Terug naar het Europarl-portaal

Choisissez la langue de votre document :

ONTWERPRESOLUTIE
PDF 90kWORD 41k
Zie ook gezamenlijke ontwerpresolutie RC-B5-0710/2000
5 september 2000
PE 295.867
 
B5‑0751/2000
naar aanleiding van een verklaring van de Commissie
ingediend overeenkomstig artikel 37, lid 2 van het Reglement
door Elizabeth Montfort, Cristiana Muscardini, Nicole Thomas-Mauro en José Ribeiro e Castro,
namens de UEN-Fractie
over het klonen van mensen

Resolutie van het Europees Parlement over het klonen van mensen 
B5‑0751/2000

Het Europees Parlement,

-  gezien het besluit van de Britse regering om het klonen voor therapeutische doeleinden wettelijk toe te staan,

-  gezien het besluit van de Amerikaanse regering om het gebruik van embryo's voor onderzoeksdoeleinden toe te staan,

-  onder verwijzing naar zijn resoluties van 16 maart 1989 over genetische manipulatie(1) en kunstmatige in vivo en in vitro-bevruchting(2) en zijn resolutie van 12 maart 1997 over klonen(3),

-  gezien het Verdrag van de Raad van Europa ter bescherming van de rechten van de mens en de menselijke waardigheid bij toepassingen van de biologie en de geneeskunde(4) en zijn resolutie van 20 september 1996 over het ontwerpverdrag(5),

-  gezien de verklaring van de Commissie van 30 maart 2000 over het klonen van mensen,

-  onder verwijzing naar zijn resolutie van 30 maart 2000 over octrooi nr. EB 695351(6),

-  gezien de oproep van de Parlementaire Vergadering van de Raad van Europa van 29 juni 2000 die om een herziening verzoekt van richtlijn 98/44 waarin staat dat een gen gepatenteerd mag worden als het van het menselijk lichaam is geïsoleerd,

A.  overwegende dat het klonen en de octrooieerbaarheid van alles dat met de mens te maken heeft verboden moet blijven,

B.  overwegende dat een versoepeling van het verbod op het klonen van mensen in strijd is met de eerbiediging van het leven en de menselijke waardigheid,

C.  overwegende dat er geen enkel verschil bestaat tussen het klonen voor therapeutische doeleinden en het klonen voor reproductieve doeleinden,

D.  overwegende dat een nieuwe semantische strategie de morele betekenis van het klonen van mensen tracht af te zwakken,

E.  overwegende dat opheffing van het verbod over het algemeen omwille van het therapeutisch nut wordt toegestaan, maar dat dit het gebruik van menselijke embryo's voor het maken van organen niet kan rechtvaardigen,

F.  overwegende dat onderzoek naar celproductie op basis van gekloonde menselijke embryo's illegaal is vanuit het oogpunt van zowel de natuurwetten als de mensenrechten,

G.  overwegende dat deze maatregel moreel gezien niet coherent is omdat het manipuleren van een menselijk wezen in zijn eerste levensfasen om biologisch materiaal te verkrijgen waarmee nieuwe behandelmethoden kunnen worden uitgeprobeerd, en waarbij dit menselijk wezen wordt gedood, duidelijk en inhoudelijk in strijd is met het verkondigde doel om andere mensenlevens te redden,

H.  overwegende dat het, met het oog op hetgeen er voor de mens op het spel staat, belangrijk is dat genetisch onderzoek in goede banen wordt geleid en onder toezicht wordt geplaatst,

1.  wijst er nogmaals op dat onderzoek noch gewin zwaarder mogen wegen dan de menselijke waardigheid en wenst dat dit beginsel in het toekomstige Verdrag betreffende de Unie wordt opgenomen;

2.  verzoekt om een onmiddellijke toepassing van het voorzorgsbeginsel;

3.  verzoekt de Commissie en de Raad het juridisch vacuüm op te vullen omdat het therapeutisch klonen van embryo's door geen enkele communautaire regeling wordt gedekt;

4.  herhaalt zijn overtuiging dat het van essentieel belang is dat ethische normen worden geformuleerd die op de eerbiediging van de menselijke waardigheid op het gebied van de biotechnologie berusten;

5.  verzoekt de Europese Groep Ethiek bij haar advies dat zij binnenkort moet uitbrengen met deze nieuwe ontwikkelingen rekening te houden;

6.  verzoekt de bevoegde nationale en communautaire autoriteiten erop toe te zien dat de octrooieerbaarheid en het klonen van het menselijk lichaam verboden blijven en hiertoe maatregelen te treffen;

7.  verzoekt de Raad het initiatief te nemen tot het sluiten van een internationaal verdrag over het gebruik van levende cellen;

8.  verzoekt de wetenschapswereld naar middelen te zoeken om het aantal overtollige embryo's te verminderen en meer onderzoek te doen naar de manier om gedifferentieerde stamcellen voor therapeutische doeleinden te verkrijgen, met name uit volgroeide organen;

9.  verzoekt de Conventie die belast is met het opstellen van het Handvest van de fundamentele rechten dit verbod te bekrachtigen door de precieze formulering van het Parlement en de Raad van de Europese Unie in de richtlijn betreffende de octrooieerbaarheid van biologische ontdekkingen over te nemen;

10.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de regeringen van de lidstaten en de Commissie.

(1) PB C 96 van 17.4.1989, blz. 165.
(2) PB C 96 van 17.4.1989, blz. 171.
(3) Notulen van deze datum, deel II, punt 9.
(4) Document DIR/JUR(96)14 van het juridisch directoraat van de Raad van Europa.
(5) PB C 320 van 28.10.1996, blz. 268.
(6) Aangenomen tekst van deze datum, punt 9.

Juridische mededeling - Privacybeleid