Ontwerpresolutie - B10-0060/2026Ontwerpresolutie
B10-0060/2026

ONTWERPRESOLUTIE met een verzoek aan het Hof van Justitie om advies over de verenigbaarheid van de voorgestelde Partnerschapsovereenkomst tussen de Europese Unie en haar lidstaten, enerzijds, en de Zuidelijke Gemeenschappelijke Markt, de Argentijnse Republiek, de Federale Republiek Brazilië, de Republiek Paraguay en de Republiek ten oosten van de Uruguay, anderzijds, en de voorgestelde Interimovereenkomst inzake handel tussen de Europese Unie, enerzijds, en de Zuidelijke Gemeenschappelijke Markt, de Argentijnse Republiek, de Federale Republiek Brazilië, de Republiek Paraguay en de Republiek ten oosten van de Uruguay, anderzijds, met de Verdragen

14.1.2026 - (2026/2560(RSP))

ingediend overeenkomstig artikel 117, lid 6, van het Reglement

Krzysztof Hetman, Pascal Canfin, Raphaël Glucksmann, Majdouline Sbai, Manon Aubry, Marta Wcisło, Benoit Cassart, Maria Noichl, Saskia Bricmont, Lynn Boylan, Céline Imart, Yvan Verougstraete, François Kalfon, Vicent Marzà Ibáñez, Danilo Della Valle, Hanna Gronkiewicz‑Waltz, Hristo Petrov, Jean‑Marc Germain, Thomas Waitz, Anja Hazekamp, François‑Xavier Bellamy, Ciaran Mullooly, Chloé Ridel, Ana Miranda Paz, Luke Ming Flanagan, Ewa Kopacz, Eric Sargiacomo, Cristina Guarda, Rudi Kennes, Christophe Gomart, Michael McNamara, Estelle Ceulemans, David Cormand, Kathleen Funchion, Kamila Gasiuk‑Pihowicz, Grégory Allione, Marko Vešligaj, Marie Toussaint, Martin Schirdewan, Jacek Protas, Valérie Devaux, Elio Di Rupo, Diana Riba i Giner, Marina Mesure, Andrzej Buła, Michał Kobosko, Aurore Lalucq, Tilly Metz, Leila Chaibi, Bartłomiej Sienkiewicz, Laurence Farreng, Claire Fita, Lena Schilling, Sebastian Everding, Adam Jarubas, Christine Singer, Nora Mebarek, Jaume Asens Llodrà, Arash Saeidi, Li Andersson, Rasmus Andresen, Giuseppe Antoci, Pascal Arimont, Bartosz Arłukowicz, Konstantinos Arvanitis, Pernando Barrena Arza, Michael Bloss, Gordan Bosanac, Marc Botenga, Gilles Boyer, Borys Budka, Mélissa Camara, Damien Carême, Laurent Castillo, Anna Cavazzini, Per Clausen, Christophe Clergeau, Jérémy Decerle, Özlem Demirel, Bas Eickhout, Nikolas Farantouris, Emma Fourreau, Daniel Freund, Mario Furore, Estrella Galán, Hanna Gedin, Giorgos Georgiou, Charles Goerens, Markéta Gregorová, Martin Günther, Rima Hassan, Mircea‑Gheorghe Hava, Pär Holmgren, Dariusz Joński, Pierre Jouvet, Fabienne Keller, Elena Kountoura, Alice Kuhnke, Merja Kyllönen, Sergey Lagodinsky, Katrin Langensiepen, Murielle Laurent, Isabelle Le Callennec, Nathalie Loiseau, Isabella Lövin, Mimmo Lucano, Elżbieta Katarzyna Łukacijewska, Jagna Marczułajtis‑Walczak, Ignazio Roberto Marino, Erik Marquardt, Catarina Martins, Sara Matthieu, Irene Montero, Carolina Morace, Nadine Morano, Ville Niinistö, Maria Ohisalo, João Oliveira, Younous Omarjee, Leoluca Orlando, Valentina Palmisano, Nikos Pappas, Gaetano Pedulla’, Thomas Pellerin‑Carlin, Emma Rafowicz, Terry Reintke, Manuela Ripa, Ilaria Salis, Jussi Saramo, Mounir Satouri, Benedetta Scuderi, Isabel Serra Sánchez, Virginijus Sinkevičius, Jonas Sjöstedt, Anthony Smith, Nicolae Ștefănuță, Joachim Streit, Tineke Strik, Michał Szczerba, Dario Tamburrano, Pasquale Tridico, Catarina Vieira, Michał Wawrykiewicz, Stéphanie Yon-Courtin

