Ontwerpresolutie - B6-0351/2006Ontwerpresolutie
B6-0351/2006

ONTWERPRESOLUTIE

12.6.2006

naar aanleiding van de verklaringen van de Raad en de Commissie
ingediend overeenkomstig artikel 103, lid 2 van het Reglement
door Pasqualina Napoletano, Catherine Trautmann, Carlos Carnero González en Alain Hutchinson,
namens de PSE-Fractie
over de mensenrechten in Tunesië

Procedure : 2006/2583(RSP)
Stadium plenaire behandeling
Documentencyclus :  
B6-0351/2006
Ingediende teksten :
B6-0351/2006
Aangenomen teksten :

B6‑0351/2006

Resolutie van het Europees Parlement over de mensenrechten in Tunesië

Het Europees Parlement,

–  onder verwijzing naar zijn eerdere resoluties over de situatie van de mensenrechten in Tunesië, in het bijzonder die welke op 29 september 2005 en 15 december 2005 zijn goedgekeurd,

–  gezien de Euromediterrane associatieovereenkomst tussen de Europese Unie en Tunesië, die op 1 maart 1998 in werking is getreden,

–  gezien de mededeling van de Commissie "Een nieuwe impuls voor EU-maatregelen inzake mensenrechten en democratisering met mediterrane partners", van mei 2003,

–  gezien de mededeling van de Commissie over de tiende verjaardag van het Euromediterrane partnerschap, een werkprogramma om de uitdagingen van de komende vijf jaar het hoofd te bieden, van april 2005,

–  gezien de mededeling van de Commissie over het Europese nabuurschapsbeleid van 12 mei 2004 en het actieplan EU-Tunesië, dat op 4 juli 2005 in werking is getreden,

–  gezien de richtsnoeren van de Raad over de bescherming van de mensenrechtenactivisten, goedgekeurd in juni 2004,

–  gezien zijn verslag over de mensenrechten- en democratieclausule in overeenkomsten van de Europese Unie, goedgekeurd op 16 februari 2006,

–  gezien de initiatieven van de opeenvolgende voorzitterschappen van de Europese Unie op het gebied van de mensenrechten in Tunesië tussen september 2005 en mei 2006,

–  gelet op het feit dat Tunesië sinds 1 april 2006 het voorzitterschap van de Euromediterrane Parlementaire Vergadering (EMPV) bekleedt,

–  gezien de bijeenkomst van de politieke commissie van de Euromediterrane Parlementaire Vergadering van 7 juni 2006,

–   gezien de verkiezing van Tunesië in de Raad voor de mensenrechten van de Verenigde Naties en de verplichtingen die het land is aangegaan op het gebied van de mensenrechten,

–  gelet op artikel 103, lid 2 van zijn Reglement,

A.  er met klem op wijzend dat de rechten van de mens een wezenlijk onderdeel vormen van de betrekkingen tussen de Europese Unie en Tunesië, overeenkomstig artikel 2 van de associatieovereenkomst EU-Tunesië en het actieplan van het Europese nabuurschapsbeleid,

B.  overwegende, in dat opzicht, dat Tunesië er zich in het kader van dat actieplan toe heeft verplicht de democratie en de eerbied voor de fundamentele vrijheden te bevorderen, overeenkomstig de internationale verdragen en dat het nakomen van deze verplichtingen een van de hoekstenen vormt van de verdere ontwikkeling van de betrekkingen tussen de Europese Unie en Tunesië,

C.  gezien de verklaringen van de fungerend voorzitter van de Raad en de voorzitter van de Europese Commissie tijdens het debat van 13 december 2005 over de mensenrechten in Tunesië, waarin zij gewag maken van ernstige inperkingen van de fundamentele vrijheden en met name van de vrijheid van meningsuiting en van vereniging, alsook van de onafhankelijkheid van de gerechtelijke macht in Tunesië,

D.  overwegende dat de Europese Commissie tijdens hetzelfde debat drie verzoeken heeft gericht tot de Tunesische autoriteiten met het oog op de onmiddellijke deblokkering van de Europese fondsen die zijn toegekend aan projecten van het maatschappelijke middenveld, de tenuitvoerlegging van het programma tot hervorming van het rechtswezen en de instelling van een subcommissie voor de rechten van de mens; overwegende dat de ondertekening van een overeenkomst inzake de financiering van de hervorming van het rechtswezen het enige resultaat is dat de Commissie uit de brand heeft kunnen slepen,

E.  overwegende in dat verband dat de wet tot instelling van een hoger instituut van de advocatuur, waarin deze overeenkomst voorzag, begin mei door het Tunesische parlement is goedgekeurd, weliswaar zonder rekening te houden met de resultaten van het overleg met de Orde van advocaten, en overwegende bijgevolg dat de uitvoerende macht controle blijft uitoefenen op de opleiding en de selectie van de toekomstige Tunesische advocaten; overwegende dat de Tunesische advocaten die opkomen voor een onafhankelijke justitie systematisch worden lastiggevallen en dat meester Abbou al meer dan een jaar in de gevangenis verblijft; overwegende dat, ondanks talrijke verzoeken, de speciale rapporteur van de Verenigde Naties voor de onafhankelijkheid van de rechters en de advocaten nog steeds geen uitnodiging heeft ontvangen van de Tunesische regering om een bezoek te brengen aan het land,

