VERSLAG over een Europese strategie voor hernieuwbare offshore-energie
6.12.2021 - (2021/2012(INI))
Commissie industrie, onderzoek en energie
Rapporteur: Morten Petersen
- ONTWERPRESOLUTIE VAN HET EUROPEES PARLEMENT
- TOELICHTING
- BIJLAGE: LIJST VAN INSTANTIES WAARVAN OF PERSONEN VAN WIE DE RAPPORTEUR INFORMATIE HEEFT ONTVANGEN
- ADVIES VAN DE COMMISSIE VERVOER EN TOERISME
- ADVIES VAN DE COMMISSIE VISSERIJ
- INFORMATIE OVER DE GOEDKEURING IN DE BEVOEGDE COMMISSIE
- HOOFDELIJKE EINDSTEMMING IN DE BEVOEGDE COMMISSIE
ONTWERPRESOLUTIE VAN HET EUROPEES PARLEMENT
over een Europese strategie voor hernieuwbare offshore-energie
Het Europees Parlement,
– gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 194,
– gezien Richtlijn 2003/87/EG van het Europees Parlement en de Raad van 13 oktober 2003 tot vaststelling van een regeling voor de handel in broeikasgasemissierechten binnen de Gemeenschap en tot wijziging van Richtlijn 96/61/EG van de Raad[1],
– gezien Richtlijn 2014/89/EU van het Europees Parlement en de Raad van 23 juli 2014 tot vaststelling van een kader voor maritieme ruimtelijke planning[2],
– gezien Richtlijn (EU) 2018/2001 van het Europees Parlement en de Raad van 11 december 2018 ter bevordering van het gebruik van energie uit hernieuwbare bronnen[3] (richtlijn hernieuwbare energie),
– gezien Verordening (EU) nr. 347/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 april 2013 betreffende richtsnoeren voor de trans-Europese energie-infrastructuur en tot intrekking van Beschikking nr. 1364/2006/EG en tot wijziging van de Verordeningen (EG) nr. 713/2009, (EG) nr. 714/2009 en (EG) nr. 715/2009[4] (de TEN-E-verordening),
– gezien Verordening (EU) nr. 1316/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 11 december 2013 tot vaststelling van de financieringsfaciliteit voor Europese verbindingen, tot wijziging van Verordening (EU) nr. 913/2010 en tot intrekking van Verordeningen (EG) nr. 680/2007 en (EG) nr. 67/2010[5], die momenteel wordt herzien,
– gezien Verordening (EU) 2018/1999 van het Europees Parlement en de Raad van 11 december 2018 inzake de governance van de energie-unie en van de klimaatactie, tot wijziging van Richtlijn 94/22/EG, Richtlijn 98/70/EG, Richtlijn 2009/31/EG, Verordening (EG) nr. 663/2009, Verordening (EG) nr. 715/2009, Richtlijn 2009/73/EG, Richtlijn 2009/119/EG van de Raad, Richtlijn 2010/31/EU, Richtlijn 2012/27/EU, Richtlijn 2013/30/EU en Richtlijn (EU) 2015/652 van de Raad, en tot intrekking van Verordening (EU) nr. 525/2013 van het Europees Parlement en de Raad[6],
– gezien zijn resolutie van 6 februari 2018 over versnelling van de innovatie op het gebied van schone energie[7],
– gezien zijn resolutie van 14 maart 2019 over klimaatverandering – een Europese strategische langetermijnvisie voor een bloeiende, moderne, concurrerende en klimaatneutrale economie in overeenstemming met de Overeenkomst van Parijs[8],
– gezien zijn resolutie van 15 januari 2020 over de Europese Green Deal[9],
– gezien zijn resolutie van 10 juli 2020 over een alomvattende Europese benadering van energieopslag[10],
– gezien zijn resolutie van 25 november 2020 over een nieuwe industriestrategie voor Europa[11],
– gezien zijn resolutie van 19 mei 2021 over een Europese waterstofstrategie[12],
– gezien zijn resolutie van 19 mei 2021 over een Europese strategie inzake geïntegreerde energiesystemen[13],
– gezien zijn resolutie van 7 juli 2021 over de gevolgen voor de visserijsector van offshorewindmolenparken en andere systemen voor hernieuwbare energie[14],
– gezien de mededeling van de Commissie van 11 december 2019 over de Europese Green Deal (COM(2019)0640),
– gezien de mededeling van de Commissie van 10 maart 2020 getiteld “Een nieuwe industriestrategie voor Europa” (COM(2020)0102),
– gezien de mededeling van de Commissie van 20 mei 2020 getiteld “EU-biodiversiteitsstrategie voor 2030 – De natuur terug in ons leven brengen” (COM(2020)0380) en zijn desbetreffende resolutie van 9 juni 2021 met dezelfde titel[15],
– gezien de mededeling van de Commissie van 8 juli 2020 getiteld “Een waterstofstrategie voor een klimaatneutraal Europa” (COM(2020)0301),
– gezien de mededeling van de Commissie van 8 juli 2020 getiteld “Energie voor een klimaatneutrale economie: een EU-strategie voor een geïntegreerd energiesysteem” (COM(2020)0299),
– gezien de mededeling van de Commissie van 17 september 2020 getiteld “Een ambitieuzere klimaatdoelstelling voor Europa voor 2030: investeren in een klimaatneutrale toekomst voor ons allemaal” (COM(2020)0562),
– gezien het verslag van de Commissie van 14 oktober 2020 getiteld “Verslag over de stand van de energie-unie 2020 overeenkomstig Verordening (EU) 2018/1999 inzake de governance van de energie-unie en van de klimaatactie” (COM(2020)0950),
– gezien de mededeling van de Commissie van 19 november 2020 getiteld “EU-strategie over de benutting van het potentieel van hernieuwbare offshore-energie met het oog op een klimaatneutrale toekomst” (COM(2020)0741),
– gezien het voorstel van de Commissie van 15 december 2020 voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad betreffende richtsnoeren voor trans-Europese energie-infrastructuur en tot intrekking van Verordening (EU) nr. 347/2013 (COM(2020)0824),
– gezien verslag nr. 3/2015 van het Europees Milieuagentschap van 1 oktober 2015 getiteld “Marine protected areas in Europe’s seas – an overview and perspectives for the future” en zijn briefing van 6 oktober 2020 getiteld “Management effectiveness in the EU’s Natura 2000 network of protected areas”,
– gezien de overeenkomst die op de 21e Conferentie van de Partijen bij het Raamverdrag van de Verenigde Naties inzake klimaatverandering (COP21) op 12 december 2015 in Parijs is aangenomen (de Overeenkomst van Parijs),
– gezien artikel 54 van zijn Reglement,
– gezien de adviezen van de Commissie vervoer en toerisme en de Commissie visserij,
– gezien het verslag van de Commissie industrie, onderzoek en energie (A9-0339/2021),
A. overwegende dat de EU de Overeenkomst van Parijs heeft geratificeerd, alsmede de Europese Green Deal en de recent aangenomen Europese klimaatwet, waarin de EU zich tot doel stelt om uiterlijk in 2030 de uitstoot van broeikasgassen met ten minste 55 % te verminderen en uiterlijk in 2050 de doelstelling van klimaatneutraliteit, alsook aanvullende doelstellingen, te verwezenlijken teneinde de gevolgen van de wereldwijde klimaatverandering tegen te gaan;
B. overwegende dat de transitie naar een broeikasgasneutrale, uiterst energie-efficiënte en in grote mate op hernieuwbare energiebronnen gebaseerde economie een snelle en schone energietransitie vereist, die zorgt voor duurzaamheid, voorzieningszekerheid en betaalbare energie, alsook voor de nodige energie-infrastructuur;
C. overwegende dat de aanzienlijke daling van de prijzen van hernieuwbare offshore-elektriciteit ervoor heeft gezorgd dat deze energiebron een van de meest concurrerend geprijsde energiebronnen is geworden, met een totaal gewogen gemiddelde van de genormaliseerde energiekosten (“levelised cost of energy”) voor offshorewindenergie dat tussen 2010 en 2020 met 48 % is gedaald van 0,14 EUR naar 0,071 EUR per kWh, en daardoor een essentieel element van de groene transitie is geworden, waarmee de weg wordt geëffend voor een moderne, hulpbronnenefficiënte en concurrerende economie, en een van de belangrijkste pijlers van de klimaatambities van de EU is geworden; overwegende dat met hernieuwbare offshore-energie enorme energiebronnen kunnen worden benut om huishoudens te beschermen tegen energiearmoede;
D. overwegende dat in de EU-strategie voor hernieuwbare offshore-energie rekening moet worden gehouden met de verschillende geografische kenmerken van de zeegebieden van de EU, waardoor het moeilijk is om een uniforme aanpak te ontwikkelen;
E. overwegende dat de EU-sector voor de productie van hernieuwbare offshore-energie technologisch toonaangevend is en een aanzienlijk potentieel heeft om de economie van de EU te stimuleren door de groei van de productie van schone energie in Europa en de rest van de wereld te ondersteunen;
F. overwegende dat het totale bedrag dat de afgelopen tien jaar beschikbaar was voor EU-programma’s voor onderzoek en ontwikkeling (O&O) op het gebied van offshorewindenergie 496 miljoen EUR bedroeg; overwegende dat overheidsinvesteringen in onderzoek en ontwikkeling in de waardeketen van windenergie reeds een cruciale rol hebben gespeeld bij het mogelijk maken van de ontwikkeling van de sector; overwegende dat de investering die nodig is om hernieuwbare offshore-energie tegen 2050 op grote schaal uit te rollen, wordt geraamd op bijna 800 miljard EUR, waarvan ongeveer twee derde voor de financiering van de bijbehorende netwerkinfrastructuur en ongeveer een derde voor offshore-energieopwekking; overwegende dat het herstelplan NextGenerationEU een unieke kans biedt om naast particuliere investeringen ook aanzienlijke bedragen aan overheidskapitaal te mobiliseren;
G. overwegende dat de vaardigheden en kwalificaties van de beroepsbevolking van groot belang zijn voor het welslagen van de strategie voor hernieuwbare offshore-energie;
H. overwegende dat EU-havens een cruciale rol spelen om ervoor te zorgen dat offshorewindenergie kosteneffectief is, en fungeren als toegangspoorten voor plaatselijke ontwikkeling in kustgemeenschappen;
I. overwegende dat de Noordzee momenteel wereldwijd koploper is wat de uitgerolde capaciteit voor offshorewindenergie betreft; overwegende dat andere Europese zeegebieden zoals de Atlantische Oceaan, de Middellandse Zee, de Oostzee en de Zwarte Zee veelbelovende locaties zijn om de productie en uitrol van offshorewindenergie in de EU op te schalen; overwegende dat de westelijke EU-lidstaten die aan de Atlantische Oceaan grenzen, een groot natuurlijk potentieel bieden voor zowel verankerde als drijvende offshorewindturbines; overwegende dat de zuidelijke EU-lidstaten die aan de Middellandse Zee grenzen, een groot potentieel bieden voor voornamelijk drijvende offshorewindturbines; overwegende dat de EU-lidstaten die de aan de Oostzee grenzen, een groot natuurlijk potentieel bieden voor verankerde offshorewindturbines; overwegende dat de oostelijke EU-lidstaten die aan de Zwarte Zee grenzen, een groot potentieel bieden voor zowel verankerde als drijvende offshorewindturbines;
J. overwegende dat aanvullend onderzoek nodig is naar het effect van verschillende technologieën en infrastructuur voor hernieuwbare offshore-energie op mariene ecosystemen, de mariene biodiversiteit en beschermde mariene gebieden;
K. overwegende dat de transitie naar een klimaatneutrale economie gepaard moet gaan met natuurherstel, zonder afbreuk te doen aan de bestaande natuurdoelstellingen van de EU-biodiversiteitsstrategie voor 2030 of mensen aan hun lot over te laten, zoals bepaald in de Europese Green Deal; overwegende dat de energietransitie eerlijk en inclusief moet zijn;
L. overwegende dat bij projecten voor hernieuwbare offshore-energie en de milieueffectbeoordelingen daarvan de benadering van de mitigatiehiërarchie moet worden gehanteerd; overwegende dat indien milieugevolgen onmogelijk of slechts in beperkte mate kunnen worden vermeden, in alle fasen – van de keuze van de locatie tot de exploitatie en de ontmanteling – maatregelen moeten worden vastgesteld en effectief moeten worden uitgevoerd om die gevolgen te beperken; overwegende dat die beperkende maatregelen ook maatregelen tegen in milieueffectbeoordelingen vermeld onderwatergeluid omvatten;
M. overwegende dat de Commissie moet nagaan of het haalbaar is om een belangrijk project van gemeenschappelijk Europees belang op te zetten voor een groot drijvend windmolenpark en een aansluitende elektrolyse-installatie;
N. overwegende dat er voordeel valt te halen uit de verenigbaarheid tussen de behoefte aan ruimte op zee voor hernieuwbare offshore-energie en de naleving van de EU-biodiversiteitsstrategie voor 2030; overwegende dat offshorewindmolenparken de mariene biodiversiteit ten goede kunnen komen mits ze op duurzame wijze worden ontworpen en gebouwd; overwegende dat een sterke uitbreiding van de windenergieproductie op zee een slimme benadering vereist om ervoor te zorgen dat die kan co-existeren met activiteiten die reeds in de betreffende gebieden plaatsvinden en om zo weinig mogelijk schade toe te brengen aan het milieu; overwegende dat geluidsoverlast door de bouw en exploitatie van windmolenparken, en met name door zeevervoer, negatieve gevolgen heeft voor het mariene ecosysteem en moet worden aangepakt in de milieuwetgeving; overwegende dat als ontwikkelaars van hernieuwbare energie in een vroege fase bij het proces worden betrokken, dat ongetwijfeld zal bijdragen tot een geslaagde toewijzing van de maritieme ruimte; overwegende dat de toewijzing van ruimte het resultaat moet zijn van een gezamenlijke maritieme ruimtelijke planning en een geïntegreerd kustbeheer die de nationale grenzen overschrijden; overwegende dat windturbines op zee meer elektriciteit produceren dan windturbines op land en meer kans maken om door de omwonenden te worden aanvaard;