Procedure : 2026/2560(RSP)
Stadium plenaire behandeling
Documentencyclus :  
B10-0060/2026
Ingediende teksten :
B10-0060/2026
Debatten :
Aangenomen teksten :

B10‑0060/2026

Resolutie van het Europees Parlement met een verzoek aan het Hof van Justitie om advies over de verenigbaarheid van de voorgestelde Partnerschapsovereenkomst tussen de Europese Unie en haar lidstaten, enerzijds, en de Zuidelijke Gemeenschappelijke Markt, de Argentijnse Republiek, de Federale Republiek Brazilië, de Republiek Paraguay en de Republiek ten oosten van de Uruguay, anderzijds, en de voorgestelde Interimovereenkomst inzake handel tussen de Europese Unie, enerzijds, en de Zuidelijke Gemeenschappelijke Markt, de Argentijnse Republiek, de Federale Republiek Brazilië, de Republiek Paraguay en de Republiek ten oosten van de Uruguay, anderzijds, met de Verdragen

(2026/2560(RSP))

Het Europees Parlement,

 gezien de voorgestelde Partnerschapsovereenkomst tussen de Europese Unie en haar lidstaten, enerzijds, en de Zuidelijke Gemeenschappelijke Markt, de Argentijnse Republiek, de Federale Republiek Brazilië, de Republiek Paraguay en de Republiek ten oosten van de Uruguay, anderzijds,

 gezien de voorgestelde Interimovereenkomst inzake handel tussen de Europese Unie, enerzijds, en de Zuidelijke Gemeenschappelijke Markt, de Argentijnse Republiek, de Federale Republiek Brazilië, de Republiek Paraguay en de Republiek ten oosten van de Uruguay, anderzijds,

 gezien het voorstel voor een besluit van de Raad betreffende de sluiting, namens de Europese Unie, van de Partnerschapsovereenkomst tussen de Europese Unie en haar lidstaten, enerzijds, en de Zuidelijke Gemeenschappelijke Markt, de Argentijnse Republiek, de Federale Republiek Brazilië, de Republiek Paraguay en de Republiek ten oosten van de Uruguay, anderzijds (COM(2025)0357),

 gezien het voorstel voor een besluit van de Raad betreffende de sluiting, namens de Europese Unie, van de Interimovereenkomst inzake handel tussen de Europese Unie, enerzijds, en de Zuidelijke Gemeenschappelijke Markt, de Argentijnse Republiek, de Federale Republiek Brazilië, de Republiek Paraguay en de Republiek ten oosten van de Uruguay, anderzijds (COM(2025)0339),

 gezien het ontwerpbesluit van de Raad betreffende de sluiting, namens de Europese Unie, van de Partnerschapsovereenkomst tussen de Europese Unie en haar lidstaten, enerzijds, en de Zuidelijke Gemeenschappelijke Markt, de Argentijnse Republiek, de Federale Republiek Brazilië, de Republiek Paraguay en de Republiek ten oosten van de Uruguay, anderzijds,

 gezien het ontwerpbesluit van de Raad betreffende de ondertekening en de voorlopige toepassing van de Interimovereenkomst inzake handel tussen de Europese Unie, enerzijds, en de Zuidelijke Gemeenschappelijke Markt, de Argentijnse Republiek, de Federale Republiek Brazilië, de Republiek Paraguay en de Republiek ten oosten van de Uruguay, anderzijds,

