Ontwerpresolutie - B10-0063/2026Ontwerpresolutie
B10-0063/2026

MOTIE VAN AFKEURING JEGENS DE EUROPESE COMMISSIE 

14.1.2026 - (2026/2002(INS)

ingediend overeenkomstig artikel 131 van het Reglement

Jordan Bardella, Kinga Gál, Anders Vistisen, Hermann Tertsch, Mieke Andriese, Harald Vilimsky, Paolo Borchia, António Tânger Corrêa, Gerolf Annemans, Jean‑Paul Garraud, Tamás Deutsch, Nikola Bartůšek, Jorge Buxadé Villalba, Tom Vandendriessche, Anna Bryłka, Afroditi Latinopoulou, Vilis Krištopans, Mathilde Androuët, Marie‑Luce Brasier‑Clain, Marie Dauchy, Valérie Deloge, Mélanie Disdier, Anne‑Sophie Frigout, Angéline Furet, Catherine Griset, France Jamet, Virginie Joron, Fabrice Leggeri, Julien Leonardelli, Thierry Mariani, Aleksandar Nikolic, Philippe Olivier, Gilles Pennelle, Pascale Piera, Pierre Pimpie, Julie Rechagneux, André Rougé, Julien Sanchez, Pierre‑Romain Thionnet, Matthieu Valet, Alexandre Varaut, Séverine Werbrouck, Csaba Dömötör, Viktória Ferenc, Enikő Győri, András Gyürk, György Hölvényi, András László, Ernő Schaller‑Baross, Pál Szekeres, Annamária Vicsek, Susanna Ceccardi, Anna Maria Cisint, Aldo Patriciello, Silvia Sardone, Isabella Tovaglieri, Roberto Vannacci, Mireia Borrás Pabón, Juan Carlos Girauta Vidal, Jorge Martín Frías, Margarita de la Pisa Carrión, Rachel Blom, Ton Diepeveen, Marieke Ehlers, Sebastian Kruis, Auke Zijlstra, Elisabeth Dieringer, Roman Haider, Gerald Hauser, Georg Mayer, Petra Steger, Barbara Bonte, Tomasz Buczek, Tiago Moreira de Sá, Rody Tolassy, Tobiasz Bocheński, Patryk Jaki, Mariusz Kamiński, Marlena Maląg, Arkadiusz Mularczyk, Jacek Ozdoba, Beata Szydło, Dominik Tarczyński, Maciej Wąsik, Anna Zalewska, Adrian‑George Axinia, Georgiana Teodorescu, Gheorghe Piperea, Şerban Dimitrie Sturdza, Claudiu‑Richard Târziu, Cristian Terheş, Geadis Geadi, Emmanouil Fragkos, Guillaume Peltier, Marion Maréchal, Nicolas Bay, Laurence Trochu, Bogdan Rzońca, Piotr Müller, Kosma Złotowski, Christine Anderson, Milan Mazurek, Alexander Jungbluth, Milan Uhrík, Ewa Zajączkowska‑Hernik, Zsuzsanna Borvendég, Sarah Knafo, Stanislav Stoyanov, Anja Arndt, Marcin Sypniewski

Procedure : 2026/2002(INS)
Stadium plenaire behandeling
Documentencyclus :  
B10-0063/2026
Ingediende teksten :
B10-0063/2026
Debatten :
Aangenomen teksten :

B10‑0063/2026

Motie van afkeuring van het Europees Parlement jegens de Commissie

(2026/2002(INS)

Het Europees Parlement,

 gezien artikel 17, lid 8, van het Verdrag betreffende de Europese Unie, artikel 234 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie en artikel 106 bis van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie,

 gezien artikel 131 van zijn Reglement,

A. overwegende dat sinds 1999 wordt onderhandeld over de vrijhandelsovereenkomst met de Mercosur-landen en dat de huidige landbouw- en marktomstandigheden fundamenteel verschillen van die van 27 jaar geleden; overwegende dat de eisen van het Europese maatschappelijk middenveld met betrekking tot dierenwelzijn, volksgezondheid, milieunormen en het gebruik van bepaalde producten in de landbouw sinds de start van de onderhandelingen aanzienlijk zijn veranderd;

B. overwegende dat de Commissie de onderhandelingen over de overeenkomst tussen de EU en Mercosur in december 2024 eenzijdig heeft afgerond, zonder rekening te houden met de sterke en herhaalde tegenkanting van verschillende nationale parlementen, van dit Parlement en van Europese landbouwers en veehouders;