F.  ernstig bezorgd over het feit dat het Congres van de Tunesische Liga voor de rechten van de mens, dat voor 27 en 28 mei jl. was gepland, is verboden, alsook over het geweld tegen mensenrechtenactivisten en internationale waarnemers; erop wijzend dat de Tunesische Liga voor de rechten van de mens de eerste Arabische en Afrikaanse liga voor de rechten van de mens is, en één van de pijlers van het onafhankelijke maatschappelijke middenveld in Tunesië,

G.  overwegende dat de situatie van de rechten en de vrijheden in Tunesië bijzonder verontrustend is geworden en dat de initiatieven die de Raad en de Commissie tot nog toe hebben ontwikkeld hun limieten duidelijk hebben aangetoond; herinnerend in dat verband aan de verplichting die de Europese Unie is aangegaan om de richtsnoeren voor de bescherming van de mensenrechtenactivisten toe te passen en het feit dat de Europese Commissie zich ertoe heeft verbonden begin 2006 tezamen met de lidstaten de situatie van de mensenrechten in Tunesië opnieuw te evalueren en, bij gebrek aan vooruitgang, te besluiten of er al dan niet aanvullende maatregelen nodig zijn,

H.  overwegende dat Tunesië sinds 1 april 2006 het voorzitterschap van de Euromediterrane Parlementaire Vergadering (EMPV) bekleedt, hetgeen voor dat land een aanzienlijke verantwoordelijkheid inhoudt voor de bevordering van de democratie en de mensenrechten in het kader van het Euromediterrane partnerschap,

1.  herinnert eraan dat Tunesië en de Europese Unie sinds 1998 met elkaar zijn verbonden door een Euromediterrane associatieovereenkomst, waarvan artikel 2 een mensenrechtenclausule bevat, die een hoeksteen van deze overeenkomst vormt;

2.  betreurt de verslechtering van de situatie van de vrijheden en de mensenrechten in Tunesië en verzoekt de Tunesische autoriteiten zich strikt te houden aan hun internationale verplichtingen op het gebied van de eerbied voor de mensenrechten en de democratie;

3.  spreekt de wens uit dat het werk van de EMPV bevorderd wordt door een betere samenwerking van het Tunesische voorzitterschap op het gebied van de naleving van de rechten van de mens; rekent op gevoelige verbeteringen opdat in deze vergadering perfecte samenwerking mogelijk wordt, in het bijzonder wat de activiteiten van de EMPV in Tunesië zelf betreft;

4.  verzoekt het voorzitterschap van de Europese Unie een verklaring af te leggen over het verbieden van het Congres van de Tunesische Liga voor de rechten van de mens en het geweld tegen de Tunesische mensenrechtenactivisten en magistraten;

5.  hernieuwt zijn verzoek aan de Raad en de Commissie om een associatieraad bijeen te roepen voor een debat over de situatie van de mensrechten in Tunesië; wenst dat bij deze gelegenheid een bindend tijdschema wordt vastgelegd voor hervormingen in het kader van de tenuitvoerlegging van het actieplan dat door Tunesië en de EU is vastgesteld;

6.  verzoekt de Raad en de Commissie in dat verband zo spoedig mogelijk al het nodige te doen op er bij de Tunesische autoriteiten op aan te dringen dat de Europese middelen die zijn toegekend aan projecten van het maatschappelijk middenveld worden gedeblokkeerd, dat een eind wordt gemaakt aan de pesterijen en de intimidatie van de mensenrechtenactivisten en de leden van de Tunesische Liga voor de rechten van de mens, de magistraten en de advocaten, dat meester Abbou wordt vrijgelaten en dat de wet tot instelling van het Instituut voor de opleiding van advocaten wordt opgeschort en herzien;

7.  verzoekt de Europese Commissie alles in het werk te stellen opdat het project ter ondersteuning van de hervorming van het rechtswezen garanties biedt voor de onafhankelijkheid van de rechterlijke macht en de vrijheid van de magistraten; verzoekt Tunesische autoriteiten tezelfdertijd toestemming te verlenen voor het bezoek van de speciaal rapporteur van de Verenigde Naties voor de onafhankelijkheid van de rechters en de advocaten;

8.  dringt aan op het instellen en het bijeenroepen van een subcomité "Mensenrechten", als voorzien in het actieplan, met als doel het volgen en het evalueren van de tenuitvoerlegging van de hervormingen in Tunesië, die hoofdzakelijk betrekking hebben op de bevordering van de vrijheid van vereniging en van meningsuiting, de totstandbrenging van een onafhankelijke justitie en de volledige en onvoorwaardelijke samenwerking met de speciale organen van de Verenigde Naties;

9.  is van oordeel dat de tenuitvoerlegging van al deze hervormingen beschouwd moet worden als een van de prioriteiten van het partnerschap tussen de EU en Tunesië en een van de hoekstenen moet zijn van de verdere ontwikkeling van de betrekkingen tussen de Europese Unie en Tunesië; is in dat verband van mening dat, indien deze agenda niet wordt gerealiseerd, de Raad en de Commissie er consequenties uit moeten trekken voor de associatieovereenkomst;

10.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie, de regeringen en de parlementen van de lidstaten en de regering en het parlement van Tunesië.