ONTWERPRESOLUTIE
15.3.2006
ingediend overeenkomstig artikel 108, lid 5 van het Reglement
door Robert Goebbels, Pasqualina Napoletano, Reino Paasilinna, Hannes Swoboda, Jan Marinus Wiersma, Mechtild Rothe
namens de PSE-Fractie
over de veiligheid van de energievoorziening in de Europese Unie
B6‑0202/2006
Resolutie van het Europees Parlement over de veiligheid van de energievoorziening in de Europese Unie
Het Europees Parlement,
– gelet op artikel 108, lid 5 van zijn Reglement,
A. overwegende dat de Commissie een Groenboek heeft gepubliceerd over
B. overwegende dat afhankelijkheid van geïmporteerde energie van de EU-25 48% (2002) bedraagt en volgens ramingen zou toenemen tot 71% in 2030 indien er geen extra maatregelen worden genomen, en overwegende dat de veiligheid van de levering een van de belangrijkste voorwaarden voor de veiligheid van de energievoorziening is,
C. overwegende dat het primaire energiegebruik in de EU-25 in 2005 1700 miljoen ton aardolie-equivalent (Mtae) bedroeg, waarvan 38% afkomstig was van aardolie, 23% van gas, 18% kolen/vaste brandstoffen, 15% kernenergie en 6% hernieuwbare energiebronnen,
D. overwegende dat de bruto-elektriciteitsopwekking van de EU-25 voor 31% geschiedt met kernenergie, 25% met vaste brandstof (voornamelijk kolen), 18% gas, 14% hernieuwbare energiebronnen en 5% aardolie,
E. overwegende dat 77% van de EU-vraag naar aardolie, 51% van de vraag naar gas en bijna 100% van de vraag naar uranium en uraniumproducten door invoer wordt gedekt, overwegende dat de EU-15 voor 31% van de aardolie invoer afhankelijk is van landen in het Midden Oosten, dat 30% van de ingevoerde aardgas en 28% van de in gevoerde olie uit Rusland komt en 22% van de ingevoerde aardgas uit Algerije,
F. overwegende dat in Europa in 2004 59% van de aardolie door de vervoersector werd verbruikt, en 17% werd gebruikt in gebouwen, 16% voor andere doelen dan energiegebruik en 8% door de industrie; overwegende dat de vraag naar energie in de vervoersector naar verwachting tot 2030 nog eens met tenminste 30% zal toenemen, met een stijging van 5% per jaar voor het wegvervoer, waardoor de emissies en de afhankelijkheid van ingevoerde energie toenemen,
G. overwegende dat de vraag naar gas in de EU sterk is gestegen zowel in absolute termen als relatief vergeleken met andere brandstoffen, waarbij het marktaandeel steeg van 18% in 1993 tot 24% in 2003 en de verwachte stijging in 2020 27% bedraagt,
H. overwegende dat ongeveer 29% van het in 2004 in de EU-25 verbruikte aardgas voor elektriciteitsopwekking werd gebruikt, terwijl de resterende 71% naar andere doeleinden dan de productie van elektriciteit (industrie, woningen, enz.) ging,
I. overwegende dat het definitieve energiegebruik in de EU-25 in 2004 voor 28% voor rekening van de industrie kwam, 31% voor het vervoer en 41% er voor de bouw met de grootste stijging van het verbruik in de vervoersector,
J. overwegende dat er drie belangrijke doelstellingen voor het energiebeleid van de EU zijn: veiligheid van de energievoorziening, concurrentievermogen en bescherming van het milieu,
K. overwegende dat de EU streefcijfers heeft vastgesteld voor de verhoging van het aandeel van hernieuwbare energie in het totale energieverbruik van 12% en van 22,1% voor elektriciteit en van 5,75% voor brandstof in 2010, voorts overwegende dat deze streefcijfers alleen kunnen worden gehaald als alle lidstaten hun beleid dienovereenkomstig aanpassen,
L. overwegende dat energie een vitale hulpbron is voor economische groei, werkgelegenheid en maatschappelijke ontwikkeling en dat verstoringen van de energievoorziening tot instabiliteit kunnen leiden en de vrede in gevaar kunnen brengen,
M. overwegende dat de recente politieke conflicten over de levering en de prijs van aardgas tussen Rusland en de Russische onderneming Gazprom enerzijds en de Oekraïne en Moldavië anderzijds opnieuw hebben aangetoond hoe vatbaar voor politieke inmenging de veiligheid van de energievoorziening en -distributie is,
