ONTWERPRESOLUTIE
12.6.2006
ingediend overeenkomstig artikel 103, lid 2 van het Reglement
door Hélène Flautre, Raül Romeva i Rueda en Daniel Marc Cohn-Bendit
namens de Verts/ALE-Fractie
over de mensenrechtensituatie in Tunesië
B6‑0353/2006
Resolutie van het Europees Parlement over de mensenrechtensituatie in Tunesië
Het Europees Parlement,
– onder verwijzing naar zijn eerdere resoluties over de mensenrechtensituatie in Tunesië meer in het bijzonder die van 29 september 2005 en 15 december 2005,
– gelet op de Euromediterrane associatieovereenkomst tussen de Europese Unie en Tunesië die op 1 maart 1998 van kracht is geworden,
– gezien de mededeling van de Commissie "Een nieuwe impuls verlenen aan de activiteiten van de EU op het terrein van de mensenrechten en democratisering in samenwerking met de Europese partners" van mei 2003,
– gezien de mededeling van de Commissie over het tienjarig bestaan van het Euromediterraan partnerschap, een werkprogramma om de uitdagingen van de vijf komende jaren aan te kunnen, april 2005,
– gezien de mededeling van de Commissie over het Europees nabuurschapsbeleid van 12 mei 2004 en haar actieplan EU-Tunesië, in werking getreden op 4 juli 2005,
– gezien de richtlijnen van de Raad over de bescherming van de mensenrechtenactivisten, goedgekeurd in juni 2004,
– gezien zijn verslag over de mensenrechten en democratieclausule in de overeenkomsten van de Europese Unie, goedgekeurd op 16 februari 2006,
– gelet op de stappen van de voorzitterschappen van de Europese Unie inzake de mensenrechten in Tunesië, tussen september 2005 en mei 2006,
– gezien de benoeming van Tunesië tot voorzitter van de Euromediterrane Parlementaire Vergadering (APEM) per 1 april 2006,
– gezien de vergadering van de politieke commissie van de APEM op 7 juni 2006,
– gelet op artikel 103, lid 2 van zijn Reglement,
A. eraan herinnerend dat de mensenrechten een essentieel onderdeel vormen van de betrekkingen van de Europese Unie met Tunesië overeenkomstig artikel 2 van de associatieovereenkomst EU-Tunesië en het actieplan voor een Europees nabuurschapsbeleid,
B. er in dit verband aan herinnerend dat Tunesië in dit actieplan heeft toegezegd de democratie en eerbiediging van de fundamentele vrijheden te zullen bevorderen overeenkomstig de internationale conventies en dat de nakoming van deze beloften een fundamenteel element is van de ontwikkeling van de betrekkingen tussen de Europese Unie en Tunesië,
C. gelet op de verklaringen van het fungerend voorzitterschap van de Raad en van de Europese Commissie tijdens het debat van 13 december 2005 over de mensenrechten in Tunesië waarin wordt geconstateerd dat er ernstige beperkingen worden opgelegd aan de fundamentele vrijheden, in het bijzonder de vrijheid van meningsuiting en vergadering en de onafhankelijkheid van de rechterlijke macht in Tunesië,
D. herinnerend aan de drie verzoeken die de Commissie heeft ingediend bij de Tunesische autoriteiten op diezelfde datum, o.a. een onmiddellijk vrijgeven van de Europese gelden die bestemd zijn voor civil society-projecten, de uitvoering van het hervormingsprogramma van het rechtsstelsel en de instelling van een subcommissie mensenrechten; in dit verband constaterend dat het enige resultaat dat de Commissie heeft behaald, is geweest dat er een financieringsconventie is gesloten voor hervorming van de rechterlijke macht,
E. overwegende dat de wet tot instelling van een advocateninstituut, zoals voorzien in deze conventie, begin mei is goedgekeurd door het Tunesische parlement zonder dat de resultaten van het overleg met de orde van advocaten in overweging zijn genomen en daarmee de controle door de regering op het opleiden en de selectie van toekomstige Tunesische advocaten; eraan herinnerend dat Tunesische advocaten bijna stelselmatig worden bestookt wanneer zij zich inzetten voor onafhankelijkheid van de rechterlijke macht en dat Mr. Abbou al meer dan een jaar gevangen zit; constaterend dat ondanks herhaaldelijke verzoeken om hem te mogen bezoeken de speciale rapporteur van de Verenigde Naties voor de onafhankelijkheid van rechters en advocaten nog steeds geen uitnodiging heeft ontvangen van de Tunesische regering,
