VERSLAG over het verzoek tot opheffing van de immuniteit van Georgios Kyrtsos
27.6.2023 - (2023/2025(IMM))
Commissie juridische zaken
Rapporteur: Sergey Lagodinsky
ONTWERPBESLUIT VAN HET EUROPEES PARLEMENT
over het verzoek tot opheffing van de immuniteit van Georgios Kyrtsos
Het Europees Parlement,
– gezien het verzoek tot opheffing van de immuniteit van Georgios Kyrtsos, dat uitgaat van de openbaar aanklager bij de rechterlijke instantie in eerste aanleg van Athene en samenhangt met een strafrechtelijke procedure en dat door de plaatsvervangend openbaar aanklager bij het hooggerechtshof van Griekenland bij brief van 27 januari 2023 werd doorgestuurd, en van de ontvangst waarvan op 14 februari 2023 ter plenaire vergadering kennis werd gegeven,
– gezien het feit dat Georgios Kyrtsos afstand heeft gedaan van zijn recht om te worden gehoord overeenkomstig artikel 9, lid 6, van het Reglement van het Europees Parlement,
– gezien de artikelen 8 en 9 van Protocol nr. 7 betreffende de voorrechten en immuniteiten van de Europese Unie, en artikel 6, lid 2, van de Akte van 20 september 1976 betreffende de verkiezing van de leden van het Europees Parlement door middel van rechtstreekse algemene verkiezingen,
– gezien de arresten van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 21 oktober 2008, 19 maart 2010, 6 september 2011, 17 januari 2013 en 19 december 2019[1],
– gezien artikel 62 van de grondwet van de Helleense Republiek,
– gezien artikel 5, lid 2, artikel 6, lid 1, en artikel 9 van zijn Reglement,
– gezien het verslag van de Commissie juridische zaken (A9-0231/2023),
A. overwegende dat de openbaar aanklager bij de rechterlijke instantie in eerste aanleg van Athene heeft verzocht tot opheffing van de immuniteit van Georgios Kyrtsos, een in Griekenland verkozen lid van het Europees Parlement, in verband met een tegen hem in te leiden strafrechtelijke procedure wegens niet-betaling van bedragen die verschuldigd zijn aan de Griekse staat;
B. overwegende dat Georgios Kyrtsos, in zijn hoedanigheid van algemeen directeur en wettelijke vertegenwoordiger van het bedrijf Free Sunday Publishing House Ltd., wordt beschuldigd van het niet betalen van het bedrag van 459 918,18 EUR dat verschuldigd is aan de Griekse staat;
C. overwegende dat de beweerdelijk door Georgios Kyrtsos gestelde handeling het strafbare feit vormt van achterstallige betaling van aan de staat verschuldigde bedragen overeenkomstig artikel 25 van Griekse wet 1882/90, aangevuld met artikel 20, lid 8, van Griekse Wet 2298/95, vervangen door artikel 23, lid 1, van Griekse wet 2523/97, gewijzigd bij artikel 34 van Griekse wet 3220/2004, vervangen door artikel 3, lid 1, van Griekse wet 3943/2011, vervangen door artikel 20 van Griekse wet 4321/2015 en gewijzigd bij artikel 8 van Griekse wet 4337/2015;
D. overwegende dat het Parlement niet de rol van rechter op zich kan nemen, en overwegende dat een lid in het kader van een procedure tot opheffing van de immuniteit niet als een “verdachte” kan worden aangemerkt[2];
E. overwegende dat het bij de gestelde strafbare feiten niet gaat om een mening of een stem die het lid heeft uitgebracht in de uitoefening van zijn ambt als lid van het Europees Parlement als bedoeld in artikel 8 van Protocol nr. 7 betreffende de voorrechten en immuniteiten van de Europese Unie;
F. overwegende dat de parlementaire immuniteit tot doel heeft het Parlement en zijn leden te beschermen tegen gerechtelijke procedures in verband met activiteiten die in de uitoefening van parlementaire taken zijn verricht en die niet van die taken kunnen worden gescheiden; overwegende dat het gestelde strafbare feit duidelijk niet in rechtstreeks verband staat met de activiteiten van Georgios Kyrtsos als lid van het Europees Parlement, maar in plaats daarvan verband houdt met zijn vroegere functie als manager van zijn krantenconcern;
G. overwegende dat artikel 9 van Protocol nr. 7 betreffende de voorrechten en immuniteiten van de Europese Unie bepaalt dat de leden van het Europees Parlement op hun eigen grondgebied de immuniteiten genieten welke aan de leden van de volksvertegenwoordiging in hun land zijn verleend, en op het grondgebied van elke andere lidstaat vrijstelling genieten van aanhouding en gerechtelijke vervolging in welke vorm ook; overwegende dat op deze immuniteit geen beroep kan worden gedaan in geval van ontdekking op heterdaad, terwijl zij evenmin kan verhinderen dat het Europees Parlement het recht uitoefent de immuniteit van een van zijn leden op te heffen;
H. overwegende dat in artikel 62 van de grondwet van de Helleense Republiek is bepaald dat de leden van het parlement tijdens hun parlementaire ambtsperiode niet kunnen worden vervolgd, gearresteerd, gevangen genomen of op andere wijze aan beperkingen worden onderworpen zonder voorafgaande toestemming van het parlement;
I. overwegende dat het Parlement in dit geval geen bewijs van fumus persecutionis heeft gevonden, dat wil zeggen feiten die erop wijzen dat het betrokken gerechtelijk onderzoek is ingesteld met de intentie de politieke activiteiten van het lid als lid van het Europees Parlement schade toe te brengen;
1. besluit de immuniteit van Georgios Kyrtsos op te heffen;
2. verzoekt zijn Voorzitter dit besluit en het verslag van zijn bevoegde commissie onmiddellijk te doen toekomen aan de Griekse autoriteiten en aan Georgios Kyrtsos.
INFORMATIE OVER DE GOEDKEURING IN DE BEVOEGDE COMMISSIE
Datum goedkeuring |
27.6.2023 |
|
|
|
Uitslag eindstemming |
+: –: 0: |
19 0 0 |
||
Bij de eindstemming aanwezige leden |
Pascal Arimont, Ilana Cicurel, Angel Dzhambazki, Ibán García Del Blanco, Sergey Lagodinsky, Gilles Lebreton, Maria-Manuel Leitão-Marques, Karen Melchior, Franco Roberti, Raffaele Stancanelli, Adrián Vázquez Lázara, Axel Voss, Marion Walsmann, Lara Wolters, Javier Zarzalejos |
|||
Bij de eindstemming aanwezige vaste plaatsvervangers |
Caterina Chinnici, Andrzej Halicki, René Repasi, Yana Toom |
|||
- [1] Arrest van het Hof van Justitie van 21 oktober 2008, Marra/De Gregorio en Clemente, C-200/07 en C-201/07, ECLI:EU:C:2008:579; arrest van het Gerecht van 19 maart 2010, Gollnisch/Parlement, T-42/06, ECLI:EU:T:2010:102; arrest van het Hof van Justitie van 6 september 2011, Patriciello, C-163/10, ECLI:EU:C:2011:543; arrest van het Gerecht van 17 januari 2013, Gollnisch/Parlement, T-346/11 en T-347/11, ECLI:EU:T:2013:23; arrest van het Hof van Justitie van 19 december 2019, Junqueras Vies, C-502/19, ECLI:EU:C:2019:1115.
- [2] Arrest van het Gerecht van 30 april 2019, Briois/Parlement, T-214/18, ECLI:EU:T:2019:266.