot en dat daarbij rekening moet worden gehouden met de behoeften van deze jongeren, zodat zij betere toegang tot de arbeidsmarkt krijgen; wijst erop dat het voor kinderen uit taalkundige minderheden met speciale onderwijsbehoeften goed kan zijn om in de fase van voor- en vroegschools onderwijs in hun moedertaal te worden onderwezen wanneer zij moeite hebben met taalgebruik en communicatie; verzoekt de lidstaten ervoor te zorgen dat kinderen met speciale onderwijsbehoeften toegang hebben tot onderwijs in minderheidstalen;

    16. vestigt de aandacht op het belang van vroegtijdige interventie en op het feit dat kinderen met een handicap vanaf de eerste levensfasen moeten deelnemen aan en worden betrokken bij de samenleving; wijst erop dat de financieringsmogelijkheden voor inclusief onderwijs, voor zover dit mogelijk en raadzaam is, moeten worden verruimd, zowel voor de bevordering van de invloed van inclusief onderwijs op kinderen met of zonder handicap als voor de financiering van onderzoek op het gebied van inclusief onderwijs; acht het noodzakelijk aan te sporen tot het gebruik van nieuwe technologieën, met inbegrip van ICT en mobiliteits- en andere hulpmiddelen en technologieën die geschikt zijn voor personen met een handicap; benadrukt dat onderwijs van cruciaal belang is voor de individuele ontwikkeling en dat toegankelijke leeromgevingen voor personen met een handicap deze personen de mogelijkheid bieden een volwaardige bijdrage te leveren aan alle facetten van de samenleving;

    17. onderstreept dat leerkrachten een belangrijke rol spelen bij onderwijs aan kinderen met een handicap en kinderen met speciale behoeften; dringt er daarom op aan dat zij toegang krijgen tot opleidingen, bijscholing en specialisatie-opleidingen op dit vlak;

    18. verzoekt de lidstaten aandacht te besteden aan personen met een handicap die in instellingen wonen; vreest dat de moeilijkheden waarmee personen met een handicap die in instellingen wonen te maken hebben, door de COVID-19-pandemie aan het licht zijn gebracht en zijn verergerd; verzoekt de lidstaten strategieën voor de-institutionalisering vast te stellen en ervoor te zorgen dat hun wetgeving, beleid en programma’s inzake de-institutionalisering in overeenstemming zijn met het in het Verdrag inzake de rechten van personen met een handicap vastgelegde concept van zelfstandig wonen;

    19. benadrukt dat de EU volgens het Verdrag inzake de rechten van personen met een handicap een handicapperspectief moet opnemen in al haar beleidsmaatregelen, programma’s en strategieën op het gebied van gender; onderschrijft de aanbevelingen die het Verdrag inzake de rechten van personen met een handicap worden gedaan en spoort de Commissie en de lidstaten aan hun inspanningen in dit verband op te voeren; wijst erop dat de meningen van personen met een handicap vaak terzijde worden geschoven ten gunste van anderen die namens hen spreken of beslissingen nemen; dringt er voorts bij de Commissie en de lidstaten op aan om personen met een handicap in al hun diversiteit en met allerlei verschillende achtergronden te betrekken bij de besluitvormingsprocessen van de EU;

    20. neemt kennis van de toezeggingen die de Commissie in het kader van de strategie inzake de rechten van personen met een handicap 2021-2030 heeft gedaan; verzoekt de Commissie in alle maatregelen en beleidsmaatregelen van de EU aandacht te besteden aan de situatie van vrouwen met een handicap, en met name in toekomstige initiatieven met betrekking tot gendergerelateerd geweld.