1. is verheugd over het Groenboek van de Commissie over "Een Europese strategie voor duurzame, concurrerende en continu geleverde energie voor Europa"; merkt echter op dat het Groenboek geen nieuwe streefcijfers voorstelt of concrete voorstellen doet als reactie op de recente oproepen om een Gemeenschappelijk Energiebeleid; verzoekt de Commissie en de Raad om te zorgen voor een snel politiek besluitvormingsproces om zo spoedig mogelijk te komen tot een ambitieuzer Europees energiebeleid dat een concreet actieplan omvat; merkt op dat er in het Groenboek niets staat over vitale sectoren die sterk van ingevoerde energiebronnen afhankelijk zijn, met name het vervoer en de luchtvaart; meent dat het Groenboek op het gebied van het vervoer minder ambitieus is dan het verslag van Commissie inzake CARS-21;
2. beklemtoont dat een essentieel onderdeel van een gemeenschappelijk energiebeleid verstrekte solidariteit tussen de lidstaten bij verstoringen van de aanvoer van olie en gas moet zijn; meent voorts dat een dergelijke versterkte solidariteit de EU ook meer mogelijkheden zal geven om bij energiekwesties in internationaal verband voor haar gemeenschappelijk belang op te komen;
3. merkt op dat het Groenboek geen nieuwe toezeggingen op lange termijn voorstelt om de afhankelijkheid van geïmporteerde koolwaterstoffen weg te nemen;
4. beklemtoont het buitengewone belang van hernieuwbare energiebronnen en een zuinig energiegebruik voor een Europees beleid inzake de toekomstige energievoorziening; verzoekt daarom de Commissie en de Raad om te komen met nieuwe en ambitieuze streefcijfers en maatregelen op dit terrein ten einde een snellere ontwikkeling in alle lidstaten te garanderen; dringt aan op een richtlijn inzake verwarming en de koeling met behulp van hernieuwbare energiebronnen zoals door het Europees Parlement besloten om te zorgen dat er meer hernieuwbare energie voor de sector verwarming op de markt komt;
5. verzoekt de EU om het initiatief te nemen voor het opzetten van een bredere samenwerking met alle grote aardolie- en gasverbruikende landen, de VS, Japan en nieuwe grote economieën zoals India en China, om een alomvattende en mondiale strategie uit te stippelen voor het organiseren van de vraagzijde en om zich gezamenlijk in te spannen om een tegenwicht te bieden tegen het oligopolie aan de productiekant; dringt erop aan dat deze strategie ook energiebesparing en -efficiëntie en het gebruik van alternatieve energiebronnen moet bevorderen;
6. dringt aan op een Europese doelstelling om de EU voor 2020 tot de meest duurzame en energiezuinige economie in de wereld te maken;
7. beklemtoont dat er een strategie voor de toekomstige energievoorziening moet worden uitgestippeld, zowel in Europees verband als mondiaal, die - bij wijze van diversificatie van de aanvoer en van multilaterale samenwerking tussen verbruikende en producerende landen - een blijvende energievoorziening garandeert die niet verstoord wordt door politieke pressie;
8. verzoekt de Commissie en de Raad om een internationaal erkend systeem voor bemiddeling voor te stellen net als bij de Wereldhandelsorganisatie ingeval van conflicten en geschillen over de levering en distributie van energie; meent dat EU een dergelijk proces in gang kan zetten door een bemiddelingssysteem op te zetten zowel in het kader van het nabuurschapsbeleid als met andere belangrijke leverende landen en dit bemiddelingssysteem op mondiaal niveau actief kan bevorderen; dat de EU daarom een modelbenadering voor het internationaal beheer van de energiedistributie moet uitwerken;
9. beklemtoont dat een actief beleid ter ondersteuning van democratische hervormingen, de ontwikkeling van een civil society en sociale vooruitgang in de energieproducerende landen en landen met doorvoerfaciliteiten aanzienlijk zal bijdragen aan de politieke stabiliteit op lange termijn die nodig is voor de veiligheid van de energievoorziening en -distributie;
