Ontwerpresolutie - B6-0272/2005Ontwerpresolutie
B6-0272/2005

ONTWERPRESOLUTIE

20.4.2005

ter afsluiting van het debat over de verklaring van de Commissie
ingediend overeenkomstig artikel 103, lid 2 van het Reglement
door Jaime Mayor Oreja, Ewa Klamt en Livia Jároká
namens de PPE-DE-Fractie
over de situatie van de Roma in Europa ter gelegenheid van de Internationale dag van de Roma

Procedure : 2005/2535(RSP)
Stadium plenaire behandeling
Documentencyclus :  
B6-0272/2005
Ingediende teksten :
B6-0272/2005
Aangenomen teksten :

B6‑0272

Resolutie van het Europees Parlement over de situatie van de Roma in Europa ter gelegenheid van de Internationale dag van de Roma

Het Europees Parlement,

– gezien de viering van de Internationale Dag van de Roma op 8 april 2005[1],

– gelet op het Grondwettelijk Verdrag dat op 29 oktober 2004 werd ondertekend door de staatshoofden en regeringsleiders en in het tweede deel waarvan het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie is opgenomen,

– gelet op de artikelen 3, 6, 7, 29 en 149 van het EG-Verdrag, die de lidstaten ertoe verplichten zorg te dragen voor gelijke kansen voor alle burgers,

– gelet op artikel 13 van het Verdrag van Amsterdam wat het de Europese Gemeenschap mogelijk maakt om passende maatregelen te treffen ter bestrijding van discriminatie op grond van etnische afkomst of ras,

– gezien Richtlijn 2000/43/EG (gelijke behandeling ongeacht ras), die discriminatie op etnische gronden verbiedt,

– gelet op artikel 4 van het Kaderverdrag van de Raad van Europa inzake nationale minderheden en het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden,

– gelet op artikel 3 van Aanbeveling 1557/2002 van het Ministerscomité van de Raad van Europa, waarin onderstreept wordt dat de Roma op grote schaal worden gediscrimineerd en dat het monitoringsysteem voor deze discriminatie moet worden versterkt,

– gezien het in 1999 op de Top van Tampere goedgekeurde document van de Europese Unie (COCEN-groep) getiteld "Situatie van de Roma in de kandidaat-landen", waarin wordt gesteld dat de mensen sterker bewust moeten worden gemaakt van het racisme en de discriminatie waarmee de Roma worden geconfronteerd,

– gelet op aanbeveling 1557 van de Raad van Europa over de rechtspositie van de Roma in Europa, die in 2002 werd goedgekeurd en waarin de noodzaak wordt beklemtoond om een oplossing te vinden voor de rechtspositie van de Roma[2],

– gezien het VN-verdrag tegen foltering en andere wrede, onmenselijke en onterende behandeling of bestraffing van 10 december 1984,

– gezien Richtlijn 2000/78/EG van 27 november 2000 tot instelling van een algemeen kader voor gelijke behandeling in arbeid en beroep,

– gelet op het Handvest van Europese partijen voor een niet-racistische samenleving[3],

– gezien de instelling van een groep van Commissieleden die verantwoordelijk zijn voor grondrechten, antidiscriminatie en gelijke kansen, en in afwachting van de agenda van deze groep[4],

– gezien op Verordening (EG) nr. 1035/1997 van de Raad houdende oprichting van een Europees Waarnemingscentrum voor racisme en vreemdelingenhaat en gezien de jaarverslagen en thematische verslagen van dit centrum over racisme in de EU en het Groenboek van de Commissie over gelijkheid en non-discriminatie in een uitgebreide Europese Unie (COM(2004)0379),

– gezien het onlangs door de Commissie gepubliceerde rapport waarin de aandacht wordt gevestigd op de zeer verontrustende omvang van de vijandige gezindheid jegens en de mensenrechtschendingen ten koste van de Roma, zigeuners en reizigers in Europa[5],

– gezien het verslag over de bescherming van minderheden en antidiscriminatiebeleid, dat momenteel in behandeling is in de Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken (2005/2008(INI)), en de resolutie van het Europees Parlement van 27 januari 2005 over de holocaust, antisemitisme en racisme (RSP/2004/2634),

– gelet op de internationale rechtsinstrumenten, zoals het Comité van de Verenigde Naties voor de uitbanning van rassendiscriminatie (artikel 27, "discriminatie van Roma") en Algemene aanbeveling nr. 3: "Bestrijding van racisme en onverdraagzaamheden tegen Roma en zigeuners" van de Europese Commissie tegen racisme en onverdraagzaamheid (ECRI)[6],

– gelet op artikel 103, lid 2 van zijn Reglement,

A. overwegende dat 8 april is aangewezen als Internationale Dag van de Roma en beschouwd wordt als een jaarlijkse dag van herdenking voor de Roma en een gelegenheid om de aandacht te vestigen op de grootste etnische minderheid in Europa en op de mate waarin zij maatschappelijk is uitgesloten,