O. overwegende dat er geen menselijke activiteiten, met inbegrip van hernieuwbare energie, mogen worden toegestaan in strikt beschermde gebieden in de EU die als zodanig zijn aangemerkt in het kader van de EU-biodiversiteitsstrategie voor 2030;
P. overwegende dat met de strategie wordt beoogd een langetermijnkader tot stand te brengen dat een gezonde co-existentie van offshore-infrastructuur en andere vormen van gebruik van de mariene ruimte bevordert, bijdraagt tot de bescherming van het milieu en vissersgemeenschappen in staat stelt te gedijen;
Q. overwegende dat een rechtvaardige transitie van werknemers van de offshoreolie- en ‑gassector naar de sector hernieuwbare offshore-energie moet worden ondersteund door een betere erkenning van hun vaardigheden en kwalificaties; overwegende dat het belangrijk is de hoogste sociale en milieunormen te handhaven;
R. overwegende dat de mate waarin hernieuwbare offshore-energie wordt gebruikt, afhangt van de inspanningen van de publieke en private sector; overwegende dat naast particuliere bedrijven ook overheidsbedrijven een rol kunnen spelen in de sector hernieuwbare offshore-energie; overwegende dat een herziening van de regels inzake staatssteun en overheidsopdrachten moet zorgen voor meer flexibiliteit bij de uitvoering van de groene transitie, met inbegrip van projecten voor hernieuwbare offshore-energie;
1. is van mening dat de klimaatverandering tegengaan door hernieuwbare offshore-energie te gaan gebruiken, van wezenlijk belang is om de doelstellingen van de Overeenkomst van Parijs te verwezenlijken en de verbintenis van de EU om uiterlijk in 2050 broeikasgasneutraliteit te bereiken, na te komen, in overeenstemming met de meest recente wetenschappelijke gegevens, zoals bevestigd in de Europese Green Deal en het herstelplan NextGenerationEU; benadrukt dat een broeikasgasneutrale economie vereist dat hernieuwbare energie op ongeziene schaal wordt uitgerold; benadrukt dat veel lidstaten achterlopen met de uitrol van de nodige hernieuwbare energie en infrastructuur; onderstreept voorts dat alle lidstaten aanzienlijke inspanningen moeten leveren om hun volledige potentieel op het gebied van hernieuwbare energie te benutten; benadrukt dat de EU haar klimaatverbintenissen niet zal kunnen nakomen als er geen verdere maatregelen worden genomen om de uitrol van hernieuwbare offshore-energie te versnellen;
2. verzoekt de Commissie hernieuwbare offshore-energie en andere relevante energietechnologieën uiterlijk in 2050 tot kernonderdelen van het Europese energiesysteem te maken;
3. benadrukt dat energiebesparing, energie-efficiëntie en hernieuwbare energie behoren tot de belangrijkste drijvende factoren om een broeikasgasneutrale economie te bewerkstelligen; herinnert eraan dat de Unie zich heeft gecommitteerd aan het beginsel “energie-efficiëntie eerst” en onderstreept dat het belangrijk is dit beginsel in alle relevante wetgeving en initiatieven toe te passen;
4. wijst op de in mededeling COM(2020)0741 van de Commissie vermelde streefcijfers voor de productie van hernieuwbare offshore-energie in alle zeegebieden van de EU, namelijk ten minste 60 GW tegen 2030 en 340 GW tegen 2050; wijst erop dat de geïnstalleerde capaciteit voor offshorewindenergie volgens de effectbeoordeling van de Commissie bij mededeling COM(2020)0562[16] 70 à 79 GW moet bedragen om het traject naar een reductie met 55 % tegen 2030 betaalbaar te maken; verzoekt de lidstaten en de openbare en particuliere sector de reductiedoelstelling van 55 % tegen 2030 te overtreffen; dringt er bij de Commissie op aan de regels inzake overheidsopdrachten en staatssteun te herzien om te zorgen voor een kostenconcurrerende transitie die wordt ondersteund door een goed functionerende markt die het gebruik van offshorewindenergie stimuleert; constateert dat er gebieden zijn met een grotendeels onbenut potentieel voor hernieuwbare offshore-energie, zoals de Atlantische Oceaan, de Middellandse Zee, de Oostzee en de Zwarte Zee; benadrukt dat het besluit om uiterlijk in 2030 ruimte te vinden voor deze aanvullende capaciteit voor hernieuwbare offshore-energie van het grootste belang is en dat de EU daar vóór 2023/2024 prioritair werk van moet maken, zodat uiterlijk in 2030 kan worden gebouwd; benadrukt dat het concurrentievermogen van offshorewind- en oceaanenergie als energiebron zal blijven toenemen en dat de prijzen zullen blijven dalen naarmate de ontwikkeling en uitrol voortschrijden; benadrukt dat hernieuwbare offshore-energie een levensvatbare energiebron is en dat een duurzaam en betrouwbaar energiesysteem hernieuwbare offshore-energie moet combineren met andere energietechnologieën, opslagmogelijkheden en een flexibel energieverbruik;
5. is van mening dat hernieuwbare offshore-energie duurzaam moet zijn in de hele waardeketen en slechts beperkte negatieve gevolgen mag hebben voor het milieu en de economische, sociale en territoriale cohesie; herinnert aan de in de Europese Green Deal vervatte belofte dat niemand aan zijn lot mag worden overgelaten; onderstreept dat het welzijn van de mensen centraal moet staan bij de groene transitie;
6. wijst op het concurrentievoordeel van EU-bedrijven en ‑technologieën in de sector hernieuwbare offshore-energie; verzoekt de Commissie ervoor te zorgen dat de EU haar technologisch leiderschap handhaaft, talent behoudt en betaalbare, veilige en duurzame energie levert, rekening houdend met de potentiële effecten, onder meer de effecten in verband met klimaatverandering en het effect op het mariene milieu; benadrukt dat het belangrijk is dit concurrentievoordeel te behouden; wijst op het aanzienlijke groeipotentieel van de sector en de bijdrage die ze levert aan de economie van de EU, onder meer door de uitvoer van technologie en systemen; benadrukt dat het belangrijk is investeringen in onderzoek en ontwikkeling te ondersteunen en voort te bouwen op innovatieve technologische systemen in de sector hernieuwbare offshore-energie door middel van grensoverschrijdende samenwerking en partnerschappen in het kader van Horizon Europa, teneinde robuuste Europese waardeketens, die van cruciaal belang zijn voor de dubbele transitie, te faciliteren en te ondersteunen, en er tevens voor te zorgen dat de op dit gebied ontwikkelde innovaties snel ingang vinden; wijst erop dat hoogwaardige industriële arbeidsplaatsen van belang zijn om een rechtvaardige transitie te vergemakkelijken;
7. onderstreept dat het noodzakelijk is een schone, concurrerende en duurzame toeleveringsketen voor hernieuwbare offshore-energie in de Europese Unie te handhaven; benadrukt daarom dat leveranciers de hoogste kwaliteits-, gezondheids-, veiligheids- en milieunormen moeten toepassen overeenkomstig de Europese certificering en normen, die in overleg met alle relevante belanghebbenden zijn vastgesteld; benadrukt voorts dat de transportkosten in de toeleveringsketen zo laag mogelijk moeten worden gehouden; is van oordeel dat met deze elementen rekening moet worden gehouden bij openbare aanbestedingen;
8. benadrukt dat de uitrol van hernieuwbare offshore-energie ultraperifere gebieden en eilanden een uitgelezen kans biedt om hun energiemix koolstofvrij te maken en hun afhankelijkheid van de invoer van fossiele brandstoffen drastisch te verminderen; vraagt dat het initiatief “Schone energie voor de eilanden van de EU” wordt uitgebreid, met een sterke nadruk op hernieuwbare offshore-energie; herinnert eraan dat eilanden bijzonder zwaar worden getroffen door de stijging van de zeespiegel;
9. verzoekt de Commissie zo spoedig mogelijk een effectbeoordeling uit te voeren om de economische en sociaal-economische gevolgen van hernieuwbare offshore-energie te verduidelijken, met bijzondere aandacht voor de bestaande banen en banen die worden geschapen door de ontplooiing van 300 à450 GW aan capaciteit tegen 2050;
10. verzoekt de lokale bevoegde autoriteiten initiatieven te beoordelen die de lokale economie, lokale, duurzame banen en economische activiteiten stimuleren dankzij het gebruik van hernieuwbare offshore-energie; vraagt dat er wordt gezocht naar synergieën tussen sectoren die de groene en digitale transitie het best kunnen ondersteunen en het economisch herstel toekomstbestendig kunnen helpen maken, en dat er synergieën worden ontwikkeld met de maatregelen die een duurzame blauwe economie mogelijk maken;
Infrastructuur en netwerken
Investeringen in infrastructuur
11. benadrukt dat de bestaande infrastructuur dringend moet worden verbeterd en uitgebreid, zonder afbreuk te doen aan de EU-biodiversiteitsstrategie voor 2030 en de natuurwetgeving van de EU, om een intensiever gebruik van elektriciteit uit hernieuwbare energiebronnen mogelijk te maken; betreurt dat een aantal lidstaten hun doelstelling van 10 % elektriciteitsinterconnectie in uiterlijk 2020 nog niet hebben gehaald, en vraagt de Commissie en de lidstaten te zorgen voor adequate infrastructuur, zoals transmissielijnen, om offshore-elektriciteit uit hernieuwbare energiebronnen te integreren en te transporteren; herinnert eraan dat de EU zich in artikel 2 van de Verordening (EU) 2018/1999 inzake de governance van de energie-unie en van de klimaatactie tot doel heeft gesteld uiterlijk in 2030 15 % elektriciteitsinterconnectie te verwezenlijken; verzoekt de Commissie met een voorstel te komen dat de verwezenlijking van de interconnectiedoelstelling kan bespoedigen; is van oordeel dat de Unie en haar lidstaten werk moeten maken van overeenkomsten over offshore-energie-infrastructuur met naburige geografische regio’s;
12. verzoekt de Commissie en de lidstaten ervoor te zorgen dat er in de EU adequate infrastructuur is om een kosteneffectieve uitrol van hernieuwbare offshore-energie te waarborgen;
13. benadrukt dat het van belang is te zorgen voor een duurzame en verantwoorde ontwikkeling van de sector hernieuwbare offshore-energie, rekening houdend met de belangrijke rol van zeevervoer en zeehavens; benadrukt dat bij de ontwikkeling van hernieuwbare offshore-energie rekening moet worden gehouden met de behoefte aan veilige maritieme toegangswegen en corridors en ankerplaatsen voor de scheepvaart, alsook met de toekomstige ontwikkeling van maritieme toegangswegen tot havens; wijst op het belang van moderne, duurzame en innovatieve zeehavens voor de assemblage, de productie en het onderhoud van uitrusting voor hernieuwbare offshore-energie, en op de aanzienlijke investeringen die nodig zijn voor de modernisering van haveninfrastructuur, met inbegrip van vervoersterminals, en schepen om deze diensten te kunnen verlenen; wijst op de rol van zeehavens als aanlandingspunten voor hernieuwbare offshore-energie en de bijbehorende logistiek, en als hernieuwbare-energiehubs voor offshore-netaansluiting en grensoverschrijdende interconnectoren;
14. onderstreept dat de toegang tot hernieuwbare offshore-energie ook zal bijdragen tot de vergroening van havens, onder meer wat betreft de stroomvoorziening van aangemeerde schepen en de ontwikkeling van havens als circulaire-industrieclusters; benadrukt dat de maritieme ruimtelijke plannen van de lidstaten verenigbaar moeten zijn met toekomstige trends, zoals nieuwe verkeersstromen, nieuwe scheepvaartroutes en grotere schepen, en ervoor moeten zorgen dat offshore-energie-infrastructuur kan samengaan met scheepvaartroutes, de visserijsector, verkeersscheidingsstelsels, ankerplaatsen, maritieme toegang en activiteiten en havenontwikkeling; is stellig van mening dat voor schepen die in de buurt van offshore-energie-infrastructuur varen, de hoogste veiligheidsniveaus moeten worden gewaarborgd, met inbegrip van een toereikende dekking van de verkeersbegeleidingsdiensten en de beschikbaarheid van reddingsschepen in het gebied;
15. verwelkomt het voorstel van de Commissie voor een herziening van de TEN-E-verordening om de doelstelling van de Europese Green Deal te verwezenlijken en de verordening af te stemmen op de doelstelling van 1,5 °C, en is ook verheugd dat daarin aandacht wordt besteed aan de behoeften en prioriteiten van de sector hernieuwbare offshore-energie; benadrukt dat de ontwikkeling van duurzame en efficiënte hybride en radiale offshorewindenergie-installaties voor opwekking, interconnectie en transmissie toekomstgerichte publieke en private planning en investeringen vergt; is stellig van mening dat de regelgevingskaders anticiperende investeringen moeten vergemakkelijken; benadrukt dat de ontwikkelingsplannen voor onshore- en offshorenetwerken moeten worden gecoördineerd en op elkaar moeten worden afgestemd, onder meer door aanlandingspunten voor offshoreverbindingen en aansluitingen met het onshorenet aan te wijzen; moedigt de lidstaten aan om de aanleg van de nodige netwerkinfrastructuur te bespoedigen om de groene transitie, waarvoor elektrificatie van cruciaal belang is, te vergemakkelijken; erkent dat de enorme investeringen, die vaak gelijktijdig zullen worden gedaan, een zorgvuldige en nauwkeurige planning vergen;
