Ontwerpresolutie - B6-0193/2007Ontwerpresolutie
B6-0193/2007

    ONTWERPRESOLUTIE

    2.5.2007

    naar aanleiding van een verklaring van de Commissie
    ingediend overeenkomstig artikel 103, lid 2 van het Reglement
    door Jean Lambert, Elisabeth Schroedter, Sepp Kusstatscher
    namens de Verts/ALE-Fractie
    over strengere wetgeving op het gebied van informatie en raadpleging van de werknemers

    Procedure : 2007/2546(RSP)
    Stadium plenaire behandeling
    Documentencyclus :  
    B6-0193/2007
    Ingediende teksten :
    B6-0193/2007
    Aangenomen teksten :

    B6‑0193/2007

    Resolutie van het Europees Parlement over strengere wetgeving op het gebied van informatie en raadpleging van de werknemers

    Het Europees Parlement,

    –  gezien het Handvest van de Grondrechten van de Europese Unie, in het bijzonder de bepalingen betreffende de sociale rechten, en artikel 136 van het EG-Verdrag volgens welk de lidstaten zich als doel stellen de bevordering van de werkgelegenheid, de verbetering van de levensomstandigheden en de arbeidsvoorwaarden, adequate sociale bescherming, de sociale dialoog tussen bedrijfsleiding en werknemers, de ontwikkeling van de menselijke hulpbronnen om een duurzaam hoog werkgelegenheidsniveau mogelijk te maken, en de bestrijding van uitsluiting,

    –  gezien Richtlijn 2002/14/EG van 11 maart 2002[1] betreffende de informatie en de raadpleging van de werknemers, Richtlijn 98/59/EG van 20 juli 1998[2] betreffende de aanpassing van de wetgevingen van de lidstaten inzake collectief ontslag, Richtlijn 94/45/EG van 22 september 1994[3] inzake de instelling van een Europese ondernemingsraad en Richtlijn 2001/23/EC van de Raad van 12 maart 2001[4] inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der lidstaten betreffende het behoud van de rechten van de werknemers bij overgang van ondernemingen, vestigingen of onderdelen van ondernemingen of vestigingen; overwegende dat deze richtlijnen betrekking hebben op de harmonisering van de wetgeving van de lidstaten inzake instrumenten voor sociale dialoog tussen de sociale partners,

    –  gezien de Mededeling van de Commissie "Herstructureringen en werkgelegenheid - Anticiperen op en begeleiden van herstructureringen met het oog op de ontwikkeling van de werkgelegenheid: de rol van de Europese Unie" (COM(2005)0120 def.) en het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité van 14 december 2005 (CESE 1495/2005),

    –  onder verwijzing naar zijn resolutie over herstructureringen en werkgelegenheid (2005/2188 (INI)), goedgekeurd op 16 maart 2005,

    –  onder verwijzing naar zijn resolutie van 4 september 2001 over het verslag van de Commissie over de toepassing van de richtlijn betreffende de instelling van een Europese ondernemingsraad,

    –  onder verwijzing naar zijn vorige resoluties over herstructureringen en fusies,

    –  gezien de verklaring van de Commissie in de plenaire vergadering van 25 april 2007 over strengere Europese wetgeving op het gebied van de informatie en de raadpleging van de werknemers,

    –  gelet op artikel 103, lid 2 van zijn Reglement,

    A.  overwegende dat de doelstellingen van Lissabon gericht zijn op het bevorderen van volledige werkgelegenheid, de kwaliteit van de werkgelegenheid, sociale en territoriale samenhang en duurzame ontwikkeling,

    B.  overwegende dat de gevolgen van herstructurering soms haaks staan op de doelstellingen van Lissabon inzake het bevorderen van volledige werkgelegenheid, de kwaliteit van de werkgelegenheid, sociale en territoriale samenhang en duurzame ontwikkeling,

    C.  overwegende dat een intensieve sociale dialoog, een innovatiegericht industrieel beleid en een actief werkgelegenheidsbeleid de sleutel zijn voor het verwezenlijken van de doelstellingen van een intelligente en milieubewuste groei, als vooropgesteld in de Strategie van Lissabon, en voorwaarde zijn voor de instandhouding en de verdere ontwikkeling van de industriële activiteiten die werkgelegenheid bieden aan grote delen van de Europese beroepsbevolking,

    D.  overwegende dat het recht van de werknemers op informatie en raadpleging een wezenlijk instrument is van de Europese sociale dialoog en bijgevolg een hoeksteen vormt van het sociale Europa; overwegende dat het sociale Europa onder meer door middel van wetgeving versterkt moet worden;

