Terug naar het Europarl-portaal

Choisissez la langue de votre document :

Procedure : 2000/2598(RSP)
Stadium plenaire behandeling
Documentencyclus : B5-0710/2000

Ingediende teksten :

B5-0710/2000

Debatten :

Stemmingen :

Aangenomen teksten :

P5_TA(2000)0375

ONTWERPRESOLUTIE
PDF 97kWORD 48k
Zie ook gezamenlijke ontwerpresolutie RC-B5-0710/2000
5 september 2000
PE 293.798
 
B5‑0710/2000
naar aanleiding van een verklaring van de Commissie
ingediend overeenkomstig artikel 37, lid 2 van het Reglement
door Francesco Fiori, Antonio Tajani, Antonios Trakatellis, Mario Walter Mauro, Rocco Buttiglione, Luigi Cocilovo, Stefano Zappalà, Generoso Andria, Giorgio Lisi en Peter Liese
namens de PPE-DE-Fractie
over het klonen van mensen

Resolutie van het Europees Parlement over het klonen van mensen 
B5‑0710/2000

Het Europees Parlement,

–  onder verwijzing naar zijn resoluties van 16 maart 1989 over de ethische en juridische problemen in verband met genetische manipulatie(1) en over kunstmatige inseminatie "in vivo" en "in vitro"(2), van 28 oktober 1993 over het klonen van menselijke embryo's(3), van 12 maart 1997 over klonen(4) en van 15 januari 1998 over het klonen van mensen(5),

–  onder verwijzing naar zijn resolutie van 30 maart 2000 over het besluit van het Europees Merkenbureau inzake octrooi nr. EP 695 351 van 18 december 1999(6),

-  gelet op de Overeenkomst van de Raad van Europa tot bescherming van de rechten van de mens en de menselijke waardigheid met betrekking tot de toepassing van biologie en geneeskunst – de Overeenkomst inzake mensenrechten en biogeneeskunde – en onder verwijzing naar zijn resolutie ter zake van 20 september 1996(7),

-  gezien de verslagen van de adviesgroep biotechnologie van de Commissie,

-  gezien aanbeveling 1046 van de Parlementaire Vergadering van de Raad van Europa over het gebruik van menselijke embryo's,

-  gezien zijn advies van 16 juli 1997 inzake het voorstel voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad inzake de juridische bescherming van biotechnologische uitvindingen(8),

-  gelet op de Overeenkomst van de Raad van Europa tot bescherming van de rechten van de mens en de menselijke waardigheid met betrekking tot de toepassing van biologie en geneeskunst – de zogeheten Overeenkomst inzake mensenrechten en biogeneeskunde – en het aanvullend protocol dat het klonen van mensen verbiedt,

-  gezien zijn advies van 15 december 1998 inzake het voorstel voor een richtlijn van de Raad tot vaststelling van een specifiek programma voor onderzoek, technologische ontwikkeling en demonstatie inzake de kwaliteit van het leven en het beheer van levende organismen (1998 tot 2002),

-  gelet op het besluit van de Raad nr. 1999/167/EG van 25 januari 1999 tot vaststelling van een specifiek programma voor onderzoek, technologische ontwikkeling en demonstatie inzake de kwaliteit van het leven en het beheer van levende organismen (1998 tot 2002)(9),

-  gelet op richtlijn nr. 98/44/EG van het Europees Parlement en de Raad van 6 juli 1998 over de juridische bescherming van biotechnologische uitvindingen(10),

A.  overwegende dat de menselijke waardigheid en de daaruit voortvloeiende waarde van ieder menselijk wezen de voornaamste doelen zijn van de lidstaten en dat deze in tal van moderne grondwetten zijn vastgelegd,

B.  overwegende dat menselijke waardigheid enerzijds inhoudt dat alle menselijke organismen gelijk zijn, onafhankelijk van verschillen van individuele of sociale omstandigheden waaronder leeftijd, en anderzijds het beginsel dat het menselijk leven altijd het eindresultaat is en nooit het middel,

C.  overwegende dat niet alleen in Groot-Brittannië maar ook in andere landen van de Europese Unie een minderheid van wetenschappers er bij de politiek op aandringen het verbod op het klonen van mensen op te heffen,