16. onderstreept dat het van belang is gezamenlijk te bepalen hoeveel hernieuwbare offshore-energie de lidstaten in 2030, 2040 en 2050 in elk zeegebied moeten opwekken en overeen te komen daarbij samen te werken, teneinde voor investeringszekerheid te zorgen en de verwezenlijking van de klimaat- en energiedoelstellingen te waarborgen;
17. erkent dat er in alle Europese zeegebieden potentieel is voor hernieuwbare offshore-energie, en verzoekt de Commissie en de lidstaten de sleuteltechnologieën voor de benutting van deze energie verder te ontwikkelen;
18. is verheugd dat de Commissie met betrekking tot de strategie heeft toegezegd om de dialoog over de ecologische, economische en sociale duurzaamheid van hernieuwbare offshore-energie te faciliteren en een “praktijkgemeenschap” te bevorderen waarin alle belanghebbenden, waaronder de industrie, ngo’s, vissers en wetenschappers, in een vroeg stadium van gedachten kunnen wisselen, ervaringen kunnen delen en aan gezamenlijke projecten kunnen werken;
19. wijst op de potentiële voordelen van het combineren van offshoreproductiefaciliteiten en transmissieactiva in de aanbestedingsprocedure; verzoekt de Commissie en de lidstaten het potentieel en de mogelijke uitdagingen van deze allesomvattende aanbestedingsaanpak te onderzoeken en te beoordelen in hoeverre deze op verschillende situaties kan worden toegepast; benadrukt dat daarbij rekening moet worden gehouden met de mogelijke uitdagingen als het erom gaat te zorgen voor stimulansen en een optimale planning van offshore- en onshoretransmissienetwerken;
20. herinnert eraan dat elektriciteitsproductie uit hernieuwbare offshore-energie ook een kans biedt voor de productie van hernieuwbare waterstof, zoals uiteengezet in de mededelingen COM(2020)0741, COM(2020)0299 en COM(2020)0301 van de Commissie;
21. wijst erop dat verschillende hernieuwbare-energietechnologieën complementair zijn dankzij gedeelde infrastructuur, synergieën in de toeleveringsketen en een betrouwbaardere totale elektriciteitsopwekking;
22. onderstreept de noodzaak van investeringen in infrastructuur om de uitbreiding van de sector hernieuwbare offshore-energie te ondersteunen, met name investeringen in havens om plaats te maken voor grotere turbines en onderdelen, te voorzien in exploitatie en onderhoud (met inbegrip van opleidingsfaciliteiten) en ontmantelings- en productiecentra voor verankerde en drijvende offshorewindturbines te bouwen; benadrukt dat hernieuwbare offshore-energie van cruciaal belang zal zijn voor de continuïteit van de energievoorziening en dat de nodige maatregelen moeten worden genomen om de infrastructuur tegen cyberaanvallen te beschermen;
Samenwerking tussen de lidstaten
23. benadrukt dat samenwerking tussen de lidstaten van wezenlijk belang is om de offshore-energiebronnen zo doeltreffend mogelijk te benutten, rekening houdend met de specifieke kenmerken van elk gebied; benadrukt het belang van de North Seas Energy Cooperation en de noodzaak om het VK daar opnieuw bij te betrekken; merkt op dat het huidige rechtskader moet worden verbeterd om die samenwerking in voldoende mate te vergemakkelijken; is stellig van mening dat de uitrol van offshore-energie zal worden belemmerd als de samenwerking tussen de lidstaten en de onderling verbonden niet-EU-landen niet wordt verbeterd; dringt er bij de Commissie en de lidstaten op aan onverwijld de nodige maatregelen te nemen; moedigt de lidstaten aan om onmiddellijk plannen voor de ontwikkeling van offshore-energie te coördineren en voor te leggen;
24. benadrukt dat regionale samenwerking op zeegebiedniveau tussen lidstaten en buurlanden moet worden bevorderd door gezamenlijke planning, door belemmeringen in de regelgeving weg te nemen, alsook door regionale kaarten van marien ruimtelijk gebruik op te stellen die voor alle belanghebbenden toegankelijk zijn en regelmatig worden geactualiseerd aan de hand van een gemeenschappelijk monitoringkader;
25. is ingenomen met het voornemen van de Commissie om te zorgen voor coördinatie met de lidstaten ter ondersteuning van de uitrol van ten minste 100 MW aan golf- en getijdenenergie tegen 2025 en ten minste 1 GW tegen 2030;
26. verwelkomt het voorstel van de Commissie voor een verordening betreffende richtsnoeren voor trans-Europese energie-infrastructuur en tot intrekking van Verordening (EU) nr. 347/2013 en steunt de oprichting van een centraal contactpunt per prioritaire corridor voor offshorenetwerken, dat de coördinatie tussen de lidstaten en de vergunningsprocedures voor hernieuwbare-offshore-energieprojecten van gemeenschappelijk belang moet vergemakkelijken;
Stadsverwarming en -koeling
27. merkt op dat met hernieuwbare offshore-energie geproduceerde elektriciteit en directe verwarming en koeling kunnen bijdragen tot de vergroening van alle eindtoepassingen van elektriciteit, zoals warmtepompen, zodat er minder en uiteindelijk helemaal geen broeikasgassen worden uitgestoten; wijst op de mogelijkheid om hernieuwbare offshore-energie met behulp van schone elektriciteit en warmtepompen te integreren in stadsverwarming;
28. verzoekt de Commissie best practices van rijpe markten voor stadsverwarming en ‑koeling te onderzoeken ten behoeve van opkomende markten; benadrukt dat de lidstaten capaciteit kunnen bouwen om warmte en koude op te slaan en zo het gebruik van sterk fluctuerende hernieuwbare offshore-energie aan te moedigen; benadrukt dat een gebrek aan gegevens en een gebrek aan samenhang van de strategieën voor de renovatie van gebouwen op gemeentelijk niveau de verdere integratie van hernieuwbare energiebronnen op de markten voor stadsverwarming en ‑koeling belemmeren;
29. wijst erop dat de nationale en lokale autoriteiten een rol spelen bij de strategische planning voor verwarming en koeling en bij de ondersteuning van stadsenergie-exploitanten door de risico’s van investeringen te verminderen en de toegang tot directe financiering door de publieke sector te vergemakkelijken;
Onderzoek en ontwikkeling
30. is stellig van mening dat de EU en de lidstaten onderzoek naar en de ontwikkeling van multifunctionele interconnectoren moeten ondersteunen; benadrukt dat er een langetermijnkader voor multifunctionele interconnectoren tot stand moet worden gebracht waarmee de offshore- en onshoremarkten op efficiënte wijze kunnen worden geïntegreerd; verzoekt de Commissie fabrikanten van verschillende apparatuur te helpen bij de ontwikkeling van een gemeenschappelijke norm waarmee de compatibiliteit en interoperabiliteit van connectoren kunnen worden gewaarborgd; benadrukt dat nieuwe technologieën, zoals multifunctionele interconnectoren, moeten worden ontworpen, getest en gedemonstreerd en dat de risico’s ervan moeten worden verminderd, zodat ze sneller op de markt kunnen worden gebracht; vraagt dat er passende randvoorwaarden worden geschapen om voor een snelle ontwikkeling van deze technologieën te zorgen;
31. dringt er bij de Commissie, de lidstaten en de particuliere sector op aan meer te investeren in onderzoek en ontwikkeling op het gebied van circulair en natuurinclusief ontwerp van hernieuwbare offshore-energie alsook technologie voor het recyclen en ontmantelen van hernieuwbareoffshore-energieparken;
32. benadrukt dat de sector hernieuwbare offshore-energie in de EU voor zijn productie afhankelijk is van ingevoerde grondstoffen en onderdelen, en dat de toeleveringsketen voor deze materialen moet worden beschermd; herhaalt dat leveranciers de hoogste kwaliteits-, gezondheids-, veiligheids- en milieunormen moeten toepassen overeenkomstig de Europese certificering en normen;
33. is stellig van mening dat de EU en de lidstaten steun moeten verlenen aan onderzoek naar en de ontwikkeling van drijvende offshore-installaties voor de productie van wind-, getijden-, golfslag- en stromingsenergie, die kunnen worden aangepast aan de verschillende zeebodemomstandigheden in Europa; onderstreept in dit verband ook dat er steun moet worden verleend aan onderzoek naar en de ontwikkeling, opschaling en commercialisering van het koolstofvrij maken van de volledige waardeketen van hernieuwbare offshore-energie, van technologieën die hernieuwbare energiebronnen, zoals offshorewindenergie, gebruiken om andere sectoren koolstofvrij te maken, en van de koppeling van sectoren;
34. wijst op de noodzaak om hernieuwbare offshore-energie in diepe wateren te exploiteren; benadrukt dat met drijvende technologie hogere en constantere windsnelheden kunnen worden benut, waardoor ook het milieueffect van de windmolens tot een minimum kan worden beperkt en de druk in verband met kustplanning kan worden verminderd; verzoekt de Commissie en de lidstaten onderzoek, ontwikkeling, monitoring en innovatie met betrekking tot technologieën zoals drijvende platforms te bevorderen; benadrukt dat dit voor de EU een uitgelezen kans is om een wereldleider te worden op het gebied van technologieën voor hernieuwbare offshore-energie, die van cruciaal belang zullen zijn voor de decarbonisatie;
35. acht het van essentieel belang dat belangrijke onderdelen van de waardeketens van hernieuwbare energie zich in Europa bevinden om de klimaatdoelstellingen te verwezenlijken en de Europeanen aanzienlijke economische voordelen te bieden; vraagt om adequate maatregelen om de rol van lokale Europese inhoud in de toeleveringsketen van en de wetgeving inzake de strategie voor hernieuwbare energie te ondersteunen;
36. is verheugd dat de Commissie en de Europese Investeringsbank met andere financiële instellingen willen samenwerken om via InvestEU strategische investeringen met een hoger risico in offshore-energie te ondersteunen en er tegelijkertijd voor willen zorgen dat de EU technologisch koploper blijft;
37. verzoekt de Commissie en de lidstaten in de context van de Europese Green Deal meer gebruik te maken van EU-middelen om de ontwikkeling van hernieuwbare offshore-energie in ultraperifere gebieden en op eilanden te ondersteunen, zodat ze op efficiënte wijze minder afhankelijk worden van fossiele brandstoffen;
38. benadrukt dat voor de uitbreiding van hernieuwbare offshore-energie een groot aantal hooggespecialiseerde en gekwalificeerde arbeidskrachten nodig zal zijn, en verzoekt de Commissie en de lidstaten het nodige te doen om een tekort aan gekwalificeerde arbeidskrachten te voorkomen door te zorgen voor aantrekkelijke arbeidsomstandigheden, rekening houdend met gezondheid en veiligheid; steunt het streven van de Commissie om de bevoegde nationale en regionale autoriteiten te helpen bij het opzetten en uitvoeren van specifieke onderwijs- en opleidingsprogramma’s over hernieuwbare offshore-energie en erkent dat er een vaardighedenpool op het gebied van hernieuwbare offshore-energie moet worden ontwikkeld; verzoekt de Commissie hernieuwbare offshore-energie op te nemen in haar volgende Europese vaardighedenagenda teneinde personen, multinationals en kleine en middelgrote ondernemingen te helpen de vaardigheden te ontwikkelen die nodig zijn in de sector hernieuwbare offshore-energie; onderstreept het belang van banen voor vrouwen in de zeer technische omgeving van de offshore-sector;
39. acht het van groot belang dat hernieuwbare offshore-energie gedurende de hele projectcyclus op circulaire en hernieuwbare wijze wordt ontworpen, ontwikkeld en uitgerold; benadrukt met name dat de aanzienlijke hoeveelheid metalen en mineralen die nodig zijn om de groei van hernieuwbare technologieën te ondersteunen, op verantwoordelijke en circulaire wijze moeten worden gewonnen;
40. wijst op het grote potentieel om hernieuwbare offshorewaterstof te ontwikkelen, die kan bijdragen tot de bredere ontwikkeling van de markt voor hernieuwbare waterstof; verzoekt de Commissie te beoordelen hoe hernieuwbare offshore-energiebronnen de weg kunnen banen voor de ontwikkeling van de productie van hernieuwbare waterstof;
41. benadrukt dat private en publieke investeringen in de sector hernieuwbare offshore-energie belangrijk zijn voor de uitrol op grote schaal van technologieën op het gebied van hernieuwbare offshore-energie; herhaalt zijn verzoek aan de Commissie om Horizon Europa toe te snijden op de ontwikkeling, opschaling en commercialisering van baanbrekende technologieën en innovaties in de Unie, zodat de kloof tussen innovatie en marktintroductie kan worden gedicht, door risicofinanciering te verstrekken voor technologie- en demonstratieprojecten die zich in een vroeg stadium bevinden en door vroege waardeketens tot stand te brengen om de ontwikkeling van onderzoeksinfrastructuur te ondersteunen, ook teneinde de bestaande kloven tussen de lidstaten te verkleinen;
42. benadrukt dat betere vaardigheden op het gebied van hernieuwbare offshore-energie en sectorspecifieke kennis troeven zijn die naar niet-EU-landen kunnen worden uitgevoerd en zo de uitvoer van diensten uit de EU kunnen ondersteunen en de klimaatverandering op wereldvlak kunnen helpen beperken;
Vergunningen en maritieme ruimtelijke plannen
De afgifte van vergunningen stroomlijnen