F. verontrust door het verbod van het Congres van de Tunesische Liga voor de mensenrechten (LTDH) dat gepland was voor 27 en 28 mei jl. en door het gebruik van geweld tegenover mensenrechtenactivisten en internationale waarnemers; er in dit verband op wijzend dat de LTDH, de eerste Arabische en Afrikaanse Liga voor de mensenrechten, een van de pijlers is van de onafhankelijke civil society in Tunesië,
G. overwegende dat de situatie van de mensenrechten in Tunesië buitengewoon zorgwekkend is geworden en dat de tot nog toe ondernomen pogingen van de Raad en de Commissie duidelijk hebben laten zien waar de grenzen liggen; in dit verband herinnerend aan de toezegging van de Europese Unie om richtlijnen toe te passen over bescherming van mensenrechtenactivisten en de toezegging van de Commissie om begin 2006 met de lidstaten de situatie van de mensenrechten in Tunesië opnieuw tegen het licht te houden en, wanneer er geen sprake is van vooruitgang, te besluiten of er aanvullende maatregelen moeten worden genomen,
H. overwegende dat Tunesië sedert 1 april 2006 het voorzitterschap bekleedt van de euromediterrane parlementaire vergadering (APEM) en dat dit voor het land een belangrijke verantwoordelijkheid met zich meebrengt om de democratie en de mensenrechten te bevorderen in het kader van het Euromediterraan partnerschap,
1. herinnert eraan dat Tunesië en de Europese Unie sinds 1998 met elkaar zijn verbonden door een euromediterrane associatieovereenkomst waarvan artikel 2 een mensenrechtenclausule bevat die een essentieel onderdeel vormt van deze overeenkomst;
2. betreurt de verslechtering van de vrijheden en mensenrechten in Tunesië en verzoekt de Tunesische autoriteiten zich strikt te houden aan hun internationale toezeggingen op het punt van eerbiediging van de mensenrechten en de democratie;
3. verzoekt het voorzitterschap van de Unie een openbare verklaring af te leggen over het verbod om het congres van de LTDH te houden en het gewelddadig optreden tegen mensenrechtenactivisten, advocaten en magistraten in Tunesië;
4. verzoekt de Raad en de Commissie nogmaals een associatieraad bijeen te roepen waar gesproken moet worden over de situatie van de mensenrechten in Tunesië; bepleit hiertoe het goedkeuren van een dwingend tijdschema voor hervormingen in het kader van de tenuitvoerlegging van het door Tunesië en de Europese Unie goedgekeurde actieplan;
5. verzoekt de Raad en de Commissie in dit verband om snel alle noodzakelijke maatregelen te nemen ten opzichte van de Tunesische autoriteiten opdat het Europees geld dat bestemd is voor civil society-projecten, wordt gedeblokkeerd, opdat de bestoking en intimidatie van mensenrechtenactivisten en de LTDH, de magistraten en de advocatuur worden beëindigd, opdat Mr. Abbou wordt vrijgelaten en opdat de wet tot instelling van een instituut voor opleiding van advocaten wordt opgeschort en herzien;
6. verzoekt de Commissie om met grote spoed het project te herzien voor steun aan de hervorming van de rechterlijke macht opdat de onafhankelijkheid van de rechterlijke macht wordt gewaarborgd en de advocaten en magistraten vrijheid van handelen krijgen; verzoekt tegelijkertijd de Tunesische autoriteiten toe te staan dat de speciale rapporteur van de Verenigde Naties zich op de hoogte kan komen stellen hoe het staat met de onafhankelijkheid van rechters en advocaten;
7. bepleit het oprichten en handhaven van een subcommissie "mensenrechten", zoals voorzien in het actieplan, om de doorvoering van de hervormingen in Tunesië te volgen en te evalueren (die hervormingen hebben vooral te maken met bevordering van de vrijheden van vereniging en meningsuiting, het opzetten van een onafhankelijke rechterlijke macht en volledige en algehele samenwerking met de speciale instrumenten van de Verenigde Naties);
8. is van mening dat het doorvoeren van al deze hervormingen moet worden beschouwd als prioriteit van het partnerschap tussen de EU en Tunesië en een fundamenteel onderdeel moet vormen van de ontwikkeling van de betrekkingen tussen de Europese Unie en Tunesië; is in dit verband van mening dat, wanneer men zich niet houdt aan deze agenda, de Raad en de Commissie hieruit alle consequenties moeten trekken in het kader van artikel 2 en artikel 90 van de associatieovereenkomst;
9. verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie en de regering en het parlement van Tunesië.