Procedure : 2007/2605(RSP)
Stadium plenaire behandeling
Documentencyclus : B6-0323/2007

Ingediende teksten :

B6-0323/2007

Debatten :

PV 03/09/2007 - 16
CRE 03/09/2007 - 16

Stemmingen :

PV 04/09/2007 - 7.3
CRE 04/09/2007 - 7.3

Aangenomen teksten :

P6_TA(2007)0362

ONTWERPRESOLUTIE
PDF 108kWORD 62k
29.8.2007
PE 393.033v01-00
 
B6‑0323/2007
naar aanleiding van een verklaring van de Commissie
ingediend overeenkomstig artikel 103, lid 2 van het Reglement
door Gerardo Galeote Quecedo, Ioannis Varvitsiotis, Nikolaos Vakalis, Antonios Trakatellis, Konstantinos Hatzidakis, Rodi Kratsa, Georgios Papastamkos, Marie Panayotopoulos-Cassiotou, Manolis Mavrommatis, Ioannis Gklavakis, Giorgos, Dimitrakopoulos, Antonios Samaras, Panayiotis Demetriou, Ioannis Kasoulides, Giuseppe Castiglione, Rolf Berend, Luis de Grandes, Margie Sudre, Fernando Fernandez Martin, Sergio Marques, Laszlo Surjan, Iles Braghetto, Maria Petre, Tomas Zatloukal, Jean-Pierre Audy, Marian-Jean Marinescu, Francesco Musotto, Monica Maria Iacob Ridzi, Yiannakis Matsis, Antonio Tajani
namens de PPE-DE-Fractie
over de natuurrampen van deze zomer

Resolutie van het Europees Parlement over de natuurrampen van deze zomer 
B6‑0323/2007

Het Europees Parlement,

–  gelet op de artikelen 2, 6 en 174 van het EG-Verdrag,

–  gezien zijn resolutie van 7 september 2006 over bosbranden en overstromingen in Europa, zijn resolutie van 5 september 2002 over overstromingen in Europa(1), zijn resolutie van 14 april 2005 over de droogte in Portugal(2), zijn resolutie van 12 mei 2005 over de droogte in Spanje(3), zijn resolutie van 8 september 2005 over natuurrampen (branden en overstromingen) in Europa(4) en zijn resoluties van 18 mei 2006 over natuurrampen (bosbranden, droogte en overstromingen) – aspecten voor de landbouw(5), aspecten in verband met de regionale ontwikkeling(6) en milieuaspecten(7),

–  gezien de twee gezamenlijke openbare hoorzittingen die georganiseerd werden door de Commissie regionale ontwikkeling van het Europees Parlement, zijn Commissie milieubeheer, volksgezondheid en voedselveiligheid en zijn Commissie landbouw en plattelandsontwikkeling over een “Europese strategie voor natuurrampen” (20 maart 2006), en over de “Europese noodhulpmacht voor civiele bescherming: Europe aid” (5 oktober 2006),

–  gezien het besluit van de Raad van 23 oktober 2001 tot vaststelling van een communautair mechanisme ter vergemakkelijking van een versterkte samenwerking bij bijstandsinterventies in het kader van civiele bescherming (2001/792/EG, Euratom)(8) en gezien het binnenkort aan te nemen herziene besluit van de Raad tot vaststelling van een communautair mechanisme voor civiele bescherming en het standpunt van het Parlement van 24 oktober 2006(9),

–  gezien het voorstel van de Commissie tot oprichting van het Solidariteitsfonds van de Europese Unie (COM(2005)0108) en het standpunt van het Parlement van 18 mei 2006(10),

–  gezien zijn wetgevingsresolutie van 25 april 2007 over het gemeenschappelijke standpunt van de Raad met het oog op de goedkeuring van een richtlijn over beoordeling en beheer van overstromingsrisico’s(11),

–  gezien de beschikking van de Raad van 5 maart 2007 tot instelling van een financieringsinstrument voor civiele bescherming (2007/162/EG)(12),

–  gezien de conclusies van de Raad voor Justitie en Binnenlandse Zaken van 12 en 13 juni 2007 over vergroting van de coördinatiecapaciteit van het Centrum voor waarneming en informatie (MIC) in het kader van het communautair mechanisme voor civiele bescherming,

–  gezien het verslag van Michel Barnier van 9 mei 2006, getiteld “Een Europese noodhulpmacht voor civiele bescherming: Europe aid”,

–  gezien punt 12 van de conclusies van het voorzitterschap van de Europese Raad te Brussel van 15 en 16 juni 2006 betreffende het reactievermogen van de Europese Unie op noodsituaties, crises en rampen,