43. benadrukt dat de uitrol van hernieuwbare offshore-energie moet worden versneld om de doelstellingen voor 2030 en 2050 te verwezenlijken; onderstreept dat een duurzamer beheer van de maritieme ruimte en de kusten nodig is om van hernieuwbare offshore-energie te kunnen benutten; is stellig van mening dat een goede maritieme ruimtelijke planning gepaard moet gaan met een gedegen aanpak van inspraak van het publiek, zodat rekening wordt gehouden met de standpunten van alle belanghebbenden en kustgemeenschappen; merkt op dat de enorme belangstelling voor hernieuwbare offshore-energie zal leiden tot een steeds groter aantal vergunningsaanvragen; verzoekt de lidstaten de betreffende procedures dringend te vereenvoudigen en hun inspanningen te coördineren; moedigt de lidstaten aan om centrale contactpunten in te stellen;
44. merkt op dat het opstartproces voor projecten op het gebied van hernieuwbare offshore-energie momenteel lang duurt en dringend moet worden versneld om de doelstellingen voor 2030 en 2050 te halen; merkt op dat het stroomlijnen van de procedures en de technische normen van de lidstaten een snellere uitrol zal vergemakkelijken; verzoekt de lidstaten een transparante procedure voor de afgifte van vergunningen vast te stellen en te overwegen tijdslimieten voor de afgifte van vergunningen te stellen, met de nodige milieubeoordelingen en ‑studies en overleg met belanghebbenden, en tijdslimieten voor goedkeuring te stellen als er een volledig dossier is ingediend, met een deadline voor een besluit; benadrukt dat het belangrijk is de procedures waar nodig te verkorten en maatregelen opdat de deadlines worden gehaald;
45. benadrukt het belang en het potentieel van vooraf goedgekeurde vergunningen voor locaties voor offshoreontwikkeling en de aanleg van verbindings- en transmissielijnen om de onzekerheid over projecten weg te nemen en de opleveringstermijnen te verkorten;
46. acht het van het grootste belang ervoor te zorgen dat projecten op het gebied van hernieuwbare offshore-energie op brede steun van het publiek kunnen rekenen door lokale actoren erbij te betrekken, zodat windmolens in zee en de grote infrastructuur die daarvoor nodig is, beter door het publiek worden aanvaard; dringt erop aan dat kustgemeenschappen, ook in de meest perifere gebieden en op eilanden, en andere belanghebbenden op transparante en zinvolle wijze bij projecten worden betrokken; benadrukt dat het belangrijk is ervoor te zorgen dat het grote publiek meer vertrouwen krijgt in het vermogen van hernieuwbare energie om voor energieonafhankelijkheid en voorzieningszekerheid te zorgen; moedigt de Commissie en de lidstaten aan om centrale loketten te creëren met gestroomlijnde informatie over financieringsmogelijkheden voor demonstratieprojecten voor baanbrekende technologieën op het gebied van hernieuwbare offshore-energie;
Maritieme ruimtelijke plannen en nationale energie- en klimaatplannen op elkaar afstemmen
47. merkt op dat de totale ruimte die nodig is om ervoor te zorgen dat de offshorewindcapaciteit voor de noordelijke zeeën voldoet aan de doelstellingen voor 2050, naar verwachting 2,8 % zal bedragen; is stellig van mening dat het vroegtijdig betrekken van ontwikkelaars van hernieuwbare energie bij het proces zal bijdragen aan een succesvolle toewijzing van maritieme ruimte; benadrukt dat de toewijzing van ruimte het resultaat moet zijn van gezamenlijke maritieme ruimtelijke planning en geïntegreerd kustbeheer die de nationale grenzen overschrijden; dringt aan op een transparant proces en inzagerecht in regionale maritieme ruimtelijke plannen om een vroegtijdige en inclusieve benadering voor alle belanghebbenden te vergemakkelijken;
48. vestigt de aandacht op de aanbevelingen van het door Horizon 2020 gefinancierde project “The Multi-Use in European Seas”, waarbij de mogelijkheden voor meervoudig gebruik in Europese zeeën in vijf zeegebieden in de EU worden onderzocht; herinnert aan zijn advies dat duurzame ontwikkeling van de oceaan niet langer kan berusten op beheer door één enkele sector, maar een meer holistische, geïntegreerde aanpak vergt, en dat meervoudig gebruik niet beperkt blijft tot het delen van “dezelfde” maritieme ruimte, maar ook het gezamenlijke gebruik van infrastructuur en andere activa en gezamenlijke activiteiten moet omvatten;
49. onderstreept dat er dringend moet worden gezorgd voor voldoende ruimte voor de ontwikkeling van hernieuwbare offshore-energie, en is van mening dat meervoudig gebruik proactief moeten worden gefaciliteerd en gestimuleerd door openbare regelgevingsinstanties en respectieve ondersteuningsprogramma’s, hetgeen veel verder gaat dan louter oplossingen voor ruimtelijke planning; merkt op dat de lidstaten is verzocht om bij de ontwikkeling van hun maritieme ruimtelijke plannen niet alleen gebruik te maken van de beste beschikbare gegevens en te streven naar brede inspraak van het publiek, maar ook de mogelijkheden voor colocatie van maritieme activiteiten te onderzoeken;
50. merkt op dat de lidstaten krachtens Verordening (EU) 2018/1999 hun nationale energie- en klimaatplannen (NECP’s) uiterlijk op 31 december 2019 moesten indienen en om de twee jaar een voortgangsverslag moeten indienen; merkt op dat de lidstaten krachtens Richtlijn 2014/89/EU uiterlijk op 31 maart 2021 maritieme ruimtelijke plannen moesten opstellen; betreurt dat nog niet alle lidstaten hun maritieme ruimtelijke plannen hebben ingediend en dringt er bij de Commissie op aan actie te ondernemen; merkt op dat het risico bestaat dat de nationale energie- en klimaatplannen en de maritieme ruimtelijke plannen niet verenigbaar zijn wat de toewijzing van ruimte betreft; benadrukt dat de richtlijn inzake maritieme ruimtelijke planning, de verordening inzake nationale energie- en klimaatplannen en andere relevante EU-wetgeving dringend op elkaar moeten worden afgestemd; dringt er bij de lidstaten op aan de offshoreontwikkeling voor 2030 en daarna onverwijld te coördineren en plannen op te stellen;
51. is in dit verband ingenomen met de doelstelling van de strategie om een langetermijnkader te bieden dat een harmonieuze co-existentie tussen offshore-infrastructuur en andere vormen van gebruik van de mariene ruimte bevordert en bijdraagt tot de bescherming van het milieu;
52. verzoekt de Commissie en de lidstaten bij de planning en uitrol van de 300 à 450 GW aan hernieuwbare offshore-energie tegen 2050 een volledige en holistische levenscyclusbenadering te volgen;
53. verzoekt de Commissie een analyse te maken van de impact van de ontmanteling van offshore-installaties en zo nodig een EU-strategie voor de duurzame ontmanteling van offshore-infrastructuur vast te stellen teneinde de impact op het milieu, de veiligheid en de economie tot een minimum te beperken; benadrukt dat een dergelijke strategie zowel de ontmanteling van bestaande infrastructuur als toekomstige ontmantelingswerkzaamheden moet omvatten; beklemtoont dat een toekomstig EU-breed rechtskader alleen nodig zal zijn indien uit de analyse blijkt dat het huidige rechtskader en de huidige instrumenten in de EU-lidstaten aanzienlijke tekortkomingen vertonen; dringt er bij de Commissie op aan een eenvoudig monitoringskader op te zetten dat kan zorgen voor transparante en efficiënte rapportage over de voortgang van de uitrol van hernieuwbare offshore-energie, om te zien of de lidstaten op schema liggen om de GW-doelstellingen voor 2030 en 2050 te halen; is van mening dat de Commissie, overeenkomstig de rapportagevoorschriften van de richtlijn hernieuwbare energie, aan het Parlement verslag moet uitbrengen over de vraag of de uitrol van hernieuwbare offshore-energie op schema ligt;
54. vraagt dat het storten van wieken van ontmantelde windturbines uiterlijk in 2025 in de hele EU wordt verboden teneinde voor circulariteit te zorgen, de negatieve milieueffecten op de bodem en de oceanen tot een minimum te beperken en het niveau van bodembescherming te verhogen;
Opzet van de markt
55. beklemtoont dat de mate waarin hernieuwbare offshore-energie ingang vindt, afhankelijk is van de adequate tenuitvoerlegging van goed ontworpen marktregels en een stabiel regelgevingskader, aangezien het om langdurige investeringen gaat; wijst erop dat de kosten van offshorewindenergie de afgelopen twee decennia drastisch zijn gedaald, en verzoekt de Commissie en de lidstaten daarom te zorgen voor de best mogelijke randvoorwaarden voor een door de markt gestuurde ontwikkeling van offshorewindenergie; benadrukt dat het zonder een zo snel mogelijke uitfasering van fossiele brandstoffen en subsidies voor fossiele brandstoffen en een aanzienlijke toename van de offshorewindenergieproductie onmogelijk zou zijn om de doelstellingen voor hernieuwbare energie te verwezenlijken en de opwarming van de aarde tegen het einde van de eeuw te beperken tot minder dan 1,5 °C;
56. dringt erop aan dat de beoordeling van de verdeling van de kosten en baten tussen de opwekking en de transmissie van hernieuwbare offshore-energie duurzaam en sociaal-economisch levensvatbaar is, zodat ontwikkelaars de juiste stimulansen en een stabiel regelgevingskader worden geboden; benadrukt dat onzekerheid over de verdeling van de kosten en baten bedrijven ervan weerhoudt projecten voor hernieuwbare offshore-energie op te zetten; verzoekt de Commissie vaart te zetten achter de publicatie van EU-richtsnoeren over de verdeling van de kosten en baten van hybride offshoreprojecten;
57. benadrukt dat de bestaande financieringsinstrumenten van de EU, zoals de Connecting Europe Facility, kunnen helpen om de nodige middelen uit te trekken om grensoverschrijdende oplossingen voor hernieuwbare energie en gezamenlijke projecten in de EU te bevorderen; merkt op dat de Connecting Europe Facility kan worden gebruikt om potentiële locaties voor offshoreontwikkeling in kaart te brengen en de nodige onderzoeken en bouwwerkzaamheden voor projecten tussen twee of meer EU-lidstaten te financieren;
58. verzoekt de Commissie de lidstaten zo nodig aan te moedigen om projecten op het gebied van hernieuwbare offshore-energie op te nemen in hun nationale herstel- en veerkrachtplannen en andere nationale programma’s die met EU-middelen worden gefinancierd;
59. pleit voor een herziening van het bestaande regelgevingskader voor de elektriciteitsmarkten van de EU om het gebruik van hernieuwbare offshore-energie te vergemakkelijken en kunstmatige handelsbelemmeringen, vaste prijzen, subsidies en andere marktverstorende mechanismen die de verdere succesvolle integratie van hernieuwbare offshore-energie in de weg staan, weg te nemen; verzoekt de Commissie en de lidstaten een zorgvuldige analyse te verrichten van de mogelijkheid om speciale offshore-biedzones te creëren, van de bestaande biedzones en van hun geschiktheid om de toenemende capaciteit aan hernieuwbare offshore-energie te integreren; verzoekt de Commissie bestaande regelgevingsmechanismen in kaart te brengen waarmee de integratie van hernieuwbare offshore-energie in een goed functionerende energiemarkt met succes wordt bevorderd, als onderdeel van een toekomstbestendig model dat onder meer het faciliteren van hybride projecten en nieuwe vormen van samenwerking omvat; verzoekt de Commissie zich te buigen over betere ontwikkelingsvoorwaarden voor hybride projecten met het oog op een betere en snellere uitvoering van hybride projecten op het gebied van hernieuwbare offshore-energie en flexibelere voorwaarden ter bevordering van innovatie, waaronder nieuwe activacategorieën, met name voor offshorewindmolenparken die met interconnectoren voor twee of meer markten verbonden zijn; erkent dat wat de tarieven betreft, rekening moet worden gehouden met de risico’s voor industriële pioniers die in de uitrol van nieuwe technologie investeren;
60. wijst op de noodzaak van een marktopzet die volledig verenigbaar is met hernieuwbare offshore-energie, en met name de noodzaak van een optimale configuratie van de biedzones voor hernieuwbare offshore-energie; is van mening dat infrastructuur voor hernieuwbare offshore-energie op transmissieniveau moet worden gereguleerd op basis van ontvlechtingsregels, met duidelijk afgebakende rollen en verantwoordelijkheden in termen van systeemverantwoordelijkheid, toegang van derden en transparante tarieven en voorwaarden, om zo bij te dragen tot de eengemaakte markt en de energie-unie;
61. erkent dat de transitie naar schone energie vereist dat bij de exploitatie van hernieuwbare offshore-energie en andere energietechnologieën rekening wordt gehouden met de duurzaamheid en de koolstofvoetafdruk van de hele waardeketen; benadrukt dat de aanbestedingsprocedures voor offshore-energie duurzaamheidscriteria moeten omvatten;
62. erkent dat hernieuwbare waterstof een sleutelrol zal spelen in het traject van de EU naar koolstofneutraliteit tegen 2050; benadrukt dat hernieuwbare offshore-energie, door de grote schaal van de projecten en de hoge capaciteit, een essentiële rol zal spelen bij het versnellen van de productie van hernieuwbare waterstof; is van mening dat steun voor onderzoek en ontwikkeling nodig is om de industrie aan te moedigen om hernieuwbare waterstof via grote commerciële projecten op de markt te brengen en zo een reële en duurzame vraag te creëren in sectoren die moeilijk koolstof vrij te maken zijn;
°
° °
63. verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad en de Commissie.