D.  overwegende dat in zijn advies van 15 december 1998 inzake het voorstel voor een richtlijn van de Raad tot vaststelling van een specifiek programma voor onderzoek, technologische ontwikkeling en demonstatie inzake de kwaliteit van het leven en het beheer van levende organismen (1998 tot 2002) het volgende amendement op Bijlage II, sub b), vijfde streepje, tweede en derde alinea is opgenomen: In het kader van onderhavig programma worden geen onderzoekwerkzaamheden uitgevoerd die gericht zijn op de schepping van genetisch identieke menselijke individuen door middel van klonen, ongeacht of dit geschiedt via splitsing van embryo's of de overdracht van kernen – d.w.z. de productie van mensen of menselijke embryo's met hetzelfde genetische materiaal als levende of dode personen. De uiteenlopende standpunten die in de Europese Unie bestaan over de ethische problemen in verband met deze technologieën in overweging genomen, wordt evenmin onderzoek uitgevoerd in het kader waarvan embryo's worden vernietigd(11),

E.  overwegende dat in besluit van de Raad nr. 1999/167/EG van 25 januari 1999 tot vaststelling van een specifiek programma voor onderzoek, technologische ontwikkeling en demonstatie inzake de kwaliteit van het leven en het beheer van levende organismen (1998 tot 2002) wordt gesteld dat om dezelfde redenen geen steun wordt verleend aan onderzoekswerkzaamheden die kunnen worden uitgelegd als "klonen" met het doel een kiem of embryokern te vervangen door de cel van een individu, de cel van een embryo of een cel afkomstig van een latere ontwikkelingsfase van het menselijk embryo,

F.  overwegende dat in richtlijn nr. 98/44/EG van het Europees Parlement en de Raad van 6 juli 1998 over de juridische bescherming van biotechnologische uitvindingen wordt verklaard dat er in de Gemeenschap consensus bestaat over het feit dat ingrepen in de menselijke kiemlijn en het klonen van menselijke organismen een inbreuk betekenen op de openbare orde en de zedelijkheid; dat het derhalve van belang is de genetische identiteit van menselijke organismen en de processen voor het klonen van menselijke organismen eenduidig uit te sluiten van octrooibaarheidsprocedures tot aanpassing van de kiemlijn,

G.  overwegende dat het klonen van mensen wordt omschreven als het scheppen van menselijke embryo's die dezelfde genetische samenstelling bezitten als een ander levend of dood menselijk organisme op enig moment van hun ontwikkeling vanaf het ogenblik van bevruchting, zonder mogelijk onderscheid naar gebruikte methode,

H.  overwegende dat het klonen van menselijke embryo's zoals dat in Groot-Brittannië wordt overwogen altijd betekent dat het gekloonde embryo en het resultaat van het klonen worden vernietigd,

I.  overwegende dat het menselijk leven begint als de zelfstandige ontwikkeling van de nieuw geproduceerde identiteit aanvangt, dat wil zeggen op het ogenblik van ontvangenis, het ogenblik van bevruchting,

J.  overwegende dat uitsluiting van reproductief klonen slechts betekent dat inbrenging in de baarmoeder en dus de groei van het embryo worden tegengehouden, met als onvermijdelijk gevolg dat het embryo zelf wordt vernietigd, maar dat de productie van embryo's en hun vernietiging niet worden verhinderd,

K.  overwegende dat de techniek voor het klonen van menselijke embryo's eender is, ongeacht of het al dan niet de bedoeling is hen in de baarmoeder in te brengen, hetgeen betekent dat steun aan zogenaamd therapeutisch klonen technisch een voorwaarde is voor zogeheten reproductief klonen,

L.  overwegende dat een aantal wetenschappers dat advies heeft uitgebracht aan de Britse regering heeft verklaard in een later stadium eveneens reproductief klonen te zullen steunen,

M.  overwegende dat er andere methoden dan het klonen van embryo's bestaan om ernstige ziekten te genezen, zoals het nemen van stamcellen van volwassenen of van de navelstrengen van pasgeboren kinderen,

N.  overwegende dat het onderzoek van andere methoden die de menselijke waardigheid beter eerbiedigen zou worden beperkt als het klonen van embryo's, dat een ernstige aantasting van de menselijke waardigheid betekent, wordt toegestaan en gefinancierd,

O.  overwegende dat proeven met bestaande embryo's die over zijn van in-vitro bevruchting een aantasting van de menselijke waardigheid betekenen,