–  gezien de mededeling van de Commissie over waterschaarste en droogte(13),

–  gezien de met algemene stemmen aangenomen resolutie van de Euro-Mediterrane Parlementaire Vergadering over de “Civiele bescherming en de voorkoming van natuurrampen en ecologische rampen in het Euro-Mediterrane gebied”,

–  gelet op artikel 103, lid 2 van zijn Reglement,

A.  overwegende dat de zomer van 2007 gekenmerkt werd door uiterst dramatische bosbranden en andere lopende vuren in geheel Zuid-Europa die in veel gevallen de dood van Europese burgers ten gevolge hadden, onder wie van toegewijd brandweerpersoneel, en die tot aanzienlijke materiële schade en schade aan het milieu leidden; overwegende dat de schade alleen al in juli zo ernstig was dat het oppervlak van de verbrande gebieden het totaal van dat in afgelopen jaar bereikte; overwegende dat Griekenland in augustus een diepe nationale tragedie heeft doorgemaakt als gevolg van een van de dodelijkste vuurrampen die zich sinds 1871 ter wereld hebben voorgedaan,

B.  overwegende dat het totale oppervlak van de vegetatie en bossen dat deze zomer in Europa door branden is aangetast meer dan 500.000 hectare bedraagt en dat de zwaarst getroffen landen Griekenland, Italië (en met name Sicilië), Bulgarije, Cyprus, Kroatië, FYROM, Spanje (met name de Canarische Eilanden), Oekraïne en Albanië zijn;

C.  overwegende dat alleen al de recente verwoestende bosbranden in Griekenland, die met name huishielden in grote delen van de Peloponnesos, het eiland Evia en gebieden rondom Athene, tot het verlies van 60 mensenlevens leidden, de verwonding van een groot aantal personen, het verbranden van duizenden hectaren bossen en struikgewas, de dood van dieren, de vernietiging van veel huizen en andere gebouwen en de verdwijning van gehele dorpen; overwegende dat tijdens deze crisis op dezelfde dag in Griekenland 170 afzonderlijke bosbranden op verscheidene plaatsen werden gemeld,

D.  overwegende dat Europa tezelfdertijd met ernstige overstromingen geconfronteerd werd waardoor veel gebieden in het noorden, en vooral het Verenigd Koninkrijk, werden getroffen, waardoor schade ontstond aan huizen, scholen, infrastructuur en landbouw, veel mensen voor het water moesten vluchten en een aanzienlijk verlies ontstond voor bedrijven en het toerisme, terwijl er in Oost-Europa, vooral in Roemenië, een extreme droogte heerste,

E.  overwegende dat met de toenemend hete en droge zomerseizoenen in Zuid-Europa bosbranden en andere lopende vuren een steeds terugkerend verschijnsel zijn, maar dat ze toch van jaar tot jaar dramatisch variëren wat hun intensiteit en geografische locatie betreft; overwegende dat ook de klimaatverandering van invloed is op de trend van deze rampzalige gebeurtenissen en er een verband bestaat met de steeds vaker voorkomende hittegolven en droogteperioden, zoals wordt opgemerkt in de mededeling van de Commissie over waterschaarste en droogte,

F.  overwegende dat de frequentie, ernst, complexiteit en de gevolgen van door de natuur of de mens veroorzaakte rampen in geheel Europa in de afgelopen jaren is toegenomen,

G.  overwegende dat de steeds vaker optredende hittegolven disproportionele gevolgen hebben voor de kwetsbare groepen van de samenleving en met name ouderen, hetgeen te vaak tot slachtoffers en doden leidt,

H.  overwegende dat het communautaire mechanisme voor civiele bescherming binnen een periode van vijf weken negen maal voor hetzelfde soort noodgeval werd geactiveerd, in zeven van de negen gevallen gelijktijdig; overwegende dat de bijstand van de lidstaten niet toereikend was om in al deze noodgevallen te zorgen voor een snelle, adequate civiele beschermingsreactie,

I.  overwegende dat de voorzitter van de Commissie regionale ontwikkeling van het Europees Parlement en het Commissielid voor regionaal beleid in de afgelopen 12 maanden aan de voorzitterschappen van de Raad hebben geschreven om erop aan te dringen een besluit te nemen over de nieuwe solidariteitsfondsverordening, gelet op het feit dat het Europees Parlement zijn standpunt reeds in mei 2006 te kennen heeft gegeven,