     


    INFORMATIE OVER DE GOEDKEURING IN DE ADVISERENDE COMMISSIE

    Datum goedkeuring

    16.6.2021

     

     

     

    Uitslag eindstemming

    +:

    –:

    0:

    44

    3

    20

    Bij de eindstemming aanwezige leden

    Magdalena Adamowicz, Malik Azmani, Katarina Barley, Pernando Barrena Arza, Pietro Bartolo, Nicolas Bay, Vladimír Bilčík, Vasile Blaga, Ioan-Rareş Bogdan, Patrick Breyer, Saskia Bricmont, Joachim Stanisław Brudziński, Jorge Buxadé Villalba, Damien Carême, Clare Daly, Marcel de Graaff, Anna Júlia Donáth, Lena Düpont, Cornelia Ernst, Laura Ferrara, Nicolaus Fest, Jean-Paul Garraud, Maria Grapini, Andrzej Halicki, Evin Incir, Sophia in ‘t Veld, Patryk Jaki, Marina Kaljurand, Assita Kanko, Peter Kofod, Łukasz Kohut, Moritz Körner, Alice Kuhnke, Jeroen Lenaers, Juan Fernando López Aguilar, Lukas Mandl, Nuno Melo, Roberta Metsola, Nadine Morano, Javier Moreno Sánchez, Maite Pagazaurtundúa, Nicola Procaccini, Emil Radev, Paulo Rangel, Terry Reintke, Diana Riba i Giner, Ralf Seekatz, Michal Šimečka, Birgit Sippel, Sara Skyttedal, Martin Sonneborn, Tineke Strik, Ramona Strugariu, Annalisa Tardino, Tomas Tobé, Dragoş Tudorache, Milan Uhrík, Tom Vandendriessche, Bettina Vollath, Elissavet Vozemberg-Vrionidi, Jadwiga Wiśniewska, Elena Yoncheva, Javier Zarzalejos

    Bij de eindstemming aanwezige vaste plaatsvervangers

    Anne-Sophie Pelletier, Franco Roberti, Domènec Ruiz Devesa, Yana Toom

     


    HOOFDELIJKE EINDSTEMMING IN DE ADVISERENDE COMMISSIE

    44

    +

    ECR

    Joachim Stanisław Brudziński, Jorge Buxadé Villalba, Patryk Jaki, Assita Kanko, Nicola Procaccini, Jadwiga Wiśniewska

    NI

    Laura Ferrara, Martin Sonneborn

    PPE

    Magdalena Adamowicz, Vladimír Bilčík, Vasile Blaga, Ioan-Rareş Bogdan, Lena Düpont, Andrzej Halicki, Jeroen Lenaers, Lukas Mandl, Nuno Melo, Roberta Metsola, Nadine Morano, Emil Radev, Paulo Rangel, Ralf Seekatz, Sara Skyttedal, Tomas Tobé, Elissavet Vozemberg-Vrionidi, Javier Zarzalejos

    Renew

    Malik Azmani, Anna Júlia Donáth, Sophia in ‘t Veld, Moritz Körner, Maite Pagazaurtundúa, Michal Šimečka, Ramona Strugariu, Yana Toom, Dragoş Tudorache

    S&D

    Maria Grapini

    The Left

    Clare Daly, Anne-Sophie Pelletier

    Verts/ALE

    Patrick Breyer, Saskia Bricmont, Alice Kuhnke, Terry Reintke, Diana Riba i Giner, Tineke Strik

     

    3

    -

    ID

    Marcel de Graaff

    The Left

    Pernando Barrena Arza, Cornelia Ernst

     

    20

    0

    ID

    Nicolas Bay, Nicolaus Fest, Jean-Paul Garraud, Peter Kofod, Annalisa Tardino, Tom Vandendriessche

    NI

    Milan Uhrík

    S&D

    Katarina Barley, Pietro Bartolo, Evin Incir, Marina Kaljurand, Łukasz Kohut, Juan Fernando López Aguilar, Javier Moreno Sánchez, Franco Roberti, Domènec Ruiz Devesa, Birgit Sippel, Bettina Vollath, Elena Yoncheva

    Verts/ALE

    Damien Carême

     

    Verklaring van de gebruikte tekens:

    + : voor

    - : tegen

    0 : onthouding

     

     

     


     

    ADVIES IN BRIEFVORM VAN DE COMMISSIE VROUWENRECHTEN EN GENDERGELIJKHEID

    Europees Parlement

    2019-2024

    EP logo RGB_Mute

     

    Commissie vrouwenrechten en gendergelijkheid

    De voorzitter

     

    26.5.2021

    Mevrouw Dolors Montserrat

    Voorzitter

    Commissie verzoekschriften

    Brussel

    Betreft: Advies inzake de bescherming van personen met een handicap via verzoekschriften: opgedane ervaring (2020/2209(INI))

    Geachte mevrouw Montserrat,

    In het kader van bovengenoemde procedure is de Commissie vrouwenrechten en gendergelijkheid ermee belast een advies uit te brengen aan uw commissie. Tijdens hun vergadering van 16 maart 2021 hebben de commissiecoördinatoren besloten dat advies in briefvorm uit te brengen.