 

 gezien het ontwerpbesluit van de Raad betreffende de sluiting, namens de Europese Unie, van de Interimovereenkomst inzake handel tussen de Europese Unie, enerzijds, en de Zuidelijke Gemeenschappelijke Markt, de Argentijnse Republiek, de Federale Republiek Brazilië, de Republiek Paraguay en de Republiek ten oosten van de Uruguay, anderzijds,

 gezien artikel 3, lid 5, artikel 4, lid 3, artikel 10, lid 3, artikel 13, lid 2, en artikel 21 van het Verdrag betreffende de Europese Unie (VEU),

 gezien artikel 218 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU), en met name de leden 2, 4, 5, 6, 8, 10 en 11,

 gezien de artikelen 11, 168, 169, 171 en 191 VWEU,

 gezien de artikelen 35, 37 en 38 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (het Handvest),

 gezien de onderhandelingsrichtsnoeren van de Raad van 1999 voor de overeenkomst tussen de Europese Unie en de vier stichtende leden van Mercosur: Argentinië, Brazilië, Paraguay en Uruguay (hierna “de onderhandelingsrichtsnoeren van 1999” genoemd),

 gezien het beginselakkoord tussen de Europese Unie en de vier stichtende leden van Mercosur, namelijk Argentinië, Brazilië, Paraguay en Uruguay, dat na onderhandelingen in 2019 tot stand is gekomen, en de nieuwe en herziene hoofdstukken en de protocollen en bijlagen daarbij,

 gezien advies 1/17 van het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJ-EU) van 30 april 2019 over de Brede Economische en Handelsovereenkomst tussen Canada, enerzijds, en de Europese Unie en haar lidstaten, anderzijds (CETA) en advies 2/15 van het HvJ-EU van 16 mei 2017 over de vrijhandelsovereenkomst tussen de Europese Unie en de Republiek Singapore,

 gezien het kaderakkoord over de betrekkingen tussen het Europees Parlement en de Europese Commissie[1], en met name de punten 23-29 betreffende internationale overeenkomsten,

 gezien de conclusies van de Raad van 22 mei 2018 over de onderhandelingen over en de sluiting van handelsovereenkomsten van de EU (hierna “de conclusies van de Raad van 2018” genoemd), en met name punt 3,

 gezien artikel 117, lid 6, van zijn Reglement,

A. overwegende dat de Commissie in 2019 het beginselakkoord heeft gepubliceerd, waarin de onderhandelingsresultaten van het handelsgedeelte van de associatieovereenkomst tussen de EU en Mercosur samengevat zijn; overwegende dat de Commissie in december 2024 aankondigde dat zij de onderhandelingen over de overeenkomst tussen de EU en Mercosur had afgerond; overwegende dat de Commissie op 3 september 2025 de overeenkomst tussen de EU en Mercosur heeft gepresenteerd als twee parallelle wetgevingsteksten, namelijk de partnerschapsovereenkomst tussen de EU en Mercosur (EMPA) en een interim-handelsovereenkomst (iTA), en haar voorstellen aan de Raad heeft voorgelegd met het oog op de ondertekening en sluiting van de EMPA; overwegende dat de EMPA een gemengde kaderovereenkomst is, die unanieme goedkeuring door de Raad, de goedkeuring van het Parlement en ratificatie door alle 27 lidstaten vereist voordat zij volledig in werking kan treden; overwegende dat de iTA alleen betrekking heeft op de bepalingen die onder de exclusieve bevoegdheid van de EU vallen en dat voor de inwerkingtreding ervan slechts een gekwalificeerde meerderheid in de Raad en de goedkeuring van het Parlement vereist is;

B. overwegende dat de interregionale kaderovereenkomst voor samenwerking van 1995, die de basis vormt voor de onderhandelingsrichtsnoeren van 1999, in de preambule werd gepresenteerd als “voorbereidingsfase voor de sluiting van een interregionale associatieovereenkomst” met als doel “de voorwaarden te scheppen voor de oprichting van een interregionale associatie”;