1.  geeft uiting aan zijn sterke gevoelens van solidariteit met de familieleden van degenen die hun leven verloren en met de bewoners van de getroffen gebieden en brengt hulde aan de brandbestrijders, beroepsbrandweerlieden en vrijwilligers, die onvermoeibaar gewerkt hebben om branden te blussen, mensen te redden en de schade van de natuurrampen van deze zomer te beperken;

2.  vraagt de Commissie om mobilisatie van het huidige EU-solidariteitsfonds (EUSF) op de meest flexibele wijze en zonder vertraging; is in dit verband van oordeel dat de noodzakelijke middelen onmiddellijk beschikbaar moeten worden gesteld ter verzachting van het leed en tegemoet te komen aan de noden van de slachtoffers van natuurrampen – branden en overstromingen – en van hun naaste familieleden door middel van het EUSF en andere instrumenten van de Gemeenschap,

3.   betreurt het dat het erop lijkt dat zo veel van deze bosbranden door brandstichting zijn ontstaan en is er bijzonder bezorgd over dat in Europa optredende bosbranden steeds meer aan brandstichtingsdelicten moeten worden toegeschreven; vraagt de lidstaten onverwijld strenge maatregelen te nemen om een einde te maken aan dergelijke moedwillige vernietigingsacties en de brandstichters voor de rechter te brengen, zodat eventueel verder welbewust crimineel gedrag wordt ontmoedigd;

4.  betuigt zijn erkentelijkheid voor de solidariteit van de Europese Unie, de lidstaten en andere landen bij de hulpverlening aan de getroffen gebieden door het beschikbaar stellen van vliegtuigen, brandbestrijdingsapparatuur en expertise, en voor de hulp die aan de betrokken autoriteiten en reddingsdiensten is verleend; is van oordeel dat de omvang van de gebeurtenissen en hun gevolgen de regionale en nationale schaal en vermogens te boven gaan en roept er met nadruk toe op dat Europa zich hier op een doeltreffende wijze inzet; constateert dat dit speciaal in het geval van Griekenland gedemonstreerd werd waar het - ondanks het feit dat de Griekse regering alles deed wat in haar vermogen lag en een beroep op alle bestaande nationale en gemeenschappelijk mechanismen – onmogelijk bleek de ramp het hoofd te bieden;

5.  is erkentelijk voor de bijdrage van het Centrum voor waarneming en informatie (MIC) aan de ondersteuning en vergemakkelijking van het mobiliseren en coördineren van de hulp van de civiele bescherming in de noodsituaties; constateert echter dat de middelen van de lidstaten om bosbranden, speciaal vanuit de lucht, te bestrijden beperkt zijn en dat het voor de lidstaten niet altijd mogelijk is hulp aan te bieden als de hulpmiddelen voor het eigen land nodig zijn; stelt daarom vast dat sommige lidstaten minder hulp ontvingen dan andere en voor hulpverlening op bilaterale overeenkomsten met landen van buiten de EU moesten vertrouwen; betreurt derhalve het feit dat de EU als geheel in sommige gevallen niet van voldoende solidariteit blijk gaf;

6.   dringt er bij de Raad met de meeste nadruk op aan onverwijld overeenstemming te bereiken over de nieuwe solidariteitsfondsverordening, gelet op het feit dat het Europees Parlement zijn standpunt reeds in mei 2006 kenbaar heeft gemaakt; acht de door de Raad in dit verband veroorzaakte vertraging onaanvaardbaar; is van oordeel dat het met de nieuwe verordening, die onder meer de drempels voor de een beroep op het solidariteitsfonds van de EU verlaagt, mogelijk zal zijn schade effectiever. flexibeler en sneller op te vangen; dringt er bij het Portugese voorzitterschap evenals bij de ministers van financiën, milieu, landbouw en regionale ontwikkeling van de EU op aan onverwijld snelle en onherroepelijke maatregelen te nemen; stelt hiertoe de organisatie voor van een buitengewone gezamenlijke Raadsbijeenkomst van deze ter zake verantwoordelijke ministers, met deelneming van het Europees Parlement en de Europese Commissie als waarnemers;

7.   is van mening dat uit de ervaring van de afgelopen jaren en van het recente verleden duidelijk is gebleken dat versterking nodig is van de voorbereiding en het reactievermogen van de civiele bescherming van de Gemeenschap op bosbranden en andere lopende vuren en dringt er bij de Commissie met nadruk op aan hiertoe een initiatief te nemen;

