Stadium plenaire behandeling
Documentencyclus : B6-0577/2006

Ingediende teksten :

B6-0577/2006

Debatten :

PV 25/10/2006 - 12
CRE 25/10/2006 - 12

Stemmingen :

PV 26/10/2006 - 6.9

Aangenomen teksten :


ONTWERPRESOLUTIE
PDF 105kWORD 48k
24.10.2006
PE 379.746v01-00
 
B6‑0577/2006
naar aanleiding van vragen voor mondeling antwoord B6‑0438/2006 aan de Raad en B6‑0439/2006 aan de Commissie
ingediend overeenkomstig artikel 108, lid 5 van het Reglement
door Patrick Louis en Jens-Peter Bonde
namens de IND/DEM-Fractie
over het aan het principieel arrest van 13 september 2005 van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen te geven gevolg

Resolutie van het Europees Parlement over het aan het principieel arrest van 13 september 2005 van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen te geven gevolg  
B6‑0577/2006

Het Europees Parlement,

–  gelet op de titels IV van het EG-Verdrag en VI van het EU-Verdrag,

–  gelet op de artikelen 135 en 280 van het EG-Verdrag,

–  gelet op de artikelen 29, 30 en 31 van het EU-Verdrag,

–  gezien het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen (grote kamer) in zaak C-176/03 - Commissie van de Europese Gemeenschappen tegen Raad van de Europese Unie,

–  gezien de conclusies van de advocaat-generaal Damaso Ruiz-Jarabo Colomer van 26 mei 2005 in genoemde zaak C-176/03,

–  gezien het Verdrag tot vaststelling van een grondwet voor Europa dat op 29 mei 2005 is vervallen,

–  gezien de mededeling van 23 november 2005 van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad over de gevolgen van het arrest van het Hof in zaak C-176/03,

–  gelet op artikel 108, lid 5 van zijn Reglement,

A.  overwegende dat er inzake strafrecht geen enkele uitdrukkelijke toewijzing van bevoegdheid bestaat en dat gezien het grote belang van het strafrecht voor de soevereiniteit van de lidstaten niet kan worden aanvaard dat deze bevoegdheid impliciet aan de Gemeenschap wordt overgedragen bij de toewijzing van specifieke materiële bevoegdheden,

B.  overwegende dat in de motiveringen van het arrest in zaak C-176/03, met name in punt 47 het volgende wordt gesteld: "Het strafrecht en het strafprocesrecht behoren in beginsel niet tot de bevoegdheid van de Gemeenschap", en in het opmerkelijke punt 48 hieraan wordt toegevoegd dat "deze laatste vaststelling [...] de gemeenschapswetgever evenwel niet [kan] beletten om [...] maatregelen te nemen die verband houden met het strafrecht van de lidstaten [...] om de volledige doeltreffendheid van de door hem [...] vastgestelde normen te verzekeren",

C.  overwegende dat de artikelen 135 en 280 van het EG-Verdrag de toepassing van het nationale strafrecht en de rechtsbedeling expliciet voorbehouden aan de lidstaten,

D.  overwegende dat het Verdrag betreffende de Europese Unie een speciale titel wijdt aan de justitiële samenwerking in strafzaken (art. 29 e.v. EG-Verdrag), in het bijzonder voor de vaststelling van de bestanddelen van strafbare feiten en hieraan verbonden straffen,

E.  overwegende dat in de afgeleide wetgevingsbesluiten altijd de traditionele formule wordt overgenomen volgens welke "doeltreffende, evenredige en afschrikkende sancties" moeten worden vastgesteld zonder daarbij de vrijheid van de lidstaten aan te tasten om te kiezen tussen administratieve of strafrechtelijke sancties,

F.  overwegende dat de teleologische interpretatie waartoe het Hof van Justitie eens te meer haar toevlucht heeft genomen, leidt tot communautarisering van het strafrecht op alle terreinen die onder het gemeenschapsrecht vallen, in weerwil van voornoemde bepalingen van de Verdragen en de nationale grondwetten van de lidstaten, op grond waarvan het strafrecht door de nationale parlementen wordt vastgesteld; eraan herinnerend dat de Franse regering in een verslag van de delegatie voor de Europese Unie van de Franse Nationale Assemblee (nr. 2829 van januari 2006) zelfs wordt verzocht hieruit consequenties te trekken en de Franse grondwet te hervormen,

G.  overwegende dat een dergelijke lezing van de Verdragen duidelijk in strijd is met het standpunt dat terecht voor het Hof wordt verdedigd door de Raad en de lidstaten, die nochtans de enige zijn die kunnen aangeven wat hun gemeenschappelijke bedoeling is en was toen zij hebben onderhandeld over de communautaire Verdragen en deze hebben ondertekend en geratificeerd,