    De Commissie vrouwenrechten en gendergelijkheid heeft de kwestie tijdens haar vergadering van 25 mei 2021[46] onderzocht. Tijdens die vergadering heeft zij besloten de bevoegde Commissie verzoekschriften te verzoeken onderstaande suggesties in haar ontwerpresolutie op te nemen.

    Hoogachtend,

    Evelyn Regner

     

    SUGGESTIES

    De Commissie vrouwenrechten en gendergelijkheid verzoekt de bevoegde Commissie verzoekschriften onderstaande suggesties in haar ontwerpresolutie op te nemen:

    A. overwegende dat 46 miljoen vrouwen en meisjes in de Europese Unie leven met een handicap[47];

    B. overwegende dat vrouwen en meisjes met een handicap te maken hebben met meervoudige intersectionele discriminatie en uitdagingen als gevolg van het snijvlak van gender en handicap met seksuele gerichtheid, genderidentiteit, genderexpressie, geslachtskenmerken, land van herkomst, klasse, migratiestatus, leeftijd, of ras of etnische afstamming; overwegende dat vrouwen met een handicap uit minderheidsgroepen vaker te maken krijgen met drievoudige discriminatie wegens hun kwetsbare situatie; overwegende dat discriminatie belemmeringen opwerpt voor hun deelname aan alle aspecten van het leven, onder meer sociaal-economische nadelen, sociale uitsluiting, gendergerelateerd geweld, gedwongen sterilisatie en abortus, gebrek aan toegang tot gemeenschapsdiensten, cultuur, sport en vrijetijdsbesteding, slechte huisvesting, institutionalisering en ontoereikende gezondheidszorg; overwegende dat deze belemmeringen hun kans verkleinen om ten volle deel te nemen en actief mee te werken aan de samenleving, onder meer in het onderwijs en op de arbeidsmarkt;

    C. overwegende dat in de Europese Unie 20,6 % van de vrouwen met een handicap voltijds werkt, vergeleken met 28,5 % van de mannen met een handicap[48]; overwegende dat uit cijfers blijkt dat gemiddeld 29,5 % van de vrouwen met een handicap in de EU risico loopt op armoede en sociale uitsluiting, ten opzichte van 27,5 % van de mannen met een handicap[49];

    D. overwegende dat in het VN-Verdrag inzake de rechten van personen met een handicap wordt opgemerkt dat vrouwen en meisjes met een handicap een groter risico lopen op geweld, zowel binnen de huiselijke kring als daarbuiten; overwegende dat sommige lidstaten het Verdrag van Istanbul nog niet hebben geratificeerd; overwegende dat de uitbreiding van de vormen van criminaliteit als bedoeld in artikel 83, lid 1, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU) tot specifieke vormen van gendergerelateerd geweld meer bescherming zal bieden aan vrouwen en meisjes met een handicap;

    Bescherming van de rechten van vrouwen met een handicap

    1. is ingenomen met de strategie inzake handicaps 2021-2030 en de verwijzingen daarin naar de specifieke uitdagingen waarmee vrouwen en meisjes met een handicap worden geconfronteerd; vraagt dat de intersectie van gender en handicap wordt geïntegreerd in alle beleidsmaatregelen, programma’s en initiatieven van de EU en in de nationale actieplannen van de lidstaten; dringt aan op een optimaal gebruik van de bestaande en toekomstige financieringsinstrumenten van de EU om toegankelijkheid en non-discriminatie te bevorderen;