10. erkent het belang van goede politieke betrekkingen met de belangrijke partnerlanden van de EU die grote energieleveranciers zijn; steunt het initiatief van de Commissie jegens Rusland en dringt aan op spoedige ratificatie van het Energiehandvest; dringt er bovendien bij de EU op aan om altijd te wijzen op de belangrijke rol die de vraagzijde, energiebesparing en een efficiënt energiegebruik hebben als het om vermindering van de afhankelijkheid van energie gaat;
11. verzoekt de Commissie om, teneinde een in elk opzicht functionerende interne markt voor stroom en gas te scheppen, te zorgen voor strikte toepassing van de mededingingsregels om te zorgen voor een eerlijke en niet discriminerende concurrentie en om het ontstaan van oligopolistische energiemarkten te voorkomen;
12. merkt op dat in veel landen kernenergie een essentieel deel van de energiemix is, maar dat bij de vastbeslotenheid van sommige landen om kernenergie verder te ontwikkelen ook moet worden gekeken naar de nog altijd niet opgeloste kwestie van de veiligheid als het gaat om productie, gebruik en opslag van nucleair materiaal;
13. dringt erop aan dat er nieuwe strategieën moeten worden uitgestippeld om de mogelijkheden te verkleinen van het gebruik van uranium en kernafval voor de productie en proliferatie van kernwapens; dringt er derhalve bij de Commissie, de Raad en de lidstaten op aan om volledige steun te geven aan de voorstellen van de IAEA om de levering van splijtbaar materiaal voor productie van kernenergie op multilaterale leest te schoeien en om gebruik en opslag van al het gebruikte kernmateriaal onder internationaal toezicht te plaatsen;
14. beklemtoont dat meer investeringen in de aanleg van een grote pijpleidingennetwerk voor het vervoer van olie en gas gefinancierd door en in eigendom van de verbruikende landen eventueel ook op basis van gedeeld eigendom of via een publiek/particulier partnerschap, een essentiële bijdrage zullen leveren tot de veiligheid van de energievoorziening op lange termijn; verzoekt de Commissie en de lidstaten om een kader op te zetten ter stimulering van omvangrijke particuliere investeringen om aan de groeiende vraag naar energie te voldoen; acht het belangrijk dat de EU de uitbreiding van veilige energienetten bevordert, met name van pijpleidingsystemen voor olie en gas en havens voor vloeibaar aardgas (LNG);
15. verzoekt de Raad om het standpunt van het Parlement inzake de TENS-prioriteiten te aanvaarden om de ontbrekende schakels in het transeuropese energienetwerk (TENS) op te vullen om de veiligheid van de aanvoer te verzekeren en om de interne markt te voltooien door, waar nodig, specifieke projecten te steunen;
16. wijst op de noodzaak van concrete stappen met het oog op de diversificatie van de gas- en olielevering en om alle mogelijke middelen te onderzoeken om de mate van zelfvoorziening op energiegebied van de Europese Unie te verbeteren;
17. stelt voor dat de olie- en gasproducerende landen EU-energie-ondernemingen de vrije hand geven om te concurreren bij het verkrijgen van contracten teneinde te helpen om de energiereserves van de producerende landen open te stellen;
18. acht de mate van afhankelijkheid van aardolie en de afhankelijkheid van geïmporteerde olie een reden voor grote bezorgdheid; wijst erop dat deze afhankelijkheid in de vervoersector vrijwel volledig is en daarom bij voorrang moet worden aangepakt; merkt op dat de volatiliteit van de olie- en gasprijzen en de voorspelde prijsontwikkelingen die herhaaldelijk te laag zijn geschat, nu reeds belangrijke nadelige economische gevolgen hebben;