TOELICHTING
De EU kan haar klimaatdoelstellingen alleen verwezenlijken en haar beloftes aan de Europese burgers alleen nakomen indien hernieuwbare offshore-energie op een veel grotere schaal en in een veel sneller tempo dan tot nog toe het geval is geweest, wordt geïntegreerd in onze energiesystemen. De rapporteur is van mening dat hernieuwbare offshore-energie een cruciaal onderdeel vormt van de Europese groene transitie. Het opbouwen van capaciteiten voor hernieuwbare offshore-energie die verder gaan dan de 60 GW tegen 2030, biedt ons de kans om een veilige, goedkope en stabiele energiebron te waarborgen als basis voor de groene transitie.
De EU moet een zeer ambitieuze reeks herzieningen en initiatieven realiseren als onderdeel van het pakket van de Green Deal. Om de vereiste capaciteit te kunnen uitrollen, kan en moet de aanvoer van hernieuwbare offshore-energie worden geïntegreerd in alle relevante EU-wetgeving. Er is een opwaartse herziening nodig van de streefcijfers van de richtlijn hernieuwbare energie en de daarmee verband houdende controlestructuur en statistische overdrachten.
Het plan voor de groene transitie van de EU brengt verschillende uitdagingen met zich mee waarvoor hernieuwbare offshore-energie een oplossing kan bieden. De elektrificatie-inspanningen en de waterstofstrategie van de EU vereisen een overvloed aan goedkope schone elektriciteit. Het koolstofvrij maken van het zwaar vervoer en de luchtvaart vereist Power-to-X, dat ook afhankelijk is van de aanvoer van goedkope hernieuwbare elektriciteit. Hernieuwbare energiebronnen bieden, met de ondersteuning van warmtepompen, uitzicht op het koolstofvrij maken van stadsverwarming. Hernieuwbare offshore-energie is een cruciaal element van de verschuiving weg van fossiele brandstoffen en van de bevordering van onze gezamenlijke verplichtingen uit hoofde van de Overeenkomst van Parijs.
Het huidige tempo van de bouw van installaties voor hernieuwbare offshore-energie in de EU ligt naar verwachting echter op iets meer dan 2 GW per jaar. Als we tegen 2050 ten minste 300 GW willen halen, moeten we vier keer zo snel installeren. Het is uiteraard niet gemakkelijk om een dergelijke enorme taak te verwezenlijken. We hebben belangrijke vooruitgang in de juiste richting geboekt, maar datgene wat ons tot hier heeft gebracht, zal ons zeker niet brengen tot waar we in 2030 moeten zijn. De rapporteur is van mening dat we snel en onmiddellijk maatregelen moeten nemen. Als we onze inspanningen niet vergroten, zullen we geen resultaten boeken. Er moet worden gehamerd op een gevoel van urgentie, in de manier waarop we onze hernieuwbare offshore-energie opbouwen, maar ook bij alle andere beslissingen die gevolgen hebben voor onze groene transitie.
Europese bedrijven zijn wereldleiders op het gebied van hernieuwbare offshore-energie en de sector heeft veel potentieel op het gebied van werkgelegenheid, groei en export. Deze sterke punten moeten in het licht van de toenemende mondiale behoefte aan schone energie worden behouden en verder worden ontwikkeld. Het garanderen van Europees leiderschap in de industrie en de toeleveringsketens van de hernieuwbare-energiesector biedt beloftevolle perspectieven op het gebied van het industriebeleid. Verdere inspanningen op het gebied van onderzoek en ontwikkeling, testcentra en de uitwisseling van beste praktijken binnen de EU moeten centraal staan binnen een assertief Europees industriebeleid voor schone energie.
Marktomstandigheden
De EU moet een stabiel, op de markt gebaseerd kader waarborgen dat regelgevingszekerheid en duidelijkheid biedt voor investeerders. Ontwikkelaars, particuliere investeerders, pensioenfondsen en financiële instellingen hebben behoefte aan duidelijkheid, samenhang en voorspelbaarheid, ook in verband met uitdagingen op het gebied van de regelgeving over de verdeling van inkomsten tussen ontwikkelaars en beheerders van transmissiesystemen. Uiteenlopende praktijken in de EU vormen een belemmering voor de uitrol van hernieuwbare offshore-energie. Procedures en processen moeten dan ook verder worden gestroomlijnd en geharmoniseerd. Het ontwerp van de elektriciteitsmarkt van de toekomst moet aangepast zijn aan en rekening houden met toekomstige offshore-ontwikkelingen, met inbegrip van hybride projecten, en de gevolgen voor de energiemarkten van de EU in hun geheel moeten grondig worden beoordeeld.
Infrastructuur
Er zijn massale investeringen nodig in offshorenetwerken, maar ook in onshore-infrastructuur. De ontwerpstrategie van de Europese Commissie voorziet in 530 miljard euro aan investeringen om de Europese netwerkinfrastructuur bij te werken en te moderniseren[17]. Dit zijn investeringen op een nooit geziene schaal, en in de relevante wetgevingshandelingen en financiële instrumenten moet hiermee rekening worden gehouden. De rapporteur is er ten zeerste van overtuigd dat bij de herziening van de TEN-E-verordening hiermee rekening moet worden gehouden en dat bij deze herziening tegelijkertijd moet worden gezorgd voor de bevordering van de hoognodige koppeling van sectoren, waarbij hernieuwbare offshore-energie wordt geïntegreerd in de productie en ontwikkeling van groene waterstof, Power-to-X, opslag en stadsverwarming. De tienjarige netontwikkelingsplannen moeten dienovereenkomstig worden herzien. De grensoverschrijdende integratie van hernieuwbare offshore-energie voor stadsverwarming biedt veel potentieel voor het verminderen van het gebruik van fossiele brandstoffen in de verwarmingssector.
Vergunningen
De vergunningverlening voor offshorewindparken varieert momenteel al naargelang de lidstaat en veroorzaakt onnodige bureaucratie in plaats van een vereenvoudiging van de processen. We zien reeds dat met de huidige procedures sommige projecten die de komende twee jaar worden opgestart naar verwachting na 2030 zullen worden voltooid. Aangezien het volledige uitrolproces van projecten voor hernieuwbare offshore-energie reeds lang duurt, zullen we onze streefcijfers niet halen als we er niet in slagen om de onnodig lange vergunningsprocedure in te korten.
De lidstaten dienen hun plannen voor maritieme ruimtelijke planning in zonder dat ze daarbij per se hebben gezorgd voor overeenstemming met hun eigen nationale energie- en klimaatplannen. Het stroomlijnen van deze processen is het strikte minimum als we hernieuwbare offshore-energie in het benodigde tempo willen uitrollen, en in dat kader moet een herziening van de richtlijn inzake maritieme ruimtelijke planning worden overwogen.
De ontwikkeling en opwekking van schone hernieuwbare energie moet een prioriteit zijn. Anders zullen onze klimaatdoelstellingen niet worden bereikt. Het opwekken van schone hernieuwbare energie is van een zodanige prioriteit dat bij een vernieuwde aanpak moet worden overwogen om de bewijslast en het voorzorgsbeginsel om te draaien en de voorkeur te geven aan de uitrol van hernieuwbare offshore-energie, zelfs als dat ten koste gaat van vergunningen. De afgifte van vergunningen in grote aantallen en de invoering van versnelde procedures moeten worden overwogen, alsook de invoering van een in de tijd beperkte backstop voor een vaste termijn bij aanvragen en vergunningen, zodat ontwikkelaars verder kunnen zonder te wachten op vergunningen en uiteenlopende praktijken in de verschillende lidstaten. Een EU-brede verordening inzake vergunningverlening zou kunnen worden overwogen, om de milieueffectbeoordelingen te vereenvoudigen en nationale benaderingen te harmoniseren. Door de EU aangeduide offshoregebieden zouden de vlotte toegang en de vergunningverlening kunnen bevorderen.
De EU heeft minder dan tien jaar de tijd om een offshore-energiesysteem op te bouwen waarvan de omvang kan worden vergeleken met de totale huidige capaciteit van de installaties van België, Luxemburg en Nederland. Tegen 2050 moet dit systeem even groot zijn als de huidige totale capaciteit van de installaties van Duitsland, Zweden en Noorwegen. Dat is onze gemeenschappelijk uitdaging. We hebben geen tijd te verliezen. Hoe langer de status quo behouden blijft, hoe moeilijker het wordt ons doel te bereiken.
BIJLAGE: LIJST VAN INSTANTIES WAARVAN OF PERSONEN VAN WIE DE RAPPORTEUR INFORMATIE HEEFT ONTVANGEN
De volgende lijst wordt op zuiver vrijwillige basis opgesteld onder de exclusieve bevoegdheid van de rapporteur. De rapporteur heeft bij de opstelling van het verslag tot het moment van goedkeuring in de commissie informatie ontvangen van de volgende entiteiten of personen:
Entiteit en/of persoon |
ACER |
Andel |
BirdLife |
Deense Kamer van Koophandel |
Danish Energy |
Danish Industry |
Danish Maritime Authority |
Danish Shipping |
Danish Society for Nature Conservation |
EDF |
EDF Renewables |
Energinet |
ENTSB-E |
Equinor |
Eurelectric |
European Energy |
Floating Power Plant |
General Electric |
Greenpeace/CAN Europe |
Hitachi ABB Power Grids |
Hydrogen Europe |
Norlys |
Adviesraad voor de Noordzee |
Ocean Energy Europe |
Offshore Wind Foundations Alliance |
Ørsted |
State of Green |
Stiesdal |
UK National Grid |
Vattenfall |
Vestas Wind Systems |
WindDenmark |
WindEurope |
WWF |
ADVIES VAN DE COMMISSIE VERVOER EN TOERISME (30.6.2021)
aan de Commissie industrie, onderzoek en energie
inzake een Europese strategie voor hernieuwbare offshore-energie
Rapporteur voor advies: Marian-Jean Marinescu
SUGGESTIES
De Commissie vervoer en toerisme verzoekt de bevoegde Commissie industrie, onderzoek en energie onderstaande suggesties in haar ontwerpresolutie op te nemen:
– gezien de mededeling van de Commissie van 11 december 2019 getiteld “De Europese Green Deal” (COM(2019)0640) en de bijbehorende resolutie van het Europees Parlement van 15 januari 2020[18],
– gezien de Overeenkomst die op de 21e Conferentie van de Partijen bij het Raamverdrag van de Verenigde Naties inzake klimaatverandering (COP21) op 12 december 2015 in Parijs is aangenomen (de Overeenkomst van Parijs),
– gezien zijn resolutie van 28 november 2019 over de noodsituatie op het gebied van klimaat en milieu[19],
– gezien de mededeling van de Commissie van 20 mei 2020 getiteld “EU-biodiversiteitsstrategie voor 2030 – De natuur terug in ons leven brengen” (COM(2020)0380),
– gezien de mededeling van de Commissie van 19 november 2020 getiteld “EU-strategie over de benutting van het potentieel van hernieuwbare offshore-energie met het oog op een klimaatneutrale toekomst” (COM(2020)0741),
– gezien Richtlijn (EU) 2018/2001 van het Europees Parlement en de Raad van 11 december 2018 ter bevordering van het gebruik van energie uit hernieuwbare bronnen[20],
– gezien Richtlijn 2014/89/EU van het Europees Parlement en de Raad van 23 juli 2014 tot vaststelling van een kader voor maritieme ruimtelijke planning[21],
– gezien het politieke akkoord tussen het Europees Parlement en de Raad van 11 maart 2021 over de Connecting Europe Facility 2021-2027,
– gezien de mededeling van de Commissie van 8 juli 2020 getiteld “Een waterstofstrategie voor een klimaatneutraal Europa” (COM(2020)0301) en de bijbehorende resolutie van het Europees Parlement van 19 mei 2021[22],
– gezien Richtlijn 2014/94/EU van het Europees Parlement en de Raad van 22 oktober 2014 betreffende de uitrol van infrastructuur voor alternatieve brandstoffen[23], die binnenkort zal worden herzien,
– gezien de mededeling van de Commissie van 9 december 2020 getiteld “Strategie voor duurzame en slimme mobiliteit – Het Europees vervoer op het juiste spoor naar de toekomst” (COM(2020)0789),
– gezien de bevoegdheid van de Commissie vervoer en toerisme van het Europees Parlement op het gebied van maritieme programmering en een geïntegreerd maritiem beleid,