    2. verzoekt de Commissie en de lidstaten ervoor te zorgen dat vrouwen met een handicap zich volledig kunnen ontplooien, vooruit kunnen komen en hun lot in eigen handen kunnen nemen, en hun deelname aan de openbare besluitvorming te bevorderen; wijst erop dat passende maatregelen moeten worden genomen om ervoor te zorgen dat ten volle rekening wordt gehouden met hun standpunten en dat, naast specifieke adviesorganen inzake handicaps, de participatie van organisaties die vrouwen met een handicap vertegenwoordigen wordt bevorderd;

    3. verzoekt de Commissie en de lidstaten het gendergerelateerd geweld waarmee vrouwen en meisjes met een handicap worden geconfronteerd, dringend aan te pakken via het Verdrag van Istanbul en door de vormen van criminaliteit als bedoeld in artikel 83, lid 1, van het VWEU uit te breiden tot specifieke vormen van gendergerelateerd geweld; verzoekt de Commissie dit als rechtsgrondslag te gebruiken om bindende maatregelen en een holistische EU-kaderrichtlijn voor te stellen om alle vormen van gendergerelateerd geweld te voorkomen en te bestrijden; verzoekt de Commissie er via de strategie voor gendergelijkheid en de strategie voor de rechten van slachtoffers voor te zorgen dat de behoeften van vrouwen met een handicap in aanmerking worden genomen in initiatieven die ondersteuning bieden aan slachtoffers, en ervoor te zorgen dat slachtoffersteun wordt opgezet in overeenstemming met het beginsel van toegankelijkheid;

    4. betreurt de discriminatie op grond van geslacht die vrouwen en meisjes met fysieke of cognitieve handicaps ervaren in de medische sector; is van mening dat vrouwen en meisjes met een handicap volledige en gelijke toegang moeten hebben tot medische behandelingen die aan hun specifieke behoeften tegemoetkomen, via handicapspecifieke gezondheidszorg- en algemene diensten; verzoekt de lidstaten medisch personeel te laten bijscholen over de specifieke behoeften van vrouwen en meisjes met een handicap, en ervoor te zorgen dat vrouwen en meisjes met een handicap alle passende informatie krijgen om hen in staat te stellen vrijelijk beslissingen te nemen over hun gezondheid;

    5. dringt aan op universele eerbiediging van en toegang tot seksuele en reproductieve gezondheid en rechten; betreurt dat de seksuele en reproductieve gezondheid en rechten van vrouwen in sommige landen worden aangevallen, hetgeen bijzonder schadelijk is voor vrouwen en meisjes met een handicap, die met bijkomende belemmeringen worden geconfronteerd bij de toegang tot gezondheidszorg; benadrukt dat de lidstaten alle nodige maatregelen moeten nemen om gedwongen sterilisatie te bestrijden; dringt er bij de lidstaten op aan te zorgen voor overheidsinvesteringen om volledige toegang tot seksuele en reproductieve gezondheid en rechten voor vrouwen en meisjes met een handicap te waarborgen; betreurt dat meisjes met een handicap vaak geen seksuele voorlichting krijgen; dringt er bij de lidstaten op aan uitgebreide en inclusieve voorlichting over seksualiteit en relaties te verzekeren;

    6. vraagt de lidstaten te zorgen voor een toegankelijk en niet-stereotiep onderwijssysteem, met inclusieve maatregelen op het gebied van onderwijs die vrouwen en meisjes met een handicap voorbereiden op de arbeidsmarkt, met bijzondere aandacht voor digitale vaardigheden en een leven lang leren, en de vrije studiekeuze van meisjes en vrouwen met een handicap te garanderen, zodat zij een baan kunnen kiezen die aan hun wensen tegemoetkomt en waarin zij zich volledig kunnen ontplooien, en waar zij niet worden beperkt door ontoegankelijkheid, vooroordelen en stereotypen; erkent het verband tussen onderwijs en latere werkgelegenheid; benadrukt de noodzaak van volledige toegang tot onderwijs om de werkgelegenheidskloof te dichten;