B. overwegende dat de 7 tot 9 miljoen Roma in de Europese Unie vaak het slachtoffer zijn van rassendiscriminatie en ernstige structurele discriminatie, diepe armoede en vergaande maatschappelijke uitsluiting,

C. overwegende dat met name Roma-vrouwen te maken hebben met vele vormen van discriminatie, bijvoorbeeld op grond van geslacht, leeftijd en handicap,

D. overwegende dat spoedig een eind moet worden gemaakt aan het voortdurend virulent racisme en de rassendiscriminatie ten aanzien van de Roma en voorts dat iedere vorm van straffeloosheid voor misdaden die voortvloeien uit zigeunerhaat en Romafobie bijdraagt aan de verzwakking van de rechtsstaat en de democratie en een aansporing vormt voor herhaling van dergelijke misdaden, en dringt aan op krachtig optreden voor de uitbanning ervan,

E. overwegende dat het uitblijven, met name bij overheden, van de bestrijding van rassendiscriminatie en vreemdelingenhaat tegen de Roma, een factor is die bijdraagt aan het voortduren van de problemen in de maatschappij,

F. overwegende dat de Roma-gemeenschap nog niet in alle lidstaten wordt beschouwd als een etnische of nationale minderheidsgroep en derhalve niet in alle betrokken landen de rechten geniet die bij deze status behoren,

G. overwegende dat vele lidstaten Richtlijn 2000/43/EG[7] weliswaar snel in nationale wetgeving hebben omgezet, maar dat een aantal dit niet, dan wel onvolledig of onjuist hebben gedaan,

H. overwegende dat de massamoord op de Roma volledige erkenning verdient, zodat recht wordt gedaan aan de ernst van de nazi-misdaden die gericht waren op de fysieke uitroeiing van de Roma in Europa,

I. overwegende dat de Roma nog altijd ondervertegenwoordigd zijn in overheden en bestuurlijke organen in lidstaten en kandidaat-lidstaten waar zij een aanzienlijk deel van de bevolking vormen; en dat de overheden toegezegd hebben het aantal Roma in besluitvormingsstructuren uit te breiden, maar tot dusverre weinig vorderingen hebben gemaakt,

J. overwegende dat Roma in de gezondheidszorg en de sociale zekerheid vaak worden gediscrimineerd en dat op kraamafdelingen gevallen van segregatie zijn voorgekomen en dat Roma-vrouwen zonder hun toestemming zijn gesteriliseerd,

K. overwegende dat op grote schaal sprake is van ongezonde leefomstandigheden die niet aan de vereiste normen voldoen en van gettovorming, en dat Roma geregeld wordt verhinderd uit dergelijke wijken te verhuizen,

L. overwegende dat in diverse lidstaten een onderwijsstelsel bestaat waarin raciale segregatie wordt toegepast, zodat Roma-kinderen in aparte klassen worden onderwezen waarvoor lagere normen worden gehanteerd, dan wel in klassen voor geestelijk gehandicapten,

M. overwegende dat de werkloosheid onder de Roma gemiddeld op een onaanvaardbaar hoog niveau van 70% ligt, wat bijzondere maatregelen vereist om de toegang tot de arbeidsmarkt te vergemakkelijken,

N. overwegende dat in de meeste lidstaten en kandidaat-lidstaten de Roma nog altijd ondervertegenwoordigd zijn in de programmering van de populaire media, die gelijktijdig in actualiteiten op radio en televisie het negatieve beeld van de Roma-burger versterken,

O. overwegende dat degenen die een zigeunervijandige en Roma-fobe houding aannemen, misbruik maken van de nieuwe communicatietechnieken, zoals Internet, om hun verwerpelijke opvattingen te verspreiden, maar dat de toepassing van dergelijke technologieën ook een bijdrage kan leveren aan de bestrijding van Roma-haat,

1. is ingenomen met de recente verklaring van de voorzitter Barroso van de Commissie over het belang van de uitbanning van discriminatie van de Roma en de rol die de Lissabon-strategie kan spelen bij het verbeteren van de kansen voor de Roma[8] en dringt er bij het Europees Parlement, de Raad, de Commissie, de lidstaten en de kandidaat-lidstaten op aan publiekelijk stappen te nemen ter bestrijding van zigeunerhaat/Romafobie in welke vorm dan ook, op lokaal, nationaal, regionaal of EU-niveau;

2. dringt er bij de Commissie op aan de bestrijding van de Roma-haat in geheel Europa op te nemen in haar prioriteiten voor het Europees Jaar van gelijke kansen voor allen in 2007 en dringt er bij de politiek en het maatschappelijk middenveld op alle niveaus op aan er geen twijfel over te laten bestaan dat rassenhaat tegen Roma in de Europese samenleving nooit kan worden geaccepteerd;