P.  overwegende dat het mogelijk is de productie van embryo's door middel van kunstmatige inseminatie te voorkomen, ten aanzien waarvan het Europees Parlement reeds een afwijzend standpunt heeft ingenomen, door de eieren voor bevruchting te bevriezen,

1.  is van mening dat mensenrechten en eerbiediging van de menselijke waardigheid vanaf het ogenblik van bevruchting een voortdurend doel dienen te zijn van politieke wetgevende activiteit en dat zij in geval van twijfel moeten worden uitgelegd in de zin dat de bescherming wordt uitgebreid en niet beperkt;

2.  verzoekt de regering van het VK haar standpunt ten aanzien van het klonen van menselijke embryo's te herzien en verzoekt het parlement van het VK dit niet toe te staan;

3.  verzoekt iedere lidstaat nogmaals ieder onderzoek naar iedere vorm van klonen van mensen op zijn grondgebied via bindende wetgeving te verbieden en erop toe te zien dat iedere overtreding strafrechtelijk wordt vervolgd;

4.  acht het onderscheid tussen embryo en pre-embryo alsof dit verschillende grootheden zouden zijn (het eerste menselijk en het tweede niet), onaanvaardbaar;

5.  acht het onderscheid tussen reproductief en niet-reproductief klonen onaanvaardbaar daar het embryo hoe dan ook een "gereproduceerd" menselijk organisme is;

6.  dringt erop aan zo veel mogelijk politieke, wetgevende, wetenschappelijke en economische middelen te richten op therapieën die gebruik maken van stamcellen die aan volwassenen zijn ontnomen of die in ieder geval geen vernietiging van levende menselijke embryo's met zich meebrengen;

7.  dringt aan op een Europees wetenschappelijk programma dat speciale moleculaire biologische technieken nastreeft om dezelfde resultaten te bereiken als worden verkregen via het klonen van organen op basis van stamcellen van menselijke embryo's;

8.  bevestigt nogmaals zijn volledige steun voor biotechnologisch wetenschappelijk onderzoek, waarvoor de EU en de lidstaten meer middelen moeten uittrekken;

9.  is van mening dat proeven waarbij menselijke embryo's worden vernietigd niet mogen worden toegestaan en verzoekt de lidstaten geen machtiging te verlenen voor dit soort proeven;

10.  dringt nogmaals aan op technieken voor de kunstmatige inseminatie van mensen in het kader waarvan geen overtollige embryo's worden geproduceerd – dat wil zeggen meer dan in één enkele cyclus in de baarmoeder kunnen worden ingebracht – teneinde te voorkomen dat overbodige embryo's worden aangemaakt;

11.  verzoekt de Commissie te waarborgen dat besluit van de Raad nr. 1999/167/EG van 25 januari 1999 tot vaststelling van een specifiek programma voor onderzoek, technologische ontwikkeling en demonstatie inzake de kwaliteit van het leven en het beheer van levende organismen (1998 tot 2002) ten volle wordt nageleefd en wijst erop dat de beste methode om dit besluit ten uitvoer te leggen inhoudt dat gewaarborgd wordt dat geen enkele onderzoeksinstelling die op enigerlei wijze betrokken is bij het klonen van menselijke embryo's voor enig onderdeel van haar werkzaamheden middelen uit de EU-begroting ontvangt;

12.  verzoekt de Conventie voor opstelling van een ontwerphandvest van fundamentele rechten van de Europese Unie een verbod op het klonen van menselijke organismen in alle ontwikkelingsstadia op te nemen in het Handvest;

13.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie en de regeringen van de lidstaten.

(1) PB C 96 van 17.4.1989, blz. 165.
(2) PB C 96 van 17.4.1989, blz. 171.
(3) PB C 315 van 22.11.1993, blz. 224.
(4) PB C 115 van 14.4.1997, blz. 92.
(5) PB C 34 van 2.2.1998, blz. 164.
(6) Aangenomen teksten, paragraaf 9.
(7) PB C 320 van 20.9.1996, blz. 268.
(8) PB C 286 van 22.9.1997, blz. 87.
(9) PB L 64 van 12.3.1999, blz. 1.
(10) PB L 213 van 30.7.1998, blz. 13.
(11) PB C 98 van 9.4.1999, blz. 39.

Juridische mededeling - Privacybeleid