1. is verheugd over de ambitie van de Commissie om tegen 2050 te beschikken over een capaciteit van 340 GW hernieuwbare offshore-energie als essentieel element om de vervoers- en toerismesector met succes koolstofvrij te maken; benadrukt dat de offshore-capaciteit voor hernieuwbare energie van de EU-27 momenteel slechts net 12 GW bedraagt, en dat de aanleg van offshorewindmolenparken dan ook drastisch moet worden versneld en de hiervoor noodzakelijke ruimte zo snel mogelijk moeten worden geïdentificeerd om dat doel te bereiken; beschouwt de grootschalige uitbreiding van de opwekking, opslag en distributie van betaalbare hernieuwbare offshore-energie en de volledige aansluiting op en integratie in het energienet als een onmisbare voorwaarde voor een wijdverspreide toepassing van elektrische mobiliteit en schone, hernieuwbare vervoersbrandstoffen, waaronder met name waterstof en ammoniak; benadrukt de noodzaak van een algemeen Europees rechtskader en een EU-investeringsplan om alle belanghebbenden zekerheid te bieden en hernieuwbare offshore-energie concurrerender en waar nodig technologisch rijper te maken, in overeenstemming met de EU-waterstofstrategie en de verwachte sterke toename van de vraag naar waterstof vanuit met name de vervoerssector; dringt er daarom met name op aan dat de lidstaten de publieke en particuliere investeringen in hernieuwbare offshore-energie snel en op grote schaal intensiveren en stimuleren, en met name de kans grijpen die in dit verband wordt geboden door de herstel- en veerkrachtfaciliteit;
2. onderstreept het belang van deze massale uitbreiding van hernieuwbare offshore-energie om de doelstellingen van de Overeenkomst van Parijs en de verbintenis van de EU om uiterlijk tegen 2050 broeikasgasneutraliteit te bereiken, te kunnen verwezenlijken, conform de jongste wetenschappelijke gegevens, zoals bevestigd in de Europese Green Deal en het herstelplan; benadrukt dat energiebesparingen, energie-efficiëntie en hernieuwbare energie tot de voornaamste middelen behoren om tot een netto emissievrije economie te komen, en moeten worden geïntegreerd in alle plannen betreffende vraag en aanbod van energie; onderstreept dan ook dat de maritieme ruimte en de kusten duurzamer moeten worden beheerd om het potentieel van hernieuwbare offshore-energie te ontsluiten;
3. onderstreept het belang van moderne, duurzame en innovatieve zeehavens voor de assemblage, de productie en het onderhoud van apparatuur voor hernieuwbare offshore-energie, en wijst op de aanzienlijke investeringen die nodig zijn voor de modernisering van haveninfrastructuur, inclusief vervoersterminals en schepen om deze diensten te kunnen verlenen; wijst op de rol van zeehavens als aanlandingsplaatsen op het vasteland voor hernieuwbare offshore geproduceerde energie en de bijbehorende logistiek, en als hernieuwbare-energiehubs voor aansluiting op het elektrisch offshorenetwerk en grensoverschrijdende interconnectoren, alsook voor elektrolyse en de invoer, productie, opslag, het vervoer en de distributie van waterstof, ammoniak en andere schone alternatieve brandstoffen; wijst op de noodzaak om de toegang tot financiële instrumenten te vereenvoudigen, met name in het kader van de herstel- en veerkrachtfaciliteit en de Connecting Europe Facility (CEF2), om de aanpassing van de haveninfrastructuur aan deze nieuwe eisen te vergemakkelijken en de synergieën tussen de TEN-T-netwerken en de TEN-E-netwerken te versterken; onderstreept dat de toegang tot hernieuwbare offshore-energie ook zal bijdragen tot de vergroening van havens, onder meer wat betreft de stroomvoorziening van schepen op hun aanlegplaats en voor wat betreft de ontwikkeling van havens als circulaire industriële clusters;
4. benadrukt dat hernieuwbare offshore-energie kansen kan creëren voor kustgebieden, doordat enerzijds een toeristisch verblijf in deze gebieden duurzamer wordt op vlak van energie en anderzijds de seizoensgebonden economische effecten beter in evenwicht worden gebracht, aangezien er het hele jaar door wordt gezorgd voor stabiele en voorspelbare banen en groei in de plaatselijke sectoren voor hernieuwbare offshore-energie en in kleine en middelgrote ondernemingen (kmo’s); wijst op de met hernieuwbare offshore-energie samenhangende kansen voor de sociaaleconomische ontwikkeling van deze regio’s en voor de totstandbrenging van lokale offshore circulaire-energiegemeenschappen; onderstreept de noodzaak van een gestructureerde dialoog, waarbij ook de plaatselijke autoriteiten worden betrokken, en van een rechtvaardige overgang naar hernieuwbare offshore-energiebronnen, die onder meer moet voorzien in adequate opleiding om de beroepsbevolking voor te bereiden op nieuwe uitdagingen;
5. benadrukt dat de meest ultraperifere gebieden en eilanden nog steeds sterk afhankelijk zijn van de invoer van fossiele brandstoffen, ondanks de mogelijkheden en het vaak unieke geografische potentieel op het gebied van hernieuwbare energie waarover zij beschikken; wijst erop dat eilanden bijzonder zwaar getroffen worden door de stijging van de zeespiegel; verzoekt de Commissie en de lidstaten om in nauwe samenwerking met de plaatselijke en regionale autoriteiten bijzondere aandacht te besteden aan de ontwikkeling van proefprojecten en commerciële projecten inzake hernieuwbare offshore-energie in deze gebieden en zich hierbij met name te richten op hun vervoersbehoeften en toeristische sectoren; wijst op het enorme natuurlijke potentieel voor offshorewindenergie en het goede natuurlijke potentieel voor golf- en getijdenenergie in de Atlantische Oceaan en zijn ultraperifere gebieden; dringt erop aan dat het initiatief “Schone energie voor de eilanden van de EU” wordt versterkt en dat hierbij sterke nadruk wordt gelegd op hernieuwbare offshore-energiebronnen;
6. wijst erop dat de verdere ontwikkeling van hernieuwbare offshore-energie noodzakelijk is in alle zeegebieden in Europa en dat gebieden waar het potentieel op het vlak van hernieuwbare offshore-energie grotendeels onaangeboord is, zoals de Middellandse Zee, de Oostzee en de Zwarte Zee, bijzondere aandacht moeten krijgen, onder meer door middel van innovatieve technologieën, zoals drijvende offshore-installaties voor de productie van wind-, zonne-, golf- en getijdenenergie en van groene waterstof, waarvoor het onderzoek en de ontwikkeling gefinancierd moet worden om de nodige technologische aanpassingen op korte termijn te beproeven en vervolgens op te schalen, terwijl koplopers zoals de Noordzee hun leiderspositie in de wereld moeten blijven ontwikkelen en verdedigen, ten voordele van Europa als geheel; is van mening dat de Europese Unie ervoor moet zorgen dat zij haar leidende positie op het gebied van windenergie behoudt;
7. benadrukt dat het onderzoek naar en de investeringen in doeltreffende opslagtechnologieën voor offshorewindenergie moeten worden bespoedigd om het probleem van de afhankelijkheid van het weer op te lossen en om de voorzieningszekerheid van het elektriciteitsnet te vergroten in het licht van de enorme toename van de elektriciteitsproductie die nodig is om de klimaattransitie tot stand te brengen;
8. is ingenomen met het voorstel van de Commissie om kaders op te stellen voor de ontwikkeling van hernieuwbare offshore-energie en voor netwerkplanning per zeebekken, waarbij verschillende EU-landen betrokken zijn en die synergieën met bestaande of geplande interconnectoren en de verbinding van nationale offshorenetwerken mogelijk maken; verzoekt de Commissie de ontwikkeling van alomvattende effectbeoordelingen per zeebekken te bevorderen, teneinde de locatie van geschikte mariene gebieden, de gevolgen voor de mariene biodiversiteit, het milieu en de toeristische activiteit, de kosten en de productiecapaciteit van voorzieningen voor energie-opwekking en de kosten van de netwerkinfrastructuur te evalueren en in kaart te brengen;
9. wijst erop dat investeerders weliswaar het marktrisico moeten dragen, maar dat op markten waar de invoering van hernieuwbare offshore-energiebronnen nog in de kinderschoenen staat, zoals in het Middellandse Zeegebied, het hoge risico en de lage inkomsten kunnen worden gecompenseerd door steunregelingen, zoals de faciliteit voor herstel en veerkracht en de komende CEF2, om ervoor te zorgen dat er op korte/middellange termijn wordt geïnvesteerd in projecten voor hernieuwbare offshore-energiebronnen en dat deze projecten op middellange/lange termijn worden opgeschaald; wijst op het belang van coherente en gecoördineerde acties in het kader van nationale en Europese investeringsstrategieën om de samenwerking tussen de openbare en de particuliere sector te waarborgen, zodat de productie, installatie en commercialisering van innovatieve technologie wordt bevorderd;
10. benadrukt het belang van de North Seas Energy Cooperation (NSEC) voor gezamenlijke maritieme ruimtelijke ordening en een geïntegreerd kustbeheer over de nationale grenzen heen, en beklemtoont dat het VK hier opnieuw bij moet worden betrokken; roept de Commissie en de lidstaten er dan ook toe op hun inspanningen op het gebied van onderzoek, ontwikkeling en innovatie met betrekking tot drijvende windparken en de transportuitdagingen die verband houden met de aanleg en het onderhoud ervan, op te voeren, en na te gaan of het haalbaar is om voor grootschalige projecten een belangrijk project van gemeenschappelijk Europees belang (IPCEI) op te zetten;
11. is van oordeel dat de Unie en haar lidstaten geostrategische overeenkomsten over offshore-energie-infrastructuur moeten sluiten met naburige geografische regio’s, met name de Westelijke Balkan en het zuidelijke en oostelijke Middellandse Zeebekken;
12. benadrukt dat de strijd tegen de klimaatverandering, onder meer via de invoering van offshore-energie, van essentieel belang is om de verwoestende effecten van de opwarming van de aarde op mariene aquatische ecosystemen, stijgende watertemperaturen, verzuring van de oceanen, veranderingen in zeestromen, het verlies van vishabitats, en de productiviteit van mariene en zoetwatersoorten te beperken; onderstreept dat aan de drastisch toenemende behoeften inzake hernieuwbare offshore-energie in de sectoren vervoer en toerisme kan worden voldaan met volledige inachtneming van de doelstellingen van de EU‑biodiversiteitsstrategie, aangezien bijvoorbeeld de opschaling van de offshorewindindustrie die nodig is om de klimaatdoelstelling voor 2030 te halen naar schatting minder dan 3 % van de Europese maritieme ruimte in beslag zou nemen. erkent de potentieel schadelijke impact van offshorewindenergie op het mariene milieu; benadrukt evenwel dat offshorewindmolenparken, eenmaal gebouw en mits verstandig ontworpen en gebouwd, de mariene biodiversiteit ook ten goede kunnen komen; herinnert er bijgevolg aan dat een aanzienlijke uitbreiding van offshorewindenergieproductie een intelligente benadering vereist om ervoor te zorgen dat de windenergieproductie gecombineerd kan worden met de activiteiten die al in de betrokken gebieden worden beoefend en dat er zo weinig mogelijk schade wordt toegebracht aan het milieu;
13. wijst op het belang van de correcte tenuitvoerlegging van Richtlijn 2014/89/EU van het Europees Parlement en de Raad van 23 juli 2014 tot vaststelling van een kader voor maritieme ruimtelijke planning; benadrukt dat de planning een langetermijnvisie mogelijk moet maken om hernieuwbare offshore-energie te combineren met andere activiteiten, zoals de visserij, op zulk een manier dat iedereen betrokken is bij de duurzame ontwikkeling van de Europese maritieme ruimte en de biodiversiteit en andere mariene hulpbronnen worden beschermd; is van mening dat gezien de cruciale rol van maritiem vervoer en zeehavens bij de ontwikkeling van hernieuwbare offshore-energie rekening moet worden gehouden met de behoefte aan veilige maritieme toegangswegen en -corridors, navigatiekanalen en ankerplaatsen rond havens; benadrukt daarom dat er in een vroeg stadium overleg moet worden gepleegd met de havenbeheerders en relevante belanghebbenden en dat prioriteit moet worden gegeven aan bilaterale en multilaterale samenwerking tussen de lidstaten op het gebied van maritieme ruimtelijke ordening om de veiligheid en de continuïteit van de scheepvaart te waarborgen; verzoekt de Commissie om in samenwerking met het Europees Agentschap voor maritieme veiligheid richtsnoeren op te stellen voor de veiligheid van de scheepvaart met betrekking tot offshorewindmolenparken en bouwschepen; stelt met bezorgdheid vast dat meerdere lidstaten op de in Richtlijn 2014/89/EU vastgestelde uiterste datum van 31 maart 2021 nog geen maritieme ruimtelijkeordeningsplannen hadden opgesteld, en spoort de Commissie ertoe aan na te gaan of deze plannen stroken met de nationale energie- en klimaatplannen en met name de bepalingen daarvan betreffende de ontwikkeling van offshore-energie.