3. dringt er bij de Commissie op aan er in het kader van de beleidseisen in de criteria van Kopenhagen voor te zorgen dat kandidaat-lidstaten zich concrete inspanningen getroosten ter versterking van de rechtsstaat en bescherming van mensenrechten en minderheidsrechten, met name die van de Roma-bevolking;

4. dringt er bij de lidstaten op aan spoedig Richtlijn 43/2000/EG[9] in nationale wetgeving om te zetten en dringt er bij de landen waartegen thans een "non-communicatie"-inbreukprocedure is ingeleid, op aan hun traagheid te overwinnen;

5. doet een beroep op de lidstaten tot strengere nationale wetgeving en bestuurlijke maatregelen die nadrukkelijk en specifiek zigeunerhaat en Roma-fobie tegengaan, en rassendiscriminatie en daarmee samenhangende onverdraagzaamheid, zowel direct als indirect, in alle sferen van het openbare leven verbieden;

6. dringt er bij de lidstaten op aan adequaat op te treden voor de uitbanning van rassenhaat, tegen het aanzetten tot discriminatie van en tot geweld tegen Roma in de media en in welke vorm van communicatietechnologie ook en doet een beroep op de populaire media beste praktijken in te stellen voor de aanwerving van personeel dat een afspiegeling is van de bevolkingssamenstelling en hierbij voort te borduren op al bestaande beste praktijken[10];

7. dringt er bij alle lidstaten op aan positieve actie te voeren om Roma toegang tot de arbeidsmarkt te verschaffen en een grotere baangarantie te bieden;

8. dringt er bij de lidstaten die Roma-kinderen op aparte scholen voor geestelijk gehandicapten plaatsen of in klassen waar ze gescheiden zijn van hun leeftijdgenoten, op aan om desegregatieprogramma's voor een bepaalde periode te ontwikkelen en op die wijze vrije toegang tot goed onderwijs te garanderen voor Roma-kinderen en het ontstaan van anti-Roma-gevoelens onder schoolkinderen te voorkomen;

9. dringt er bij het Europees Parlement op aan zijn resolutie uit 1989 over het onderwijs aan kinderen van Roma, Sinti en reizenden aan te passen en nieuw leven in te blazen en voorrang te geven aan de toegang van alle Roma-kinderen tot de belangrijkste onderwijsvormen en dringt er voorts bij de lidstaten op aan het behoud van de Roma-taal en van hun cultureel erfdeel te ondersteunen, om op die wijze hun cultuur en zelfbeeld te versterken en in het lesprogramma op de belangrijkste onderwijsinstellingen voorlichting over de nationale Roma-bevolking op te nemen;

10. dringt er bij de lidstaten en de kandidaat-lidstaten op aan speciale beurzen en scholingsprogramma's in het leven te roepen voor achtergestelde studenten om een bijdrage te leveren aan de herleving van een Roma-middenklasse;

11. doet een beroep op de lidstaten maatregelen te nemen voor een onbelemmerde toegang van Roma tot de gezondheidszorg en de socialezekerheidsvoorzieningen en een einde te maken aan discriminatie van de Roma op deze terreinen;

12. doet een beroep op de lidstaten, waarvan is vastgesteld dat Roma-vrouwen er zonder hun toestemming worden gesteriliseerd, hun rechtshandhaving te coördineren en een einde te maken aan dergelijke praktijken;

13. is van mening dat de gettovorming die thans in Europa plaatsvindt, onaanvaardbaar is en dringt er bij de lidstaten op aan concrete stappen te ondernemen om deze tendens te keren en discriminerende praktijken te bestrijden door het bieden van huisvesting en leden van de Roma-gemeenschap te helpen bij het vinden van een andere, gezonde woonomgeving;

14. dringt er bij overheden in regio's met een omvangrijke Roma-bevolking op aan verdere stappen te nemen voor het opnemen van Roma-ambtenaren in alle bestuurlijke geledingen en op alle besluitvormingsniveaus, in overeenstemming met eerdere toezeggingen en de nodige middelen vrij te maken voor de concrete uitvoering van dergelijke plannen;

15. doet een beroep op de Commissie nationale regeringen in het openbaar aan te moedigen om bij de financiering van op de Roma gerichte programma's, leden van de Roma-gemeenschap in ruime mate te betrekken bij ontwerp en tenuitvoerlegging van deze projecten en bij het toezicht erop;

16. dringt bij de politieke partijen op nationaal en Europees niveau aan op herijking van hun partijstructuren en -procedures om alle hindernissen weg te nemen die direct of indirect de participatie van Roma in de weg staan en een beleid te voeren dat gericht is op de volledige integratie van de Roma in de belangrijkste onderdelen van hun politieke en maatschappelijke programma;

17. dringt er bij de lidstaten op aan steun te verlenen aan initiatieven die gericht zijn op de versterking van het zelfbeeld van de Roma en hun actieve deelname aan het openbaar en maatschappelijk leven en die de maatschappelijke organisaties van de Roma een stem geven;

18. verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie en de regeringen en de parlementen van de lidstaten en de kandidaat-lidstaten.