8.  is verheugd over de recente beschikking van de Raad van 5 maart 2007 tot instelling van een financieringsinstrument voor civiele bescherming en is van oordeel dat de acties die steun in het kader van dit instrument ontvangen moeten zorgen voor de zichtbare uiting van de Europese solidariteit en een verdere Europese toegevoegde waarde moeten verlenen aan een doeltreffende aanpak van natuurrampen; is er echter bezorgd over dat het voor dit instrument gereserveerde bedrag onvoldoende zal zijn voor een doeltreffende uitvoering van zijn ambitieuze taken;

9.  vraagt de Commissie zich te buigen over mogelijkheden om op vooraf overeengekomen voorwaarden toegang te krijgen tot aanvullende capaciteit om snel te reageren op grootschalige noodsituaties die door anderen, waaronder de commerciële markt, beschikbaar zou kunnen worden gesteld; suggereert de kosten van een dergelijke capaciteit op afroep door middel van het financieringsinstrument voor civiele bescherming te dekken;

10.   dringt aan op oprichting van een Europese noodhulpmacht die onmiddellijk op noodsituaties zou kunnen reageren, zoals voorgesteld in het verslag-Barnier, en betreurt het gebrek aan respons en follow-up in dit opzicht; is derhalve verheugd over de recente gezamenlijk oproep van de Franse president Nicolas Sarkozy en de Griekse premier Kostas Karamanlis tot nauwere samenwerking op dit gebied, die verder gaat dan het traditionele vrijwillige samenvoegen van middelen;

11.   onderstreept in dit verband de noodzaak door te gaan met de ontwikkeling van een snelle reactiecapaciteit die gebaseerd is op de modules voor civiele bescherming van de lidstaten, zoals gevraagd door de Europese Raad van Brussel van 16 en 17 juni 2006; verzoekt de Commissie in dit verband een concreet voorstel te ontwikkelen;

12.   benadrukt dat natuurrampen en met name bosbranden dit jaar een grote bedreiging zijn geweest voor monumenten en plaatsen van oudheidkundige betekenis die van groot belang voor het Europees cultureel erfgoed zijn; onderstreept in dit verband de – hoewel afgewende - bedreiging van het Olympia uit de Oudheid en met name zijn museum als werelderfgoedmonument; dringt erop aan middelen beschikbaar te stellen indien als Europees cultureel erfgoed te kwalificeren plaatsen door de nog steeds woedende bosbranden mochten worden beschadigd;

13.  verzoekt de Commissie na te gaan welke mogelijkheden er bestaan tot samenwerking met de buurlanden van de EU en met andere derde landen bij de bestrijding van rampzalige branden, de uitwisseling van optimale praktijken en/of capaciteiten tijdens de gevaarlijke zomermaanden om beter voorbereid te zijn op het bosbrandseizoen van 2008;

14.   onderstreept dat er behoefte is aan striktere maatregelen die gericht zijn op het voorkomen van natuurrampen; ziet in dit verband met grote belangstelling uit naar de publicatie in 2008 van twee studies van de Commissie die de vaststelling van een geïntegreerde strategie ter voorkoming van natuurrampen beogen; stelt verder voor dat de Europese Commissie onderzoek doet naar het potentiële gebruik van open coördinatie ter voorkoming van natuurrampen;

15.   legt er de nadruk op dat de procedure om toegang te krijgen tot EU-middelen voor het herstel van landbouwgronden na overstromingen en branden moet worden versneld en dat er meer financiële middelen beschikbaar gesteld moeten worden voor de ontwikkeling van beschermingen tegen overstromingen; wijst met nadruk op de fatale gevolgen van bosbranden en overstromingen voor dieren en vee en dringt erop aan hulp te bieden bij het opruimen van dode dieren en overblijfselen om de verspreiding van ziekten te voorkomen;

16.   verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie, de regeringen van de lidstaten en aan de regionale autoriteiten van de door de branden en overstromingen getroffen gebieden.

(1) PB C 272 E van 13.11.2003, blz. 471.
(2) PB C 33 E van 9.2.2006, blz. 599.
(3) PB C 92 E van 20.4.2006, blz. 414.
(4) PB C 193 E van 17.8.2006, blz. 322.
(5) Aangenomen teksten, P6_TA(2006)0222.
(6) Aangenomen teksten, P6_TA(2006)0223.
(7) Aangenomen teksten, P6_TA(2006)0224.
(8) PB L 297 van 15.11.2001, blz. 7.
(9) Aangenomen teksten, P6_TA(2006)0286.
(10) Aangenomen teksten, P6_TA(2006)0218.
(11) Aangenomen teksten, P6_TA(2007)0413.
(12) PB L 71 van 10.3.2007, blz. 9.
(13) COM(2007)0414 def.

Juridische mededeling - Privacybeleid