INFORMATIE OVER DE GOEDKEURING IN DE ADVISERENDE COMMISSIE
Datum goedkeuring |
28.6.2021 |
|
|
|
Uitslag eindstemming |
+: –: 0: |
41 3 3 |
||
Bij de eindstemming aanwezige leden |
Magdalena Adamowicz, Andris Ameriks, José Ramón Bauzá Díaz, Izaskun Bilbao Barandica, Paolo Borchia, Marco Campomenosi, Ciarán Cuffe, Johan Danielsson, Karima Delli, Gheorghe Falcă, Giuseppe Ferrandino, Mario Furore, Søren Gade, Isabel García Muñoz, Jens Gieseke, Elsi Katainen, Kateřina Konečná, Elena Kountoura, Julie Lechanteux, Benoît Lutgen, Elżbieta Katarzyna Łukacijewska, Marian-Jean Marinescu, Tilly Metz, Cláudia Monteiro de Aguiar, Caroline Nagtegaal, Jan-Christoph Oetjen, Philippe Olivier, Rovana Plumb, Tomasz Piotr Poręba, Dominique Riquet, Dorien Rookmaker, Massimiliano Salini, Sven Schulze, Barbara Thaler, István Ujhelyi, Marianne Vind, Henna Virkkunen, Petar Vitanov, Elissavet Vozemberg-Vrionidi, Roberts Zīle, Kosma Złotowski |
|||
Bij de eindstemming aanwezige vaste plaatsvervangers |
Pablo Arias Echeverría, Angel Dzhambazki, Maria Grapini, Roman Haider, Jutta Paulus, Kathleen Van Brempt |
|||
HOOFDELIJKE EINDSTEMMING IN DE ADVISERENDE COMMISSIE
41 |
+ |
ECR |
Angel Dzhambazki, Tomasz Piotr Poręba, Roberts Zīle, Kosma Złotowski |
NI |
Mario Furore |
PPE |
Magdalena Adamowicz, Pablo Arias Echeverría, Gheorghe Falcă, Jens Gieseke, Elżbieta Katarzyna Łukacijewska, Benoît Lutgen, Marian-Jean Marinescu, Cláudia Monteiro de Aguiar, Massimiliano Salini, Sven Schulze, Barbara Thaler, Henna Virkkunen, Elissavet Vozemberg-Vrionidi |
Renew |
José Ramón Bauzá Díaz, Izaskun Bilbao Barandica, Søren Gade, Elsi Katainen, Caroline Nagtegaal, Jan-Christoph Oetjen, Dominique Riquet |
S&D |
Andris Ameriks, Johan Danielsson, Giuseppe Ferrandino, Isabel García Muñoz, Maria Grapini, Rovana Plumb, István Ujhelyi, Kathleen Van Brempt, Marianne Vind, Petar Vitanov |
The Left |
Kateřina Konečná, Elena Kountoura |
Verts/ALE |
Ciarán Cuffe, Karima Delli, Tilly Metz, Jutta Paulus |
3 |
- |
ID |
Julie Lechanteux, Philippe Olivier |
NI |
Dorien Rookmaker |
3 |
0 |
ID |
Paolo Borchia, Marco Campomenosi, Roman Haider |
Verklaring van de gebruikte tekens:
+ : voor
- : tegen
0 : onthouding
ADVIES VAN DE COMMISSIE VISSERIJ (21.6.2021)
aan de Commissie industrie, onderzoek en energie
inzake een Europese strategie voor hernieuwbare offshore-energie
Rapporteur voor advies: Catherine Chabaud
SUGGESTIES
De Commissie visserij verzoekt de bevoegde Commissie industrie, onderzoek en energie onderstaande suggesties in haar ontwerpresolutie op te nemen:
– gezien de mededeling van de Commissie van 21 november 2011 getiteld “Ontwikkeling van een maritieme strategie voor het gebied van de Atlantische Oceaan” (COM(2011)0782) en de daaropvolgende mededeling van de Commissie van 23 juli 2020 over “Een nieuwe aanpak van de maritieme strategie voor het Atlantische gebied – het Atlantisch actieplan 2.0” (COM(2020)0329),
– gezien de mededeling van de Commissie van 11 december 2019 getiteld “De Europese Green Deal” (COM(2019)0640),
– gezien de mededeling van de Commissie van 20 mei 2020 getiteld “EU-biodiversiteitsstrategie voor 2030 – De natuur terug in ons leven brengen (COM(2020)0380),
– gezien de aanbevelingen van de Commissie van mei 2020 voor positieve interacties tussen offshorewindmolenparken en visserij,
– gezien het verslag van de Commissie van 11 juni 2020 over de blauwe economie,
– gezien de mededeling van de Commissie van 8 juli 2020 getiteld “Een waterstofstrategie voor een klimaatneutraal Europa” (COM(2020)0301),
– gezien de mededeling van de Commissie van 17 september 2020 getiteld “Een ambitieuzere klimaatdoelstelling voor Europa voor 2030: investeren in een klimaatneutrale toekomst voor ons allemaal” (COM(2020)0562),
– gezien de mededeling van de Commissie van 19 november 2020 over een “EU-strategie over de benutting van het potentieel van hernieuwbare offshore-energie met het oog op een klimaatneutrale toekomst” (COM(2020)0741),
– gezien Richtlijn 2008/56/EG van het Europees Parlement en de Raad van 17 juni 2008 tot vaststelling van een kader voor communautaire maatregelen betreffende het beleid ten aanzien van het mariene milieu (Kaderrichtlijn mariene strategie)[24],
– gezien Richtlijn 2009/147/EG van het Europees Parlement en de Raad van 30 november 2009 inzake het behoud van de vogelstand[25],
– gezien Richtlijn 92/43/EEG van de Raad van 21 mei 1992 inzake de instandhouding van de natuurlijke habitats en de wilde flora en fauna[26],
– gezien Richtlijn 2014/89/EU van het Europees Parlement en de Raad van 23 juli 2014 tot vaststelling van een kader voor maritieme ruimtelijke planning[27],
– gezien de doelstelling van de EU-waterstofstrategie om uiterlijk in 2030 40 GW aan hernieuwbare energie gekoppelde elektrolysecapaciteit te realiseren,
– gezien het Raamverdrag van de Verenigde Naties inzake klimaatverandering (UNFCCC), het Kyotoprotocol bij het UNFCCC en de Overeenkomst van Parijs,
– gezien het Verdrag van de Verenigde Naties inzake biologische diversiteit (VBD),
– gezien het mondiaal evaluatieverslag over biodiversiteit en ecosysteemdiensten van het intergouvernementeel platform voor biodiversiteit en ecosysteemdiensten (IPBES) van 31 mei 2019,
– gezien het speciaal verslag van de Intergouvernementele Werkgroep inzake klimaatverandering (IPCC) over de opwarming van de aarde met 1,5 °C, het vijfde evaluatierapport (AR5) van de werkgroep en het bijbehorende samenvattend verslag, het speciaal verslag van de IPCC over de klimaatverandering en de bodem en het speciaal verslag van de IPCC over de oceanen en de cryosfeer in een veranderend klimaat,
– gezien de in opdracht van de Commissie visserij uitgevoerde studie van november 2020 over de gevolgen van het gebruik van offshorewindenergie en andere mariene hernieuwbare energiebronnen voor de Europese visserij,
– gezien zijn resolutie van 16 januari 2018 over internationale oceaangovernance: een agenda voor de toekomst van onze oceanen in de context van de doelstellingen inzake duurzame ontwikkeling voor 2030[28],
– gezien zijn resolutie van 28 november 2019 over de noodsituatie op het gebied van klimaat en milieu[29],
– gezien zijn resolutie van 15 januari 2020 over de Europese Green Deal[30],
– gezien zijn resolutie over de gevolgen voor de visserijsector van offshorewindmolenparken en andere systemen voor hernieuwbare energie (2019/2158(INI)),
1. herinnert aan de doelstelling van de EU om uiterlijk in 2050 klimaatneutraliteit te bereiken; wijst op het akkoord tussen het Europees Parlement en de Raad over de Europese klimaatwet, waarin voor 2030 een emissiereductiedoelstelling van ten minste 55 % ten opzichte van 1990 is vastgesteld, terwijl er tegelijkertijd voor wordt gezorgd dat de feitelijke reductie ten minste 57 % bedraagt, met als doel de EU een billijk aandeel te geven in de uitvoering van de Overeenkomst van Parijs, met name haar doelstelling om de wereldwijde temperatuurstijging te beperken tot 1,5 °C boven het pre-industriële niveau; benadrukt het belang van een transitie naar schone energie die de invoer van fossiele brandstoffen tot een minimum moet beperken, voor banen moet zorgen, gemeenschappen moet ontwikkelen en de levensstandaard van alle EU-burgers moet verhogen, en zodoende moet bijdragen aan het herstel na de COVID-19-crisis;
2. benadrukt dat hernieuwbare energie van cruciaal belang is voor het koolstofvrij maken van de economie, en dat voor alle Europese zeebekkens moet worden overwogen om deze energie op een gecoördineerde wijze in te zetten, rekening houdend met de drie pijlers van duurzaamheid; neemt kennis van de ambitie van de Commissie om uiterlijk in 2050 te beschikken over een capaciteit van 340 GW aan hernieuwbare offshore-energie; wijst in dit verband op het recht van de lidstaten om zelf te besluiten over de structuur van hun energiemix, overeenkomstig artikel 194, lid 2, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU);
3. wijst er nogmaals op dat hernieuwbare offshore-energie sociale, economische en ruimtelijke gevolgen heeft voor de visserij en de aquacultuur, alsook voor ecosystemen en biodiversiteit, bijvoorbeeld als gevolg van de verplaatsing van visserijgebieden, onderwatergeluid of risico’s op aanvaringen; pleit derhalve voor de totstandbrenging van netwerken, een verplichte dialoog en effectieve en voortdurende samenwerking met vissers, aquacultuurproducenten en hun organisaties in een vroeg stadium, om te zorgen voor een eerlijke en goede co-existentie van de activiteiten door middel van effectieve deelname, met name in gebieden voor installaties en netinfrastructuur, en veiligheidszones, met feedback op basis van ervaringen en uitwisseling van beste praktijken, teneinde de aanvaarding te garanderen;
4. benadrukt dat er een behoorlijke economische, sociaal-economische en sociaal-culturele effectbeoordeling moet worden uitgevoerd en dat vóór de uitvoering van een project rekening moet worden gehouden met lokale ecosystemen en specificiteiten en dat er behoefte is aan een geïntegreerde beheersaanpak via maritieme ruimtelijke planning; stelt voor transparante richtsnoeren op te stellen om het risico op conflicten te verlagen, onder meer door middel van mitigatiemaatregelen en verschillende vormen van compensatie, en door een gelijk speelveld tot stand te brengen voor de visserij en hernieuwbare offshore-energie; is in dit verband ingenomen met het initiatief van de Commissie en verzoekt de Commissie een nadere analyse uit te voeren van de wisselwerking tussen hernieuwbare offshore-energie en andere activiteiten op zee;
5. benadrukt dat mogelijke negatieve langetermijngevolgen van offshore-installaties voor hernieuwbare energie voor het mariene milieu, ecosystemen, visbestanden en biodiversiteit, met inbegrip van de internationale migratie van vogels, en bijgevolg voor de visserij als geheel, gedurende hun levenscyclus, van bouw tot exploitatie en ontmanteling, moeten worden voorkomen, met name gevolgen voor zee- en luchtstromen, golfvorming, getijdenamplituden, sedimentverplaatsing, infrasoon geluid van roterende wieken, hetgeen vissen en zeezoogdieren kan wegdrijven, elektromagnetische velden van onderzeese kabels en onderwatergeluid als gevolg van heiwerk; onderstreept daarom het belang van uitvoerige studies om dergelijke gevolgen van bestaande offshore-installaties voor hernieuwbare energie te beoordelen;
6. is ingenomen met de toezegging van de Commissie in de strategie om de dialoog over de ecologische, economische en sociale duurzaamheid van hernieuwbare offshore-energie te faciliteren en een praktijkgemeenschap te bevorderen waarin alle belanghebbenden, waaronder de industrie, ngo’s, vissers en wetenschappers, in een vroeg stadium van gedachten kunnen wisselen, ervaringen kunnen delen en aan gezamenlijke projecten kunnen werken;
7. verzoekt de lidstaten en de Commissie om gemeenschapsregelingen voor energieopwekking te faciliteren die kustgemeenschappen en coöperaties, waaronder vissers, in staat stellen hun eigen elektriciteit op te wekken en de winst opnieuw in de gemeenschap te investeren;
8. wijst erop dat met name kleinschalige vissers zullen worden getroffen door veranderingen zoals de ruimtelijke spreiding en beschikbaarheid van commercieel beviste mariene soorten, de sluiting van visgronden om veiligheidsredenen of opgelegde wijzigingen in de visserijactiviteiten of vismethoden, aangezien zij mogelijk niet over het vermogen beschikken om naar visgronden verder weg te gaan of om van vismethode te veranderen, met name als offshorewindmolenparken binnen de territoriale wateren (tot twaalf zeemijl van de kust) worden aangelegd;
9. benadrukt dat overeenkomstig artikel 191, lid 2, VWEU het voorzorgsbeginsel van toepassing moet zijn indien besluiten moeten worden genomen voordat de vereiste kennis of informatie beschikbaar is;
10. benadrukt dat de inzet van hernieuwbare offshore-energie moet plaatsvinden door middel van een benadering op basis van nevenvoordelen en een grondige beoordeling waarbij voordelen voor vissers en lokale gemeenschappen worden gewaarborgd; wijst erop dat met een dergelijke benadering elke activiteit van de andere profiteert, bijvoorbeeld wat betreft de instandhouding van de mariene biodiversiteit en de visbestanden door het rifeffect en het reservoireffect, voor mariene kennis door gegevensverzameling met behulp van op infrastructurele voorzieningen geïnstalleerde sensoren, en voor het scheppen van lokale werkgelegenheid, met inbegrip van de ontwikkeling en modernisering van havens, met name vissershavens, ten voordele van de gehele gemeenschap – van burgers, vissers en lokale gemeenschappen en het bedrijfsleven tot wetenschappers; is in dit verband van mening dat de positieve impact van infrastructurele voorzieningen moet worden bevorderd, en benadrukt dat prioriteit moet worden gegeven aan colocatieopties, die uiterst belangrijk zijn voor het bereiken van een win-winsituatie voor zowel de duurzame visserij als de offshore-energiesector;