    7. verzoekt de Commissie en de lidstaten iets te doen aan de arbeidsparticipatiekloof waarmee vrouwen met een handicap worden geconfronteerd, met name door genderstereotypen aan te pakken, hun deelname aan de digitale economie te versterken, hun vertegenwoordiging in onderwijs, opleiding en banen in STEM-vakken en ‑beroepen te vergroten en belemmeringen voor de arbeidsparticipatie zoals seksuele intimidatie te bestrijden; verzoekt de Commissie en de lidstaten concrete maatregelen te nemen om ervoor te zorgen dat vrouwen met een handicap deelnemen aan de besluitvorming en gelijke beloning voor gelijk werk ontvangen via bindende loontransparantiemaatregelen, om hun hoge risico op armoede onder werkenden te beperken en om arbeidsregelingen zoals flexibele werkregelingen en ouderschapsverlof aan te passen aan hun specifieke behoeften; verzoekt de Commissie en de lidstaten om via het actieplan voor de sociale economie bedrijfsmodellen en initiatieven voor de sociale economie te ondersteunen die erop gericht zijn de sociale en arbeidsintegratie van vrouwen met een handicap te verbeteren;

    8. merkt op dat het verzamelen van meer gegevens en informatie van cruciaal belang is om inzicht te krijgen in de situatie van vrouwen en meisjes met een handicap; dringt aan op relevante, nauwkeurige en uitgesplitste gegevens waarin rekening wordt gehouden met gender en handicaps, om inzicht te krijgen in de uitdagingen waarmee vrouwen met een handicap, met name op de arbeidsmarkt, worden geconfronteerd.

     



     

     

    INFORMATIE OVER DE GOEDKEURING IN DE BEVOEGDE COMMISSIE

    Datum goedkeuring

    15.7.2021

     

     

     

    Uitslag eindstemming

    +:

    –:

    0:

    31

    0

    3

    Bij de eindstemming aanwezige leden

    Alex Agius Saliba, Andris Ameriks, Marc Angel, Margrete Auken, Alexander Bernhuber, Markus Buchheit, Ryszard Czarnecki, Rosa D’Amato, Eleonora Evi, Agnès Evren, Gheorghe Falcă, Emmanouil Fragkos, Mario Furore, Gianna Gancia, Ibán García Del Blanco, Alexis Georgoulis, Vlad Gheorghe, Peter Jahr, Radan Kanev, Stelios Kympouropoulos, Cristina Maestre Martín De Almagro, Dolors Montserrat, Ulrike Müller, Frédérique Ries, Alfred Sant, Monica Semedo, Massimiliano Smeriglio, Yana Toom, Loránt Vincze, Stefania Zambelli, Tatjana Ždanoka, Kosma Złotowski

    Bij de eindstemming aanwezige vaste plaatsvervangers

    Asim Ademov, Anne-Sophie Pelletier

     


    HOOFDELIJKE EINDSTEMMING IN DE BEVOEGDE COMMISSIE

     

    31

    +

    ID

    Markus Buchheit, Gianna Gancia, Stefania Zambelli

    NI

    Mario Furore

    PPE

    Asim Ademov, Alexander Bernhuber, Agnès Evren, Gheorghe Falcă, Peter Jahr, Radan Kanev, Stelios Kympouropoulos, Dolors Montserrat, Loránt Vincze

    Renew

    Vlad Gheorghe, Ulrike Müller, Frédérique Ries, Monica Semedo, Yana Toom

    S&D

    Alex Agius Saliba, Andris Ameriks, Marc Angel, Ibán García Del Blanco, Cristina Maestre Martín De Almagro, Alfred Sant, Massimiliano Smeriglio

    The Left

    Alexis Georgoulis, Anne-Sophie Pelletier

    Verts/ALE

    Margrete Auken, Rosa D’Amato, Eleonora Evi, Tatjana Ždanoka

     

     

    0

    -

     

    [0]

    0

    ECR

    Ryszard Czarnecki, Emmanouil Fragkos, Kosma Złotowski

     

    Verklaring van de gebruikte tekens:

    + : voor

    - : tegen

    0 : onthouding

     

     

    Laatst bijgewerkt op: 22 september 2021
    Juridische mededeling - Privacybeleid