ONTWERPRESOLUTIE
16.3.2006
ingediend overeenkomstig artikel 108, lid 5 van het Reglement
door Miguel Angel Martínez Martínez, Margrietus van den Berg, Glenys Kinnock en María Elena Valenciano Martínez-Orozco
namens de PSE-Fractie
over de herziening van de Overeenkomst van Cotonou en de vaststelling van het budget voor het 10de EOF - Commissie ontwikkelingssamenwerking
B6‑0200
Resolutie van het Europees Parlement over de herziening van de Overeenkomst van Cotonou en de vaststelling van het budget voor het 10de EOF - Commissie ontwikkelingssamenwerking
Het Europees Parlement,
– gezien de op 24 juni 2005 in Luxemburg ondertekende aanpassingen in de partnerschapsovereenkomst ACS/EU, en met name Bijlage I bis daarvan betreffende het 'meerjarig samenwerkingskader voor de herziene Overeenkomst van Cotonou',
– gezien de mededeling van de Commissie "Naar de volledige integratie van de samenwerking met de ACS-landen in de EU-begroting" (COM(2003)590),
– gezien de conclusies van de Europese Raad van 15/16 december 2005, en met name punt 70 en bijlage II daarvan betreffende de respectieve bijdragen van de lidstaten voor de ACS,
– onder verwijzing naar zijn eerdere resoluties over de opname van het Europees Ontwikkelingsfonds in de EU-begroting van 1 april 2004, over beleidsuitdagingen en begrotingsmiddelen in de uitgebreide Unie 2007-2013 van 8 juni 2005, en over een ontwikkelingsstrategie voor Afrika van 17 november 2005,
– gezien de in 2005 door de lidstaten gedane toezeggingen, met name dat:
- -de EU en haar lidstaten het door de VN vastgestelde streefcijfer van 0,70% van het BNI van de EU tegen 2015 zal halen, waardoor de bijdrage van de EU aan de Millenniumdoelstellingen voor ontwikkeling van 33 miljard EUR in 2003 tegen 2015 zal oplopen tot meer dan 84 miljard EUR (Europese Raad, juni 2005);
- -de EU tegen 2010 een tussentijds streefcijfer van 0,56% zal bereiken, waardoor de officiële ontwikkelingshulp van de EU tegen die tijd zal oplopen tot 67 miljard EUR (Top EU-Raad, juni 2005);
- -de EU en andere donoren hun hulp aan Afrika zullen verdubbelen en dat Afrika derhalve tegen 2010 kan rekenen op 25 miljard USD aan officiële ontwikkelingshulp[1] (G8-Top, juli 2005);
– gelet op artikel 108, lid 5 van zijn Reglement,
A. overwegende dat Bijlage I bis bij de herziene Overeenkomst van Cotonou bepaalt dat "de Europese Unie voor deze nieuwe periode haar steuninspanningen ten gunste van de ACS-staten handhaaft op tenminste hetzelfde peil als dat van het 9e EOF, resterende bedragen van eerdere fondsen niet inbegrepen; hieraan worden toegevoegd, op basis van de schattingen van de Gemeenschap: het effect van de inflatie, de groei in de Europese Unie en de uitbreiding met tien nieuwe lidstaten in 2004",
B. overwegende dat de Commissie voor het 10de EOF voor de periode 2008-2013 (6 jaar) aanvankelijk weliswaar een bedrag van 24,948 miljard EUR had berekend, maar dat de Europese Raad het tijdens zijn zitting te Brussel op 15/16 december 2005 slechts eens kon worden over een bedrag van 22,682 miljard EUR,
C. overwegende dat deze verlaging met 2 miljard EUR in strijd is met de toezeggingen die de Unie met betrekking tot Bijlage I bis van de herziene Overeenkomst van Cotonou had gedaan, en niet strookt met de talloze politieke beloftes die in 2005 zijn gedaan voor een substantiële verhoging van de ontwikkelingshulp,
D. overwegende dat de ACS-landen niet zouden hebben ingestemd met een herziening van de Overeenkomst van Cotonou zonder dat daarin ook Bijlage I betreffende de financiering was opgenomen, en dat de lidstaten van de EU hun toezeggingen derhalve ook niet hoeven na te komen,
E. overwegende dat de uitbreiding van de EU met Roemenië en Bulgarije is gepland voor 2007,
F. overwegende dat ook Oost-Timor op 15 december 2005 tot de Overeenkomst van Cotonou is toegetreden,
G. in overweging van de bezorgdheid die door de LGO's is uitgesproken over het feit dat zij van deelneming aan het 10de EOF zijn uitgesloten en van de onzekerheid die heerst omtrent de samenwerking tussen de LGO's en de EU,