11. verzoekt de Commissie en de lidstaten de betrokkenheid van alle belanghebbenden, met inbegrip van vissers, voortdurend te verbeteren en de grensoverschrijdende samenwerking op het gebied van maritieme ruimtelijke planning te verbeteren, ook met het Verenigd Koninkrijk, bij de ontwikkeling, herziening en uitvoering van de plannen van de lidstaten; benadrukt in dit verband dat oplossingen moeten worden gevonden voor gemeenschappelijke problemen, dat de aansluiting op het elektriciteitsnet volledig moet worden gemaakt en dat lering moet worden getrokken uit beste praktijken; benadrukt dat een goede ruimtelijke planning van cruciaal belang is om een toename van het aantal ruimtelijke conflicten in de Europese wateren te voorkomen, iets wat is gebleken uit een analyse inzake ruimtelijke overlappingen; verzoekt de lidstaten in dit verband rekening te houden met de noodzaak ervoor te zorgen dat negatieve gevolgen van hernieuwbare offshore-energiesystemen voor het milieu en voor de sociaal-economische en territoriale cohesie worden vermeden, met name in regio’s die afhankelijk zijn van de visserij; pleit er daarom voor deze systemen uit de buurt van de visgronden te plaatsen;
12. roept alle lidstaten op een ecosysteemgerichte benadering toe te passen op maritieme ruimtelijke planning als bedoeld in artikel 1, lid 3, van Richtlijn 2008/56/EG en artikel 5, lid 1, van Richtlijn 2014/89/EU, met als doel ervoor te zorgen dat de collectieve druk van alle activiteiten binnen de niveaus blijft die verenigbaar zijn met het bereiken van een goede milieutoestand en tegelijkertijd bijdraagt tot het duurzame gebruik van mariene goederen en diensten; is in dit verband ingenomen met de doelstelling van de strategie om een langetermijnkader te bieden dat een gezonde co-existentie tussen offshore-installaties en andere vormen van gebruik van de zeeruimte bevordert, bijdraagt tot de bescherming van het milieu en het welvaren van vissersgemeenschappen mogelijk maakt;
13. verzoekt de lidstaten specifieke historische en traditionele visgronden voor lokale vissers aan te merken als gebieden die vrij moeten blijven van bronnen van hernieuwbare offshore-energie;
14. benadrukt dat hernieuwbare offshore-energie kan worden ingezet in beschermde mariene gebieden, met beheercomités die bestaan uit relevante belanghebbenden, waaronder economische sectoren zoals de visserij, alsook wetenschappers, ngo’s, lokale gemeenschappen en overheden, en die samenwerking en dialoog faciliteren, indien dit in overeenstemming is met de instandhoudingsdoelstellingen overeenkomstig de toepasselijke EU-natuurwetgeving en -richtsnoeren, teneinde de gevolgen voor de visserij te beperken;
15. herinnert eraan dat offshorewindenergie een van de meest geavanceerde technologieën is, maar dat andere technologieën die minder gevolgen hebben voor de visserij en aquacultuur, ook veelbelovend zijn en soms al beschikbaar zijn, ook al worden deze nog niet grootschalig ingezet, zoals thermische energie, golfenergie, getijdenenergie, biobrandstoffen uit algen enzovoort, en dat deze technologieën in sommige gebieden waar wordt gevist, passender kunnen zijn;
16. moedigt de Commissie en de lidstaten aan een ambitieuze benadering te hanteren bij de ontwikkeling van drijvende offshorewindmolenparken, die in diepere wateren kunnen worden aangelegd, waardoor het geschikte gebied voor windenergieprojecten wordt uitgebreid, terwijl hun zichtbaarheid vanaf de kust en de gevolgen tijdens de aanleg ervan worden beperkt;
17. wijst in dit verband op het potentieel van hernieuwbare waterstof, in combinatie met systemen voor hernieuwbare energie, zoals blijkt uit de doelstelling van de EU-waterstofstrategie om uiterlijk in 2030 40 GW aan hernieuwbare energie gekoppelde elektrolysecapaciteit te realiseren;
18. dringt aan op aanvullende steun voor onderzoek en ontwikkeling om de inzet van verschillende technologieën voor hernieuwbare offshore-energie te versnellen, en moedigt verder toezicht op de gevolgen voor het milieu, wetenschappelijke analyses en gegevensuitwisseling aan, aangezien er voortdurend nieuw beleid, nieuwe bevindingen en nieuwe technologieën worden ontwikkeld;
19. benadrukt dat de energiemixen van de ultraperifere gebieden en eilanden sterk afhankelijk zijn van de invoer van fossiele brandstoffen, ondanks de mogelijkheden van hernieuwbare energie; verzoekt de Commissie en de lidstaten bij de uitvoering van de Europese Green Deal bijzondere aandacht te besteden aan en specifieke financiering te verstrekken voor de ontwikkeling van hernieuwbare offshore-energie in deze gebieden teneinde hun afhankelijkheid van fossiele brandstoffen tot een minimum te beperken; vraagt dat bij de uitwerking van projecten die kunnen worden gefinancierd, rekening wordt gehouden met de specifieke kenmerken van de eilanden;
20. roept de Commissie en de lidstaten op om het faciliteren van opleiding en onderwijs met betrekking tot hernieuwbare offshore-energie voor kustgemeenschappen, ultraperifere gebieden en EU-eilanden tot een prioriteit te maken, teneinde een rechtvaardige transitie te waarborgen voor de gemeenschappen en sectoren die het zwaarst door de klimaatverandering worden getroffen;
21. benadrukt dat een allesomvattende en langetermijnvisie nodig is om de gevolgen van hernieuwbare offshore-energie voor andere activiteiten, zoals visserij, lokale gemeenschappen en ecosystemen, te beoordelen; dringt erop aan bij deze projecten een benadering op basis van de circulaire economie en de volledige levensloop te hanteren; is van mening dat het van essentieel belang is daartoe beoordelingen uit te voeren van de infrastructuren vóór de uitvoering van de projecten, teneinde eco-ontwerp te bevorderen door middel van specifieke materialen en ontwerpen van de infrastructuren, hetgeen op zijn beurt de ontwikkeling van de lokale biodiversiteit kan bevorderen, en om over plannen te beschikken voor het einde van het project, bijvoorbeeld door gebruik te maken van recyclingmethoden of de infrastructuur als kunstrif te onderhouden en ervoor te zorgen dat alle langetermijngevolgen voor de duurzaamheid in acht worden genomen en dat er aan de beginselen van een circulaire economie wordt voldaan;
22. verzoekt de Commissie de nodige effectbeoordelingen uit te voeren en het Parlement voortdurend op de hoogte te houden.
INFORMATIE OVER DE GOEDKEURING IN DE ADVISERENDE COMMISSIE
Datum goedkeuring |
16.6.2021 |
|
|
|
Uitslag eindstemming |
+: –: 0: |
23 3 2 |
||
Bij de eindstemming aanwezige leden |
Clara Aguilera, Pietro Bartolo, François-Xavier Bellamy, Izaskun Bilbao Barandica, Isabel Carvalhais, Maria da Graça Carvalho, Rosanna Conte, Rosa D’Amato, Giuseppe Ferrandino, João Ferreira, Søren Gade, Francisco Guerreiro, Niclas Herbst, France Jamet, Pierre Karleskind, Predrag Fred Matić, Francisco José Millán Mon, Grace O’Sullivan, Manuel Pizarro, Caroline Roose, Bert-Jan Ruissen, Annie Schreijer-Pierik, Peter van Dalen, Emma Wiesner, Theodoros Zagorakis |
|||
Bij de eindstemming aanwezige vaste plaatsvervangers |
Manuel Bompard, Raffaele Stancanelli, Annalisa Tardino |
|||
HOOFDELIJKE EINDSTEMMING IN DE ADVISERENDE COMMISSIE
23 |
+ |
PPE |
François-Xavier Bellamy, Maria da Graça Carvalho, Niclas Herbst, Francisco José Millán Mon, Annie Schreijer-Pierik, Theodoros Zagorakis, Peter van Dalen |
Renew |
Izaskun Bilbao Barandica, Søren Gade, Pierre Karleskind, Emma Wiesner |
S&D |
Clara Aguilera, Pietro Bartolo, Isabel Carvalhais, Giuseppe Ferrandino, Predrag Fred Matić, Manuel Pizarro |
The Left |
Manuel Bompard, João Ferreira |
Verts/ALE |
Rosa D’Amato, Francisco Guerreiro, Grace O’Sullivan, Caroline Roose |
3 |
- |
ECR |
Bert-Jan Ruissen, Raffaele Stancanelli |
ID |
France Jamet |
2 |
0 |
ID |
Rosanna Conte, Annalisa Tardino |
Verklaring van de gebruikte tekens:
+ : voor
- : tegen
0 : onthouding
INFORMATIE OVER DE GOEDKEURING IN DE BEVOEGDE COMMISSIE
Datum goedkeuring |
30.11.2021 |
|
|
|
Uitslag eindstemming |
+: –: 0: |
57 10 7 |
||
Bij de eindstemming aanwezige leden |
Nicola Beer, François-Xavier Bellamy, Hildegard Bentele, Tom Berendsen, Vasile Blaga, Michael Bloss, Manuel Bompard, Paolo Borchia, Marc Botenga, Markus Buchheit, Cristian-Silviu Buşoi, Jerzy Buzek, Maria da Graça Carvalho, Ignazio Corrao, Ciarán Cuffe, Josianne Cutajar, Nicola Danti, Pilar del Castillo Vera, Martina Dlabajová, Christian Ehler, Valter Flego, Niels Fuglsang, Lina Gálvez Muñoz, Claudia Gamon, Jens Geier, Nicolás González Casares, Bart Groothuis, Christophe Grudler, András Gyürk, Henrike Hahn, Robert Hajšel, Ivo Hristov, Ivars Ijabs, Romana Jerković, Eva Kaili, Seán Kelly, Izabela-Helena Kloc, Łukasz Kohut, Andrius Kubilius, Thierry Mariani, Eva Maydell, Georg Mayer, Joëlle Mélin, Iskra Mihaylova, Dan Nica, Angelika Niebler, Ville Niinistö, Aldo Patriciello, Mauri Pekkarinen, Mikuláš Peksa, Tsvetelina Penkova, Morten Petersen, Markus Pieper, Clara Ponsatí Obiols, Jérôme Rivière, Robert Roos, Sara Skyttedal, Maria Spyraki, Jessica Stegrud, Beata Szydło, Riho Terras, Grzegorz Tobiszowski, Patrizia Toia, Evžen Tošenovský, Marie Toussaint, Isabella Tovaglieri, Viktor Uspaskich, Henna Virkkunen, Pernille Weiss, Carlos Zorrinho |
|||
Bij de eindstemming aanwezige vaste plaatsvervangers |
Cornelia Ernst, Jutta Paulus, Ernő Schaller-Baross, Jordi Solé |
|||
HOOFDELIJKE EINDSTEMMING IN DE BEVOEGDE COMMISSIE
57 |
+ |
NI |
András Gyürk, Clara Ponsatí Obiols, Ernő Schaller-Baross, Viktor Uspaskich |
PPE |
Hildegard Bentele, Tom Berendsen, Vasile Blaga, Cristian-Silviu Buşoi, Jerzy Buzek, Maria da Graça Carvalho, Pilar del Castillo Vera, Christian Ehler, Seán Kelly, Andrius Kubilius, Eva Maydell, Angelika Niebler, Aldo Patriciello, Markus Pieper, Sara Skyttedal, Maria Spyraki, Riho Terras, Henna Virkkunen, Pernille Weiss |
Renew |
Nicola Beer, Nicola Danti, Martina Dlabajová, Valter Flego, Claudia Gamon, Bart Groothuis, Christophe Grudler, Ivars Ijabs, Iskra Mihaylova, Mauri Pekkarinen, Morten Petersen |
S&D |
Josianne Cutajar, Niels Fuglsang, Lina Gálvez Muñoz, Jens Geier, Nicolás González Casares, Robert Hajšel, Ivo Hristov, Romana Jerković, Eva Kaili, Łukasz Kohut, Dan Nica, Tsvetelina Penkova, Patrizia Toia, Carlos Zorrinho |
Verts/ALE |
Michael Bloss, Ignazio Corrao, Ciarán Cuffe, Henrike Hahn, Ville Niinistö, Jutta Paulus, Mikuláš Peksa, Jordi Solé, Marie Toussaint |
10 |
- |
ECR |
Robert Roos, Jessica Stegrud |
ID |
Paolo Borchia, Markus Buchheit, Thierry Mariani, Georg Mayer, Joëlle Mélin, Jérôme Rivière, Isabella Tovaglieri |
PPE |
François-Xavier Bellamy |
7 |
0 |
ECR |
Izabela-Helena Kloc, Beata Szydło, Grzegorz Tobiszowski, Evžen Tošenovský |
The Left |
Manuel Bompard, Marc Botenga, Cornelia Ernst |
Verklaring van de gebruikte tekens:
+ : voor
- : tegen
0 : onthouding
- [1] PB L 275 van 25.10.2003, blz. 32.
- [2] PB L 257 van 28.8.2014, blz. 135.
- [3] PB L 328 van 21.12.2018, blz. 82.
- [4] PB L 115 van 25.4.2013, blz. 39.
- [5] PB L 348 van 20.12.2013, blz. 129.
- [6] PB L 328 van 21.12.2018, blz. 1.
- [7] PB C 463 van 21.12.2018, blz. 10.
- [8] PB C 23 van 21.1.2021, blz. 116.
- [9] PB C 270 van 7.7.2021, blz. 2.
- [10] PB C 371 van 15.9.2021, blz. 58.
- [11] PB C 425 van 20.10.2021, blz. 43.
- [12] Aangenomen teksten, P9_TA(2021)0241.
- [13] Aangenomen teksten, P9_TA(2021)0240.
- [14] Aangenomen teksten, P9_TA(2021)0338.
- [15] Aangenomen teksten, P9_TA(2021)0277.
- [16] SWD(2020)0176.
- [17] Europese Commissie. 19 november 2020. EU-strategie over de benutting van het potentieel van hernieuwbare offshore-energie met het oog op een klimaatneutrale toekomst (COM(2020)0741).
- [18] Aangenomen teksten, P9_TA(2020)0005.
- [19] PB C 232 van 16.6.2021, blz. 28.
- [20] PB L 328 van 21.12.2018, blz. 82.
- [21] PB L 257 van 28.8.2014, blz. 135.
- [22] Aangenomen teksten, P9_TA(2021)0241.
- [23] PB L 307 van 28.10.2014, blz. 1.
- [24] PB L 164 van 25.6.2008, blz. 19.
- [25] PB L 20 van 26.1.2010, blz. 7.
- [26] PB L 206 van 22.7.1992, blz. 7.
- [27] PB L 257 van 28.8.2014, blz. 135.
- [28] PB C 458 van 19.12.2018, blz. 9.
- [29] PB C 232 van 16.6.2021, blz. 28.
- [30] Aangenomen teksten, P9_TA(2020)0005.