C. overwegende dat in de onderhandelingsrichtsnoeren van 1999 machtiging werd verleend voor onderhandelingen over een associatieovereenkomst met de Mercosur-landen, waarvoor eenparigheid van stemmen in de Raad en ratificatie door de nationale parlementen vereist waren; overwegende dat de reikwijdte van de iTA en de gevolgen ervan voor het vetorecht van de lidstaten niet konden worden voorzien op het moment dat dit mandaat werd verleend en overeengekomen; overwegende dat de Raad zijn standpunt in zijn conclusies van 2018 heeft bevestigd en het volgende heeft verklaard: “Het is aan de Raad om te besluiten of hij op deze basis onderhandelingen wil openen. Het is eveneens aan de Raad om van geval tot geval over de splitsing van handelsovereenkomsten te beslissen. Afhankelijk van de inhoud moeten associatieovereenkomsten gemengd zijn. De overeenkomsten waarover momenteel wordt onderhandeld, zoals die met Mexico, Mercosur en Chili, zullen gemengde overeenkomsten blijven”; overwegende dat in de handelsovereenkomst tussen de EU en Mercosur, waarover in juli 2019 een beginselakkoord is bereikt, ook wordt verwezen naar de associatieovereenkomst tussen de EU en Mercosur; overwegende dat een afwijking van de onderhandelingsrichtsnoeren van 1999 en de conclusies van de Raad van 2018 als onverenigbaar met het EU-recht zou kunnen worden beschouwd;

D. overwegende dat de nationale parlementen in verschillende lidstaten zich reeds hebben uitgesproken tegen de ratificatie van de overeenkomst tussen de EU en Mercosur door resoluties in die zin aan te nemen; overwegende dat de scheiding van de overeenkomst tussen de EU en Mercosur in twee afzonderlijke wetgevingsteksten, namelijk de EMPA en de iTA, het recht van de nationale parlementen om de iTA te ratificeren, omzeilt; overwegende dat het belangrijk is te zorgen voor een doeltreffende raadpleging van burgers, het Europees Parlement, nationale en regionale parlementen, het maatschappelijk middenveld en andere belanghebbenden in elke fase van het proces om de democratische verantwoordingsplicht te waarborgen;

E. overwegende dat in hoofdstuk 21, artikel 21.4, punt b), en hoofdstuk 1, artikel 1.3, punt k), van de iTA een nieuw ontworpen mechanisme of clausule voor evenwichtsherstel wordt geïntroduceerd op grond waarvan een partij schadevergoeding kan vorderen indien “een door de andere partij toegepaste maatregel een voordeel dat zij uit hoofde van de bestreken bepalingen geniet, tenietdoet of aanzienlijk beperkt op een wijze die de handel tussen de partijen ongunstig beïnvloedt, ongeacht of een dergelijke maatregel in strijd is met de bepalingen van deze overeenkomst, tenzij uitdrukkelijk anders is bepaald”; overwegende dat dit mechanisme tot doel heeft de economische gevolgen van de wetgeving of praktijk van een handelspartner te compenseren, zelfs wanneer deze niet in strijd zijn met de bepalingen van de overeenkomst; overwegende dat bijvoorbeeld artikel 21.20 en artikel 21.21 van hoofdstuk 21 van de iTA bepalen dat een tegenmaatregel pas wordt opgeschort wanneer de maatregel in kwestie is “ingetrokken of gewijzigd zodat die tenietdoening of wezenlijke vermindering is weggenomen”; overwegende dat dit mechanisme door de Mercosur-landen zou kunnen worden gebruikt om druk uit te oefenen op de EU om af te zien van de vaststelling of handhaving van wetgeving en andere maatregelen op het gebied van klimaat- en milieubescherming, voedselveiligheid of een verbod van bepaalde pesticiden;

F. overwegende dat de interpretatie van de Braziliaanse regering van de temporele werkingssfeer van de clausule voor evenwichtsherstel verschilt van de interpretatie van de Commissie, waarbij Brazilië van mening is dat deze al teruggaat tot 2019;

G. overwegende dat deze clausule breder is dan de bestaande clausules in eerdere door de EU gesloten vrijhandelsovereenkomsten en qua reikwijdte en inhoud verschilt van de clausule in de Algemene Overeenkomst betreffende tarieven en handel (GATT) en artikel 26, lid 1, van het Memorandum inzake geschillenbeslechting van de WTO; overwegende dat de clausule voor evenwichtsherstel in de GATT nooit is ingeroepen tegen wetgeving inzake duurzame ontwikkeling, vermoedelijk omdat dergelijke wetgeving onder de algemene uitzonderingsclausule van artikel XX van de GATT zou vallen;