H.  overwegende dat, als de supranationale instellingen die door de Verdragen in het leven zijn geroepen voortvloeien uit een herroepbare nationale constitutionele instemming, de lidstaten en de verschillende volkeren van Europa die in het Europees Parlement zijn vertegenwoordigd duidelijk het slachtoffer zijn van een ernstige tekortkoming op het vlak van hun instemming, omdat een bindend juridisch besluit hun een lezing van de Verdragen oplegt die verschilt van die welke zij hebben ondertekend,

I.  overwegende dat volgens deze lezing contra legem van de Europese Verdragen de pijlers samensmelten in een enkel institutioneel kader, waarin door de massaal verworpen Europese grondwet was voorzien; dat dit neerkomt op een juridische krachttoer waarbij het beginsel van de scheiding der machten flagrant met voeten wordt getreden,

J.  overwegende dat, krachtens deze jurisprudentie, de gemeenschapswetgever op alle terreinen die onder de essentiële doelstellingen van de Gemeenschap vallen normen oplegt die rechtstreeks gevolgen hebben voor en prevaleren boven de nationale wetgeving, met inbegrip van de grondwet, zulks op grond van een onrechtvaardige jurisprudentie van ditzelfde Hof sinds 1964,

K.  overwegende dat, zoals blijkt uit het arrest van 13 september 2005 zelf en uit alle officiële commentaren die hierop zijn gevolgd, deze communautarisering van het strafrecht om de volledige doeltreffendheid van de normen te verzekeren zich tot in het oneindige kan uitstrekken - milieubeleid uiteraard, maar ook immigratie-, mededingings- en werkgelegenheidsbeleid, sociaal beleid, vervoerbeleid, enz. - en de onophoudelijke overname van nationale bevoegdheden door een Europa zonder diepgang en zonder einde kan rechtvaardigen,

L.  overwegende dat de Commissie in haar mededeling van 23 november 2005 een eerste lijst van negen nieuwe terreinen aankondigt waarop zij de jurisprudentie van 13 september 2005 wil omzetten door nietigverklaring van negen ontwerpen voor kaderbesluiten die door de Raad zijn opgesteld in het kader van de samenwerking op het gebied van justitie en binnenlandse zaken, teneinde de communautarisering van het strafrecht toe te passen op de volgende terreinen: hulpverlening bij illegale binnenkomst, illegale doortocht en illegaal verblijf, verontreiniging vanaf schepen, fraude met betaalmiddelen, witwassen van geld, computercriminaliteit, intellectuele eigendom en overtredingen in verband met de euro,

M.  overwegende dat de draagwijdte van de communautarisering van het recht niet alleen het milieurecht overschrijdt, maar ook het strafrecht zelf, aangezien de rechters in Luxemburg zich aanmatigen een waarachtige missie van gerechtelijk federalisme uit te voeren, buiten de Verdragen om en in naam van hetzelfde allesoverheersende "goddelijke" beginsel dat de Europese instellingen ertoe brengt het "nee" te negeren,

N.  overwegende dat de Commissie naast deze gerechtelijke communautarisering van het strafrecht zonder enig mandaat of enige Verdragsgrondslag reeds een ontwerp voor een "Europees burgerlijk wetboek" had gelanceerd, dat wordt uitgewerkt door een zekere groep "Von Bar", die voor een bedrag van 4.400.000 euro in het kader van het Cordis-programma wordt gesubsidieerd; dat het ongetwijfeld nuttig is ter informatie over een referentiekader te beschikken om de vergelijking van de nationale rechtsstelsels te vergemakkelijken (naar het voorbeeld van de "restatements" in de Verenigde Staten), maar dat dit unificatieproject daarentegen de voorbode is van de verdwijning van het burgerlijk recht van de lidstaten op uiteenlopende terreinen als het recht op het gebied van contracten, aansprakelijkheid, gezin, waarborgen, enz.,

O.  overwegende dat deze slinkse methodes en de superstaat die men ermee wil creëren door onze medeburgers uitdrukkelijk van de hand zijn gewezen en door Frankrijk en Nederland massaal zijn veroordeeld, onder het instemmend oog van de volkeren die geen gelegenheid kregen om zich via referendum uit te spreken, waardoor het Verdrag tot vaststelling van een grondwet voor Europa door toepassing van het Verdrag van Wenen van 23 mei 1969 is komen te vervallen,

1.  stelt vast dat het arrest van het Hof van Justitie van 13 september 2005 in zaak C-176/03 tegen de Raad en de lidstaten de bepalingen van de Verdragen overschrijdt en derhalve ernstig afbreuk doet aan de instemming van de staten en de soevereiniteit van de volkeren;

2.  verzoekt de Europese Raad van staatshoofden en regeringsleiders in een buitengewone zitting bijeen te komen om te besluiten dat in geval van tegenstrijdige interpretatie van de Verdragen de door de Raad verdedigde lezing de facto en de jure verplicht geldt;

3.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan het voorzitterschap van de Europese Raad.

Juridische mededeling - Privacybeleid