H. overwegende dat uitroeiing van armoede, duurzame ontwikkeling en de geleidelijke integratie van de ACS-landen in de wereldeconomie tot de primaire doelstellingen van de Overeenkomst van Cotonou behoren; voorts overwegende dat alle ACS- en EU-landen zich hebben vastgelegd op het realiseren van de Millenniumdoelstellingen voor ontwikkeling,
I. overwegende dat de politieke dialoog in de herziene Overeenkomst van Cotonou een belangrijker plaats inneemt en dat ontwikkeling ook ten gunste moet gaan van de eerbiediging van de mensenrechten en duurzame ontwikkeling,
1. betreurt dat het totale budget dat de Europese Raad voor het 10de EOF wil uittrekken onder het oorspronkelijk door de Commissie becijferde bedrag uitkomt;
2. betreurt dat de talloze politieke toezeggingen die in 2005 voor substantiële verhogingen van de officiële ontwikkelingshulp (ODA) zijn gedaan, niet zijn omgezet in een even substantiële verhoging van de bijdragen van de lidstaten aan het EOF; wijst er met nadruk op dat het voor het 10de EOF voorgestelde bedrag zou neerkomen op slechts 0,028% van het BBP van de lidstaten;
3. betreurt dat de lidstaten enerzijds hebben toegezegd de ontwikkelingshulp te zullen verhogen, maar dat anderzijds, indien het 10de EOF op het niveau blijft hangen dat door de Europese Raad is vastgesteld, de totale percentages aan officiële ontwikkelingshulp die door de Commissie worden beheerd tegen 2015 van 19% zullen zijn teruggelopen tot nauwelijks meer dan 14%, hetgeen in feite neerkomt op hernationalisatie van het ontwikkelingsbeleid;
4. roept de lidstaten op zich te beraden op een significante verhoging van hun bijdragen aan het 10de EOF;
5. roept de Raad en de Commissie op nader aan te geven hoe de ontwikkelingsdimensie van de economische partnerschapsovereenkomsten waarover momenteel wordt onderhandeld, zal worden gefinancierd; onderstreept dat eventuele financieringen in deze sfeer afkomstig moeten zijn uit nieuwe, aanvullende middelen, die niet ten koste mogen gaan van de lopende EOF-verplichtingen welke zijn aangegaan met het oog op de vervulling van de Millenniumdoelstellingen voor ontwikkeling;
6. verzoekt de Raad met nadruk nieuwe extra middelen beschikbaar te stellen voor zgn. "hulp-voor-handelsprogramma's" en dringt erop aan dat dergelijke programma's niet ten koste mogen gaan van gelden die reeds waren bestemd voor andere ontwikkelingsinitiatieven, zoals de Millenniumdoelstellingen voor ontwikkeling;
7. verzoekt de Raad erop toe te zien dat de bijdragen van Roemenië en Bulgarije voor het 10de EOF als additionele steun worden aangemerkt van zodra zij tot de EU zijn toegetreden;
8. roept de Raad ertoe op rekening te houden met de toetreding van Oost-Timor tot de partnerschapsovereenkomst en erop toe te zien dat steun die voor dit nieuwe land is bedoeld ondubbelzinnig als additionele steun wordt aangemerkt volgens de regeling als omschreven in Bijlage I bis van de herziene Overeenkomst van Cotonou;
9. roept de Raad en de Commissie ertoe op zo spoedig mogelijk duidelijkheid te scheppen in de problematiek van de toekomstige financiering van de samenwerking met LGO's;
10. dringt er bij de Raad en de Commissie op aan duidelijkheid te brengen in de toekomstige financiering van de Afrikaanse Unie, o.a. ook in de omvang van de financiële steun die afkomstig moet zijn uit het MEDA-programma;
11. brengt in herinnering dat alle EOF-uitgaven moeten voldoen aan de criteria om in aanmerking te komen voor officiële ontwikkelingshulp, zoals die zijn gedefinieerd door de Commissie voor ontwikkelingsbijstand van de OESO;
12. dringt er bij de Commissie op aan sturing te geven aan de coördinatie tussen de lidstaten met het oog op de verbetering van de efficiency van zowel in EU- als in bilateraal verband verleende ontwikkelingssteun;
13. verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad van de Europese Unie, de EU-lidstaten en -regeringsleiders, de regeringen van de ACS-landen en de Europese Commissie.
- [1] Dit komt in vergelijking met 2004 neer op een verdubbeling van de verstrekte hulp.