H. overwegende dat de mogelijkheid dat de Mercosur-landen een schadevergoeding krijgen voor de handelseffecten van de duurzaamheidsmaatregelen van de EU de medewetgevers van de EU ertoe kan aanzetten af te zien van de vaststelling van dergelijke maatregelen en druk kan uitoefenen op de Commissie om de huidige wetgeving in te trekken, te wijzigen of de uitvoering ervan stop te zetten; overwegende dat het mechanisme met name gevolgen kan hebben voor wetgeving die gericht is op het behoud van de rechten die worden beschermd door het Handvest en de Verdragsbeginselen waarop de rechtsorde van de EU berust;

I.  overwegende dat er aanzienlijke verschillen bestaan tussen de regelgeving van de EU en die van de Mercosur-landen op het gebied van voedselproductie en sanitaire en veterinaire normen; overwegende dat de overeenkomst tussen de EU en Mercosur de audit- en controlemaatregelen voor de invoer van landbouwproducten uit de Mercosur-landen beperkt; overwegende dat hoofdstuk 6 van de iTA, dat gaat over sanitaire en fytosanitaire maatregelen, verschillende maatregelen omvat die de bestaande controlemechanismen verzwakken; overwegende dat sanitaire en fytosanitaire maatregelen overeenkomstig artikel 6.12, lid 2, slechts aanvaardbaar zijn indien zij voorlopig zijn en “binnen een redelijke termijn” worden herzien; overwegende dat de toepassing van het voorzorgsbeginsel in het EU-recht niet afhankelijk wordt gesteld van een dergelijk vereiste;

J. overwegende dat hoofdstuk 18 van de iTA, dat gaat over handel en duurzame ontwikkeling, de toepassing van het voorzorgsbeginsel beperkt, met name tot situaties waarin sprake is van een “risico van ernstige aantasting van het milieu of een risico voor de gezondheid en veiligheid op het werk”; overwegende dat deze beperkingen kunnen leiden tot een verlaging van het niveau van gezondheids-, consumenten- en milieubescherming in de EU; overwegende dat de huidige EU-maatregelen die op grond van het voorzorgsbeginsel van de EU zijn toegestaan, voor een arbitragepanel kunnen worden aangevochten en schadevergoedingen kunnen rechtvaardigen;

1. is bezorgd dat de opsplitsing van de overeenkomst tussen de EU en Mercosur in de EMPA en de iTA onverenigbaar is met artikel 218, leden 2 en 4, VWEU, alsook met het beginsel van bevoegdheidstoedeling, het beginsel van institutioneel evenwicht en het beginsel van loyale samenwerking zoals verankerd in artikel 4, lid 3, en artikel 13, lid 2, VEU; is bezorgd dat de door de Raad vastgestelde onderhandelingsrichtsnoeren niet worden nageleefd en dat dit gevolgen heeft voor de stemprocedure in de Raad en de nationale parlementen kan beletten hun legitieme mening over de overeenkomst te geven;

2. is bezorgd dat het mechanisme voor evenwichtsherstel waarin de overeenkomst tussen de EU en Mercosur voorziet, op zijn minst onverenigbaar is met de artikelen 11, 168, 169 en 191 VWEU en de artikelen 35, 37 en 38 van het Handvest en een bedreiging vormt voor het vermogen van de EU om de autonomie van de rechtsorde van de EU in stand te houden;

3. vreest dat de EMPA en de iTA de toepassing van het voorzorgsbeginsel in gevaar brengen, wat zou kunnen leiden tot onverenigbaarheid met ten minste de artikelen 168, 169 en 191 VWEU en de artikelen 35, 37 en 38 van het Handvest; is eveneens bezorgd dat het voorzorgsbeginsel wordt aangetast door de aan een arbitragepanel verleende bevoegdheid om de toepassing van het voorzorgsbeginsel door de EU te beoordelen;

4. besluit het Hof van Justitie overeenkomstig artikel 218, lid 11, VWEU om advies te vragen over de verenigbaarheid met de Verdragen van de voorgestelde overeenkomst en van de door de EU voorgestelde sluiting van de EMPA en de iTA, en over de procedure die is gevolgd om tot die sluiting te komen;

5. verzoekt zijn Voorzitter snel de nodige maatregelen te nemen om het advies van het Hof van Justitie in te winnen en deze resolutie ter informatie te doen toekomen aan de Raad en de Commissie.

Laatst bijgewerkt op: 19 januari 2026
Juridische mededeling - Privacybeleid