    E.  overwegende dat de laatste jaren in heel Europa het aantal herstructureringen waarbij van werknemerszijde is gemeld dat het recht op informatie niet is nageleefd, fors is toegenomen;

    F.  overwegende dat het Europees in zijn resolutie (A5-282/2001) van september 2001 heeft aangedrongen op wijziging van Richtlijn 94/45/EG en dat de Commissie hierop nog steeds niet heeft gereageerd met een voorstel;

    G.  overwegende dat reorganisaties door middel van bijvoorbeeld herstructureringen, fusies en bedrijfsoverplaatsingen gevolgen hebben voor de burgers, de werknemers en de regio's in de gehele Europese Unie; overwegende dat het van wezenlijk belang is dat alle wetgeving naar behoren wordt nageleefd en uitgevoerd, vooral om te garanderen dat de belanghebbenden erbij worden betrokken; overwegende dat elke overtreding van de wetgeving onmiddellijk moet worden gesanctioneerd om gelijke randvoorwaarden voor iedereen te waarborgen;

    H.  overwegende dat globalisering onder meer leidt tot een toename van de concentraties, hergroeperingen en de vorming van grote internationale groepen, soms in sectoren van vitaal strategisch belang; overwegende dat daarom alle sectoren van de industrie bijstand moet worden geboden om aan deze veranderingen het hoofd te bieden; overwegende dat dit ook het recht op informatie en raadpleging omvat;

    1.  verzoekt de Commissie, zoals het al eerder bij herhaling heeft gedaan, het laatst nog in zijn resolutie van 16 maart 2006 (2005/2188 (INI)), de Europese wetgeving op het gebied van de informatie en de raadpleging van de werknemers onder de loep te nemen en te moderniseren om een coherent en doeltreffend wettelijk kader te realiseren, rechtsonzekerheid te vermijden en zowel de uitvoering van de wetgeving als het samenspel tussen het nationale en het Europese niveau in de sociale dialoog te verbeteren;

    2.  verlangt dat de Commissie aan het Parlement een tijdschema voorlegt voor de herziening en de modernisering van de Europese wetgeving betreffende informatie en raadpleging van de werknemers;

    3.  verzoekt de Commissie ervoor te zorgen dat de lidstaten de wetgeving naar behoren implementeren, en aan het Parlement verslag uit te brengen over de stand van de tenuitvoerlegging van de Europese wetgeving betreffende informatie en raadpleging van de werknemers;

    4.  verzoekt de Commissie de lidstaten die de richtlijnen betreffende informatie en raadpleging van de werknemers niet naar behoren hebben uitgevoerd tot de orde te roepen;

    5.  verzoekt de Commissie de interne coördinatie van haar beleid in de sectoren werkgelegenheid en sociale zaken, economische en monetaire zaken, industrie, en onderzoek en ontwikkeling te verbeteren, en de sociale partners ertoe aan te sporen een actieve rol te spelen in de ontwikkeling van een coherent geheel van beleidslijnen met als doel de instandhouding van een concurrentiële en innoverende Europese industrie;

    6.  herinnert de Commissie aan de noodzaak om, krachtens artikel 127 van het Verdrag, te zorgen voor een coherent verband tussen de mededingingsregels en de communautaire sociale en arbeidswetgeving; verlangt dat fusies alleen groen licht krijgen als blijkt dat de verplichting is nagekomen om de werknemers en de Europese ondernemingsraden te informeren en te raadplegen;

    7.  verzoekt zijn bevoegde commissies in hun werkprogramma verslagen te programmeren die de Commissie als basis kan nemen voor de uitstippeling van een krachtdadiger beleid om op Europees niveau in te spelen op de globalisatie, met een intensievere sociale dialoog, de particuliere en overheidsinvesteringen in O&O op te voeren, de programma's voor levenslang leren te verbeteren en een actief arbeidsmarktbeleid te voeren;

    8.  dringt erop aan dat geen financiële middelen uit de Structuurfondsen worden toegekend aan ondernemingen die belangrijke aspecten van de verplichtingen die hun worden opgelegd door de richtlijnen betreffende de informatie en de raadpleging van de werknemers niet zijn nagekomen, en/of dat deze ondernemingen moeten worden verplicht deze middelen terug te betalen, net als alle andere communautaire kredieten of nationale subsidies die zij hebben ontvangen om de regionale ontwikkeling en werkgelegenheid te bevorderen, en dat zij uitgesloten moeten worden van openbare aanbestedingen en overheidssubsidies;

    9.  verzoekt de Commissie een slagvaardiger strategie uit te stippelen om te anticiperen op industriële herstructurering en in te spelen op de maatschappelijke en ecologische gevolgen ervan;

    10.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie, de regeringen en de parlementen van de lidstaten, en de sociale partners.