19. beklemtoont dat de EU moet profiteren van het omvangrijke potentieel voor het besparen van energie in alle sectoren, waaronder de vervoersector en de ontwikkeling van nieuwe, hernieuwbare energiebronnen en technologieën; merkt op dat hoewel de aardolie- en gasprijzen voortdurend stijgen, er indrukwekkende kostenbesparingen zijn bereikt met diverse technologische toepassingen van hernieuwbare energie;
20. erkent het toenemend belang van gas aangezien het aandeel in het totale energiegebruik stijgt naar 25% en wijst op de noodzaak van het gebruik van verschillende strategieën voor het veiligstellen van de gasvoorziening, zoals de inrichting van LNG-terminals, opslagfaciliteiten en aanleg van nieuwe pijpleidingen;
21. merkt op dat een gemeenschappelijk energiebeleid moet zijn gebaseerd op individuele en gedifferentieerde strategieën van de lidstaten voor het verminderen van de afhankelijkheid van olie en gas en dat dit beleid derhalve een aanvulling vormt van de nationale strategieën en de nationale maatregelen coördineert in plaats van vervangt;
22. bevestigt opnieuw de vrijheid van de lidstaten om hun eigen energiemix te kiezen; meent echter dat deze vrijheid ook de noodzaak van de EU als geheel moet respecteren om te komen tot een energiemix die meer en meer afkomstig is van veilige en milieuvriendelijke energiebronnen;
23. stemt in met de conclusie van de Commissie dat maatregelen voor het beheer van de vraag de hoogste prioriteit moeten krijgen ten einde de efficiency van het energiegebruik te verbeteren en d.m.v. besparing het energieverbruik te beperken; betreurt in dit verband ernstig het uitstel bij de indiening van voorstellen voor de vervoersector; wijst op de potentiële economische besparing van minimaal 20% van het energieverbruik en meent dat dit potentieel toeneemt met de stijging van de energieprijzen, technologische verbeteringen en besparing door schaalvergroting;
24. merkt op dat vrijwillige overeenkomsten ook nuttig kunnen zijn voor versterkte inspanningen van aardolie- en gasbedrijven op het gebied van onderzoek naar en ontwikkeling van nieuwe technologie op het gebied van energie, een en ander in het kader van het maatschappelijk verantwoord ondernemen;
25. acht het belangrijk dat de mogelijkheid blijft bestaan voor financiering door het voorgestelde Europees Fonds voor Regionale Ontwikkeling 2007-2013 van energie investeringen, waaronder verbeteringen van TEN's, milieu-overwegingen, verbetering van de energie-efficiency, ontwikkeling van hernieuwbare vormen van energie en ontwikkeling van systemen voor energiebeheer;
26. beklemtoont het strategisch belang van hernieuwbare energie en energie-efficiency binnen een aantal beleidsterreinen van de EU en bij internationale betrekkingen, met name ontwikkelingssamenwerking, en bevestigt het belang van samenwerking tussen de Euro-Med-landen om te komen tot een groter gebruik van hernieuwbare energie;
27. erkent het grote potentieel voor meer werkgelegenheid en voor verkoop van apparatuur en systemen, zowel in de EU als daarbuiten, van investeringen in milieuvriendelijke energietechnologie;
28. erkent het belang van meer investeringen in O&O en nieuwe capaciteit voor opwekking van elektriciteit voor de verkoop van apparatuur en systemen, zowel in de EU als mondiaal en daarmee ook voor economische groei en werkgelegenheid;
29. verzoekt de Commissie om te zorgen dat de lidstaten hun toezeggingen nakomen en volledig uitvoering geven aan alle bestaande energierichtlijnen; merkt op dat door volledige tenuitvoerlegging van reeds door de EU geformuleerde maatregelen een potentiële energiebesparing van 10% haalbaar is in de sectoren bouw, huishoudelijke apparaten, warmteproductie en vervoer;
30. verzoekt de Commissie om samen met de lidstaten het risico van versterkte maatschappelijke uitsluiting tegen te gaan en de negatieve gevolgen van de gestegen energieprijzen voor de meest kwetsbare maatschappelijke groepen te beperken;
31. verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie en de regeringen en parlementen van de lidstaten van de EU.