C. overwegende dat de Commissie in september 2025 voorstellen heeft goedgekeurd voor besluiten van de Raad betreffende de ondertekening en sluiting van de partnerschapsovereenkomst tussen de EU en Mercosur (EMPA) en de interim-handelsovereenkomst; overwegende dat de Commissie de politieke en juridische belemmeringen voor de ratificatie waarmee zij zou worden geconfronteerd, heeft omzeild door de overeenkomst op te splitsen in twee afzonderlijke rechtsinstrumenten om zo de nationale parlementen buitenspel te zetten, de legitieme bezwaren van de lidstaten terzijde te schuiven en het toezicht van het Parlement op handelsaspecten tot een loutere formaliteit te beperken;

D. overwegende dat de overeenkomst tussen de EU en Mercosur de toekomst van de Europese landbouwsector bedreigt door de markt open te stellen voor producten die niet voldoen aan de Europese sociale, milieu-, dierenwelzijns-, sanitaire en fytosanitaire normen, waardoor oneerlijke concurrentie ontstaat die de bestaansmiddelen van duizenden Europese landbouwers en veehouders in gevaar brengt;

E. overwegende dat Europese landbouwers en burgers al jaren aandringen op de opname van doeltreffende spiegelclausules om de daadwerkelijke wederkerigheid van normen te waarborgen; overwegende dat de Commissie in oktober 2025 vrijwaringsclausules heeft voorgesteld voor de overeenkomst tussen de EU en Mercosur; overwegende dat deze waarborgen ontoereikend zijn, aangezien zij geen automatische interventie mogelijk maken en niet voorzien in echte wederkerigheid; overwegende dat het hier slechts om een tijdelijk mechanisme voor de korte termijn gaat;

F. overwegende dat de recente voorstellen van de Commissie met betrekking tot het gemeenschappelijk landbouwbeleid na 2027 niet tegemoetkomen aan de fundamentele zorgen van Europese landbouwers en landbouwcoöperaties; overwegende dat het gemeenschappelijk landbouwbeleid nog steeds versnipperd is binnen één fonds, waardoor het inkomen van landbouwers en de in de Verdragen verankerde kerndoelstellingen in gevaar komen; overwegende dat de door de voorzitter van de Commissie publiekelijk toegezegde middelen om te reageren op de protesten van landbouwers met betrekking tot de ondertekening van de overeenkomst tussen de EU en Mercosur geen aanvullende financiering vormen, maar slechts een voorschot op de bestaande middelen in het volgende meerjarig financieel kader; overwegende dat de Commissie opvallend genoeg geen effectbeoordeling van de cumulatieve effecten van bilaterale handelsovereenkomsten heeft uitgevoerd;

G. overwegende dat de Raad op 9 januari 2026 twee besluiten houdende machtiging tot ondertekening van de overeenkomsten tussen de EU en Mercosur heeft aangenomen maar niet heeft besloten, in afwachting van het standpunt van het Parlement, de Commissie te beletten de handelsovereenkomst voorlopig toe te passen; overwegende dat dit op het laatste moment genomen besluit indruist tegen de toezegging van de Raad dat de 27 lidstaten de goedkeuring van het Parlement moeten afwachten alvorens de Commissie te machtigen de overeenkomst toe te passen;

H. overwegende dat de overeenkomst tussen de EU en Mercosur indruist tegen de belangen van de EU en haar burgers, aangezien ze een groot aantal landbouwsectoren in gevaar brengt en Europese landbouwers, werknemers en kleine en middelgrote ondernemingen blootstelt aan oneerlijke concurrentie, asymmetrische concessies en strategische afhankelijkheden die in strijd zijn met de door de EU verklaarde doelstellingen van veerkracht en autonomie;

1. merkt op dat de EU en de Commissie momenteel zwakker dan ooit zijn doordat de voorzitter van de Commissie blijft verzuimen naar onze landbouwers en burgers te luisteren en te reageren op de meest dringende uitdagingen van de EU, waaronder de achteruitgang van de landbouw en plattelandsgebieden, de verslechtering van de voedselzekerheid en het gebrek aan transparantie; merkt voorts op dat de Commissie de Europese landbouw en landbouwers rechtstreeks heeft ondermijnd door de bevoegdheden die haar door de Verdragen zijn toegekend, herhaaldelijk te buiten te gaan, getuige de handelsovereenkomsten tussen de EU en Mercosur;

2. spreekt zijn afkeuring over de Commissie uit;

3 verzoekt zijn Voorzitter deze motie van afkeuring te doen toekomen aan de voorzitter van de Raad en de voorzitter van de Commissie en hen in kennis te stellen van de uitslag van de stemming over deze motie.

 

Laatst bijgewerkt op: 15 januari 2026
Juridische mededeling - Privacybeleid